Rad des levens

9 april 1984

De gastspreker is een Tibetaan. Hij is kloosterhoofd geweest gedurende enige incarnaties. Zijn bezigheden: karma, het rad des levens en op het ogenblik zo’n beetje: God en de schepping. Je vraagt je af: waarom houdt zo iemand zich daarmee nog bezig. Hij heeft uiteindelijk een redelijk hoge situatie bereikten is toch nog steeds bezig met de vraag: “hoe zit het in elkaar?”

De paar uitspraken die ik hem heb weten te ontlokken – het is namelijk iemand die in redevoeringen spreekt, maar voor de rest zijn mond houdt – gaan zo ongeveer in de richting van:

“Er is een balans en dat evenwicht, dat zou God weleens kunnen zijn.”

Ik heb geprobeerd op grond van dat denkbeeld daarop wat informatie te krijgen, dan kan ik u een wat feitelijker beeld voorleggen.

De theorie waarop alles op het ogenblik schijnt gebaseerd te zijn, is ongeveer als volgt: In elk heelal gaat bij iedere verandering van energievorm een gedeelte van die energie schijnbaar teloor. Ze is niet meer terug te vinden. Deze energie komt terecht in een soort alternatief heelal of parallel heelal, als je het zo mag noemen. Daar ontstaat dus een enorme hoeveelheid kleine partikels, die eigenlijk nog geen onderlinge binding hebben en die dus ook niet in staat zijn om onderling te reageren. Het is een zogenaamd statisch Al.

Nu schijnt er eens per zo veel tijd zo veel energie afgevloeid te zijn, dat het heelal dat wij kennen zo ongeveer in stasis komt. Er gebeurt dus niets meer. Er is geen energie, er is misschien nog een beetje licht, maar dat zal dan ook wel alles zijn. De warmte kun je tegen de kou van de wereldruimte niet eens meten, denk ik. Dan wordt er nog eens één keer ergens energie omgezet en dan is dat ene partikel net genoeg om een soort kritieke massa te laten ontstaan.

Die massa komt daar dan in beweging, vormt weer een soort primitieve Big Bang, de ruimte breidt zich a.h.w. uit. In die ruimte beginnen allerlei wervelingen, er ontstaat warmte, er ontstaat licht en zodra er licht is, is er stralingsdruk en daardoor komt de eerste werkelijke binding van partikels tot stand. Er ontstaat materie. Die materie loopt door de wijze waarop zij samenkomt in een lichte binding van zeer hoge temperatuur. Die hoge temperatuur heeft dan weer allerlei andere gevolgen. Het komt hierop neer: er begint een nieuw heelal.

In diezelfde tijd is alles, eigenlijk teruggevallen tot bijna niets en wat overblijft in dat andere Al zouden dat niet precies zwarte gaten zijn, maar het lijkt er toch wel een beetje op. Zeer grote massa’s misschien nog in zeer geringe omvang, maar zonder eigen activiteit. En dan begint het spelletje weer opnieuw.

Nu heeft onze gastspreker zich daar kennelijk mee bezig gehouden. Hij zegt: “Er moet ergens iets zijn, wat die balans bepaalt. Die balans hangt dan weer samen met een nog veel groter aantal heelallen, er wordt gesproken over 63, maar ik neem aan dat het een symbolisch getal is. In de kern daarvan zit iets wat niet constateerbaar is, een schijnbare leegte. Maar die schijnbare leegte is bepalend voor alle wisselingen van energie en ook voor de uitvloeiingen van energie naar een alternatief of parallel Al en dit per ruimtelijke structuur, per heelal.”

Hij zegt: ” Wanneer dit een gewone wetmatigheid is zou alles altijd gelijk moeten verlopen. Dat doet dit echter niet. Dit betekent, dat er dus invloeden denkbaar zijn. Waar voortdurend verschillende invloeden zijn, is aan te nemen dat enig besef, enige gespecialiseerd reactievermogen aanwezig is. Waar dat reactievermogen aanwezig is, daar moeten wij rekening houden met een persoonlijkheid. Die persoonlijkheid zou dan weleens de God kunnen zijn die de werkelijkheid vormt.”

Dan denk je: zo’n oude Tibetaan en zo ingewikkeld. Als hij zijn gestalte weer aanneemt blijft er niet veel van over hoor: Dan is het misschien een nog net zindelijk zeer oud heertje in saffraan gekleed met een kaal hoofdje en een stemmetje waar menige geit jaloers op zou zijn.

Zijn werkelijke gestalte is op het ogenblik heel anders, dat wil ik er wel bij zeggen, maar hij zou weer terug moeten; dus dan krijg je toch weer zoiets. Of hij dat helemaal zal uitbeelden dat weet ik niet. Maar als je op die manier de wetmatigheden van heelallen begint te beredeneren vind ik dat tamelijk knap. Als je ook nog zover komt dat je dat gaat samentrekken met onder meer wetten van karma, dan begin ik toch wel met mijn geestelijke oren te kwispelen.

Die samenhang daar ben ik nog niet helemaal achter. Ik zeg maar precies zoals het is. Maar wat ik begrepen heb is ongeveer het volgende; wanneer de eerste binding van materie ontstaat, dan ontstaan daarvan een aantal spiegelbeelden, die wij als sferen of geestelijke werelden aanspreken. De geestelijke werelden hebben veel minder binding nodig om concreet te worden. Daardoor vindt de eerste ontwikkeling plaats in de geestelijke werelden.

