Rassenhaat

image_pdf

5 februari 1973

U weet allemaal dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Als u het niet weet, merkt u het nog wel. Het onderwerp is in het verleden door uzelf uitgekozen – dat weet u waarschijnlijk ook – en de titel is: Rassenhaat

En nu moet ik beginnen met een verklaring, die wat ontsteltenis zal wekken: echte rassenhaat bestaat niet!

Dat is wel het meest gekke van het hele onderwerp: we praten dus over iets dat niet reëel bestaat en dat toch regelmatig tot uiting komt. Nu zal ik u proberen uit te leggen, waarom er geen echte rassenhaat is, aan de hand van een paar voorbeelden. En ik zal u ook proberen duidelijk te maken waar rassenhaat ontstaat en hoe.

Wanneer wij eens kijken naar Nederland, kunnen we zeggen dat het een land is dat nogal tolerant is. Dat komt omdat Nederland minderheden opneemt. Zo zegt men bv.: Nederland is altijd goed geweest voor de Joden. Dat is wel waar. Maar laten we één ding niet vergeten. Toen de Joden hier kwamen en hier waren, werden ze toch afgezonderd. Ze zaten in een getto. Toen de Portugese Joden uitgeweken zijn, mochten ze zich vestigen in Amsterdam, maar alleen in bepaalde straten en onder zeer stringente voorwaarden. Later is dat verwaterd. Een Jood was niet meer een vreemd wezen, het was een Nederlander met een bepaalde confessie. Maar de Joden gedroegen zich in die tijd als minderen en er was wat aan te verdienen. En die twee factoren hebben de tolerantie veroorzaakt.

En datzelfde zien we wanneer we te maken krijgen met gastarbeiders bv. Daar zijn dus Turken bij, Marokkanen en wat heb je nog meer hier, Spanjaarden en Italianen, ofschoon dat al wat gemakkelijker aanvaard wordt naar ik aanneem. Maar die mensen zijn dus vreemd. Zolang ze hier komen en ze gedragen zich onderdanig, ze proberen niet op de voorgrond te treden, zichzelf en hun gewoonten te laten gelden, dan is het best. Op het ogenblik dat ze een groot genoeg aantal krijgen om zich te laten gelden, worden ze gehaat.

Er is hier sprake van een haat, die niet tegen het ras is gericht. Ze is gericht tegen de vreemdeling, die op welke wijze dan ook, de eigen belangen aantast of dreigt met zijn eigen gebruiken de gewende orde en gang van zaken te verstoren. En daar is nogal gebruik van gemaakt.

Elk ras voor zichzelf heeft een zekere waan van superioriteit. En dat is niet alleen voor elk ras te zeggen, het is zelfs te zeggen voor elke groep. Er is een tijd geweest dat mensen uit het zuiden van Nederland in Noord-Nederland niet bepaald prettig werden ontvangen. Ze waren minderwaardig en dat moesten ze begrijpen.

Wilden ze dat niet begrijpen en werden ze gesnapt, dat ze toch uit het Zuiden kwamen, dan werden ze ongeveer behandeld als de gevluchte negers in het ook zo tolerante Noorden van de Verenigde Staten. Want daar zien we een soortgelijk verschijnsel.

De negers zijn als slaven naar het Zuiden gebracht en ze zijn daar geïntegreerd, maar als minderwaardig, als een soort vee. Ze zijn bezit. Dat wil niet zeggen dat uit Uncle Tom’s Cabin, hoe heet hij ook weer, Simon Legree, de wrede slavenhandelaar, een werkelijk voorbeeld is van de wijze, waarop die slaven in het Zuiden werden behandeld. Maar ze waren eenvoudig mindere kwaliteit, ze hadden onderdanig te zijn, ze hadden alleen maar te doen wat ze gezegd werd en als ze niet netjes waren, dan kregen ze op hun duvel, zoals een hond een pak slaag zou krijgen, wanneer hij tegen de belangen van zijn meester ingaat. Dan kwamen ze naar het Noorden. Het Noorden was voor de vrijheid. Zolang er enkele negers in vrijheid waren, kregen ze een behoorlijke steun o.a. in Chicago, waar een soort ondergrondse lijn eindigde, werden ze heel goed ontvangen. Maar dat aantal nam toe. En toen vond men dat die neger zich moest realiseren dat hij minder waard was. In het begin namelijk, waren ze dat. Ze hadden geen opvoeding, ze konden dus alleen voor de laagste baantjes in aanmerking komen. Maar toen er meer kwamen en enkelen daarbij wat konden lezen en schrijven en zelfs gestudeerd waren, toen werd het een andere kwestie. Toen werd de neger gediscrimineerd.

Toen was er nog geen sprake – laten we dat wel begrijpen – van een werkelijke rassenhaat tussen blank en zwart en omgekeerd. Maar nu komt er een periode waarin die negers zelf welvaart weten te bereiken. Ze gaan ook naar universiteiten toe, ze hadden een behoorlijke scholing, ze kunnen dus als concurrent op de arbeidsmarkt optreden. En wat meer is, ze zouden misschien invloed kunnen krijgen. Dat neemt men niet. De arme blanke zou de mindere worden van iemand, die er anders uitziet, met een andere achtergrond. Dat kan hij niet hebben.

Op dat ogenblik ontstaat de K.K.K. pas, de werkelijke Ku Klux Klan. Voor die tijd was het eerder een organisatie, die wat negers terughaalde en vooral, die het overwonnen Zuiden verdedigde tegen de niet al te fraaie praktijken van de Yanks. Maar tegen de negers gaat men zich pas richten en tegen andersgelovigen op het ogenblik dat die rassenhaat al een feit is.

U denkt misschien: ach, dat is overdreven, die rassenhaat heeft iets te maken met huidskleur, met de geur van iemand. Helemaal niet, vreemd genoeg, helemaal niet. Zoals ook Chinezen bv. in de Verenigde Staten lange tijd gediscrimineerd werden. Niet in het begin. Toen waren ze belachelijke figuren, van wie werd verwacht, dat ze de was deden en als ze toevallig iemand eens in de weg liepen, onmiddellijk zoiets van “Velly solly” probeerden te fluisteren. Maar toen de Chinezen dus geld gingen verdienen, toen de Chinezen een soort eigen macht werden, toen was het wat anders,

Er is een heel typisch voorbeeld van – als het u interesseert. U weet dat in de tijd dat de spoorwegen werden gebouwd, de Chinese immigratie in de Vereinigde Staten erg op gang is gekomen. Nu waren de koks in die tijd heel vaak Chinezen. Maar in die spoorwegkampen had je geen koks. Nu waren er Chinezen, die gingen daar eethuisjes exploiteren. Zolang dat eethuisjes waren, was er geen bezwaar tegen. Dat was een tent en dan kon je daar wat eten. Maar de Chinezen gingen meer doen. Ze gingen handeldrijven. Ze gingen dus dingen verkopen, die tot nog toe alleen door de blanken verkocht werden. Dat wordt niet getolereerd. En zo komt er dan een ogenblik – dat is in de buurt van Phoenix, Arizona gebeurd – dat men een heel Chinezenkamp, zeg maar 200 man ongeveer met vrouwen en kinderen, die handeldreven en eethuisjes hadden, kortom die diensten verrichten voor de mensen, eenvoudig met zwepen heeft weggejaagd, zonder enig bezit. Dat deel van het kamp waar ze woonden, is zelfs verbrand. Dat gebeurde niet omdat ze een hekel hadden aan Chinezen, dat gebeurde, omdat ze een hekel hadden aan concurrentie. Maar wanneer er nu weer een Chinees in de buurt kwam, dan zeiden ze: kijk, daar heb je er weer een, die ons wat af gaat nemen.

