Ras- en groepsgeesten

Rassengeest, groepsgeest, het zijn namen. Namen, die worden gebruikt om bepaalde entiteiten aan te duiden, bepaalde bewustzijnsvormen te omschrijven. Het zal u duidelijk zijn, dat ook dergelijke persoonlijkheden, hoe vreemd misschien voor de mens, een ontstaansgeschiedenis hebben, dat ze ontwikkelingen doormaken, dat ze ook hun doelstellingen en eigen inzichten hebben. Ik wil proberen u in de inleiding hierover het een en ander te vertellen.

Het ontstaan

Het ontstaan van een wereld is een kwestie van enorme spanningen. Daar zijn zonnen bij betrokken, er is een reeks explosies bij betrokken en daarin openbaart zich de geboorte van de planeetgeest. Want als de werveling eenmaal is begonnen, als de verdeling van de verschillende elementen door hergroepering een eigen karakteristiek krijgt, dan ontstaat er iets dat je een persoonlijkheid kunt noemen. Verder ontstaan er een aantal elektrische en magnetische werkingen; en die gezamenlijk kan men aanspreken als een soort denkvermogen, een soort aura, etc..

Het zal u duidelijk zijn, dat er op dit moment nog helemaal geen sprake kan zijn van een groeps‑ of een rassengeest. Ondertussen ontwikkelt een wereld zich verder en er vormt zich die eerste eigenaardige brij, waarin leven zou kunnen ontstaan. Nog steeds zijn er geen rassen en geen groepsgeesten te vinden. Dan is er een uitbarsting op de zon. Bijzondere harde straling dringt door in die vreemde massa. Er ontstaan nieuwe stoffen. Stoffen, die halfleven (latent leven) zijn en die zich onder de juiste omstandigheden tot leven ontwikkelen. Maar er is leven. Dat leven wordt nog steeds beheerst door de planeetgeest. Het is zeer eenvoudig van structuur, maar het begint zich langzamerhand toch aan te passen aan verschillen in milieu. En op dat ogenblik en niet eerder, krijgen we de eerste entiteiten, die door dit vage denken worden aangetrokken.

Meestal zijn het entiteiten, die zelf een wordingsgeschiedenis op een andere wereld hebben doorgemaakt. Dit laatste is echter niet nood­zakelijk. Zij zien nu de mogelijkheid om van een één‑cellig wezen een meer­cellig wezen te maken. Ze worden gebiologeerd door de structuurmogelijk­heden, die daarin zitten en vooral ook door de mogelijkheid om zich op die manier de een of andere bijna artistieke uitingsmogelijkheid te ver­schaffen. Er zijn dan misschien op zo’n wereld een paar honderd van die geesten, maar u kunt zo eigenlijk nog niet beschouwen als rassengeesten. Dat worden ze pas als er een verschil ontstaat tussen de levensvormen dat groot genoeg is. Op het ogenblik, dat je bij wijze van spreken een on­derscheid maakt tussen die eenvoudige ééncellige of paarcellige wezen­tjes, tussen jagers en grazers, vanaf het ogenblik dat prooi wordt gezocht, is er een verdediging nodig. Degene, die de grazer maakt, moet zich verdedigen tegen degene, die de jager maakt; en dat doet hij via het product. Men wordt nu gebiologeerd, omdat het niet alleen meer een kwestie is van iets scheppen, iets helpen ontstaan. De emotie van de tuinman maakt plaats voor de emotie van de schaker. Men probeert vele zetten vooruit te zien. Men probeert de juiste variaties aan te brengen, de juiste eigenschappen te creëren. Vanaf dat ogenblik kan een zekere binding aan soorten, dus aan rassen, plaatsvinden. Toch is die binding nog steeds niet in overeenstemming met wat men op aarde meestal onder een rassengeest verstaat. De rassengeest wordt echter langzaam maar zeker door zijn werk zozeer geboeid, dat hij met de meest geslaagde delen van zijn creatie verdergaat. De rest blijft leeg. Maar een ander wil daarmee misschien toch nog wel iets doen.

Er ontstaan nu divergerende ontwikkelingen. Ontwikkelingen, die niet meer door één denken, door één proces worden bepaald, maar door verschillende bewustzijnen, die elk in de wereld zoeken naar het meest juiste milieu, de meest juiste omstandigheden om de door hen gewenste mutatie tot stand te brengen. En pas op dit moment kun je zeggen dat er iets gebeurt in de richting van de erfmassa.

We hebben dan hoogstens nog weekdieren. Het is dus nog niets bijzonders, maar er is erfelijke overdracht. Je moet nu zorgen dat elke ontwikkeling gelijk is aan de voorgaande, zodat je je kunt bezighouden met de verbeteringen, zonder dat het ras zelf te gronde gaat. En daarbij blijken bepaalde gedragingen van belang; een zekere mentaliteit, zou je kunnen zeggen. Ook al is de mentale capaciteit van die levende wezens zeer beperkt, voor de rassengeest is het toch een kwestie van het aankweken van een juist gedragspatroon en daarmee een juist instinct, een juist denken. En nu is er werkelijk sprake van een rassengeest.

Deze rassengeesten ontwikkelen langzamerhand hoofdrassen. Een hoofdras is een groep van verschillende levende wezens, die echter zodanig op elkaar zijn afgestemd, dat ze ‑ gezien de omstandigheden ‑ maximale overlevingsmogelijkheden hebben en gelijktijdig een maximale mogelijkheid tot verdere uitbouw, tot veredeling van het ras in zich dragen. Er komt in deze periode een soort gebiedsverdeling. Bij die gebiedsverdeling krijgen we aantal rassengeesten, die elk voor zich op eigen wijze actief wordt.

Er ontstaan steeds complexere levensvormen. We krijgen te maken met de eerste vertebraten. Het zijn nog koudbloedigen, maar er zijn meer mogelijkheden. Zo ontstaat er a.h.w. een verdeling van de wereld. We hebben nu plantengroei ‑ aparte rassengeest. We hebben dierlijk leven aparte rassengeest. En in dat dierlijk leven weer de onderverdeling van eters en degenen die worden gejaagd. Deze trachten te komen tot een evenwicht. Elk van hen heeft een eigen geleide gekregen. Iemand, die zich bezighoudt met dit probleempje en zich daarmee kennelijk goed amuseert. Op die manier ontstaat er iets, dat men een eerste ecologisch evenwicht zou kunnen noemen. Er is tot op dat ogenblik eigenlijk alleen maar sprake geweest van leven en sterven. Maar nu komt er een gebonden zijn aan het leven en sterven van anderen, Er is een samenwerking noodzakelijk tussen de plantengroei en de planteneter en de vleeseter. Ze moeten elkaar in evenwicht houden. Elke factor, die in het milieu erbij komt, is van belang.

Het is duidelijk, dat dit niet meer het eenvoudige spel is dat in het begin is gespeeld. Het is noodzakelijk, dat de rassengeest zichzelf ontwikkelt, dat hij lange tijd vooruit mogelijkheden voorziet, dat hij rekening houdt met alle omstandigheden. Doet hij dit niet, dan zal het ras, waar hij bij behoort, waarschijnlijk snel verdwijnen van de wereld. Dat past er niet. Er zijn rassengeesten geweest, die hebben geprobeerd hun schepping langzaam maar zeker op te voeden tot iets, dat de wereld zou kunnen domineren, maar ze hielden geen rekening met de mogelijkheid van variatie in het milieu. Het resultaat was, dat er onvruchtbaarheid ontstond. Daardoor was er een vermindering in aantal en gelijktijdig een grotere ferociteit bij vele van de soort. Ze gingen hele rassen te gronde.

Interessant vanuit menselijk standpunt is natuurlijk het ontstaan van de warmbloedigen, waarbij we dan op den duur een soort krijgen, die oorspronkelijk hoofdzakelijk in de bomen leeft en later naar de steppen verhuist. Deze kunnen worden gezien als de voorvaderen van de mens. De boombewoners zou men waarschijnlijk de voorvaderen van de apen kunnen noemen, de steppenbewoners van de mens. Er is hier wel degelijk een gemeenschappelijke stamvader en in die periode een tijdlang nog een rassengeest, die beide soorten voor zich kiest. Maar nu is er denken. Denken, mentale reactie, is zeer intrigerend voor een geest. Het resultaat is dat geesten, die zeker op vorige planeten of in vorige omstandigheden zeer veel hebben geleerd, worden geboeid. Zij ontfermen zich nu niet alleen over de gehele soort, maar ook over bepaalde delen van de soort; en zo ontstaan er in de soort weer divergerende ontwikkelingen. Wat de mensheid betreft, weet u het misschien: in de betrekkelijk korte tijd van een paar honderdduizend jaar ontstaan er ongeveer zo’n 50 verschillende menssoorten. Daarvan blijven er maar een paar bestaan; dat is een feit. Maar de paar die overblijven zijn de voorvaderen van de huidige homo sapiens, die ook weer worden verdeeld in verschillende rassen en waarvan we kunnen zeggen, dat de verschillende rassen ook door een andere entiteit worden geleid.

