Het rad des levens

13 januari 1986

Inleiding

Als je denkt over het leven als een geheel, dus niet als een verschijnsel op aarde alleen, dan word je geconfronteerd met een enorm aantal werelden. Wanneer je kijkt in de sferen ‑ en ik kijk alleen naar de sferen die ik kan bereiken, dat betekent nog geen 10% van alles ‑ dan zijn er meerdere honderden werelden, elk met een heel eigen karakteristiek. Ook zijn er duistere werelden – ja, die schijnen er eveneens veelvoudig te zijn – maar daar ben ik niet zo erg in thuis en ik mag er wel bij zeggen : blij toe. Al die werelden worden geschapen uit het denken van de mens, of de geest als u dat liever hebt. Iedereen schept zijn eigen werkelijkheid. Soms heb ik het gevoel dat dit met mensen ook wel een beetje het geval is. Mensen zien en horen alleen de dingen die voor hen een bevestiging betekenen van de overtuiging die ze al koesteren. Maar zodra je in een geestelijke wereld zit, is elke vergelijking en elke tegenstand weggevallen en dan kom je vaak terecht in een uiterste eenzijdigheid. Het beroerde is, dat hoe eenzijdiger de wereld is waarin je geestelijk verkeert, hoe eenzijdiger ook je keuze zal zijn bij een volgende incarnatie. Het is natuurlijk wel gezellig als je in zo’n wereld zit met een groot aantal entiteiten en je zegt : “Nou jongens, we gaan allemaal ongeveer tegelijk incarneren.” Misschien allemaal in Duitsland, of je gaat naar Frankrijk en sticht een politieke partij, zo kun je doorgaan. Maar in de praktijk vereenzaam je zo erg dat je niet eens voldoende contact hebt met anderen om een gelijktijdige in­carnatie of een ongeveer gelijktijdige incarnatie op de juiste manier te bepalen. Dit betekent dat die levens door de keuze van incarnatie-mogelijkheid natuurlijk ook weer die eenzijdigheid vertonen. Als het leven je dan niet een paar harde klappen geeft, nou dan kom je weer precies zo een­zijdig terug en gaat het spelletje door. Ik heb wel eens het gevoel dat er toch entiteiten zijn die in een soort molen zitten. Het is altijd weer dezelfde een­zijdigheid en ze kunnen er maar niet afkomen.

Kijk je naar de meer bewuste entiteiten, dan zie je dat ze hun con­tacten tijdens het geestelijke bestaan weten uit te breiden; ze zitten in een groeiende wereld en die groeiende wereld geeft ze dus steeds aanvullingen op al datgene wat ze al zijn, wat ze als een soort weten in zich dragen. Je moet niet denken dat je geestelijk totaal nieuwe dingen kunt le­ren. Het klinkt misschien gek, maar dat gaat niet. Je kunt alleen datgene leren waarvan je de grondslagen al in je draagt. Maar is je wereld groter geworden, dan zul je ook bewuster een incarnatie kiezen en heb je meer contacten.

Met andere woorden : hoe bewuster je bent, met hoe meer en­titeiten je samenkomt. Langzaam maar zeker ontstaat dan een soort ‘werkrelatie’. De één doet op aarde dit en de ander doet dat; soms ontmoet je elkaar, soms niet, maar je bent toch allemaal in dezelfde richting bezig. Je probeert heel vaak geestelijk bepaalde dingen te doen, daarnaast heb je ook stoffelijk allerhande interesses en op die manier vloeien de pogingen die je doet eigenlijk samen, wat betekent dat je ervaringen ook nu voor een deel weer gelijk zijn. De kans dat je elkaar in het hiernamaals weer ontmoet, is dus veel groter geworden. Maar ieder heeft ook weer zijn afzonderlijke ervaringen. Je hebt een gemeenschappelijke basis, dus je kunt elkaar helpen. Weer wordt je wereld groter; de incarnatiekeuze – wanneer noodzakelijk – wordt bewuster en op die manier krijg je een fantastisch geheel.