En zo ontstond in plaats van een zekere minachting voor “de andere” die anders is, een soort haat. En die haat heeft zover doorgewerkt, dat er inderdaad nog verschillende buurten zijn waar, ook nu nog, iemand die van Aziatische origine is, geen voet aan de grond kan krijgen. Dat is overgeleverd als een “gevoel”, daar zijn verhalen bij verzonnen. Dat was nu een kwestie dus van rassenhaat zoals die daar ontstaan is, tussen negens, tussen gekleurde mensen en blanken.

Maar vergeet u één ding niet. Dit is een polarisatieverschijnsel. Steeds grotere groepen komen tegenover elkaar te staan. Maar ik noemde u Chicago. In datzelfde Chicago waren eerst de Ieren. Dat waren de mensen voor de slachthuizen hoofdzakelijk. Die mensen werden dus geminacht. Maar ze gingen weg. Ze gingen andere baantjes nemen. Toen kwamen er nieuwe mensen. Dat waren o.a. de Polen. Toen werden die dus weer gezien als de mindere laag. Die waren nog minder. De Scandinaviërs waren er het eerst, dan de Ieren en dan daaronder had je de Polen. Dat was een heel stratum dus. En wanneer een Pool zich waagde bij de oorspronkelijke Amerikanen, dan werd hij gewoon weggehoond, werd hij weggepest of weg geranseld. Wanneer een Ier kwam, dan mocht hij beleefd zijn en vooral, als hij politieagent wilde worden, dan werd hij werkelijk nog wel aanvaard, vooral als hij zich liet omkopen. Dat was gewoon de manier waarop die opbouw bestond.

En nu denkt u: ja, maar dat hebben wij toch niet. Wat denkt u vroeger van de houding van de Nederlanders tegenover de hannekemaaiers, de trekkende Duitsers, die in de landbouw werkten voornamelijk, later de handelaren. U denkt misschien: ach, we hebben grote namen in Nederland, noem er maar eens een paar op. Tuschinski bv. dat zijn toch mensen, die aanzien hebben. Ja, maar hoe zijn die mensen tot aanzien gekomen? Daar zijn wat geslachten overheen gegaan. Bovendien, dat aanzien was in bepaalde kringen. In andere kringen werd de man nog steeds als niet geaccepteerd afgewezen, want hij was uiteindelijk dan toch maar één van die marskramers, die een handel hadden opgezet.

Als u kijkt naar de geschiedenis van grote magazijnen, noem er eens een Brenninkmeijer. Brenninkmeijer bv. dat is dus van de kledinghandel. Die zijn dus eigenlijk ook als lappenhandelaren gekomen. Er was een ander, die eigenlijk geleerd had dat je eigenlijk ook nog wel eens hele hemden kon verkopen in plaats van linnen en die is de stichter geweest van …. hoe heet dat rotding, de honingraat, nee de Bijenkorf, ja. Die mensen werden gediscrimineerd, totdat zij dus zodanig met de economie verweven werden en daarin een redelijke plaats konden innemen, dat langzaam maar zeker de tegenstellingen wegvielen.

En wat zien we nu. Nu komen bv. Surinamers naar Nederland. Die Surinamers, daar zijn er een hele hoop bij natuurlijk waarvan je kunt zeggen: nou, dat zijn niet de besten. Maar er zijn er ook een hele hoop, die net zo veel of meer presteren dan een Nederlander. En ook wel in de betere beroepen. En wat gebeurt er nu?

Als er een enkele is, dan vindt men het prima. Men wil laten zien, hoe groot men denkt. Die man is gekleurd, maar het is een gast in ons land. Maar nu komen er te veel. Nou moet je die kleurlingen niet hebben, bovendien, ze hebben andere gewoonten en ze zijn vies. Dat praat je mekaar aan. Want dat is een aantasting van je eigen gezag, van je eigen wereld, je eigen milieu.

Nu hebben de blanken daar niet zo gek veel last van gehad natuurlijk. Ze hebben geheerst bv. in India. Ze hebben geheerst in een groot deel van Afrika. Maar als u daar gaat kijken, dan zult u met enige bevreemding moeten ontdekken, dat in die landen een zekere discriminatie, al is het niet zo erg opvallend, bestaat tegenover de blanken op het ogenblik. Men realiseert zich niet hoe de blanken gehaat zijn geweest.

Men spreekt daar, nou ja, over de opstand in de Punjab, en de Wurgers en zo. Heerlijke romanstof, maar men vergeet erbij te zeggen dat dit het verzet is geweest van een volk dat zijn eigen gewoonten, zijn eigen gebruiken, zijn eigen waardigheid aangetast zag.

Deze haat, deze aarzelende haat, bestaat in een deel van Azië nog. Of dacht u misschien dat de Japanners zo erg wegliepen met de blanken? Zeker, ze zijn praktisch veramerikaniseerd in de uiterlijkheden van hun leven, maar dat is een kwestie van handel, van belang. Ze hebben wat dat betreft veel met de Nederlander gemeen. Neemt u mij niet kwalijk, dat is niet nadelig bedoeld, want ze hebben vele goede eigenschappen. Ze zijn ijverig, ze zijn betrouwbaar, maar goed, deze mensen spelen nu baseball. Maar ergens, ergens moeten ze toch altijd weer hun waardigheid bewijzen tegenover de blanke. En het feit dat ze voor een groot deel blanke gewoonten hebben overgenomen, is een behoefte om zich te ontworstelen aan een minderwaardigheidsgevoel. Economisch zijn ze met de westerse wereld te sterk verweven, maar zo dadelijk – China gaat steeds verder open – verandert dat wel weer. En dan zijn er geen mensen meer, die zich laten opereren aan de ogen om meer op blanken te lijken. Integendeel, dan zal juist weer het accent leggen op zijn gelijkheid met de Aziaat. Want ook hier is er milieuaantasting. Zolang je de mindere bent, probeer je te doen of je de gelijke bent of de gelijke wordt, je imiteert. En dat imiteren hebben we ook gezien in Afrika. In Afrika, waar een negerhoofdman met een hoge hoed en een rok rondliep. Niet, omdat die dingen hem werkelijk stonden, want hij zag eruit als een verschrikking, en niet omdat die dingen zo bijzonder waren, want hij kon er heus wel aankomen, maar doodgewoon omdat de blanken dergelijke kleding droegen. Hij probeerde zich ergens op het peil van de blanke te stellen.

Nu, op het ogenblik gaat de klok de andere kant uit. Nu probeert men veel, hetgeen men van de blanke heeft overgenomen in gebruiken en gewoonten, te veranderen, er een eigen karakter aan te geven, te laten zien dat men behoort bij zijn eigen stam, zijn eigen natie, zijn eigen ras.

En als u het zo beziet, dan is het misschien toch wel begrijpelijk wanneer je zegt: er is geen werkelijke rassenhaat. Wanneer mensen van verschillende kleur elkaar ontmoeten op basis van gelijkwaardigheid dan kunnen ze heus best met elkaar overweg. Maar op het ogenblik dat één van hen gaat domineren, wordt hij de vijand van de ander. Het is het verzet tegen de aantasting van je eigen waardigheid, geloof ik vooral. Men moet het met je eens zijn, men moet hetzelfde denken als jij denkt. Men moet eruitzien zoals jij er uitziet. Men moet, kortom, je gelijke zijn, dan kun je iemand ook als gelijke aanvaarden. Zodra hij iets anders is, klopt er iets niet.

En denkt u nu niet, dat het ruimdenkende Nederland vrij is van dergelijke vooroordelen. Hoe lang is het geleden dat een katholiek niet kocht bij een protestantse kruidenier? Veertig jaar misschien, ja. Hoe lang is het geleden dat iemand, die wat vrijer was, een vrouw bv. die de euvele moed had om te fietsen, beschouwd werd als een soort gevarieerde hoer van Rome? Wel, u denkt misschien: wij hebben geen vooroordelen, maar in uw eigen maatschappij is er toch altijd die vreemde kaste-vorming. Als iemand ambtenaar is, dan vindt hij praktisch iedere niet-ambtenaar met een zekere achterdocht tegenover zich; andere klasse. Toch zie je er precies hetzelfde uit. Het kan zover komen dat de bureaucratie de mensen te erg wordt. Dan vragen ze niet: ben je een goed ambtenaar, ben je een slecht ambtenaar, ben je een goed mens of een slecht mens, dan vragen ze alleen maar: ben jij ambtenaar? Dan ben jij één van die beulen, één van die uitpluizers, één van die geldinners. En dan deug je niet. Vindt u het vreemd, dat ik dat zeg? Gaat u het eens in de praktijk na.

