Punten die het leven voor de mens belangrijk maken

 1 mei 1960

Op de morgen van deze eerste mei zijn wij dan bijeen om na te denken over verschillende punten, die het leven voor ons belangrijk maken. Te zoeken ook naar de geheimen, die voor ons verborgen zijn. Het is een dag, dat men het feest van de arbeid viert. Alsof de arbeid niet zelve een feest zou moeten zijn. Wapperende rode vanen overal, strijdliederen en parades zijn het kenteken van deze dag.

Als je zo die wereld beziet, vraag je je af: waarom? Ik kan mij voorstellen dat men een feest viert voor een bereiking: zelfs dat men een feest viert voor een geboorte: feest viert omdat men een vorstin, die men waardeert, wil eren. Maar ik kan mij niet voorstellen dat men een feest van de arbeid viert. Ik zal u trachten duidelijk te maken waarom.

Het leven op aarde bestaat uit enkele factoren, die los van elkaar moeten worden gezien, maar die gezamenlijk onze mogelijkheid tot bewustwording vormen. De eerste daarvan is: het leren. Een kind dat wordt geboren, begint haast onmiddellijk te leren. Eerst omtrent zichzelf, dan omtrent de wereld.

De tweede is: het werken. Het kind van anderhalf jaar dat – zoals de ouders zeggen – zo leuk speelt, werkt in feite, omdat het door dit werken zichzelf opbouwt. Vandaar gaat het verder naar het vervullen van kleine taken en eindelijk – na het doorlopen van de schooltijd – wordt de arbeid het hoofdbestanddeel van het menselijk leven. De wijze waarop men werkt, het werk dat men verricht en de inhoud, die men erin weet te leggen, bepalen voor een zeer groot gedeelte op welke wijze men bewust wordt.

Bovendien kennen wij dan natuurlijk het gevoelsleven, waarin wij factoren als liefde, haat, afkeur en voorkeur naast elkaar ontmoeten. Dit regelt onze mogelijkheden en geeft daardoor een zeer sterke gerichtheid aan ons denken en aan de conclusies, die wij uit het leven zullen trekken. Er zijn meer factoren te noemen, maar ik wil met deze volstaan.

Ik kom dan tot de conclusie, dat arbeid onontbeerlijk is. Zij moet een normaal bestanddeel van het leven zijn. Door haar nu afzonderlijk te plaatsen, haar te vieren en te eren, geeft men haar een aspect dat los staat van het werkelijk en persoonlijk bestaan. Men beschouwt haar als een soort overwinning, als iets waartegen men strijdt en dat men eindelijk in ketenen heeft geslagen. Het feest van de arbeid is een soort overwinningsfeest. Dit is logisch. Ook als het niet noodzakelijk voor iemand is arbeid te verrichten volgens stoffelijke normen, zal men niet gelukkig kunnen als men niet werkt. Laten we dit allereerst eens even vaststellen. Nu kan men natuurlijk op veel verschillende wijzen werken. Een van de belangrijkste werkwijzen, die voor de mens openstaat: het scheppend werk, waarbij dus verstandelijke mogelijkheden en dikwijls ook gevoelswaarden worden uitgedrukt in hetgeen men stoffelijk produceert. Men meent wel eens dat als arbeid ook moet worden beschouwd het z.g. hersenwerk zonder meer. Geloof mij, zolang hersenwerk niet een onmiddellijke vervullingsmogelijkheid in zich draagt, is het geen feitelijk werken en kan het voor de mens dus nooit de verzadiging en de vrede van de arbeid brengen. Men doet iets, omdat men daarmee iets tot stand brengt, omdat men daarmede een betekenis verwerft, maar bovenal, omdat men met trots kan wijzen op hetgeen men voor de wereld heeft geproduceerd. Produceren voor de wereld is in vele gevallen moeilijker dan u denkt. Dit houdt in, dat onze arbeid niet slechts een uitdrukking van óns eigen wezen is, maar tevens inhoudt: de erkenning van de behoeften van de wereld in de uit onze persoonlijkheid komende en op deze wereld gerichte poging. Een contact dus, dat in stoffelijke zin de kosmische eenheid tracht te weerspiegelen.

Er zijn helaas, vele factoren in de zowel meer geestelijke als in de meer stoffelijke arbeid, welke gericht zijn tegen een gemeenschap of tegen een bepaald verschijnsel, Ik denk hierbij o.m. aan het verzet van de wetenschap tegen occulte krachten, paranormale verschijnselen en het verzet vooral wel tegen openbaringen en werkwijzen als bv. de onze. Het lijkt mij voor u. interessant vandaag eens na te gaan – waarbij het genoemde dus als voorbeeld wordt gebruikt – hoe in vele gevallen de arbeid, schijnbaar rechtlijnig, toch gericht is tegen de mensheid of tegen een bepaald deel van de mensheid. Laten we dan beginnen met een zeer eenvoudig voorbeeld: Toen de mens voor het eerst dacht over een radiobuis (de z.g. diode) waarbij dus elektronen een kenbaar verschijnsel zouden worden, meende een ieder dat dit onmogelijk was. Want, zo zegde men, zo er al elektronenstromen bestaan, zullen zij in de lucht worden opgenomen, omdat daarin vele ongerichte elektronen zijn, welke als zodanig niet kenbaar worden. Men loste dit op door a.h.w. een gat in de lucht te maken (het luchtledig van deze buis) en daarin werd nu plotseling de stroom, die anders nooit waarneembaar zou zijn, wel merkbaar: zij was manipuleerbaar en kon versterkt worden. Zo ontstond de eerste radiobuis.