Maar het hele patroon van alle sferen plus de materie is gebonden aan een en hetzelfde proces, wordt geleid door een en dezelfde wetmatigheid, die voor een heelal ontstaat op het ogenblik dat de eerste explosie a.h.w. plaats vindt.

“Karma,” zo zegt hij, “is gewoon de binding van een persoonlijkheid aan een deel van dit totale gebeuren, maar daarmee ontstaat gelijktijdig een gebondenheid aan een soort structuurwet van het gehele gebeuren. Je bent mee verbonden met de energieën die wegvloeien, met de energieën die blijven. Je besef wordt bepaald door de energieën die blijven in je eigen heelal.”

Op die manier verlies je altijd wel iets, maar aan de andere kant blijf je gelijktijdig in een bepaald spoor. Je moet aan de wet gehoorzamen. Die wet van karma is op aarde natuurlijk heel simpel opgebouwd. Hij schijnt er zelf van overtuigd te zijn, dat wat daaromtrent in zijn tijden door hemzelf ook wel werd geleerd, niet helemaal juist is.

“Maar” zo zegt hij, “wanneer wij uitgaan van het standpunt dat de lijnen van het heelal werkelijkheid zijn, dat wij ons langs die lijnen bewegen, dan zullen wij ons een voorstelling maken waardoor onze wereld en onze relatie met het leven bepaald wordt aan de hand van de lijn die wij volgen. Daar kunnen wij niet zonder meer van afwijken.”

Hij ontkent in veel grotere mate de vrije wil dan wij geneigd zijn ooit te doen. Maar aan de andere kant is het duidelijk dat hij zegt: “Je hebt periodes van absolute concentratie en je hebt periodes van verminderde concentratie. Absolute concentratie betekent een stof‑bestaan. Verminderd geconcentreerd zijn betekent meer open zijn voor het andere en dus betekent dat een geestelijke bestaan. Hoe meer je open staat voor alles wat deel uitmaakt van de lijn die je volgt, hoe meer de wereld voor jou vormloos wordt, maar gelijktijdig een enorme intensiteit van beleven betekent.”

Daaraan voegt hij dan toe: mensen kunnen over het algemeen niet precies begrijpen wat zij zijn, laat staan dat zij precies kunnen zien waar zij naar toe gaan, wat er gaat gebeuren. Dientengevolge zullen zij zich voorstellingen maken die passen bij hetgeen voor hen onvermijdelijk is. De voorstellingen die zij zich maken zijn bepalend, niet alleen voor hun bestaan in één wereld, maar in feite voor hun bestaan in alle werelden.

Nu, daar heb ik het zo kort en zo netjes mogelijk gezegd. Als u het niet helemaal snapt geef mij dan maar de hand. Door het na te zoeken kom je dan toch wel tot conclusies. Deze entiteit meent dat je bestemming in de eeuwigheid vast staat. Ze is er verder van overtuigd, dat de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is.

Hij zegt: ‘In de werkelijkheid kun je niet van het spoor van het gebeuren afwijken. Dat kun je alleen in je besef doen. De manier waarop je de wereld ziet is je vrijheid. De manier waarop je de wereld zult doorlopen is de onvermijdelijkheid, is je feitelijke karma.”

Daarmee heeft hij een punt aangesneden dat natuurlijk interessant is. Want als ik nu terugkijk – u zult het ook weleens doen, denk ik, en als u dood bent kijkt u veel verder terug, dus bent u er veel langer mee bezig – dan denk ik: ik kon vaak niet anders. Ik heb het misschien niet zuiver gezien, ik heb er heel iets anders van gemaakt dan het werkelijk was, maar op dat ogenblik kon ik werkelijk niet anders. Het is alsof er buiten mij een macht is, die bepaalt wat ik wel kan en wat ik niet kan. En de manier waarop ik het aan mijzelf verklaar is het wereldbeeld waarin ik leef.

Dat schijnt heel aardig te kloppen. Wanneer ik kijk hoe in mijn eigen lot – gedurende een aantal incarnaties – steeds weer bepaalde elementen zich herhalen, dan zeg ik: ja, daar kan ik eigenlijk niets aan doen. Ik heb die herhaling nooit gewild. Ik heb ze ook zo ver ik kan nagaan niet door eigen daden of eigen denken veroorzaakt, maar ze waren er wel.

Iets spreekt toch wel voor die vaste lijn waar je moeilijk van kunt afwijken. Kijk ik naar elk leven afzonderlijk en ook naar een paar geestelijke fasen die er tussendoor hebben gelopen, dan kom ik tot de conclusie, dat mijn beeld van de wereld wel heel sterk is veranderd. Voorstellingen die vroeger voor mij absoluut concreet waren en die ik ook als zodanig beleefde en soms meende te ontmoeten, blijken nu voor mij alleen maar fantasiebeelden te zijn. Dan vraag ik me af: heb ik zelf misschien de wereld gemaakt waarin ik leefde, maar uit het materiaal waaraan ik niet kon ontkomen?

Ik heb geprobeerd vragen te stellen maar hij geeft geen antwoord., hij geeft alleen maar een redevoering. Ik hoop dat u er, vanavond geen last van heeft. Maar hij is wel eenvoudig. Het is pas als je er over gaat nadenken, dat je gaat begrijpen hoe ingewikkeld hij is.

