Psychologische invloed bij de aanvaarding van het paranormale

uit de cursus ‘Inzicht 1’ (hoofdstuk 8) – mei 1963

Psychologische invloed bij de aanvaarding van het paranormale

Wanneer wij te maken krijgen met een mens, die voortdurend een tijdlang in een vaste omgeving heeft geleefd, dan ontdekken wij dat hij door die omgeving is geconditioneerd; er ontstaat o.m. een zekere psychologische blindheid en doofheid. Dit betekent dat die mens een aantal verschijnselen automatisch voorbijgaat en dat hij andere verschijnselen – die op zichzelf niet opvallend zijn – altijd opmerkt en met bijzondere belangstelling gade slaat. Er is dus klaarblijkelijk sprake van een beïnvloeding van het waarnemingsvermogen van de mens en ook van zijn vermogen om redelijk de feiten te verwerken.

Ik zou nu graag het volgende stellen:

  1. Al datgene, wat voor de mens in zijn wereld niet aanvaardbaar is, zal door hem niet of onjuist worden waargenomen.
  2. Al datgene, wat voor de mens begeerlijk is, een bevestiging van zijn wezen of een vergroting van zijn zekerheid schijnt in te hou­den, zal door hem worden waargenomen, zelfs indien het niet aanwezig is.
  3. Alle gevolgtrekkingen, die de mens als resultaat van zijn waarnemingen maakt, zijn door hem eveneens gericht op het verwerven van een innerlijke bevestiging of zekerheid.

De conclusie van deze punten: het menselijk waarnemingsvermogen is slechts binnen bepaalde grenzen bruikbaar. De wijze waarop het waarnemingsvermogen is vervalst, zal van geval tot geval moeten worden vastgesteld, zodat er geen regel kan bestaan, die in dit opzicht voor alle gelijk geldt.
Nu wij dit hebben gesteld, kom ik tot een punt dat u ongetwijfeld zalt interesseren: de kwestie n.l. van werelden en sferen, die niet onmiddellijk met de stof zijn verbonden, maar soms kenbaar worden in de stof of – in andere gevallen – van uit de stof waarneembaar zijn. Wanneer een mens een bepaald geloof heeft, zal hij trachten al wat paranormaal is (wat althans niet direct tot zijn eigen wereld schijnt te behoren) in te passen in zijn geloof.
Voorbeeld: iemand is katholiek. Die persoon is verder helderziend. Hij neemt een vrouw waar. Deze vrouw schijnt hem toe te zijn van een hoge geestelijke graad. Hij zal de waarneming dan zodanig veranderen, dat die er één wordt van Moeder Maria. Deze Moeder Maria zal dan niet worden beschreven, zoals zij zich in feite toonde, maar altijd in overeenstemming met de religieuze afbeeldingen, die de persoon in kwestie heeft gezien en de voorstelling, die daardoor in hem is ontstaan.

Dit eenvoudige voorbeeld geeft reeds aan, hoe groot de fout kan worden. Want stel nu, dat dit helemaal geen Moeder Maria is. Stel, dat dit een natuurkracht is, een geest uit een andere sfeer, dan zal ook de boodschap of de kracht, die een dergelijke figuur tot uiting brengt, nimmer juist worden geïnterpreteerd. Indien die kracht probeert duide­lijk te maken dat het voor de mens gevaarlijk is te leven zoals hij thans doet, dan zal dit worden omgevormd tot een waarschuwing, die de mens richt op het geloof. Het waarschuwend element wordt eveneens vervalst. Wanneer er iets gebeurt dat buiten het normale valt, dan zal de mens die niet gelovig is, daarin toeval zien; een gelovig mens ziet daarin een wonder. Beiden zullen redenen kunnen geven; de één voor het toeval, de ander voor het miraculeuze. In geen van beide gevallen houden ze rekening met alle factoren van de desbetreffende gebeurtenis.

En zo sta je dan als mens in een wereld, die je niet helemaal kunt begrijpen en verwerken. Wanneer u te maken krijgt met een sfeer, dan zou u die sfeer misschien kunnen binnentreden. Maar die sfeer is alleen aanvaardbaar, indien ze beantwoordt aan uw eigen conditionering. Dit wettigt volgens mij de volgende conclusie:

Hoe meer de mens weet volgens zijn stoffelijke normen, hoe minder hij in staat zal zijn de juiste waarden van niet tot de wereld behorende krach­ten, sferen enz. te beschouwen, te definiëren en voor zichzelf te omschrij­ven. Wetenschap kan in vele gevallen een hinderpaal zijn voor het juist erkennen van het paranormale.

Nu vinden wij echter natuurlijk ook de tegenstelling met het al te redelijk denken. Er zijn mensen, die zeer eenvoudig van harte zijn, zoals dat heet. In hun eenvoud nemen ze de verschijnselen precies zoals ze ko­men en de verklaring ervan interesseert hun meestal minder. In hun milieu zal een bepaald – meestal primitief – geloof heersen; en dat primitieve geloof wordt niet gebruikt om de verschijnselen zonder meer te omschrijven, maar dient alleen als hoogst noodzakelijke verklaring, wanneer men het verschijnsel niet in de normale gang van zaken kan verwerken.

Hier krijgen wij dan te maken met bv. de inboorlingen. Zij kennen een wereld van bezielde natuur en zij zien daarvan veel. Maar zolang de natuur voor hen alleen bezield is en er dus geen noodzaak ontstaat om daaromtrent met anderen contact op te nemen, zullen ze dit bezield-zijn aanvaarden en er zich verder niet druk over maken. Pas indien velen gelijktijdig een soortgelijke ervaring hebben, zullen ze trachten tot een verklaring te komen; en dit wordt dan een uitbreiding van hun godsdienst, hun magie etc. Dit wettigt dus weer de conclusie, dat de mens, die in groepen probeert het paranormale fenomeen te definiëren, daarbij wordt belemmerd in zijn waarneming van het verschijnsel, zijn definitie van het verschijnsel in de juiste vorm – door de noodzaak een voor allen aanvaardbare formulering – te vinden.