Bij de transistor is het al precies hetzelfde. Een transistor, die heel vaak wordt gebouwd uit germanium, kan nooit uit puur germanium bestaan. Er is dan n.l. een zeer grote homogeniteit en geen selectief vermogen, geen doorlaatbaarheid, geen versterkingseffect zodat wat overblijft niet bruikbaar is. Als een en ander u interesseert, zult u ongetwijfeld hebben gehoord dat deze kleine transistors (kleine in lak verpakte kogeltjes) met zorg worden gemaakt van zeer zorgvuldig en met opzet verontreinigd germanium. Waarom deze verontreiniging? Opdat er hiaten zijn. Door de verontreiniging ontstaan a.h.w. hiaten in de materie, het germanium. De elektronen, aan een kant opgestuwd, kunnen nu soms a.h.w. in een ledige ruimte naar de overzijde reizen, waar zij wederom verder kunnen gaan. Hier is weer niet aan te tonen op welke wijze het elektron zich precies heeft verplaatst, maar wel kan men zeggen dat er, uit elektronisch standpunt gezien, een ledig is waardoor de versnelde val, de werking van het elektron, mogelijk wordt met al, wat erbij hoort. (Dus ook het losmaken van andere elektronen.) Dat is voor velen uwer wat technisch, maar ik moet dit wel vertellen om een basis te krijgen voor wat ik wil stellen. Nu ga ik wat verder. Wij komen dan bij het paranormale verschijnsel en ik denk hier bv. aan een William Crookes en zijn onderzoek.

Zolang wij staan tegenover een absoluut afwerende houding, is er bijna geen verschijnsel mogelijk. Het verschijnsel dat optreedt, gedraagt zich volkomen irrationeel, kan niet worden vastgelegd en beantwoordt niet aan vaste maatstaven. Ontmoeten wij echter een psychisch juiste gesteldheid (dus de welwillende, niet kritische onderzoeker, die voor zijn vaststelling afgaat op het instrument, dat in zichzelf geen gedachtesfeer draagt), dan zullen ook bij ernstige proeven en onderzoek heel veel verschijnselen op de voorgrond treden, die regelmatig worden herhaald en niet uit de gewone stoffelijke wetten kunnen worden verklaard.

In deze houding van welwillendheid zien wij iets, dat lijkt op de verontreiniging van germanium. Wat is hier n.l. het geval? De stoffelijke rede wordt door de welwillendheid voor het niet-redelijk verklaarbare verschijnsel a.h.w. verzacht en vereenvoudigd en zo ontstaat voor elke paranormale kracht – zelfs indien men niet a priori aan het verschijnsel gelooft, doch er slechts welwillend tegenover staat – een reeks impulsen, die paranormale of supranormale krachten stoffelijk kenbaar kunnen maken.

De wetenschap ontkent dit over het algemeen en zij heeft daarvoor haar reden. Haar arbeid is gebaseerd op het streng redelijke dat de wetenschapsmens kan beheersen. Maar die wetenschapsmens kan zeker niet beheersen wat op deze wijze buiten het redelijk verstand ligt, want zijn rede en zijn veel geprezen logica zijn de middelen, waarmee hij tracht onze geestelijke wereld te benaderen en dat is onmogelijk. Wij kunnen voorbeelden te over geven. Ik denk hier aan het medium Eusapia Palladino, een zeer onaangenaam mens overigens, die toch reeksen verschijnselen produceerde, welke op zijn minst genomen verbluffend waren en krachtens de genomen voorzorgen niet op bedrog konden berusten. Deze onderzoekingen heeft men later verworpen. En dit verwerpen is weer iets vreemds. Het betreft hier de arbeid van de wetenschapsmens. Laten wij – om een helder inzicht te krijgen van de wijze, waarop dit gebeurt – een recent geval van onderzoekers nemen en de wijze waarop zij worden nagevolgd.

Er is, zoals u weet, Dr. Rhine. Dr. Rhine is van ons standpunt een zeer interessante figuur, aangezien hij zich bezighoudt met een wetenschap, die men in de V.S. wel psychonics noemt. Psychonics wil niets anders zeggen dan de vaststelling, de eventuele ontwikkeling en de definitie van de krachten, welke bij telepathie en andere paranormale verschijnselen optreden. Nu heeft deze Dr. Rhine een zeer grote reeks proeven genomen. Hij heeft daarvan statistieken doen samenstellen, mathematisch volledig, nauwkeurig en juist en komt op grond van zijn onderzoek tot een – zij het betrekkelijk kleine – factor van onverklaarbare verschijnselen, welke niet anders dan door het aannemen van telepathie en zelfs buitenstoffelijke krachten (hij spreekt niet van entiteiten) kunnen worden verklaard.