Toen ik zijn theorieën hoorde over parallelle heelallen, dacht ik in het begin, nou daar is niets aan. Dat zijn gewoon twee werelden die op de wip zitten. Nu is de één boven, dan is de ander boven. Maar toen ik mij ging realiseren wat die wip inhoudt, wat een enorme energieën daar moeten worden verplaatst, wat daar voor spectaculaire processen aan verbonden moeten zijn, toen stond ik toch wel een beetje te kijken. Dan weet je er zelf geen raad mee.

Zijn “rad‑des‑levens‑theorie” is eigenlijk deze: Wij binden ons aan een voorstellingswereld. Die voorstellingswereld is niet reëel. Maar wanneer ik iets denk te zien, dan denk ik het ook te beleven. Ik kan op een troon zitten in de grootste heerlijkheid maar als ik denk, dat ik aan alle kanten bedreigd wordt en door pijlen doorboord zal worden, dan beleef ik die angst en zal er wel een ogenblik komen dat het zo onontkoombaar wordt, dat ik denk dat ik door die pijlen getroffen word. En daarmee is dan het rad des levens eigenlijk een reeks fantasievoorstellingen geworden, waarbij de enige werkelijkheid is, dat het bewustzijn heen en weer zweeft tussen verschillende toestanden van besef en daarmee voor het ik verschillende werelden.

Ik weet niet of ik het duidelijk kan maken. Een eenvoudig leerling moet zijn best doen. Dan komt de meester, die haalt er een streep doorheen en zegt: je had het beter anders kunnen doen. Want zo gaat het mij ook regelmatig.

Denkt u niet: we gaan dood en dan weten wij alles. Of misschien: voor ik dood ben weet ik heel veel. Dat denk je wel, maar je kunt het niet waarmaken. U zult ook wel met die fouten en die raadselen komen te zitten.

Is een leven na de dood werkelijk een leven na de dood? Op zo’n ogenblik ga je je dat toch afvragen. Ik zit aan één lijn vast; wat is mijn wezen? Is mijn wezen misschien die factor die in die lijn ligt, die wetmatigheid? Maar dan leef ik niet echt op aarde of in een sfeer. Dan is elke wereld of sfeer waarin ik leef mijn deel‑zijn, onvermijdelijk deelzijn van een bepaald gedeelte van die kosmos; misschien wel van de kracht die in die kosmos bestaat plus mijn interpretatie daarvan.

De situatie waarin een ik zich bevindt, wordt dus wat beleven betreft door het ik bepaald. Wat de feiten betreft door een buiten dit ik bestaande wet, die met een enorme hardheid zou ik haast zeggen, een onvermijdelijkheid het geheel van het gebeuren vastlegt.

Ik ben natuurlijk even gaan kijken of je daarvoor misschien vergelijkingen kunt vinden. Want ik ben inleider en dan mag je niet al te ingewikkeld praten.

Ik kwam tot deze conclusie: ik heb een aantal incarnaties na gegaan, niet alleen van mijzelf, naar ook van anderen. Voor zover ik kan nagaan zijn dat reële incarnaties. Ik moet voorzichtig zijn, want deze gastspreker zegt misschien: ­dat is allemaal fantasie. Voor mij is het echt. Ik zeg altijd maar; voor mij is iets echt op het ogenblik dat het me daadwerkelijk beroert, onverschillig wat er verder gebeurt.

Dan zie ik een aantal wisselingen van man‑vrouw in de incarnatie, dat komt inderdaad voor. Een reuze slag voor het feminisme misschien, dat degene die nu net geëmancipeerd is, degene is, die in een volgende incarnatie als man gediscrimineerd wordt of omgekeerd. Maar het blijkt, dat er een basiskarakter is. Dat basiskarakter kun je vinden in de wereldvoorstelling die op dit ogenblik bestaat. Maar daarin ligt de wisseling van man‑vrouw meteen vast. Dat is bijna onvermijdelijk. Iemand die zo is, kan zich op een gegeven ogenblik de wereld alleen vanuit dat standpunt voorstellen en beleven. Dat is heel gek.

Nu ben ik verder gaan kijken. Ik vroeg me af: hoe zit het dan in één leven? Er zijn mensen voor wie alles tegenvalt. Ik ben tot de conclusie gekomen, dat degene, die steeds weer tegenvallers hebben, vaak juist de mensen zijn, die in hun benadering van het bestaan negatief zijn. Dat zullen zij zelf natuurlijk nooit toegeven. Dus zeg niet tegen een ander: dat komt omdat je zo negatief bent. Want dan kun je alleen nog maar een dreun krijgen. Hun neiging is namelijk:

  1. Zichzelf te overschatten
  2. Hun eigen mogelijkheden niet juist te beseffen
  3. De wereld daaraan onderworpen willen zien.

Mijn waarheid moet de waarheid van mijn wereld zijn. Maar gelijktijdig worden zij geconfronteerd met een wereld die anders is dan zij hem zouden willen hebben. Daardoor kunnen zij niet meer de beelden in en voor zichzelf opwekken die voor hen aanvaardbaar zijn. Daarom valt het steeds tegen. Naarmate het meer tegenvalt worden zij negatiever en komen ze tot een veel grotere strijd tussen hun denkwereld en hun feitenwereld, hun belevingswereld in feite.

Dat bleek ook aardig te kloppen. Ik kan het niet met 100% zeker­heid zeggen; ik heb zo’n 40 gevallen getoetst. Dat is niet veel natuurlijk Van die 40 gevallen is het toch wel zo dat je kunt zeggen: daar was het wel zo. Ik dacht: moeten we verder nog eens kijken?

