Psychologische aspecten

uit de cursus ‘Inzicht 1’ (hoofdstuk 7) – april 1963

Psychologische aspecten

Wanneer de mens wordt geboren, heeft hij een aantal grondeigenschappen, die zijn karakter en daarmede zijn reactie op de wereld voor een groot gedeelte bepalen. Deze grondeigenschappen (grotendeels erfelijk overgebracht door het lichaam) zijn te beschouwen als de basisstructuur, waarop het eigenlijk menselijk “ik” wordt opgebouwd gedurende het verblijf in de stof. Het is onmogelijk om bepaalde aangeboren eigenschappen te wijzigen. Men kan ze onderdrukken, men kan ze versterken of anders richten, maar men kan ze nooit teniet doen. Daarom moet bij elke beschouwing van het “ik” worden uitgegaan van het standpunt: er zijn persoonlijke grondwaarden, waaraan ik niet kan ontkomen. Het is niet mijn taak, ja, het is voor mij zelfs niet mogelijk deze te wijzigen. Elke onderdrukking van de grondeigenschappen van mijn wezen zal eveneens grote problemen veroorzaken, omdat mijn persoonlijkheid daardoor onevenwichtig wordt. De enige uitweg voor de mens, die door zijn grond‑ en karaktereigenschappen, zoals die door geboorte werden verkregen, dus niet in zijn wereld past, is een anders richten van deze kwaliteiten of eigenschappen, en wel op een zo bewust mogelijke wijze. Hier hebben wij dan de basis van de mens zijn stoffelijk karakter.

U kunt nu wel menen dat de geest sterker moet zijn dan de stof. Maar dat is alleen dan waar, indien het geestelijk bewustzijn het menselijk bewustzijn kan overschaduwen en a.h.w. direct kan ingrijpen en desnoods intreden in het denkvermogen van de mens. Dit gebeurt, zoals u misschien weet, betrekkelijk zelden. Wij moeten dus niet proberen om te hoog geestelijk te denken en van daaruit ons leven te vormen. We zullen dan altijd in moeilijkheden komen, omdat het nu eenvoudig niet mogelijk is van uit de geest de lichamelijke eigenschappen voldoende te veranderen. De mens kan psychologisch weliswaar idealen erkennen, die voortkomen uit zijn begeerten, zijn behoeften en zijn angsten, maar hij is niet in staat zijn wezen daarmee zodanig in overeenstemming te brengen, dat de verwerkelijking daarvan voor hem natuurlijk en zonder storingen of onevenwichtigheden verloopt.

Dan moeten wij constateren, dat het denken van de mens zelf een achtergrond heeft, die eveneens moeilijk te veranderen is. Alle indrukken, opgedaan in de eerste 15 levensjaren, zijn van een zodanige sterkte, dat ze – ofschoon deel uitmakend van het onderbewustzijn en maar zelden boven de bewustzijnsdrempel uitkomen – toch op het gehele gedragspatroon van de mens en op zijn reacties verder invloed hebben. Een poging om deze grondwaarden te bestrijden zal over het algemeen uitlopen op een groot aantal innerlijke conflicten. Slechts de mens, die in staat is – en hier kan de geestelijke ontwikkeling wel helpen – om krachtens zijn geestelijk bewustzijn zijn persoonlijke gevoelswaarden te veranderen, zal deze aspecten van het onderbewustzijn, die aan het gedrag richting geven, voldoende kunnen beheersen. Het is dus noodzakelijk dat wij ook van uit dit gezichtspunt ons wezen beschouwen, zoals het bestaat.

De mens zal vaak geneigd zijn in de psychologie een soort heil te zoeken. Hij meent daarin genezing te vinden voor zichzelf, een verheldering van eigen wezen. Hij zal echter nimmer in staat zijn ‑ en dat moeten wij goed begrijpen ‑ om zijn werkelijke beweegredenen te doorgronden. De psychologie geeft hem een mogelijkheid vele van zijn persoonlijke eigenschappen te rationaliseren; maar die rationalisatie is niet gebaseerd op de feiten, maar op zijn behoefte om een redelijke verklaring te vinden voor aspecten, die anders ondraaglijk zijn. Ook hier dus weer een aanwijzing, dat de leek een zekere mate van voorzichtigheid moet betrachten op het ogenblik dat hij zichzelf psychologisch tracht te ontleden. Men mag zichzelf erkennen voor zover dat mogelijk is. Het heeft echter weinig zin jezelf aan jezelf te verklaren, omdat je ‑ als je jezelf voordien hebt bedrogen ‑ ook bij de verklaring – bewust of onbewust  – hetzelfde bedrog zult plegen. Ga uit van dat wat u bent en van niets anders.

Nu hebben we in de psychologie een aantal ‑ ik zou haast zeggen – motorische impulsen, die het gedrag beheersen, welke kunnen worden onderverdeeld naar hun oorzaak, en de aspecten van het menselijk leven, waarmee ze onmiddellijk zijn verbonden. Een van de veel voorkomende is het begrip van meer- of minderwaardigheid. Meerwaardigheid verkrijgt men door in anderen alleen het slechte te zien. Minderwaardigheid ontstaat, wanneer men bij anderen alleen het goede ziet. Hier gaat de mens dus proberen om voor zichzelf een plaats in de wereld te vinden. Hij zoekt die plaats echter niet aan de hand van zijn persoonlijkheid en zijn mogelijkheden, maar aan de hand van wat buiten hem bestaat. Hij meent, dat hij wat een ander kan ook moet kunnen; dat hij wat een ander bezit ook moet bezitten. Het resultaat is, dat hij een groot gedeelte van zijn werkelijke capaciteiten onbenut laat en in plaats daarvan dus een armzalige imitatie wordt van een ander. Op het ogenblik dat dit gebeurt, wordt die mens zich bewust van zijn gebrek aan prestatie. Hij beantwoordt ‑ volgens eigen inzichten althans ‑ niet aan de eisen, die de wereld hem kan stellen. Hij zal dit vaak weten te bemantelen, maar komt altijd weer in contact met mensen en toestanden, waarin hij eigenlijk bewust bluft. Deze bluf zal van uit het standpunt van een ander geen bluf behoeven te zijn. Wanneer men bv. doet alsof men een bepaald terrein beheerst, terwijl men het niet doet, dan is dat enerzijds bluf. Maar wanneer ik een deskundige achter de hand heb om al hetgeen ik beloof te verklaren en voor mij uit te werken, dan heb ik een verlengstuk van mijn persoonlijkheid. Indien ik dit besef en in staat ben aan een ander over te dragen en ‑ mij desnoods beroepende op die ander ‑ de verklaring te geven, dan heb ik een volledige gelijkwaardigheid. Meen ik echter, dat ik het zelf moet zijn die iets presteert, dan zal ik altijd met mijzelf in strijd komen en dan ben ik – al heel gauw volgens mijn eigen ideeën – de mindere.

U moet er ook rekening mee houden, dat een minderwaardigheidscomplex heel vaak ontstaat, doordat men een ander gedragspatroon ontmoet dan men bv. in eigen kring heeft gekend. Wanneer dat gebeurt, dan legt men dus maatstaven aan de wereld aan, welke voor de wereld niet juist zijn. Men trekt op grond daarvan valse conclusies, men reageert verkeerd en schept zo grotere verwarringen of problemen, waardoor men zich weer de mindere gevoelt .

Wanneer u ooit last hebt van het idee, dat u minder waard bent of minder bent dan een ander, moet ik u ook de raad geven u allereerst te realiseren, dat alle mensen gelijkwaardig zijn, maar dat hun capaciteiten op verschillend terrein kunnen liggen. Dat zij hun gaven in geheel verschillende richtingen kunnen ontplooien en dat zij dus – als zij zichzelf verwerkelijken – volledig hun plaats in de maatschappij innemen en hun menselijke betekenis volkomen bevestigen. Zolang zij echter trachten te beantwoorden aan de wereld en die wereld zelfs maatstaven toedichten, die niet met zekerheid in de wereld worden toegepast of daar bestaan, dan zullen die mensen zich altijd in zichzelf terugtrekken en geneigd zijn de wereld a.h.w. agressief te benaderen, welke agressie dan vaak met agressie wordt beantwoord. En zo worden ze dan ongelukkig.