Nu weet u misschien ook, dat Dr. Rhine wordt aangevallen. Ik vermeld dit, omdat u het zelf kunt controleren. Het vreemde is dat de mathematici, die immers kunnen nagaan hoe hij aan zijn statistiek komt, hem aanvallen over de wijze, waarop hij zijn onderzoek heeft ingesteld. Hij gebruikte daarbij methoden, die in de psychologie en psychiatrie volkomen normaal zijn en overal worden gebruikt. Met het gevolg dat allen, die in de psychologie belang stellen, hem aanvallen op zijn statistische waarden. En zo verklaart men van alle kanten dat het niet juist is, zonder het geheel ooit in beschouwing te nemen.

Hier zien wij het eenzijdig effect van de arbeid. Wat Dr. Rhine doet is in zekere zin een scheppende arbeid. Hij creëert n.l. bewijsmateriaal, waarbij hij gebruik maakt van bestaan, maar niet algemeen gebruikte waarden en hij brengt deze steeds juister en wetmatiger tot uitdrukking, waardoor hij voor anderen  de hanteerbaarheid van zijn psychonics, dus van zijn psi-krachten a.h.w. eenvoudiger maakt. Als hij zijn werk mag voltooien, zal hij de wereld iets gegeven hebben: hij heeft dan iets geschapen, dat onloochenbaar is n.l. de mogelijkheid tot ontwikkeling van paranormale eigenschappen.

Al deze anderen echter voelen zich bedreigd. En er is ook een reden voor hen om deze paranormale verschijnselen terzijde te stellen. In de eerste plaats: niet-vaklieden en niet-gestudeerden zouden met opmerkingen komen, waaraan zij hun aandacht zouden moeten besteden. In de tweede plaats: hun gedachten zouden niet meer van hen zelf zijn, want zij zouden kunnen worden afgetast en afgewezen.

In de derde plaats: veel van hetgeen thans wetenschappelijk vaststaat zou bij het aanvaarden van een z.g. supra-sfeer (een rond de wereld onzichtbaar gebied, waarin gedachten e.d. hun uitwerking hebben) ongeldig worden.

En hier zien wij het grote verschil tussen het scheppende werk en het z.g. werk. De wetenschapsmens, die de stellingen van een ander afbreekt, zonder diens gehele werk en alle daarin voorkomende factoren voldoende te beheersen, vernietigt en geeft de wereld daarvoor niets in de plaats. Slechts aan zichzelf schenkt hij de voldoening, dat hij dan toch maar een prima vent is, dat hij het dan toch maar weet en dat hij dan toch maar nuchter is.

Kijk, dit heeft geestelijk en voor de bewustwording zeer grote nadelen. Door zelfvoldaanheid sluit men zich af voor vele aspecten van de wereld rond zich. Gebeurt dit eenmaal, dan hebt ge daardoor een geesteshouding ontwikkeld, die u ook bij de overgang en het leven in de sferen bepaalde fenomenen van uw wereld doet verwerpen. Het zijn deze mensen, die een zeer lange tijd aan de lagere gebieden van het Zomerland blijven gekluisterd. Zij kunnen eenvoudig niet aannemen, dat er meer bestaat, dan zij persoonlijk en redelijk willen erkennen. Ik mag hier misschien bij opmerken, dat deze heren heel dikwijls ook scheppend denken en logica met elkaar verwarren. Toch kunnen wij zeggen, dat een elektronisch apparaat, zoals men er bv. in Amsterdam een heeft opgesteld en zoals er hier in, ik meen, het Gebouw v. K. en W. een is ondergebracht, met een elektronisch geheugen dat allerhande werk kan verrichten, een volkomen logisch apparaat is. Want prikkel A brengt automatisch beschouwing, selectie en uitdrukking mede. Een volkomen logisch proces. Wij zouden zelfs kunnen zeggen, dat deze machine veel logischer is dan de mens, aangezien zij geen vergassingen maakt en elke kans nauwkeurig kan berekenen. Maar daarom denkt de machine nog niet. De mens die denkt is in feite gedeeltelijk onlogisch. Hij gebruikt de logica om een bepaald standpunt te extrapoleren en daarop verder te bouwen. Maar hij zal buiten het voortdurend logische en redelijke moeten gaan, wil hij komen tot een vernieuwing en tot een scheppen. In deze negatieve houding is dus een zeer grote ontwaarding van de mens te onderkennen. Niet de ontwaarding van degene, die men aanvalt maar van het “ik” zelve.

Het is noodzakelijk steeds het standpunt van de ander te beschouwen en slechts dan tot een oordeel te komen, wanneer men zelve door proefnemingen of krachtens onderzoek van elk deel van het experiment met volledige vakkennis tot één conclusie komt. Het scheppende werk echter betekent – zoals ik reeds zegde – een contact met de buitenwereld.