Laten we eens zien hoe het zit met de beleving van lichte en duistere sferen. Dat is ook interessant namelijk.

Wanneer je iemand uit het duister haalt moet je hem losmaken uit zijn eigen gedachtewereld. Want hij leeft gewoon net als ieder ander. Er is geen licht, er is geen duister, er is “zijn”, in dat “zijn” kom je tot een duistere of een lichte beleving. Waar ligt dat aan? Het blijkt, dat men twee beelden van zichzelf heeft. De beelden zijn allebei in feite imaginair; ze zijn niet echt.

Het eerste beeld is het beeld van het ik zoals het zou moeten zijn. Maar als je reëel bent, besef je dat dat een ik is zoals het niet kan zijn.

Het tweede is het beeld van het ik zoals het schijnbaar is, zoals het in de beleving ligt. In die beleving zitten ontzettend veel verkeerde interpretaties van feiten, van mogelijkheden, van gevoelens. Het is de strijd tussen die twee beelden, die bepaalt wat voor een duistere wereld je beleeft. Dat is natuurlijk ergens voor jou echt.

Als jij droomt dat je heel diep in de modder begraven ligt en dat je er ternauwernood met een teen of een neusgat bovenuit kunt komen, dan is dat voor jou een concreet beleven, het is je wereld. Maar het blijkt, dat wanneer je gedachten veranderen ook de wereld verandert. Want de modder die jou steeds weer opzuigt als een stukje drijfzand is ineens een harde bodem geworden op het ogenblik, dat je contact hebt met iemand die jij, let wel: jij, als lichtend erkent. Dat wil niet zeggen dat hij lichtend is voor iedereen, maar voor jou is hij lichtend.

Op dat ogenblik verandert de consistentie van je wereld. Dat kan alleen maar verklaard worden door het feit dat die wereld niet echt is; dat de interpretatie van het bestaan die je geeft, wanneer zij zich wijzigt, in feite ook jouw wereld verandert.

Het zou een heel mooie verklaring kunnen zijn voor een groot aantal reddingen of hoe je dat wilt noemen. Wij komen in duistere werelden. We proberen entiteiten wakker te maken. We proberen ze mee te nemen en dat gebeurt in de meest verschillende vormen. Ik heb me altijd afgevraagd hoe dat eigenlijk kan.

Om u een typisch voorbeeld te geven: Het beeld van naar boven gaan is voor veel mensen een trap. Dus je komt bij zo iemand aan en je zegt: “Ga je mee naar boven?” Ja, hij gaat mee naar boven. Je loopt dus een trapje op, een heel gewoon trapje met heel gewone treden. Het opvallende is dan dat in het begin zo iemand die treden op kruipt alsof ze voor een enorme reus gemaakt zouden zijn. Hij moet werkelijk elke trap helemaal afzonderlijk beklimmen, elke tree. Hoe verder zij boven komen hoe meer het concept schijnt te veranderen, want dan zie je dat zij veel gemakkelijker gaan. Uiteindelijk als je ze mee krijgt tot boven toe dan lopen ze net zo gemakkelijk als jijzelf. Dan komt het ogenblik dat je zegt: lopen is niet nodig meer en dan zweef je.

Ook hier is kennelijk de eigenschap van de wereld niet consistent. Wanneer er in diezelfde wereld – want ik deel op het ogenblik natuurlijk de wereldvoorstelling van degene die ik ga helpen – voor mij een normale trap is en voor een ander iets waarmee kleine rotsplateaus moeten beklommen worden, de een na de andere, dan zeg ik: ja, er klopt ergens iets toch niet. Dan denk ik dat inderdaad die lichte en duistere werelden dus grotendeels in onszelf bestaan. Er is wel iets, maar wat dat iets is weten we eigenlijk niet omdat we het alleen maar kunnen zien op de manier, waarop wij het beleven en wij het interpreteren.

De manier waarop onze gastspreker deze dingen benadert is natuurlijk veel eenvoudiger. De moeilijkheid ligt dan ook niet in de oorspronkelijke stelling. Het is meestal de uitwerking ervan. Iedereen weet E = mc2 van Einstein. Maar zelfs op dit ogenblik zijn er misschien maar 200 mensen in de wereld, die de berekening kunnen maken, die tot deze formule leidt; waarvan dit dus de eindconclusie is. Er zijn gewoon fasen in die de meesten niet helemaal kunnen volgen.

Ik denk dat het zoiets is. Het eindresultaat moet altijd heel eenvoudig zijn, heel begrijpelijk. Dan zeg je: Waarom ben ik er nooit op gekomen? Omdat ik de afleiding niet ken. De moeilijkheid van een weg naar de werkelijkheid lijkt mij te zijn, dat wij niet in staat zijn te formuleren, wat we zijn en wat we beleven. Als we dat niet eens kunnen, hoe willen we dan tot een conclusie komen over het geheel? De gastspreker heeft dat op zijn manier kennelijk gedaan.

Nogmaals: ik vind het een beetje vreemd, maar het zal wel in de lijn van zijn ontwikkeling en zijn lot liggen, dat hij zich met deze zaken bezighoudt. Toch zeg ik, als mij zoiets wordt gezegd heb ik het gevoel, dat ik er iets mee kan doen. Dat het mij een volgende keer wanneer ik iemand ga halen misschien zal helpen om dat eenvoudiger te doen, om dat juister te doen, gemakkelijker te doen. Want een toepassing vinden voor een eenmaal bestaande regel is veel gemakkelijker dan het vinden van de regel op zich.