En dan zitten we hier midden in de grote moeilijkheden, waarmee een ieder in deze dagen te worstelen heeft. Er zijn heel veel paranormale werelden of sferen. Al die werelden op zichzelf zijn volkomen natuurlijk. Zij gehoorzamen aan dezelfde natuur­lijke wetten als uw eigen wereld, alleen zullen de grondwaarden in die werelden vaak sterk van de uwe verschillen. Wanneer zo’n wereld echter voor uw wereld niet direct kenbaar is, kan er een ogenblik komen dat zij voor u eruit ziet als een vierde dimensie. Die vierde dimensie betekent alleen maar dat er een voor u niet kenbare afmeting is, waardoor de entiteiten, de verschijnselen van zo’n andere wereld zich in uw wereld kunnen bewegen. Daarbij ontstaat er de grote moeilijkheid om op aarde vast te stellen, of het een enkelvoudig of een meervoudig verschijnsel is.
Wanneer ik de platland-theorie huldig en ik zeg dus: Wij kunnen de wereld voorstellen als een blad papier, waarop elke lijn onmiddellijk een muur wordt en ik zet een passer op dit papier, dan zijn er twee punten waarop het verschijnsel zich voordoet; en toch is er maar één kracht, één wezen dat het gehele verschijnsel vormt. We krijgen dan te maken met het feit, dat één kracht op 20 of 30 plaatsen gelijktijdig de wereld kan beroeren en dat het u lijkt, alsof dit allemaal afzonderlijke verschijnselen zijn, terwijl ze in wezen alle uit één en dezelfde bron voortkomen. Moeilijker wordt het nog, omdat bij een vierde dimensie de verschuiving niet alleen plaats vindt in de ruimte maar ook in de tijd variaties kan kennen, zodat het heel moeilijk wordt om precies te zeggen: dit is een enkelvoudige kracht uit de sferen en dat is een meervoudige kracht; dit wordt bewust veroorzaakt door een eenling en dat is het werk van een groep. De mens kan voor zichzelf daaromtrent een geloof hebben, maar definiëren kan hij het niet. Wanneer hij een beetje inzicht in zichzelf heeft, dan begrijpt hij het en zal hij zeggen: Ik kan nimmer datgene, wat zich aan mij als paranormaal verschijnsel openbaart, definiëren volgens de normen van mijn wereld; het verschijnsel op zichzelf kan nooit de verklaring zijn van de oorzaak, zodat mijn redelijke verklaring van het verschijnsel niet het totaal van de oorzaak of zelfs maar het totaal van het verschijnsel zal omvatten.

De tweede moeilijkheid is ons werken in een sfeer. Een mens die uittreedt ( dus in een toestand komt, waarin hij zich van een andere wereld bewust is), kan daar zeer veel meemaken. Maar die wereld kan hij weer niet omzetten in redelijke termen. Hij kan teruggrijpen naar het symbool, maar dat doet hij niet graag. In negen van de tien gevallen zal de beleving in de sferen dus worden vertaald in iets, dat in overeenstemming is met het geloof, met eigen wensen en behoeften en met eigen milieu; en dat betekent weer dat ook hier een vervalsing van waarden heel vaak optreedt. Wij kunnen een sfeer wel beleven, maar wij kunnen haar niet juist definiëren. Dat maakt het heel erg moeilijk om een kracht van een bepaalde sfeer voor jezelf te erkennen.

Nu vinden wij echter in de menselijke psyche gelukkig nog wel enkele andere verschijnselen terug. Wij weten bv. dat bepaalde klanken op ­bepaalde mensen een grote invloed hebben, dat een bepaald timbre een bepaalde mens aanspreekt. Wij weten dat sommige mensen voor zekere kleuren zeer gevoelig zijn en voor andere ongevoelig. En dit blijkt niet alleen voort te spruiten uit de wijze waarop zij horen (het auditief vermogen) of zien (het visueel vermogen), maar eerder uit hun waardering voor klan­ken en kleuren. Men heeft een bepaalde frequentie, waarop men scherper reageert dan op een andere.

Het is misschien aardig hier op te merken, dat kort geleden hiernaar een onderzoek werd gedaan door een bekende uurwerkenfabriek en dat men daarbij tot de conclusie kwam, dat – in tegenstelling met hetgeen men vroeger geloofde, dat een zo schel en zo luid mogelijk luidende wekker de meest ideale was – een betrekkelijk sonoor geluid, dat trager is, een betere wekprikkel vormde én een vollediger ontwaken garandeerde dan de schrikprikkel, die de ouderwetse en goedkopere wekkers veroorzaakten. Uit dit onderzoek zou dus zijn gebleken dat een bepaalde trilling ook invloed heeft op de wijze waarop de mens zich iets realiseert.

Stel nu, dat elke sfeer voor ons kan worden vertegenwoordigd door een bepaalde trilling. Stel verder, dat deze trilling in ons aanwezig moet zijn willen wij met de sfeer in contact kunnen komen. Dan blijkt de grondvraag dus te worden: Zijn wij in staat een bepaalde trilling met een bepaalde wereld te associëren? Is dit het geval, dan zullen wij die wereld altijd kunnen betreden, ook wanneer wij niet in staat zijn die wereld volledig te kennen en te omschrijven, dit blijft een persoonlijke zaak. Dan volgen hieruit de volgende stellingen:

  1. Ofschoon het onmogelijk is de inwerkingen vanuit de sferen op aarde volledig en juist te definiëren, is het voor de mens wel mogelijk voor zichzelf een definitie te vinden van een sfeer aan de hand van zijn persoonlijke interpretatie en gevoelens en zo deze sfeer in zichzelf terug te vinden. Uit zichzelf is hij dan in staat de sfeer te betreden en kan hij contact opnemen met alle waarden die binnen die sfeer leven.
  2. Wanneer de mens in een bepaalde sfeer een daad stelt, dan zal hij deze nooit als directe handeling reflecteren in zijn ­bewustzijn. Hij zal haar vervangen door een handeling, die voor hem stoffelijk – hetzij in het gedachte- of begeerteleven – het meest identiek is met datgene wat er in de sferen gebeurt. Het resultaat is, dat door de ontleding van het droomleven (van de symbolen die aan de hand van droom en uittreding tot stand komen) de mens zich wel degelijk een beeld kan vormen omtrent de associatieve aspecten van zijn verblijf in een sfeer.

Ik geloof, dat dit laatste voor u soms zeer belangrijk kan zijn. Want wanneer wij een beetje inzicht trachten te krijgen in onszelf, dan zullen wij heel vaak denken dat onze dromen alleen maar uit het wensle­ven of uit onze angsten voortkomen, dan wel uit invloeden van buiten­af. Indien wij aan die dromen daarentegen een hogere waarden gaan toe­kennen, dan willen wij ze heel graag voortdurend waar noemen, zonder enig voorbehoud. In beide gevallen zullen wij ontdekken, dat wij er ergens niet uitkomen; er is geen oplossing mogelijk. De erkenning van de droom blijft onvolledig. De verklaring van het symbool doet ons zelf gezocht aan. Wij weten er geen weg mee. Maar als wij nu beseffen, dat het symbool voor ons een vertaling is, dat onze droom op zichzelf een aantal schijnbaar onsamenhangende fragmenten kan inhouden, die echter elk voor zich a.h.w. de vertaling vormen van een geestelijke activiteit, werking of lering in een volgens ons wezen daarmee sterk geassocieerde stoffelijke vorm, dan zullen wij gaan begrijpen, waarom wij eigenlijk met die sferen zo moeilijk contact hebben en waarom het zo moeilijk is uit die sfeer alles te weten. Nuchter zijn is voor de mens een heel groot voordeel, wanneer hij de nuchterheid niet zo ver drijft dat hij zegt: “Mijn rede staat boven alles.” Indien hij echter beseft dat hij zich aan de hand van de rede een beeld moet maken om hier op aarde datgene tot stand te brengen wat noodzake­lijk is, dan geloof ik dat hij al heel wat verder is gekomen.