Wanneer Dr. Rhine zich volkomen wetenschappelijk (dus objectief) bezighoudt met de psi-krachten, ontmoet hij daarbij zeer vele eigenaardige verschijnselen. Deze verschijnselen brengen hem ertoe eerlijk en oprecht te zeggen: “Ik neem aan dat deze en gene kracht bestaat, ook al kan ik dit nog niet volledig bewijzen.” Wanneer hij in onze werelden komt, zal hij ook verschijnselen zien, die hij niet onmiddellijk kan verklaren. Maar het feit, dat zij bij een objectieve beschouwing klaarblijkelijk bestaan, zal hem ertoe brengen ze te aanvaarden. Hij zal daardoor sneller vooruit kunnen gaan en zich sneller kunnen ontwikkelen.

Misschien dat ik in dit verband nog een opmerking mag maken, voordat ik overga tot een ander deel van mijn betoogje. Men stelt wel eens dat de wetenschapsmens die overtuigd is, ook volkomen eerlijk is. Ik meen te kunnen aantonen dat hier zeker niet altijd van kan worden gesproken en neem wederom een betrekkelijk recent geval, n.l. dat van het genezend medium Edward Casey, een Amerikaan. Ik kies deze gevallen met opzet uit de Ver. Staten, omdat ze daar over het algemeen goed gedocumenteerd zijn.

Deze Casey genas vele mensen. Hij gaf voortdurend adviezen in trancetoestand en bereikte werkelijk buitengewoon veel. Zoveel zelfs dat er een soort ziekenhuis of sanatorium werd gebouwd, waarin op de door Casey aangegeven wijze nu nog mensen worden genezen.

U begrijpt dat de officiële wetenschap tegen deze zeer eerlijke en eenvoudige man in verzet kwam. Het is aan te tonen dat tenminste 17 malen – soms door universiteiten, soms door vakgroepen – geleerden naar Casey zijn getogen om zijn werk te onderzoeken en deze bedrieger te ontmaskeren. Zowel in de Chicago Herald Tribune als in weekbladen als de New York Times kunt u de verslagen en de verklaringen van deze geleerden vinden. Zij zouden nu eindelijk eens een einde maken aan deze kwakzalverij enz.. Het vreemde is echter, dat deze heren zijn vertrokken en geen hunner enige voor Casey gunstige of ongunstige verklaring heeft gepubliceerd. Als er ongunstige feiten aan het licht zouden zijn gekomen, zouden zij ongetwijfeld Casey hebben aangevallen, want dat was het doel van hun expeditie. Het feit dat ze dit niet hebben gedaan, mag dus als een redelijk en overtuigend bewijs gelden, dat zij positieve waarden hebben gevonden.

Er rest ons de vraag: Waarom werd dit niet naar voren gebracht? Hier is de werkman oneerlijk. (Want ook een dergelijke onderzoeker is een werkman.) Hij verwerpt eenvoudig datgene, wat voor hem niet interessant is, wat lastig voor hem zou zijn en datgene wat hij liever niet wil zien. Een dergelijke arbeid heeft altijd schadelijke geestelijke gevolgen.

Nu ik hier wat stoffelijke feiten heb opgesomd, moot u mij niet kwalijk nemen dat ik overga naar het terrein van de geest. Want als wij spreken over arbeid in de stof, dan moeten wij toch ook zeer zeker spreken over arbeid in de geest.

Wat ik hier op het ogenblik bv. doe, is niets anders dan het formuleren en boetseren van enkele gedachten: enkele maar. Anderen uit mijn sfeer gaan naar lagere sferen en scheppen daar langzaam maar zeker een honger naar licht om dan – door dit licht te schenken – een nieuw wezen tot een hogere sfeer te doen ingaan. Weer anderen staan mensen bij, die overgaan. Zij geven hierdoor niet slechts hulp aan degene die overgaat, maar brengen wel degelijk uit het standpunt van hun eigen wereld beslist iets tot stand wat voor de gemeenschap aanvaardbaar, kenbaar en bruikbaar is, n.l. het doen ontwaken tot het licht van lichte sfeer van degene, die anders in de overgang verward zou zijn, in de nevel zou blijven dwalen en daarmee met zijn raadselen en problemen voor ons in zekere zin negatief zou zijn.

Ook geestelijk bestaat er veel werk. Dat werk kan soms worden uitgedrukt door spreken, soms als een verschijning, soms alleen maar als het met een bepaalde gedachte doortrillen van een zekere sfeer. Deze arbeid moet altijd vrijwillig en in overeenstemming zijn met de eigen persoonlijkheid. Zij moet daarvan een zo volledig mogelijke uiting zijn en dient volgens de wet van onze wereld voor die wereld nog niet volledig vaststaande elementen te omschrijven en definitief te maken. Het is dus aan het uitbreiden van onze geestelijke werelden, dat wij werken.