Nu is dat geen Rad des Levens zoals het in het lamaïstisch‑boeddhisme wordt gezien natuurlijk, dat kunt u ook wel begrijpen, maar aan de andere kant zitten er veel vergelijkbare dingen in.

Een mens heeft problemen op aarde. Die problemen moet hij oplossen. Hoe ? Dat maakt niet uit, maar hij moet ze oplossen. Wanneer hij dat niet doet, dan blijft dat probleem hem na de dood domineren. Elk probleem dat je niet oplost, moet je later oplossen. Het heeft aan de ene kant het voordeel dat je kunt zeggen “nu ja, als het hier niet lukt, lukt het later wel”. Aan de andere kant betekent het ook : “wanneer ik overga dan zit ik met dat probleem en zolang ik dat niet kan oplossen heb ik geen mogelijkheid om geestelijk verder te gaan”.

In dat Wiel des Levens zitten een aantal helle-werelden en een aantal hemel-werelden. Kom je weer terug in de incarnatie‑cyclus dan wordt het daarbij zo voorge­steld dat je eerst alle zonden afzonderlijk gaat uitboeten. Je komt in een helle‑wereld en je wordt door boogschutters doorboord. Je komt ergens anders, daar word je weer door anderen gekweld en zo gaat het door. Het is eigenlijk, zeg maar, een beetje ‘louteringsbergachtig’. Als u zich de louteringsberg herinnert van Dante Alighieri, dan vindt u daarin ook dat uitboeten van bepaalde zonden. Maar je boet niet telkens één zonde afzonderlijk uit, natuurlijk, je zit gewoon met je problemen. Nu kan het zijn dat één probleem domineert en dat er daarachter weer een stel andere zitten. In dat geval los je natuurlijk eerst het ene op en daarna moet je nog het andere oplossen. In zoverre klopt de theorie dan. Aan de andere kant zijn er problemen die je op kunt lossen doordat er een gemeenschappelijke factor is en dan kun je heel veel verschillende, zeg maar zonden of schulden in een heel kort ogenblik afdoen. Ik ben het dus niet helemaal met die boeddhistische theorieën eens, maar er zit toch wel veel waarheid in.

Ik weet ook dat er een heleboel mensen zijn die zeggen : “Ja, en reïncarnatie dan ?” Want dat is een verschrikkelijk ding. Ze denken : Reïncarnatie, overgaan, weer terugkomen, weer aangeslagen worden in de inkomstenbelasting … en dat soort dingen. Maar als je het goed bekijkt, is reïncarnatie eenvoudig de mogelijkheid om in praktijk te brengen wat je geestelijk geleerd hebt. Als je naar een universiteit gaat dan krijg je natuurlijk een hoop theorie, maar je hebt ook tijd nodig voor praktijk. De dokter moet b.v. naar de snijkamer; hij moet met de microscoop leren werken. De chemicus moet leren allerhande dingen samen te stellen. Zelfs de jongen die voor timmerman wil leren, krijgt eerst de theorie ervan, maar dan moet hij ook nog leren hoe hij een ‘hoekvoeging gezwaluwstaart’ kan maken en dergelijke. Het is in feite dan ook heel normaal dat je reïncarneert, want alles wat je geleerd hebt, moet je toch in de praktijk proberen; pas dan kom je verder. De mensen die denken dat je het alleen innerlijk kunt doen, zijn mensen die geloven dat je een handboek over dansen kunt lezen en daarna kunt concurreren met Fred Astaire, Ginger Rogers, .. of welke sterren er op het ogenblik dan ook op dat terrein zijn. Dat is onzin; dat weet u zelf wel.  Maar op dezelfde manier is het onzin te denken dat je alleen met een innerlijke ontwikkeling verder komt. 0 ja, het is esoterie, natuurlijk, en de theoretische kant is zeker belangrijk, maar aan de andere kant heb je toch ook de praktijk nodig. Ik denk dat die hele reïncarnatie‑cyclus te maken heeft met die noodzakelijke praxis. Wanneer je niet in staat bent datgene wat je innerlijk als juist hebt erkend, te beproeven, te leren hoe je ermee moet leven en werken en wat het betekent in het contact tussen jou en de rest van de wereld, dan kom je toch nergens ?