Het contact met sferen en werelden zal ons verder, wanneer wij eenmaal de juiste trilling, de juiste afstemming vinden, in voortdurend contact kunnen brengen met hogere krachten; want elke sfeer kent een aantal centra, die weer a.h.w. een verbinding vormen met een hogere wereld. En zo kunnen wij in een bepaalde sfeer soms het sleutelwoord leren, de sleuteltrilling, het sleutelbegrip voor vijf of zes andere werelden. Elk van die werelden zullen wij ook persoonlijk kunnen betreden, zodra wij alle voorstellingen terzijde zetten en de ervaring boven alles stellen. De ervaring is meer waard dan elke theorie en elke beschrijving, ook hier. Zo’n centrum brengt ons in contact met bepaalde Meesters en Lera­ren, ook wel met bepaalde natuurkrachten. Elk van die krachten is gebaseerd op de kosmische wet. Deze wet is een algemene wet en zij houdt zich niet bezig met de verschillen, die men op aarde nogal eens pleegt te ma­ken, zoals bv. “alleen voor negers”, of: “alleen voor blanken”, of: “in een christelijk land kun je op zondag niet toelaten dat er kermis wordt gehouden of een voetbalwedstrijd wordt gespeeld.” Deze opvattingen laten die krachten volledig koud.

Wanneer wij zo’n kracht benaderen, moeten wij heel goed begrijpen dat zij is gebaseerd op een kosmische wet. Zij kan ons dus nooit datgene openbaren wat wij op aarde precies moeten zijn of moeten doen. Zij kan ons slechts een formulering geven aan de hand van kosmische waarden, van de juiste samenhang van de harmonische principes die voor ons wezen gelden. Wij zullen zelf daarvoor altijd een interpretatie moeten vinden in onze eigen wereld. De conclusie is dan ook weer heel kort samen te vatten:

Geen enkele Meester is in staat u precies te zeggen, hoe u moet leven. Hij is hoogstens in staat u duidelijk te maken, waar voor u persoonlijk de grootste harmonische waarden liggen. Of u die waarden werkelijk zult vinden en beleven, is geheel van uzelf afhankelijk.

Hier wil ik dan weer een tweede artikel aan toevoegen n.l.:

Alles, wat ik heb erkend in een hogere geest, zal ik in mijzelf zodanig moeten vertalen, dat er in mij daartegen geen weerstand bestaat en dat ik van de waarde van hetgeen ik in mij heb ontdekt volledig overtuigd ben. Is dit het geval, dan zal ik er toe moeten overgaan op mijn eigen wijze dit om te zetten in praktijk.

U ziet, wij kunnen het contact met de sferen dus op heel veel manieren vinden. Maar als wij een klein beetje begrijpen wat ons beroert en beweegt, dan ontdekken wij toch dat wij alles moeten terugbrengen tot ons eigen vlak. De hoogste Meester uit de geest kan u niets anders geven of leren dan de methode, waarmee u zelf zou moeten denken, de manier waarop u zelf zou moeten reageren. Maar de reactie blijft de uwe en de gedachte blijft eveneens de uwe.

De werking van de sferen brengt ons natuurlijk vanzelf in strijd of ten dele in strijd met wat wij nu eenmaal hebben erkend als ons bestaan. En hier beginnen weer de psychologische factoren een rol te spelen.

Wanneer wij n.l. eenmaal beginnen het Hogere te dienen, dan zijn wij al heel gauw geneigd om dat Hogere onze eigen wensen toe te schrijven en zo, datgene wat wij zouden willen doen, maar zonder motivering niet goed durfden doen, nu te motiveren met een hogere kracht. Als wij dat doen, dan is dat helemaal niet jammerlijk, erg of misdadig. Het betekent alleen maar dat wij nog niet in staat zijn die dingen uit onszelf te doen zonder meer. En dat betekent tevens weer, dat wij dus niet in staat zijn onze juiste persoonlijkheid te leven. Zodra een mens de hogere krachten, de leringen van een Meester e.d. nodig heeft als een rationalisatie voor daden, die hij ook zonder dit gaarne zou stellen, maar die hij alleen onder het gezag van hogere geesten aanvaardbaar acht, is hij iemand, die eerst in zichzelf zal moeten zoeken naar zijn werkelijke persoonlijkheid. Want zolang men de praktijk alleen kan rationaliseren door te zeggen: Dat komt van een Meester; of: dat komt uit de geest; of: dat staat geschreven, zijn wij fout. Wij moeten onszelf leven. Het is niet die ander, de hogere geest of de kracht, die het moet doen. Wij zijn het. Zolang wij dat niet durven aanvaarden, ontvluchten wij de werkelijkheid. En de vlucht voor aansprakelijkheid vinden wij in duizend‑en‑één opzicht in het denken van de mens.

Het is heel eigenaardig, dat mensen altijd weer God datgene in de mond leggen, wat ze zelf goed vinden. Toen de kruistochten moesten worden gehouden, hadden de vorsten en de grote ridders een leger nodig. Dat leger was op zichzelf noodzakelijk voor een politieke actie, n.l. de vernietiging van het rijk van Suleiman, die een bedreiging begon te vormen voor o.m. Spanje maar ook Italië en gelijktijdig voor het verwerven van de grote rijkdommen van het Oosten, omdat ze zelf arm waren. De leus, waaronder dit alles gebeurde, was: Deo volente; God wil het.

Kijk, wij zijn ook geneigd diezelfde fout te maken. Maar kan het bovennatuurlijke, het occulte ons iets geven dat wij niet eerst zelf eerlijk hebben verworven? Kunnen wij aan de gevolgen van onze daden ontkomen door aan het Hogere de verantwoordelijkheid daarvan toe te schrijven? Degene, die meer contact heeft gehad met de sferen en die weet, hoe de geestelijke werkingen ook in de stof kenbaar kunnen worden, zal met mij geneigd zijn dit te ontkennen. Enkele uitzonderingen kunnen er bestaan, maar dat zijn er maar weinige.

