Redelijk denken

uit de cursus ‘Denken’ (hoofdstuk 1)- oktober 1981

Redelijk denken

Redelijk denken wil zeggen: gebruik maken van de rede. Rede zou men misschien kunnen aanvullen tot redeneringsvermogen. Het is het vermogen om de feiten te rangschikken en op grond van een aantal, misschien niet volledige, gegevens te komen tot een conclusie die bijna dwingend voortvloeit uit hetgeen men heeft geconstateerd. Nu zijn er natuurlijk grote gebieden waarin we niet redelijk kunnen denken. De moeilijkheid voor ons is dan altijd weer dat wij, als we daarmee te maken krijgen, vaak een redelijke benadering afwijzen.

Voorbeeld: Er is een God. Onaantastbaar. Daar mag niemand over praten, dat is zo. Een foute redenering. Iemand die denkt, zegt niet alleen: er is een God, maar hij vraagt zich ook af: waarom zeg ik dat? Waarom neem ik dat aan? Met andere woorden, hij geeft zich rekenschap van datgene wat hij onder die God verstaat, de redenen waarom hij aan die God gelooft en welke bewijzen hij heeft die zijn geloof aannemelijk maken. Hij zal daarbij niet uitgaan van: het staat geschreven. Hij zal steeds uitgaan van zijn persoonlijke ervaring en kennis, daarnaast van de kennis van anderen, voor zover die in zeer algemene vorm bestaat. Dan kunnen we dus over dat ‘er is een God’ ongeveer als volgt gaan denken: Ik zeg dat er een God is omdat ik geloof in een God. Waarom ge­loof ik in een God? Omdat zonder een dergelijke kracht voor mijn besef mijn bestaan te zinloos wordt. Waarom vind ik het zinloos? Omdat ik het gevoel heb dat mijn betekenis niet alleen maar in een mensenleven is te meten. Waarom zeg ik dat er een God is? Zolang er mensen op aarde zijn geweest, hebben zij daarin geloofd. Ofwel het geloof aan een God is ingeschapen in de menselijke psychologie dan wel is het een feit dat op de duur niet helemaal bewijsbaar meer is. Waarom geloof ik in een God? Het is mij zo geleerd. Maar die ene God kan wel een verzamelbegrip zijn voor vele Goden. Ik weet het niet. God is voor mij niet datgene wat ik ken maar een voorstelling die ik hanteer. Dit betekent dat ik die voorstelling voor mijzelf kan hante­ren en eventueel aan een ander duidelijk kan maken waarom ik haar han­teer, maar ze betekent nooit dat ik een ander die voorstelling zonder meer als waarheid kan voorleggen. Dit is gewoon een methode van rede­lijkheid, van redelijk denken.

U zult in uw leren steeds weer geconfronteerd worden met plotselinge conclusies en beslissingen waarvan u eigenlijk niet helemaal weet hoe u eraan komt. Bijvoorbeeld, wat is dat een sympathiek mens. U kent de persoon helemaal niet. Het is de eerste keer dat u de persoon ontmoet. U weet er verder niets van. Dan is het niet voldoende te zeggen: Dat is een sympathieke kerel. U moet zich ook afvragen: waarom vind ik hem sympathiek? En dan krijgen we de eigenaardigste reacties: Hij heeft zo een prettige stem. Ik vind dat hij zo een mooi gezicht heeft. Wat heeft hij een atletisch figuur, of wat is zij welgevormd. Met andere woorden, mijn sympathie wordt mede biologisch veroorzaakt. Dan heb ik dus met mijn sympathie niet gezegd dat die mens zonder meer goed is. Dat is belangrijk. Want als ik weet dat die mens door mijn aanvaarding niet zonder meer betrouwbaar en goed is, dan zal ik rekening kunnen houden met alle afwijkingen van het ideaal dat ik mij onwillekeurig heb gevormd. Ik ben niet meer alleen overgeleverd aan mijn eerste impul­sen en impressies die voor een groot gedeelte instinctief zijn. Maar ik ben ook in staat te zien in hoeverre dit redelijk onjuist is. Daardoor zal ik een reserve behouden waardoor het mij mogelijk is om nieuwe gege­vens te verwerven en die gegevens ook objectief te verwerken.

