Realisatie van het ‘ik’

uit de cursus ‘Mystieke ontwikkeling’ – (Hoofdstuk 9)   juni 1958

0ngeacht welke ervaringen wij ook op geestelijk of stoffelijk gebied meemaken, zullen wij te allen tijde weer gedwongen worden deze ervaringen uit te drukken als een deel van ons wezen. Nu is de grote moeilijkheid, die juist in het mystiek streven voor ons allen bestaat, om een uitdrukking te vinden voor de stoffelijke en geestelijke waarden, die wij in bet ‘ik’ erkend hebben, op een zodanige wijze, dat ze op beide vlakken aanvaardbaar blijven.
De geestelijke realisatie van het ‘ik’ lijkt de doorsnee‑mens misschien moeilijk. Toch is zij dit zeer zeker niet. Want op het ogenblik dat wij stoffelijke beweegredenen terzijde kunnen leggen ‑ we behoeven ze niet eens uit te schakelen ‑ kunnen wij een denkbeeld krijgen, een droombeeld misschien, omtrent hetgeen wij geestelijk zouden willen verwerkelijken. Ergens in ons leeft altijd, wanneer wij in de stof leven, een droom die ons verre velden toont van geestelijke grootheid, die een bijzondere relatie stelt t.o.v. de omgeving.
Wanneer wij deze droom als kern nemen voor de realisatie van het ‘ik’, voor zover dit het geestelijke betreft, kunnen wij stellen: Alle idealen, die ik stoffelijk kan erkennen bij een uitschakeling van egoïstische beweegredenen binnen de stof, zullen moeten worden gezien als delen van het geestelijk streven. Zonder de drijfveer van de geest, die zichzelf op de vervolmaking richt, zouden deze idealen niet tot stand komen.
In de tweede plaats: Alle pogingen om te komen tot een speciale verhouding met de omgeving, waarbij het ‘ik’ dus deelneemt aan het leven van die omgeving of uit zichzelf geeft aan die omgeving, is evenzeer een uitdrukking van de geestelijke behoefte om een kosmische eenheid ook binnen het eigen bestaan uit te drukken. De beelden, die wij stoffelijk hieromtrent ontvangen, zullen ‑ niet in hun uitdrukking of verbeelding maar wel in de kerngedachten, die eraan ten grondslag liggen ‑ ons geestelijk ‘ik’ ook zelfs stoffelijk redelijk kenbaar kunnen maken.
Het tweede gedeelte van de realisatie van het ‘ik’ betekent de noodzaak om ook het stoffelijk ‘ik’ te erkennen. Dit stoffelijk ‘ik’ moet dan worden gezien met een ogenblik terzijde stellen van geestelijke waarden. Allereerst blijkt ons dan dat dit ‘ik’ berust op een aantal stoffelijke behoeften. Deze stoffelijke behoeften zijn deel van het ‘ik’, deel van het wezen. Zij kunnen niet terzijde worden gesteld. In de tweede plaats ontdekken wij binnen dit ‘ik’ een zekere afkeer; een zekere neiging ook tot ontwijking. Ook deze waarden zijn deel van het stoffelijk ‘ik’. Zij zijn voor ons over het algemeen in de vorm, waarin ze optreden, niet geheel aanvaardbaar. Wij dienen ons dus te realiseren waar de onaanvaardbaarheid van deze angsten en deze verlangens schuilt. Veelal blijkt dan dat wij beheerst worden door opvattingen buiten ons bestaan. Het is niet ons eigen denken of streven, dat bepalend is voor onze houding t.o.v. dit stoffelijk ‘ik’ maar wel de indruk, die de omgeving maakt. Anders gezegd: Het ‘ik’ (stoffelijk) wordt beperkt in zijn uitingsmogelijkheden – wordt beperkt ook in zijn mogelijkheid tot ontwijking ‑ door de noodzaak een bepaalde harmonie met de omgeving in stoffelijke zin te bereiken.