Verder ontdekken wij, dat de mens een grote behoefte heeft om erkenning te vinden. Die erkenning drukt hij op duizend‑en‑één verschillende manieren uit. Hij zoekt erkenning, wanneer hij gaarne vriendschappelijk tegemoet getreden wenst te worden. Hij zoekt ook erkenning, als hij meer doet dan hij eigenlijk kan of meer wil lijken dan hij feitelijk is. Hij zoekt erkenning, als hij meer wil bezitten dan anderen; maar ook als hij zich erop beroept dat hij geen slaaf is van het bezit, zoals anderen. Men zoekt die aanvaarding van het “ik” te vinden door enigszins van de norm af te wijken, zonder dit zo te doen, dat men tot een verwerping daarvan overgaat. Er zijn maar enkele uitzonderingen op.

Wanneer wij met die geestelijke waarden te maken krijgen, zijn wij heel snel geneigd om daarmede ons eigen wezen a.h.w. die achtergrond te verschaffen.

Eenzaamheid bestaat in feite niet. Wij kunnen altijd contact hebben. Wij kunnen altijd verbonden zijn met het gehele Al. Dat is een innerlijke zaak. Maar zodra wij de uiterlijke bevestiging op de voorgrond gaan stellen, verliezen wij het contact met de innerlijke wereld. De sferen kunnen ons inderdaad helpen, indien wij in die sferen actief zijn. Zijn wij in die sferen niet actief en gebruiken wij ze alleen maar om een bepaalde aardse wijze van leven of denken naar voren te schuiven, dan lopen we vast; dan bereiken wij heel weinig en wat wij bereiken is meestal verkeerd.

Nu bestaan er een groot aantal wijze spreuken en gezegden, waarin men probeert de mens dit aspect duidelijk te maken. Omdat ze door mensen zijn gesteld, passen ze in uw begripswereld over het algemeen beter dan de hogere leringen, die elders wel eens werden geopenbaard.

Wanneer u God wilt leren kennen, moet u proberen uw medemens te leren kennen.

Wanneer u uzelf wilt leren kennen, moet u proberen uw wereld te begrijpen.

Op het ogenblik, dat u uw wereld afwijst, geheel of ten dele, op het ogenblik dat u uw naaste niet probeert te erken­nen voor wat hij is, zult u uzelf niet vinden en uw God niet vinden.

Dat is in vele vormen herhaald. De kern van deze spreuk is de grote waarheid, dat wij innerlijk zelf moeten leven en dat wij alleen de relatie met de buitenwereld kunnen vaststellen, maar over het algemeen niet onze eigen persoonlijkheid zonder meer.

Om dus onszelf te leren kennen, moeten wij eerst de wereld durven aanvaarden. Om de hogere werelden te leren kennen, zullen wij eerst de materiële wereld moeten aanvaarden. Om te komen tot een uitdragen van de hoogste krachten moeten wij beginnen met de eenvoudige krachten te gebruiken, die ons ter beschikking staan. Wij mogen ons daarbij niet te veel laten leiden door redelijkheid, want de rede is voor u het werktuig, waarmede u bepaalde bedoelingen, bepaalde inzichten, bepaalde erkenningen en behoeften, voor uw wereld aanvaardbaar naar voren kunt brengen.

Schuld, zoals de wereld die kent, bestaat er niet. Toch bestaat er in de mens over het algemeen een zeer groot schuldbewustzijn.

Rang en stand, zoals de mens die kent, bestaan er niet in de werkelijkheid. Toch zijn er zeer veel mensen, die zichzelf van die rang en stand ten zeerste bewust zijn. De mens houdt zich n.l. vast aan een aantal normen die uit zijn milieu zijn voortgekomen en hij kan daarvan moeilijk afstand doen. Maar zolang ik mij houd aan een eenzijdige beleving van mijn wereld, zal ik niet in staat zijn uit die wereld een volle waarheid te vinden. Zelfs indien ik contact krijg met andere sferen, ja, zelfs met de hoogste Meesters en krachten, zal ik altijd gebonden blijven aan die beperkte interpretatie. En wanneer ik geloof aan de elite op aarde, dan betekent dit, dat elk contact met een hogere kracht voor mij iets is dat voor de elite bestemd is en daarmede wordt zijn betekenis voor de wereld vervalst.

Het is noodzakelijk deze feiten onder ogen te zien. Alle leven is gelijkwaardig. Elke levensuiting is verschillend; en men kan voor elke levensuiting ook een andere waardering hebben, mits men het leven als zodanig als gelijkwaardig blijft aanvaarden. Doet men dit niet, dan zal men niet alleen psychologisch in grote moeilijkheden komen, omdat het milieu meer en meer eigen denken gaat beheersen en gelijktijdig de beperkingen van dit milieu steeds sterker ook eigen denken, denkvermogens en wijze van beleving gaan beperken, maar bovendien komen we dus tot een mislukking van onze bewustwording. Wij, die zoeken naar een inzicht in de werkelijkheid, moeten begrijpen dat de grondslag van alle werkelijkheid ligt in onze eigen wereld, indien wij maar in staat zijn daarin de beperkingen van ons eigen wezen uit te schakelen.

Na deze stellingen blijft mij – na vandaag – niet veel meer te zeggen. Want de psyche van de mens met al haar eigenaardige afwijkingen en ook met haar vaak wonderbaarlijke verdraaiingen van feiten zou zichzelf toch ergens moeten terugvinden. Zij kan dat doen, indien zij in staat is de feiten te aanvaarden. Men doet dat over het algemeen niet.

Wanneer wij zeggen: De mens is een dier, dan zijn er onmiddellijk een groot aantal mensen (ook degenen, die geestelijk heus niet zo laag staan), die zich daartegen verzetten. “Neen, de mens is géén dier”, zo zeggen ze en daarmee ontkennen ze de feiten. Dat weten ze zelf wel. Maar “een dier zijn” dat betekent voor hen iets laags zijn. Redelijk is dat niet, want de mens mag dan iets meer denkvermogen hebben dan andere wezens, maar hij is een dier. Hij is zelfs in zekere zin een roofdier, want hij maakt alle andere dieren en planten eenvoudig aan zijn verlangens en behoeften ondergeschikt, zonder daarover na te denken.

Kijk, wanneer een mens zich daartegen verzet, dan doet hij dit omdat hij een beperkt idee heeft, een elite‑idee: de elite mensheid. Maar wanneer er nu eens een sfeer is, waarin wezens bestaan, die geen mens zijn geweest, dan zult u ofwel verlangen dat deze wezens zich als mens manifesteren (u zult ze als mens gaan vertalen) dan wel u zult ze verwerpen, omdat ze maar dier zijn; en toch kunnen ze geestelijk veel hoger staan dan u.