Nu zijn er denkprocessen die ons heel ver van de werkelijkheid kunnen afvoeren. Een filosoof zegt bijvoorbeeld: wij weten dat het atoom eigenlijk een klein zonnestelsel is. Wij weten dat het aantal atomen dat alleen al in een stukje materie voorkomt, bijna ontelbaar is. Dan zijn er dus heel veel zonnestelsels en is een stukje materie vergelijkbaar met een melkwegstelsel. Maar als het vergelijkbaar is met een melkwegstelsel, wie zegt mij dan dat op een elektron geen beschaving woont zoals hier op onze planeet? En als dat het geval is, dan is de mens die ingrijpt en misschien een stukje weghaalt uit een brokje materie of een stukje materie in het vuur gooit een soort God die willekeurige beslissingen neemt. Een leuke redenering.

Maar als ik dat doe, dan vergeet ik één ding. Ik weet niet of het werkelijke zonnestelsels zijn en of die vergelijkbaarheid bestaat. Ik houd geen rekening met atomaire en moleculaire samenhangen. Ik houd geen rekening met de structuur van materie die aanmerkelijk ver­schilt van die van ruimte, vooral omdat materie een meer consistente dichtheid heeft. Met andere woorden, die redenering is bijna fout.

Soms redeneert men ook met een logica die paradoxaal wordt. U kent allemaal het bekende verhaal van de hardloper en de schildpad. De schildpad krijgt 5 minuten voorsprong. In de eerste minuut haalt de renner hem in en heeft de helft van de afstand die de schildpad heeft afgelegd eveneens volbracht, en zo verder. Wie komt er nu het eerst aan? Dat is altijd de schildpad. Waarom is deze logica niet juist? Omdat beide zich bewegen met een snelheid die hun persoonlijke constante is en hun snelheid dus niet als een relatieve waarde kan worden uitgedrukt, tenzij vanuit deze persoonlijke snelheid maar nimmer vanaf de afgelegde weg. Maar dan moet je ook op andere gebieden heel erg nuchter en logisch zijn.

Zeker, er bestaan sferen. Ja, ik kan dat gemakkelijk zeggen, want ik leef daarin. Maar is het voor u zo zeker dat ze er zijn? Wat voor bewijs heeft u voor hetgeen u denkt ten aanzien van deze? Wat zijn uw persoonlijke bewijzen voor de krachten en de werkingen van de geesten die optreden? Het is niet voldoende om het te constateren. Het is niet voldoende om te zeggen, ik geloof. Want daarmee werpen wij de redelijkheid van ons af, maar ook de feitelijke situatie waarin wij verkeren.

Nu blijkt dat dit geloof in sommige gevallen invloed heeft op onze situatie, inderdaad. Maar daar moet er dan ook weer een reden voor zijn. Juist als ik al datgene wat voor mij constateerbaar is steeds weer formuleer, steeds weer probeer elk verschijnsel dat schijnbaar spontaan ontstaat, te herleiden tot een redelijk proces, kom ik tot een beperkt aantal gegevens die mijn wereld en werkelijkheid uitmaken. Daarbuiten blijven er vele vaagheden bestaan. Maar die vaagheden, en dat is juist het interessante daarbij, hebben niet meer te maken met het redelijke proces. Ze zijn als het ware het milieu waarin ons redelijk proces zich afspeelt. Dit te begrijpen, betekent het geloof zijn juiste plaats geven.

Als u tegen iemand zegt: u bent een waar christen (dat wordt wel eens gezegd als een compliment), wat zegt u dan feitelijk? Dan zegt u: u heeft uw naasten lief gelijk uzelf. U heeft God lief boven alle dingen. U offert uzelf op voor de mensheid. Maar als u dat allemaal opsomt en u kijkt nog een keer, misschien dat u dan die uitspraak toch een tikje wilt variëren. Want dit is juist het belangrijke. Redelijk denken betekent: uitgaan van de feiten. Het betekent ook dat als anderen mij voorlichten over feiten, ik, zeker als het voor mij belangrijk is, eerst moet nagaan of dat allemaal wel klopt.