Er is op het ogenblik zelfs een heel eigenaardig verschijnsel, waarbij men van groep schijnt te wisselen. Veel automobilisten hebben een zekere haat tegen de bromfietser, de fietser en de voetganger. Totdat ze uit de auto stappen en dan worden ze automatisch automobilistenhater. Realiseert u dat. Dat zijn die eenvoudige kleine verschijnselen, die u rond u in uw eigen maatschappij kunt zien. Als er iemand is, die zich anders kleedt dan u, dan deugt het niet. Hoe lang is het geleden dat iedereen in Nederland van het mannelijk geslacht, die lange haren had, een mietje was of een verdorven persoon? Denkt u even na. U zult met verbazing ontdekken, hoeveel vooroordelen u zelf koestert. Hoe u zelf, datgene wat u bent, als het juiste beschouwt en elke afwijking toch weer opzij duwt, tenzij het zich weer zover integreert in uw maatschappij, dat u het haast niet meer ziet.

Nu zijn er echter dingen, die niet zo gemakkelijk te integreren zijn. Een daarvan is welvaart. Een ander is kennis. In uw land kunt u zich niet voorstellen dat grote delen van de wereld nog steeds vol analfabeten zitten, mensen, die de kans niet eens hebben om te leren rekenen en schrijven. U kunt zich niet realiseren wat een groot hiaat daardoor ligt tussen uw denken en uw leven en die anderen. U kunt zich heel moeilijk realiseren wat het is om te leven aan een werkelijk bestaansminimum. En dan hebben we het niet over het Nederland bestaansminimum, want dat is een zeer grote luxe voor driekwart van de wereld. U kunt zich eenvoudig niet voorstellen hoe je gaat reageren en denken, wanneer je eigenlijk niets hebt. Wanneer je je vreugde moet zoeken gewoon in het kijken naar de mensen, die voorbijkomen. Het is ook geen wonder dat die mensen kinderrijke gezinnen hebben; je moet toch wat doen. Je hebt geen tv, je hebt geen radio, je hebt meestal geen goed licht, je hebt geen goede woning. Dan ben je al gelukkig wanneer je een goede man of een goede vrouw hebt, dan heb je wat te doen. Daar denkt u niet over na.

En dan hoort u dat ze daar zo los van zeden zijn, dat er zoveel vrouwen zijn met kinderen van verschillende mannen. Ja goed, maar als je niets meer hebt en je kunt niet tegen de armoe op, dan smeer je ‘m. Dat is toch heel gewoon? Daar wel. Oh, bij u niet, u bent allemaal fatsoenlijk, omdat u genoeg hebt. Maar die mensen hebben een andere huidskleur, die gedragen zich anders, die hebben een andere taal, ze stellen andere eisen aan het leven en ze doen zo vreemd primitief.

Ja, ze leven in een wereld waar het zo is. En dan zegt u: ja, maar het deugt toch niet? Als u daar een paar ervaringen mee hebt, dan zegt u: alle mensen, die er zo uitzien, deugen niet. En dan komt u tot rassenhaat.

En er is nog een andere factor, die een grote rol speelt, Of denkt u dat het leuk is voor iemand, die grote kapitalen heeft en een grote invloed, dankzij dat kapitaal, omdat zijn voorvaderen slavenhandelaar zijn geweest. En hij moet nu met negers onderhandelen. Die man heeft het gevoel: ik sta niet recht in mijn schoenen. En dan kan hij zich alleen redden door te zeggen: maar ja, ze zijn minder waard dan ik. Op die manier ontstaat dus deze rassenhaat.

Ze komt soms voort uit oorlogen. Denk eens aan de eerste wereldoorlog. Daar streden dus mensen mee: Indiërs, Arabieren streden mee, negerregimenten streden mee, hele regimenten en Askari’s zegt u waarschijnlijk, had men daar ingeschakeld. En ja, die mensen bedreven grote wreedheden. Bedreven ze nu werkelijk zulke grote wreedheden? Heus niet. Maar ze stonden anders er tegenover. Wanneer zij overwonnen hebben, dan heeft men te gehoorzamen. De blanken meenden dat ze dan nog konden gaan spreken over een verdrag van Genève en weet ik wat nog meer. Ja, maar daar luisterden die mensen niet naar, want ze hadden nog nooit van Genève gehoord. En als je had gezegd: Het verdrag van Genève, hadden ze waarschijnlijk gedacht dat het een scheerwater was.

Als je dat zo gaat bezien, dan ga je je realiseren: die mensen zijn anders, omdat ze anders leven. Het is niet in de eerste plaats hun huidskleur, maar omdat ze anders zijn, worden ze gediscrimineerd, verzet men zich daartegen, vooral wanneer dit anders-zijn een inbreuk maakt op de eigen belangen, misschien op eigen schuldgevoelens ook.

Moet je je eens afvragen of het niet erg begrijpelijk is dat deze wereld uiteen gaat vallen in mensen die zeggen: wij hebben iets gemeen, dat is dan in de eerste plaats onze huidskleur, maar daarnaast onze nationaliteit, onze gebruiken, de manier waarop we feestvieren, de manier, waarop we rouwen misschien. Dan zeggen ze: al die anderen, die deugen niet. Wij zijn beter. Dat zullen ze niet hardop zeggen. Zolang er nu een enkeling komt, ach, die mag rustig kijken. Die man weet niet beter en hij zal hopelijk bij ons de beschaving vinden.

Dat denken ze in China precies hetzelfde als in Rusland, als in Amerika en als in Nederland. Ze willen je graag ontvangen als een enkeling, als je maar geen inbreuk maakt, als je aanvaardt met een zekere onderdanigheid en als het kan met enige verwondering. Als ze je iets kunnen geven, dat je dankbaar moet zijn, dan ben je welkom. Maar als je daar met een soort meerderwaardigheid naar toe gaat, wanneer je daar komt om eens even de peultjes op te scheppen, dan ben je lastig. En voor een enkeling, ach, dat kun je hebben. Een enkeling, die lastig is, dat kennen we allemaal. En tantes, die komen logeren, die ook lastig zijn. Dan trap je ze ook het huis niet uit, dan denk je: nou ja, mijn tijd zal het wel duren, ze duvelen wel weer op. Maar als die mensen zich daar komen vestigen, zich gaan nestelen als het ware in jouw terrein, dan is het een andere kwestie. Dan zijn er mensen, die zelfs “en famille” bereid zijn tot moord en doodslag, om zo’n lastige indringer kwijt te raken. Is het dan een wonder dat volkeren net zo reageren?

Hoe sterk die achtergrond een rol speelt, dat kunnen we misschien zien in Frankrijk. Het is typisch dat we in Frankrijk dus met een veel sterkere rassenvermenging te maken hebben dan in de meeste andere landen. Hoe komt dat? Ach, deze mensen hadden een wat normalere relatie met hun koloniën. Zeker, deze koloniën werden dus uitgebuit zoals elke kolonie – Nederland is op het ogenblik ook een kolonie, wordt ook uitgebuit, alleen weet je dat niet, want het staat niet officieel vast. Maar goed. Deze mensen, die wisten dus: een neger is een mens, een Arabier is een mens. Die konden dat allemaal aanvaarden tot dat de geschillen er kwamen met Algerije. Vanaf dat ogenblik is een discriminatie ontstaan tegenover alle Noord-Afrikanen. Dat is heel eigenaardig, maar het is zo.