Hier begint ondergetekende dan te haperen, want wat ik probeer te zeggen is eigenlijk te moeilijk voor mij. Dat overkomt u ook weleens. Ik vind het reuzeleuk als je mensen hoort praten over politiek of economie. Het klinkt allemaal erg logisch. Maar als je er even over nadenkt zeg je: maar mijn goeie god, hoe kunnen zij dat nu zo zeggen? Dat had je toch beter anders kunnen doen.

Ik denk het zelfs van mijn broeders in de geest, als zij tegen u praten. Ik denk: man, waarom moet je dat nu zo zeggen? Dat was toch veel eenvoudiger? Nu zullen er waarschijnlijk wel vriendelijke critici staan die mij dadelijk op de schouder kloppen en zeggen: “Joh, je moet toch een beetje minder nectar gebruiken als je in de hemelse sfeer bent. Want het kwam er nogal bezopen uit.”

Echt waar, ik heb het gevoel, dat deze spreker ergens een enorme waarheid heeft gevonden. Zijn eindconclusies lijken mij in ieder geval bruikbaar te zijn, voor zover ik ze heb kunnen volgen. Nu krijgt u contact met zo iemand en hij zal zich ongetwijfeld op u proberen in te stellen en daardoor kiezen voor die woorden en die manier van benadering, die dan zijn denken nog het best aan u kan overdragen.

Voor mij kan hij een weg wijzen, maar ik denk dat hij zelf zal moeten toegeven, juist door de grondstellingen die hij heeft, dat het niet mogelijk is om u uw weg te tonen. Vanuit zijn denken is het de grootste fout dat je zegt: “Kijk, dit is mijn weg, dus dit is ook uw weg.” Voor hem is het: ieder heeft zijn eigen weg die in zekere opzichten uniek is.

Je kunt nooit de een aan de ander meten. Dan kun je dus alleen maar algemene termen gebruiken en algemene regels stellen zonder te zeggen dat zij voor iedereen geldig zijn. De totale kosmos kan – ik weet niet of het werkelijk zo is – inderdaad zo bestaan zoals hij ze aan mij probeerde te schetsen.

Wanneer dit het geval is ‑‑ ik heb enkele bevestigingen gevonden van anderen die mij b.v. ook over die 63 heelallen spreken, over de geheimzinnige kracht uit het schijnbare niets – en die grondstellingen juist zijn, dan zou zijn benadering weleens een mogelijkheid kunnen betekenen om los te komen van je persoonlijk beleefde karma, niet van de noodzaak tot zijn, de essentie die je nu eenmaal vertegenwoordigt, maar voor je beleving ervan. Vooral in geestelijke werelden, waar je eigen gedachtewereld vaak een hel creëert voor je, of een hemel waarmee je geen raad weet, lijkt mij dat heel erg dienstig als je dat weet.

De wijze waarop je die dingen moet begrijpen zal wel weer persoonlijk zijn. We kunnen alleen maar reageren op die denkbeelden waarvan we tenminste een basis in onszelf dragen. Maar misschien zijn wij allemaal veel wijzer dan wij denken. Wijzer dan wij denken in dier voege, dat wij ergens in ons hoe dan ook een beseffen hebben van de werkelijkheid, onze verbinding met de totale ontwikkeling van onze kosmos.

De wijze waarop wij die voor onszelf voortdurend bemantelen, ach die is begrijpelijk en voor velen van ons zelfs de enig aanvaardbare. Maar zij houdt gelijktijdig in, dat we daardoor de wezenlijke waarde van ons bestaan, de wezenlijke betekenis ervan niet meer kunnen zien.

Dan zeg ik: het is niet alleen: “ken uzelve”, neen, het is: “ontdoe jezelf van alles wat je niet werkelijk bent.” Het is niet alleen maar: “spiegel jezelf aan de kosmos, ontmoet jezelf” – ofschoon dat voorkomt – het betekent: “leer jezelf te ontdoen van alles buiten die intentie, die het geheel van je leven door alle incarnaties schijnt te bepalen en besef dat die intentie niet de jouwe is, althans niet alleen de jouwe.

Dan pas kom je mijns inziens tot conclusies, waardoor je eindelijk karma, noodlot e.d. kunt gaan overzien, waarbij de schijnbare toevalligheden zich toch weer reien tot wetmatigheden en waarbij de zin van je leven niet meer iets is dat door streven bepaald wordt, maar door zijn, waarbij het streven alleen maar de uitbeelding vormt, die wij onszelf geven van het zijn, dat in ons de enige waarde is en waaraan we niet kunnen ontkomen.

Het lijkt mij goed om te weten dat je niet aan je noodlot, zoals het wordt genoemd, kunt ontkomen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren. Maar hoe je het beleeft en wat het voor jou betekent, dat is iets wat jij zelf in de hand hebt. Als je te veel afwijkt van de werkelijkheid kom je alleen maar in een steeds grotere reeks van onwerkelijke interpretaties terecht.

Duister, dat is gewoon het maximale aan verkeerd interpreteren van jezelf, je bestemming, je zijn. En de gewone lichte werelden zijn de misvattingen, die wij nog vasthouden t.a.v. onszelf en het bestaan. Pas als we werkelijk alle vorm achter ons laten en werkelijk de verschillen langzamerhand zien verbleken in de eenheid, zullen wij misschien beseffen wat onze waarheid is.