Het is u misschien niet bekend maar een lange tijd heeft men met heel grove fouten gewerkt, onder andere op natuurkundig gebied, alleen omdat er in een boek van een bekend geleerde een aantal drukfouten stond. Er was namelijk een decimaalteken verkeerd geplaatst. Het resultaat was dat allerlei berekeningen helemaal fout gingen. Iedereen zei: die berekeningen lopen fout, dus is dit onmogelijk. Totdat er iemand kwam die zei: heeft die man wel gelijk gehad? Hij ging het toen nakijken en zei: ik moet de komma twee plaatsen naar voren zetten en dan heb ik de juiste constante. Toen bleek dat er dan veel wél mogelijk was. Met andere woorden, de deskundige is ook niet iemand die alles weet. Als een deskundige over het algemeen gelijk heeft en het komt er niet op aan, nu ja, geef hem dan maar gelijk. Je behoeft er niet over te vechten. Maar als je zelf met de gegevens van een deskundige moet werken, dan moet je toch eerst even controleren wat die gegevens in feite zijn en of ze wel zo juist zijn als je te kennen werd gegeven. Redelijk denken is controleren.

Een ander punt waarmee wij heel vaak worden geconfronteerd, is onze neiging tot uitleggen. De droomuitleg bijvoorbeeld. Een heerlijk iets. Iemand zegt: ik heb gedroomd van een bezemsteel. Dan komt de eerste deskundige die zegt: aha, onbevredigde seksualiteit. De tweede zegt: behoefte om los te komen van de wereld. De derde: ik heb het gevoel dat deze droom, gezien de psycholo­gische achtergronden en de geestelijke mogelijkheden, een voorbereiding betekent voor een nieuwe ontdekking en een nieuwe ervaring. Alle drie de verklaringen zijn trouwens gelicht uit de praktijk, dus niet dat ik ze even als voorbeeld geef. Wat is nu de werkelijkheid? U heeft zitten denken: ik moet toch eindelijk eens het tuinpad aanvegen. Als u nu aan dergelijke simpele gegevens voorbijgaat, dan komt u in de een of andere illusiewereld terecht. Misschien denkt u wel: o, wat ben ik seksueel onbevredigd. U heeft er tot nu toe geen last van gehad en nu overkomt het u ineens. Of u denkt plotseling: tjonge, tjonge, wat voel ik mij toch gebonden, ik moet de vleugels eens uitslaan, als ik al geen bezem heb om erop uit te vliegen. Misschien zit u wel te wachten op de grote verlichting die zal komen en u vergeet dat er niet eens een stopcontact in de buurt is. Realiseer u eerst, ook bij een droomuitleg, wat is de mogelijke aanleiding?

Uittredingsdromen, best. Maar een uittredingsdroom is nooit een reële droom, dat weten we ook. Wij nemen gegevens op, goed. Die gegevens kunnen waar zijn, maar ze behoren tot onze gevoelswereld, ze zijn redelijk niet als juist te bewijzen. Dat wil zeggen dat wij wel met onze gevoelens rekening kunnen houden, dat we een beroep kunnen doen op de krachten die we misschien in die gevoelens hebben ervaren, maar dat wij niet in staat zijn de beleving en de krachten daaruit zonder meer als redelijk element te gebruiken. Zelfs als we de kracht kunnen uiten die wij menen te hebben ontvangen, dan nog bewijzen we alleen dat de kracht er is, niet dat het droombeeld juist is.

U zult zeggen: wat blijft er dan van de wereld over, als men zo begint? Misschien niet veel, dat ben ik direct met u eens. Als je niet eerst redelijk kunt denken, hoe wil je dan een weg vinden in de hele warwinkel van esoterisch denken, van magisch denken, van mystiek, van occulte werkelijkheden. Je moet toch ergens een plaats hebben van waaruit je begint. Die plaats moet eerst helder, zuiver zijn. U kunt een ladder opklimmen zo hoog u wilt en zo ver die ladder reikt, maar als ze niet op vaste grond staat, dan garandeer ik u dat de kans om wat te breken tien tegen één is. Dat weet zelfs elke glazenwasser, denkt er niet eens over na, hij weet het gewoon.

Maar als u zich bezighoudt met allerlei speculatieve denkbeelden, met geloof, met innerlijke beleving, veranderde waarden, veranderde normen misschien, hoe wilt u dan zonder ongelukken iets bereiken, als u niet eerst een redelijk stuk heeft waaruit u uw leven kunt benaderen?