Nu is het voor ons gemakkelijk deze arbeid te volbrengen. Wij leven in onze eigen wereld: wij hebben geen last van uw begrenzingen. Voor ons is er een vrijheid: wij kunnen rusten zoveel wij willen: zelfs tijd is onbeperkt. Voor ons is het gemakkelijk, voor u is het moeilijk. Maar ik wil erop wijzen, dat zo de stoffelijke arbeid voor u praktisch noodzakelijk is, ook de geestelijke arbeid daarbij te pas komt. Ook u zult geestelijk, bewust of onbewust, aan vele processen deelhebben. De gedachten die u uitstraalt kunnen in vele gevallen scheppend zijn voor een stoffelijke situatie. Zij kunnen echter wel degelijk ook aan een geest steun geven: zij kunnen geestelijke krachten scheppen. En mij dunkt, dat wij op een feest van de arbeid daaraan wel eens wat aandacht mogen besteden.

Het is eenvoudig enkele regels op te sommen, die het de mens gemakkelijker maken om in stoffelijke en geestelijke zin juist te leven en de juiste arbeid te verrichten. Maar zijn we er met die regels? We hebben daar de afgelopen twee vrijdagen iets aan gedaan, dat wil zeggen: we hebben enkele van die regels gegeven. Het is gemakkelijk genoeg tegen u te zeggen: “Mens, leer dat voor de geestelijke arbeid de stoffelijke ontspanning noodzakelijk is. Dat slechts de volkomen rust van het lichaam in vele gevallen de geest volledig vrij maakt: dat daar tegenover slechts als een negatief proces kan worden gesteld een absolute uitputting van het lichaam, waarbij dezelfde vrijheid van geest optreedt. Maar daar komen wij er niet mee.”

Wij kunnen gaan zeggen: “Mens, voor de geest is het belangrijk, dat ze zich aan de stoffelijke beperkingen als schuldgevoelens, aanwensels e.d. weet te ontworstelen om althans geestelijk haar volledige vrijheid te aanvaarden.” Want eerst zo kan ze geestelijk arbeiden.

Maar hoe kunnen wij precies vertellen, waaraan wij in de stof vastzitten? Algemene regels stellen is gemakkelijk, de uitvoering daarvan mogelijk maken is zeer moeilijk. Wanneer ik dan toch, voor ik mijn betoog op deze zondagmorgen besluit, enkele regels ga opnoemen, dan moet u begrijpen dat dit geen regels zijn, die speciaal op de stof of op de geest betrekking hebben: zij slaan eerder op uw houding t.o.v. het leven en ze zijn geldig, ongeacht in welke sfeer u zich bevindt.

Onthoud in de eerste plaats, dat elk werk dat in de kosmos een tegenstand ontmoet van feiten of mogelijke feiten, een wijziging dient te ondergaan. Elke arbeid, die wij verrichten, moet harmonisch zijn met al het voor ons kenbare van de kosmos. Het is begrijpelijk dat zolang wij harmonisch zijn met de kosmos ons werk ook zal gelukken en dat wij dan iets zullen kunnen scheppen. Dan zullen wij a.h.w. het voor ons kenbare deel van de kosmos uitbreiden. Maar op het ogenblik dat wij een bepaald deel ontkennen, ontstaat een eenzijdige beperking, die resulteert in onevenwichtigheid. Die onevenwichtigheid zal zich vóór onszelf en in onszelf wreken, maar zal bovendien dikwijls ook voor de wereld ongunstig zijn, daar zij die wereld dwingt tot eenzijdigheid om een compensatie voor onze eenzijdigheid te stellen.

De tweede regel is eigenlijk nog véél eenvoudiger. Hoe men ook leeft en hoe men ook denkt, men moet als eerste basis van elk streven en denken in stof en in geest stellen, dat voor stof en geest tijd geen werkelijke beperking is, dat zij slechts de persoonlijkheid in een bepaalde arbeidsfase definieert, maar nooit de totale arbeid. U kunt  op deze wereld een werk beginnen en als het niet af is, zult u uit de geest kunnen zorgen dat het werk toch volbracht wordt. Of u zult eventueel zelf op die wereld incarneren om dat werk voort te zetten. Er is geen tijdsgrens en geen tijdslimiet, zodat geen enkele taak voor ons te groot is. Elke taak dus, die wij aanvoelen als voor ons passend te zijn, elke arbeid die wij met vreugde ten bate, van de wereld zowel als voor onszelf kunnen volbrengen, kunnen wij dus aanvaarden.

In de derde plaats wil ik er u op wijzen, dat er geen grenzen bestaan voor de kracht, die in feite in ons leeft. Dat de krachten van alle sferen en werelden gezamenlijk kunnen worden geconcentreerd in elke bescheiden poging, in elke kleinste arbeid en kleinste taak. De mens is niet afhankelijk van zijn eigen vermogens, zoals hij deze kent, daar achter hem de gehele kosmische kracht staat. Het aanvaarden van de totale kosmos als reserve bij een eventueel falen van het “ik” in eigen pogen betekent, dat het slagen van elke met de kosmos overeenstemmende taak een zekerheid wordt. Dat ons scheppend werk het herscheppen is van het grondpatroon der volmaaktheid, dat de Schepper heeft geopenbaard.