Ik dacht dat de gastspreker die zodadelijk komt een aardig eind op die weg is. Maar ik kan alleen maar oordelen vanuit mijn eigen onvolkomenheden. Luister ernaar. Laat u er niet te veel door beïnvloeden. Probeer alleen maar eens even op te vangen wat eigenlijk de bedoeling is. Vraag jezelf dan eens af of het redelijk is, of je er iets mee kunt doen.

Want één ervaring heb ik wel opgedaan: Dingen zijn voor ons betekenisloos tenzij wij er iets mee kunnen doen. En doen betekent voor ons: onze relatie tot de wereld en tot de werkelijkheid op bepaalde punten herzien. Want onze daden bepalen onze relatie tot de werkelijkheid.

Vindt u een verklaring voor de dingen die zo dadelijk worden gezegd of een beter begrip van de betekenis ervan, dan heb ik al meer dan voldoende bereikt. Als u er helemaal niets mee kunt doen, pak dan het sfeertje maar op. Een sfeertje kan je in je onderbewustzijn toch ook vaak beïnvloeden en je dingen geven die je niet eens kunt uitspreken, maar die desalniettemin in je leven bestaan en die je dan helpen om misschien iets gelukkiger, iets harmonischer en iets beter te zijn.

De Gastspreker

U zult mij vergeven, dat ik mij eerst even in het lichaam weer terecht moet vinden.

Daar ik het verzoek heb gekregen om u het een en ander mee te delen, wil ik proberen u duidelijk te maken wat voor mij op dit ogenblik de meest belangrijke zaken zijn.

Elk leven wordt bepaald door een noodlot. Er zijn zaken waaraan je je eenvoudig niet kunt onttrekken. Er zijn gebeurtenissen die de beste plannen omverwerpen. Er zijn altijd ook weer ontwikkelingen waardoor je zaken verkrijgt of mogelijkheden vindt, die eigenlijk onredelijk waren, zodat je geen enkel inzicht meer hebt in je eigen aandeel in bepaalde ontwikkelingen, mogelijkheden en erkenningen.

Wij allen zijn om het eenvoudig te zeggen deel van een geheel. En het geheel wordt geregeerd door zijn eigen wetten. Die wetten komen voort uit de wijze waarop het geheel is opgebouwd en daarnaast ongetwijfeld ook door enig bewustzijn of besef, dat deze wetten helpt op de juiste wijze tot stand te komen.

Als deel van het geheel maken wij allen – of wij het weten of niet, of wij het wensen of niet – deel uit van die wet. Wij leven die wet volgens de wijze waarop wij aan het geheel verbonden zijn. Ons noodlot, ons karma, onze werkelijkheid zijn allemaal eigenlijk zaken die buiten ons worden vastgelegd.

Niemand kan zeggen: ik zal nooit door het duister gaan en niemand kan zeggen: ik zal nooit het licht bereiken. Wij alleen gaan door het duister; wij allen bereiken het licht. Maar soms vinden we in onszelf geen uitdrukking voor het duister en beleven het niet. Soms vinden wij geen uitdrukking voor het licht en beseffen we niet dat wij het beleven.

Zo is ons besef de kracht die ons regeert. Dat besef kan zich alleen beroepen op de werkelijkheid die wij zijn. En nu is het eigenlijk eenvoudig geworden: Wat ik ben bepaalt wat ik kan, wat ik doe. Maar wat ik beleef bepaalt de wijze, waarop ik voor mijzelf een beeld maak van hetgeen ik kan, hetgeen ik ben en hetgeen ik doe.

Zo wentelen wij met het rad van het leven verder, niet gedreven door onbekende machten, maar door de essentie van ons eigen wezen. Wij kunnen niet ontkomen aan welke wereld of sfeer dan ook. Wij kunnen niet het leven bepalen en daar met zekerheid enig verloop of enige ontwikkeling van vastleggen.

Het werkelijke rad is het geheel waar wij bij horen. Wij kunnen niet dat geheel doorlopen, want buiten alle menselijke ervaring en tijd is dat geheel inderdaad stabiel. Het is, het bestaat. Wij kunnen dus niet door het geheel heen reizen. Wij kunnen alleen maar dat stuk van het geheel beseffen, dat wij in wezen zelf zijn. Iemand die daarmee begint krijgt de grote moeilijkheid te verwerken, dat hij zijn eigen karma en noodlot niet in de hand heeft.

De goede daden van dit leven betekenen niet een beter leven daarna. Wanneer wij het leven daarna misschien doormaken, zien wij dat veel van hetgeen wij goed achtten eigenlijk verkeerd was.

Toen ik nog op aarde was, een onbetekenend monnikje, maar gelijktijdig de meester van een betrekkelijk groot klooster, heb ik mijn mensen vele dingen bevolen en geleerd, die achteraf gezien zinloos waren. Toch kan ik niet zeggen dat ik het zo heb gewild.

Wij hebben allen te maken met het onontkoombare. Vijf incarnaties lang ben ik teruggekeerd, ben ik weer de meester geweest. Vijf incarnaties lang heb ik invloed uitgeoefend; maar niet wat ik dacht, alleen wat ik schijnbaar moest.