Dat laatste klinkt weer niet erg aanvaardbaar in deze wereld waar je geneigd bent te zeggen: Zwart of blank, of bruin dat maakt toch eigenlijk geen verschil. De kleur niet. Maar vergeet u één ding niet: Als zo’n afwijking van norm optreedt en zich verder ontwikkelt, dan ontstaat ook de ontwikkeling van andere gedragspatronen. Er is dus een ontwikkeling van een andere hereditaire massa. Je kunt nu wel zeggen, dat de neger gelijkwaardig is aan de blanke ‑ en daar heb je wel gelijk maar je kunt niet zeggen dat de neger gelijk is aan de blanke. Hij heeft een totaal ander concept van leven. Zijn gewoonten wijken aanmerkelijk af en zelfs in de lichaamsbouw kunnen we hier en daar toch wel kenmerkende verschillen zien. Het zal u duidelijk zijn, dat hier oorspronkelijk de verschillende rassengeesten naar een evenwicht zoeken. Zij zoeken naar een eigen domein en proberen dat te handhaven. Maar de omstandigheden in de wereld veranderen en dan moet je om het ras verder te kunnen handhaven proberen een ander ras dan maar een stukje van zijn jachtgebied te ontnemen,

Zo ontstaan er enorm grote volksverhuizingen, die niet alleen maar plaatsvinden in Azië en Europa, maar die zich op een gegeven ogen­blik zelfs uitstrekken via Azië en Europa in de richting van Noord­-Amerika. Volkverhuizingen, die worden tot een soort eilandenspringen waardoor zowel van Afrika als van Azië uit mensen terecht, komen in Zuid­-Amerika. Hier is er sprake van een aantal rassen, die elkaar ontmoeten. Maar het zijn redelijke wezens geworden, die niet alleen meer afgaan op rassenkenmerken. In vele gevallen komen ze weer tot het samenstellen van een eigen samenleving, waarbij men ook weer zou kunnen spreken van een soort ecologisch evenwicht. Als beide partijen even sterk zijn, kun­nen ze samenwerken, ze profiteren van elkaar en ze helpen elkaar, maar geen van de twee rassengeesten kan eigenlijk bijzonder veel invloed meer uitoefenen. Indien er zo’n vermenging ontstaat, dan krijgen we pas te maken met een groepsgeest. Er is dan een geest, die zegt: Ach, wat heb ik te maken met alle verdere ontwikkelingen van het ras? Laten we ons bezighouden met de geestelijke ontwikkeling, met nieuwe mogelijkheden voor het besef, voor het bewustzijn, voor technische ontwikkeling e.d. Deze geesten worden aangetrokken door het beeld, dat in het denken van zo’n bevolkingsgroep zit.

Een groep kan zeer primitief denken. Dan krijgen we te maken met een groepsgeest, die zich ook zeer primitief kan uiten. Zo’n groep kan ook zeer filosofisch zijn en dan krijgen wij een rassengeest of groepsgeest, die zich aanpast aan een zeer wijds concept en gelijktijdig toch de eenheid vertegenwoordigt. Men heeft het wel eens als volgt geformuleerd;

De rassengeest is degene, die het ras helpt ontstaan.

De groepsgeest is degene, die de gemiddelde gedachte van een groep van voldoende eenheid personifieert. Ik geloof, dat je daarmee heel dicht bij de ontstaansgeschiedenis bent. U begrijpt, dat een bijenteler zich niet erg druk maakt over het sterven van bijen in een korf; als het er maar niet teveel zijn. Als de korf levenskrachtig blijft, zegt hij: Nu ja, dat er een paar doodgaan is normaal. Op dezelfde manier kunt u een rassengeest beschouwen, want die zegt ook: Zolang het ras de mogelijkheden tot ontwikkeling behoudt en levensvatbaar is, is het niet belangrijk hoeveel delen van dat ras verloren gaan. Hij kijkt dus een beetje onmenselijk neer zelfs op een menselijk ras, als hij daarvan de representante leider is. Zijn doel is een wezen creëren, dat geestelijk, maar ook lichamelijk een maximum aan aanpassingsmogelijkheden opbrengt en dat daardoor in staat is om a.h.w. de wereld te beheersen en in zijn eigen sfeer, in zijn eigen harmonie, te betrekken.

De groepsgeest bekijkt het natuurlijk wat anders. Hij kan over het algemeen niet rekenen op bv. een werkelijk mentale samenhang van de groep. Hij moet het dus zoeken in dingen, die ze verenigen. Dat kan zijn uiterlijk, dat is heel vaak vooral grondgebied of een bepaalde, meestal niet logische gedachtegang, die de mensen gemeen hebben. Daardoor kan de groepsgeest zich handhaven. En zoals de rassengeest onverschillig is voor het verlies van leden, zo is ook de groepsgeest eigenlijk onverschillig. Het gaat hem erom de mentaliteit, waaraan hij zijn vorm en zijn moeilijkheden ontleent, zolang mogelijk in stand te houden en wel binnen een gebied, waarbij ook alle natuurlijke omstandigheden aangepast zijn aan hetgeen hij op dat moment is en uitbeeldt.

Als iemand weggaat uit het gebeid van zijn groepsgeest, dan blijft hij tot het ras behoren. Hij kan tijdelijk door de geest van een ander ras, waar hij te gast is, worden beïnvloed, maar die beïnvloeding gaat nooit zover dat hij één wordt met het andere ras. Maar hij zal wel de aansluiting bij de eigen groep grotendeels hebben verloren. Een aardig voorbeeld daarvan kunt u zien bij de Indië-ganger. De man of de vrouw, die lange tijd in Indië heeft geleefd en dan naar Nederland teruggaat. Die is eigenlijk geen Nederlander meer. Dat wil zeggen; in de groep Nederlanders is het een afwijkende figuur geworden. Hij denkt anders, voelt anders, redeneert anders, heeft andere maatstaven, maar wat het uiterlijk betreft, kunnen ze nog heel precies Nederlanders zijn, zo duidelijk dat iedereen ze er wel uithaalt. Dat zijn dus weer verschillen. Wat doen deze entiteiten nu? De rassengeest zegt; Ik moet het ras veredelen. Veredelen betekent niet alleen maar beschermen. Het betekent ook zo nu en dan snoeien. En ik kan u vertellen dat er rassengeesten zijn die op een bepaalde tijd er werkelijk stevig de schaar in zetten. Zij zeggen: Kijk eens, deze variëteit is niet meer te redden, tenzij we haar terugbrengen tot een grondvorm, waaruit nieuwe levenskracht en nieuwe bloesem kan voortkomen. De rassengeest zoekt daarom vaak strijd en conflict. Strijd en conflict zijn voor de rassengeest de mogelijkheden om uit de spanning tussen de rassen (dat mag zowel mentale strijd zijn, tech­nische strijd als direct een strijd in geweld) door deze geschillen de zaak te verbeteren. Hij zegt: “Ik kan het ontwikkelen; ik heb die strijd eenvoudig nodig”. Dan zeggen de mensen. “Dat is verschrikkelijk.” “Neen,” zegt de rassengeest, “het is helemaal niet verschrikkelijk, Ik moet mijn product verbeteren en dat kan niet op een andere manier.”

De groepsgeest bekijkt het weer een beetje anders. Deze zegt op een gegeven moment: “Jij kunt met je rassengedachte nu wel zeggen wat je wilt, maar mijn groep moet blijven bestaan. Ik moet een denkbeeld vinden, waardoor die groep een eenheid wordt.” En zo is het de groeps­geest, die in een gemeenschap de werkelijk bindende factor vormt. Het is niet de rassengeest, al is die druk bezig met de mensen, het de groepsgeest. Want deze heeft er behoefte aan een eenheid van men­taliteit van denken of van geloof tot stand te brengen. En dat heeft nog een heel andere consequentie.

Indien een groepsgeest een zodanig afwijkende mentaliteit heeft doen ontstaan in een bepaalde groep, dat de rassengeest meent dat dat niet goed meer is, dan kan er tijdelijk een strijd zijn tussen rassen‑ en groepsgeest. Dat wil zeggen, dat de rassengeest alles doet om een strijd of een conflict te ontketenen, waardoor de groep uiteen zal vallen. En aangezien de rassengeest, zoals ik heb gezegd, niet met aantallen rekent, maar alleen met de mogelijkheid tot verbetering van de soort, wordt het meestal een enorm conflict, waaraan heel veel mensen te gronde gaan als individuen, juist omdat ze behoren tot een verkeerde groep.

Wat zijn de bestrevingen?

De bestrevingen zijn: het vervullen van een taak, die men zichzelf heeft opgelegd. Als ik de vergelijking mag gebruiken: ik geloof, dat er hier vooral sprake is van de kunstenaarsdrang tot scheppen. Als je probeert dergelijke entiteiten na te gaan in hun motivering, dan blijkt dat ze haast niet anders meer kunnen. Ze hebben in zich een voorstelling. Wat ze daarvoor ook moeten offeren, interesseert hen niet op dat ogenblik. Ze zijn blind voor het hele bestaan, behalve voor het ideale beeld en dat móéten ze tot uitdrukking brengen. Ik geloof ook, dat het voor die entiteiten zelf een kwestie is van zelfrealisatie en dus ook weer een bewustwordings‑ en ontwikkelingsproces.

