Psychologische achtergronden van ontwikkelingen

uit de cursus ‘Achtergronden van de werkelijkheid’ (hoofdstuk 8)- mei 1976

Psychologische achtergronden van ontwikkelingen

Wanneer we ons bezighouden met de mentaliteit van de mensen, dan kunnen wij allerlei stromingen ontdekken. Deze stromingen hangen niet alleen samen met wat men nu net denkt of voelt, het hangt ergens ook samen met een werkelijkheid die door de mensen zelf maar zelden wordt beseft. Hoeveel mensen beseffen bv. dat veel mensen de doden herdenken om even de levenden te kunnen vergeten? Dat zijn van die dingen die duidelijk maken dat menigeen in zijn illusies leeft. Dat is hetzelfde als je de mensen ziet duiken in de verre historie.

Als je de mens hoort spreken over Iwan de Verschrikkelijke, dan is dat een enorm gruwelijke figuur. Hij lacht ongeveer als een Iwan Rebroff met de baard in de keel. Hij slaat koppen af en bedrijft andere nationale sporten. Maar hij woont in een paleis! Dat het in dat paleis nu toevallig stonk als in een zwijnenstal en dat het begrip hygiëne niet alleen onbekend, maar in zijn omgeving zelfs onmogelijk was, dat vergeet men dan maar. Het wordt verder een kleurrijk spel.

Karel de Grote is een vorst, een keizer en niet wat hij in feite is een uit een meierij omhoog geschoten potentaat die met behoorlijke wreedheid en sluwheid anderen de nek omdraait, tenzij ze hem als keizer erkennen. De Vikingen zijn helden die over zee gaan, rovend, plunderend en brandschattend. Dat ze toevallig ook nog geitenhoeders en landbouwers zijn geweest, vergeet iedereen. En zo kunnen wij doorgaan.

Het is alsof de mensen ergens een leven willen opbouwen, al is het maar in een schijnverleden, dat meer tegemoet komt aan hun behoefte dan de wereld waarin ze zelf leven. Hun eigen wereld zien ze negatief. Ze halen uit een smetteloos witte wereld altijd nog weer dat ene vlekje dat er toch nog te vinden is. Aan de andere kant zijn ze voortdurend bezig het verleden te verheerlijken. En als ze het verleden al afbreken, dan is het alleen om te laten zien hoe goed zij zijn, niet hoe goed de wereld is. Wie zich bezighoudt met dit fenomeen zal waarschijnlijk ook het volgende kunnen onderschrijven.

Een mens leeft in een wereld van veronderstellingen. Het zijn die veronderstellingen waaraan hij zijn waardering voor zijn persoonlijkheid ontleent, negatief of positief. Het zijn ook die veronderstellingen waarop hij zijn visie op de wereld en de mogelijkheden in die wereld baseert. Op zichzelf is dat helemaal niet zo dwaas, want als je wat wilt doen, moet je ook denken. Maar omdat de mens denkt in termen die vreemd zijn aan de werkelijkheid waarin hij leeft, ontstaat er een enorm conflict. Een conflict dat in deze dagen overal kenbaar wordt, als de mensen datgene waarvan ze eigenlijk afhankelijk zijn willen vermorzelen. Veel mensen, die in uw dagen leven op kosten van de gemeenschap, willen die gemeenschap veranderen en vernietigen. Is dat misschien omdat het beeld dat ze van zichzelf hebben teveel geladen is met het begrip van afhankelijkheid en onbelangrijkheid?

Wij zien dat kinderen zich tegen hun ouders verzetten. Nu is dat een normaal proces bij de mens, dat geef ik toe. Maar zou veel van dat verzet, zeker`zoals het zich in deze dagen manifesteert, eigenlijk niet voortkomen uit een onvermogen zichzelf te aanvaarden zoals men is in een positie van afhankelijkheid? In een positie waarin men nog niet volledig kan functioneren zonder hulp en steun?

Het is een illusie dat een mens onafhankelijk kan zijn. Hij is afhankelijk van duizend en één factoren. Het is een illusie dat mensen helden zijn. “Helden,” heeft een vriend van mij eens opgemerkt, “zijn mensen, die kans hebben gezien zich te verschonen voordat anderen met hen over hun daden kwamen spreken.” Ook daar alweer, er moeten helden zijn.

Maar zijn helden wel mensen? De meesten zijn mensen, die iets doen en dan op een gegeven ogenblik niet kunnen toegeven dat ze het anders hadden moeten doen. Het zijn mensen, die zich in een situatie bevinden welke ze niet hebben gezocht en die dan, als het schijnbaar onmogelijke ook hen overkomt, eenvoudig reageren volgens een heldenbeeld dat ze innerlijk niet kunnen bevestigen. De mens speelt komedie. En die komedie kan alleen begrijpelijk worden, indien wij ons gaan realiseren dat de mens eigenlijk helemaal niet zichzelf wil zijn.