Wanneer wij deze waarden hebben vastgesteld, kunnen wij beginnen aan de eerste fase, die noodzakelijk is om tot een mystieke zelfverwerkelijking te komen. Daarbij hoort in de eerste plaats het onderzoek, waardoor de voornoemde punten duidelijk zijn geworden en wij enig inzicht bezitten in onze eigen persoonlijkheid.
Het blijkt mogelijk om vele van de stoffelijke begeerten en angsten te sublimeren; d.w.z. ze een uitlaat te geven, die in overeenstemming is met de kernwaarde, die wij als deel van het geestelijk ‘ik’ hebben erkend. Het doet er dan verder niet veel toe, hoe deze waarde op zichzelf tot uitdrukking komt. Alleen is het belangrijk, dat wij deze sublimatiemogelijkheid vinden. Zonder deze kunnen wij niet tot een zelfrealisatie komen, omdat een voortdurende strijdigheid tussen ons en onze omgeving plus een strijdigheid vaak tussen ons geestelijk en stoffelijk streven ons beletten onszelf te beleven als deel van de kosmos. De sublimatie behoeft niet een voortdurende toestand te zijn. Zij kan op korte ogenblikken bereikt worden en dan binnen die ogenblikken het ‘ik’ als eenheid doen ervaren met alle gevolgen van dien.
Na hetgeen wij thans hebben vastgesteld omtrent het erkennen van het ‘ik’ in zijn ware gestalte, kunnen wij nu overgaan tot een poging dit ‘ik’ zo zuiver mogelijk uit te drukken. U moet begrijpen dat deze uitdrukking van het ‘ik’ buitengewoon belangrijk is voor elke mystieke beleving, waar het ‘ik’, als eenheid staande tegenover de schepping en als eenheid deelhebbende aan de schepping, zijn volledige bewustzijn in die schepping terugvindt met, ik zou haast zeggen, connotaties, die uit de eeuwigheid worden gemaakt bij elke persoonlijke beleving. De rijkdom van weten en begrijpen, de wonderlijk grote vrijheid en gelijk­tijdig het inzicht in onze beperkingen dat wij bereiken, wanneer deze eenheid eenmaal in ons bestaat, maar voor ons een noodzaak. Hoe kan ik nu mijn persoonlijkheidserkenning maken tot een persoonlijk­heidsrealisatie?
In de eerste plaats: Nadat ik de voor mij te sublimeren waarden in mijn stoffelijk bestaan heb aangepast aan mijn geestelijk streven, ga ik na, in hoeverre ik tevreden kan zijn met wat ik ben. Dit betekent dat ik mijn huidige toestand zie als een reële basis voor geestelijk en stoffelijk verder streven. Het is dus niet een tevredenheid, die rust veroorzaakt, maar een tevredenheid, die erkent, dat hier een basis is gevonden, vanwaar de volgende trede op de trap der ontwikkeling bereikt kan worden.
Nu zal ik heel vaak met dit sublimeren moeilijkheden hebben. Zoals ik reeds zei, een sublimatie gedurende een enkel ogenblik is voldoende voor een bereiking. Maar wij wensen de bereiking niet slechts als een eenmalig beleven. Integendeel, wij zoeken het als een voortdurend sterker wordende factor binnen onszelf, die ons voortdurend intenser in contact brengt met de kosmos en ons zo meer het mystieke wezen van de kosmos in onszelf doet beleven. Wij stellen dan dat het sublimeren van verschillende lichamelijke drang‑ en driftverschijnselen plus verschillende lichamelijke angst‑ of ontwijkingsverschijnselen het best geschiedt als volgt:
Ik tracht voor al datgene, wat ik in mijzelf als een verwerpelijke drang van de stof erken, een beeld te vinden, dat voor mij aanvaardbaar is. Over het algemeen blijft er een voorstelling, die wel mogelijk en wel aanvaardbaar is. Ik tracht deze dan vanuit haar gericht zijn op een enkel punt of enkele punten uit te breiden tot in een levenshouding tegenover de wereld. Ik tracht metterdaad datgene te volbrengen ten opzichte van al het zijnde, zolang en waar het mij mogelijk is. Dit brengt met zich mee, dat ik vanuit een eenzijdige gerichtheid der begeerte ben gekomen tot een eenzijdige benadering van de natuur, die tevens onderworpen is ‑ let wel ‑ aan een proces waarbij het zelfverwijt, het berouw, de wroeging worden uitgeschakeld en waar slechts gehandeld wordt volgens eigen beste geestelijk en stoffelijk weten.