Voor de groepsgeesten is het ook erg belangrijk dat er een soort astrale vorm (een astrale godheid) wordt gecreëerd, waardoor die geest de mogelijkheid krijgt als een soort godheid op de wereld te opereren. En dan zien we ook daar weer de neiging om de eigen invloedssfeer voortdurend uit te breiden. De een wil het ras verbeteren en zoekt een steeds beter ras, ongeacht de prijs. De ander zoekt naar invloed en probeert die invloed te vergroten, zonder zich er druk over te maken op welke wijze dat gebeurt. Vanuit menselijk standpunt zou je kunnen zeggen; Menselijk gezien kennen rassen‑ noch groepsgeesten enige moraal. Ze worden gedreven door een voorstelling, niet door een bepaalde gedragsnorm. Wat ze tenslotte zullen worden? Ik kan daarop gemakkelijker een antwoord geven dan over hetgeen ze zullen doen, zoals ze nu op aarde bestaan.

Wij weten dat er rassengeesten zijn, die de wereld om de een of andere reden hebben verlaten. We weten dat bv. uit de tijd van sauriërs degene, die de groep van de grote amfibieën heeft gecreëerd en die heeft helpen ontwikkelen, zich heeft teruggetrokken, maar dat groepsgeesten, die zich ermee hebben beziggehouden nog een tijdlang zijn doorgegaan en nu nog zekere delen van het ras op aarde in stand houden, al zijn het er niet veel meer en zijn ze in omvang enorm afgenomen, omdat dat de enige manier was om zich aan de nieuwe condities op aarde aan te passen.

Nu blijkt, dat een dergelijke rassengeest, als zijn werk voltooid is, terugvalt in beschouwing. Hij gaat de gehele ontwikkelingsgeschiedenis nog eens na en vraagt zich af; Heb ik daar nu goed of heb ik dat verkeerd gedaan. Hij ziet de ontknoping en vraagt zich dan af: Is daar geestelijke waarde uit voortgekomen? Vergeet niet: een geestelijke waarde is voor een dergelijke entiteit iets volkomen concreets; zoiets als een bankrekening voor u. Dat is ook iets dat je niet helemaal kunt omschrijven als materieel, maar wat toch verduveld goed meetelt en waarmee je voortdurend rekening houdt. Zo is het voor die entiteit ook.

Als men dat heeft gedaan, dan ontstaat daaruit een nieuw besef. Het is mogelijk, dat zo’n rassengeest zich later toch weer tot een ander ras wendt. Van tenminste één entiteit is mij bekend dat hij ‑ aangetrokken door een godsbeeld dat men zich had gevormd in een menselijke groep ‑ een tijdlang nog als groepsgeest is opgetreden. Maar dat is toch langzamerhand voorbijgegaan.

Wat de groepsgeest betreft kunnen we zeggen; Zodra de groep uiteenvalt, verliest de groepsgeest zijn contact met een wereld, waarin hij zich a.h.w. heeft uitgeleefd. Het is zoiets als sterven voor een mens. Men komt in totaal nieuwe omstandigheden te staan en moet de consequenties van alles wat men heeft gedaan dus ook aanvaarden. Het is wel degelijk ook een bewustwordingsproces, maar het ligt toch veel dichter bij het menselijke dan dat van de rassengeest. En daarmee hebben we eigenlijk al heel veel gezegd.

Nu kun je natuurlijk allerlei voorbeelden gaan geven, maar ik geloof niet dat dat op het ogenblik van betekenis is. Ik denk eerder dat je moet proberen een paar punten te beschrijven, die dergelijke entiteiten kunnen hebben in contact met de mens. Als een mens, deel van de groep, is afgestemd op het gemiddelde van die groep, dan is hij in harmonie met de groepsgeest. De resonantie die ontstaat maakt het mogelijk, dat waarden uit de totale groep en uit de geest van die groep worden overgedragen naar de groepsgeest of naar de persoon, die in harmonie is met de groepsgeest. Er ontstaat een gesloten stroomketen, waarbij de invloed mens‑groepsgeest‑mens en van de mens dan weer in de geest van de groepsgeest tegenover andere mensen een voortdurend sterker worden van dezelfde impuls tot stand brengt.

Wij zien dat vaak magisch gebeuren. Als we te maken hebben met de primitieve magie, dan zal men in sommige gevallen werkelijk een groepsgeest aanroepen. (Men noemt dat dan een god of een machtige duivel.) En omdat men uitgaat van de werkelijke kernwaarde van de mentaliteit en zelfs van de stoffelijke eigenschappen en omstandigheden van zijn ras, verkrijgt men alle mogelijkheden en middelen om die god of duivel te manipuleren. Een rassengeest roep je eigenlijk niet op, maar hij zal zich kunnen openbaren. Als we denken aan bv. de openbaring van God op de berg Sinaï, aangenomen dat dat allemaal in orde is, dan hebben we te maken met iets, dat een rassengeest zou kunnen zijn. Als we horen van die eigenaardige belevenis van Djengis Khan, die vóór zijn tent zat, terwijl er werd geworsteld. Plotseling kreeg hij het visioen van een zwaard dat in een bepaalde richting wees, waarna hij met zijn horde die kant is uitgetrokken. Hier hebben we weer met iets te maken, dat de uiting van een rassengeest zou kunnen zijn. De rassengeest laat zich niet oproepen en bezweren. Dat kan men een groepsgeest wel. Aan de andere kant zal de rassengeest zodanig be­trokken zijn bij het leven en de ontwikkeling van het ras, dat hij zich heeft uitgekozen, dat hij vaak de behoefte heeft zich te manifesteren. Hij kiest daarvoor dan meestal een exemplaar, dat ‑ gezien het ras – de hoofdeigenschappen daarvan vertegenwoordigt. Dit exemplaar wordt dan gemanipuleerd (meestal op mentaal vlak) en gebruikt om bepaalde impulsen over te brengen in dat ras.

Indien u zich eens realiseert hoe bepaalde denkers soms de gehele ontwikkeling van een ras bepalen, hoe mensen (schijnbaar wilden misschien of dwazen) in staat zijn plotseling de gehele geschiedenis voor een groot deel van de wereld te veranderen, dan gaat u zich misschien ook realiseren, dat dit wel eens opzet zou kunnen zijn. En dan kun je natuurlijk teruggrijpen naar het Oude Testament. God spreekt tot een profeet. Niemand weet hoe die God heeft gesproken. De profeet zelf weet er ook niet veel van. Maar zeker is wel, dat hij op een gegeven ogenblik dingen doet, waardoor hij het gedrag van de mensen, meestal van een grotere groep mensen, beïnvloedt. Ik geloof dat we in deze zin kunnen zeggen: Indien de rassengeest zich openbaart, is dat veelal via een profetie, dan wel door een zodanige manipulatie van het menselijk denkproces in één individu, dat hieruit stellingen en ontwikkelingen voortkomen, die een groot gedeelte van het ras beïnvloeden. Kenmerkend is daarbij, dat de totale uiting geheel is aangepast aan de mentale ontwikkeling, die het ras op dat moment heeft bereikt. En daar moet ik meteen iets bij zeggen: Wij kennen namelijk op dit terrein de z.g. overname of variant. Een rassengeest heeft zijn openbaring gegeven en de geest van een ander ras kan die invloed niet uitschakelen. Wat kan hij wel doen? Hij kan die invloed overnemen en trachten daaraan associaties te verbinden voor het ras, waarmee hij zich bemoeit, die voor hem prettig zijn. Denkt u maar aan de oorlog. De tonen van het V‑teken dat de B.B.C. uitzond. De V van victorie. Dat was een teken van de Britten. Wat deden toen de Duitsers? Toen ze zagen dat zij het niet konden onderdrukken, maakten zij er een eigen leuze van.

Zo zien wij vaak dat een impuls, die speciaal voor Azië is bedoeld, en desnoods nog voor een bepaald ras in Azië, plotseling wordt overgenomen en dan meestal in een heel korte tijd veranderd, zodat er heel andere intenties en associaties mee verbonden zijn die in ’n ander ras een belangrijke rol gaan spelen. We kunnen hier niet alleen maar spreken over ruilen van culturele waarden, zoals men dat graag doet. Want waarom blijven dan zoveel dingen eenvoudig uitgeschakeld? Aan de andere kant moet men zich toch ook afvragen hoe het komt dat sommige denkers, die nu zeker niet tot de grootsten behoren, plotseling een zo enorme aanhang weten te krijgen en een geweldige stuwkracht voortbrengen. Denk bv. eens aan Marcuse. Inderdaad een denker, die niet onredelijk is, die met zijn stellingen zeker niet dwaas is, maar toch ook niet de grote wijsgeer, die alle oplossingen heeft gevonden, integendeel. Of vergelijk eens Marx.

Bij Marx hebben we te maken met een vervreemdingsverschijnsel, want hij is joods‑Europees. De resultaten worden overgenomen. in het begin zien we nog de judeïsche invloed erin een rol spelen, al is het geloof dan uitgeschakeld. De filosofie blijft nog een tijd bestaan en dan ineens knapt het af. Wij zien dan dat dezelfde stellingen er nog zijn, maar ze worden heel anders gehanteerd. Er ontstaat een nieuwe filosofie. Dat is het overnameverschijnsel, waarover ik het had. Maar realiseert u zich nu eens even, dat zo’n in feite middelmatige filosoof een zodanige invloed heeft op een groot gedeelte van het blanke ras, dat hierdoor wel degelijk een aantal opvattingen verandert en daardoor ook wijzigingen in het gedragspatroon plaatsvinden. Indien u zich dat realiseert, dan moet u toch wel toegeven, dit is niet alleen maar te verklaren met mode en de juiste man op het juiste moment. Hier is een eigenaardige factor aan de gang; noem die besmet­tingsfactor dan maar rassengeest.