Ik heb de historie zeer uitvoerig bestudeerd. Het opvallende is dat de machteloosheid die iemand in zich voelt altijd weer ontaardt in het schijnbaar onzinnige.

Denk eens aan Caligula. Een jongeman, die helemaal niet zo dwaas en zo decadent was als men in uw dagen vertelt. Een jonge keizer, die zich moest handhaven te midden van oudere heren patriciërs en senatoren die hem wel even zouden vertellen hoe het moest. Hij werd omringd door edelen. De geschiedenis beschrijft hem als een waanzinnige. Maar dat hij zijn paard tot senator benoemde was eigenlijk alleen een bruskeren van mensen die hij niet kon uitstaan. Het is een krankzinnige beeld, als je het goed bekijkt.

Een mens, die niet kan aanvaarden dat hij beperkt is. Een mens, die droomt van de eeuwigheid en van de oneindigheid, die heel graag God zou willen zijn en dan voortdurend moet ontdekken dat hij maar weinig heeft in te bren­gen. En dan protesteert die mens tegen zijn eigen onmacht. Maar hoe doet hij dat?…

Hij doet het niet door zichzelf te bewijzen in het mogelijke. Dat zou te moeilijk zijn, denk ik. Neen, hij grijpt naar het absurde, naar het onmo­gelijke. Een paard kan senator zijn, natuurlijk niet. Maar je kunt wel op die manier zeggen: Dat paard is mij liever dan al jullie pluimstrijkerij.

Je kunt zeggen: Ik wil macht hebben. Ik wil regeren. Maar waarom wil je macht hebben? Degene die macht wil hebben, zoekt die macht vooral, omdat hij zijn eigen machteloosheid beseft.

De hele wereld is vol figuren die naar macht zoeken, omdat ze zich in feite machteloos voelen. Zelfs een situatie als van Napoleon, die eigen­lijk als arme Corsicaan de ridicuul is van alle mensen waarmee hij te maken heeft. Nu ja, hij is een soldaat. Hij schijnt artillerist te zijn. Maar wat is hij eigenlijk waard tussen al die landjonkers, die een officierspatent hebben gekocht? Hij zit er maar tussen. Daarom gaat Napoleon dromen. Wat meer is, hij weet zijn dromen op anderen over te brengen.

Het zijn krankzinnige dromen, zoals zijn tocht naar Egypte. Een veldtocht die hij ontleent aan zijn dromen over het oude Rome en die absoluut zinloos is in de tijd dat hij die veldtocht volbrengt. Dan kun je natuurlijk onmiddellijk citeren: hij was toch een groot denker want hij zei “Soldaten, hier zien honderden eeuwen op u neer!” of iets dergelijke. Maar dat kan iedereen zeggen. Wat hij deed was zinloos. Wat hij verder deed was eveneens zinloos.

Hij vergooit zijn menselijk geluk omdat hij een positie wil hebben. Hij wil erkend worden als vorst, als keizer. Hij wil op gelijke voet staan met de Habsburgers en alle andere vorstenhuizen. En daarom trouwt hij met iemand die hij niet mag en laat haar van wie hij houdt in de steek. Hij probeert alles te doen, tot zelfs de tsaar van Rusland overwinnen, omdat hij het niet kan hebben dat er iemand is die aan zijn grootheid zou kunnen twijfelen. Dat is de werkelijke geschiedenis van Napoleon.

Maar is het ook niet de romance van de krantenjongen die miljonair wordt? Is het niet de achtergrond van iemand, die juist in zijn armoede een reden ziet om geld en dus macht te vergaren? Macht waar hij niets aan heeft. Hij is er niet eens gelukkig mee. Maar hij is het die het voor het zeggen heeft. Hij heeft zijn eigen grootheid, zijn “ik” beeld bewezen en droomt zo misschien ook onsterfelijk en goddelijk te zijn of op zijn minst genomen: iemand die door God wordt beloond.

Op de achtergrond van de hele menselijke historie worden wij altijd weer geconfronteerd met deze eigenaardige machtsdrang. Deze behoefte om meer te zijn dan een ander. En of dit zich nu uit in het zinloos dood­schoppen van een mens of in het veroveren van rijken, maakt weinig uit.

Iemand die als schrijver nu niet direct veel succes had, werd ont­dekkingsreiziger; een zekere Sven Hedin. Hij werd voortgejaagd door zijn behoefte dingen te ontdekken die niemand anders had gezien. Zo zou hij bewijzen dat hij beter zag dan degene die men boven hem had verkozen, toen hij alleen maar gewoon kleine feiten wilde rapporteren.