Zeker, dit is erg bitter voor degenen die wegwieken op de hoge wolken van lichtende geest naar onbekende werelden en sferen waar ze gekroond en ingewijd worden om dan terug te keren met de innerlijke zekerheid dat zij beter zijn dan een ander. Het is vervelend, maar je hebt niet te maken met wat er is gebeurd of het echt is of niet, je hebt te maken met de wereld waarin je leeft. Dat wil zeggen dat je denkproces moet zijn toegespitst in de eerste plaats op de feitelijkheden, de mogelijkheden van de wereld waarin je leeft en dan pas kun je verder gaan.

Men heeft wel eens gezegd dat de menselijke rede vaak vervreemdend werkt. Dat is waar. Als je redelijk denkt, dan moet je je gevoelens tot op zekere hoogte kunnen uitschakelen. Je moet eerst je redelijke conclusie hebben bereikt en dan pas kun je je gevoelens bezien. Maar aan de andere kant, als we zien wat de emoties met de mensen doen, dan is het een dwaze wereld. Vandaag is er een goed man vermoord (Sadat). Maar waarom? Niet om redelijke maar in feite om emotionele beweegredenen. Denkbeelden van: wij zijn even goed als hij. Bewijs dat eerst maar eens. Denkbeelden van: wij weten hoe het moet en hij weet het niet. Hoe komen ze aan die veronderstelling? En ongetwijfeld op de achtergrond kreten van: de waarheid van ons geloof wordt hier bedreigd. Hoe kun je de waarheid van een geloof bedreigen, als het op werkelijkheid berust?

Ik vind het altijd zielig als de mensen zo druk bezig zijn om God te beschermen. Misbruik de Naam niet ijdel. Maar degenen die u dat toeroepen, zijn van enige ijdelheid niet vrij want zij menen kennelijk dat ze weten waar God op reageert. Iemand die reëel is, weet dat geen enkele mens tot nu toe daarachter is gekomen.

O, er zijn verhalen genoeg over het ingrijpen van God en van Goden in het verleden. Maar kijk eens naar deze dagen. Waar is God? Waar is de hand Gods? Waar is het goddelijk ingrijpen? Het is nergens te vinden volgens menselijke normen. Je kunt alleen zeggen: God houdt zich met ons bezig als je voortdurend roept, De Here weet wat Hij doet en wij weten het niet. Maar als wij het niet weten, waarom leven we dan hier? Laat de Heer de zaak opknappen. Het is volkomen a-logisch, als je redeneert vanuit een vaststelling die niet bewijsbaar is, als je redeneert uit een emotie die niet op feiten is gebaseerd.

Nu zeg ik niet dat u gevoelloos moet zijn. Begrijp mij wel. Ik zeg ook niet dat u uw geloof terzijde moet zetten. Daar is geen enkele reden voor. Maar ik zeg u wel dat u redelijk moet kunnen denken, dat uw logische en redelijke processen altijd de basis moeten vormen voor alles wat u geestelijk of anderszins probeert te bereiken. En dat impliceert zelfdiscipline. Zo goed als meditatie discipline eist, eist denken discipline. Denken is geen chaotisch gebeuren. Juist omdat u meestal gewend bent om toch wel chaotisch te reageren, moet u zich aanwennen om als u iets zegt, als u met een conclusie begint, u onmiddellijk af te vragen: waarom trek ik deze conclusie?

Als u met een bepaalde stemming de wereld intrekt, best. Ik heb daar geen bezwaar tegen. Maar op het ogenblik dat die stemming te zeer uw reacties en gedachten gaat beïnvloeden, is het misschien toch wel goed om u even af te vragen: wat is er met mij aan de hand? Ben ik in mijn benadering van het leven nu niet te eenzijdig?

Laten wij proberen om dat allemaal eens op een rijtje te zetten.