De groepsgeesten op zichzelf zijn ook niet altijd erg prettig, vooral omdat deze de neiging hebben onder te verdelen. Ze maken van hun ge­bied vaak een aantal satrapieën. Ze zetten beheerders in en die bestrij­den elkaar weer zolang het niet gaat om de invloed of de macht van het geheel. Zolang dat geheel zich maar kan handhaven en uitbreiden, mogen de onderdelen met elkaar vechten. Denkt u aan de toestand zoals, die vroeger veel voorkwam, waarbij een bepaalde buurtschap of gemeenschap naar buiten toe, één geheel vormde en als geheel zich werkelijk wist door te zetten tegenover anderen, terwijl als je binnen de gemeenschap ging kijken, die in dorpen of kerkgemeenschappen waren verdeeld, ze voortdurend met elkaar in strijd waren. U ziet het: het is niet zo onpraktisch als het lijkt.

De stellingen van rassen‑ en groepsgeesten zijn voor de meeste mensen ofwel wat bijgelovig en vreemd, dan wel op z’n minst genomen wat overdreven. Maar als u gaat begrijpen dat we te maken hebben met entiteiten, die net zomin volmaakt zijn als u of ik, die een eigen ontwikkelingsgang doormaken en die wel een enorme invloed hebben vanuit menselijk standpunt, maar zeker nog niet een absoluut bewustzijn bezitten, dan gaat u begrijpen hoe het alles kan, dat die dingen in het menselijk leven een voortdurende invloed hebben uitgeoefend en vaak nog uitoefenen.

Nu blijkt er één vreemd punt te zijn. Tot nu toe is dat nog nooit bereikt door de mens op aarde, elders wel. Indien een groepsgeest op een gegeven moment in zijn groep een zodanig sterk denken ontmoet, dat allen in dit denken een nieuwe waarheid vinden, dan wordt de groepsgeest als zodanig ofwel uitgeschakeld dan wel onderworpen aan deze door mensen gecreëerde idee. De rassengeest wordt niet onderworpen, maar past de idee weer toe in de verbetering, de verdere ontwikkeling van zijn ras. De groepsgeest echter heeft te kiezer. Als de mensen een nieuwe idee vinden, die zo sterk is en waarin ze zozeer geloven, waarmee ze zich zozeer bezighouden dat niemand er iets tegen kan doen, dan moet de groepsgeest toegeven. De mensen kunnen de groepsgeest domineren, hem uitschakelen of aan zich dienstbaar maken. De rassengeest kunnen ze niet domineren. Maar de rassengeest laat hun de vrijheid van vele zelfstandige ontwikkelingen, mits hierdoor de verdere ontwikkeling van het ras – geestelijk en stoffelijk ‑ niet in het geding komt.

U heeft nu de verklaring voor heel veel feiten en gelijktijdig ook een verklaring voor het feit, dat de mens toch een zekere vrijheid van wil blijft bezitten. Deze dingen als werkelijkheden bespreken in een moderne tijd is niet altijd aanvaardbaar. De mensen zijn zo gauw geneigd te zeggen; Ach, wij zien het niet, wij merken er zo weinig van. Voor hetgeen u aanhaalt zijn er vele andere verklaringen te vinden en o.i. meer passend, dus kletst u maar wat. Ik kan daarop alleen dit antwoorden:

De kennis, die er op aarde bestaat omtrent rassen‑ en groepsgeesten is heel oud, Ze is reeds ontstaan in de periode van de zeer primi­tieve magie en kan gerekend worden toch zeker 750.000  jaar oud te zijn. Aan dit denkbeeld heeft men vele verschillende opvattingen, geloofsvor­men en consequenties verbonden, maar de opvatting is tot heden toe blij­ven bestaan. De redelijke wetenschappen waarop u zich beroept, indien u deze denkbeelden verwerpt, zijn over het algemeen niet ouder dan 500 jaar. Misschien zegt dat iets! En in die 500 jaar zijn uw zekerheid als mens­heid, uw redelijke zekerheid zo vaak veranderd dat men niet eens kan spre­ken van een werkelijke continuïteit, slechts van een schoksgewijs verder­gaande ontwikkeling, waarbij de menselijke rede langzaam maar zeker tot maatstaf van het bestaan wordt gemaakt en steeds weer moet erkennen dat de eigen onvolkomenheden een onjuist inzicht en onjuiste verklaringen doen ontstaan.

In het geloof aan natuurgeesten, rassen‑ en groepsgeesten is dit in 750.000 jaar nog niet voorgekomen. Daarom is het verstandig ook deze theorie (voor u is het niet meer dan een theorie) mede als mogelijk te aanvaarden. Pas als u dat doet, kunt u letten op de invloeden, die u zelf ondergaat: de manier, waarop u soms het idee heeft dat de wereld wordt gemanipuleerd door onzichtbare machten. En dan kunt misschien ook het verweer vinden en de vrijheid, de zelfstandigheid van een eigen creatief denken, waardoor u de groepsgeest kunt uitschakelen en binnen het kader de rassengeest een volledige vrijheid van ontwikkeling voor uzelf kunt waarmaken. Daarmee heb ik het belangrijkste gezegd. Dit is mijn inleiding. Na de pauze kunt u hierop ingaan. Vragen, die zullen komen, zijn na­tuurlijk o.m.:

*  Zijn de goden, die de mensen op aarde kennen soms rassengeesten?

In de meeste gevallen zijn het groepsgeesten. Er zijn een of twee uitzonderingen te noemen.

*  Zijn dergelijke geesten dan op aarde nog verantwoordelijk voor het verschijnen van bepaalde grote figuren?

In het algemeen niet direct maar wel indirect, omdat zij hogere krachten aanvaarden, die op hun gebied inwerken en deze onmiddellijk inpassen in hun eigen schema van ontwikkeling.

Dan kunt u ook nog vragen:

*  Vindt u niet dat er dringender vragen zijn?

Ja, er zijn voor de mens vele vragen van een meer urgent karakter. Maar dat neemt niet weg dat deze vragen gemakkelijker worden opge­lost, indien de mens leert zijn wereld, ja, zijn leven zelfs met andere ogen te zien. In deze zin is zelfs een onderwerp als dit een bijdrage tot de oplossing van de vele problemen, die de mens­heid op dit moment schijnen te teisteren.

***************************

*  Gaarne een toelichting met voorbeelden over de werking van de rassengeesten in verband met de problemen in het Nabije Oosten (Jordanië, Israël, Egypte).

Dat is geen werking van een rassengeest maar van een groepsgeest. Het zal u echter duidelijk zijn, dat door het conflict er voor Israël en de andere landen een aanmerkelijk versnelde ontwikkeling is ontstaan, waardoor het ras (in feite het semitische ras) een veel snellere aanpas­sing aan de techniek van deze wereld vindt dan anders het geval zou zijn geweest; wat voor het ras als geheel gunstig is. Het conflict zelf is er eerder een tussen groepsentiteiten. Daarbij mag worden gesteld, dat de Israëlische groepsgeest wel de jongste is. Het is een religieuze geest, die zich een tijdlang heeft beziggehou­den met vooral Oost‑Europa en die zich daarna heeft gevestigd in Israël, zodat daar bepaalde Oost-Europese denkbeelden nog sterk doorklinken.

*  Is het de bedoeling, dat wij de groeps‑ en rassengeesten leren uit­schakelen en zo meer individueel wordend ons richten op steeds hogere entiteiten?

Ik geloof niet, dat u dit als een bedoeling kunt zien. De groeps­geest, ja, die moet u op den duur leren uitschakelen of beter gezegd; leren beheersen. Ten aanzien van de rassengeest zou ik dat niet kunnen zeggen. U bent nu eenmaal geïncarneerd binnen een bepaald ras. U heeft dus de erfmassa en daarbij bepaalde tendensen van het ras aanvaard, anders zou u niet geïncarneerd zijn. U leeft onder die rassengeest als in een milieu. Maar in dat milieu kunt u zich ‑ ongeacht de manipulatie van het geheel door de rassengeest ‑ als individu wel degelijk ontwikkelen. Indien u dus met hogere entiteiten voortdurend in harmonie weet te komen, dan zult u beter begrijpen wat die rassengeest is. U zult zich er echter niet aan onttrekken, omdat het nu eenmaal deel is van de totale ontwikkeling, waarin ook u bent geïncarneerd en die voor uw geestelijke bewustwording zo goed als voor die van alle anderen van belang is.

*  Hoe ziet u Marx judeïsch‑westers? Wilt u dit nader toelichten?