Wanneer een kracht zich openbaart van uit de sferen en die kracht openbaart zich niet alleen op het hoog geestelijke niveau, waarop u dat graag zou willen maar ook op een laag stoffelijk niveau, dan komt er te veel dierlijks bij te pas en is het voor u onaanvaardbaar geworden. U bent dan tevens blind voor de verdere waarden die erin schuilen. De mens heeft nu eenmaal in zijn denken een eigenaardigheid: hij eist voor zichzelf de exclusiviteit op. Hij doet dat niet alleen t.o.v. de dieren, maar zelfs t.o.v. andere rassen. De rassenwaan van Duitsland, de rassenwaan van een deel van Zuid‑Afrikanen, van een deel van Amerika verschillen in wezen eigenlijk niet zoveel van de afkeer die men hier heeft, wanneer men zegt: de mens is een dier.

Het is eenvoudig weer een ontkennen van de feiten. Men doet dit, omdat men meent dat eigen superioriteit, berust op het anders zijn dan anderen en men begrijpt niet dat de enige distinctie, die men misschien kan verwerven, is vollediger te zijn dan anderen. Wanneer wij een afgerond wezen zijn, een wezen dat harmonisch en evenwichtig is, dan kunnen wij volgens de opvattingen van velen, die zich met de geestelijke waarden bezighouden, laag staan, maar dan hebben wij in ons de weg tot een harmonisch contact tot de hoogste werelden toe. Maar indien wij ons hoog achten en gelijktijdig onevenwichtig zijn, dan zullen wij nooit juist kunnen reageren. Wij zijn niet de eenvoudigen van harte, die de waarheid wordt geopenbaard. Neen, wij zijn de wijsneuzen, die de waarheid voortdurend vervalsen en verdraaien, totdat zij er zelf geen weg meer mee weten.

Wanneer u wordt gezegd, dat uw maatschappij absoluut geen democratie is, dan zijn er onmiddellijk een groot aantal mensen die in verweer komen.

Wordt er gezegd, dat de maatschappij zich ten slotte niet teveel met het individu mag bezighouden en zeker ook niet de verantwoordelijkheid van het individu mag overnemen, dan komen er weer mensen in opstand. Waarom? Is dat nu werkelijk omdat die stelling onwaar is; of is dat misschien, omdat zij in hun leven hebben gestreefd naar iets anders, omdat zij bang zijn dat hun eigen leven waardeloos wordt, wanneer ze een andere waarheid accepteren?

Ik geloof, dat ook dit heel vaak de psychologische beperkingen, die dus in het geestelijke van de mens doordringen, kan verklaren: de angst dat hetgeen men heeft gedaan of was, waardeloos wordt. Maar kunnen wij ooit meer waard zijn dan we zelf zijn? Onze daden vinden hun betekenis door ons wezen. Op zichzelf zijn ze zonder betekenis. Onze contacten met andere sferen verkrijgen hun waarde voor ons niet door het feit dat wij de sfeer betreden, maar door het feit dat wij in staat zijn in die sfeer iets te leren. De uitingen van een sfeer op aarde krijgen niet hun betekenis door de verschijnselen alleen, maar door het besef dat de mens in zich draagt omtrent de oorzaak van het verschijnsel, zodat een harmonisch samengaan van het verschijnsel en de mens in de wereld mogelijk wordt.

Deze dingen zullen in de komende tijd natuurlijk steeds meer op de voorgrond komen; en de mens zal zich steeds meer genoopt voelen om juist hierin een nieuwe formulering te vinden. Want de mens wil formuleren. Laat mij daarom mijn betoog van heden besluiten met deze opmerking:

Op het ogenblik dat wij iets volledig formuleren, dat niet voor directe omzetting in daad vatbaar is, plegen wij een vervalsing van waarden, van de waarden die in ons leven en dat wij ons als zodanig verwijderen van de werkelijkheid, die ons een contact met hogere kracht geeft. Ik hoop, dat deze les iets heeft bijgedragen tot uw eigen oriëntatie in deze tijd.

De legende

De legendarische tijden liggen ver achter ons. Maar waar wij ook komen, wij vinden ergens de oude mythes, de oude overlevering weer en zij confronteert ons voortdurend met mensen, met geesten, met heroën. Alles wat er gebeurt is onredelijk. Veranderingen van mens in dier, van dier in mens; het optreden van dieren in zuiver menselijke gedaante en omgekeerd van mensen in dierlijke gestalte is natuurlijk. De gehele wereld heeft geen samenhang meer. Zij is a.h.w. volledig onderworpen aan de gedachte van de verteller.

Zo op het eerste gezicht lijkt het dan ook of de legende niet ver van het sprookje af staat. En wanneer wij ons bezighouden met het oude epos als bv. de Ilias, dan is het voor ons helemaal niet verwonderlijk dat Circé mannen in zwijnen verandert. (Wij begrijpen eigenlijk niet goed, waarom dat nu zo toverachtig gaat, maar goed, het zal zo zijn.)

De grote vraag is echter, of de mens, die de legende leest en haar ontmoet, in staat is om het beeld te vinden dat achter de gelijkenis ligt verscholen. Wij spreken ook in deze dagen nog over een uil, een ezel, een os, een zwijn enz. als wij het over mensen hebben. En wij vinden het helemaal niet eigenaardig dat die mensen toch gewoon hun menselijke gedaante behouden. Maar wanneer een mens nu afwijkt van zijn normaal gedragspatroon en hij wordt een tijdlang bv. een jager in horden, zoals een wolf, waarom zou de verteller in de oudheid er dan speciaal de nadruk op leggen dat hij toch mens was en een menselijke gedaante had? Waarom dan niet over hem spreken als een wolf of als een aap of als een zwijn? Dit zijn natuurlijk maar zeer onbelangrijke punten in de legende.

Maar wanneer ik spreek over bv. Zeus en ik zie hoe hij van de Olympus afdalende, de meest eigenaardige bezoeken brengt aan mensen, dan begin ik mij toch ook af te vragen, of dat werkelijk letterlijk moet worden genomen. Is Zeus misschien een abstract begrip; de aanduiding van het onbekende, van het heersend principe en wordt al datgene, wat zijn wil zou zijn, niet meteen gezien als zijn persoonlijk optreden? Dan worden het optreden van een stier, van een zwaan en van dubbelgangers plotseling niet meer bovennatuurlijk; zij worden vertellingen van natuurlijke gebeurtenissen, waarin echter onbekende en mogelijkerwijze overmachtige lotsinvloeden een rol spelen.

En zo beschouwd brengt de legende vaak de historie terug. De overleveringen van de oude volkeren omtrent Hades, het rijk van de onderwereld Helheim bv. zijn eveneens al zeer eigenaardig, want zij hebben alle een grote overeenkomst.