Als je de werkelijkheid bekijkt, hebben we te maken met feiten. Nu kunnen we zeggen dat alle feiten ergens ook een illusie zijn, maar een beleefbaar feit is een werkelijkheid. Voor degene die het ondergaat is dat ongetwijfeld waar. We kunnen wel zeggen: Alles is illusie, maar als je iemand toevallig een stevige stomp in zijn plexus solaris geeft, dan buigt hij wel voorover en stamelt in zeer christelijke taal een zegenwens voor degene die hem dit geluk heeft bezorgd.

Feiten, zoals wij die beleven, vormen ónze werkelijkheid waarin wij leven en waarmee wij wat kunnen doen. Daar kunnen we wijsheid en begrip uit halen en wat meer is, we kunnen onze mogelijkheden beter beseffen. Maar de meeste mensen aanvaarden dat niet, want ze kunnen het ergens niet aanvaarden.

Elke mens heeft innerlijk kwaliteiten en eigenschappen. Dat is zijn werkelijke betekenis. Want of je neus nu zus of zo staat, maakt heus geen verschil. En of je nu toevallig blond, bruin of zwart haar hebt, zal ook geen verschil uitmaken. Het is de mens die je bent en de wijze waarop je gebruik maakt van je mogelijkheden. Maar juist dat doet de mens niet. Hij kan niet aanvaarden dat hij punt 1: afhankelijk is, en punt 2: dat hij gelijk is. Het zijn deze factoren die een groot gedeelte van al die won­derlijke gebeurtenissen in de historie kenbaar maken. Er zijn mensen bij van wie je je afvraagt: waarom doen ze zoiets? Laten we dan deze tijd eens beschouwen.

De aflosser van de heer Luns als vliegende engel, de heer Kissinger. Die man blijft over de hele wereld pendelen en blijft maar praten. Men kan zeggen dat hij politieke successen boekt. Die politieke successen worden echter door de werkelijkheid steeds weer teniet gedaan, want de feiten ge­hoorzamen niet aan zijn afspraken en voorstellen. Toch blijft hij doorgaan. Waarom? Is het misschien omdat hij zo het gevoel heeft dat bij de wereld leidt? Een ander voorbeeld;

Heel veel presidenten van de Ver. Staten zijn op een wat wonderlijke manier aan hun einde gekomen. Niet alleen vermoord, maar vaak ook kort na hun aftreden gestorven of ziek geworden. Toch vechten de mensen om het presidentschap. Ze zetten hun hele bezit en dat van hun familie in. Ze of­feren alles op, tot zelfs hun geloofwaardigheid en menselijkheid, alleen om president van de Ver. Staten te worden. Waarom? Alweer, om de illusie van macht. Om de illusie dat je de wereld in je handen hebt.

Een enkele keer ontmoet je wel eens iemand die anders is. Ik herin­ner mij Vespasianus, een Romein. Die man was met zijn wat kaal hoofdje eigenlijk het prototype van een ambtenaar. Je zou je hem nu als referendaris kunnen voorstellen en hij zou precies op zijn plaats zijn. Wij hebben hier te maken met een man die eigenlijk tegen wil en dank keizer wordt. Maar waarom? Omdat zijn troepen – daar komt het op aan – een bepaald beeld van hem hebben en hij alles doet om dat beeld, waarvan hij zelf weet dat dat niet helemaal in orde is, in stand te houden. Hij is in moderne termen gezegd een burger­lijke kluns. Maar hij wordt keizer. En als je dat nu eens vertaalt uit de tijd van Rome, uit de historie dus, gewoon in het gedrag van de mensen onder­ling in de huidige tijd, dan zijn er toch wel een paar eigenaardige aspecten te registreren.

  1. Een zeer groot aantal mensen is voortdurend bezig anderen hun zienswijze op te dringen.
  2. Een zeer belangrijk aantal mensen en zelfs een aantal belangrijke mensen houdt zich voortdurend bezig met het lanceren van be­wuste onwaarheden, omdat zij zichzelf voorhouden dat zij daarmede iets kunnen waarmaken dat anders onmogelijk is.
  3. Het merendeel van de mensen gaat steeds uit van de verplichtingen van anderen. Naarmate men zich meer met de verplichtingen van anderen bezighoudt, realiseert men zich de eigen verplichtingen min­der sterk.