Een tweede methode voor sublimatie vinden wij daar, waar wisselende lust‑ en onlustaspecten het stoffelijk wezen regeren. Dit kan b.v. plaatsvinden t.o.v. voeding. Wij vinden deze verschijnselen in de erotiek. Wij vinden ze daarnaast ook zeker in de sociale verhoudingen en de sociale rangorde uitgedrukt. Hierbij geldt steeds weer dat ik lust en onlust moet leren afwisselen op een voor mijzelf aanvaardbare wijze om zo uit beide te komen tot een onthechtheid. Dit houdt dus in dat de lekkerbek b.v. naast een culinair uiterst verzorgde maaltijd zich zal bepalen tot alleen voedzame maar onsmakelijke gerechten. Dat de liefhebber van roken, e.d. zich perioden van onthouding oplegt naast perioden van bevrediging. En dit kan voor alle andere punten evenzeer worden aangestipt. Daardoor komen wij tot een zekere onthech­ting waarbij gelijktijdig het doel, waarmee wij de onthechting a.h.w. steeds weer nastreven, voor ons een sublimatie betekent. Want wat eens op zichzelf doel was, is ons nu tot middel geworden. Als middel bete­kent het een verwijdering van de normale betekenis van begeerte en zo eindelijk een verlossing van de begeerte met in de plaats daarvan een kosmisch aspect, waarin datgene, wat eens primair en stoffelijk werd uitgedrukt, nu als geestelijk en onstoffelijk t.o.v. de gehele wereld als bewustzijn wordt ervaren. Dit kan zeer belangrijk zijn.
Ook onze angsten zullen wij moeten sublimeren. Angst is over het algemeen een verschijnsel in het stoffelijk leven, dat de mens belet tot een persoonlijkheidsuiting te komen, dan wel hem dwingt zijn normale uiting voor een andere te verwisselen. Het is niet aanvaardbaar vanuit een geestelijk standpunt, dat ons gedrag niet bepaald zal worden door onze eigen wensen maar door uiterlijke omstandigheden. Het is daarom goed, wanneer wij door angsten e.d. gekweld worden, in de eerste plaats te stellen dat deze angsten voor ons geen belang hebben. In de tweede plaats, dat wij slechts door deze angsten te overwinnen, tegemoet kunnen komen aan onze innerlijke behoefte aan zelfuiting. Naarmate wij meer moed hebben ‑ ondanks onze angst ‑ zal het concept, dat uit de overwinning van de angst geboren wordt, een meer kosmisch aspect verwerven. Ook op deze wijze is dus een grotere zelfrealisatie mogelijk.
Na deze korte en meer zakelijke omschrijving van punten moeten wij thans trachten duidelijk te maken, wat een realisatie van het ‘ik’ in feite voor de mysticus betekent. En hierbij zal ik, evenals in de vorige lezing, moeten grijpen naar de omschrijving en het stemmingsbeeld, waarmee ik u dus eerder de gevoelsbeleving tracht te spiegelen dan een volkomen op redelijke waarden gebaseerd betoog te geven. Bij het volgende gelieve u dus daarmee rekening te houden.