Het meerwaardigheidscomplex (ofschoon ik het niet als een complex beschouw, maar eerder als een persoonlijkheidserkenning) gaat uit van het standpunt, dat ik altijd beter ben dan een ander. Hier bestaat juist de neiging om de kwaliteiten en de mogelijkheden van anderen aan het “ik” toe te kennen. Als een ander iets doet en ik kan het naar voren brengen, dan wordt het automatisch als van mij gepresenteerd. Dit leidt op den duur tot een schromelijke zelfoverschatting; dat zult u begrijpen. En die zelfoverschatting heeft weer ten gevolge dat niet meer de eigen persoonlijkheid wordt verwerkelijkt. Een mens met een meerwaardigheidscomplex is iemand, die over het algemeen uiterlijk een conglomeraat van capaciteiten van anderen representeren door deze aan zichzelf toe te schrijven. Het resultaat is dus niet alleen conflict, maar ten slotte mislukking. Het is eigenaardig dat meer mensen met een meerwaardigheidscomplex psychische ziekteverschijnselen vertonen dan mensen met een minderwaardigheidscomplex. Dit schijnt in strijd te zijn met de erkende regels der psychiatrie, omdat de afwijking van het minderwaardigheidscomplex een vlucht uit de wereld is, terwijl het meerwaardigheidscomplex over het algemeen binnen het kader van het nog aanvaardbare blijft en als zodanig niet zo snel onder de aandacht komt van hen die zich speciaal met geesteszieken bezighouden. De geestelijke achtergronden hiervan zijn wat moeilijker te verklaren.

Indien ik uitga van een minderwaardigheid ontken ik ook mijn geestelijke waarden en mijn persoonlijkheid. Ik ontken mijn verband met verleden en toekomst, ik ga alleen maar uit van het feit dat ik niets beteken, dat ik meer zou moeten zijn, dat ik anders zou moeten zijn. Doordat ik mijzelf niet accepteer, wijs ik voor een groot gedeelte (zodra ik dus in de stof ben) de inwerkingen van mijn geest en ook de krachten, die mijn geest mij kan toesturen, af. Ik schep dus rond mij een verlatenheid met betrekking tot de geestelijke werking. De wisselwerking tussen geest en stof is over het algemeen trager en minder volledig dan in normale gevallen. De bewustwording is niet meer gebaseerd op een persoonlijke erkenning, maar alles wat te maken heeft met godsdienst, met esoterie, met mystiek, wordt gezocht in de belevingen van een ander; een imitatiedrang, waardoor wederom de eigen geest dus onvoldoende tot haar recht komt. Het resultaat is, dat die waarden in het leven betrekkelijk weinig blijvende geestelijke resultaten afwerpen.

Het meerwaardigheidscomplex brengt ons ook alweer voor dezelfde moeilijkheid. Wanneer ik dus niet van uit mijzelf en mijn mogelijkheden leef door deze voor mijzelf te erkennen, maar aanneem dat ik meer ben, zal ik een deel van mijn persoonlijkheid moeten ontkennen. Ik druk het bewustzijn omtrent mijn eigen fouten weg. Het resultaat is eveneens een slechter contact met de eigen geest en een minderwaardige bewustwording t.o.v. de norm. En geestelijk zijn de resultaten hiervan dus niet erg aanvaardbaar.

Een volgende reeks complexen is gebaseerd op wat wij zouden kunnen noemen:. het seksueel aspect. Nu moet u niet vergeten dat de seksualiteit in de mens niet alleen maar zijn contact met de medemensen betreft. Het is een innerlijke gesteldheid, die o.m. berust op interne secreties, het aanwezig zijn van prikkelwaarden op eigen gedachteleven en wat dies meer zij. Het gehele lichaam en de reactie op gebeurtenissen, die zo te zien met het seksuele in de verste verte geen verband houden, kunnen daardoor toch worden teruggebracht tot wat wij kunnen noemen: een psychisch verschijnsel met seksuele achtergrond. Ik stel dit ter verduidelijking, omdat men heel vaak meent, dat slechts de waardering man-vrouw en dergelijke hierbij een rol spelen. Dit is zeker niet waar. De sekse en de seksualiteit staat (erfelijk gezien dus) in verband met de behoefte tot zelfbehoud en zelfhandhaving. De uitingen van seksualiteit dragen in zich zekere bevredigingen door het ontstaan van afscheidingen in het lichaam, de uitwisseling van bepaalde krachten met een ander lichaam, maar zijn daarnaast alweer een gevoel van: zich voortplanten; d.w.z. zichzelf bevestigen, zichzelf eeuwiger maken. Ik geloof dus dat wij verstandig doen te stellen, dat alles, wat met seksualiteit samenhangt, is gebaseerd op de drang tot voortbestaan en zelfbehoud en angst voor ondergang of zelfvernietiging, zelf-negatie.

Geen enkele mens kan zichzelf ontkennen in deze zin. U kunt wel proberen de zaak terzijde te schuiven, maar u moet er altijd een uitlaat voor hebben. Het is nu eenmaal een lichamelijk proces; en dit lichamelijk proces kan uw gehele gedachteleven kleuren en – wanneer het in strijd is met uw feitelijk denkleven – voeren tot de vreemdste aberraties. Men wijkt zover van het normale af, dat men in een soort schijnwereld leeft; men komt tot rationalisatie van bepaalde aspecten van het leven, die anders niet aanvaardbaar zouden zijn, kortom, men verdwaalt a.h.w. in de waan. Het is deze waanwereld die een zeer grote rol speelt. Want op het ogenblik, dat een mens zijn lichaam accepteert, zoals het is en niet vraagt wat een ander ervan zou denken of hoe anderen op deze gedachte, deze reactie, deze prikkels zouden reageren, maar alleen van zichzelf uitgaat en probeert zo goed en zo bevredigend mogelijk te leven, zal die mens over het algemeen redelijk rationeel leven. Hij zal tegenslagen kunnen verwerken en ze niet zien als de een of andere straf. Hij zal van voordelen en mogelijkheden gebruik kunnen maken, zonder zich daarbij onmiddellijk schuldig te voelen of zich een uitverkorene Gods te achten.

Nu blijkt dat angst, schrikreacties en onbeheerstheid heel vaak zijn terug te brengen tot de seksuele aspecten, die de mens niet op een evenwichtige wijze heeft weten op te lossen. Het resultaat is voor de geest dan ook, dat deze mens leeft in een wereld van dwang en waanvoorstellingen. Hij zal die beelden over het algemeen opbouwen hetzij in religieuze zin, hetzij in magische zin, zonder zich daarbij bewust te zijn van het feit dat hij probeert iets te sublimeren.

Nu kunnen wij wel degelijk een groot gedeelte van de lichamelijke tendensen en eigenschappen sublimeren, wanneer dit werkelijk noodzakelijk is; en in sommige gevallen is het mogelijk daaruit zeer veel kracht te putten, die dan anders kan worden gebruikt. Maar zodra wij overdrijven, gaan wij ons afzonderen. Het is een probleem van isolatie, dat van uit het stoffelijk standpunt gezien, geestelijke effecten veroorzaakte, die weer een geestelijke afsluiting tot stand brengen. Het is bv. onmogelijk om gelijktijdig een deel van het stoffelijk leven te ontkennen (ik denkt hier bv. aan kloosterlingen) en toch de hoogste geestelijke bereiking reëel te ervaren. Wij kunnen wel komen tot een mystieke beleving, maar dat is dan een sublimatie van de seksuele drang, anders niet. Alleen in een normaal evenwichtig leven kan de geest dus volledig tot uiting komen. Dit begrijpen betekent ook: afstand doen van heel veel vooroordelen; ook van heel veel vooropgezette meningen.