Marx is in de eerste plaats een westers denker. Zijn denken wordt grotendeels bepaald door Duitsland en Engeland; en wel door de industriële revolutie, die in Engeland plaatsvindt plus de technische ont­wikkeling zoals die in Duitsland bestaat. Zijn schema voor een revolu­tie, een nieuwe maatschappij, is gebaseerd op wat in deze beide landen gebeurt. Het heeft dus niets te maken met Rusland. Hij is joods van oorsprong, zoals vele van zijn medestanders, ook Lenin, Marx is in zijn denken dus wel degelijk bepaald door de oude joodse wetten, de Tenach (het Oude Testament, zou u zeggen) en de daarin bevatte gedragsregels en wetten. Deze zijn voor een groot deel mede verwerkt in zijn stelling­name ten aanzien van andere standen etc. U moogt dus Marx wel degelijk zien als iemand, die judeïsch‑westers bepaald is. De religieuze achtergrond in zijn denken is in de eerste plaats judeïsch. Hij behoort zelf ‑ bewust of onbewust ‑ tot een groep, die door dit denken vanuit een groepsgeest mede wordt beïnvloed. Daarnaast is hij grotendeels toch in het westers ras opgenomen en put hij zijn feiten hoofdzakelijk uit dit ras, zodat je zijn theorie kunt zien als van toepassing op landen als Engeland en Duitsland, misschien in mindere mate op een deel van Frankrijk, maar niet op landen als Rusland. Rusland moest eerst de industrie opbouwen om daarmede de verwezenlijking van Marx mogelijk te maken. Door zijn poging om de industrie zo snel moge­lijk tot stand te brengen is de werkelijkheid van Marx allang verloren gegaan. Zelfs de revolutionaire tendens, die Lenin op basis van de ge­dachten van Marx en Engels tot stand heeft gebracht, is langzaam maar zeker geperverteerd tot een oligarchische regering, die weliswaar voort­durend de techniek probeert uit te breiden en daarmee ook de vertechni­sering, van het land in de hand tracht te werken, maar die eigenlijk niets meer heeft te maken met de werkelijke verhouding arbeiders/hogere stand. Integendeel, ze creëert op het ogenblik eerder hogere stand dan dat ze gelijkheid van stand volgens Marx theorie probeert te behouden.

*  Hebben rassen‑ en groepsgeesten vrij spel of worden zij op hun beurt ook weer beïnvloed?

Een vraag, die heel moeilijk te beantwoorden is. Laat ons het zo stellen: Een rassen‑ of een groepsgeest is ‑ gezien de wijze, waarop hij zich uit en werkzaam is op aarde, zich met de aarde pleegt te verbinden – zeker gebonden aan een bepaald milieu. Dat milieu zal onder meer mede worden bepaald door de aardgeest, Het zal verder worden bepaald door de krachten van de zon en ‑ naar ik meer ‑ ook van alle kosmische grootmachten die de structuur van de gehele kosmos voortdurend helpen bepalen. Als zodanig zijn ze dus ook door een milieu beperkt. Of hierbij een directe beperking van meer persoonlijke aard denkbaar is, weet ik niet. Ik geloof wel dat ook voor rassengeesten en zelfs voor groepsgeesten harmonieën mogelijk zijn met de grote krachten, die we dan de Heersers van de Stralen noemen; zoals de Heer van Wijsheid enz, enz. Zij kunnen vrij­willig daarmee in harmonie zijn en dan door deze harmonie worden bepaald. Maar ik geloof niet, dat een dergelijke harmonie, als heersend moet worden gezien. Verder is het mogelijk, dat zij tot een van de vele Stralen van ont­wikkeling behoren. In dat geval zal hun optreden en denken evenals hun mentaliteit voor een groot gedeelte worden bepaald door de Straal, waar­toe zij in feite behoren. Een zekere beperktheid is er dus wel, maar daar­naast hebben ze toch een zeer grote individuele vrijheid.

*  Wat al die kosmische invloeden betreft, staan we allemaal onder die invloeden?

Daar staat iedereen onder. Het woord zegt het al. Een kosmische invloed is een invloed, die de kosmos kan omvatten of die uit de kosmos komt, maar dan toch een groot gedeelte van die kosmos ergens kan beheersen. Het ligt er n.l. aan, of we spreken over een geestelijke kracht. Een geestelijke kracht kan een gehele kosmos gelijktijdig beheersen en bij­zondere delen daarvan activeren vanuit die beheersing. We hebben kosmische invloeden, die uit het centrum van het Melkwegstelsel komen. Deze worden o.m. bepaald door materiële ontwikkelingen: de dichtheid van sterren, explosies van sterren, enfin, allerlei processen, waardoor o.a. stralingen, veldafwijkingen, materiewolken e.d. worden veroorzaakt en bepaald; en ook deze gelden, als ze gelden, voor de gehele wereld, dus ook voor u. Aangezien ze de wereld domineren en een groepsgeest of rassengeest zich daaraan ook niet kan onttrekken (voor zover het werk op aarde in het geding komt) is ook die rassen‑ of groepsgeest mede door dergelijke dingen bepaald.

*  Is er niet een zekere sensitiviteit voor nodig, voordat het je kan beïnvloeden of is dat niet zo?

Ik geloof, dat als je een klap met een hamer krijgt, het feit dat de hamer je raakt dan bepalend is. Niet het feit, of je gevoelig genoeg bent om een ogenblik, voordat de hamer je raakt, aan de luchtdruk reeds te merken dat je wordt geslagen.

*  Ik dacht niet, dat ze zo versterkt aankwamen die invloeden.

Ik denk, dat als je het kosmisch bekijkt, die slagen wel degelijk te vergelijken zijn met een hamerslag. Ik geef toe, dat de vergelijking misschien niet volledig is, maar dat is geen enkele vergelijking. Een analogie kan grotendeels overeenkomstig de werkelijkheid zijn, die ze probeert te verbeelden, maar ze is zelden volledig analoog; en dat is hier ook het geval.

*  U zei, dat er voor de mens ook nog een eigen wil en keuze overblijft.

Natuurlijk, waarde vriend. Als het hier regent, dan kunnen we ver­gelijkenderwijs zeggen: Het regent. Hierdoor is dus het milieu buiten be­paald. Nu kunt u zelf kiezen wat u wilt doen: in uw blootje erin gaan wandelen en een longontsteking opdoen, binnenshuis blijven en zitten prut­telen en u kunt natuurlijk ook een regenjas aantrekken, een paraplu op­steken, waterdichte schoenen aandoen en rustig uw gang gaan. In het laatste geval heeft u de verstandigste weg gekozen en kunt u ‑ ongeacht de regen ‑ praktisch alles doen wat u werkelijk moet en wilt doen, al kunt u het niet altijd doen onder de omstandigheden, die u zelf het liefst zou hebben. Dat is de vrije wil, die er voor iedereen is, ongeacht alle kosmische invloeden, ongeacht alle invloeden zelfs van rassengeesten. Wat de groepsgeest betreft, indien de mens zich realiseert, dat hij zich niet door de groep moet laten regeren en komt tot een zelfstan­dig denken, beleven en werken, dan maakt hij zich ‑ voor zover dit voor hem van belang is ‑ zozeer los van de invloed van de groepsgeest, dat hij wel degelijk zijn eigen weg kan gaan. U moet niet verwarren; indivi­dualiteit en vrije wil (in de zin van een direct omschreven ik‑heid zijn) met de vrijheid om te handelen zoals hij wil. En individualiteit en vrije wil beschouwen als; ik ben uniek en ik kan alles doen wat ik wil, want ik krijg alles wat ik wil hebben, dat is natuurlijk helemaal niet waar. Je moet de consequentie nemen en die worden door het milieu bepaald. Maar je kunt je eigen wil zeker volgen en daardoor heb je een volle­dige eigen geestelijke ontwikkeling. Je bent inderdaad een individu, niet gebonden aan deze kracht, en in je persoonlijke ontwikkeling, maar wel door die krachten grotendeels beperkt of gestimuleerd ten aanzien van hetgeen je wilt bereiken, waardoor de inspanningen daardoor kunnen verschillen. Bergop gaan is moeilijker dan bergaf. De ene kosmische in­vloed doet u, als u naar hetzelfde doel wilt streven, bergop gaan, de andere bergaf. Dat is het verschil. Maar u kunt blijven lopen en dat is het belangrijkste.

*  U gaf te kennen, dat de ideeën van grote denkers onder mensen van een rassengeest afkomstig zouden zijn. Komt er dan ook wel eens iets uit de mens zelf?

Natuurlijk komt er iets uit de mens zelf, al is het maar de wijze waarop hij een dergelijke erkenning omzet in eigen begrip en eigen taal. Maar je kunt iemand stimuleren. En die stimulans zult u in het dagelijkse leven ook voortdurend meemaken. Heeft u het nooit gehad, dat u een melodietje een keer hoorde en het dan de hele dag liep te brullen, te zingen, te fluiten? Dan kunt u natuurlijk zeggen: Ja, maar ik word bepaald. Dat is niet helemaal waar. U wordt door iets zodanig getroffen, dat u het voortdurend tot uiting brengt. Wat de groeps‑ of rassengeest kan doen bij zo’n grote denker, is een bepaalde gedachtetrein even op gang brengen. Het primaire dankbeeld is er. De denker ontwikkelt het verder zelf, maar de aandacht ervoor wordt dank weer gestimuleerd. Je zou kunnen zeggen dat het besmettelijk is, net als zo’n melodietje. Degene, die met het denkbeeld te maken krijgt, kan zich van bepaalde beelden ervan niet losmaken. Het zegt dus niets omtrent de belangrijkheid van de denker op zich. Het zegt alleen iets over de belangrijkheid van het denkbeeld, dat via die denker vorm heeft gekregen. De vormgeving is nog altijd zijn eigen zaak. Er komt heel veel uit de mens voort. Alles, wat een rassen‑ of groepsgeest pleegt te doen, is een voortbouwen op hetgeen de mens doet, heeft gedaan of zou kunnen doen met de mogelijkheden, die hij zich heeft geschapen.