Het zijn een paar eenvoudige regeltjes. Mijn betoog is u misschien wat zwaar gevallen. Ik kan het mij voorstellen. Maar probeert u eens er over na te denken. Neemt u eens de voorbeelden, welke ik u heb gegeven. Ik heb getracht het belangwekkend te maken door u te spreken juist over de strijd, die vele wetenschapsmensen tegen het paranormale voeren. Maar die strijd wordt overal anders gevoerd. Ga eens na, hoe u misschien voor uzelf bepaalde dingen en aspecten in deze wereld tracht te bestrijden. Ga eens na, hoe uzelf bepaalde dingen in het leven eenvoudig niet wenst te erkennen. En vraag u af wat de gevolgen zijn, geestelijk en stoffelijk, voor uzelf en voor de wereld. Dit is dan het menselijk feest van de arbeid. Maar het hele leven is arbeid. Het is werk. Sommigen noemen het: “het bouwen van een tempel”. Anderen noemen het: “het beantwoorden aan Gods wil”, en weer anderen misschien: “het opbouwen van eigen wezen tot volmaaktheid”. Welke naam wij er echter ook aan geven, vrienden. Ons leven is arbeid, het is werken, het is scheppen uit onszelf. Het is onszelf maken tot een vorm van volmaaktheid, die in een volmaakte kosmos de volmaakt juiste plaats inneemt. Vergeet dat niet.

Laten wij dan de arbeid, die leven heet, het hoofddoel maken van ons bestaan. Niet beperkt door tijd, leven of dood maar als een voortdurend proces, waarin wij iets presteren, niet alleen voor ons maar voor de wereld. Openstaande voor alle gegevens die ons bereiken, verwerkende alle materiaal dat voor ons verwerkbaar is. Komende tot innerlijke rust, zekerheid en volmaaktheid, maar tevens ook al wat buiten ons is doen deelhebben aan hetzelfde, dat in ons leeft.

o-o-o-o-o

Dat was dan een haast wetenschappelijk betoog, waarin enkele voor een mens op zijn minst althans aanvaardbare, zij het onvolledige argumenten werden aangevoerd, zelfs voor ons eigen bestaan. Maar laat ons op deze zondagmorgen ook nog even aan onszelf denken, want per slot van rekening of een ander nu gelooft of niet, is voor ons niet zo belangrijk. Voor ons is belangrijk wat wij zelf geloven. En aangezien het nu eenmaal toch de vorm heeft gekregen van een lesje, wil ik het mijne er nog aan toevoegen.

Gedachten – zo zegt men – zijn tolvrij. Daarin heeft men voor zoverre gelijk dat een ander niet weet, wat je denkt. Dat is maar goed ook, anders zou er veel meer moord en doodslag op deze wereld zijn. Gedachten zijn echter zeker niet tolvrij in die zin, dat je zonder enig risico en straf nu maar precies kunt denken, wat je wilt. Want op het ogenblik dat ik denk, schep ik voor mijzelf een bepaalde toestand. Ik schep eerder voor mijzelf een contact. Gedachten – u weet het allen – liggen in een trillingssfeer, die voor de geest te benaderen is. En dat wil zeggen voor praktisch alle geest. Dus zowel de lagere als de hogere geest kan daarop reageren. Nu begint u te denken. De trilling, de inhoud wekt de geest. Dat is punt 1. De geest kan dat versterken, zij gaat met u meewerken. En dat betekent dat, wat u in uzelf haast als onopvallend hebt voortgebracht, op den duur een zeer belangwekkend iets kan worden. Dan ben je er nog niet. Want de gedachte die je hebt – ook al merkt niemand er iets van en weet je haar zo mooi achter een lief gezicht te verbergen – werken in op je lichaam.

Nu moet u het mij niet kwalijk nemen, als ik dat zo zeg. Maar als je ergens met begeerte naar kijkt, bv. naar een sappige biefstuk, dan begint al de speekselafscheiding, ook al weet je dat je er toch niet aan kunt komen. Zet dat nu eens over op alles, wat u werkelijk met uw gedachten doet. Alles wat u hebt: afkeer, ontzegging, aanvaarding, begeerte, wat er ook is, heeft lichamelijke invloed. U zult nu wel begrijpen dat die invloed in het lichaam bepaalde subtiele veranderingen tot stand brengt. Om als voorbeeld te nemen:

Er zijn 40 mannen in de kamer, geen een rookt er. Een steekt er een sigaret op en een ogenblik later staat de hele kamer blauw, want iedereen rookt. Waarom? De vaststelling heeft de gedachte “roken” doen ontwaken. De gedachte roken gaf de stimulans tot begeerte. Daardoor een zekere nicotinehonger en het gevolg was, dat iedereen plotseling moest roken. Zou er één niet kunnen roken, dan zou hij zich erg onplezierig gaan voelen. Toch was daar wegens de oorspronkelijke toestand geen sprake van. Dus je zou kunnen zeggen: de denkbeelden zijn in sommige gevallen allesbehalve tolvrij, omdat wij er zwaar voor moeten betalen. En dan komt vanzelf de kwestie van het denken op de voorgrond. Hoe moet ik nu denken?