Wanneer overal de hel wordt gezien als iets dat onder de aarde ligt en het overal wordt geassocieerd met vulkanische verschijnselen, voorts met een leven afgesloten van de wereld, dan moet in ons toch wel de gedachte rijzen dat er ergens – al is dat misschien lang geleden – een rijk is geweest dat onder de wereld lag. En wie zich herinnert waar de beste tekeningen van grotbewoners zijn gevonden, die begint zich ook te realiseren dat er inderdaad stammen moeten zijn geweest, die ver beneden de oppervlakte der aarde hebben gewoond; mensen die daar misschien zelfs grotendeels leefden en slechts bij uitzondering de oppervlakte betraden. Stammen, die zich konden terugtrekken in een veilig en voor anderen niet zo gemakkelijk te betreden tehuis en die voor andere stammen zeer gevaarlijk zijn geweest. Is de strijd tussen de demonen die uit de aarde komen, de vorsten van de onderwereld en de mensen die in het daglicht leven, misschien de strijd tussen holbewoners en mensen die zwerven over de vlakten? Zo bezien krijgt alles wat er in de legende staat een meer feitelijke betekenis.

Wij zijn geneigd om altijd alleen de symboliek te zoeken. Maar waarom zou er slechts sprake zijn van een symboliek? Waarom zouden er geen dwergen zijn geweest, al zijn het dan misschien niet de onzichtbare kaboutermannetjes waarover men spreekt? Misschien zijn het natuurgeesten geweest en misschien zelfs menselijke wezens. Wie zal het zeggen. En wanneer wij over vliegende paarden horen, die kunstmatig worden gemaakt (een verhaal overigens dat wij overal aantreffen en dat ons zeker niet alleen tegemoet treedt uit de overlevering van bv. de Walkuren of van het vliegende paard bij de Muzen), dan zouden wij ons toch ook eens moeten afvragen, of er niet ergens een associatie moet zijn geweest tussen deze overleveringen; of er misschien vroeger inderdaad iets heeft bestaan waarmee men kon vliegen.

Met dit korte betoog probeer ik duidelijk te maken, dat de wereld van de legende niet zo ver van de werkelijkheid verwijderd behoeft te zijn als men haar tegenwoordig ziet. Zeker, de personen die wij ontmoeten zijn prototypen geworden. Ze zijn niet meer die mensen, maar ze zijn als Hercules een symbool geworden. En toch, zou Hercules niet eens werkelijk een listig en sterk mens zijn geweest? En zouden al die anderen, die als zonen van een god worden genoemd, niet werkelijk op aarde hebben bestaan? De geschiedenis der mensheid ligt in de legende verborgen. En degene, die de legenden leest, die zich bezighoudt met de mythes van de oude volkeren, zou moeten beseffen dat daarin voor een groot gedeelte materiële waarden liggen.

Men is maar al te zeer geneigd om het geheel naar het vlak van het irreële te verschuiven en te zeggen: “Er bestaan geen onderwerelden, zoals ons worden beschreven, die men over een geheimzinnige rivier kan bereiken.” En toch is de Lethe, de rivier der vergetelheid, eigenlijk overal. Want wij vinden haar ook terug in Tibet; wij vinden haar in bepaalde Indische overleveringen; we vinden haar evenzeer terug bij bepaalde stammen van bv. Zuid‑Amerika. Overal klinkt er datzelfde verhaal. Is het dan niet redelijker om aan te nemen, dat er een rijk is geweest onder de wereld, waarin misschien technisch beschaafder mensen hebben geleefd en niet alleen maar holenmensen? Mensen, die bv. de gaven van hypnose hebben gekend. Wezens, die vandaag de dag misschien nog ergens in grotten leven?

Dit zijn vragen, waarop natuurlijk geen direct antwoord kan worden gegeven. Maar het zijn vragen, die wij ons ongetwijfeld mogen stellen, omdat de legende, de mythologie ons voortdurend confronteert met gelijksoortige waarden.

Wanneer wij spreken over een Nibelungenheim, dat ergens op de toppen der bergen of boven de wolken ligt, dan zijn wij niet zo ver verwijderd van de goden, die wonen op de top van de Mount Everest, of die ergens boven de wolken leven met de Manitoes. Er zit een parallel in; en waar die parallel de gehele wereld betreft, zal zij zeer waarschijnlijk zijn voortgekomen, niet uit een gelijksoortig instinct of geloof, maar uit feiten die over de gehele wereld in meer of mindere mate bekend zijn geworden en die slechts in de loop der tijden als overlevering langzamerhand verschillende vormen hebben aangenomen.

Toch blijft er – wanneer wij de legende hebben ontleed en getracht daaruit het redelijk mogelijke te halen – altijd een eigenaardig, haast mystiek geheel over; en dat is de achtergrond van noodlotsgodinnen, de schrikgodinnen, de heerseressen van het menselijk lot. Nu behoeven wij niet aan te nemen, dat er werkelijk ergens weefsters zitten, die draad na draad het menselijk lot weven, maar ergens moet het lot vertegenwoordigd zijn. Het noodlot van de mens ontstaat niet zonder meer. In de legende is het lot steeds weer de roepstem van een god of een godin; het is het werk van de geheimzinnige weefsters, de Nornen, die ik noemde; het is het ingrijpen van vreemde, onaardse godinnen als de verschrikkelijke Hecate, maar altijd weer de invloed, die niet behoort tot de mensheid zelf; iets dat kennelijk van de mensheid gescheiden is. Verder blijkt haast altijd dat er ofwel een raad van goden aanwezig is, dan wel een drietal speciaal daarvoor bestemden, die dit lot regelen. Hier ligt, geloof ik, de symboliek van het menselijk leven. Het is moeilijk het onderscheid te maken, want hier hebben wij te maken met de vorming van de materie en daar met een geloofselement. Toch blijkt, als wij het oude geloof overal nagaan, dat de mensen geloofden in:

  1. het eigen lot, d.w.z. het vermogen om hun eigen lot te regeren;
  2. een invloed van goden, althans van hogere krachten, waardoor die vrijheid beperkt was;
  3. een mogelijkheid om positief of negatief op bepaalde knooppunten van het leven, bepaalde keuzepunten, hun verdere weg te bepalen,

En dan geeft de legende ons hier dus ook de gedachte van de wet van karma, die niet zoals tegenwoordig misschien alleen maar oorzaak en gevolg is, maar die een samengesteld geheel vormt, waarbij niet alleen de geest een rol speelt, maar ook de materie; en naast geest en materie bovendien nog een derde wetmatigheid.