*  Heeft de Maffia een groepsgeest?

Dat vind ik een maffe vraag. Neen, de Maffia heeft geen groepsgeest. Er is echter een entiteit op aarde, die ik niet als groepsgeest zou willen aanspreken, die met de vorming van dergelijke besloten eenheden voortdurend bezig is. De Maffia, zoals ze oorspronkelijk was, was een religieuze groepering, die eigenlijk gevormd is om zich te verzetten tegen gewelddadige onderdrukking en aantasting van een zekere geloofsvrijheid, vergeet u dat niet. Dat zij zich langzaam maar zeker tot een misdadigersorganisatie heeft ontwikkeld, ligt aan de omstandigheden; o.a. aan de ligging van Sicilië waar men vandaan is gekomen, de armoede die daar heerste en de mogelijkheid om de bestaande wetten en regels (o.a. de omerta, het zwijgen) te hanteren tegen landgenoten elders. Als daarvan misbruik wordt gemaakt op een misdadige manier, dan gebeurt er eigenlijk niets dat niet over elders ook kan gebeuren. Er is van politieke ideeën en op zichzelf zeer idealistische bestrevingen dan ook misbruik gemaakt. Dat geschiedt ook nu nog wel. In naam van allerlei hoge idealen gebeuren er in deze dagen overal misdaden, soms zelfs binnen de godsdienst. Dus waarom zoudt u zegge, dat daarvoor een speciale groepsgeest nodig is? Oorspronkelijk kan er een groepsgeest zijn geweest, maar gezien het uiteenvallen van de Maffia als een werkelijke eenheid van geest en streven en het daarvoor in de plaats komen van een onder die naam opererende belangenorganisatie van machtzoekers (heel veel van de capimafiosi zijn eigenlijk geen misdadigers, ze zijn machtzoekers en misdadigers) heeft eigenlijk de hele groep uiteengedreven. De regels zijn blijven bestaan. Enkele van de gebruiken, de tradities worden gehandhaafd. Maar het werkelijk daarin opgaan, de mentale ontwikkeling, die de Maffia oorspronkelijk kende, is teloor gegaan.

*  Bestaat de groepsgeest ten behoeve van de groep of bestaat de groep ten behoeve van de groepsgeest? Met andere woorden: hebben zij elkaar nodig?

Ja. Als ik een ouderwetse weegschaal heb (met een arm en twee schaaltjes eraan), dan kunt u natuurlijk vragen: Heeft deze arm die arm nodig? Maar u kunt niet vragen: Wat is er eerst? De groepsgeest wordt aangetrokken door het feit dat een groep zich vormt. De groep is er dus eigenlijk al. Maar vanaf dat ogenblik is de groepsgeest datgene, wat de eenheid van de groep in stand houdt en probeert te, bevorderen, terwijl aan de andere kant de groep noodzakelijk is voor de groepsgeest om zijn greep en zijn erkenningsmogelijkheden op aarde te handhaven. Ze worden tijdelijk dus een soort eenheid, waarbij echter rekening moet worden ge­houden met het feit, dat de inbreng van de groepsgeest op een ander niveau ligt dan het eigen zijn en de eigen reactie van de groep als zodanig.

*  Gaat de belangstelling van de rassengeest voor de instandhouding van het ras zover, dat hij zich bemoeit met de natuurlijke selectie in verband met de aantrekkingskracht van de seksen? Met andere woorden: heeft hij invloed op het fenomeen dat “verliefdheid” veroorzaakt?

Ik zou haast zeggen, dat dat gewoon uit de soort voortkomt en dat in elke soort iets dergelijks bestaat. Als u zich even wilt reali­seren, dat een mannetjesmot soms 250 km aflegt om een vrouwtjesmot te ontmoeten en u ziet dan hoe het tegenwoordig heel vaak gaat. “hi”, zo in het voorbij lopen, dan zou je zeggen: Die motten zijn toch veel meer romantisch‑seksueel verbonden dan de mensen. Neen, als u het heeft over selectie, dan is er wel dit bij de ras­sengeest: Er ontstaan binnen het ras splitsingen van de mindere kwali­teit. U zult zien, dat de rassengeest vaak dergelijke minderheden afstoot of probeert ze van het eigen ras af te zonderen op de een of andere ma­nier. En dat betekent, dat dergelijke groepen dan op een gegeven ogen­blik meestal omkomen. De invloeden zijn óf natuurrampen óf ziekte. Maar dan is het opvallend, dat het zich tot een bepaald gebied beperkt en meestal tot een zeker deel van het ras. Indien u de geschiedenis zou willen nagaan, dan zult u zien dat dat inderdaad meermalen is voorgekomen. En als u rekening houdt met dit feit, dan zult u zelf moeten constateren, dat dergelijke selectieve beperkingen van ontwikkeling voor sommige delen van een ras ook in de komende jaren nog zullen voorkomen,

*  Hoe plaatst u de individualiteit en eventuele reïncarnatie, in deze groeps‑ en rassengeest manipulaties?

Heel gewoon. Als u op een station in de trein stapt, dan kunt u zelf de trein van uw bestemming kiezen. Maar vanaf dat ogenblik bent u onderworpen aan de omstandigheden, die de trein schept en eventueel zelfs nog aan het gedrag van de medereizigers. Zo is het nu ook met een incar­natie. Je kiest bij een incarnatie een bepaald ras, omdat hetgeen de ras­sengeest. Op dat moment doet de uitstraling daarvan, (tenminste als je bewust genoeg bent) voor jou interessanter en belangrijker is dan van een ander ras; en dan houd je je daarmee bezig. Soms gebeurt het wel, dat je toch in het verkeerde ras incarneert. Men ziet dan, dat zo iemand zich van zijn ras, zijn denken, zijn land, zijn groep zelfs losmaakt en zich automatisch voegt in een ander ras, een andere groep, waarin hij geeste­lijk en ook qua milieuomstandigheden past.

*  Wat is nu overheersend in dit Aquariustijdperk: de groepsgeest of de rassengeest?

Daarvoor is geen algemeen en juist antwoord te geven. Aquarius betekent een kosmische invloed, waaraan groeps‑ en rassen­geesten zowel als de bewoners van deze wereld in zekere mate aan onder­worpen zijn. Het is een stimulus in een bepaalde richting. Het is een prikkeling a.h.w., waardoor zekere acties sneller, andere trager zul­len verlopen. De rassengeest en de groepsgeest zijn er beide evenzeer bij betrokken als de mensen zelf. We kunnen moeilijk zeggen, dat een van beide domineert. Maar aangezien de broederschapsgedachte, door Aquarius sterk wordt bevorderd, meen ik dat de groepsgeest van minder belang zal zijn in de komende periode dan de rassengeest. We zullen dus al heel snel in plaats van met landen, die we toch als groepen kunnen beschou­wen, met een soort rassen en belangengemeenschappen te maken krijgen. En in plaats van kleine landjes of provincies tegenover elkaar te stel­len, zullen we de tegenstelling voorlopig hoofdzakelijk zien tussenwe­relddelen. Maar ook dat is, niet bepalend, want op een gegeven ogenblik is het mogelijk, dat alle mensen een zekere mate van broederschap ten aanzien van elkaar ervaren en in praktijk brengen. Dat laatste is zeer belangrijk. Zodra dat gebeurt, zullen de groepsgeesten hun activiteiten niet meer kunnen baseren op begrenzing van hun gebied en instandhouding van die grenzen of de uitbreiding daarvan, maar alleen op het handhaven van een bepaalde mentale en spirituele ontwikkeling. Dan zal het een kwestie van sensitiviteit worden, die van groep tot groep verschilt. Wat de rassengeest betreft, geloof ik niet dat hij op enigerlei wijze wordt gestoord of bevorderd door het intreden van een ander tijdperk. Alleen zal hij nu te maken krijgen met andere, uiterlijke omstandigheden, die hem misschien nieuwe mogelijkheden geven om de inhoud van het ras te vergroten en daarmee ook de stamina (kracht) materieel zowel als geeste­lijk juister te richten, Dat is het enige antwoord, dat ik hierop kan geven.

*  Zijn er misschien bepaalde rassengeesten, die juist in het Aqua­rius-tijdperk een grotere ontwikkeling doormaken?

