Recente meesters en hun levensleer

SVGZ – 13 november 1964

Wanneer wij in de voornoemde zin het woord ‘Meester’ hanteren, denkt de doorsnee burger aan een Lichtende figuur als bv. een Boeddha, een Mozes, een Jezus e.d. Laten wij daarom beginnen met te constateren, dat de Meesters, die op aarde gekend worden, klein in aantal zijn vergeleken met hen, die alleen beperkt, of in zeer kleine kring, dan wel als Meester helemaal niet op aarde gekend worden. Ook zullen velen onder hen niet werkelijk als Meester worden aanvaard, omdat hun leer, praktijk en opvattingen niet passen bij de geldende opvattingen, sociale structuur, de menselijke behoefte ook van de tijd waarin zij leven. Wij moeten begrijpen, dat een geestelijke waarheid weliswaar onveranderlijk zal zijn, maar dat de menselijke behoefte aan en opvatting omtrent waarheid een zeer veranderlijke pleegt te zijn, zodat zelfs een begrip als ‘waarheid’ op aarde aan zeer verschillende waarderingen onderhevig blijkt te zijn en velerlei betekenissen kan verkrijgen. Daarom zullen wij allereerst moeten trachten de werkelijke zin van deze Meesters en hun bestrevingen te kenschetsen, zelfs vóór wij ons bezig gaan houden met hun eventuele uitspraken. Daartoe zullen wij deze Meesters eerst eens beschouwen.

Hun meest opvallende karaktertrek, bij elke Meester weer, blijkt wel te zijn, dat geen geweld wordt gekend of erkend in de meest menselijke zin van het woord, namelijk iets uitgaande van en ten bate van zichzelf. De Meester zoekt niet voor zich, voor zich exclusief, iets te bereiken. Hij kent een verbonden – zijn met de mensheid, dat zover gaat, dat hij daarvoor eigen prerogatieven vaak graag prijs geeft en zeker niet aarzelt dit te doen, wanneer dit voor het welzijn van anderen noodzakelijk is.

Een Meester probeert aan de mensen steeds weer dingen te leren, die men een mens met woorden alleen niet goed duidelijk kan maken. Vandaar dat de grootste duidelijkheid in de leer van een Meester veelal voortkomt uit de gelijkenissen, die hij gebruikt of de daadwerkelijke voorbeelden, die hij zijn volgelingen stelt. Ook hier weer een eigenaardigheid: een Meester tracht kennelijk de mensheid iets duidelijk te maken, waarvoor de doorsnee-mens niet redelijk vatbaar is of zelfs iets, dat geheel bovenredelijk genoemd mag worden.

Van een Meester kan verder nog worden gezegd, dat hij zich een taak op aarde kiest, aan de uitvoering waarvan hij eerst begint, nadat hij op aarde een zeker proces van rijping heeft meegemaakt. Rijping en inwijding vinden, ook wanneer een zeer hoogbewuste geest op aarde met een vast doel incarneert, dus altijd toch weer in de stof plaats. Er is dus altijd een periode, waarin de Meester zich als zodanig niet kan uiten. Later wordt vaak zijn meesterschap ook in voorvallen uit deze periode van zijn leven erkend en zullen zijn volgelingen – zo hij bekend is en deze heeft – zeggen, dat reeds toen duidelijk bleek, hoe groot en verlicht de geest van de Meester was. Het is echter een tijd, waarin voor de Meester zelf de mogelijkheid tot het geven van lering kennelijk nog niet bestaat. Vaak zal een onbevooroordeeld beschouwer zelfs constateren, dat de Meester in deze periode de gerichtheid van streven nog niet kent, die aan zijn latere werken eerst de betekenis geven.

Om het nog eens kort samen te vatten: een Meester is dus iemand, die, gezien vanuit een zuiver menselijk standpunt, vaak onredelijk zal handelen; wiens stellingen nimmer geheel duidelijk te omschrijven zijn voor de gewone mens en voor dezen nog het beste kenbaar worden door de gegeven gelijkenissen, terwijl wij van een Meester nimmer zullen kunnen verwachten, dat hij zich aan de normen van de mensheid stoort. Hij gaat zijn eigen weg, wanneer hij meent, dat dit voor hem of anderen beter is.

Hier hebben wij dan in zeer verkorte vorm een samenvatting van de eigenschappen, die de doorsnee Meester pleegt te bezitten. Nu grijp ik allereerst terug op enkele woorden van een edelman uit een betrekkelijk nabij verleden – vergeleken met de nu geëerde stichters van godsdiensten,- die u bekend is onder de naam Le comte de St. Germain, ofschoon hij nog vele andere namen voert. Deze drukte zijn zending als volgt uit:

“Om een mens de waarheid te geven, moet je vaak pretenderen, hem te schenken wat hij begeert. Eerst zo kan men hem overtuigen, van de waarde van dat, wat hij voor zich eigenlijk niet wenst te aanvaarden.”

Dit klinkt u misschien raadselachtig. Hij bedoelde daarmede vooral het volgende. Er zijn vele zeer eenvoudige waarheden, die iedere mens wel zou kunnen aanvaarden en ondergaan, maar welke door de mens eenvoudig verworpen worden, omdat zijn eigen begrip van persoonlijke belangrijkheid misschien te zeer wordt aangetast ofwel te veel verplichtingen aan de erkenning verbonden zijn. Zelfs wijst men waarheden wel af, omdat zij zo eenvoudig zijn, dat een ieder dezen zou kunnen aanvaarden, beleven en begrijpen, zodat daarvan geen mogelijkheid tot zelfverheffing in het accepteren schuilt. Wij weten dan ook wel van deze edelman, dat hij zeker niet wars was van het element dat men in deze dagen “show” pleegt te noemen. Een van de bij zijn optreden steeds weer voorkomende invloeden is dan ook massasuggestie of hypnose, waarbij hij zowel te zijnen huize als elders de mensen vele wonderen liet beleven. Na een dergelijke demonstratie verkondigde hij dan vaak een van de eenvoudige waarheden, waar het in het leven in feite om gaat. En omentwille van het wonder, dat niet echt was, werd de waarheid, die wel echt en zelfs voor allen zeer belangrijk was, dan vaak aanvaard.

U zult misschien geneigd zijn om te stellen, dat de verkondiging van de leer in dit geval berustte op een vorm van bedrog. Maar wat zegt hierover bv. onze laatste wereldleraar?

“Het is niet belangrijk, op welke wijze wij de mensheid de waarheid doen inzien, zolang wij het hem slechts mogelijk maken, deze waarheid in zichzelf te ervaren en zelfstandig met deze waarheid te werken.”

Misschien zit er nu iemand in de zaal, die dit jezuïetenpraat noemt. Want die arme jezuïeten hebben het nogal eens gedaan, wanneer het op het gebruik van niet algemeen aanvaarde middelen aankomt. Men vergeet daarbij liefst maar, dit deze vorm van onoprechtheid ten bate van anderen, niet alleen voorkomt bij de jezuïeten. Zou men dit laatste willen volhouden, dan zou men bv. ook aan moeten nemen, dat praktisch alle politici van deze tijd, ongeacht hun instelling, jezuïeten zouden zijn.

De zin van deze redenering, van dit principe, kan ons misschien iets duidelijker worden, wanneer wij eens luisteren naar woorden van enkele zeer onopvallende ingewijden van de laatste tijd. Een van hen was een doodgewone legeraalmoezenier in Engeland, een ander was in Duitsland professor aan een gymnasium – dus niet aan een universiteit, terwijl een derde altijd uitgekreten werd voor een hysterisch mysticus en alarmist. Deze laatste woonde lange tijd in Duitsland, maar werkte ook in Zwitserland. Deze drie zeer recente Meesters gaven namelijk elk een grote reeks van commentaren op dit probleem, een reeks die ik, kortheidshalve, voor u wil extraheren tot er een eenvoudig en samenhangend geheel ontstaat.