  1. Denken impliceert het erkennen van een feit en, uitgaande van dit feit, de verdere reeks feiten, voor ons kenbaar als oor­zaak en gevolg, volgen tot aan het heden.
  2. Denken betekent u eerst de werkelijkheid realiseren, de toestand waarin u verkeert, de mogelijkheden waarover u beschikt en pas daarna ingaan op datgene wat u veronderstelt, wat u droomt of wat U waar wilt hebben.
  3. Onthoud dat elke redenering die, beginnend met een feit, zich verder alleen op veronderstellingen steunt, de neiging heeft om zich van de werkelijkheid, ook van uw persoonlijke en zelfs van de goddelijke werkelijkheid eventueel, te verwijderen.
  4. Wij hebben niet het recht lange gedachteketens op te bouwen op grond van veronderstellingen zonder deze in de praktijk voort­durend te toetsen tot zij bewezen feiten zijn. Eerst vanuit het bewezen feit kunnen wij dan verder gaan.

Dan zijn er een aantal denkregels die misschien niet zo algemeen aanvaard zullen worden, maar wij moeten er toch rekening mee houden. Als iets niet te verklaren is, neem ik de eenvoudigste mogelijkheid tot verklaring aan als werkhypothese. Ik zal nooit een feit dat voor mij bestaat, zonder meer als onverklaarbaar ingrijpen of iets dergelijks beschouwen. Ik zal altijd proberen erachter te komen wat er aan de hand is. Je kunt niet een voortdurend herhaalde gelijkheid van resultaten bij handelingen of gedachten veronderstellen. Ik weet dat de wetenschap daarop is gebaseerd. Maar dat komt omdat

  1. de wetenschap wat dit betreft met grove lijnen werkt
  2. omdat ze de neiging heeft om feiten uit te schakelen die niet binnen deze voor haar bestaande reeks bewijzen passen.

Wij mogen die fout niet maken. Het gaat niet om de voortdurende herhaling van een invloed omdat het niet gaat om een bewijs voor de kwaliteit van die invloed. Voor ons gaat het om het bestaan van die invloed op dit ogenblik en een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van tenminste de omstandigheden waaronder ze optreden. Pas dan ontstaat er voor ons herkenbaarheid.

Een punt dat bij sommigen misschien wat vreemd overkomt, is het volgende: Denken is gebaseerd op herinnering. Dat wil zeggen, uw denken is een voortdurend groeperen en hergroeperen van gegevens die in de hersenen zijn vastgelegd. Vernieuwde signalen en totaal nieuwe ervaringen ontstaan niet spontaan. Zij ontstaan als een combinatie van een aantal reeds aanwezige herinneringen of ervaringselementen. Op grond daarvan kan er dan een nieuw beeld ontstaan dat, verbonden met emotie, weer een eigen specifieke betekenis krijgt. Dat houdt in dat wij bij ons denken altijd mee gebonden zijn aan datgene wat wij zelf zijn en de inhoud die wij zelf bezitten. Als u werkelijk redelijk wilt denken, moet u ook begrijpen dat u beperkt bent. Een voorbeeld: U kunt uitstekend koken, u bent misschien een uitstekende huisvrouw, maar u heeft absoluut geen aanleg voor mathematica. Dat komt veel voor. Probeer dan niet een mathematische bewijsvoering te volgen want als u dat doet, verwart u het eigenlijk met uw kookkunst. U denkt dat een snufje van dit en een snufje van dat samen een goed resultaat geeft en juist in de mathematica is dat niet mogelijk. Maar eenvoudig dat deze bewijsvoering voor u, met de kennis waarover u nu beschikt en de ervaring die u nu heeft, niet benaderbaar is. Het is een taal die u niet spreekt. Probeer dan een andere taal te vinden. Dan is het verstandiger om de waarde Pi niet te vergelijken met onein­dig en bovendien nog een som uit te rekenen.

We kunnen dan gewoon zeggen: als we de feiten bij elkaar zetten, dan vormen ze toch een ander product, zo goed als lomboks die we met enige toevoeging van boemboes (kruiden) toch een heerlijke sambal wordt. Dit is redeneren. Dat wil zeggen, redelijk gebruikmaken van herinneringselementen.