En nu zegt u: ja, maar hoe moeten we dat dan denken in Duitsland? Daar is praktisch een poging tot genocide geweest ten aanzien van de Joden, Daar wordt grote nadruk op gelegd altijd. Ook dat is heel eenvoudig te begrijpen. Kijk eens, wanneer er iets misgaat, moet er iemand schuld hebben. En wanneer je dus iemand schuld wilt geven, dan doe je dat altijd wel zo, dat je er niet slechter op wordt, hè. Dus je kiest iemand uit. Dat zijn de Joden. De Joden, die zijn zo vaak de schuldigen geweest in Duitsland, dat dat al een hele mythos is geworden. Dat loopt al van, zeg maar 1100 à 1200 af. De joodse handelaren, dat gaat verder tot aan de joodse bankiers, die gelijktijdig oorlogen van de Duitse vorsten onderling financierden en, wanneer ze te kort hadden, weer gegijzeld werden met het hele getto als het ware, en anders kwam er wel een pogrom. Hetzelfde heeft Hitler ook gedaan. Dacht u nu werkelijk dat die mensen iets hadden tegen Joden? De meeste Duitsers zeiden: ach, ik heb ook een Jude gekend en dat was toch eigenlijk wel een goede man, maar nu ja, als er zoveel slechte Joden zijn, dan is het jammer dat die ene onschuldige ook moet lijden. Want dat werd gewoon aangepraat, dat werd gewoon verteld.

Als u nagaat, hoe die pogroms tot stand zijn gekomen zijn in de oudheid, dan is dat krankzinnig. Er was een dame, een adellijke dame, Johanna von Witzenberg, die haar zin niet kreeg van een joodse geldschieter, in de buurt van Nürnberg. Deze dame vertelde daarop, wat helemaal niet waar is, dat de Joden voor hun Paasfeest weer een kindje zouden gaan slachten. Dat was gewoon een poging om zich te wreken, ze bedoelde daar niets slechts mee. Maar toevallig verdween er een kind in die tijd. Dat was ergens verloren gelopen. Het resultaat was dat de hele joodse gemeente bijna uitgeroeid werd. Het kind werd vijf dagen later teruggevonden. Toen zeiden ze: nou ja, dit kind is het dus niet geweest, maar dan hebben ze wel een ander kind geslacht. Want ze moesten toch tegenover zichzelf rechtvaardigen, dat ze dat hadden gedaan. Dat is iets dat je steeds weer ziet. En nu kun je zeggen: ja, dat is rassenhaat. Neen, soms is het, het zoeken naar een zondebok. Soms is het een aantasting van je eigen denken voorkomen. Er zijn Afrikaanse staten bv. met verschillende stammen. Die stammen zijn in wezen in oorlog, dat weet u, daar hebben we verschillende voorbeelden van gezien. Maar wat is de praktijk? Praktijk is bijvoorbeeld, dat de ene stam christelijk is en de andere mohammedaan. De praktijk is, dat de ene stam erg welvarend is geworden, erg handig is geweest, zoals in het geval van Biafra, terwijl de andere stam geen voet aan de grond kan krijgen en dus alleen nog maar middels staatsgreep denkt er bovenop te kunnen komen. Maar dan blijkt dat de anderen het geld hebben en de contracten hebben. Nou, dan moet je die eenvoudig wegvagen, dat doe je dan met behulp van de, overigens verachte, buitenlandse maatschappijen, die je dan concessies aanbiedt. Dat is een heel gewone methode.

Die haat dus van stam tegen stam: bv. ook de bosnegers tegen herders, steppennegers; conflicten, die regelmatig zijn voorgekomen. Als je je dat gaat realiseren, dan zeg je: er is geen werkelijke rassenhaat, er is een haat tegen het andere, tegen het anders-zijn.

Zodra wij zelf iets zien, wat sterk afwijkt van wat wij gewend zijn, dan beginnen we te sputteren. Als u wist hoeveel goede Nederlanders, die zich elke zaterdag in de teil wassen – ja, in de teil, want in de douchecel staan de kolen – vol ontsteltenis zien naar de bandeloosheid van mensen, die als naturisten wel eens in d’r nakie rond willen lopen. Dan vraag je je af: is dat nou belachelijk of wat is dat? Maar dan kom je tot de conclusie: het is dat die mensen anders doen, daarom zijn ze niet acceptabel en daarom moeten we ze niet in onze buurt hebben. Begrijpt u?

Als je dan ziet, hoe die maatschappij verandert, dan gaat dat vaak betrekkelijk snel. In 1912 was een enkeltje van een vrouw al een reuze onthulling, hè, zeer prikkelend, Dat kunt u zich nu niet meer voorstellen misschien, maar dat is heus zo geweest. In 1925, nou toen zwabberden de rokjes ook aardig boven de knie, hoor. Toen zei men: nou ja, dat zijn de vrouwtjes die ook eens een keer los willen breken en het is toch een aardig gezicht. Weet u wel? Maar daar hebben ze ook aan moeten wennen.

Hoe ging het ook weer toen de minimode pas uitkwam? Herinnert u zich dat nog? Degenen, die daarmee liepen, waren allemaal dellen, net als die jongens met lange haren. Al die luitjes, die met die gekke vodden rondsjouwen, dat kan toch ook niet goed zijn. Weet u, zo ga je te keer, dat doe je zelf. Wanneer iemand afwijkt van wat je gewend bent, dan deugt hij ergens niet. Als hij dan je met rust laat, nou ja, dan duld je hem misschien, maar o wee, als hij iets doet wat je als provocerend ervaart. Dan grijp je in.

Hoeveel mensen hebben er hoera geroepen in Nederland, toen de marine het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam schoonveegde? Dat zijn er heel wat geweest. Waarom? Omdat het andere gevaarlijk is. Maar dacht u nou niet, dat we daar dan precies zitten bij datgene waar rassenhaat uit voortkomt? Het beroerde is, een hippie kan baard afscheren, zijn haar wat bijpleisteren – hij hoeft het niet eens helemaal kort te maken tegenwoordig – en een beetje een net pakje aantrekken en hij is geen hippie meer. Maar een neger kan zich moeilijk wit laten verven!

Met andere woorden: je kunt je onttrekken aan een podium, door je gedrag te veranderen, zo lang je nog behoort tot dezelfde groep. Maar, wanneer die mogelijkheid niet aanwezig is, je lichamelijke kentekenen hebt, die je niet kunt veranderen, dan zul je altijd bij die andere groep gerekend worden, of je erbij hoort of niet. Dat kun je ook niet altijd blijven tolereren.

Zo ontstaat rassenhaat. Rassenhaat is eigenlijk begonnen in het stenen tijdperk. Toen zeiden ze ook: kijk eens: daar is een stam. De mensen van die stam vlechten hun haar links over de schouder in plaats van het bovenop samen te rollen, zoals wij. Die deugen niet. Die moeten we uitroeien. Toen hadden ze ook een reden om dat te doen, dan stalen ze meteen de vrouwen van die anderen. Dat doet men tegenwoordig ook wel eens, maar dat is erg geciviliseerd, merkt niemand iets van. Maar vroeger moest je zo’n stam uitroeien. En zo ontstonden ook vijandschappen, inderdaad.

En wat dat betreft zouden we toch eens na moeten denken. Hadden Sem, Cham en Jafeth niet één vader? Maar ze vertegenwoordigen wel de verschillende rassen. En de eerste geloofstwist, was dat niet de moord op Abel? Kaïn was een jager, hij geloofde in bloed en niet in reukoffers en brandoffers van groenten. Zijn God was een andere God. Toen broederlief zich niet wilde bekeren, werd hij doodgeslagen. Nou ja, ga maar naar Ierland, dan zie je dat het nog steeds bestaat.