In jezelf verdeeld, kom je tot een voortdurende strijdigheid. In het ‘ik’ is een bitterheid, die ‑ voortdurend naar buiten tredend – de wereld schijnt af te stoten. Je vereenzaamt en zelfs in je zoeken naar je God heb je het gevoel, dat alleen maar een echo van het ledige terug klinkt – soms zelfs spottend. Een enkele keer vind je contact met andere entiteiten, een enkele keer vind je ook contact met andere mensen. Dit contact is niet bevredigend, omdat het te vluchtig blijft en het ‘ik’ ondanks alles een voortdurende honger behoudt naar leven. Wanneer nu dit ‘ik’ voor zichzelf heeft getracht een omschrijving te geven van eigen werkelijke eisen en verlangens, wanneer het daarnaast heeft getracht alle tegenstrijdigheden, die tussen stof en geest bestaan, tot eenheid te brengen, kan zich het volgende proces ongeveer afspelen:
Over het algemeen begint men met in het handelen een grotere vrijheid te nemen, die gepaard gaat met een innerlijke angst. Men zoekt intens naar een zelfuiting en vreest deze niet te vinden. Er zijn daarbij ogenblikken van bitterheid, ogenblikken van een absolute levensverwerping soms, maar op de duur het begrip: “Ik had niet anders kunnen handelen en ben dan zo. Slechts zo ben ik waar en mijzelf en de consequenties daarvan moet ik dragen, omdat het beter is mijzelf te zijn als een eenheid van stof en geest dan te leven als een wezen in eenzaamheid.”
Is deze realisatie eenmaal ervaren, dan komt men tot een zich één gevoelen met het Al. De mens in de stof kijkt rond zich en erkent zichzelf in vele anderen. De problemen, die hij soms alleen scheen te bezitten, blijken nu plotseling de problemen van allen te zijn. En de oplossing, die hij in zichzelf meent te vinden, ziet hij gedemonstreerd in het leven van vele anderen. Het resultaat is een grotere zekerheid en gelijktijdig een zich meer beroepen op de geestelijke waarden dan tot nu toe.
Was het eerste proces nog een stoffelijk zoeken naar uitdrukking, de tweede fase brengt ons tot dit innerlijk gevoel van een‑zijn. Je hebt het gevoel of je gevormd bent uit graniet, onverzettelijk en sterk, geladen met een kracht, die in staat is elke tegenstand te verbrijzelen. In deze kracht tracht je jezelf op te richten en de hemel in te schou­wen. Dan lijkt het of vanuit het ‘ik’ vele fijne voelhorens worden uitgestoken, die overal in het Al iets beroeren. Met verwondering be­tast de mens voor het eerst het contact met de kosmos: Een wezen, dat veel meer is dan hijzelf en dat hij toch kan begrijpen. Een wezen, waarin zijn vastheid teloor gaat te midden van iets, dat tegelijk vluchtiger en sterker is. Het kost hem moeite om zijn innerlijke zelfverzekerdheid, zijn vastgevormdheid van persoon prijs te geven. Maar nu komt het resul­taat van al het denken, van alle beleven en streven van de laatste tijd naar voren. Hij heeft geleerd dat het noodzakelijk is ten koste van al­les het geestelijke én het stoffelijk ‘ik’ uit te drukken. Zo werpt hij zich eerst op de geestelijke ervaring.
Beelden van licht, een caleidoscoop van gebeurtenissen, soms zonder samenhang, een intens beleven van een kracht, waarvoor je redelijk geen verklaring hebt en gelijktijdig een gevoel van stoffelijke uitput­ting. Het is of men een zware dagtaak heeft volbracht. En terugkerend ervaart men een ogenblik het ledig zijn, nu niet meer als een leeg-zijn van gevoelens maar eerder als een leeg-zijn van krachten. Men zweeft in de wereld zonder betekenis, alsof de eerste windvlaag hem zou kunnen verplaatsen naar eigen willekeur.