U heeft uw eigen kwaliteiten. U moet niet zo knap zijn als een ander. Een ander kent misschien veel meer feiten en gebruikt veel meer vreemde woorden dan u ooit heeft geleerd. Trek u daar niets van aan. Maar als u iets niet begrijpt, sta er op dat het zo wordt geformuleerd totdat u het wel begrijpt, zeker als het iets is dat voor u belangrijk is. Als u steeds vraagt naar de vertaling, dan zult u in het begin op moeilijkheden stuiten maar op de duur geschiedt het volgende: In de eerste plaats krijgt u een juister antwoord en bent u dus in staat redelijk de argumenten van een ander te volgen en eventueel uw eigen conclusies daaraan te verbinden. In de tweede plaats verwerft u kennis van een aantal uitdrukkingen waarvan de betekenis voor u nu bekend is zodat u op de duur gemakkelijker en met een steeds groter combinatievermogen de argumentatie van een ander kunt volgen. U moet dan nog steeds uw argumenten toetsen aan de werkelijkheid zoals u die kent.

Dat is natuurlijk een beetje pijnlijk. Je kunt wel uitroepen: wij moeten allen inleveren. En dan kijk je zo en zegt: hé, de nieuwe minister heeft net 40 mille uitgegeven voor de nieuwe inrichting van zijn kamer op onze kosten. Maar bij de ECG is dat bijna vijf keer zoveel, waar is dat voor nodig? U moet zich dan realiseren dat deze mensen die weelde zien als hun goed recht omdat zij menen over een macht en een gezag te beschikken die u niet heeft. Maar dan gaat de redenering verder. Als ik niet betaal, kunnen zij zich hun machtssymbolen niet aanschaffen. Dientenge­volge zal ik mij moeten afvragen of het mij de moeite waard is om niet meer bij te dragen aan dergelijke excessen. Begrijpt u wat ik bedoel?

Een ander voorbeeld. De werkloosheid in Nederland neemt toe. Dat wil zeggen dat de premie voor de werkloosheidsverzekering binnenkort zeker meer dan zal verdubbelen, wil men in staat zijn het huidige systeem te handhaven. Dat houdt in dat u zich moet afvragen of u dit systeem wel wilt handhaven. Denkt u: ik kan binnenkort ook werkloos worden en ik wil zoveel mogelijk toch in mijn eigen inkomstenklasse blij­ven leven, dan moet u ja zeggen. Maar als u zegt: dat gevaar lijkt mij niet zo groot en het is het mij niet waard, dan moet u ook een oplossing vinden. U kunt niet alleen maar zeggen: ik wil niet meer betalen. U moet ook zeggen hoe het dan moet.

Als iemand zegt: de bijeenkomsten van de ‘Orde’ vind ik heel aardig maar de organisatie zit niet goed in elkaar (bestuursleden, wees gerust, ik heb het nog nergens gehoord), dan is het niet voldoende om te zeggen dat ik dat vind. U moet dan eerst de argumenten vinden, dus de feiten opsommen waarop u dat oordeel baseert en in de tweede plaats voor uzelf nagaan hoe u die feiten zou kunnen veranderen en wat u dat, als u het persoonlijk zou doen, aan inspanning enz. zal kosten. Pas als u over die gegevens beschikt, kunt u terecht zeggen: dit is wel of niet goed. Een beetje vervelend, als je er zo over nadenkt. Het is net of je niet meer gewoon kunt leven. Je moet elke keer weer denken. Elke keer vragen stellen. Elke keer maar weer proberen te preciseren. Proberen te begrijpen. Het is duidelijk dat dit proces niet in uw hele leven altijd kan worden gebruikt. Per slot van rekening, als de tram twee minuten vertraging heeft, kun je wel gaan vragen hoe dat nu toevallig komt maar daar word je niet wijzer van. Dat wil zeggen dat wij bij het stellen van die vragen ook nog selectief moeten zijn.

Redelijk denken betekent ook dat wij voor onszelf nagaan in hoever­re het proces van je afvragen, feiten constateren, onderzoeken, con­clusie trekken wel belangrijk is. En dan blijkt dat we over heel veel  dingen praten die eigenlijk niet de moeite waard zijn. Dat we ons bezig­houden met heel veel zaken die geen betekenis hebben, tenzij misschien in de zin van dat ze het ons mogelijk maken om veel te zeggen zonder veel te denken. Dan moeten we ons afvragen of dat zinvol is. Redelijk denken voert ons tot zinvolheid, niet alleen van ons bestaan, dat zou misschien nog onzeker kunnen zijn op redelijke basis, maar van al datgene wat wij doen en laten. De erkenning van onze eigen leefregels, zeker, maar ook van het feit dat ze misschien niet stroken met de leefregels van anderen. Het erkennen van ons eigen geloof. Best, maar dan ook de erkenning dat het geen zekerheid is als we de emotionele waarde wegnemen. Zo te zoeken naar een steeds juistere definitie van datgene wat je wezenlijk met anderen gemeen hebt, voert tot een beter begrip voor anderen, een juister gebruiken van je mogelijkheden, een grotere duidelijkheid ten aanzien van vele feiten om je heen. Het geeft je tenslotte ook de mogelijkheid om, maar nu bewust, te putten uit je geloof, uit je mystiek, uit al datgene wat je dierbaar is van ideaal en droom, want je behoeft niets achter te laten. De enige eis van redelijk denken, is dat je eerst de redelijkheid, de feiten zoals ze zijn en de combinatie die daarbij mogelijk is, vooropstelt. Dat is misschien wel het allerbelangrijkste.