Er moet hiervoor een verklaring zijn. Nu kun je die menselijk vinden in het onvermogen om met de werkelijkheid te leven. Maar er moet meer zijn. Toen ik hoorde dat ik op betrekkelijk korte termijn deze lezing moest houden, heb ik gedacht: er moet een samenhang te vinden zijn voor alles. En automatisch ga je je dan eerst bezighouden met incarnaties. Maar dat lukt niet altijd. Wij kunnen niet altijd uit vorige incarnaties verklaren waarom mensen bepaalde dingen wel en niet doen. Maar het blijkt wel dat de voorkeuren en verwerpingen uit de geestelijke wereld worden meegebracht en in de eerste levensjaren deel uitmaken van de conditionering door de geest. Ik heb bv. gezien dat wetenschapsmensen heel vaak een vorige in­carnatie hebben gehad waarin geloof een grote rol heeft gespeeld. Het is de schok van de gebleken onjuistheid van hun geloof waardoor ze zich bekennen tot de ratio, de rede, zelfs tot in het onredelijke toe. Veel mensen, die naar macht streven, doen dit eigenlijk omdat ze zich geestelijk bewust zijn geworden van het feit dat ze geleefd werden. Er zijn dus relaties aan te tonen. Je zou hier kunnen pleiten voor een psychische conditionering van de mens vanaf de 5e à 6e maand van de zwangerschap tot ongeveer een jaar na de geboorte. In die periode speelt zich van alles af, maar een totale verklaring vormt het niet, tenzij ik nog verder terugga. Hetgeen ik heb gezegd over de incarnaties heb ik voor mijzelf kunnen aan­tonen. Dat is dus bevredigend. Het volgende blijft wat speculatief, omdat ik niet in staat was alle gegevens kosmisch na te gaan. Ik leg u de stel­ling toch voor, omdat volgens mij ze het overdenken waard is.

Wij hebben te maken met een werkelijkheid. Die werkelijkheid kunnen we ons voorstellen als een blok schuimplastic of iets dergelijks, waarin alle gaatjes onderling met elkaar verbonden zin. Het zijn allemaal gangetjes met weer zijgangetjes. Dat is ons leven. We zitten in een keuze- element­, we gaan van het ene stukje werkelijkheid naar het andere, vaak zonder het zelf te beseffen. We verwezenlijken mogelijkheden. We laten ook vele moge­lijkheden liggen, maar we zijn ons toch bewust van een deel van die mogelijk­heden. Dit blijkt geestelijk zowel als stoffelijk een redelijke theorie te zijn. Het past bij de verschijnselen.

Ik ben toen verder gaan kijken en heb tegen mijzelf gezegd: Je bent bezig geweest met Caligula, Vespasianus, Kissinger, Luns, de Paus, de Koningin en zelfs met Bernhard hebben we ons de laatste tijd moeten bezighouden, omdat de mensen zo onrustig zijn. (Nederland zweeft tussen hoop en vrezen). De een hoopt dat het niet waar is en de ander vreest het. Ik ben toen zover gekomen dat ik heb gezegd: Bij al die dingen zijn er pa­rallelle mogelijkheden.

Vespasianus had een gezellige herenboer kunnen zijn met een aardige wijngaard en hij zou met zijn Portia eeuwig gelukkig zijn geweest. Hij koos toevallig voor het soldatenberoep, omdat hij dacht dat hij het met de wijn­bouw alleen niet zou halen. Waarom koos hij zo? Eigenlijk wist hij het zelf niet. Waarschijnlijk omdat een ander eens tegen hem had gezegd dat een of­ficier goede kansen had, vooral als hij de richting van Germania uit ging. Hij koos dus eigenlijk zonder alles te weten, maar bleef zich bewust van wat hij niet had. Hij had de keizerlijke pronk, maar hij wilde gelijktijdig de wijnboer zijn.

Hetzelfde was het met Napoleon. Hij had waarschijnlijk gewoon een ge­lukkige en eenvoudige kerel willen blijven, maar gelijktijdig wilde hij de vorst van de wereld zijn, een soort supergod. Hij wilde een gewaardeerd soldaat zijn en tevens een gewaardeerd filosoof en een groot minnaar. Alles bij elkaar confronteerde hem steeds met een keuze waar andere moge­lijkheden naast lagen. Het zijn juist die andere mogelijkheden die hem voortdurend dwars hebben gezeten. Hij wist dat hij Josephine had kunnen houden. Hij wist dat hij de trouw van bepaalde mensen had kunnen behou­den. Hij wist dat hij een ongeval had kunnen voorkomen, dat hij een slag anders en beter had kunnen winnen. Hij wist het en daardoor werd hij ge­dreven. Psychologisch gezien blijkt dat een mens, die zijn eigen falen beseft, de neiging heeft te vluchten in onwerkelijkheid.