O, we hebben natuurlijk al duizend keer gezegd dat er geen karma‑binding is in de zin van : Vandaag gaf hij Jansen een klap op zijn kop, in zijn volgende leven krijgt hij er een terug van Jansen, die dan ook anders heet. Maar wanneer je kijkt wat vandaag je werkelijke belangstelling is, wat je in je leven het meest hebt gedaan, wat je voor anderen hebt gedaan, maar ook wat je van anderen hebt geëist, dan krijg je het patroon waarvan je zegt : Dat is dus op het ogen­blik mijn praxis, dat is mijn ervaringswerk. Wat ligt er­achter ? Als je daar een antwoord op kunt vinden, dan weet je wat je na de dood zult zijn. Op grond daarvan kun je dan ook wel ongeveer nagaan wat je voor een keuze zult doen wanneer je weer op aarde incarneert, want wat je bent, bepaalt toch ook je keuze, nietwaar ?

Ik vind het erg interessant dat de mensen tegenwoor­dig bezig zijn met allerhande problemen zoals b.v. iemand heeft nooit een ander land bezocht, maar weet toch bepaalde steden precies te beschrijven, daar moet hij dus in een vorige incarnatie gewoond hebben. Nou, ik vind het schitterend, maar wat heb je er aan ? Ik bedoel : je kunt ansichtkaarten kopen, dan ben je er ook. Maar wanneer je een zekere kennis hebt opgedaan en begrip van b.v. het menselijk lichaam, meetkundige structuren, muziek, of wat dan ook, dan zal dat be­grip, voor zover het reëel is, bepalend zijn voor wat je kunt doen wanneer je weer terugkomt op aarde.

Ze vragen zo vaak : “En al die wonderkinderen dan?” Ze denken daarbij aan een jonge Mozart, die al zit te componeren op zijn zevende jaar. Ja, uitzonderingen bevestigen de regel, natuurlijk. Maar over het algemeen geldt : wanneer u uzelf op aarde een bepaalde kunde hebt eigen gemaakt waarmee u ook innerlijk verweven was, dan zult u kiezen voor een dergelijke situatie in het volgende leven. Alleen krijgt u wel te maken met andere genetische kwaliteiten, een ander milieu mis­schien, en dan is het maar de vraag hoe u dat verder ont­wikkelt. Komt u toevallig in een zeer muzikale familie, ja, dan sta je op je derde jaar met een kinderviooltje in je handen ook al piep‑piep te doen. Maar kom je terecht bij een familie, die al een beroerte krijgt als iemand het Halleluja zingt, ja, dan zal dat veel later pas tot ontwikkeling ko­men. Maar het is er wel en het blijft er…..

Er zijn mensen die zich tot taak stellen anderen lering te geven. Die zijn misschien ergens in een heel ver verleden begonnen als sjamaan, medicijnman, vroege priester, of iets dergelijks. Als je nu gaat kijken dan zie je dat ze elke keer weer terugkomen. De ene keer zijn ze filosoof, de andere keer misschien een rondtrekkende hindoe‑heilige, een keer daarop weer priester of priesteres van de één of andere grotere godsdienst en zo draai je steeds verder. Ze kunnen misschien pastoor, kapelaan en wie weet, misschien een keer paus wor­den, maar dan komt er een ogenblik dat je niet alleen meer met je leraarschap kunt volstaan. Dat is heel typisch. Je kunt niet alleen maar anderen de waarheid voorhouden; je moet ze gaan demonstreren. De ene wordt wetenschapsmens; de andere wordt misschien wonderdoener. De ene zal in de magie duiken en de ander gaat misschien allerhande raadselen oplossen via de mathematica of zo. Met andere woorden, op een gegeven moment zie je ook de­genen die in het verleden een lerende functie hebben gehad naar een praktische functie grijpen. Dan begint de fase die het meest interessant is voor mij, want na een paar en mis­schien zelfs één van die levens te hebben gehad, moet je zoeken naar een synthese. Een synthese tussen wat je bent en doet naar buiten toe, tegenover anderen, en datgene wat je aan waarheid in jezelf bevat. Wanneer je die waarheid alleen maar uitdraagt als denkbeeld, dan blijkt dat niet vol­doende te zijn, er moet altijd iets meer bij zitten. Hoe groter deze eenheid wordt, hoe kosmischer je wereld wordt wanneer je overgaat. Want juist omdat je gedachte en daad hebt ver­enigd tot een geheel, een sluitend geheel, sta je open voor alle gebeurtenissen in de stoffelijke kosmos en gelijktijdig kun je toch contact hebben met alle krachten die weer de verklaring vormen van het stoffelijk gebeuren. Ik moet zeggen dat ik het inderdaad een uitermate boeiend onderwerp vind.