Nu weet ik dat er veel mensen zijn, die zeggen: “Maar het is niet goed. Paulus heeft gezegd: Het is beter te huwen dan te branden.” En daarmede heeft hij blijk gegeven van een groot psychologisch inzicht; vooral als wij beseffen dat het huwen niet op het sacrament des huwelijks, maar op de toestand sloeg.

De mens verteert soms zichzelf. En dit zal voor de geest betekenen, dat er in dit leven heel veel relaties, die noodzakelijk waren, niet worden afgewerkt. Voor het karma kan dit betekenen: de noodzaak om zeke­re situaties te herhalen. De mens zal harmonieën, die mogelijk waren, ontgaan. Hij zal daardoor minder in harmonie met het Al verkeren wanneer hij overgaat en grotere moeilijkheden krijgen. Hij zal zijn begaafdheden niet beheerst kunnen gebruiken. Als hij geestelijke gaven heeft, ontstaan deze onbeheerst en hebben dan het karakter van een hysterisch verschijnsel.

De beheerste gave komt voort uit een wezen dat evenwichtig is. Nu is in deze wereld de nadruk zo sterk gevallen op allerhande seksuele aspecten, dat de doorsnee-mens van jongs af aan belast is met een aantal normen, die niet stroken met zijn persoonlijkheid, met zijn wezen. Het is onmogelijk al die normen prijs te geven, dat hebben wij zo even gesteld. Daarom is het voor de mens belangrijk, dat hij binnen de hem gegeven mogelijkheid en binnen het voor hem of haar aanvaardbare, de wereld vrijelijk benadert. En vergeet niet, dat seksualiteit niet alleen de uiter­ste consequentie kan betekenen. Het kan ook betekenen: elkaar een hand geven; de vriendschap kus van een man en een vrouw of van een paar vrouwen onder elkaar; zelfs de accolade die mannen elkaar geven.
Deze hebben dus een seksuele bijbetekenis: De mens, die zich daarvan onthoudt; zal het zichzelf zeer moeilijk maken; hij komt in een isolement. Dit isolement plus de sublimatie van hetgeen men niet wil erkennen (het feit, dat de seksualiteit in het leven een zekere rol speelt), leiden weer tot afwijkingen, tot een waanwereld.

De geest heeft geen behoefte aan een lichaam dat zichzelf alles ontzegt, maar wel aan een lichaam, dat – juist door de beheersing van het behoefte-element, zonder dat een absolute ontzegging daarvan het gevolg is – aan de geest de mogelijkheid geeft alle daarin aanwezige capaciteiten op een beheerste, dus vanuit het “ik” vastgestelde wijze te dirigeren en te gebruiken. Vervolgens vinden wij een aantal psychologische verschijnselen, die het “ik” ook schijnbaar eenzijdig maken. Wij zullen die verschijnselen vaak manisch noemen, omdat bij een werkelijk doorwerken van dit “door één idee beheerst worden” de mens niet meer rationeel schijnt te reageren, want hij betrekt alles op hetzelfde feit en hij reageert op alles met één gedachte. Die mens zelf zal dat niet beseffen. Elk manisch verschijnsel, dat in de mens ontstaat, is een deel van het ontwrichte “ik”; het is n.l. het resul­taat van een “ik”, dat zichzelf niet durft geven of erkennen voor wat het is. Wanneer manie optreedt, kunnen daaruit soms buitengewone verschijn­selen voortkomen. Wij weten bv. dat bepaalde vormen van extase, die belangrijke paranormale gebeurtenissen kunnen veroorzaken, voortkomen uit een manisch gedrag. Het verschijnsel van deze kortsluiting in een enkele keten van het denken, waarbij alle gedachten tot een punt worden herleid, is op zichzelf niet schadelijk. Maar zodra wij dit voortdurend doen en niet slechts bewust op enkele momenten, zal het voor het lichaam onmogelijk zijn, op een beheerste wijze zijn eigen capaciteiten te gebruiken. Het zal voor de geest onmogelijk zijn om de zeer sterke concentratie op één gedachte, één beeld, één werkelijkheid, één aspect van de werkelijkheid te gebruiken om zo via het stoffelijk “ik” een deel van haar eigen wezen te manifesteren. Alle manische verschijnselen zijn dus in zekere zin gevaarlijk.

Dan is er een ander aspect in het “ik”, dat heel vaak over het hoofd wordt gezien. Wij kennen n.l. onnoemelijk veel mensen, die zelfverwijt hebben, die vies van zichzelf zijn, die minachting voor zichzelf hebben. Deze eigenaardige reactie op de eigen persoonlijkheid en daden komt niet voort – laten we dat vooropstellen – uit de feiten, maar zij komt voort uit de interpretatie van de feiten. In een vorige lezing hebben wij u duidelijk gemaakt dat het mense­lijk denken, als wereld, zeer sterk afsteekt tegen de stoffelijke werkelijk­heid en dat er totaal andere interpretaties zijn. Interpretaties die, vanuit de geest gezien, soms erg nuttig zijn, omdat door het denken, door het geloof, door al die aspecten die ermee verbonden zijn, grote krachten op aarde kunnen worden geopenbaard. Maar zodra wij dus de op zichzelf goede mogelijkheden van het “ik” in geestelijk opzicht gaan zien als eerste levensvoorwaarde en niet als een gebruikselement in het leven, zullen wij alles wat er buiten valt, lager of zondig gaan noemen.

Een van de meest gevaarlijke dingen, die een mens kan doen, is te spreken van zondig of van minderwaardig. Je bent nooit minderwaardig, want je volbrengt je karma, je lot. Je bent nooit zondig, want je gaat niet tegen God in, je gaat hoogstens tegen jezelf in. Als je dit begrijpt, dan kun je een groot deel van je leven en de daarin optredende aspecten, gemakkelijker verwerken en ze gemakkelijker begrijpen. Je hebt niet meer het gevoel, dat je a.h.w. geketend bent aan geestelijke wetten, die ver boven je eigen vermogen liggen. Een mens zou ik daarom de raad willen geven om – ­wanneer hij even kan ‑ zich eens alle schuldbewustzijn voor ogen te stellen en zich dan af te vragen, of dat nu werkelijk zo erg was? Of het nu werkelijk zin heeft je daarmede belast te voelen? Er blijven dan altijd nog een aantal zonden en schuldgevoelens over, die zover verdrongen zijn, dat men ze nooit meer in de rede terugvindt. Maar alleen reeds door datgene, wat wij in het leven hebben gezien als zondig en schuldig, terug te brengen tot wat het is: een verschijnsel, dat op zichzelf misschien door ons wel betreurenswaard wordt geacht, maar dat tenslotte voortkwam uit een behoefte-element, een gelegenheidselement en dat dus ons werkelijk wezen niet aantast. Wanneer wij dat eenmaal beseffen, zijn wij n.l. bevrijd van die neerdrukkende sleur van: ik deug niet. En wij zijn ook van de krampachtigheid van het “willen goedmaken” bevrijd. Let wel, het is altijd heel prettig, als u het goede doet, maar indien u dat goede alleen maar doet om het slechte dat u hebt gedaan te compenseren, dan probeert u met uzelf te onderhandelen.

Van uit de geest gezien is dat iets zeer onfortuinlijk, wanneer de mens met die schuldgevoelens rondloopt. Een van de eerste elementen bij elke geloofswerking, bij elke genezing zelfs, is wat wij noemen: de biecht; dus de schuldbelijdenis, het uiten van de schuld, het van ons afschuiven van een last. En wanneer u dit ziet, dan zult u moeten toegeven, dat het in een groot aantal gevallen – zuiver psychologisch gezien – de grootste waarde is die je een mens kunt geven: dat een mens zich kan ontlasten van zijn schuldgevoelens; want dan pas kan die mens zichzelf zijn.

Het gaat hier niet alleen om de lichamelijke ziekten die ontstaan, het gaat om de geestelijke belasting, het gaat om het wegvallen van de vreugde, het niet meer zien van het lichtende in het leven, de neerslachtigheid die dan heel vaak ontaardt in een vorm van eenzaamheid, die wordt gevoeld als een grote belasting van eigen wezen.