De weg door de werelden van de geest is een moeizaam zoeken naar betekenis. In het begin zoek je die betekenis vanuit jezelf. Het blijkt dat zij dan niet bestaat. Dan zoek je betekenis in hetgeen je dacht te doen. Dat blijkt voor jezelf belangrijk te zijn, maar niet voor de betekenis die je in het geheel had. Uiteindelijk besef je, dat je een bepaalde taak hebt binnen het geheel. Die taak kan ook liggen in het geven van denkbeelden die later onjuist blijken. Want voor anderen zijn zij misschien de basis waarvan zij zelf verder kunnen gaan.

Wanneer u leeft zult u in uw eigen wereld die dingen proberen te doen, waarvan u meent dat zij juist zijn. Of u ze werkelijk doet weet u niet eens. Wat zij betekenen kunt u niet overzien. Toch kunt u niet anders. Wat u werkelijk bent, wat uw taak is, bepaalt wat u zult volbrengen. Wanneer u daartoe dingen probeert te doen, die niet tot de taak behoren, verwaaien ze nog sneller dan een wolkje voor een felle wind.

Aan de andere kant geldt echter ook, dat wat tot onze taak behoort een vaste waarde is. Wanneer het uw taak is om medemensen te troosten beseft u zelf misschien niet eens dat u dit doet, maar u zult het volbrengen. Is het uw taak anderen te beleren, dan zullen de leringen die u bewust uitspreekt waarschijnlijk niet veel betekenen. Maar zo nu en dan zult u juist datgene zeggen, wat voor de ander nodig is.

Wanneer u mensen probeert te genezen kunt u alle kunde, en kennis van de wereld bijeenhalen; maar als u inderdaad moet helpen zult u geïnspireerd misschien, gedreven soms, juist datgene doen waardoor u voor de ander de juiste genezende werking hebt Dan is er geen sprake van: ik heb de kracht of ik heb ze niet. Dan is de vraag: is dit mijn taak? Is het mijn taak, dan wordt zij volbracht of ik wil of niet. En daarin ligt het wonderbaarlijke van het menselijke bestaan.

Wij zijn als mensen die zich opsluiten in een eenzame cel om de wereld te verlaten en dan zo intens met die wereld bezig zijn, dat hun geest veel verder zwerft dan zijzelf ooit zouden komen en zo de wereld tot zich halen in een veel grotere mate dan zij ooit zouden kunnen doen wanneer zij zelf en bewust te werk zouden gaan.

Wij zien niet een werkelijkheid; wij zien een droom die verwant is met de werkelijkheid. Als onze dromen aangenaam zijn hebben wij geluk. En als ze onaangenaam zijn hebben we minder geluk. Maar het resultaat ervan is altijd hetzelfde. Wij moeten leren dat wij deel zijn van een geheel en dat wij onze taak en betekenis daarbinnen niet volledig kunnen kennen of overzien.

Schijnbaar eenvoudige mensen brengen omwentelingen teweeg die vele vele generaties lang volkeren of misschien zelfs de gehele mensheid kunnen beïnvloeden. Anderen streven naar belangrijkheid en vechten hun hele leven om iets tot stand te brengen, maar het is al vergeten voor zij zelf zich van een andere wereld bewust worden.

Laat ons niet te veel dromen; laat ons niet te veel kritiseren. Niet zeggen: dit had ik anders moeten en dat zal ik nu gaan doen, maar zeggen: wat gedaan is, is deel van mij. Wat komt, is deel van mij. Laat ik mijzelf zijn, bewust van mijzelf en niet door dromen mijn wereld of mijn werkelijkheid pogen te veranderen.

Je denkt soms; het lot heeft het met mij niet zo goed voor. Ik had gehoopt dat dit een bijzondere dag zou worden of een bijzondere gebeurtenis en het blijkt dat dit nu juist niet kan. Niet zoals ik dat wil.

Het is waar, voor mensen kan dit zeer pijnlijk zijn. Maar dat het zo gebeurt moet ergens zin, moet betekenis hebben. Het is niet voor niets. Het hangt samen met een geheel gebeuren. Niet alleen maar met uzelf.

Als u gewoon probeert uzelf te blijven zullen de omstandigheden u niet storen. Wanneer u bezig bent met de omstandigheden kunt u echter moeilijk leven met uzelf. Probeer daarom te leven met uzelf door eenvoudig zo onverstoorbaar mogelijk voort te gaan, elk ogenblik beslissende volgens de zekerheden van dat ogenblik. Nooit dromende hoe het anders zou kunnen zijn. Nooit terugverlangende naar wat volgens jou eens is geweest, maar wat misschien niet eens werkelijk heeft bestaan.

Alleen op die manier kun je langzaam ontkomen aan de voortdurende werveling van waanvoorstellingen die je niet alleen in je stoffelijke leven, maar ook in menig geestelijk bestaan beheersen. Wat je doet voor een ander kan niet beoordeeld worden op de gevolgen. Wat je doet, voor jezelf kan in zijn betekenis niet juist worden ingeschat.

Het enige wat ons overblijft is zo te leven en zo te werken, dat wij het gevoel hebben dat we verder komen. Niet omdat dat werkelijk van betekenis is, maar omdat wij alleen vanuit dit gevoel de werkelijkheid die ons stuwt, de taak die in ons ligt beter kunnen aanvaarden. Ons doel is niet de ideale droom bereiken, maar het sterven van alle dromen; dat wij een werkelijkheid kunnen leren kennen die meer omvat dan welk ideaal dan ook.

Er zijn paden en banen die door alle werelden voeren. Wanneer u zegt dat u in een hel terecht zult komen, zult u in een hel komen.