Wanneer ze me op het ogenblik zouden vragen “moet je nog een keer incarneren ?”, dan zeg ik natuurlijk : “ik hoop van niet”. Dat kunt u ook begrijpen. Maar het zal er waarschijnlijk nog wel een keer van komen. Wat blijkt namelijk ? Op het ogen­blik ben ik hoofdzakelijk bezig met lering te geven. Ik doe er nog een paar dingen bij, afhaaldienst, inspiratiedienst, hier en daar zorgen dat de zaken niet helemaal fout gaan, want dat doen we ook. Maar mijn hoofdfunctie op het ogenblik is eigenlijk – wat moet ik zeggen – inleider zijn ? Het lijkt er een beetje op. Laat ik het maar zo zeggen : het terrein voor­bereiden voor anderen en dan met woorden. Wanneer ik weer op aarde kom, denk ik dat ik een soortgelijke functie in mijn leven zal moeten gaan uitoefenen. Misschien word ik archi­tect of iemand die een lay‑out maakt voor boeken, voor bladen, of misschien zelfs voor de juiste indeling van fa­brieksruimten. Dat is allemaal denkbaar, maar het zal altijd te doen hebben met de samenvloeiïng van allerhande elementen. Dat ligt gewoon in mijn persoonlijkheid, op grond van hetgeen ik geweest ben, van hetgeen ik nu ben en daardoor dus later weer waar ga maken.

Als het voor mij zo is, dan neem ik aan dat het voor u ook zo is. Je kunt nooit zeggen : “dit is de waarheid”. Dat is één van de meest fatale dingen die je hebben kunt. Dé Waarheid met hoofdletters is onbenaderbaar. Maar je kunt wel zeggen : “dit is mijn waarheid”. Je eigen waarheid groeit en verandert. Dit is dus mijn waarheid, mijn manier om te zoeken naar een nieuwe weg, maar ook naar een uitbreiding van hetgeen ik ben. Met deze denkbeelden probeer ik gelijk­tijdig niet alleen aan u, maar ook al aan mijzelf duidelijk te maken wat bijna onvermijdelijk volgt op hetgeen ik nu ben en hetgeen ik nu gedaan heb. Op het ogenblik zit ik in een geestelijke wereld (er zijn er een paar bij die zeggen daar komt die kletskous weer maar dat neem ik ze niet kwalijk hoor, altijd nog beter kletskous dan een oude sok). Alles wat je doet, is niet alleen zoeken naar iets voor een ander, maar het is ook altijd een dialoog met jezelf. Ik denk dat dat ook in mijn vorige levens waar is geweest, want je bent altijd weer bezig jezelf iets te bewijzen, iets van jezelf uit waar te maken. Daardoor verander je je innerlijk en je relatie met de buitenwereld, zeker als je op aarde bent.

Als je zegt : “ik ben op weg naar het Licht” dan is dat natuurlijk erg mooi, maar pas op het ogenblik dat je kunt zeggen : “ik ben ook een klein lichtje aan het worden”, bete­kent het wat. Op weg zijn naar het andere heeft pas zin als je het in jezelf draagt, als je er deel van kunt zijn. Dat is dan mijn benadering van het bekende Rad des Levens.