Alweer heel moeilijk te zeggen, omdat u hiermee aanneemt dat de ontwikkeling van de rassengeest meetbaar is in het ras dat hij creëert, waarmee hij zich‑verbonden acht. Ik geloof niet, dat het helemaal juist is. Maar u kunt wel stellen, dat de ontwikkeling van het Westen nog aan­houdt tot 2020, 2030. Daarna krijgen we in de wereld een opkomende domi­nantie van wat men het gele ras noemt en gelijktijdig een versterking en opkomst van het zwarte ras, waarbij deze beide rassen elkaar in invloed op de ontwikkelingen in de wereld tijdelijk zullen afwisselen. Als u dus spreekt over invloed op de wereld, dan kunnen we zeggen: Inderdaad komen er andere belangrijkheden, maar die zouden ook zon­der Aquarius op een gegeven ogenblik onvermijdelijk zijn geweest. Ze zijn n.l. deel van de ontwikkeling, die rassengeesten doormaken En die on­der hun leiding ook de rassen doormaken. Daaraan kun je je niet onttrekken. Maar om nu te zeggen, dat de rassengeesten zelf zonder meer door Aquarius worden beïnvloed. Zeker, in hun mogelijkheden. Wat hun persoon­lijkheid betreft, weet ik het eerlijk gezegd niet.

*  Er is toch een causaal verband tussen de dingen?

Dat is natuurlijk wel zo, maar wie zal zeggen wat de oorzaak en wat het gevolg is? Het is vaak heel erg moeilijk om ‑ als je je bezig­ houdt met de causaliteit ‑, oorzaak en gevolg van elkaar te onderscheiden.

*  Omdat we niet weten waar de oorzaak is begonnen. Maar het gevolg, kunnen we altijd wel zien.

Wij kunnen iets als gevolg stipuleren zonder zeker te zijn, dat het op zichzelf een gevolg is. Het is zelfs mogelijk dat het gevolg in feite aanwezig was en daardoor wat wij de oorzaak noemen heeft gecreëerd als eerste voor ons direct hanteerbare uiting. Laten we dat niet vergeten. De causaliteit is niet alleen een kwestie van materieel, natuurkundig oorzaak en gevolg. Het is wel degelijk ook een kwestie van interactie van wetten. En aangezien we niet weten welke wet nu het eerst ontstaat, kunnen we zeggen: Het in verschijning treden is voor ons het gevolg van iets. Maar het kan wel zijn, dat het gevolg op zichzelf mede de wet bepaalt.

*  Ik bedoel meer; in causaal verband is het dus zichtbaar.

Laten we het noemen de rassengeest, maar ook de kosmische constellaties, en zo alle dingen. Vanuit een menselijk standpunt is een volgorde in het optreden van de verschillende invloeden en inwerkingen kenbaar, waardoor kan worden aangenomen dat bv. het sterker worden van de invloed, die we Aquarius noemen, causaal (veroorzakend) is voor veranderingen in ge­drag en ontwikkeling binnen groepen en rassen. Dat is inderdaad waar.

*  Wij hebben van menselijk standpunt gezien niets anders om van uit te gaan.

Aan een waarneming kunnen we onze conclusie verbinden, al dan niet juist. En dan moeten we zeggen, dat we dit alleen kunnen doen, indien we onze conclusie voorwaardelijk stellen.

*  Dat moeten we natuurlijk altijd doen.

De meeste mensen vergeten dat; zeker in kringen als deze; Daarom ben ik niet geneigd om zonder meer te stellen: er is een causaal verband. Ik kan hoogstens zeggen: In de gevolgen en vanuit menselijk standpunt zou men een causaliteit kunnen constateren, zonder daarmee met zekerheid te zeggen dat deze causaliteit, zoals ze wordt gestipuleerd, inderdaad feitelijk juist is. Een kleine afwijking mag hier wel even. Ik zou n.l. dit willen zeggen:

De moeilijkheid van de mens is dit: zijn uiterste bereiking van be­grip op dit moment stelt hij als bepalende verklaring voor alle nu voor hem waarneembare verschijnselen, daarbij steeds weer vergetend dat hij niet alle verschijnselen kan waarnemen, dat hij niet de juiste verhoudingen in alle verschijnselen kan constateren en dat zijn verklaring en niet het ge­heel van de verschijnselen dekken. Hierdoor komt hij tot een dogmatisme, waarmee hij een deel van de voor hem waarneembaar geworden verschijnselen tracht weg te verklaren en te verwerpen. En dat is een van de dingen waar ik tegen ben.

U zult het wel gemerkt hebben. Ik heb ‑ voor zover dat mogelijk was in een onderwerp als dit ‑ wel degelijk een redelijke benadering ge­geven in een benadering kan slechts beperkt zijn, omdat een groot ge­deelte van hetgeen ik moet poneren niet behoort tot de erkende en direct bewijsbare menselijke wetenschap. Dat betekent echter niet, dat het niet bestaat. Het betekent alleen, dat het voor de mens nog niet in een der­gelijk verband is te vatten. Als ik naga wat ik zelf van deze dingen weet ‑ en ik weet er tame­lijk veel van ‑ dan ontdek ik eveneens dat ook mijn visie niet voldoende is om het geheel van het aangevoelde (dat ik dus nog niet helemaal waar­neem) ook volledig te verklaren. Daarom moet ik elke verklaring mijner­zijds zodanig voorwaardelijk stellen, dat ik sprekend over gevolgen, die voor u definitief zijn, deze als een reële, concrete waarde en samenhang mag stellen, maar dat ik alle dingen, die verdergaan dan dit, met een voorwaardelijke terminologie buiten het dogmatisch karakter van het men­selijk weten moet trachten te brengen.

*  Dus het is niet vertaalbaar in onze begrippen?

Ja, en voor een deel niet geheel vertaalbaar in mijn begrippen.

*  We kunnen toch aannemen dat er geen oorzaak is zonder gevolg en dat er geen gevolg is zonder oorzaak?

We kunnen dat inderdaad aannemen, maar of het waar is, weten we niet. Dat is nu juist de grote moeilijkheid. We kennen een wet van oorzaak‑en‑gevolg, maar die wordt bij ons heel vaak vertaald als wet van evenwicht. Dat komt omdat wij oorzaak en gevolg niet zien als noodzakelijk met elkaar verbonden. Wij zien gevolg en oorzaak als de factoren van twee tegengestelde velden of waarden, waarbij het ontstaan van een variant in veld A een noodzakelijke variant in B veroorzaakt, maar ook omgekeerd. Wij stellen dus: Als hier een verandering is, dan is deze altijd causaal voor een verandering dáár. Maar deze verandering is niet noodzakelijkerwijs altijd dezelfde en definitief te bepalen. Het is vaak eerst veel later mogelijk de samenhang tussen wat, wij oor­zaak en gevolg noemen te constateren. We zullen dan misschien moeten constateren, dat variant A oorspronkelijk werd veroorzaakt door een door ons niet geconstateerde variant in E. Daarom moet je zo ontzettend voor­zichtig zijn met deze dingen. En ik geloof ook wel, dat het redelijk is. Wij weten, dat er rassengeesten zijn. Dat is eenvoudig geconstateerd en dat is voortdurend bewijsbaar voor ons in de geest. Wij weten, dat er groepsgeesten zijn. Ik geloof, dat de uitwerking van de groepsgeest zo sterk is, dat zelfs op aarde het bestaan van dergelijke gemeenschappelijke denkkrachten of bewustzijnswaarden aanvaardbaar zouden zijn. Hoever dit gaat, weten we niet. We weten niet: waar houdt de rassengeest op als ras­sengeest te functioneren en wordt hij ‑ tijdelijk of blijvend ‑ tot groeps­geest? Die overgang is niet te bepalen. Maar wel weten we, dat er ras­sengeesten zijn, die op een gegeven ogenblik plotseling als groepsgeest functioneren. En zo stipuleren wij dus de functie rassengeest en de functie groepsgeest, maar we zijn niet in staat de volledige samenhang tussen beide zonder meer te verklaren. Wel kunnen we uitgaan van de ontstaans­geschiedenis van beide, zoals die kenbaar is. Dat heb ik ook gedaan. En dan kunnen we aantonen, dat de rassengeest er is, voordat de groeps­geest zich kan vormen, omdat de groepsgeest aan een mentaliteit is ge­bonden, terwijl de rassengeest kan functioneren zodra er leven is. Dan vind je wel iets. Maar kunnen we nu zeggen, dat de rassengeest cau­saal is voor het optreden van de groepsgeest? Dat is heel moeilijk. Het lijkt er wel op, maar zeker is het niet. We kunnen dus spreken over waarschijnlijke gevolgen van veronderstelde oorzaken. Dat is de meest juiste manier.

*  De mens in het algemeen, het individu, is zo gecompliceerd en zit zo vol tegenstrijdigheden dat je het idee hebt …. (verder onverstaanbaar).

Neen, dat zou een heel gemakkelijke methode zijn om dat weer te verklaren. De mens als individu zit niet vol tegenstrijdigheden, maar hij heeft zich een aantal denkbeelden en maatstaven aangewend, die niet in overeenstemming zijn en met de capaciteiten en mogelijkheden van zijn wezen met de werkelijkheid van de wereld, waarin hij vertoeft. Door het hanteren van deze valse maatstaven komt hij innerlijk tot een zekere verwarring, tot een chaotisch denken, waardoor een deel van zijn gedrag dit chaotische denken wel weerspiegelt, maar als je de feiten op de keper beschouwt, de mens eigenlijk helemaal niet zo complex reageert als hij het zichzelf voorstelt.

*  Een vraagje. Ik weet niet, of dat er iets mee te maken heeft. Jezus heeft gezegd: Waar twee vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in uw midden. Heeft dat iets te doen met het idee van groepsgeest?