Wanneer wij dus die schuldgevoelens en zelfs de rationalisaties, die wij daarbij zo graag gebruiken, opzij kunnen schuiven door te zeggen: Dit ben ik werkelijk, zo ben ik nu eenmaal, maar wat voor goed kan ik ermee doen? en daarna rustig tot de orde van de dag overgaan, dan zullen wij – geestelijk gezien – een evenwichtig geheel hebben, waar de geest werkelijk kan inwerken, van waaruit de geest lering en kracht kan putten; en dan kunnen wij veel problemen vermijden. Daarom is het dus belangrijk dat men al die schuldgevoelens terzijde stelt.

Zo kennen wij ook in elke mens iets, dat ik misschien het best een vluchtsyndroom zou kunnen noemen. Het “ik” is geneigd zichzelf te zien als het Al. Men zal dit niet bewust beseffen, maar men betrekt de gehele wereld op zichzelf en meent dat de gehele wereld op het “ik” let. (Dames, wanneer u een kous met een ladder hebt, voelt u zich dan niet erg ongelukkig? Denkt u niet dat iedereen het ziet?) Hier krijgen wij dus een aspect van: Ik ben belangrijk. De wereld ziet mij. Iedereen let op mij.

Ik moet in de vorm blijven van dat wat ik voor die wereld wil zijn. En als ik dat niet meer kan, dan is het leven mij niets meer waard, dan wil ik al die problemen van mij afschuiven; ik vlucht in de onwerkelijkheid of ‑ in andere gevallen ‑ ik werk mij op tot een reus, waardoor ik al die problemen maar beëindig. In plaats van alles terug te brengen tot zijn werkelijke waarde vergroot de mens ‑ juist omdat hij alles op zichzelf betrekt ‑ elk probleem dat voor hem geldt.

Iemand heeft geen geld meer; dat is op zichzelf helemaal niet belangrijk. Hij zal altijd wel zo lang kunnen leven, totdat hij weer wat geld kan verdienen. En er is altijd nog wel iets in het leven, dat het leven de moeite waard maakt. Maar hij wil dat niet meer zien. “Ik kom geld tekort” en zo’n tekort aan geld heeft soms tot zelfmoord geleid, dat heeft mensen ertoe gebracht om overspannen in zenuwinrichtingen te komen. “Ik heb schulden.” Goed. Indien ik die schulden lichtvaardig heb gemaakt, dan zou een schuldgevoel op zijn plaats zijn. Maar als ik schulden heb gemaakt in een tijd, dat ik daaraan kon voldoen en door een toeval kan ik ze niet meer betalen, dan sta ik toch eigenlijk in mijn recht en is het leven toch heus nog wel levenswaard, dan kan ik toch heus nog wel iets doen. Maar heel veel mensen zeggen dan: “Hoe moet ik dit verwerken. Dit is niet te dragen:” En ze vluchten weg.

Een mens bouwt zijn leven op een ander. Hoe vaak gebeurt dat niet. Die ander valt weg, door de dood of door andere omstandigheden verdwijnt hij uit zijn leven. Het resultaat is, dat men ofwel overgaat tot een eredienst voor die ander, waarbij men dus het eigen “ik” volledig onderdrukt dan wel ‑ de tegenstelling ‑ men zegt. “Het leven is toch niets meer waard” en men gooit dat, wat eigenlijk voor het “ik” van veel waarde is, weg.

U zult begrijpen, dat een dergelijk vluchtsyndroom ‑ dat overigens nog veel verder gaat dan de paar voorbeelden, die ik heb gegeven ‑ niet aanvaardbaar kan zijn voor de geest. Op het ogenblik, dat wij wegvluchten, geven wij ons geen zekerheid. Elke vlucht betekent het continueren van de verschrikking, waarvoor wij vluchten. Maar elke directe realisatie van de omstandigheden zal ons ertoe kunnen brengen de proef op de som te nemen en te zien wat wij kunnen, wat wij waard zijn om ons beste “ik” a.h.w. te manifesteren. Dat is geen ontwijking, begrijp me goed. Het is een erkenning van het probleem.

Mag ik stellen dat elke mens, die in staat is zijn problemen in waarheid te zien, te aanvaarden en te erkennen, een mens is die in het leven onnoemelijk veel aan bewustzijn opdoet, die zeer veel leert en die bovenal voor zich en voor anderen ‑ ongeacht de situaties die in het leven optreden ‑ altijd ergens een bron van kracht is?

Hier heb ik dus ook weer een aspect van het “ik” genoemd, dat heel vaak verkeerd wordt gebruikt. De kern van dit alles is natuurlijk niet alleen maar het manisch verschijnsel of hoe we het ook nog willen noemen: de vlucht, het schuldbesef, het minderwaardigheids‑ of meerwaardigheidscomplex. Het gaat ons niet om deze op lichamelijke eigenschappen plus ervaringen gebaseerde dwangbeelden. Het gaat ons om de geest. Want onze psychologische kennis en onze psychologische voorlichting hebben weinig zin, tenzij ze kunnen worden gebruikt om het “ik” verder te integreren, om er meer één geheel en één kracht van te maken.

Indien ik u in het voorgaande heb kunnen duidelijk maken, dat de mens voor alles in de werkelijkheid moet staan, met zijn twee voeten op de grond, dan heb ik dit gezegd, omdat alleen een mens, die met twee voeten op de grond kan staan, met zijn bewustzijn kan rijzen tot in de hemelen. Het oude beeld van de Levensboom toont ons een boom, die wortelt in de aarde en waarvan de kruin de hemelen beroert. Die begint in één aspect (de stam), maar die in vele vertakkingen omhoog leidt.

Ons wezen is als een levensboom. Wij hebben de grond (de basiswaarde), dat zijn de stoffelijke eigenschappen, die grotendeels erfelijk zijn overgebracht en die verder ‑ dat geef ik graag toe ‑ nog kunnen worden beïnvloed door omstandigheden tijdens de prenatale periode en eventueel zelfs door optredende spanningen bij de geboorte zelf. Wanneer wij echter deze basis hebben en daarvan uitgaan, dan kunnen wij alle mogelijkheden en eigenschappen ontwikkelen, mits wij ons maar steeds blijven baseren op deze oervorm, op het wezen. Iemand, die in een auto probeert te vliegen is een dwaas. Iemand, die met een vliegtuig over een verkeersweg wil rijden, is een dwaas. Een mens, die een lichaam heeft met bepaalde eisen of noodzaken en deze ontkent of probeert weg te redeneren, te sublimeren, die probeert zich aan te passen aan iets dat hij niet is, is eveneens een dwaas.

De geest heeft n.l. de mogelijkheid om een groot gedeelte van de begaafdheid in dat lichaam te activeren. Die activering is altijd weer op de basiswaarde van de stof. Bij een sensueel mens zal een sensuele ervaring soms de aanleiding kunnen zijn tot het optreden van een verhoogde gevoeligheid. Dat kan een trance zijn, helderziendheid, helderhorendheid, telepathie; er zijn duizend‑en‑één mogelijkheden. Iemand, die in zijn grondkarakter dus rust nodig heeft, zal zijn beste concentratiemogelijkheid vinden daar waar hij alleen is, daar waar het rustig is. Een mens echter, die a.h.w. geheel gebonden is aan de wereld, zal juist zijn beste concentratiemogelijkheid daar vinden, waar veel publiek is, waar veel lawaai is, kortom, waar het volgens een ander onrustig is en onmogelijk om te denken. Wij moeten niet uitgaan van het standpunt dat je alleen kunt mediteren in eenzaamheid en dat paranormale gaven alleen maar door het volgen van een bepaalde leefregel kunnen worden ontwikkeld. Dat is niet waar. Wij moeten uitgaan van het standpunt, dat het “ik” bepaalde grondeigenschappen heeft, waaraan je nooit ontkomt. En of je nu 20 bent of 60, die eigenschappen, die verlangens, die reacties blijven dezelfde; en dan is men vaak te trots of zich teveel bewust van zijn minderwaardigheid om daaraan uiting te geven. Maar wanneer wij dat niet doen, wanneer wij niet eerlijk zijn tegenover ons eigen wezen, dan scheppen wij dus niet de condities waaronder wij ons het best kunnen concentreren, het best kunnen werken en kunnen ontvangen.