U hebt gelijk als u denkt : “Ja, dat kun je allemaal mooi zeggen”. Maar aan de andere kant, wat ik zeg, wordt door al mijn ervaringen tot nu toe – ik zeg dat er nadrukkelijk bij ‑ gesteund. Ik heb nog niets gevonden waaruit blijkt dat hetgeen ik gesteld heb, onjuist is. Daarom ga ik er van uit : wat u ermee wilt doen, is uw zaak. U zult er alleen iets mee kunnen doen binnen het kader van hetgeen u bent, maar probeer er dan ook in ieder geval iets mee te doen. Probeer de band te vinden die bestaat tussen je innerlijke wereld, je droomwereld, tussen de dingen die je gedaan hebt, doet en doen wilt. Probeer die nu eens een keer samen te voegen totdat je één geheel hebt. Ik denk dat je dan terechtkomt op een punt waar je zeggen moet : “Mijn leven heeft op dit ogenblik deze resultaten opgeleverd; deze strijdigheid be­staat tussen mijn innerlijke wereld en wat ik naar buiten toe ben”, maar ook : “Deze overeenkomsten zijn er”. Ga dan verder van die overeenkomsten uit, want alleen als we de dingen werkelijk op de proef hebben gesteld in een stoffelijk leven, in een geestelijke ervaring misschien zelfs, zullen we weten hoe we verder moeten gaan. Ik denk dat dat het meest belangrijke is van alle dingen : weten hoe je verder moet gaan.

Zo, dit was dan de inleiding. Ontevredenen, zet uw tevreden gezicht weer op, het is bijna afgelopen. Tevredenen, treurt niet, want het belangrijkste heb ik alle­maal gezegd. Blijft er alleen nog een ogenblikje nababbelen over de gedachte dat zo’n lama (= Tibetaans voor leraar, goeroe) eigenlijk maar een eigenaardige figuur is. Maar als je die werkelijk bewuste lama’s hebt gezien, dan sta je toch wel eens een keer te kijken. Het zijn van die mensen, die staan daar ergens hoog tegen een berg aan, ze kijken naar beneden en zeggen : “gut, wat is het droog en daar is de akker van Rin-pin‑shen (ik noem maar wat op) en de oogst staat er slecht voor”, wop … en waarachtig, daar komt cumulus, daar komt condens, daar komt regen en heel vaak alleen op dat stukje. Maar van zo’n ingewijde kun je ook niet verwachten dat hij iedereen onder water zet. Een volgend ogenblik staat iemand voor onoverkomelijke problemen, maar ze kijken er gewoon naar, ze zeggen niet eens wat, en het probleem is weg of veranderd. Het zijn van die types die bij een gesloten deur komen, ze doen niets en ze zeggen niets, maar ze willen erin en dus gaat de deur open. Dat zijn hele rare dingen. Ik heb lama’s gezien (zover ik weet, heb ik ze in mijn leven niet meegemaakt hoor, maar ik heb ze gezien en ik heb ze natuurlijk in de sferen meegemaakt), die echt het gevoel hebben : Mijn gedachte is alles en al het andere is niets. Maar juist daardoor konden zij enorm veel doen, want ze brachten niet alleen maar mooie woorden, maar waar geen eten was, daar maakten zij eten; waar geen drinken was zorgden zij voor drinken; waar geen regen was, zorgden zij voor regen; waar zonneschijn nodig was, kwam zonneschijn. Al die dingen zo maar zonder meer, uit hun blote hoofd bij wijze van spreken. Dan zeg je : Iemand die leert zodanig één te zijn met alle dingen dat hij daardoor de evenwichten in zijn buurt kan beïnvloeden, die heeft al een heel grote wereld. Want hoe zou je regen kunnen laten ontstaan wanneer je niet één bent met de atmosfeer en weet wat de regen is ? Hoe kun je wolken verdrijven en de zon laten schijnen wanneer je niet weet dat je op de één of andere manier een luchtstroming moet veroorzaken waardoor het mogelijk wordt ? Het is allemaal een kwestie van aanvoe­len. Het enige wat ik op ze tegen heb is, dat ze vaak zó tevreden zijn met wat ze door aanvoelen kunnen doen, dat ze vergeten dat het voor anderen onmogelijk is. Je moet gewoon leren door aanvoelen een proces te vinden, dat voor anderen ook zonder dat aanvoelen hanteerbaar is. Tibet heeft wat dat betreft niet al te veel resultaten opgeleverd, maar wie weet, er komt ‘binnenkort’ weer een nieuwe incarnatie‑cyclus en er komen heel wat Tibetanen terug in andere landen. Daarbij vraag ik me toch wel af wat een gereïncarneerde lama b.v. zal betekenen in het Amerikaanse zakenleven. Daar zou je heel gekke dingen mee kunnen krijgen. Ik vraag me af wat een wonderdoener bij wijze van spreken zal uitrichten als hij in de geneeskunde terechtkomt, of wat een filosoof zal doen wanneer hij advocaat wordt. Ik denk dat het uitermate inte­ressant wordt.