”De kosmische waarheid leeft in de mens. De wijze, waarop de mens deze waarheid leert bevatten en begrijpen, is van geen belang, omdat hij, die deze waarheid kent, door geen enkele schijn en geen enkele uiterlijke vorm meer verblind zal worden. Degene echter, die, zich door vormen en uiterlijkheden laat verblinden, is steeds het slachtoffer van waan, zelfs indien men hem de zuivere en onvervalste waarheid biedt; hij zal daaruit zelf een hem passende waan maken.”

Wanneer je de waarheid wilt leren kennen, zal je gaan door de grotten van duisternis en eenzaamheid, gaan door de elementen van vuur en water, ja, gaan door al wat er bestaat en beleefd kan worden, om uiteindelijk te ontdekken dat de angst, die je in alle dingen vindt, slechts de angst is die je koestert voor jezelf, dat de waan, die in al deze dingen zo belangrijk is, voortkomt uit eigen pogen om de waarheid aan te passen aan eigen begeren. Hierin ligt eigenlijk de reden van de als jezuïtisch zo vaak verworpen benadering van de mens eigenlijk open.

De levensleer van deze laatste Meesters op aarde is er dan ook niet een van: jongens, nu moeten wij aanpakken en de wereld gaan bekeren. Zij hebben ontdekt, dat de mens dit er zelf wel bij voegt en dat een eenvoudige aanmoediging om de leer uit te dragen alleen reeds voeren kan tot vormen van dogmatisme, die geheel niet stroken met de gegeven leringen en waarvan de invloed op alle mensen buitengewoon groot en onaangenaam kan zijn.

Ik wil hier bv. herinneren aan de theosofie. In haar begin, waarin Meesters een grote rol spelen en in haar latere vormen, waarin men zelf de leer uitbreidt, vinden wij bij de volgelingen een fanatisme, dat in wezen geheel strijdig is met de leer. Wij zien, dat de leerlingen en volgelingen voor zich vaak een betweterigheid tonen, die zelfs voor toch zeer uitgesproken figuren als Blavatsky en Leadbeater niet aanvaardbaar meer zouden zijn. Dit is geen aanval op de theosofie, want op zich is zij goed en er zijn ongetwijfeld vele goede theosofen, zoals er overigens ook vele goede christenen zullen zijn, maar er toch altijd weer meer zogenaamde christenen e.d. zijn, die hun eigenlijk en meerwaardigheid boven alles stellen en daarmede steeds dogmatischer worden en zich steeds verder verwijderen van de werkelijke inhoud van de leer, die zij zeggen aan te hangen.

Aan dogmatiek heeft men echter, ook onder de Meesters en ingewijden, zeker geen behoefte. Wat voor de mens in de eerste plaats wel noodzakelijk is, om tot enige geestelijke vooruitgang en bereiking te geraken is “vrijheid”. Maar let wel: dit begrip vrijheid betekent nog geen vrijheid, die bandeloosheid inhoudt. Om maar even een Meester te citeren – ik neem hiervoor uit vele mogelijkheden, de reeds geciteerde aalmoezenier:

“Onze grootste vrijheid is wel de gave om eigen taak te bepalen en, gezien deze taak, onszelf onze eigen wetten te stellen”. Of, indien u er de voorkeur aan geeft, dit te horen in de woorden van de laatste Wereldleraar: “Werkelijke vrijheid is niet bandeloosheid, maar het zelf kiezen van de banden en bindingen, waaraan men voor zich in waarheid zin kan geven aan eigen leven.”

Een opvallende uitspraak, vindt u niet. En zo zijn er meer opvallende punten, wanneer men de levensleer van de laatste meesters op aarde verder gaat bezien. Bij vele oude profeten en Meesters, die op het ogenblik nog zeer veel worden geciteerd, treft men voortdurend begrippen aan als hemel en hel, boven- en onderwereld . Deze waarden worden als tegenstellingen gehanteerd en voeren tot de bij zovelen ook nu nog overheersende stelling: als je maar braaf bent, krijg je eens een brokje hemel, maar als je stout bent, krijg je de hel op je blote … .

Het is zeker niet onjuist, wat daarover gezegd werd. Maar begrippen als hemel en hel hebben voor een Meester of ingewijde nu eenmaal niet de betekenis die de gewone mens, ook nu nog, daaraan pleegt te hechten. Men heeft daarom in de laatste tijd vermeden deze woorden te gebruiken en het vraagstuk van hemel en hel op de voorgrond te schuiven, en zegt liever eenvoudig weg – ik citeer ook nu weer verschillende Meesters achtereenvolgens:

“Het is noodzakelijk, om het duister te aanvaarden, indien men het Licht wil kennen.”

“Het is noodzakelijk, het Licht te aanvaarden en te erkennen, indien men zich bewust wil worden     van de betekenis, die de duisternis heeft.”

“Slechts wie Licht en duister kent, zal het ware doel van eigen bestaan leren beseffen.”

Prompt treffen wij na deze uitspreken van verschillende Meesters, die aan doen als een geheel, een uitspraak van van een andere Meester, die zegt:

 “Wanneer ik streef naar de hemel, zo streef ik naar het bezit van vreugde voor mijzelf. Hierdoor verwaarloos ik mijn verbinding met de kosmos en mijn taak binnen het levend bestel der kosmos. Zij, die naar de hemel streven met verwaarlozing van al het andere, zondigen zo tegenover zichzelf, tegenover de hemel die zij willen bereiken, en tegenover de mensheid, waarvan zij deel uitmaken.”

Een iets oudere Meester, op aarde gekend als schrijver, zegt het iets meer humanistisch en ook iets meer humoristisch:

 “Goed te zijn, omdat je daarin de bevestiging van je eigen wezen vindt, is hoogste bereiking, maar deze beloning is velen te gering: zij prefereren het goed te zijn, omdat zij vrezen later hellepijnen te moeten lijden.”

Misschien wat cynisch… Dat ben ik wel met u eens. Maar dit cynisme is niet zonder rechtvaardiging. De feiten zijn nu eenmaal zo en niet anders. Er was, niet zo lang geleden, een Meester, waarvan velen wel nooit gehoord zullen hebben, een meester ,die zich soms wel Pindar noemde. Hij is overigens geen Z. Amerikaans staatsman of ontdekker, al zou de naam u dit misschien doen vermoeden. Hij was een Pakistani, die o.m. veel invloeden in Frankrijk ondergaan heeft. Deze man, die wij kunnen zien als een der voorlopers van de laatste wereldleraar, had opvattingen, die zijn gehele omgeving schokten. Hij zei de onder meer dit:

 ” Het is beter, oprecht te zijn en een ieder te beledigen, dan te liegen zonder dat men daarmede werkelijk iets bereikt.”

 De omgeving veroordeelde dergelijke uitspraken zeer en meende, dat deze mens wel niet zou deugen. Zij voegden daaraan toe: Wij zouden dus wel mogen liegen, wanneer wij daarmede wel iets bereiken? Op een dergelijke opmerking gaf Pindar een zeer eigenaardig antwoord. Dit is de reden, dat ik juist hem hier citeer:

 “De leugen, die gebaseerd is op een innerlijke zekerheid, heeft niet slechts doel en voert niet slechts tot bereiking, maar wordt tot waarheid. Zij zal daarom geen leugen zijn. De waarheid, die wordt gesproken zonder vertrouwen in haar werkelijke waarde en betekenis, wordt reeds daardoor vaak tot een leugen, die echter niet meer waar kan worden. Daarom is de waarheid, die men niet beleeft, vaak gevaarlijker en minder waar, dan de leugen, die men beleeft met geheel zijn wezen.”