Voor de geest is het vaak heel belangrijk, dat zij het z.g. zesde zintuig (de verhoging van sensitiviteit op velerlei gebieden binnen een lichaam) kan gebruiken. In de komende tijd zal dat zelfs belangrijker zijn dan nu. Een trilling kan een mens iets zeggen, waar een woord zwijgt. Een impuls van uit de geest kan voor een mens tijden overbruggen, waar hijzelf nog geen overzicht heeft van de gebeurtenissen zelfs van de volgende uren. En zo kunnen wij verdergaan.

De geest wil de mens zoals hij is, als voertuig gebruiken om een maximum aan beleving, aan ervaring te krijgen op geestelijk terrein en gelijktijdig om ook in dit voertuig de geestelijke onvolkomenheden, die men in de sfeer bezit, zoveel mogelijk aan te vullen.

Elke bewustwording is een afrondingsproces. Men denkt wel eens dat het alleen maar een spiraalloop is; men begint in het middelpunt (weinig bewustzijn) en men gaat steeds grotere delen van het Al omvatten. Maar dat is niet waar. De bewustwording van de geest is niet de volkomen ronde spiraallijn. In vele gevallen is ze bochtig, het is een cirkel, waaraan hier en daar enkele segmenten bijna ontbreken. Het aanvullen van die segmenten is voor de geest veel belangrijker dan een uitbreiding naar buiten toe. De geest wil niet groter worden; zij wil evenwichtiger, harmonischer worden, omdat zij alleen op die manier het juiste antwoord kan vinden voor andere sferen en krachten, waarin dan haar feitelijke groei kan plaatsvinden. Dat wil zeggen, dat zij dus in het stoffelijk voertuig de behoefte heeft aan een aanvulling van bepaalde tekorten aan ervaring, aan erkenning. Om die aanvulling zo snel mogelijk te doen geschieden moet zij gebruik maken van de grondeigenschappen van de mens (zijn zuiver lichamelijke eigenschappen), van zijn denkvermogen (dat deel van de psyche dat bij de stof behoort) en van elke mogelijkheid om een zuiverder contact met werelden en sferen via het stoffelijk voertuig te scheppen.

De psycholoog zou misschien zeggen, dat hierin ook een ontwijken van de werkelijkheid ligt. Maar dat is niet waar. Integendeel, ik ga uit van feiten, zoals ik die ken. Processen, zoals wij die aan onze zijde regelmatig meemaken.

Wanneer wij trachten met onszelf in het reine te komen, dan gaan wij heel vaak uit van allerhande stelregels, die onjuist zijn. Wij doen dit, omdat het psychologisch voor ons niet mogelijk is op een andere wijze te reageren. Wanneer dit werkelijk niet anders kan, zullen wij er vrede mee moeten hebben, maar wij zullen ‑ onze eigen reacties kennende ‑ ze ook onmiddellijk én zo juist mogelijk gebruiken om datgene, wat voor ons noodzakelijk is, te bereiken. Wanneer wij echter erkennen, dat heel veel van onze pogingen om in de wereld de zaak toch een beetje te draaien of om ons anders te doen zijn dan we zijn, wanneer wij die maar blijven volhouden, vervallen wij op een gegeven ogenblik in onwaarachtigheid; wij gaan dan eenzijdig leven. In die eenzijdigheid van leven scheppen wij iets, dat voor de geest uitermate schadelijk kan zijn. Want veelal zullen wij daardoor een deel van haar ervaringen onmatig vergroten, terwijl een ander deel, waar haast geen ontwikkeling was, geheel onontwikkeld blijft. De onevenwichtigheid van de geest wordt groter, haar noodzaak tot latere reïncarnatie wordt sterker, haar vermogen om in de sferen lering op te nemen is beperkter en haar mogelijkheid om een afronding van eigen wezen alleen in de geest tot stand te brengen wordt tot nul teruggebracht.

Denk niet, vrienden, dat ik tracht u van uit deze op psychologie gebaseerde beschouwing alleen maar te bewegen tot een vrijheid of een waarheid of een eerlijkheid van leven. Dit zijn dingen die u voor uzelf zult moeten uitmaken. Want alles wat wij bereiken, berust ten slotte ‑ en dat weet u heel goed ‑ op een compromis, zodra het niet meer alleen onszelf maar ook anderen betreft. Dat is niet belangrijk, maar wij moeten het ons kunnen realiseren.

Eén van de bijzondere aspecten, dat in het menselijk leven altijd weer een rol speelt en dus ook psychisch vaak een zeer sterke indruk maakt, is dan ook wat men noemt: de schaamte. Schaamte is dus geen schuldgevoel zonder meer. Het is eerder een ontkenning van een deel van jezelf of het besef van een te groot verschil tussen de wereld en jezelf. Schaamte op zichzelf is dwaas. Een mens, die wordt geboren met een lichaam, krijgt er geen kleren bij. Als hij zich voor dat lichaam schaamt, dan zit er ergens iets fout. Maar wat? Wanneer een mens is opgevoed op een manier dat hij bepaalde gedragsregels volgt en hij komt in een milieu waarin die gedragsregels niet bestaan, dan schaamt hij zich vaak ervoor dat hij niet zoals die anderen kan zijn. Maar hij kan er toch niets aan doen, dat hij is zoals hij is. Hij kan zich langzaam veranderen, indien hij eerst eerlijk toegeeft: dit ben ik. Als hij dat niet doet (weer uit schaamte), dan komen er problemen. En zo kan ik doorgaan.

Schaamtegevoel is volgens de bijbel ontstaan op het ogenblik dat Adam en Eva hadden gegeten van de boom van kennis van goed en kwaad. Met andere woorden: zelfs in deze Bijbelse allegorie wordt dus kennis gesteld als de reden voor schaamte. Dit is het meest dwaze dat wij ons kunnen voorstellen, zodra onze kennis zelfkennis is.

Wanneer wij uitgaan van onszelf, van onze eigen bewustwording, van ons eigen wezen, dan hebben wij geen reden om ons te schamen. Wanneer wij aan de wereld reacties toedichten, die daar misschien niet bestaan of aan die reacties een belangrijkheid geven, die buiten alle verhouding ligt, dan komen wij wederom tot schaamte, omdat wij de wereld vervalsen.

Nu klinkt het misschien vreemd als ik zeg, dat een groot gedeelte van de schaamte, voortkomende uit de opvoeding, in het leven zelf wordt vervormd en veranderd door de behoefte om in de wereld een vals beeld van het “ik” te presenteren. De schaamte is dan niet meer werkelijke schaamte, maar zij is een angstvallig verbergen van je werkelijke persoonlijkheid voor de wereld en misschien ook voor jezelf.

Een groot gedeelte van wat men schaamte en schaamtegevoel noemt, berust in wezen op angst. En die angst, vrienden, is natuurlijk zeer nadelig. Want wanneer ik uit schaamte niet zeg, dat ik iets niet weet – zoals zelfs op avonden als deze soms voorkomt – en doe alsof ik alles begrijp in de hoop dat niemand zal denken dat ik dom ben, dan schaad ik mijzelf in mijn bewustwording en in mijn ontwikkeling. Men zou in zekere zin dus schaamteloos moeten zijn. De opvoeding heeft echter in het algemeen bepaalde schaamtebegrippen zo sterk ingehamerd, dat men zich niet geheel daarvan kan losmaken. Realiseer u echter dat het weinig zin heeft u te schamen zolang u uzelf bent en zolang u uzelf waardig bent. U bent uzelf waardig, zolang u uzelf leeft; niet dat wat u zou willen zijn maar dat wat u bent. Dan krijgen wij n.l. van uit een geestelijk standpunt een situatie, waarin de mogelijkheden niet weer door een angst of door een ontkenning worden weggedrukt.