Indien wij onze keuze beseffen – dat gevoel heb ik – komen we ook tot de conclusie dat we het net verkeerd hebben gedaan. Niet omdat we het werkelijk verkeerd hebben gedaan, dat maakt niet veel uit, maar omdat wij dat andere ook hadden willen hebben. Ons besef wil de eeuwigheid van onze mogelijkheden, de gelijktijdigheid van alles. Je wilt gelijktijdig de vreugde kennen van een armoede waarin alles wat komt een extra beleving is en de volledigheid van een totale rijkdom. Je wilt gelijktijdig de eenzaat (kluizenaar) zijn en in de eenzaamheid met God spreken en de populaire persoon die wordt omringd door het gehele gezelschap. Je wilt de dingen gelijktíjdig hebben. Ik meen dat juist die gelijktijdigheid voor ons de aanvaarding van een werkelijkheid zo moeilijk maakt.

Als ik uitga van het feit dat wij gebonden zijn aan één beleving en beseffen dat de totale beleving van alle mogelijkheden tevens onze werkelijkheid is, dan is het duidelijk dat wij ons ergens gedreven of ongelukkig voelen. Dat komt elke keer weer voor.

Misschien zou ik ook kunnen verklaren waarom wij wegvluchten uit de feitelijke werkelijkheid, uit datgene wat wij als werkelijkheid ondergaan, want het bevat wel iets, maar niet alles van hetgeen wij willen. En dan krijg ik een leuke situatie, want dan ga ik dromen, fantaseren, denken dat ik anders ben dan ik ben. Ik ga mij gedragen alsof ik anders ben dan ik ben. Ik ga dingen doen die eigenlijk met mijn wezen ook nog in strijd zijn. Ik maak dingen waar die in deze werkelijkheid niet passen; die alleen zou­den passen in mijn werkelijkheid, als ik eerst mijzelf zou veranderen. Ik zou een zijpad moeten kiezen in dat blok schuimplastic dat ik eeuwige realiteit heb genoemd. En daarin zit nu juist het ellendige, want wij voelen ons lotsgedreven.

Heeft u dat gevoel ook niet, dat u er eigenlijk niet veel aan kunt doen? Want alles gaat voort en voordat je beseft wat je eigenlijk had willen doen is het andere alweer gebeurd. En dat is het nu juist. Ons begripsvermogen is kennelijk niet voldoende om de werkelijkheid tijdig genoeg te analyseren. Wij ondergaan haar wel, maar we realiseren ons pas wat ze is, wanneer het alweer voorbij is, wanneer het reeds in ons wezen is vastgelegd. En dan wordt het ook heel wat duidelijker. Dan wordt het begrijpelijk waarom Alexander de Grote, toen hij in de tent op sterven lag tegen zijn vriend zei: “Ik ben ver gegaan en het heeft mij verheugd te gaan, maar ik had terug willen keren, want ik had nooit heen willen gaan.” Dat is een typische opmerking. Alles wat ik ben, daar ben ik toch wel tevreden mee, maar het andere had ik niet willen missen.

Wij worden gedreven door een noodlot, omdat we niet in staat zijn te beseffen dat een keuze ook altijd een verwerping inhoudt, omdat wij de gelijktijdigheid van ervaren nog niet kunnen bereiken. Als je dat in de gaten houdt, kun je begrijpen waarom Luns bij het Michielslegioen zit. “Laten we alsjeblieft het oude in stand houden, want dat oude heb ik gekozen en ik moet mijzelf veranderen, wil ik in het nieuwe kunnen leven. Maar dan heb ik het idee dat veel van wat ik ben geweest en heb gedaan ergens zinloos is en die zinloosheid kan ik niet aanvaarden.” Dat zit niet alleen bij Luns, dat zit ook bij veel christenen die erg orthodox zijn. Wat dat betreft is menig oelama (n.v.d.r.: islamitische schriftgeleerde) precies zo bezig. Die zegt ook: Wij moeten terug naar de oude waarden, naar de heilige oorlog, naar de directe aanvaarding en absolute vervulling van de wetten van de Koran. En dan komt hij aandragen met Ali, Hoessein en de hele familie. Denk zelf niet, want als ik zelf zou gaan denken, dan zou veel van wat ik heb gedaan voor mij niet meer aanvaardbaar zijn. Zou dat ergens misschien de psychologische achtergrond zijn voor die werkelijkheidsvervreemding, die wij overal steeds weer ontdekken? Ik kan mij dat wel voorstellen.

Er zijn mensen, die de crisis hebben overwonnen met veel nood, moeite en een wereldoorlog. Die oorlog was hun schuld niet. De werkloosheid is ver­dwenen en nu komt ze terug. Die mensen willen naar het oude teruggrijpen, desnoods naar een wereldoorlog. Want als blijkt dat die werkloosheid niet erg is en dat je het op een heel andere manier kunt doen, dan is alles wat zij hebben gedaan en opgeofferd nutteloos geweest. Dan zijn alle mooie dromen en vervalsingen van het verleden plotseling waardeloos. Dat kunnen ze niet aanvaarden.