Als men zo de legende leert lezen, zal men daaruit niet alleen wonderbaarlijke gelijkenissen halen, maar ook denkbeelden omtrent mens en menselijke beschaving, omtrent zuiver stoffelijk bestaan en zelfs zuiver stoffelijke mogelijkheden, die men tot nu toe veelal voorbijgaat. Want wat eens in de legende werd gesteld in symbolische taal, is vandaag aan de dag nog evenzeer mogelijk. Het magisch geheim van voorheen bestaat nu nog. En misschien dat vele legenden ons hier het juiste spoor kunnen geven.

Er is een aarde. Die aarde wordt haast altijd gezien als bezield, als zelf zijnde een levende kracht. Een levende kracht, die in de meeste legenden een voorkeur voor haar kinderen heeft of hen afwijst. Een aarde, die wij wel degelijk ook zouden kunnen beschouwen als een wereld, die antwoord op de mens; en op deze mens niet alleen antwoord door de gehele wereld te veranderen, maar desnoods zelfs door verschillende vormen van werelden naast elkaar te doen bestaan, waarbij dus het totaal der ontwikkeling geheel different is en deel A van de wereld door atoombommen kan zijn vernietigd, terwijl deel C het paradijs kent en deel B tussen deze beide in ligt. De wereld zou wel eens kunnen antwoorden op de gedachten der mensen; en de legende geeft ons velerlei aanduidingen in deze richting.

De aarde antwoordt op haar kinderen en zij bepaalt t.o.v. die kinderen wat voor hen aanvaardbaar is.

Is de hel wel een werkelijke hel? Of is de hel misschien iets, dat de aarde voor een mens wordt, die in een bepaalde staat verkeert? Is het paradijs wel een afzonderlijke plaats? Of is het misschien de wereld, die een mens ontmoet, die in harmonie is? Velerlei vragen, waarop volgens mij slechts één antwoord kan worden gegeven. Een antwoord dat niet redelijk is en dat u ongetwijfeld met hetzelfde recht als andere legenden tot de onwaarschijnlijkheid kunt verwijzen n.l.:

Zoals de mens is en leeft, zo antwoordt hem het leven; en het leven past zich evengoed aan de mens aan als de mens zich aanpast aan het leven. Er is een directe samenhang tussen het schijnbaar bovennatuurlijke en de werkelijkheid. Er zijn geen grenzen te trekken tussen legende en waarheid, tussen God en mens. In de harmonie van de kosmos hebben alle dingen hun eigen betekenis, ongetwijfeld. Maar de mens bepaalt voor zich, hoe die betekenis voor hem zal zijn; en aan de hand daarvan kan hij worden Heros, die voorbij gaat aan de Sirenen; hij kan worden slaaf van Circe, die zijn metgezellen tot zwijnen maakt, maar hij kan ook worden een sterke held, die de Olympus bestormt en door de goden nolens volens wordt opgenomen in hun gezelschap, omdat hij zich de gaden waardig heeft betoond.

Ik geloof, dat de mens van heden dat eerst moet overwegen en begrijpen; en dan aan de hand van mythen en legenden moet trachten voor zich het beeld te vinden van een wereld, waarin hij zich kan aanpassen aan het Hogere en het antwoord op dit Hogere in zichzelf kan vinden in de wereld rond hem.

Daarmee besluit ik deze voordracht, die – naar ik hoop – u een kleine afleiding en misschien enige lering heeft verstrekt. U krijgt zo dadelijk een gastspreker. Nu heb ik een vraag aan u. Wanneer zo’n Meester spreekt, waar denkt u dan aan?

Je moet trachten het te ondergaan; maar dat gaat niet altijd. Nu dat laatste is logisch, want niet elke kracht en elke Meester zal met u in harmonie kunnen zijn. U hebt zelf een bijzondere afstemming, daarmee moet u rekening houden. Ik vraag dit n.l. om de doodeenvoudige reden dat de Meester, die bij u past vaak in u een gedachte doet ontstaan, die niet samenhangt met zijn woorden, maar die voor u de weergave is van zijn kracht. Het zou dus interessant kunnen zijn na te gaan, welke uw ­associaties daarbij zijn; zowel uw niet-erkennen als wel uw ondergaan ervan zou voor u een interessant aantal mogelijkheden kunnen geven. Een volgende maal kunnen wij daarop misschien eens doorgaan.

Gastspreker

Vrienden.
Wanneer er een woord klinkt, zo is het de mens, die het verstaat of niet verstaat.
Wanneer er een kracht leeft in de wereld, zo is het de mens, die uit die kracht leeft of die kracht ontkent.
Wanneer er een levende Kracht is in het Al, zo is het de mens zelf, die die Kracht aanvaardt of verwerpt.

U bent meesters van uw lot, ofschoon u onderworpen bent aan de grote krachten, die de grenzen, de grenspalen hebben gesteld, waaraan wij allen gebonden zijn, de grens van het Goddelijke, van de mogelijkheid. Maar een ieder van u is meester van zijn eigen lot. Niets is er dat u dwingen kan, behalve uw eigen wezen. Niets is u ontzegd, zij het dat u het uzelf ontzegt. Niets werd u genomen, zij het dat u het eerst hebt willen bezitten. Niets werd u gegeven, zij het dat u de gave eerst voor uzelf hebt verlangd.

Vrijheid is de grote kracht van alle leven. Een vrijheid, die geboren moet zijn in het innerlijk. Want de mens, die in zich vrij is, aanvaardt de waarheid van het leven en van de Schepper. Vrijheid, die innerlijk is, dient zich ook te uiten; en een alomvattende vrijheid zal zelfs in de uiting zowel als in de openbaring een vrijelijke beperking toepassen, uitgaande van het eigen wezen en de aanvaarding van het leven.

Omdat in de mens alle kracht is, is in de mens ook alle macht, zelfs die van het scheppen. Niets is u onmogelijk, tenzij u het uzelf onmogelijke maakt.

U hebt een wil. Die wil wordt gevormd: door uw begeren, door uw vrees, maar bovenal door het wezen dat u bent geworden in de vele malen dat u hebt bestaan. U kunt krachtens dit wezen de weg vinden, om zelf een direct deel te zijn van de scheppende Kracht en deze Kracht tot uiting te brengen.

Een leer, die men u geeft, kan een leer zijn van liefde en van goedheid. Zij kan een leer zijn van bitterheid en hardheid; en u kunt daaruit hetzelfde maken. Want niet de leer, die u wordt gegeven, maar de wijze waarop u haar leeft, bepaalt haar betekenis voor u en voor anderen.

U bent vrij. Volledig vrij. En u dient vrij te zijn. Want slechts de mens die vrij is, kan zijn God aanvaarden. U bent niet gebonden, want er is geen band die u houden kan, buiten de band die u met uw God verbindt. En zo u dit beseft, zo zult u erkennen wat het ware leven is.