 Hiermede is gelijktijdig het grootste probleem van de Meesters en de leerlingen van deze tijd aangesneden. Ik moet mij helaas wat beperken. Oorspronkelijk had ik hier nog een reeks mooie citaten in willen lassen, maar in wezen is het voorgaande voldoende en duidelijk genoeg. De citaten komen daarom misschien bij een volgende gelegenheid nog eens te pas. De levensles, waarom het hier gaat, de eerste levensles van de meesters van deze dagen, is wel:

 “Heb de moed om eerlijk te zijn. Heb de moed jezelf niet te bedriegen en desnoods ook tegenover anderen eens onbeschaamd de waarheid te zeggen. Kun je dit niet, lieg dan niet alleen met woorden, maar met geheel je wezen en je leven.”

Bedenk, dat de leugen overal voorkomt, maar dat er toch wel verschillende soorten van liegen bestaan. Je kunt bv. dingen zeggen, die nu nog niet waar zijn – en dus eigenlijk als leugen beschouwd kunnen worden – maar die je door eigen werken, leven en streven tot waarheid kunt maken. In de geestelijke kracht, in de geestelijke werkelijkheid, treffen wij zeer vele dingen aan, die, zo zij maar in jezelf bestaan, waar zijn, ook al zal de wereld deze nog niet aanvaarden. Spreek je deze, dan zijn zij nu nog als een leugen voor anderen. Maar deze dingen kun je beleven en daarom ook tot waarheid maken. Wat niet in jezelf bestaat, ook al noemt een ieder het waar en wordt het overal geloofd, heeft geen zin of waarde, het is en blijft een leugen in het Ik.

Het is het Ik, dat leeft. Het is ook het Ik, dat in alle leven een bepaalde taak te vervullen heeft. Het is het persoonlijk wezen, dat uit moet leren gaan tot de mensheid, maar ook tot andere dingen en andere krachten. Het is het uitdrukken van eigen persoonlijkheid, dat belangrijk is. Niet omdat jij zo belangrijk bent, maar omdat het bewust deel hebben aan het leven, het a.h.w. bewust uitvoering geven aan dat, wat in je leeft, het enige is, waardoor je de eeuwigheid voor jezelf meer begrijpelijk en meer aanvaardbaar kunt maken.

Zo blijkt dus wel, dat deze modernere Meesters in vele gevallen volgens de maatschappij van hun dagen gevaarlijk waren. Wanneer zij zeggen, dat elke kerk die macht wil uitoefenen, in wezen het tegendeel is van hetgeen zij pretendeert te zijn, namelijk niet een verkondigster van het goddelijk woord, maar iemand, die het goddelijke woord verminkt en verdraait, – om eigen macht en zijn daarop te baseren, dan is het begrijpelijk dat een ieder, of hij nu hindoe, boeddhist, islamiet, katholiek of protestant is, op zijn achterste poten gaat staan en zegt: “Moet deze een Meester zijn? Dat kan eenvoudig niet.” Toch durven ingewijden en Meesters ondanks alle verzet deze dingen te zeggen. Zij weten, dat hetgeen zij stellen, waar is. Het wezen van de mens, zo zegt een van hen, die als filosoof nogal gekend werd, het wezen van de mens brengt hem er toe, steeds weer zichzelf te zoeken. Zolang de mens zichzelf zoekt in waarheid, bereikt hij veel, maar hij zoekt veelal de droom, de onwaarheid, die hij in gedachten met zijn wezen verknoopt heeft. En daarin faalt hij ten opzichte van zichzelf zowel als zijn wereld en daaraan gaat hij ten onder.

Alweer? Het klinkt de mensen niet aangenaam in de oren. Maar het is geen kwestie van aanvallen, het is eenvoudig een geval van het noemen van feiten. Een doodgewone kwestie van feiten is deze zogenaamde  aanval, meer niet. De levensleer in zijn geheel, zoals je deze kunt destilleren uit bv. de stellingen van de laatste Wereldleraar en de modernere ingewijden – kortom alles wat wij maar aan Meesters kunnen vinden tussen 1600 en nu – kunnen wij zeer kort samenvatten. Deze leringen zijn van betekenis, maar zo simpel, dat de doorsnee-mens daaraan voorbij pleegt te gaan. Misschien doet u dit nu ook.

Het eerste en eenvoudigste, wat deze Meesters leren, is:

“Gij zijt slechts belangrijk, wanneer gij uzelf aanvaardt en uw eigen wezen desondanks belangrijk maakt voor de wereld rond  u.

Wie zichzelf verwerpt, zal niet slechts zichzelf verwerpen, maar ook het leven en de wereld, waarin hij leeft. Hij zal géén belangrijkheid bereiken, hij heeft geen zin en doel in zijn leven en vormt een belasting en ballast voor anderen.

Zoek daarom belangrijkheid in jezelf en tracht deze belangrijkheid op onzelfzuchtige wijze weer te geven in de wereld.

Weest oprecht. Begrijp, dat oprechtheid nimmer betekent, dat men bewust anderen zal moeten kwetsen of beledigen, maar wel inhoudt, dat men voortdurend de waarheid omtrent zichzelf beseft, zo juist mogelijk en waar mogelijk het Ik tracht uit te drukken in waarheid tegenover anderen zowel als eigen wezen, en het voortdurend handelen in overeenstemming met de waarden en waarheden, die men in zichzelf beseft.”

Een derde punt is misschien nog eenvoudiger, – en daarom voor velen nog minder aanvaardbaar in de praktijk. Er bestaat geen stelling, theorie of waarheid, die volkomen is. Zoek daarom nimmer volkomenheid buiten u zelf, maar tracht in eigen onvolkomenheid het bewustzijn van groei op te wekken, waardoor de weg naar de volkomenheid voor het Ik tot mogelijkheid wordt. Dus geen politieke, religieuze of andere idealen waar maken buiten jezelf. Maak het eigen Ik, maak jezelf beter.

In dit alles komt dan ook de vraag van de werkelijke ethiek, de juiste moraal. Weet wel, dat er zeer veel mensen zijn, die het op een moreel en zedelijk verantwoord zich uiten hoge prijs stellen. Er zijn douairières, die wel lopen met een avondtoilet, dat in een decolleté bijna het staartbeen laat zien, maar hun knie aan een vreemde laten zien, dat nooit. Zij sterven liever. Dat is dus een vorm van moraliteit, zedelijkheid, kuisheid – of van zelfbedrog , precies zoals je het zeggen wilt. Onze Meesters zien meer dan de mensen, die zich daaraan zo zeer binden, door de schijn van dergelijke dingen heen. Zij stellen dan ook, dit op eigen wijze en volgens de tijd, waarin zij leven, ongeveer het volgende:

“Wáár zedelijk zijn, ware zedelijkheid, is het handhaven van de eerbied voor jezelf en het toekennen van het recht op eerbied aan elk levend wezen, dat zich maar enigszins eerbiedwaardig toont.”

Er is geen wet en geen regel, die bepalend kan zijn voor uw gedrag buiten de wetten en regels, die deel uitmaken van uw eigen bewustzijn en wezen. Maar zo gij om uw daden en handelwijzen uzelf zou moeten verachten hebt gij uzelf en uw wereld verloochend. Dan eerst zijt gij schuldig. In de oudere zedenleer horen wij dan: tegenover God en de mensen. Anderen zeggen: dan zijt gij schuldig door uw bewuste tekortkomingen, die u beletten uzelf te verwezenlijken.