Er zijn jongeren, die op hun manier ook met theorieën stoeien omdat ze met de feiten niet over weg kunnen. Die doodongelukkig zouden zijn, indien ze werkelijke volgelingen van Mao in China zouden zijn, maar die hier maoïst worden, al is het alleen maar om anders te zijn dan anderen. Want als ze de­zelfde zijn, dan hebben ze het gevoel dat ze te weinig zijn. Ze kunnen niet beantwoorden aan het beeld dat ze van zichzelf hebben. Ze kunnen hun herin­neringen niet overwinnen. Het verleden dat ze willen uitwissen door anders te zijn zou dan herleven, het zou deel van hen blijven. Ze zouden zich er dan niet tegen kunnen afzetten. Voor mij is de psychologische achtergrond van het geheel eigenlijk het onver­mogen om de werkelijkheid tijdig te erkennen. Vandaar de wens om de werkelijk­heid te verwerpen, daar ze zonder ons bewust ingrijpen en willen tot stand is gekomen.

De mens maakt een droom waar en eigenlijk verliest hij daarin de schoon­heid die de droom had, maar hij vindt een bevestiging van zijn persoonlijkheid. Dan wil hij die droom verder waar hebben, zelfs als ze nooit waar kan zijn op die manier. Dat is het hele drama van de mensheid en dat is ook de verkla­ring voor de warboel die er overal is.

Wij kunnen natuurlijk hatelijkheden gaan lanceren over alle terroristen en extremisten. Wij kunnen verklaren dat fascisme eigenlijk datgene is wat ieder­een tegenwoordig onder een andere naam beoefent en dan hebben wij ook gelijk. We kunnen dat allemaal nu wel wegredeneren en aanvallen en dan hebben wij van­uit dit standpunt gelijk, maar aan de andere kant: wat beweegt de mensen dan om het mogelijk te maken? Want mogelijk maak je ook het feit dat je niet op je schreden wilt teruggaan.

De psychologische verklaring voor de benadering van de werkelijkheid die de mens en ook een groot gedeelte van de geest toont, is gelegen in het feit dat men niet terug wil. Men wil terugzien en dan vooral naar de fata morgana’s die ergens in het verleden drijven op de wolken van de tijd. “In mijn tijd was het goed,” zegt een oude man, “een hele bel ouwe klare voor een stuiver.” Hij vergeet alleen dat hij hem toen niet kon betalen. Wij willen niet teruggaan. We willen niet erkennen dat we ons verleden veranderen, als wij het heden bewust benaderen. Afstand doen van dromen schijnt het moeilijkste te zijn dat er bestaat, omdat werkelijkheid betekent dat je jezelf opnieuw in de ogen moet zien. Dat je jezelf opnieuw moet kennen en waarderen, omdat je je z.g. bereikingen moet achterlaten voor een nieuw bestaan waarin je jezelf moet worden.

Natuurlijk, er zijn mensen die daarin slagen. Ik persoonlijk heb al­tijd veel medelijden gehad met de mensen die ophouden met werken en dan niet meer weten wat ze moeten doen. Het zijn gewoonte-wezens gewor­den. Net als een muis die altijd in een tredmolen heeft gelopen. Als die er niet meer is, zodat ze zich niet meer te barsten behoeft te lopen, gaat ze dood van verveling. Je moet veranderen. Als men zegt: De mens moet worden voorbereid op en geschoold voor de pensioengerechtigde leeftijd, dan zeg ik: dat is nu het enige waarvoor hij geen scho­ling behoeft te hebben, want niets doen is de mens aangeboren, als hij maar eerst zijn oude gewoonten overboord gooit. Ik kan me indenken dat de mensen problemen daarmee hebben. Het gaat om hun idee van belangrijk­heid; wat zij noemen: functioneren in de mensheid. Maar als ze die functie ­zo belangrijk achten, hebben ze zichzelf dan wel begrepen?

De werkelijkheid is een ego dat eeuwig is. Het is een “ik” dat alles omvat. Alle levens die je hebt gehad van begin tot einde, inclusief alle mogelijkheden die je niet hebt gerealiseerd, maar die je toch tot aanzien hebt gebracht door je bestaan.