Rassenhaat mensen, rassenhaat is een hele mooie naam voor een zo ingewoekerd vooroordeel, dat de mensen niet meer denken, maar automatisch reageren op grond van uiterlijkheden. Hij kan een Indiaan, een goed burger zijn van de Verenigde Staten wanneer hij geld genoeg heeft. Anders is hij en blijft natuurlijk iemand, die van de armen leeft. Uiteindelijk, hij heeft alleen maar het hele Amerikaanse land prijs moeten geven, nietwaar, dus de vergoedingen daarvoor hebben zijn voorouders al gehad.

Indianen werden weggejaagd. Waarom? Niet omdat die Indianen een ander ras hadden, wat dacht u? Maar omdat ze een totaal andere opvatting van leven hadden. Omdat ze zich niet wilden inpassen in de waarderingen en het geloof van de blanken. Als ze zich nu allemaal heerlijk hadden laten bekeren en ze waren eerlijk gaan ploegen, of ze hadden desnoods gejaagd voor de blanken, heel nederig, dan waren de Indianen nooit uitgeroeid. Maar ze waren trots genoeg om te denken dat ze zelf betekenis hadden. De eerste Indianen waren heel vriendelijk tegenover de blanken, ze begonnen niet onmiddellijk met moord. Integendeel, ze probeerden overeenkomsten te sluiten. Ze probeerden gewoon samen te leven. Maar de blanke kon niet begrijpen dat een belofte altijd heilig moest zijn. Die beloofde, en als het niet paste, nou ja, dan vergat hij die belofte. En de Indiaan kon niet begrijpen dat er een verschil is tussen een belofte die een eerlijk man tegenover je doet en die die een vereniging, een staat, een belangengemeenschap tegenover je doet. En daarom moest hij uitgeroeid worden. Daarom was hij de vijand. Niet omdat hij beter was of slechter was.

En zo kunnen we doorgaan. Zo kunnen we het treurige verhaal vertellen van de mensen, die anders waren. En dan kijken we naar bv. Hawaï. Ook een andere beschaving, maar die beschaving heeft zich aangepast bij de blanken en zijn eigen folklore eigenlijk langzaam maar zeker – ook dankzij de bekering en het eerste gitaartje dat in de missie eens een keer werd meegebracht – heeft veranderd in een soort subtropisch of tropisch Volendam. En zolang het een mooie show is mag het.

En op dezelfde manier kun je zien dus dat in Nieuw-Zeeland bv. geen rassenhaat is tussen de Maori en de blanke, Waarom? Omdat de blanke, die heus wel gestreden heeft tegen de Maori, daar toevallig een beetje eerlijk en moedig heeft gestreden en ze elkaar hebben geholpen wanneer ze in nood zaten.   Daardoor is er in Nieuw-Zeeland een beschaving ontstaan, waarin je de Maori en de blanke naast elkaar vindt.

Als je je dat gaat realiseren, dan zeg je: neen, rassenhaat bestaat eigenlijk niet echt. Rassenhaat is iets wat we onszelf aanpraten, omdat we bang zijn voor iets dat anders is. Omdat we onze eigen belangen, ons eigen gevoel van meerwaardigheid moeten verdedigen. We haten anderen niet om wat ze zijn, maar om wat wij zijn.

Als u daar commentaar op hebt en u wilt dat onmiddellijk geven, dat kan ik mij voorstellen, ga uw gang.

  • Is het eigenlijk niet een kwestie van macht, zoals we in een, ambtelijke hiërarchie vinden? Waar een liftboy helemaal niet jaloers zal zijn op de functie van de directeur, maar de personeelschef zal wel jaloers zijn en er zal tussen die twee een machtsverhouding ontstaan, waarbij de één beconcurreerd wordt door de ander.

Ja, het is dus zo, dat we alles kunnen aanvaarden, zolang we op een veilige afstand blijven. Maar zodra het dichtbij komt en dreigt onze eigen status te usurperen dan moeten we het niet hebben. Dat is dus inderdaad een heel aardige vergelijking. Wanneer de rassenhaat tegenover de negers in de U.S. A. in bepaalde delen zo bijzonder groot is, dan is dat te begrijpen wanneer u zich realiseert dat niet de gewelddadigheid van de negers – die wordt altijd naar voren geschoven – de oorzaak is voor die agressie, maar het feit dat de negers tegenwoordig eigen industrieën hebben. Daar wordt niet over gesproken, maar er zijn ook neger miljonairs.

Dat zij eigen universiteiten tot stand hebben weten te brengen, dat er een zwarte universiteit is, die beter is dan de meeste witte, de meeste blanke. Het feit dat de neger emancipeert, dat hij zich bewust wordt van zijn rechten, van zijn plaats in de gemeenschap, dat is de oorzaak van de rassenhaat.

In het begin waren het alleen de eenvoudige mensen, de “white trash” zoals men zei, die negerhaters waren, de anderen konden het wel tolereren, zolang hun belangen niet werden aangetast. Maar kijk eens, die “trash” dat was het uitschot, de armen, die hadden niets. Die leefden zoals men zei: “on the other side of the Track” en die hadden niets om zich op te beroemen buiten dat ene: de neger is minder dan ik. Maar toen de neger betere huizen bouwde, en de negers zich verzetten om harder te werken en meer te verdienen zelfs, toen was het toch logisch, dat de neger de grootste vijand was. Dat is het hele verhaal, dat zien we elke keer weer.

Denk nu maar aan de Ambonezen. In het begin had men medelijden met die mensen; hun eigen land. Op het ogenblik zijn er een hele hoop mensen die zeggen: ja, maar die Ambonezen horen hier niet. Ze maken een hoop lawaai hier in Nederland, ze nemen maar baantjes en dan bovendien zijn ze nog brutaal en ze proberen zich te laten gelden en ze hebben nog terreur-ideeën. ‘Trap ze eruit. Maak ze af’.

Zolang ze beleefd en vriendelijk waren, helemaal geen bezwaar. Maar nu komen ze tot de conclusie dat ze ook nog wat te eisen hebben van de gemeenschap, maar dat kunnen we niet tolereren. Dat is toch onze schuld niet. Het is de schuld van Indonesië. Nou ja, goed, laat ik daar niet over praten. Want wat dat betreft: als Nederlands staatsmanschap, stuurmanschap op het schip van staat is, dan blijken veel stuurlui tot strandingen te hebben geleid, die uiteindelijk verheven zijn tot bijzonder deel van de stuurmanskunst.

Nu, laten we het hierbij laten, dan kunt u rustig na gaan denken. Zijn er vragen over het onderwerp, is er kritiek op de behandeling van het onderwerp – dat zou ik mij ook kunnen voorstellen – dan kunt u dat na de pauze doen.

Tweede deel

  • Is het veelal niet zo dat niet specifiek rassen gediscrimineerd worden, maar ook, met name in Amerika, arme bevolkingsgroepen dus ook blanken, die als paria’s beschouwd worden?

Daar ben ik het volkomen mee eens. De arme is altijd de paria.

  • Wat is een paria?

Een paria? Dat is iemand van de “onaanraakbaren”. Paria’s waren een kaste in India, of beter, iets wat buiten de kaste staat, mensen, die als onrein beschouwd werden, die voor het laagste werk bruikbaar zijn, maar die alleen door hun aanraking dus een hogere zodanig kunnen verontreinigen, dat hij vele reinigingsriten moet uitvoeren, voordat hij weer normaal verder kan gaan. Dat zijn oorspronkelijk de paria’s. En sedertdien is dat dus de naam geworden voor wat men de uitgeworpenen der aarde zou kunnen noemen. Degenen, die als minderwaardig, als onbetrouwbaar etc. gerubriceerd worden, alleen maar omdat ze dus bepaalde eigenschappen bezitten of tot een bepaalde groep behoren, i.c. de armen. In de Verenigde Staten is dat zeker zo, want als je arm bent, dan bewijst dat dus in de eerste plaats maatschappelijk dat je niemand voordeel op kunt leveren en daarom ben je de aandacht niet waard. In de tweede plaats dat God, die de Zijnen beloont, je kennelijk niet beloont, dus je moet niet veel waard zijn. En in de derde plaats, en misschien het belangrijkste, dat je geen invloed zult hebben en dat iedereen dus zijn machtslust tegenover jou volledig zal kunnen uitleven. Waarnaast men natuurlijk dergelijke mensen uit humanitaire overwegingen in leven houdt. Het is wel geen leven, maar ze leven in ieder geval.