Eén ding is zeker : de lama’s hebben – dank zij allerlei bronnen die in het westen niet algemeen bekend zijn – een kennis van de psyche en van de achtergronden van de mens, zoals ze nergens anders bestaat. Het tweede ding is ook zeker : Deze mensen hebben geleerd de waarheid zo te om­schrijven dat je haar ten minste moet vermoeden om te begrij­pen waar ze het over hebben. Ik hoop dat u van dat laatste bij deze gastspreker geen last zult hebben. Anders let u maar op de tamelijk krachtige uitstraling die hij – zoals de meeste gastsprekers – natuurlijk heeft.

Vrienden, ik meen dat ik als inleider voldoende heb gesproken. Wat mij betreft, dank voor uw aandacht en verder nog een goede en zegenrijke avond.

De gastspreker

Het leven is een eeuwige herhaling van de fouten die we maken en soms een lichte bevrijding door de deugden die we verwerven.

Er is geen eind aan het leven.

Er is geen gekend begin aan het leven.

Er is alleen de kracht van het leven en de voortdurende beleving.

Maar hij die gebonden is aan het kleine, die kan geen deel zijn van het grote. Hij die het grote kent, begeert het kleine niet.

Te zijn is lijden. Maar het zijn te vergeten, is het lijden vergeten. Wanneer alle dingen vergeten zijn, blijft er alleen nog een schaduw van het eeuwige en deze schaduw spreekt en denkt, maar is niet waarlijk meer. Ze is niet gebonden, ze is vrij. Uit de vrijheid keer je terug, want juist wie vrijheid heeft verworven, kent mededogen met de slaven. Maar sommige slaven verkiezen hun slavernij boven alles. Dan kun je alleen maar verder gaan.

Je hebt een stem die klinkt door de hallen van het zijnde, maar je kunt slechts spreken tot datgene wat je verstaat en je kunt slechts zeggen wat zij die luisteren kunnen be­vatten. Daarom keert de vrije terug naar de beperking, voor een korte tijd. Dan is hij wederom vrij en vergeet dat hij een persoonlijkheid is, dat hij afzonderlijk is.

Er zijn vele paden die voeren naar de eenheid en de waarheid. Maar het is niet mogelijk een pad te gaan zonder de werelden te doorkruisen die het geheel van alle levensfasen omvatten.

Wie een hemel begeert, beseffe dat hij daartoe door de hel moet gaan. Wie de hel vreest, beseffe dat zij een deur is tot de hemel. Maar wie hemel en hel voorbij is, leeft – tenzij hij geen hemel en hel meer ervaren wil en opgaat in alle dingen – deel zijnde van hemel en hel, deel zijnde van alle dingen; dan begint de vrijheid.

Er is een oude mandala, een oud ideogram, waarin alle fasen van het leven worden afgebeeld, alle werelden van kwellingen en duister, alle werelden van vreugde en beloning. Zij die het u uitleggen, zeggen u : “Je zal slechts binnengaan in die werelden die behoren bij hetgeen je bent, die behoren bij hetgeen je begeerd hebt, of die deel uitmaken van datgene wat je verworpen hebt”. Dat klinkt dwaas. Maar zij die zeggen : “Ik begeer niet; ik wil niet zijn; ik wil slechts dat anderen niet lijden”, zij zien alle werelden gelijktijdig. Zij beseffen : alle leven is een droom. Ergens is de kracht die ons eens gedroomd heeft. Ontvlucht in de tijd, leven wij het droombeeld van een ander. Niet kunnen wij ons onttrekken aan datgene wat behoort tot de regel van de droom. Slechts hij die ontwaken kan, kan aan de droom ontsnappen.