De werkelijkheid is tijdloos. Ze omvat alle afmetingen en dimensies en werelden die je je maar kunt voorstellen. Dat zal in elk facet door­klinken. Maar het betekent dan specialisatie. Het betekent het terug­treden uit de volledigheid, uit de grote omvang van de dingen naar dat ene wat je nu moet doen. Het is als een dirigent, die ineens ontdekt dat hij een melodie moet spelen op een fluitje van een cent en die zich niet realiseert dat hij met dat fluitje ook muziek kan maken.

Ik geloof dat het dat is. We willen niet teruggaan naar de specia­lisatie waarin wij bewust alles beleven wat er nu gebeurt. Wij houden ons liever bezig met later. Ik heb vroeger altijd gedacht: dat met die engeltjes is toch maar zwendel. Dood zal wel dood zijn. En zo zie je maar weer hoe ik het bij het verkeerde eind heb gehad. Ik kon toen bepaalde dingen niet aanvaarden. Andere mensen zijn voortdurend bezig met het hiernamaals. Ze zijn bezig zich de Heer waardig te tonen. En dan kom je boven bij een grote deur waar “heren” op staat. Je gaat binnen en dan kun je kiezen of je gaat zitten of blijft staan, dat hangt af van de sekse.

Dromen van een hemel, terwijl je niet eens weet wat een hemel is, is dwaasheid. Maar het is wel een mooie methode om weg te vluchten uit de onwerkelijkheid van je huidig bestaan en je bezig te houden met het verleden en met alles wat je hebt gedaan en bent geweest. Hoe ouder je bent, hoe mooier je jeugd wordt. Ik weet het uit ervaring. Ik ben ook oud geworden. Maar waarom nu niet; wat ben ik nú? Omdat de menselijke psyche niet bereid is zichzelf in deze vorm te aanvaarden als een en­kelvoudige selecte functie van een groot geheel. Omdat hij de volledig­heid van zijn wezen niet kan overzien en juist daardoor die enkele functie van dat wezen in de tijd ergens probeert te verdringen. Dat is voor de historie, dat is voor de mensheid, dat is voor de geest elke keer weer het cruciale punt; alles is goed behalve de beperking die ik nu ben.

In het verleden zijn er dichters geweest. In deze dagen zijn er ook dichters, ofschoon je je wel eens afvraagt of je de dichters van vandaag wel zo kunt noemen. Kort geleden hebben we er een overgekregen die zei: “Ik heb een heel mooi gedicht geschreven.” Wij zeiden: “Nou, laat maar eens horen.” Toen stootte hij eruit: “To.to..bababa…do..do..o..o..baah.” Ik vroeg hem toen: Wat heb je? Heb je een ziekte of zo gehad? Neen, dat was een gedicht! Een werkelijke dichter zoekt naar de volledigheid in woorden, omdat hij niet in staat is de volledigheid in feite te aanvaarden. Ik heb zo het gevoel dat we allemaal een beetje dichterlijker zouden moeten zijn om ons te kunnen ontworstelen aan de psychologische druk van het zijn, dit gegrepen zijn door de loop der tijden, zonder het zelf te kunnen veran­deren. Want, wat wij nu zijn is niet belangrijk. Wij behoeven niet weg te vluchten voor onze tekortkomingen en we behoeven ons niet te beroemen op verdiensten die we mogelijk hebben, maar die wij meestal overdrijven. Mijn conclusie luidt kort en krachtig:

De werkelijkheid is voor ons onaanvaardbaar, omdat ze betekent dat we veel meer moeten zijn dan we bewust beseffen. In de verheerlijking van dat ene aspect van ons wezen dat we kunnen beseffen, verwerpen wij de wereld waarin het functioneert als deel van het geheel. Wij zouden dit kleine fragment van de eeuwigheid dat wij zijn een goddelijke volledig­heid willen verschaffen. Daarom dromen wij weg. Daarom vervalsen wij de feiten. Daarom zijn wij voortdurend in opstand en begrijpen wij niet de wer­kelijke waarden en mogelijkheden die rond ons liggen.

De waan wordt voor een groot gedeelte veroorzaakt door ons onver­mogen om onze aangevoelde werkelijkheid zo zinvol in onze wereld tot uitdrukking te brengen, dat wij de beperkingen van die wereld zonder meer beleven en aanvaarden.