Hier heeft u dus een klein overzicht van enkele zeer eenvoudige stellingen. Maar de vraag rijst, wat wij hieruit verder nog omtrent de moderne Meesters en hun leer kunnen concluderen.

In de eerste plaats wel:

De Meesters zijn geen geheimzinnige en verheven wezens, boven alle mensheid staande, zoals men hen gaarne uitbeeldt. Zij zijn misschien geestelijk verder gevorderd dan allen die op dat moment leven op aarde, maar zij blijven ook dan nog steeds mensen. Als mens leven en denken zij, als mens reageren zij. Zij zijn niet de voor de mens haast onbereikbare voorbeelden, die leven in een andere sfeer en onder andere omstandigheden, maar zijn eenvoudig voorbeelden van wat bereikt kan worden op aarde. Zij zijn als het ware het gesublimeerde product van het menselijke bestaan. Die Meesters, als mensen, laten zich niet vangen in allerhande mysteriën en mystieke leringen, die zinloos en wereldvreemd zijn. Hun lering zelf kent vele mysteriën en veel van hetgeen zij willen doceren, zal de mens nog in de oren klinken als de een of andere vorm van mysticisme. Maar daarom is het nog niet zo. Van alles gaan zij uit van een ogenblikkelijke en persoonlijke waarheid, bij alles stellen zij de mens primair. Zij kennen geen bemiddelaars en geen verzekering voor de eeuwigheid, die je op aarde kunt kopen door een aalmoes of een gebed. Zij kennen alleen de persoonlijke beleving en de persoonlijke bereiking.

En in deze dagen is, naar ik meen, vrienden, dit toch wel van groot belang. In deze dagen, waarin men alles wil normaliseren, alles maar aan wil passen aan het laagste gemiddelde, alles steeds meer vast wil leggen in wetten, wetjes, reglementjes en gebruiken. Degenen, die geestelijk werkelijk wat betekenen, hanteren de wetten en regels van de mensen niet als beslissende maatstaf, maar leven zichzelf. Wanneer wij zien naar de groten dezer wereld, op religieus en ander terrein, – niet degenen,die een prachtvolle, pronkvolle betrekking hebben, maar degenen, die werkelijk wat doen, werkelijk iets tot stand brengen – dan zal men toe moeten geven: dezen storen zich niet aan de mensen en hun opvattingen, zij zijn hun eigen wet. Of dit nu Schweitzer is, die met zijn werk in Lambarene steeds meer wordt aangevallen, omdat hij zich niet wenst te houden aan de ideeën van perfecte hygiëne, – zoals anderen die formeel verkondigen en verwerkelijkt willen zien,- of het gaat om uitvinders of denkers als bv. Einstein, die toch wel erg excentriek werd gevonden, of nog anderen, – wier gewetensvragen hen dwongen tot reacties en verklaringen, die door de gewone mensen werden afgedaan met landverraad of tenminste met gebrek aan patriottisme,-  steeds weer blijkt, dat de waarlijk groten, degenen, die waarlijk wat presteren kunnen, mensen zijn die de moed en de bekwaamheid hebben een eigen weg te gaan, desnoods ondanks de mensheid. Eigen weg gaan is het begin van deze wereld. Dit is het begin van de mens, die werkelijk wat zal bereiken, het begin van alle inwijding en geestelijke bewustwording.

Wonderlijk is ook, dat wij in deze levensleer veel minder dan vroeger elementen aantreffen, die de nadruk leggen op het feit dat de mens voortleeft na de dood. Het is, alsof deze troost, die men zo vaak en rijkelijk de mensheid heeft willen geven in de dagen, dat haar begrip nog zo eenvoudig was, dat zij niet anders kon leven en denken dan in termen van lichamelijke genoegdoening en dood, nu van minder belang voor het menselijke bewustzijn is. Vaak laat men zelfs alle verklaring over dit punt geheel weg. Zelfs de laatste wereldleraar zien wij niet prediken over dat, wat men na de dood zal zijn of ervaren, het is alsof alle ingewijden beseffen: de mens moet dit zelf beleven, het is toch niet te beschrijven in voor hem aanvaardbare termen, waarom zouden wij bij de vele verkeerde dromen, die hij op dit terrein reeds kent, nog meer verwarrende verklaringen voegen?

Maar de Meesters geven in de plaats daarvan wel iets anders: de gedachte van het eeuwige, de idee van de bereiking. Misschien doe ik er goed aan, hier een van de verborgenen van deze dagen – dus een levende meester op aarde – te citeren, die letterlijk opmerkte:

“Op het ogenblik, dat ik een kracht ten goede geef aan de wereld, heb ik iets gegeven, wat nooit meer te niet kan worden gedaan, een kracht, die blijvend en onvergankelijk is. Tot de wereld ondergaat immers zal die invloed in alles mee blijven spelen, en zelfs als de wereld ondergaat, zal deze gedachte, deze daad van mij nog mede bepalen hoe de ondergang van de aarde zal verlopen.”

“Zo groot kan ik zijn”, voegt hij daaraan elders toe. Een typische redenering, waarin niets meer schuilt van het vroeger bij zovelen gangbare: wees nu maar braaf, dan komen aan het sterfbed de engelen je halen. Wij troffen ook weinig of niets meer aan van de door zovele volgelingen van vroegere Meesters gepropageerde gedachte: mens, val op je knieën en bidt. Hun stelling in deze dagen is nuchterder, reëler: zij, die moderne meesters genoemd mogen worden herhalen steeds weer:

 “Mens, doe iets. Maar zorg er dan ook voor, dat dit iets werkelijke betekenis heeft.”

 Van dezelfde levende Meester geef ik nog een citaat, dat in zekere zin een troost vormt. Hij zegt immers:

“Soms is een stofje genoeg om een groots en kostbaar productie apparaat tot stilstand te dwingen. Soms is één daad, één gedachte voldoende, om het lot van een groot deel van de mensheid te wijzigen. Gij weet zelf niet, wat uw belangrijkheid is. Maar zo gij streeft naar die belangrijkheid, kunt gij er zeker van zijn, dat gij meer betekenis bezitten zult, dan gelegen is in de korte tijdsspanne van uw eigen stoffelijk bestaan.”

Misschien te praktisch voor menige mens, die toch eerlijk esoterisch wil streven. De meningen en uitingen van de modernere Meester stoten menige mens nog wel eens tegen de borst. Dat deze Meesters zeggen: “Alle mensen zijn gelijk”, daarmede kan men het in theorie nog wel eens zijn. Maar als zij de conclusie daaruit trekken en zeggen: “Alles wat gij wel of niet geleerd hebt, dat wat gij de mensen hebt aangedaan of geschonken, is niet bepalend voor de waardering, die anderen u schenken moeten. Anderen hebben geen plicht u te waarderen, zoals gij een ander niet hoeft te eren of te waarderen. Toch zult gij elkander als gelijken beschouwen. Het feit,dat men mens is, is voor het bestaan van deze verplichting genoeg … .”

Tja. Dan wordt het bitter en moeilijk aanvaardbaar. Want hoe zou een professor moeten aanvaarden, dat een neger, die maar net goed genoeg is om het vuil op te vegen in een klein fabriekje, precies evenveel rechten heeft als hijzelf, nietwaar? Toch is ook dit een feit. Men verzet zich echter daartegen steeds weer, evenals tegen andere uitspraak van de Wereldleraar, die ik hier citeer:

 “Elke organisatie, die dwang uitoefent of door dwang bestaat, is slechts een vergroting van de mogelijkheid tot ondergang, want slechts zij, die in algehele vrijheid en alleen gebonden door eigen wil met elkander samen streven, zullen werkelijk zich kunnen wijden aan het doel, dat zij zich stellen. Dit doel bereikende zullen zij ook niet enkel de stoffelijke, maar ook wel degelijk mede de geestelijke waarden van hun arbeid kunnen oogsten.”