  • Wat moeten we doen, zodra we allerlei vooroordelen, die op rassenhaat lijken, voelen opkomen? Hoe komen we tot inzicht en transformeren van die gevoelens?

Wat het eerste betreft: In de spiegel kijken!

Het tweede, wel, dat is heel eenvoudig. Wanneer u een vooroordeel voelt tegenover iets of iemand, dan moet u niet proberen tegen uw neiging in te handelen. Er zijn mensen, die hebben een hekel aan negers en daarom zijn ze er beleefd tegen. Dat is dwaas. Je moet dus zeggen eenvoudig: ik probeer een ogenblik te vergeten, laten we eens kijken, wat hij doet, wat hij zegt. Anders gezegd: probeer een zeker rapport, een zekere communicatie tot stand te brengen en schort zo lang je oordeel op. Dan heb je je vooroordelen wel, maar je gaat steeds meer mensen van het vooroordeel uitzonderen en dan verdwijnt het langzamerhand. Dat is de beste raad die ik u geven kan.

  • Ja, maar wat betreft het vooroordeel. Je kunt toch überhaupt niet reageren op iets of iemand, wanneer je niet een oordeel hebt over datgene wat je reeds geleerd hebt; anders kun je niet reageren.

Je reageert op grond van je ervaringen. Ja, dat moet je dus accepteren. Maar je moet dus niet stellen dat je ervaringen uit het verleden bepalend zijn voor het heden. Ze kunnen dus een zeker voorbehoud betekenen, maar we moeten altijd proberen om nieuwe ervaringen erbij op te doen. Ik meen dus dat de mens de meeste nieuwe denkbeelden, ideeën, begrippen verwerft, wanneer hij het controversiële niet uit de weg gaat. Wanneer je daar dus kennis van neemt, wanneer je probeert om daar op welke wijze dan ook mee te communiceren.

En dan ga je dus beseffen dat er andere werelden zijn – die hoef je niet als juist te aanvaarden – maar je kunt begrijpen dat een ander dus anders handelt, anders is of anders denkt. Op grond van deze erkenning is het dan ook mogelijk, tot een zekere waardering te komen. En als u een mens waardeert – dat is heel vreemd – dan is hij ook geneigd u te waarderen. Dat is het bekende beeld van de hondenliefhebber. Veel mensen beminnen hun hond, omdat hun hond hen vereert. Dat is doodgewoon. Dus, wanneer u blijk geeft, een ander als gelijke te willen aanvaarden, dan zult u met verbazing ontdekken dat er in die ander veel meer schuilt. Dat is zelfs met kinderen zo.

Wanneer je kinderen beschouwt al kleine, te betuttelen wezens, zoals helaas nog veel gebeurt, of als wezens die beperkt moeten worden in hun mogelijkheden en geremd, dan zult u met die kinderen nooit het contact krijgen dat u hebt, wanneer u ze gewoon neemt als vol, dus gewoon als volwassene, ook al hebben ze dan misschien een beperkte ervaring. Het vreemde is, dat als je een kind als volwassene behandelt, dat het kind veel volwassener lijkt en blijkt dan je ooit had gedacht. Ik geloof dat je dat ook tegenover anderen zult moeten gebruiken. Gewoon: het is anders, ik voor mij kan het zo niet zien of doen of aanvaarden, maar er moet toch zin in zijn. Als we de zinrijkheid van het andere kunnen aanvaarden, dan is een contact met het andere mogelijk geworden.

  • Is de oorlog in Vietnam het gevolg van vooroordelen, onderlinge concurrentie en machtsstrijd? Hoe ziet U dat?

Ja, bedoelt u de oorlog in de laatste jaren? Dan hebt u gelijk. En als u het in de paar volgende jaren bedoelt, dan hebt u ook gelijk Maar wanneer u dus terug wilt eigenlijk naar het begin, dan is het doodgewoon een kwestie van de exploitatie. Zo moet u het zien. Een land, dat geëxploiteerd wordt, zoals Indochina indertijd door de Fransen en dan het verzet, dat opkomt bij degenen, die wel de opvoeding hebben, de kennis om een gelijkwaardige plaats in te nemen, maar die de kans daartoe niet kregen. Dat is het begin geweest van het verzet, tegen de Fransen eigenlijk. Trouwens ook het verzet dat in India en Pakistan bestond tegen de Engelsen. En vandaaruit kreeg je dus een vrijheidsoorlog. Die vrijheidsoorlog is gewonnen. Maar daar werden toch nog bepaalde belangen zeker gesteld. Bij deze indeling is dus geen rekening gehouden met het feit dat een groot gedeelte van dit volk zichzelf toch als een eenheid beschouwd. Men heeft doodgewoon gezegd: kijk eens, er is een katholieke groepering, die was dus al zeer aanvaardbaar voor de westerling, gelijk geloof en een gelijksoortig denken, bovendien rijk, dat maakt indruk, die moeten het dus wel te zeggen hebben. Die kregen dan ook Zuid-Vietnam. En een andere groep van, zeg maar inlandse edelen, die dus ook een eigen vorm van cultuur hadden, maar die toch ook wel voor de blanken aanvaardbaar waren en ook vaak goede gastheren waren geweest, die kregen dus o.m. Cambodja. En het Noorden werd dan overgelaten aan de opstandelingen. En als u zich nu realiseert, wat er nu aan de gang is, dan ziet u dat elke groep en ook in elk land, behalve de aangestelde groepen, dat moet u goed begrijpen: de aangestelde groepen van eens en de mutaties daarin, die betekenen dus het handhaven van de status quo: wij zijn nu aan de macht en willen aan de macht blijven.

Terwijl er een andere groepering is, die zegt: wij willen een eenheid worden. Achter deze wij-willen-een-eenheid-worden groep staat dus aan de ene kant Noord-Vietnam, met een Vietcong, die een groot gedeelte van de vroegere Vietminh omvat en aan de andere kant staan dus de heersende belangen. De meeste gewone mensen willen eigenlijk alleen maar rust en vrede, dat moeten we goed begrijpen. Maar geen enkele van deze belangengroeperingen wil rust en vrede, omdat dit betekent dat hun eigen belangrijkheid wegsmelt. Vandaar dat Noord-Vietnam probeert, niet alleen Zuid-Vietnam, maar ook Laos en Cambodja weer samen te brengen tot één geheel. Vandaar dat Zuid-Vietnam ten koste van alles zijn eigen afzonderlijke status en nationaliteit zal proberen te verdedigen. Vandaar dat in andere landen precies hetzelfde gebeurt tussen heersende groepen en opstandige groepen, die dus eigenlijk om het gezag van de ‘staat’ vechten.

En daartussen dus, zeg maar de oude Vietminh die zegt: wij zijn een eenheid geweest en we moeten weer een eenheid worden. Ik geloof dus dat je hier niet moet spreken van een rassendiscriminatie in het geheel. Maar u begrijpt dus wel dat de blanke soldaten die gaan vechten, rassendiscriminatie kenden. Dat kun je ze niet kwalijk nemen. Oorlog verruwt en op een gegeven ogenblik is de tegenpartij geen mens meer, maar alleen nog maar een soort doelwit, iets, waar je je op uit kunt leven. Dat betekent dus dat de haat tegen de blanke ook is toegenomen. Want vergeet één ding niet: de Amerikanen hebben heus niet alleen de Vietcong aangevallen en getroffen, of alleen Noord-Vietnam aangevallen en getroffen. Ze hebben heel veel mensen onrecht aangedaan. Ze hebben daarnaast geloof ik, de oude instellingen ook in stand gehouden. Toen de Fransen er waren, was Saigon de stad met de meeste en de mooiste prostituees ter wereld. Dat mooiste is wel wat teruggelopen, maar de rest, klopt nog steeds. En dat is dus speciaal eigenlijk door de blanken gekomen. En in de laatste tijd hebben we dus in toenemende mate gezien, wat je noemt ‘hongerprostitutie’. En degenen die dat doen, voelen ergens een zeker verweer tegen wat ze doen, maar ze zijn gedwongen om het te doen, want er zijn hele families, die leven van wat de jongere dochter opbrengt. Die mensen voelen dat als onaanvaardbaar aan. Niet het verkeer op zichzelf, dat nemen ze wel, maar het feit dat het zo gebeurt.