Dat heeft niets te maken met het idee van groepsgeest, wel met harmonie. Er wordt uitdrukkelijk gesteld “in mijnen naam”. Met andere woor­den: Als drie mensen geconcentreerd zijn op een entiteit Jezus of een Christus of hoe je het noemen wilt, dan zal mits deze entiteit Jezus of groepsgeest zich ook op de mensheid, op de wereld richt, er en harmonie tussen dezen ontstaan, waardoor in feite vergelijkend gesproken kan worden over een aanwezigheid van Christus of van Jezus temidden van die an­deren. Het is dus een harmonie, die is gebaseerd op een harmonische over­dracht van krachten en ideeën, zoals die in de geest bestaan. Het heeft dus niets te maken met een rassengeest of een groepsgeest. Een groeps­geest kan zich soms op een overeenkomstige wijze gedragen, maar dan is het niet voldoende, dat men bijeenkomt in zijn naam (gesteld dat hij een naam heeft en dat je die kent), maar dan is het noodzakelijk dat je bent afgestemd op datgene, wat hij specifiek representeert. En dan is dus de bepaling een andere: Je komt niet in zijn naam bijeen, maar je bent harmonisch net hem en dan kan een soortgelijke beïnvloeding inderdaad plaatsvinden.

Besluit

We hebben nu gesproken over een van de vele aspecten van de voor u onzichtbare wereld. Het gehele leven is voor u opgebouwd in drie dimensies plus het verschijnsel tijd. Dat daarbuiten andere dimensies denkbaar zijn en dat wezens die in die andere dimensies behoren totaal andere waarderingen zullen kennen en totaal andere mogelijkheden zullen bezitten, is voor de mens nog wel voorstelbaar. Maar dat deze wezens ook invloed hebben in zijn wereld, is iets dat hij angstvallig probeert af te wijzen, omdat daarmee het gevoel van eigen macht, van eigen prioriteit wordt aangetast.

De meeste mensen hebben moeilijkheden, zodra het er om gaat te erkennen, dat zij worden beïnvloed en toch: Iemand, die een bepaald beroep heeft, wordt door dit beroep beïnvloed. Zijn denken, zijn vocabulaire, ja, zelfs zijn wijze; van handelen, zijn uiterlijk en zijn gedrag zullen daardoor mede worden bepaald. Dat doet niets af of toe aan zijn individualiteit. Hij is en blijft een persoonlijkheid en kan als persoonlijkheid uniek of bijna uniek zijn. Maar hij wordt bepaald. Niemand van u is werkelijk zoals hij of zij persoonlijk zou willen zijn. U bent allen bepaald door omstandigheden, die u eigenlijk niet eens kunt zien en niet kunt controleren. U leeft in een wereld en neemt aan, dat die wereld zo moet zijn. Maar is ze wel werkelijk zo? Zou die wereld werkelijk wel zo moeten zijn? Velen, die worden geconfronteerd met een onaanvaardbare wereld, roepen uit: Die wereld zou anders kunnen zijn! Maar de manier, waarop ze het oplossen of willen oplossen, is altijd weer gebaseerd op de wereld die er is, dok al verwerpen zij die. Het is duidelijk, dat als die mens dus wordt geconfronteerd met krach ten uit de kosmos, met rassengeesten en met groepsgeesten, hij dan zal zeggen: “Het bestaat niet,” omdat hij het gevoel heeft; ik word beheerst.

Maar aan de andere kant is het heel normaal dat ook dergelijke, niet zichtbare factoren mee functioneren in het geheel, dat de mens in zijn directe uitingsmogelijkheden tenslotte enigszins begrenst. Je kunt koning zijn van een klein rijk of van een groot rijk. In een klein rijk zul je minder aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden hebben en misschien in verhouding tot het grote rijk minder mogelijkheden, maar je zou er veel gelukkiger in kunnen zijn. Nu kun je ook zeggen: “Ik wil alleen koning zijn van een groot rijk,” maar dan ben je een dwaas, want dan eis je voor jezelf wel grotere bevoegdheden en grotere vrijheden, maar aan de andere kant sta je ook bloot aan veel grotere gevaren. Dat hebben de Franse koningen wel bewezen.

Het is verstandig om als mens aan te nemen dat het milieu, dat je beïnvloedt en dat zelfs je denken voor een groot deel bepaalt, complexer van samenstelling is dan je denkt. Het is goed je zo nu en dan te realiseren, dat er dingen kunnen bestaan als rassengeesten, groepsgeesten, persoonlijke leiders desnoods en al die dingen meer. Het is niet verstandig u daarop te gaan baseren. Het erkennen, dat bepaalde factoren werkzaam zijn, betekent nog niet dat u, voordat u de werking daarvan heeft kunnen afzonderen van alle invloeden, ermee kunt werken en ageren. Maar u heeft wel een totaal beeld; en in dat totale beeld is ‑ of u het wilt toegeven of niet ‑ zeer veel onredelijks te vinden.

Er zijn causale werkingen, die een beetje onverklaarbaar zijn, omdat ze schijnen af te wijken van alles, wat we tot nu toe in eenzelfde verloop van causaliteit hebben menen te mogen constateren. Laten we ons dan a.u.b. realiseren, dat er meer factoren werkzaam zijn dan wij beseffen. En als wij ons dan een beeld daarvan vormen in de zin van groepsgeesten en rassengeesten en iets weten over hun functioneren, dan is dat prettig. Het maakt voor ons het onverwachte, het niet helemaal kloppen met hetgeen je stoffelijk zou kunnen berekenen aan­vaardbaar. Maar het betekent niet dat je je los kunt maken van de materie.

Je moet in de wereld leven. Iemand, die op deze wereld wil leven volgens de regels, die zijns inziens in de hemel bestaan, zal de hemel nooit vinden en hier geen leven hebben. Wie probeert in deze wereld nu eens even alle bovennatuurlijke krachten in te schakelen, zonder in staat te zijn de werkingen van die krachten ook inderdaad kenbaar en voelbaar tot uiting te brengen, die kan voorlopig zijn moeite beter sparen. Je kunt zeggen. Daarmee zal ik mij ‑ in mijn vrije tijd ‑ bezighouden, want er zijn zoveel dingen, die van groot belang zijn.

In de loop van de geschiedenis, zeker voor de komende jaren, zult u heel wat feiten zien, die ‑ als u deze lezing dan nog heeft onthouden ‑ in uw gedachten kunnen opkomen: He, hier zien we toch wel iets, dat typerend is voor een groepsgeest of voor een rassengeest. Maar dat verandert niets aan de zaak. Onthoud dat goed! U moet u oriënteren naar de feiten, die u kent en naar de feiten, die, u kunt beheersen. Voor een aantal niet beheersbare factoren en een onvolkomen kennis van de feiten is het weten, dat en een onzichtbare wereld bestaat goed. Het geeft je tenminste het idee, dat je niet gefaald hebt. Maar veel verder gaat het niet. Pas indien u terugkeert in de geest, zal een begrip voor rassen en groepsgeesten voor u misschien werkelijk een verandering van mogelijkheid en hantering betekenen. En dat kunt u ook aan onze kant leren.

In een periode, waarin alles voortdurend mis schijnt te gaan, waarin je alles wat je zo mooi hebt berekend, bedacht net niet uitkomt, in het goed dat je rekening houdt met onbekende invloeden, dat je iets begrijpt van wat een rassen‑ of groepsgeest zou kunnen zijn. Want dan krijg je het gevoel: ik moet rekening houden met de sfeer die ik rond mij aanvoel, met de activiteiten die rond mij aan de gang zijn. Dan kan ik weer teruggrijpen naar mijn stoffelijke kennis en dit erbij rekenende nu mijzelf bewijzen, dat ik niet zo dwaas ben als ik dacht te zijn, dat ik niet zozeer heb gefaald als ik dacht te falen.

Dit is geloof ik wel het belangrijkste dat we met een onderwerp als dit kunnen bereiken. Een mens moet leven met de feiten, met de wereld. Daaraan kan bij zich niet onttrekken. Daarvoor is hij mens geworden. Maar op het ogenblik, dat hij beseft dat er meer waarden zijn dan er in de wereld en in dat menselijk denken en menselijk zijn alleen worden geaccepteerd, kan hij een grotere vrijheid en dus in zekere zin een mogelijkheid tot meer individueel reageren en denken verwerven. Daarmee kan hij in zijn wereld betere resultaten bereiken en in zijn bewustzijn ‑ door die grotere vrijheid van denken ‑ een juistere harmonie, een juister contact met die onzichtbare waarden ook tot stand brengen.

Meer heb ik met dit onderwerp, dat overigen indertijd door u werd gesteld, niet willen doen. Ik geloof niet, dat het belangrijk is, om er meer mee te doen.

Als je het mechanisme van de wereld beziet, dan zijn er overal hiaten en die kun je alleen verklaren, indien er een andere kracht is, misschien een magnetisch veld, dat de verbinding vormt tussen de verschillendedelen van het zichtbaar mechanisme. Want ze werken met een zekere synchroniciteit. Ze werken op een wijze die aantoont dat ze aan elkaar gekoppeld zijn, ook al is deze koppeling, niet direct zichtbaar. Die koppeling noemt men dan groepsgeest of rassengeest en misschien zelfs kosmische invloed.