Vrienden, u hoort het, de Meesters van de laatste tijd zijn eigenlijk in de ogen van de mensen revolutionairen. Maar deze revolutie is dan ook wel een van de meest belangrijke, die er denkbaar is. Het is de revolutie van deze tijd en van dit ras. Het is de omwenteling, die noodzakelijk is om de vernieuwing, die op aarde plaats vindt, zin te geven en de mensheid te behoeden voor het lot van bepaalde insectenvolkeren, die hun individueel bewustzijn in een steeds meer vergend volks- of staatsbewustzijn ten onder zagen gaan, tot zij uiteindelijk gedachteloze communiteit wezens worden. De mens moet leren zelf te zijn. Dat is de grote boodschap. Zelf zijn, zelf je wetten stellen, zelf oorzaak en gevolg kennende, richtlijnen kiezen en je daaraan, ongeacht de consequenties, houden tot het einde toe.

Daar ligt werkelijk het grootste probleem voor hen, die de moderne Meesters willen volgen. Want deze weg is moeilijk, ook voor degene, die verder wil gaan dan wat zelfbedrog en een paar stunts, moeilijk zelfs voor hen, die al in opstand zijn, bv. tegen een bourgeoisie, maar in hun verzet tegen de regel al even burgerlijk zijn als dat, wat zij bestrijden, omdat de regels, die zij onderling kennen, in wezen dezelfde zijn, die zij in een andere vorm bestrijden. Zelf te zijn, leren aan jezelf inhoud en zin te geven, zelf te streven en zelf te bepalen, welke wegen je zult gaan, is wel de zwaarste opdracht, die je een moderne mens kunt geven.

Ik zou nu een ogenblik willen gaan citeren uit de meest recente leringen. Ik put daarbij uit vele geestelijke en van enkele in de stof nu reeds of nog levende Meesters. Ik zal de bronnen niet afzonderlijk gaan vermelden, maar laat de citaten aaneenvloeien tot een kort betoog, dat misschien verduidelijkt, wat ik u op deze avond heb willen mededelen.

 “Zelf zijt gij. En waar gij niet zijt en niet bewust zijt van uzelf, is het Zijn geblust. Daarom is het uw eerste taak te zijn.”

 “Het doel, wat gij u stelt is altijd weer een doel, dat vervangen zal worden door een volgend doel. Want geen bereiking is in zichzelf de voltooiing, maar alle bereikingen verwezenlijken die mogelijk zijn, dat is de voltooiing.”

 “Kies daarom vrijelijk uw doel, want hoe gij ook streeft, gij zult verder streven tot gij weet, dat alle streven slechts is een herhalen van de beleving.”

 “Ga uit en zoek uw eigen kracht, uw eigen gedachten en antwoord op datgene, wat uw eigen wezen waarlijk beroert, slechts wanneer gij antwoord geeft op de kracht, die u vertrouwd is, zult gij uzelf daarin kunnen kennen. En slechts vanuit uw gekende Ik zult gij met die krachten (iets) bereiken.”

 “Daar waar gij aanvaardt zonder kritiek, zonder persoonlijk denken en persoonlijk bestaan, zijt gij slechts een onbewust wezen, gedreven door de tijd.”

“De taak van de mens ligt in het kleine. Dat wat geschiedt aan de hemelen en in de wereld is reeds bepaald door de Kracht, die alles heeft voortgebracht. Daarop hebt gij dus geen invloed, doch op het kleine en schijnbaar onbelangrijke, wat gij zelf kunt zijn en doen, hebt gij invloed. Daarmede kunt gij in uzelf herscheppen, wat de Bouwmeester in het Al heeft geschapen.”

 “Uit te groeien naar de Schepper, maar allereerst Zijn beeld worden door Zijn schepping ook in u te bevatten, is de taak”.

 “Hebt uw naasten lief, maar weet, dat naastenliefde slechts zin heeft indien zij niet is een sentiment.”

“De liefde voor de naaste is een erkennen van diens behoeften en rechten, gepaard gaande met een erkenning van uw eigen rechten en behoeften. De juiste liefde is het bevorderen daarvan in gelijkheid voor een ieder.”

 “Zo gij uw naaste geeft om redenen van gevoel alleen, zo zult gij hem eerder verderf schenken dan bevrijding. Daarom zeg ik u: Wees vol van liefde voor uw naasten, maar blijf u bewust van uw eigen taak. Geeft wat gij kunt en waar gij kunt, maar geef nimmer zo, dat gij van uit eigen weg en taak afwijkt.”

En dit, mijn vrienden, is van degene, die als de grote verkondiger van de naastenliefde op jullie aarde bekend is. Het laatste citaat bedoel ik. Verder sprekende met mijn eigen woorden wil ik hieraan nog het een en ander toevoegen, niet als verduidelijking, maar eerder als een omschrijving van deze tijd en de mogelijkheid van deze tijd, zoals ik dit vanuit mijn leven en mijn eigen wereld zie.

Er is een voortdurende worsteling, die de wereld schijnt te omvatten en ook in elke mens steeds weer te voorschijn schijnt te komen als een gevoel, waarbij men geen vrede en geen vreugde kan vinden, een verlatenheid ook soms, waaruit geen uitweg meer schijnt te bestaan.

Verwarring is alles, omdat de mensen zich vast blijven houden aan normen, en vormen, die niet passen in deze dagen. Het is daarom nog niet goed geheel zonder normen te bestaan.

Wij moeten enkel beseffen, dat ons wezen niet gebonden kan en mag zijn aan datgene, wat uit het oude is voortgekomen, doch dat men vrijelijk en volgens de nieuwe waarden en erkenningen zal moeten leven.

De krachten rond ons zijn steeds groter en worden steeds intenser. Kosmische krachten treden aan alle kanten op, krachten waarvan de mens geen besef heeft, krachten die zelfs, wanneer zij omschreven worden, voor de meeste mensen alleen een vage impressie blijven en soms een beleven in het Ik betekenen, zonder dat men zich van alle oorzaken daarvoor bewust wordt. Het zijn krachten, die ergens vanuit het Al komen en met de bewustzijnswaarden der aarde schijnen te spelen, alsof het slechts een bal was, door kinderhanden willekeurig heen en weer geworpen. Deze krachten zijn het, die voortdurend uw milieu doen veranderen, die uw wereld en het denken van die wereld, zelfs de behoeften, de beperkingen en beheersingsmogelijkheden der mens steeds weer wijzigen. Deze dingen eisen steeds weer, dat gij uzelf zijt, dat gij weet wat gij wilt, dat gij weet of het gewenste van belang is en alleen het waarlijk belangrijke zoekt  door te voeren – maar dan ook ten koste van alles.

Er is in deze dagen vooral geen tijd voor aarzelingen, geen tijd voor langdurige overwegingen. Hier geldt – zoals soms in de tactiek – dat het vaak beter is nu en meteen desnoods een verkeerde beslissing te nemen, dan uit angst voor mogelijke fouten alle beslissingen uit te stellen. Dit geldt in het dagelijkse leven zo goed als in zaken, voor kunst zo goed als voor politiek, kerkelijke kwesties enz. Kortom, het geldt voor alles. Slechts waar in deze dagen beweging en ontwikkeling is, waar het Ik van de mens zich ontwikkelt, beweegt, zich ontdoet van alle waarden, die het kunnen verstarren en verstikken, kan in deze dagen nog sprake zijn van een waarlijk – en waarlijk geestelijk ook – vruchtbaar menselijk bestaan.