En zo zijn er dus ontzettend veel mensen, die eigenlijk de directe vijanden van de blanken zijn geworden. Het wonderlijke is dan ook dat de beste inlichtingendienst waarover de Vietcong beschikt heeft en op het ogenblik zelfs in Saigon nog beschikt, bestaat voor een groot gedeelte uit kinderen, die de kost moeten verdienen met een handeltje en boodschappen lopen en de prostituées. Dat was in de Franse tijd al zo en dat is nu nog zo. Alleen, het optreden van de Amerikanen heeft de haat tegen de blanken geloof ik toch wel veel groter gemaakt, omdat men veel van hetgeen de eigen soortgenoten je hebben aangedaan, wijt aan de Amerikanen die hen daartoe de middelen hebben gegeven. Dat heeft dus inderdaad bij zeer velen, maar niet bij allen – en sterker in Zuid-Vietnam dan in Noord-Vietnam – gevoerd tot een feitelijke rassenhaat. Maar deze rassenhaat is dus verwerping van een gezag, dat zonder enig respect voor degene die het dus in die macht probeerde te betrekken, werd uitgeoefend, Ik hoop dat dit voldoende is. Ik ben geen Hilterman, dus het is heel moeilijk om zo’n analyse kort maar krachtig te geven, maar ik dacht wel, dat ze duidelijker was.

  • Het is misschien geen discriminatie als zodanig, maar toch gebeurt het dat andere rassen (b.v. Surinamers) door hun eigen, aparte economisch herstel levenspatroon en -ritme in het westerse hun werkterrein zoals arbeidskrachten minder geschikt zijn, omdat hun werkterrein zo laag ligt. Hierdoor worden ze vaak gepasseerd of aangenomen voor lagere salarissen dan hun blanke broeders, die hoge prestaties leveren.

Nu, ik zou in de eerste plaats de opmerking willen maken dat het hier niet gaat om arbeidsterrein maar om arbeidsniveau. Dat is toch wat anders, hoor. Een lagergelegen arbeidsterrein dat is: Kijk eens, wie zit er in de put? Arbeidsniveau is dus prestatieniveau. Dat ligt inderdaad bij de Surinamer wat anders. Maar het blijkt dus dat een Surinamer, die zich maatschappelijk enigszins aanvaard weet, ook het tempo van de Nederlanders langzaam kan aannemen. Hij moet het ook leren, hij moet eraan wennen. Het is juist het feit dat men van het begin af aan van deze mensen volledige aanpassing aan het Nederlands prestatie- en leefpatroon verlangt, waardoor zij er niet toe kunnen komen om zich aan te passen. Het is alsof je tegen een kind, dat nog niet eens letters heeft leren schrijven zegt: en schrijf nu eens even een opstel zo in de stijl van ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoi.

Je eist dus ineens te veel. Wanneer je daarentegen de Surinamer de kans laat om zijn eigen leven, dat dus veel maatschappelijker is onderling ergens dan dat van de Nederlanders, om dat te voelen en daarnaast hem toch aanvaardt als gelijke, dan blijkt over het algemeen dat hij een zeer betrouwbare en ook een zeer prettige werkkameraad is. Ik geloof dat je dat over het hoofd ziet, wanneer je zegt: ze kunnen zich niet aanpassen. Maar ze moeten er tijd voor hebben. U realiseert zich waarschijnlijk onvoldoende dat degenen, die naar Nederland trekken veelal degenen zijn, die niet aan de slag kunnen komen of konden komen volgens hun begrip van verdienste en waardigheid in eigen land. Dat daarbij ook velen zijn, die hun eigen waardigheid en kunnen hebben overschat. Terwijl daarnaast – ik meen dat dat tenminste de laatste tijd het geval is – ook zeer velen voornamelijk komen om een zekere welvaartszekerheid te vinden, die ze in eigen land niet kunnen vinden. Ik meen dat ze als rijksgenoten het recht hebben om gelijkwaardig behandeld te worden. Wanneer men dit niet wenst, dan moet men hen tot vreemdelingen maken en dan kan men tegenover hen op een andere wijze optreden en eisen stellen. Dit echter durft men niet aan, dat is politiek niet haalbaar. Maar het menselijke, het geduld hebben, durft men meestal ook niet aan, want dat noemt men economisch niet haalbaar. En zo vrees ik dat juist de goedwillende Surinamer in Nederland tussen de wal en het schip valt, omdat niemand bereid is hem de kans te geven, zichzelf te bewijzen. Ik geloof dat dit een vorm van discriminatie is, die door onbegrip voor het anders-zijn van de Surinamer ontstaat. U hoeft het er niet mee eens te zijn, maar volgens mij is het wel de waarheid.

  • Is er na de dood van mens en dier ook nog contact mogelijk tussen deze twee wezens, die op aarde nauw verbonden waren? Of gaan alle dieren naar een eigen sfeer?

Er bestaan geen afzonderlijke hokjes in het hiernamaals, beter gezegd in de minder stoffelijke dimensies van uw bestaan. Een dier echter bezit over het algemeen minder bewustzijnsinhoud dan een mens. Ik zeg: over het algemeen, hoor, niet altijd dus. In dat geval zal dus de uitingsmogelijkheid van het dier aanmerkelijk sneller zijn uitgeput in de sfeer dan van de mens. Nu zijn er bepaalde dingen die dat patroon kunnen doorbreken en één van de meest belangrijke is werkelijke genegenheid. In feite is het een jezelf met een ander geheel of ten dele identificeren. Wanneer je je daarmee één voelt, of je nu een dier bent of niet, dan zul je dus de ander als een soort magneet tot je trekken, terwijl je ook zelf voortdurend geneigd bent, je in de richting van die ander te oriënteren. In dergelijke gevallen kunnen dieren in de sferen aanmerkelijk langer dan normaal bewust bestaan en zijn dus ook de ontmoetingen, waarover u spreekt, wel degelijk mogelijk. Maar u moet niet denken dat het dus zo is: er is een hondenhemel en een poezenhemel en een konijnenhemel en een geitenhemel en dan had u er waarschijnlijk nog een hel bij willen hebben ook voor al die soorten, zo is het dus niet. Maar uw bewustzijn bepaalt uw contact in de sferen en dat betekent dus dat het bewustzijnsniveau in feite de sfeer bepaalt, dat is de wereld waarin je contact hebt en die contacten bepalen je concept van de wereld. Als zodanig ontstaat dus een wereld waarin je schijnbaar geïsoleerd leeft tot je bewustzijn in staat is om nieuwe impulsen op te nemen, dan wordt die wereld groter en krijgt dus andere betekenis, ofwel dat je niet in staat bent om verder te gaan en voor een mens betekent dat meestal een incarnatie. Voor een dier geldt dus ongeveer hetzelfde. Als het dier echter contact heeft, op welke wijze dan ook, met een mens op grond van een werkelijke genegenheid, dan komt het daardoor tot een beleven van een deel van de menselijke sfeer. En dit betekent dat het zich onttrekt aan de beperkingen, die normaal dierlijk in het bewustzijn bestaan in het geestelijk leven.

  • Incarneren dieren ook?

Ja, wat dacht u dan?

  • Ja maar, ik bedoel, is er een mogelijkheid dat een dier uiteindelijk in een mens incarneert of is dat niet mogelijk? Blijft het altijd dier?