Men zegt : “Ik ben zwak” en men ís zwak. Men zegt : “Ik ben sterk” en men vindt kracht. Maar zegt men : “Ik ben wijs”, dan vindt men dwaasheid. En niet ieder die zegt : “Ik ben een dwaas”, vindt wijsheid.

Daarom kunnen we kiezen uit de vele wegen die voeren tot de oplossingen in het Al. Maar elke weg heeft de nei­ging ons aan zich te binden. Er zijn vele werelden waarin onze geest altijd vertoeft, ook wanneer wij wonen op aarde.

Er zijn vele cycli die steeds weer ons leven beïnvloeden, steeds terugkerende fouten die we maken, steeds terug­kerende gevolgen die we ondergaan. En wij zeggen : “Dat is de wereld”. Maar ik zeg u : Dat zijn we zelf. Wij zijn de dromers die de betekenis dromen van ons bestaan. Slechts wanneer we weigeren te dromen en geen betekenis meer geven aan ons bestaan, beginnen we waar te worden.

Westerlingen vragen zich af waarom een Ik gebonden zou zijn op het Rad des Levens, steeds wentelend door alle fasen. Maar ik zeg jullie : Je kunt niet ontsnappen aan hetgeen je bent. Je kunt slechts ontsnappen door niet jezelf te zijn en zo de eenheid te aanvaarden waarvan je deel bent.

Er is licht. Er is werkelijkheid. Er is eenheid. Wat niét is, is datgene wat je denkt te zijn, datgene wat je denkt te bereiken of bereikt te hebben, datgene wat jij meent dat je belang is. Deze dingen bestaan niet. Zij zijn de dromen die jullie op het rad binden. Of je het gelooft of verwerpt, vele malen zal je leven totdat je leert vrij te zijn, vrij van jezelf. Wanneer er één grote vijand is die ons belagen kan, dan zeg ik jullie : is dat het beeld dat wij van onszelf maken. Als er een demon bestaat, een heerser over legioenen van duisternis, zo kan hij ons alleen beroeren omdat wij hem vrezen. Als er één kracht van Licht bestaat die ons verheffen kan, zo kan ze ons alleen tijdelijk verheffen, want ze kan ons niet maken tot wat we niet zijn. Eerst wanneer wij het zijn zelve als een ik‑heid opgeven, wanneer wij leven voor al het zijnde en leven uit al het zijn­de, vinden we de werkelijke kracht, die de kracht is van het al‑zijnde. Wanneer de kracht vloeit en u beroert, zo wordt u niets gegeven, maar wordt je je voor een ogenblik bewust van hetgeen je bent.

Wanneer in jou de angst voor een ogenblik zwijgt en in jou de vrede keert, dan vergeet je voor een ogenblik hoezeer je bezig bent met alle dingen die voorbij gaan en adem je voor een ogenblik het werkelijke in waarvan je deel bent.

Leven is sterven, sterven is leven, want eeuwig wentelt het rad. Maar leven en sterven verbleken wanneer je niet meer bent, op het wentelend rad gebonden, maar deel bent van het rad zelve. Dit is het geheim van de werkelijke vrijheid, van de werkelijke bevrijding.

Ik roep jullie toe : Wees meester van jezelf, maar verhef jezelf niet boven het andere.

Ik roep jullie toe : Leert uit al het zijnde, maar zie niet de kennis als doel, maar de vervulling van de kennis door ver­getelheid.