Dit is een wonderlijke tijd. De Meesters, die tijdens de laatste eeuwen op aarde hebben geleefd, zowel al de grotere Meesters, hebben dit alles voorbereid met hun leringen en werken. Deze Meesters hebben getracht de mensheid tijdig rijp te maken voor de onmetelijk grote taak – althans voor een gewoon mens – om op eigen voeten te staan, om zelf te bepalen en zelf te kiezen, de taak van de mens, eindelijk vrij te leren zijn en daarbij toch niet bandeloos te worden.

*Hoewel terzijde van het eigenlijke onderwerp zou ik willen vragen:

  1. Is het juist, dat een Meester een incarnatie op aarde zelf kan bewerkstelligen? Of althans dat andere wetten een rol gaan spelen dan hij de niet bewuste mensen? Ik neem aan dat dit zo zijn moet. De gewone mens moet terug naar de aarde in verband met zijn karma.
  2. Kan een mens, die karma heeft veroorzaakt op aarde, dit aan gene zijde inlossen? Of moet hij weer incarneren hiervoor?
  3. Zou u kort de voor- en nadelen willen weergeven van een inlossen van karma op aarde of aan gene zijde?
  4. Heeft het betekenis, dat de een als een primitief inboorling wordt geïncarneerd? Hoe ziet U dit?

Eigenlijk is dit meer een geval voor een soort Oosthoeks’ kleine geestelijke encyclopedie of zo iets. Ik zal trachten het kort af te doen.    Allereerst dan: een Meester, die incarneert en dus in de geest reeds het meesterschap bezit, is in staat om voor zich alle gunstige omstandigheden te scheppen. Hij kan dus een lichaam verwerven, waarin hij bovendien desnoods nog enkele wijzigingen tijdens de vorming kan aanbrengen – prenatale periode. De machtige Meester kan zich verder onder bepaalde omstandigheden een stoffelijk voertuig scheppen – dus zonder geboorte – om daarin op aarde voor korte tijd te verschijnen. Dit alles betekent, dat de Meester dus grotere mogelijkheden en grotere vrijheid heeft, dan een normaal iemand, die incarneert.

Of dit nu ook grote voordelen heeft? Tja, het heeft natuurlijk wel voordelen, omdat de Meester hierdoor vanuit de geest bewust een plan ten uitvoer kan brengen en de voor dit plan gunstigste voorwaarden kan vervullen, zoals het kiezen en vormen van een voertuig dat beantwoordt aan alle voorwaarden van een zo groot mogelijke begaving en de mogelijkheid tot een zo snel mogelijke stoffelijke bewustwording – deze immers zal zelfs een Meester nog door moeten maken in het lichaam, voor hij aan zijn feitelijke taak kan beginnen. Verder vindt hij de benodigde vrijheid van keuze, zover dit milieu en tijd betreft, wat weer inhoudt, dat hij dus ook alle vrijheid tot actie of het geven van leringen zal bezitten, zodra zijn stoffelijk voertuig voldoende geschoold is en het afwikkelen van de gestelde taak kan beginnen.

Voor een normaal mens met een karma ligt de zaak wel iets anders. Zelfs indien men een redelijk groot geestelijk bewustzijn bezit, zal dit eenzijdig van aard zijn, waardoor ook de keuze van lichaam eenzijdig is. Verder spelen behoefte en angstelementen in de geest vaak een rol en deze kunnen bijdragen tot een overhaast en vaak haast onoverlegd incarneren op aarde. Dat karma is in wezen niets anders dan de werking van de wet van oorzaak en gevolg en kan dus ook wel in de sferen afgelost worden. Wanneer u overgaat, gaat u over met alle capaciteiten en eigenschappen, die u bezit, minus de stoffelijke capaciteiten en kennis, die voor het werkelijke Ik in wezen van geen belang zijn. Het werkelijke Ik blijft dus gehandhaafd en komt in een geestelijke wereld te leven, waarin het eveneens kennis, lering, op kan doen. Hoe meer je leert, hoe meer mogelijkheid je ook zult vinden om je karma te “beheersen”. Ofwel hoe meer je oorzaak en gevolg leert kennen in hun werkelijke samenhang en dus ook de werking van oorzaak en gevolg binnen eigen bestaan leert neutraliseren en tot een onbelangrijke waarde maken.

Je kunt dus in de sferen wel veel leren en bereiken. Maar over het algemeen is het toch wel begeerlijker een karma op aarde af te doen. Ik zal u ook zeggen waarom. Op aarde heb je minder kansen tot zelfmisleiding, omdat je daar uiteindelijk toch hebt te maken met een wereld, die niet enkel op jouw wensen en gedachten reageert. In de sferen is dit anders. Eigen denken of eigen gedachte-uitstraling  bepaalt, welke krachten je kunt ontmoeten, op welke wijze je in vorm, kleuren, licht, klank of andere wijze, je wereld zal zien en beleven. Door de in de sferen dus veel grotere persoonlijke selectiviteit van omgeving, gebeuren en beleven, zal men vaak dingen verwaarlozen, die voor een oplossen van karmische kwesties toch wel noodzakelijk zijn, zodat je dit dan toch nog later in de stof zult moeten doen. In doorsnee wordt voor oplossen van karmische waarden dus wel aan een incarnatie in de stof de voorkeur gegeven, omdat men in de stof sneller – en wanneer men een behoorlijk geestelijk bewustzijn heeft veelvuldiger – oorzaken ongedaan kan maken en gevolgen kan verwerken zonder deze weer tot een hoofdoorzaak in eigen lot te maken, zodat een innerlijk evenwicht wordt bereikt, zoals noodzakelijk is voor het bereiken van een werkelijk groot geestelijk bewustzijn.

Of wij bij dit alles nu een verschil moeten maken tussen een wilde en een blanke, weet ik eigenlijk niet. Wanneer ik de uitstraling van sommige groepen in uw avondlijke steden zie, heb ik wel eens het idee, dat de grootste wilden op het ogenblik in de steden van de blanke beschaving wonen.

Ik kan dus alleen zeggen: het verschil, dat bestaat tussen een zogenaamd primitief mens en iemand, die leeft in de zogenaamde beschaafde wereld, ligt als volgt: er zijn vele menselijke relaties, contacten en wisselwerkingen, die in een primitieve maatschappij veel beter en zuiverder tot hun recht komen dan in bij voorbeeld een grote stad of een ingewikkelde maatschappij als de uwe. Stel dat u binnen een stam van hoogstens 200 mensen leeft. U kent alle gezinnen, u kent uw verplichtingen, u kunt alle menselijke noodzaken veel eenvoudiger afhandelen dan in een meer ingewikkelde gemeenschap. Zo dergelijke problemen tot uw karma behoren, zult u ze dus veel eenvoudiger kunnen oplossen, dan in een meer beschaafd milieu. Tracht dergelijke noodzakelijke belevingen eens af te handelen in een grote stad, waar men vaak zijn buren niet eens kent…. Zelfs indien men slagen zal, zo is de opgave veel moeilijker en het probleem veel onoverzichtelijker. Je zou kunnen zeggen, dat het leven bij primitieve volkeren dus onder bepaalde omstandigheden zelfs een voordeel kan betekenen. Het lijkt mij dan ook wel zeer dwaas, wanneer men, zoals wel gebeurt, tracht te stellen, dat iemand, die in een primitief milieu is geboren, noodzakelijk minder waard moet zijn en geestelijk op een lagere trap moet staan dan iemand, die geboren wordt in wat men vleiend “de blanke beschaving ” pleegt te noemen. Leven in een primitieve cultuur wil nog lang niet zeggen, dat de mensen daarvan ook geestelijk zo primitief zijn. Ik meen zelfs, dat wij aan vele primitieven een evengrote beschaving en geestelijke waarde toe mogen kennen als aan velen, die zich uitdrukkelijk op hun blank zijn en hun peil van beschaving plegen te beroemen. Ik meen, dat daarmede de lijst wel is afgewerkt.