Geen enkele mens kan zijn gedachten aan een touwtje houden. Dat denkt u misschien wel, maar dat gaat niet. Je kunt de mensen als het druk is bij de tram tussen twee touwtjes zetten en verwachten dat ze er tussen blijven lopen. Maar als u probeert de touwtjes van beheersing langs de gedachtewereld te strak te spannen, weet u wat er dan gebeurt? Dan exploderen de gedachten overal heen, behalve op het pad waar men ze in wil houden. Dan is dat een afzetting, waardoor in het midden een leegte komt in plaats van wat u zou willen, een geconcentreerd denken.

Een enkele keer kun je met al je krachten voor een korte tijd je gedachteleven op een punt richten. Dan noemen we dat concentratie. En uit die concentratie kunnen we dan meditatie of contemplatie of projecties vormen enz.. Dat komt echter maar zelden voor en dat houd je zeker geen hele dag vol. Begin dus er van uit te gaan dat de normale gedachte, die je hebt zeer belangrijk is. Dat zij invloed heeft op je lichaam en dat je lichaam invloed heeft op die gedachte. U bent wat dat betreft geen baas in eigen huis, al denkt u dat nu honderd keer. Nu kun je natuurlijk baas gaan worden in eigen huis door voortdurend alles te vernietigen. Maar dan blijkt, dat de gedachten zich heel fel verzetten. Zij staan niet onder het beheer van de stoffelijke rede.

Ga de zaak eens van een andere kant benaderen. Zeg: Wat is er in mijn gedachten op het ogenblik voor mij bruikbaar? Is het onbruikbaar en ontstaan uit een behoefte-element, nu ja goed, probeer het dan om te zetten in een lichamelijke verzadiging, dan verdwijnt het behoefte-element, dat je niet nodig hebt, wel uit je gedachten. Is het een angst, stel jezelf dan eens een paar maal bloot aan het gevaar dat je vreest. Het eigenaardige resultaat is, dat die angst je denken niet meer zo intens beheerst. Dus een zekere stoffelijke actie om het ongewenste een beetje van de baan te krijgen. Wat er overblijft is zeer goed bruikbaar.

Wij nemen nu willekeurige voorbeelden:

Jan is makelaar, Piet is klerk, Klaas is schoenmaker, ieder heeft dus zijn eigen vak. Nu komt Klaas met zijn denken aan bod. Die ziet daar een paar schoenen staan, die erg versleten zijn. Dan denkt hij: Ja, dat kan ik toch nooit voor elkaar brengen. Laat hij er dan maar niet aan beginnen, want o wee, de arme ziel, die de gerepareerde schoenen zou moeten dragen! Klaas heeft door zijn benadering (met zijn gedachteleven dus) die zaak al wat opzij gegooid. Nu kan hij ook denken: Het is in een minuut klaar. Goed, dan gaat het inderdaad. Maar wat mankeert er nu? Het besef van eigen kunnen. Dus te denken: Het gaat zo een, twee, drie is ook fout, Voor Klaas is de juiste houding te zeggen: Het zal me wel wat werk kosten, maar dat krijg ik best in orde en goed. Reken maar. Zo goed als nieuw. Als Klaas dat denkt, zijn zijn handen geneigd om die gedachten uit te voeren. Het werk dat hij aflevert zal veel vlotter gaan en zal van kwaliteit veel beter zijn dan in een der beide andere gevallen.

Nu de klerk. Die maakt een optelling fout. Dan zegt hij tegen zichzelf: O, al die rijen natellen, ik vind die cent toch nooit. Je kunt er zeker van zijn, dat hij dan die cent nooit zal vinden. Hij kan ook zeggen: Ik zal het even nalopen. Dan is hij zo vluchtig, dat hij er overheen kijkt. Beide instellingen zijn dus geheel fout. Wat moet hij dan wel doen? Hij moet zich realiseren: dit is een werkstuk, dat ik klaar heb gemaakt en dat fout blijkt. Ik begin aan een totaal nieuw werkstuk: mijn optelling is een totaal nieuwe optelling. Ik werk precies, zoals ik zo het heb gewerkt. Hij zal het verschil zeer snel kunnen vinden in vergelijking met de twee andere gevallen. Zijn denken werkt er aan mee.