Dan begint het denken in probleemvorm. Men beeldt zich stuk voor stuk zijn eigen waarden weer in. Deze waarden lijken zo onbelangrijk en toch voelt men daarnaar te moeten terugkeren. Hernieuwd wordt het ‘ik’ erkend in al zijn geledingen, hernieuwd grijpt men uit naar de kosmos. Maar nu niet meer als iemand, die zoekt, maar als iemand, die deel heeft áán. Niet meer het zoeken naar contact met kosmische waarden maar een beleven van kosmische krachten, die in het ‘ik’ als een sterke mantel kenbaar worden en die het geheel van het eigen wezen afschermen voor al, wat er niet bij past. De vermoeidheid maakt plaats voor een ge­voel van innerlijk geheven zijn. De slapheid en loomheid maken plaats voor een vibrerende energie, die ‑ zonder het ‘ik’ te overladen – een aangename tinteling in de ledematen achterlaat. Er is geen sprake meer van een warme mantel, die rond u ligt, maar eerder een gevoel, dat u zelf warmte uitdraagt naar de wereld en zo alles tot leven brengt, wat tot op dit ogenblik dood scheen.
Nu zal de mysticus, gedreven door zijn verlangen God te erkennen, het Geheim a.h.w. in zichzelf te openbaren, zijn God daarin zoeken. En het wonderlijke is dat die God duidelijker dan ooit herkenbaar is in al het rond ons geschapene, omdat wij als eenheid niet slechts tegenover die God staan, maar met kracht, die vanuit ons vloeit, werken in die God, zoals die God op Zijn beurt onze kracht zelf is. Dit beleven legt de wereld voor u open als een kaart, waarop men alle afstanden kan lezen, alle hoogten, alle dalen zien. Het is of het leven zelf teruggebracht is tot een miniatuur, dat met een oogopslag kan worden overzien. Het is of alle beleven wordt teruggebracht tot een begrip, dat slechts kan worden uitgedrukt in licht en in vreugde.
Dit moment van zelfontrukt zijn, betekent in de terugkeer een dadendrang zonder gelijke. Die dadendrang zal over het algemeen gericht zijn op het helpen van de medemens, het helpen van medeschepse­len, het tot bewustzijn brengen van de wereld of een bepaald deel ervan. Deze behoefte drukt zich nu niet meer uit in een streven zonder meer, maar in een overtuigend kunnen. De mysticus, verenigd met het Ongekende, dat men God noemt, wordt tot de mirakel‑werker op aarde. Door de innerlijke eenheid, die hij heeft bereikt, vloeit de goddelijke Kracht van hem uit naar alle kanten; niet brengende wat de mens ver­langt, niet gedreven door een wilsdaad van de mysticus zelf, maar a.h.w. dóór hem en toch vanuit eigen weten (dus goddelijk weten) al datgene bewerkstelligende, wat Gods schepping meer tot eenheid kan maken.
De realisatie van het ‘ik’ heeft op deze wijze een voltooiing gevonden. Want eerst wanneer het ‘ik’ zijn eenheid met het Goddelijke voor zich als werkelijkheid gevoelt en uit deze eenheid als een handelend wezen optreedt, kunnen wij zeggen onszelf te kennen.
Het begrijpen van de kosmos zelf is een noodzakelijk deel van de realisatie van het ‘ik’. Deel zijnde van de kosmos zullen wij het totale begrip der kosmos in onszelf kunnen bevatten. Ook hier moet ik weer grijpen naar een beeld en zal trachten u te schetsen, hoe men dit kan ondergaan.
De mens, niet meer gekweld door de eeuwige ontevredenheid met zichzelf maar gedragen door het bewustzijn, dat hij geestelijk en stoffelijk naar zijn beste weten handelt ten goede voor geheel de wereld, verlaat een ogenblik de beperking van eigen gedachten. Het begint met een dwalen, waarbij de ene gedachte schijnbaar zinloos de andere volgt. Het is een dagdromen geworden en een sluimering, waarin beelden zich beginnen op te bouwen. Eenieder benadert de kosmos vanuit zichzelf. Zo begint het ‘ik’ zichzelf eerst te zien als groot en machtig, heersend over de wereld; dan als zijnde de wereld, als zijnde de zon. En zo doorloopt men fase na fase, tot het lijkt of de gehele sterrenwereld draait rond de kern van het ‘ik’.