* Is het dan niet zo, dat stoffelijke evolutie met incarnatie gepaard zal gaan en zo de geestelijke bereikingen uitdrukken?

Als dat waar zou zijn, zou het er met de geestelijke evolutie van vele mensen maar slecht voor staan: zij zouden, volgens uw stelling, immers aan moeten nemen, dat zij lichamelijk steeds perfecter, steeds mooier zouden moeten worden?

 *Dat meen ik zeker wel.

Jammer genoeg blijkt dat peil zelden bereikt te worden. Dit mag gelden voor de Meester, die zijn voertuig bewust kiest en zelfs tijdens de vorming daarvan nog grote invloed uit kan oefenen, maar voor alle anderen geldt: Er is een stoffelijke evolutie, waarna altijd weer een terugval optreedt. Bij elk ras zien wij steeds na evolutie weer degeneratie optreden. De geestelijke evolutie hoeft een dergelijke terugval niet te kennen, omdat voertuigelijke waarden, overontwikkeling, eenzijdige ontwikkeling en dergelijke daarbij geen rol spelen, indien het ego dit zo voor zich niet door eigen streven en wil bepaalt. Stoffelijke evolutie en geestelijke evolutie zijn dus twee verschillende waarden. Het geestelijk peil kan nimmer bepaald worden aan de hand van het voertuig, waarin de geest op aarde verkeert. Wel zal een bewuste geest binnen het kader van zijn voertuig een zekere schoonheid bereiken, maar deze is niet deel van het voertuig, waar de uitstraling van de geest via het voertuig aan de werkelijke vormen en eigenschappen van dit laatste weinig of niets verandert. Misschien is uw opvatting nog een overblijfsel van de oude tijden, toen de mensen een goede figuur zagen als een teken van goddelijke afkomst, terwijl deformaties werden beschouwd als demonisch of door demonen veroorzaakt. Maar zoals u misschien aan kunt voelen, is een dergelijke opvatting wel wat kinderlijk en kan zij zeker niet gezien worden als een passende maatstaf, wanneer men geestelijke waarden vanaf een geestelijk vlak wil beoordelen.

Als er geen vragen meer zijn, zou ik nu nog graag een kort slotwoord willen spreken. Wij kregen ook nu weer onmiddellijk de vraag over evolutie en karma. Ik kan begrijpen, dat dit voor een mens erg belangrijk is, omdat hij per slot van rekening altijd weer aan zichzelf denkt.

Het gaat je als mens er niet zozeer om, dat de gehele mensheid voortleeft. Want als je zelf voorgoed uitgeblust zou worden, wanneer je dood gaat, wat heb je dan nog aan die gehele mensheid? Niets. Veel mensen zullen, wanneer je zegt: “dood is dood; maar als je nu alles opoffert, zullen over 10 geslachten de mensen in een ideale wereld leven”, zeggen: “geef mij maar liever wat meer gemak voor vandaag, daar heb ik meer aan.” De mens denkt nu eenmaal aan zichzelf. Zelfs de Meesters. Maar die doen dat toch weer op een wat andere manier. Het jammerlijke bij de gewone mens is namelijk, dat het Ik-bewustzijn is gebonden aan een vaak zeer foutieve voorstelling van het ego, waardoor hij het contact met mensheid, kosmos, God en leven alleen pleegt te definiëren aan de hand van zuiver persoonlijke voorstellingen, die weer op dit Ik-bewustzijn gebaseerd zijn.

Hoe bewuster je wordt, hoe meer je gaat begrijpen, dat je deel bent van een groot geheel. Misschien is dat in het begin niet zo aangenaam, omdat je daardoor niet meer zo belangrijk bent, als je jezelf wel wilde zien. Aan de andere kant betekent het echter geestelijk een enorme winst: je leeft niet meer alleen in jezelf, maar leeft a.h.w. mee in alle dingen. “Het koninkrijk Gods is in u”, is en bekende slagzin, die u ook van ons al menige maal hoorde. Erken dit feit werkelijk, met geheel uw wezen, en het deelgenootschap in dit koninkrijk is er reeds. Het werkelijke leven is in u. U hoeft dit alleen maar te erkennen en het is er. De eeuwigheid leeft in u. U moet ze alleen naar leren erkennen. Dit zijn nu de punten, die belangrijk werden en mede de reden vormden van dit onderwerp.

Laat ons de feiten eens onder ogen zien:

Er zijn nog wel wat natuurrampjes te verwachten plus een heel stel ongelukjes in de komende paar maanden. Erg onplezierig. Twee reactie zijn daarop mogelijk vanuit menselijk bewustzijn:  Eerst, “mij heeft het gelukkig niet getroffen, wat deert het mij dus”; en ten tweede, het iets humanere: “wat vreselijk voor die andere mensen”. Pas wanneer je begrijpt, dat dit ongeveer dezelfde werking kan zijn als de dood van een wit bloedlichaampje, dat een vreemde indringer verwijdert, maar daaraan zelf onder gaat, krijgt het geheel zin. De Lichtende krachten die op deze wereld op gaan treden zullen op een gegeven ogenblik veel mensen pijn doen. Men zal zich dan ook af gaan vragen: “Waaraan moeten wij nu beginnen, wat is de juiste weg, wat is de waarheid? Waar moet ik heen? Moet ik dan alles verliezen?” Het is m.i. belangrijk, dat men beseft, dat ook deze dingen zin hebben, zoals koorts in sommige gevallen niet alleen een tijdelijke ontregeling en verzwakking betekent, maar ook een louteringsproces voor het organisme kan betekenen. Zo kan een dergelijke reeks van invloeden voor de mensheid een soort schoonmaak betekenen.

Of men dit nu weet of niet, op het ogenblik zijn wij in dit deel van de kosmos, in de wereld ook, aan een schoonmaak bezig. En de mensheid zal zo dadelijk zelf moeten gaan beslissen, wat er met de rommel zal gaan gebeuren. Valt de beslissing van de mensen verkeerd uit, dan weten wij het wel: “Poef, alles bij ons en wij ons maar de beroerte lopen om er weer een beetje verstand in te krijgen!” Wanneer de mensen kunnen besluiten om die overtolligheden, zoals overtollige gewichtigheid bv., opzij te gooien, dan zouden wij kunnen zeggen: de ziekte is doorstaan. De mensheid is op het ogenblik wat ziek. Misschien is de ziekte nog niet zo heel ernstig, maar onder ons gezegd en gezwegen, de patiënt zou daaraan toch kunnen succomberen.

Wij nemen aan, dat het zo  een vaart niet zal lopen. Maar dan is alle gebeuren van deze tijd, ook het onaangename, het onaanvaardbare ergens binnen dit geheel zinvol. Het is in dit zinvolle van het wereldgebeuren, waarop vele meesters getracht hebben de mensheid voor te bereiden, de een als filosoof, de ander met wiskunde, een derde misschien alleen met wat men goocheltrucjes noemde, nog anderen met het stichten van een geheime loge, het geven van een geheime leer enz. enz. Allen hebben het geprobeerd elk op eigen wijze. Zij hebben getracht nieuwe godsdiensten te stichten en de mensen te doen zien, dat er op de wereld niet een enkele, exclusieve en alomvattende waarheid bestaat, doch dat alle openbaringen en leringen deel vormen van een grotere waarheid, die men gezamenlijk moet trachten te vinden.