Ik zeg jullie : Herhaal je teksten dag na dag, niet om wat zij zeggen, maar omdat al wat geuit is, moge ver klinken met je stem, tot je geen stem meer hebt en geen tekst meer spreekt, maar Al leeft wat in de teksten staat en meer dan dat. Strijd niet met elkaar om vaardig te zijn in woorden of meester in gevoelens. Het is niet belangrijk wie wint en wie verliest. Het is niet belangrijk wie zich tevreden acht en ontevreden. Het is belangrijk dat het zijnde is in al wat schijnt. Het zijn is een droom. Het is de dromer die de kracht is en wij, de gedroomden, scheppen de vormen, waardoor de droom schijnbaar leeft. Laat de droom dan verwaaien. Laat de werkelijkheid zich openbaren in jullie. Niet in vreugde of smart, maar in die verbondenheid waarin je zelf oplost en niets meer blijft.

Besef, wanneer je deel bent van alle dingen, zijn alle dingen deel van jou. Wanneer je meester bent over jezelf en toch jezelf niet acht, ben je meester over al waarvan je deel bent, dat deel is van jou. Maar zelfs dit meester zijn, is niet meer dan het spel van een kind dat nog leren moet. Eerst wanneer je ophoudt te spelen en voor het eerst ver­stilt, weet je wat de werkelijkheid is. Ik keer tot jullie tot ik ga door vele werelden, omdat jullie nog niet bevrijd zijn van het rad. Ik geef jullie hoop want niets is blijvend buiten datgene waaruit jullie zijn voortgekomen. Ik troost jullie. Niets is eeuwig buiten datgene waaruit jullie zijn voortgekomen. Ik zeg tot jullie : acht jezelf niet belangrijk, want niets is belang­rijk buiten datgene waaruit je bent voortgekomen.

Ik spreek tot jullie; ik ben een stem, een schijn van per­soonlijkheid, maar deze dingen gaan voorbij. Ze zijn niet waar. Waar is datgene waaruit de vorm, de stem, het wezen zijn voortgekomen ? Er is maar één kracht waarop je kan betrouwen : datgene wat in je woont en in je blijft wanneer je vergeet wie je bent. Dit is de zekerheid die ik je bieden kan.

Alles is zinloos en toch geschiedt niets zonder reden. Want alle gebeuren ligt in de droom van de dromer, maar de beleving van het gébeuren maakt ons bewust van de dromer.

Vraag je niet af : “Wat zal mijn leven morgen zijn, wat zal mijn leven zijn na de dood ?”, of : “Hoe zal ik herboren worden ?” Deze dingen zijn schijn, schimmenspel, maar de werkelijkheid is blijvend. Leef die werkelijkheid, nu en al­tijd.

Wanneer je zegt : “Ik kan de last niet dragen”, wordt één met de last en er is geen last.

Wanneer je zegt : “Deze kracht kan ik niet opbrengen”, wees één met de kracht en uit zo de kracht.

Wanneer je zegt : “Ik weet niet”, keer tot wat je bent en je zal al weten wat voor u belangrijk is, en meer.

Er zijn geen onzekerheden dan voor hen die morgen met vrezen en hoop verwachten. Maar zekerheid bestaat voor een ieder die weet dat de tijd niet belangrijk is, dat zijn niet belangrijk is, maar dat beleven van het zijnde de enige werkelijkheid is die voortbestaat. Zeg niet : “Dan zal ik verdwijnen”, want wat je bent in het geheel, is deel daarvan en kan niet teniet gaan.

Maar zeg niet tot jezelf : “Wat ik ben, zal blijven voortleven”. Je kunt geen beeld houwen uit rook en verwachten dat het voortleeft. Wat is de tijd anders dan de rook van de eeuwigheid, waarin de schamele gestalten ontstaan en vervallen, die wij het leven, de historie, de openbaring zelfs, noemen ?

Wees welgemoed, want eens zal je vrij zijn.

Wees welgemoed, want niets kan jou kwetsen behalve wat je zelf bent.

Wees welgemoed, want niets kan blijvend vergaan buiten datgene wat nooit waarlijk bestaan heeft.

Dat de vrede van de mededogende met jullie moge zijn. Dat de kracht van de waarheid de nevelen verdrijve die jullie dagen versomberen. Dat de waarheid in jullie ontwake en jullie bevrijde van een zijn dat in zich beperking en tegenstelling is.