Oh, dat komt heel vaak voor, als u rond u kijkt, hoeveel slangen lopen er niet rond, zwijnen, varkens, beren, egels, uilen, vossen, uw spraakgebruik zegt het al. Heus, een dier kan als mens incarneren. Maar het behoudt dan, zeker in de eerste incarnatie, een aantal van zijn zeg maar dierlijke concepten. Die concepten moeten langzaam dus vervangen worden door het contact met de wereld, door verdergaande bewustzijnswaarden.

  • Is er op deze wereld ook een typische overgangsgroep tussen een mensenras en een dierenras? Stenen tijdperk of zo?

Nee, nee, nee. Ik zou zelfs zeggen, dat op het ogenblik dus – maar dat ligt ongetwijfeld ook aan de mogelijkheid – dat het aantal geïncarneerde dieren onder de mensen aanmerkelijk groter is dan in het stenen tijdperk.

  • Nou, ik snap het eigenlijk niet

U snapt het niet? Nu, moet u eens goed luisteren. Er komen steeds minder dieren op de wereld. Dus steeds minder dierlijke zielen hebben een incarnatiemogelijkheid in het dierlijke. Ze moeten dus of naar een andere vorm gaan zoeken of ze kunnen soms, via via zelfs, een beetje contact krijgen met een menselijke sfeer en zich bewust worden van de mogelijkheden van een menselijk lichaam. En als ze die kans zien, dan denken ze: nou, laten we dan dat maar doen. Als ik mijn eigen ideale ras niet meer kan krijgen, zo redeneert een dier meestal, dan zullen we dat zwakke wezen maar nemen, dan leef ik in ieder geval weer. Dan worden ze als mens geboren, later denken ze, net als alle andere mensen, dat een mens veel meer is dan alle anderen.

Maar ja, laten we nu eens aannemen – het gebeurt niet, hoor maar – dat een vlo, bij wijze van spreken, incarneert als mens. Dan is het heel waarschijnlijk, dat hij later kampioen springer wordt, op de een of andere manier (grote hilariteit). ‘n Beetje een grapje, maar gelijktijdig een vergelijking, waar u misschien over na kunt denken.

  • Is er in Uw sfeer ook nog muziek te beluisteren, of is dit alleen mogelijk voor geesten, die het verder geschopt hebben?

Nu, onder hartelijke dank voor het verleende compliment, moet ik opmerken, dat je ook bij ons iets kunt beleven wat u muziek zou noemen. Ik behoor niet meer tot die geesten, die dan meteen met de muziek meegaan. Een geest, die muziek kent, namelijk, beleeft harmonieën en naarmate die harmonieën een meer algemeen karakter krijgen, zijn ze vergelijkbaar met zeg maar symfonische muziek in uw wereld. Wanneer we daarbij een harmonie met uw wereld hebben, dan hebben we zelfs moderne muziek, want dan zitten er heel veel dissonanten in.

  • Kunt U iets zeggen over erfelijkheid en intelligentie? Het is nogal een rotzooi op het ogenblik, sorry.

Nu, ik zou zeggen dat intelligentie volgens de huidige meting daarvan – en dat is een heel belangrijk punt – een kwestie is van erfelijkheid en vooral van die factoren, die de sterkte van je geheugen bepalen. Want uw moderne intelligentie is in feite niets anders dan een goed gebruiken en beheersen van uitgebreide geheugenmogelijkheden. Ik hoop niet dat u mij dat kwalijk neemt. Maar vele mensen, die volgens uw maatstaven niet intelligent zijn, zijn intelligenter dan degenen, die hen meten, omdat ze een veel flexibeler aanpassing hebben ten aanzien van de wereld en daardoor, zij het niet zo met feitenkennis, maar intuïtief reagerend, vaak tot betere resultaten komen dan de Jantjes-Precies, die het allemaal precies weten.

Neem me niet kwalijk dat ik dat zeg, maar erfelijkheid moet u zich zo voorstellen – een kennis van mij heeft ook pas zo’n soort vraag gehad, daar zal ik maar wat uit stelen – Je hebt dus in de eicel, zaadcel een zeer ingewikkelde moleculaire structuur. Daar zijn een heel aantal moleculen bij elkaar tot een soort reuzenmolecuul gevormd. Daarin zijn dus die samenstellingen zodanig dat ze bij celdeling de aard van de cel, de mogelijkheden van de cel bepalen. Nu komt dat stelletje bij elkaar, nietwaar, zaadje ontmoet eitje, ze zeggen ei-ei, laten we beginnen. En dan kijken ze: wat hebben we beiden. Wat we allebei hebben, dat doen we in ieder geval.

Wat heb jij nou nog aan extra’s en wat heb ik nou nog aan extra’s en hé, die dingen zijn tegenstrijdig, laten we die er maar meteen uitgooien. Zo blijft er dan een restant over, dat dus als grondeigenschap, als mogelijkheid in dat lichaam komt. Zo ontstaat dus een lichaam, dat bepaalde eigenschappen heeft, bv. goede geheugeneigenschappen, gevoel voor ritme, snelle reactiemogelijkheid, grote zelfbeheersing, maar net zo goed wat men luiheid noemt, of ijver. Weet je, ijver, dat is dus een vorm van zenuwlading, zenuwprikkeling door een bepaald intern evenwicht, waardoor je dus zou kunnen zeggen, dat degenen, die werkelijk te ijverig zijn, zenuwlijders zijn.

En degenen die lui zijn, zijn dat ook, door middel van een afscheiding dus. Wanneer ze nu die luiheid gebruiken om niet te werken, dan zijn het dus negatieve figuren. Maar wanneer ze hun luiheid gebruiken, om met zo weinig mogelijk moeite te doen, wat nodig is, dan zijn ze eigenlijk rationalisatie-experts, dat danken ze dan ook aan hun erfelijkheid.

U zult dus begrijpen hieruit dat vele eigenschappen in het lichaam kunnen worden overgedragen. Maar u vergeet één ding erbij. Dat is, dat de ontwikkeling ervan sterk bepaald wordt door het milieu, dus door de wereld, waarin je leeft, de opvattingen van die wereld, de mogelijkheden die die wereld je geeft plus nog eens een keer door je eigen behoefte om iets te zijn in die maatschappij of wereld, waardoor je zekere gaven wel en andere niet gaat ontwikkelen, terwijl je ze wel hebt, ten laatste zou ik zeggen, maar zeker niet ten leste, door de afdruk van behoeften, die de geest, ook mede in het onderbewustzijn eigenlijk heeft verankerd, dus een soort onderbewuste drijfveer, waardoor je bovendien nog eens wordt aangezet om met bepaalde van die gaven meer te doen dan met andere. En zo ontstaat dan een mens.

Een werkelijk intelligent mens is iemand die begrijpt hoe beperkt hij is. Over het algemeen denken degenen, die denken dat ze intelligent zijn, dat ze praktisch onbeperkt intelligent zijn en dat bewijst dat ze wel een hoog I.Q. hebben, maar nog geen intelligentie.

  • In hoeverre breng je die intelligentie, die je op deze aarde had, mee in een volgend leven?

Die intelligentie breng je niet mee maar wel de ervaring. Het bewustzijn dus wat je hebt opgedaan en dat is niet te meten met stoffelijke maatstaven, maar dat is een kwestie van evenwichtigheid, geestelijke evenwichtigheid plus response-mogelijkheid ten aanzien van andere entiteiten – dat bepaalt je wezen, het bepaalt je incarnatie-keuze zoals het bewust is en het is dat wat je dus ook, vanaf het ogenblik dat je als het ware beslag legt op een wordend lichaam, voortdurend probeert te infiltreren daarin, zodat het als een soort eigenschap wordt vastgelegd. Zodra je je dus één gaat vormen met dat lichaampje, probeer je dus ook alle impulsen in overeenstemming daarmee tot uiting te brengen.

image_pdf