Niet omdat zij er is, maar omdat u het zo beleeft. Als u droomt dat u in een hemel terecht komt; zult u misschien tijdelijk daarmee gelukkig zijn Maar dromen verbleken en sterven en de waarheid die over blijft is dan een wat knokig geraamte.

Zij die inwijding zoeken, leren dat het leven niet belangrijk is. Leven op zich is maar een bestaan, is een illusie. De werkelijkheid is een bestaan dat niet in beelden is te vangen. Wanneer de vogelen des hemels komen en de doden verscheuren, vernietigen zij alleen een deel van een illusie, meer niet. Maar wanneer een ziel zijn eigen droom tot verscheurende vogels maakt, dan ondergaat hij een voor hem volkomen werkelijke marteling, waaraan geen einde schijnt te komen.

Wie echter in zijn denken steeds meer terugkeert tot bestaan op dit ogenblik, wie in zijn leven niet bezig is met dromen van nu of van hiernamaals, maar met de mogelijkheden van het ogenblik, de taken en de beslissingen van het ogenblik, die zal inderdaad leren te leven met de werkelijkheid.

Ik heb uw inleider geprobeerd een beeld te geven van een kosmische werkelijkheid en hij heeft er een aardige, droom van gebrouwen. Begrijpelijk, want wat zijn woorden anders dan de echo van dromen, terwijl de werkelijkheid verzwegen blijft?

Er is een voortdurende wisseling. Dat is waar. Maar niet de wisseling is belangrijk, maar de wet. De wet ligt vast in het wezen. Niet dat het wezen wordt bepaald door de wet, maar het is zelf de regel, de baan, de noodzaak die het zelf ook aan zich waarmaakt. Die wet ligt buiten alle dingen.

Ergens is een weten, een denken, een beseffen of een begrijpen dat zo alomvattend is, dat wij er niet bij kunnen komen. Maar daaruit wordt bepaald, wat wij in deze functie en fase zijn en alleen wanneer wij onszelf zijn zullen wij eens herontstaan op andere wijze. Dan zullen de wetten, de taken van deze tijd verbleekt zijn maar ons weten zal blijven. Dan zullen wij pas werkelijk leven.

Leven is voor een mens en voor een geest vaak – ook voor mij – wat je bij anderen veroorzaakt. Het veroorzaken is bepaald. Maar het beleven van het veroorzaken is de groei van ons weten, de groei van ons besef. Zo er al een karma bestaat vloeit het voor ons voort uit ons besef en weten, niet uit een onvermijdelijk gebeuren.

Wij, die nu slaven zijn van het ongeweten lot, kunnen het lot beseffen en tenminste meester zijn van ons eigen beleven. Wie meester is van eigen beleven, bereikt een vorm van onsterfelijkheid die door geen wereld of sfeer meer is te vatten. Zij omvat alles en blijft zichzelf. Eén gebeuren uit een totaal gebeuren dat is vastgelegd.

Eens heb ik gepredikt: onthoudt u, wees sober, wees karig, studeer, zing. Tot u kan ik dat niet zeggen. Tot u kan ik alleen zeggen: heb vrede met uzelf. Aanvaard uzelf zoals u bent. Wijt niet aan anderen, wijt niets aan uzelf, maar leef elk ogenblik zo, dat u vrede kunt hebben met uzelf.

Als er dromen komen, zet ze terzijde. De symbolen en de gebeurtenissen zijn misschien ergens waar, maar de waarheid voor u ligt in hetgeen u bent, niet in de droom, niet in het symbool.

Het enige ware symbool is dat waarmee de functie wordt uitgedrukt die wij zelf hebben. Door dit te beseffen naderen wij de vrijheid. Door dit te beseffen zijn wij één met alle krachten, die behoren tot onze taak en ons wezen. Door dit te beseffen worden wij waar.

Wie bewustzijn zoekt moet mijden een leugen te leven. Vooral de leugen die je jezelf vertelt. Leven in waarheid is benaderen van vrijheid. Benaderen van vrijheid is een lot vervullen zonder er aan gebonden te zijn voor eigen beleven en beseffen.

Onze zielen zijn oud. Toen in het eerste begin bestaan aanwezig was, waren wij reeds. Wanneer dit Al zal zijn gedoofd, zullen wij nog zijn. Zo jong en zo oud zijn wij. Maar onze betekenis zal alleen voortbestaan als zij beseft wordt. In het beseffen ligt de ware onsterfelijkheid, maar alleen indien de waarheid beseft wordt. Want leugens gaan ten onder in de chaos waarin wij onszelf storten.

Ik verkondig niet een eeuwig leven. Ik verkondig een eeuwig bestaan.

Ik verkondig niet onsterfelijkheid, maar een leven waarin de dood slechts een verschijnsel en een schaduw is die voorbijgaat.

Ik verkondig u niet een Almacht die u kunt bereiken. Er bestaat geen Almacht die voor ons bereikbaar is. Maar ik verkondig u de eenheid met uw wezen waardoor datgene wat u bent, bekleed zal zijn met alle macht die nodig is om steeds bewuster uzelf te zijn.

Wij behoren tot hetzelfde geheel. Wij zijn deel van één waarheid. Niets scheidt ons werkelijk buiten onze droom. Moge de tijd van dromen voorbijgaan en moge de werkelijkheid ons doen inzien hoe belangrijk het is te zijn.

Moge die vrede u gegeven zijn en uw weg door de begoocheling u voeren tot de waarheid, die sommigen God noemen.