U meent dat de noodzaak tot de daad wordt geboren uit uw wereld. Maar ik zeg u: Indien zij wordt geboren uit de wereld, is zij voor u waardeloos. Zo zij uit uzelf wordt geboren echter, is zij de betekenis van de gehele kosmos voor u een ogenblik uitgedrukt binnen uw eigen wezen.

U bent kracht. En niemand dan u kan die kracht voor u duidelijk kenbaar maken.

Niets kan u licht geven, tenzij uzelf licht wilt zijn en weet dat u licht in u draagt.

Er is geen weg, die voor u verboden is; maar u zult moeten kiezen welke weg u kunt gaan, zonder tot wanhoop te vervallen, zonder uzelf te overschatten.

De oude wegen zijn voor deze wereld op het ogenblik gesloten, maar de krachten, die in het begin bestonden, bestaan nu nog.

De oude spreuken, die eens de magiërs spraken, hebben hun zin niet verloren, zo zij nog leven in de mens.

Hoor nu wel, opdat u begrijpen kunt in uzelf wat ik u wil zeggen.
U bent kracht. Zo u de sleutel kunt vinden tot de kracht in uw wezen, zo zult u alle dingen volbrengen, zonder aarzeling en zonder mislukking. U bent licht. Er is geen licht in de wereld, sterker dan het eeuwige Licht, dat in u leeft. Zo u het Licht beseft, is er geen duisternis en niets dat u kan bedreigen.
U bent weten. Alle dingen, ook die u niet weet, sluimeren in uw wezen;
want u bent deel van de kosmos.
Vind de sleutel tot het weten in uw wezen en er is niets wat voor u onbekend zal zijn; geen raadsel waar­ van u de oplossing niet zult kennen.
U bent kracht.
Om kracht te uiten moet er de wil zijn die kracht te uiten, het weten dat de kracht bestaat en de zekerheid dat de uiting van die kracht goed en noodzakelijk is.
U kunt alle dingen bereiken,
maar u zult moeten ge­loven in uzelf en in datgene wat u wilt volbrengen.
U bent de kinderen van het licht; en in uzelf bent u licht.
Waarom vreest u dan het duister?
U bent de Rechters zittende ten oordeel over uzelf en de wereld die u hebt gekend.
Waarom vreest gij dan een Rechter?
U bent de kracht. Waarom vreest u uw eigen zwakheid?
U bent al deze dingen; maar u kent uzelf niet.
U kunt al volbrengen; maar u gelooft niet in uw kracht.
U bent licht; en u vreest het duister, omdat u uw eigen licht niet erkent.
Hoe wilt u bereiken in de wereld, tenzij u eerst uw eigen erfdeel aanvaardt?
Hoe kunt u uw erfdeel aanvaarden in de wereld, wanneer u niet vrij bent?

Er is een mens. En deze mens vraagt de goden om raad. Hij gaat tot voorbij de Hallen des Oordeel, en hij vindt geen raad. Hij gaat tot daar, waar de goden zetelen, maar geen antwoord wordt hem gegeven. Dan keert hij tot de Hallen der Kennis en lezend in zijn eigen lot vindt hij zijn antwoord. Dit is de leer: slechts uzelf kunt antwoorden.

Een mens zendt zijn ziel uit tot aan het einde van het Al; en hij erkent het Al. Hij keert terug tot het lichaam en voelt zich slaaf en vreest de zweep. En het Al is, alsof het nooit geweest ware.

Er is een mens, die zijn geest uitzendt en het Al erkent en terugkerende zegt hij: “Ziet, ik ben het Al. Wat kunt u dit kleine deel, dat thans mijn lichaam is, deren?” En ziet, hij wordt meester over allen.

Er is een mens, die zijn eigen dwaasheid kent en vreest. En hij spreekt: “Zend mij tot de wijzen, opdat ik lere.” Maar de wijsheid die hij verwerft, is niet zijn eigen wijsheid; en zo is het Seth die hem regeert. De mens is een dwaas; en hij erkent zijn dwaasheid. Maar hij zegt. “Ziet, in mijn dwaasheid ligt de wijsheid van mijn wezen geborgen” en hij maakt uit het lood der dwaasheid het goud van weten. En ziet, zelfs de zon buigt zich voor hem wanneer hij voorbijgaat.

Deze leer is oud volgens uw jaren. En deze leer is nieuw; zij is de eeuwige Waarheid.

En voorwaar, indien ik nog scepter en staf zou voeren, ik zou u niets beters kunnen bieden dan dit, ik zou u niet méér kunnen geven.

Zo u beseft dat wij gelijken zijn, zo u beseft dat u het bent die meerdere kunt worden, niet ik die het ben, vindt u uw ware bestemming. En dan zult u misschien beseffen, wat het betekent, wanneer men tot u spreekt: Heil U, Herrezene. Gij, kerend uit het graf, Gij, overwinnaar der duisternis, Gij, die zijt de kostbare last van de boot der eeuwigheid, heil U, want uit U zijn alle dingen nieuw.

De kosmos roept dit tot u. Kunt u het verstaan?

U kunt volbrengen meer dan u beseft. U bent veel meer dan u beseft, maar u zoekt de zegeningen van anderen. U wilt lenen de staf der wijsheid van anderen om uw voeten te leiden op het pad. Ze zijn u gaarne gegeven: de staf en de kracht. Maar eerst wanneer u zelf gaat uit uwe kracht, erkennend de Heerser, die ons allen schept; aanvaardend het erfdeel van de bewuste, zo komt u waarlijk voorwaarts.

Erken niet het verschil tussen leven en dood. Erken niet het verschil tussen stof en geest. Erken de eenheid, die u bindt met alle werelden en aan geen enkele vorm.

De kracht die is, is uw kracht. U verkiest het lot, dat u ziet als uw weg.

Om u dit te zeggen ben ik tot u gekomen. Mijn stem klinkt voortdurend, maar niet op deze wijze. Indien u luistert, zult u verstaan en dan is mijn stem voor u vele werelden, vele daden, vele krachten en vele dromen. Schep u daaruit uw eigen kracht en uw eigen dromen, opdat ik u zal mogen begroeten als gelijke of als Meester, wanneer deze ring der tijden voleind is en de kosmische wet ook deze maal de selectie heeft volbracht, die krachtens haar wezen van tijd tot tijd keert tot werelden en sferen, herscheppend licht uit duister, kracht uit krachteloosheid.

Dat uw voeten vast mogen zijn op het pad. Dat uw hart de antwoorden moge weten voor de Wachters, die u ontmoet op het pad. Dat u zonder vrees zult gaan door de Hof der Rechteren die u oordelen, wetend: wij allen zijn één kracht en aan elkander gelijk.

Dat de vrede met u zij.