De mens, die leeft zonder dat hij zich schaamt, zal daarom niet gemakkelijk zichzelf of zijn fouten of eigenschappen overal tentoonstellen. Maar zodra in die mens een behoefte-element ontstaat, zal hij het kunnen erkennen en zal hij ‑ zich baserende op het zuiver materiële ‑ kunnen zoeken naar een mogelijke uitweg daarvoor. Hij zal de proef op de som durven nemen. Hij zal de vraag durven stellen, onverschillig wat een ander denkt en daardoor bereiken dat zijn kennis groeit, dat zijn begrip zowel voor het eigen wezen als voor de wereld toeneemt, dat vele belevingen, die misschien voor zijn persoonlijkheid noodzakelijk zijn en normalerwijze juist door die schaamte onmogelijk worden of een bijsmaak krijgen (die dan weer berouw veroorzaakt), nu in het normale levenspatroon passen.

Van uit het standpunt van de geest is bij een mens zeker geen bandeloosheid gewenst, integendeel. Om een lichaam goed te kunnen gebruiken heeft de geest behoefte aan een lichaam, dat zichzelf meester is; niet door zichzelf voortdurend te ontzeggen of te onderdrukken, maar door zijn eigen mogelijkheden zo te gebruiken, dat voor het “ik” de meest juiste en gewenste resultaten tot stand komen.

En achter dit alles ligt dan de vraag van harmonie of disharmonie: Een mens kan harmonisch zijn in een waanwereld. Dat is waar. Maar die waanwereld zal voortdurend in conflict komen met de werkelijkheid van zijn wezen en met die van de wereld; en dan ontstaat er uit ontsteltenis een absolute disharmonie, die wat er nog aan waarden in de waanwereld bestond, verdrijft. Een mens, die zichzelf voortdurend als minderwaardig ziet, als slecht of vies, ondankbaar of misdadig, zal daardoor voor zichzelf zijn verhouding tot de wereld disharmonisch maken. Hij zal geestelijk gezien een groot gedeelte van de krachten afweren, hij zal bij wijze van spreken een engel Gods een duivel noemen, omdat hij bang is dat die engel met zijn opdracht, zijn inspiratie hem iets zal laten doen, dat eigenlijk niet hoort. Alle ware geestelijke elementen worden dus aangetast.

Wanneer een mens harmonisch is, dan is hij innerlijk niet iemand die zonder leed is. Begrijpt u dat wel. En hij is ook niet zonder vreugde. Het is niet een mens, die gelijkmoedig als de meest uitgesproken flegmaticus door het leven gaat. Die mens is krachtens zijn karakter soms net zo goed een driftkop of iemand met allerhande twijfels; dat is het karakter: Maar omdat dus binnen dit karakter evenwicht, harmonie is bereikt, kan het gehele wezen op elke hogere impuls onmiddellijk reageren, kan elke hogere trilling in dit “ik” worden omgezet tot iets bruikbaars. Want het heeft geen zin om het hoogste Licht innerlijk te bereiken, als je daaraan geen uiting kunt geven. Dan is het iets dat je ziet, maar niet iets dat deel wordt van je wezen.

Een mens leeft niet in de kosmos om een beschouwer of toeschouwer te zijn. Een mens leeft in de kosmos om er een deel van te zijn. En alle hogere krachten, alle bezielende werkingen, die in de kosmos, in het Al optreden, behoren in zijn wezen erkend te worden en door zijn wezen geuit. Dit kan een harmonisch mens wel. Een mens, die zichzelf onderschat of overschat, een mens die zich problemen maakt, een mens die niet wil aanvaarden dat zijn lichaam is zoals het is, dat zijn karakter is zoals het is, bereikt die harmonie niet. Voor hem is de erkenning vaak waardeloos. De mens, die het evenwicht in zichzelf vindt echter, vindt de kosmos en de kosmische kracht; en daardoor de ontwikkeling van al die aspecten in zijn wezen (normaal of paranormaal] , die voor de aanvulling van zijn geest en het scheppen van een geestelijk evenwicht noodzakelijk zijn.

Daarnaast zal de harmonische mens innerlijk veel gelukkiger, veel lichter leven dan ieder ander; en daardoor voor anderen meer licht en meer kracht zijn. Want de harmonische mens zal door de harmonische samenwerking op elk niveau met andere delen van de schepping de kosmische harmonie voor zichzelf verwerkelijken en zo de snelle geestelijke bewustwording en de uitdrukking van de geestelijke krachten en de goddelijke krachten zelfs binnen het bewustzijn voor zich en voor de wereld, welke die harmonie nog moet bereiken, tot stand brengen.

Deze cursus, die inzicht is genoemd, is één van de vele wegen langs welke een mens zich kan voorbereiden op zijn bestemming, zijn doel.

Het leven zelf is niet alleen afhankelijk van een stoffelijk gebeuren of zelfs van een grote geestelijke kracht; deze dingen zijn deel van het grote geheel. En wanneer een mens zoekt naar waarheid, zal hij steeds weer de onvolledigheid van zichzelf en van al het andere moeten beseffen. Voor hem ligt de grote moeilijkheid altijd weer in de vraag: waarom? Hoe? Met welke bestemming?

Nu is de bestemming van de mens de oneindigheid waartoe hij werkelijk behoort. Zijn persoonlijkheid, zoals hij deze kent, is slechts één kleine toets van de Schepper in het beeld van de schepping zelf en behoort tot de oneindigheid van tijd, de oneindigheid van ruimtelijke mogelijkheden, die alle tezamen gebracht eigenlijk de grondidee vormen van het leven.

Wanneer ge u afvraagt: waarom? dan zult ge alleen verder komen zolang uw vraag is gericht op uw eigen wereld en uw eigen wezen.

Wanneer ge u afvraagt: hoe? dan kan die vraag belangrijk zijn, indien zij past binnen de mogelijkheden waarover gij beschikt. Maar elk “waarom” dat verder grijpt dan eigen wezen en mogelijkheden, elk “hoe” dat niet meer uit jezelf is te beantwoorden, stelt de mens buiten de werkelijkheid waartoe hij behoort.

Er wordt gezegd dat het geloof alle dingen omvat. Maar hét geloof kan alleen alle dingen omvatten, indien het is gebaseerd op een werkelijkheid. Een geloof dat willekeurig is, kan de mens misschien ergens een verdienste of een kracht brengen, maar het kan hem nooit de oneindigheid brengen. Waar uw vragen geen antwoord vinden, daar zult ge een geloof voor in de plaats moeten stellen. Maar hoe meer dit geloof is gebaseerd op uw eigen wezen, des te beperkter de waarden zijn die men uit de kosmos kan aanvaarden.

Het is eenvoudig te zeggen: Mens, dit is uw weg. De mens toe te roepen: Begeer niet en vrees niet. Maar de mens begeert toch en vreest toch ondanks zijn pogen.

Het is goed de mens toe te roepen: Licht en duister samen zijn de eeuwigheid; goed en kwaad samen zijn het leven. Maar de mens zal altijd naar het goede en naar het licht streven; en hij zal altijd het duister verwaarlozen. De leer is goed, maar haar wegen zijn niet die van de mens, die leeft op aarde. Er moest een antwoord worden gevonden, én voor dit geloof, én voor de weg van de mens.