Nu neem ik onze vriend de makelaar. Als hij een huis, een auto, een koe of wat dan ook verkoopt aan een ander, dan kan hij dat doen met het idee: Nu ja, die koopt dat toch niet. In 9 van de 10 gevallen koopt die ander dan niet. Waarom? Hij reageert op je gedrag. Hij reageert vooral ook op je gedachten. Voel je de zekerheid dat je het verkoopt: “Die neemt het toch wel.” dan voelt de ander zich te veel in het nauw gedrongen. Hij vindt je wat oppervlakkig en koopt ook niet. Maar als je denkt: Die mens kan het kopen, als ik het maar op de juiste manier naar voren breng, dan zal hij het kopen en hij doet het ook.

Nu is dit zuiver stoffelijk. Maar in die drie gevallen werken er ook krachten uit de geest mee, Als onze schoenmaker de juiste instelling heeft t.o.v. zijn leest, dan is het net of hij de fouten voelt en ziet, die hij anders voorbij zou gaan. Het is alsof hij precies aanvoelt waar hij – om de zaak in de vorm te houden – een steek meer, een spijker meer of minder moet gebruiken. Dat komt niet alleen uit hemzelf voort. Want door de juiste denkwijze heeft hij op de juiste wijze contact met een sfeer. Nu zul je zeggen: In welke sfeer dragen ze schoenen? Voor zover mij bekend in geen een. Maar de idee van dat werk komt overeen met het volbrengen van arbeid daar. Het gevolg is dat het totaal van geestelijke ervaring – en dat is hoofdzakelijk observatie, waarneming en reactie a.h.w. – in de schoenmaker wordt geprojecteerd. Die schoenmaker werkt niet alleen meer met zijn eigen krachten, maar hij werkt gesteund door vermogens buiten zijn wezen. Zijn werkstuk wordt perfect.

Onze klerk krijgt, als hij zich juist instelt, contact met anderen. In het geestelijke is het heel vaak een taak iets congruents in een sfeer te ontdekken. Iemand, die uit een lagere sfeer is bevrijd, heeft soms maar een enkel ding, dat niet past bij de waarheid en waardoor hij eraan blijft gebonden. Schijnbaar is hij een geheel: hij moet die ene afwijking weten te ontdekken en dan kan hij naar boven. Het aanvoelen van deze eeuwen- en ontelbare eeuwenlange ervaring om dat ene punt van afwijking te vinden, waarin het verschil zit, gaat door hem heen. Wat is het gevolg? Dat hij automatisch de fout registreert. Hij is verbonden.

Onze makelaar ook. Op het ogenblik dat hij op de juiste wijze de ander benadert, wordt geestelijk onmiddellijk afgewogen: is dit zo! De makelaar vindt het juiste argument. Hij vindt ook de juiste instelling. Hij weet ook: hier kan ik beter het deze cliënt niet aanbevelen, al zou ik het hem kunnen verkopen, Zo ontstaat de juiste verhouding t.o.v. de cliënt. Die cliënt voelt dat geestelijk aan, gaat daar op in. Hij krijgt op zijn manier door zijn denken ook een geestelijk contact en wat gebeurt, is een transactie die beiden tevreden stelt. Ik neem nu maar een paar voorbeelden.

Stel nu eens dat u eigenlijk niets hebt te doen en u zoekt uw taak in het helpen van de medemens door een opbeurend woordje, een ditje, een datje. Dan gaat u op dezelfde manier proberen door juist te denken en juist te handelen het probleem te benaderen. Wat gebeurt er? U krijgt een contact met een sfeer. Geestelijke krachten, lichtende krachten mijnentwege, vullen uw tekorten aan en stimuleren de eigenschappen die u hebt. U hebt dan geen gebruik gemaakt van een gedwongen gedachte. U heeft niet gezegd: Zo moet ik denken en anders mag het niet. Maar u heeft bepaalde elementen in uw eigen denken versterkt. En daardoor heeft u de juiste manier van contact gekregen, de juiste manier van werken.

Ik zal het niet al te lang maken, maar ik wil alleen nog dit vertellen: Als jullie nu werkelijk verstandig zijn, ga dan eens na welke gedachten je beheersen. Wat komt het meest in je denken voor? Dat wat het meest in je denken voorkomt, is voor jou op dit ogenblik het belangrijkst. Gebruik dat. Ga zeggen: Wat heb ik daar? Wat heb ik regelmatig in mijn gedachten? He, dat beeld, dat kan ik dus verder uitwerken. Werk het positief uit. Zeg nooit: Ik kan het niet, of : het zal onmogelijk zijn.  Zeg wel:  Ik heb beperkingen, maar het is voor mij het belangrijke, dus kan ik het bereiken. Als ge dat doet, dan zult ge streven naar een stoffelijke en geestelijke uitdrukking van hetgeen in u leeft. Dan verwerkelijkt ge daardoor uw eigen persoonlijkheid, bereikt een hoger bewustzijn, groter harmonie met alles rond u en hebt ge tevens het vermogen om op andere terreinen – het is misschien heel erg vreemd – ook grote resultaten te boeken. Vooral op de terreinen van de geest.

Ik zou zeggen, vrienden, neem ook deze les in overweging, Als ge een kleine gedachte over hebt, laat deze er dan eens overheen gaan, misschien dat ge iets verder komt.