Elk heeft zijn taak volbracht. De Meesters van deze tijd hebben een ondankbaar werk gehad; het was geen tijd voor wonderdoeners meer en degene die trachtte hiermede nog iets te bereiken, of zelfs iets noodzakelijks te demonstreren, werd weg gehoond, uitgelachen, maatschappelijk en wetenschappelijk onmogelijk gemaakt, ja, desnoods vervolgd en in hechtenis genomen. Er zijn heel wat slachtoffers gevallen onder de ingewijden en de ten dele ingewijden, die getracht hebben naar buiten toe zoals vroeger te werken, als werkelijke profeten en wonderdoeners op te treden. Zij, die dit op aarde in de laatste tijd deden, moesten zich vaak om hun doel althans enigzins te kunnen bereiken, hullen in het kleed van de politicus, want dat was de enige manier, waarop de wereld hen nog wilde aanvaarden en aanhoren. Het is geen gemakkelijke tijd geweest, maar de Meesters van deze dagen hebben alle offers gebracht en brengen nog alle offers, omdat zij weten dat zij alleen op deze wijze de mensheid voor de depressie, de geestelijke depressie kunnen behoeden, die voor de mensheid als geheel zowel als voor het individu zo gevaarlijk kan zijn.

Nu ik u dit gezegd heb, wil ik de bijeenkomst gaan besluiten met de weergave van een lering, die niet op uw eigen wereld werd uitgesproken, maar stamt uit de sferen. Om een juist slotwoord te vinden, doe ik een beroep op een lering, die wij zelf kort geleden in onze werelden mochten ontvangen van een van de grote Meesters, die zijn activiteiten op aarde is gaan hervatten – zij het dan, dat hij dit voorlopig nog hoofdzakelijk vanuit de geest zal doen. Ik kies juist deze les, omdat zij, ofschoon zij tot ons was gericht en daardoor in bepaalde elementen voor u misschien wat duister of onbegrijpelijk kan zijn, zo buitengewoon zuiver en sterk de innigheid weergeeft, die leeft in de meesters, de innigheid, die verbonden is aan dit werk van de geest en bepalend is voor de werkwijze, de offers en de voortdurende bemoeiingen met uw wereld en lagere sferen door de Meesters.

Ik citeer zo juist mogelijk de gedachten, waarin deze boodschap ons bereikte.

“Gij allen zoekt uzelf en gij zoekt uzelf te kennen. En het is goed, dat gij uzelf leert kennen, want slechts daardoor kunt gij doordringen tot de ware geheimen van de schepping en de kracht die ook u heeft voortgebracht.

Maar weest bereid uzelf te vergeten. Want er komt een ogenblik, dat uw taak belangrijker is dan uw ogenblikkelijke vorm, die gij nog ziet als uw wezen, dat de leer en lering die gij uit persoonlijke belevingen en overwegingen kunt putten, minder is dan datgene wat gij, voor uzelf en anderen, kunt gewinnen door u over te leveren aan de Kracht, die u stuwt.

Weet dan, dat aan u allen in deze dagen een taak gegeven wordt en een opdracht, groter en moeilijker dan te voren. Zo gij slechts in staat zijt verantwoordelijkheid te dragen, zullen u verantwoordelijkheden opgelegd worden, die u zullen doen duizelen. Wij zullen van u activiteiten vragen, die u zo zwaar en overmatig veel zullen lijken, dat gij u zult afvragen, of gij – en zelfs wij – zullen kunnen voldoen aan de harde eisen, die nu gesteld worden.

Beproefd zult u worden tot het uiterste, maar ook gehard en gelouterd. Want gij allen, die werkt in dit bereik – men kan hier ook wereld zeggen, maar dient niet te vergeten, dat deze lering in een sfeer werd gegeven – zult worden tot bewusten, die zichzelf uitende ook uiting zullen geven aan de eeuwige Kracht. Uit de beperktheid van uw eigen bestaan zult gij de onbeperktheid van het eeuwige wezen leren zien en kennen….”

U zult wel begrijpen, hoe belangrijk zoiets voor ons is. U zult begrijpen, waarom ik juist deze woorden koos als slotwoord. Want ook voor u ligt er in die toespraak een belofte. Ik zal weer citeren, op de zelfde wijze als voorgaand en uit de zelfde toespraak:

“Want ziet, de mensen zullen worden getoetst en beproefd. Aan elk van hen zal de vraag worden gesteld: “Wat zijt gij?” En wie het antwoord kan geven op deze vraag, zal ook op aarde waarlijk de kracht vinden om, wat in hem leeft, te openbaren en vanuit zichzelf weer te geven de eeuwigheid, waaruit hij leeft.

Ja, zelfs zal aan dezen gegeven worden op de aarde te openbaren wat zij zelf nog niet in hun rede kunnen aanvaarden. Want het innerlijk zal bij allen, die geschikt zijn, overheersen. En zij, die krachteloos schijnen, zullen plotseling worden tot giganten van macht en kracht. Omdat zij niet zichzelf uiten en volvoeren, maar de Kracht die zij aanvaarden, zullen zij met u worden tot helpers en leiders van het menselijke ras.

Met u gezamenlijk zullen zij het zijn, die de mensheid voeren uit de woestijn der steeds verdergaande ontmenselijking naar de oasen van besef en uiteindelijk naar de vruchtbare velden van nieuw begrip, persoonlijk bestaan en leven. Uit het vuur van deze tijd wordt de mensheid nieuw gesmeed. Uit de schijnbare nacht van geestelijke ontwikkeling, die over deze wereld der mensen schijnt te liggen, zal zelfs in de kilte die zovelen schijnt te doen verstarren in hun innerlijk leven, het nieuwe bewustzijn geboren worden.”

Tot ons werd verder o.m. nog gezegd:

“En werkende aan deze taak zult gij, door anderen te bevrijden, uzelf bevrijd zien; door zelf te sterven zult gij leven en anderen helpen om te leven. En door anderen te helpen leven, zult gij de dood verdrijven. Want dit is de taak, die ons is gesteld….!”   Het volgende is de taak, zoals de Meesters, die nu werkzaam zijn, zich die dus stellen!  ….. dat wat is geweest, uit te blussen, en dat, wat zal zijn te verhullen, opdat de werkelijkheid die is, kan rijzen in de mensheid, opdat de ware bestreving en niet angst of lust zullen regeren over mens en wereld, en de bevrijding, die men in zich gewint, zal kunnen worden tot een ware verbinding tussen alle wereld en sfeer, waarbij stof en geest, bewust één zijnde, de voltooiing vormen van het ras, dat binnenkort toch weer vervangen moet worden.”

Dat ‘binnenkort’ kunt u, vrienden met een korrel zout nemen, want de wijze, waarop wij de tijd zien, is nu eenmaal wel wat anders dan uw begrip van tijd.

Het doel, dat men zich stelde, is dus het mogelijk maken van een vernieuwing voor geheel de mensheid, die niet alleen maar de geest omvat, of bestaat uit het brengen van een nieuwe geestelijke leer, maar een verandering van persoonlijk beleven en bewustzijn van de mens omvat en een verandering van zijn wereld, zowel stoffelijk dus als in de geest, waarbij een vereniging mogelijk wordt van deze elementen, die elkander nu nog vreemd blijven: de wereld van geloof en innerlijke beleving en de uiterlijke beleving en praktijk.

Ik hoop, dat ik met deze laatste woorden nog een verdere toelichting heb kunnen geven op alles, wat de Meesters in deze dagen doen en zijn. Ik ben u dankbaar voor uw aandacht en besluit hiermede voor heden de bijeenkomst.