Een lange tijd is er gebouwd aan een beeld, een schema, dat zou passen voor mensen van uw tijd, voor de krachten en invloeden van de komende periode. Nu is het zover, dat wij moeten trachten stem te geven aan deze stelling, deze richting en vorm te geven aan dit geloof. En het kan geen geloof zijn in vormen of in beperkingen; het kan ook geen geloof zijn, dat alle dingen beantwoordt, want een mens moet streven. Hij moet zichzelf en het Al steeds verder ontdekken om zo steeds méér deel te worden van de werkelijkheid. Daarom hebben wij getracht een beeld te geven, dat u beseffen en aanvaarden kunt en dat u toch de wegen laat tot onderzoek binnen uw eigen mogelijkheden. Wanneer u gelooft in een God, dan gelooft u in een vage, verre kracht of in een licht, dat overal in en rond u is. Wanneer wij echter stellen: een licht, dan maken wij een onderscheid. Wij benaderen God niet meer van uit Zijn wezen, maar wij verbinden aan Hem een tegenstelling. Wie zegt: “God is Licht”, zegt ook. “Al wat niet Licht is, is niet God.” En dit is onwaar. Wanneer wij echter schouwen naar alle dingen in het Al ‑ of het sterren zijn of mensen, of het sferen zijn of de vervlechting van krachten, die de kern is van alle wezen ‑ dan is één ding waar: voor alles geldt harmonie, voor alles geldt een genegenheid, die alles verbindt zonder ooit te binden. Dat is geen menselijke liefde of genegenheid alleen. Wanneer wij zeggen dat God liefde is, een alomvattende liefde, dan zijn wij dicht bij de waar­heid. Wanneer wij zeggen dat het geloof van de mens moet zijn gebaseerd op de belangrijkheid van zijn “ik” voor alles wat leeft en op de gelijke belangrijkheid van alles wat er bestaat voor zijn wezen, dan zijn wij dicht bij de waarheid, dichter dan menig geloof tot op heden dat heeft benaderd.

De lering is niet nieuw. In de oudheid is die lering gebracht. Ze werd gebracht door leraren in het oude China, ze werd neergeschreven op houten tafelen in India. Ze werd verkondigd door de Boeddha, en door Jezus. Ze werd verkondigd door de wetenden van Griekenland en van het hoge noorden. De waarheid is, dat niet een leven na de dood zonder meer belangrijk is, dat niet een God zonder meer belangrijk is, maar dat leven, eeuwigheid en God alleen zin krijgen in ons wezen.

Wanneer wij zeggen dat het goed is om de naaste lief te hebben, dan is dat geen algemene term en dan is dat niet slechts de erkenning van het Goddelijke in de ander, maar het is de erkenning, dat wij leven in die ander en dat die ander deel is van ons bestaan.

Wanneer wij spreken over het rad van het leven, dan spreken wij niet alleen maar over de voortdurende werveling door sferen en werelden, dan spreken wij over de waarheid dat wij deel zijn van alle tijden, alle dingen en alle krachten. Ons begrip van harmonie, dat tevens ons begrip van God moet zijn, is onze verplichting aan het leven en het levende.

Wanneer u deze woorden kunt begrijpen, zo zult u ook beseffen, hoe het menselijk leven moet zijn. Wanneer men voor zichzelf vraagt of eist, dan doet men dat niet altijd ten onrechte, want elke mens en elke geest, elke vonk van leven heeft zijn recht in de kosmos. Maar als wij een recht vragen ten koste van anderen, beroven wij onszelf. Het oude beeld van een mens, die in een bol staat, waar zijn daden tot hemzelf terugkaatsen, bevat meer waarheid dan men in deze tijd beseft. En daarom moet de leer van leven zijn:

Wat u bent, wees dat volledig.
Wat u doet, doe dat voor uzelf en anderen.
Indien u uzelf zoekt, zo zoek in en door uzelf
de wereld en de Kracht, waaruit u leeft.
Aanvaard alle dingen; niet door ze lijdelijk te ondergaan,
maar door u af te vragen, welke waarden er in zitten
en welke mogelijkheden er in liggen, voor u en voor de wereld.
Aanvaard, dat een ander die weg kiest, ook wanneer u een andere weg wilt gaan.
Aanvaard bovenal, dat de weg die u kiest consequenties heeft, die u niet kent.

Een mens, die op aarde leeft, is al iemand die door een doolhof gaat: niet beseffende of zijn keuze hem wel of niet tot een doel zal voeren. Maar hij, die werkelijk leeft, ervaart. Hij weet, hoe hij de doolhof kan betreden en verlaten.

Een mens, die in het leven denkt aan het bestaan na de dood als aan een voortbestaan alleen, vergeet dat er maar één is, die een brug kan bouwen tussen leven en dood: hijzelf.

Hij, die spreekt over de bewustwording, dient te beseffen dat er maar één weg is die hij kan gaan, de weg van het Licht dat in hem leeft.

U bent. u bent de gelijke van al wat is in de schepping. Maar wat u kunt betekenen ‑ reeds nu ‑ voor dit geheel, zal voortvloeien uit de wijze waarop gij leeft met het geheel.

Men heeft u gezegd hoezeer de mens is gebonden aan de voorwaarden van zijn wereld en de eisen van zijn persoonlijkheid. Deze dingen zijn waar. Het heeft geen zin te ontkennen, dat u deel bent van een organisme dat maatschappij heet. Het heeft geen zin te ontkennen, dat u uw eigen plaats hebt en daardoor ook uw eigen taken en verplichtingen binnen dit conglomeraat, dit wezen dat mensheid heet. Maar u bent uzelf door alle tijden heen, niet slechts nu. U leeft ‑ of u wilt of niet ‑ volgens het doel dat de Schepper in u heeft gelegd, niet slechts nu, maar altijd.

Wij worden gedreven door, dat wat wij noemen, de goddelijke Kracht, de goddelijke Liefde. Deze Kracht en deze Liefde omvatten alles wat er bestaat. Want liefde en haat zijn slechts spiegel en beeldenaren van één en dezelfde mens. Licht en duister zijn elkaars tegendelen, maar ook elkaars aanvulling. Om te leven volgens de eisen van de nieuwe tijd, om te werken met de krachten van de nieuwe tijd zult u moeten trachten uw plaats in de wereld zo in te nemen, dat u leeft binnen het geheel. U zult uw eigen aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid nimmer mogen ontkennen, maar u zult beseffen, dat deze niet alleen uw wezen betreffen maar ook uw verhouding met allen rond u.

Hier is een begin van een leer, die enige nadere uiteenzetting verdraagt. Hoe kan ik u echter in korte woorden zeggen wat werkelijk in u leeft? U bent samen in een groep. In een ieder van u leven andere gedachten. De woorden, die ik spreek, zij worden in een ieder van u tot een ander beeld. U aanvaardt of u verwerpt, omdat u in het woord niet beseft wat de betekenis is. Het is nodig om langzaam te bouwen aan een nieuw begrip, dat ligt buiten de woorden, dat verder reikt dan woorden, dat alles omvat en niet slechts wat menselijke rede of een kleine reactie van gevoelens. Wij kunnen zo iets alleen opbouwen, indien wij uitgaan van één geloof. Een geloof, dat niets zinloos is, dat niets nutteloos is, dat niets waardeloos is. Een geloof, dat er ergens een kracht van goddelijke Liefde is, die alle dingen naar hun bestemming voert en die elk initiatief, dat wij nemen, voor ons maakt tot een verdere vervulling van ons bestaan, van ons lot.

Wie ingaat door de poorten der wijsheid, verlaat zijn wereld niet, maar hij treedt binnen in een grot. En in een lange gang zoekt hij in het duister telkenmale weer hoe verder te gaan.

Het is waar, wanneer de fakkel van het leven zelf, van de eeuwige Kracht, niet spreekt. Niets is onbelangrijk en alles brengt licht. Het diepste duister wordt tot licht, wanneer het nodig is, indien ge leeft uit deze Kracht. En het felste licht, dat u dreigt te vernietigen, wordt tot verkoelende duisternis, wanneer uw wezen dit behoeft. Uzelf zijn, uzelf leven is een zin, die u niet eens volledig kunt beseffen. Het is een leuze. En een mens in deze dagen leeft vaak niet van uit zichzelf, maar vanuit de leuze die hij kent.