Hier ligt een groot gevaar. In dit mystieke beleven van de kosmos zou men kunnen zeggen: “Ik ben het middelpunt” en daarmee falen en terugvallen tot de diepte van bekrompenheid, die in een onvolledige zelfrealisatie gelogen is. Maar wie begrijpt, wie beseft: “In al deze fasen van mijn droom ben ik slechts de uiting van de Kracht, die in mijzelf leeft, die het leven zelf, de kosmos zelf is”, die beleeft het wonder, waarin langzaam de sterren doven en het duister van een eeuwige nacht wordt tot een sidderende trilling van licht, waarin alle tijden zich gelijktijdig openbaren.
Niet meer trekken de sterren banen van licht, getekend in een geometrisch patroon, zich centrerend op het punt van waarneming. In de wonderlijke wegen, die men beschouwt, is geen werkelijk begrip meer mogelijk. Men weet niet meer: Dit zijn sterren en dat planeten; hier was leven en daar slechts de barre kilte van een dood, die ten hoogste een microscopisch leven nog een ogenblik een rustplaats kon bieden. Men ziet het geheel. En in het geheel schrijven de vurige tekens de formule van het ‘ik’, de formule, die uitdrukking is van de kosmos. Hier erkent de mysticus het werkelijk geheime teken, dat uitdrukking geeft aan zijn wezen. Maar binnen zijn eigen wezen is eenheid met het zijnde.
Het is een symbool. En wanneer hij terugkeert van deze verre reis, verwonderd, een ogenblik dromend nog, dan heeft hij een nieuw gebaar gevonden. Dan draagt hij in zich als een heiligdom een reeks van klanken. Dan ziet zijn oog daar, waar anderen slechts de natuur zien, plotseling weer de schematische aanduiding van datgene, wat hij in het Al zag. Dan weet hij: Ditzelfde patroon, gezien als de kern van de kosmos, als het leven zelf, is uitgedrukt in alle dingen, leeft in alles. En zo ‑ uit de beschouwing van de kosmos ‑ kent men het ‘ik’ met zijn vele, schijnbaar wonderlijke wegen, zijn daden, die zinloos schijnen en zijn gedachten zonder grond; en hij ziet hoe dit al tezamen een eenheid vormt, die volmaakt is. Dan te zeggen: “Niet ik ben dit, dit is de schepping, die zich in mij openbaart” en te aanvaarden de leiding, die gelegen is in de innerlijk behouden klank, in het innerlijk gekende symbool, is de uiteindelijke bereiking van de mystieke mens. Het ‘ik’, in een voortdurend bewustzijn van eenheid met het Al, is niet meer ego noch super‑ego. Het is één met God.
Deze beleving is misschien niet voor ieder mens onmiddellijk in de stof bereikbaar. Maar eenieder, die er ernstig naar streeft, kan binnen enkele jaren de eerste fasen voor zichzelf verwerkelijken en beleven. Degene, die intens hiernaar verlangt en alles doet om dit te bereiken, zal in zich een kracht kennen, die het thans schijnbaar onbereikbare zo nabij brengt, dat men weet: Slechts een enkele schrede ligt nog tussen mij en de volmaakte aanvaarding van het zijn.
Al is deze lezing misschien kort, zo beveel ik haar toch nadrukkelijk in uw aandacht aan. Want zij is een belangrijke schakel in onze lezing, zij is een nog belangrijker schakel in uw eigen mystieke ontwikkeling, zo u deze weg tot bewustwording mocht verkiezen.