NOOT.
Te zijn wat je bent is geen verdienste en het is geen tekortkoming. Wie als mens naar de werkelijkheid wil toegroeien, moet beginnen te aanvaarden wat hij is. Hij moet zijn dromen beschouwen voor wat ze zijn: on­werkelijkheid. Hij moet zijn verwachtingen nimmer op de wereld richten, maar alleen op de mogelijkheden die hij zelf beseft.
Groot worden betekent meer beseffen wat je bent en zo meer bewust aan de werkelijke wereld en het gebeuren deel hebben en op den duur mogelijk zelfs beslissen wat zal gebeuren en niet slechts het gebeuren ondergaan voordat je het beseft.
In elke mens schuilt eeuwigheid. Elke mens heeft een volledigheid, ook al beseft hij die nu niet. Daarom moet je beginnen met te aanvaarden van hetgeen je bent. Niet nadenkend over het verleden of hoe het anders geweest zou zijn. Niet sprekend over een toekomst en wat daarin mogelijk zal gebeuren, maar eenvoudig beseffend wat je vandaag bent, wat er van­daag met je gebeurt en steeds bewuster reagerend proberen het roer vandaag een beetje beter in handen te houden, zodat je zelf je keuze uit de mogelijkheden maakt. Dat is de enige manier om gelijktijdig de werkelijkheid te kennen en te aanvaarden en vrede te vinden in een volledige wer­kelijkheid waarvan je deel bent.

Wortel

Onder het oppervlak uitgrijpen. Je voeden met het ongeziene. Je verzadigen met het onbekende en zo groeien in een synthese met het licht tot het boven het onbekende uit voor jou beleefbaar wordt.

Zonder wortel is de plant niet. Het is de wortel van het wezen, de diepe geestelijke verbondenheid met de oneindigheid waarin de wer­kelijkheid van ons bestaan voortdurend wordt bevestigd. Het zijn de krachten die uit het ongeziene in ons doordringen, waardoor wij in staat zijn te leven, te denken en ons te ontwikkelen.

Wat is de wortel van de wereld waarin wij leven en van de wer­kelijkheid die wij menen te ondergaan? Zou het niet de eeuwigheid zelf zijn? Ergens diep in ons en toch onmetelijk ver buiten ons is die ene kracht, die stille vibratie, zo lichtend dat ze duister lijkt voor een ieder die haar beschouwt en waaruit het leven, het zijn, de materie en alle dingen voortkomen. Daarmede zijn wij verbonden. Dat is onze wor­tel: God. Het onkenbare, het onzichtbare waaruit alles mogelijk wordt.

Maar zoals de plant haar aard bepaalt door de wijze waarop ze groeit en bloeit en niet door de wijze waarop haar wortel alleen groeit, zo zullen wij ons wezen bepalen door wat wij uit die kracht maken. En wij zullen nooit helemaal kunnen ontkomen aan datgene wat wij krach­tens onze verbondenheid met de Schepper zijn. Hij heeft ons een soort ge­geven misschien, een geaardheid, een kwaliteit en eigenschappen. Daaraan kunnen wij niet ontkomen, maar wij kunnen daarin wel schoonheid vinden. Zoals elke plant in zich schoonheid en volledigheid kan vin­den, zo kunnen wij dit juist als wij ons voeden met de kracht die ons wordt gegeven.

We mogen het uiterlijk beschouwen als ego of “ik”, we mogen trots zijn op de wijze waarop wij bloeien, ons afvragend of onze gestalte toch niet anders had moeten zijn, maar als wij de wortel verloochenen, zijn wij niet. Daarom is het belangrijk dat wij allen teruggrijpen naar de verbor­gen krachten diep in ons en uit die kracht opbouwen wat wij zijn in elke wereld waarin wij ons bestaan beseffen.

Tegenstrijdigheden

De mens is een vat van tegenstrijdigheden, want wat hij verlangt, dat doet hij niet. Wat hij zich voorneemt, volbrengt hij niet. Maar al wat hij zegt niet te verlangen, streeft hij na. En al wat hij niet wil volbrengen, volbrengt hij zonder te beseffen dat hij zelf eigenlijk de oorzaak is.

De tegenstrijdigheden van het leven zijn eenvoudig genoeg uit te drukken.

Er is een evenwicht tussen licht en duister, tussen goed en kwaad. Ook in onszelf is er een evenwicht tussen de illusiewereld en de werkelijkheidsbeleving, tussen de geestelijke waarden en krach­ten en stoffelijke bestrevingen. Indien we deze tegenstrijdigheden kunnen beseffen als een geheel en ons dus niet beklagen, omdat het ene niet waar wordt of het andere tegen onze wil in verwezenlijkt schijnt te worden, dan kunnen we leren in harmonie met onszelf te leven zoals we zijn. Dit is het meest belangrijke dat er bestaat.

Een mens die kan leven met zichzelf zoals hij is, zal veel meer tot stand brengen. Hij zal veel minder teleurgesteld zijn in zichzelf en in de wereld. En bovenal zal hij, door de eenheid van zijn wezen in alle facetten te aanvaarden, ook de Schepper en de schepping gemakkelijker als een eenheid kunnen beseffen en daar­door dichter bij de werkelijkheid gaan leven dan voor een normaal mens mogelijk is.