Geloof mij, wat u bent, wat u leeft, wat u besluit, is uw zaak. Maar zolang u dit besluit neemt, wanneer u handelt of wanneer u denkt van uit het begrip van het geheel, waartoe u behoort, zo is u dit licht een zegen, dan is het de kracht die u dient. Wie echter zichzelf zoekt, zal ontdekken dat het wordt tot een kracht die hem beheerst.

De keuze, die nu voor de mensheid open ligt is: of hij slaaf wil zijn of meester; of hij drager van licht wil zijn of één die wordt geketend door vuur.

U kiest zelf. Indien u niet alleen voor uzelf kiest, maar om de waarheid omtrent uw wezen en de wereld te leren kennen en uzelf daarmede te dienen, dan zult u door uw besef van, en door uw geloof aan een goddelijke Liefdekracht ontdekken, dat de wereld u gehoorzaamt en niet u de wereld.

De boodschap van de nieuwe tijd is een boodschap van kracht. Maar het is een boodschap van kracht, die uit u ontwaakt, die alleen door u kenbaar wordt, die uzelf moet verwerkelijken in uw wereld.

Alles, wat u nodig hebt, wordt u gegeven en meer dan dat. Vraag u dan niet af, waarheen u gaat, maar vraag u slechts af, of u beantwoordt aan de behoeften van de wereld rond u. Vraag u niet af, of wat u doet licht of duister is, maar vraag u af, of het harmonie is.

Geef u niet over aan het lot en laat het lot niet voor u beslissen, maar bepaal uw lot zover u kunt, opdat het u lering en bewustzijn brenge.

En bovenal, weet dat het antwoord op de vraag “waarom?” altijd is: omdat dit de weg is tot eenheid. Dat het antwoord op “hoe?” altijd zal luiden: het antwoord van mijn wezen op de wereld en de krachten, die op dit wezen inwerken. Dat geldt voor de schepping der wereld, dat geldt voor de grens tussen leven en dood en dat geldt ook voor het dagelijks gebeuren.

Vaag zijn altijd weer de woorden, die kunnen worden gegeven, wanneer een ieder daarop moet antwoorden naar zijn aard, naar zijn wezen; want woorden zijn de dienaren van de gedachten. En elk woord dat ik spreek, wordt in u beheerst door uw denken en door uw behoeven. Achter alle woorden echter ligt de kracht van de Oneindige.

Wanneer ik tot u spreek uit het ware mededogen, uit de ware liefde tot het geheel van de schepping, zo ligt achter mijn woorden de kracht van het Licht, die een ieder moet en kan verstaan. Wanneer ik woorden gebruik, die u niet verstaat, zo wordt uw ziel soms beroerd, omdat u in dat wat u niet verstaat, de achtergrond wel aanvaardt en kent. Maar zo ik woorden spreek, die u kent, u maakt ze tot uw eigene en laat ze spreken en zeggen, wat u wenst. Daarom zeg ik u, dat het woord een arme dienaar is in deze dagen. Het woord is slechts de vage schaduw der gedachte. Maar wanneer zij wordt gedragen door de levende Kracht zelve, die achter de gedachte schuilt, dan wekt zij in u de weder gedachte, de realisatie in uw wezen, de realisatie die u zelf kunt vinden.

Wij, die nu spreken, zijn de wegbereiders van de krachten die uw tijd gaan beheersen. Wij, die nu wat kracht brengen, zijn niet meer dan de voorlopers en herauten van een grote kracht die komt. De tijd aarzelt en de kracht leeft, omdat de tijd alleen maar is de opeenvolging van denken; maar de kracht is het leven zelf, waaruit de gedachte wordt gevormd. Wij bereiden voor; en wij zijn toch deel van de kracht.

Wat ik u deze avond wilde geven, als een boodschap en niet als een lering, kan ik kort samenvatten:

In deze dagen is de waarlijk levende Kracht nabij. Nu spreekt de goddelijke Liefde tot de mens, die horen kan. Nu is hoogheid van wezen geworden tot dienaar van het strevend bewustzijn en onbewustzijn zelfs op aarde.

Dit is de tijd dat scheidingen moeten vallen en dat toch een ieder zijn vrijheid moet hernemen in de ware beleving van de hoogste Kracht.

Ik bereid u voor op wat komt. En ik zeg u: Aarzel niet, maar leef de kracht die in u is. Laat de beelden en gedachten, die in u rijzen, uitgaan over de wereld, opdat zij het Licht helpen verbreiden. Vraag u niet af, waarheen, hoe of waarom? Vraag u slechts af: is dit levend in mij? Is dit voor mij deel van een goddelijke Kracht? Kan ik dit zien als deel in een goddelijke Liefde? En zo uw antwoord is “ja”, ga uw weg en aarzel niet.

Want nu wordt u de kracht gegeven, die de sterkte is voor een komende tijd. Nu wordt de mensheid het licht en de kracht gegeven, die gezamenlijk de verwarring kunnen doen omslaan tot de ware harmonie. Nu worden in de mensen van het heden de bouwstenen gevormd, waaruit de komende Heerser zijn tempel zal bouwen voor de alomvattende Liefdekracht van de Schepper, Die leeft in allen.

Meer heb ik u niet te zeggen. Dat u vrede en kracht gegeven zij en zekerheid in uwe harten, opdat de waarheid in u leve en zich openbare en vanuit u worde tot de bewustwording van uw wereld.

(Een Gastspreker.)

De weg

Er gaat een weg van zeven kleuren, die reikt van het begin van ‘t Al tot aan het einde van de tijd. Een mens, die langs die weg dan schrijdt, vraagt echter, waar hij voeren zal.

Zo’n mens schrijdt naar links, de baan van het groen en het lijken hem grazige weiden. Maar plots is er weer het wetende blauw, dat tot nieuw bewustzijn moet leiden. Dan is er weer goud: een zonnige tijd, waarin de mens met de mensen kan leven. En dan weer is er het witte licht, het licht van bewustzijn en streven. Zo gaat er een weg van het begin van de tijd tot het eind van het Al, tot de eeuwigheid.

En wij, die op die weg nog gaan, wij zullen zijn kleuren niet altijd verstaan. Wij weten niet, waarom hij bochtig soms gaat en soms een waarschuwing horen laat. Maar wij moeten hem gaan, want dat is ons lot. De kracht, die ons dwingt, is de schepping, is God.

Zo gaan wij de weg. En staat er een sein, dat zegt: “Wees voorzichtig en kies er je kleur,” dan zoeken wij, wat er aan kracht in ons leeft en nemen de baan, die dan die kleur juist heeft, want dit stelt ons nimmer teleur.

Wij gaan langs de weg. Soms is er een rust. Dan spreken de mensen van sterven. Maar het is slechts een ogenblik, waarin je verpoost. Dan ga je weer verder, gesterkt en getroost, omdat de weg vol vreugden is.

Wie slechts beseft, hoeveel schoonheid hij geeft, gaat lachende voort en juicht, omdat hij weet: eeuwigheid is het wezen van de weg, het is eeuwig dat mijn wezen leeft.

Wat vandaag niet gebeurt komt in de eeuwigheid. Wat vandaag is gedaan zal misschien morgen verdwijnen. Maar alles tezaam is getekend in kleur en staat op de weg met zeven lijnen.

Zijn wij de weg dan ten einde gegaan, zo zijn wij met alle kleuren vertrouwd. En voor wij het weten hebben wij ons een naam in zeven kleuren gebouwd.

Aan het eind van de weg staat dan een woord, dat nu in je hart soms reeds leeft, maar waaraan het denkend verstand en de mond geen uiting, omschrijving nog geeft.

Dan schrijf je in eeuwigheid werkelijk je naam. Je zegt: Zo ben ik vertrouwd met de weg en mijn God; en zo heb ik uit mijzelf een deel van Zijn naam opgebouwd.

Er gaat een weg in zeven kleuren van het begin tot het eind der tijd. Wie gaat die weg met zoveel gebeuren, moet verdergaan tot eeuwigheid. Wil vreugdig zijn én vreugdig leven wanneer gij kleuren ondergaat. Besef: Dit is de weg van het leven. De kracht is God, Die met je gaat.