Een dokter die niet eens weet of hij alles wat hij nodig heeft in zijn tas heeft, is eigenlijk niet de moeite waard. Maar als u een geestelijke dokter wilt zijn en u een ander wilt bekeren, dan speelt u eigenlijk een beetje voor zielendoktertje. Het gaat er dus gewoon om: de feiten en mijn emotie, beseft als mijn drijfveer binnen de feitelijkheid en de redelijke samenhangen, geven mij de mogelijkheid om optimaal te functioneren volgens de inhoud van mijn wezen. Zonder redelijk denken, kun je alleen instinctief reageren. Dan maak je misschien de wetten en de normen van je soort nog wel waar maar wat je zeker niet waar maakt, is de betekenis in de zin van een persoonlijk bestaan. Een persoonlijk bestaan is nu eenmaal datgene wat voor de mens het meest belangrijke is omdat zijn betrekkelijke vrijheid van persoonlijk den­ken en beleven hem steeds weer het gevoel geeft van iets hoger te staan dan andere levensvormen.

  • Als je plotseling iets aan de hersens gaat mankeren door bijvoorbeeld een ongeluk, dan kun je niet redelijk denken. Het denken gaat dan toch wel door op een andere manier. Maar als je zelf redelijk denkt, kun je met zo een persoon toch geen redelijke gedachtegang volgen.

Dat is inderdaad waar. Maar door een redelijk denkproces kunt u erachter komen waar uw redelijkheid en de voor u schijnbaar redelijke redenering van de ander verschillen. Daardoor kunt u die norm van be­grip en reactie vinden waardoor u de ander toch kunt begrijpen en ook voor de ander begrijpelijk kunt reageren. Maar daarvoor is eerst het re­alisatieproces nodig. Dat moet redelijk en niet emotioneel zijn omdat, als wij de emotie teveel erbij brengen, wij onwillekeurig een vervalsing plegen in onze relatiemogelijkheid ten aanzien van de ander.

Voor degenen die zitten te zuchten: het wordt beter en op de duur zelfs gemakkelijker, tenminste voor u. Maar als u deze eerste les bij de verdere lessen uit het oog verliest, dan ben ik bang dat u niet zoveel opsteekt van deze cursus als wenselijk zou zijn. Dus wilt u dit niet vergeten, probeer er maar eens achter te komen wat redelijk en ook wat onredelijk was volgens u in mijn argumenten. Maar vraag u dan ook af: waarom?

Tweede gedeelte

Zoals u weet, ligt het in de bedoeling dat verschillende, niet regelmatige sprekers een toelichting geven op datgene wat in het eerste gedeelte van de avond werd besproken. Om vergissingen te voorkomen zou ik mij bij uitzondering gaarne willen voorstellen. Mijn naam is James Collins. Ik ben overleden in 1793 en sedertdien, de Here zij dank, niet wederom geïncarneerd geweest.

Wie spreekt over denken, realiseert zich al te weinig dat er een groot verschil is tussen menselijke en redelijke processen. De mens is niet redelijk in de werkelijke zin des woords. Ik ben zo vrij om, terugkijkend naar mijn vorig bestaan, mijzelf hierbij nadrukkelijk in te sluiten. De wegen van het leven zijn vaak wat zonderling. Wij worden geconfronteerd met het onbegrepene dat wij als noodlot of de wil Gods plegen aan te duiden. Het is voor ons noodzakelijk om als mens ons ook voortdurend voor te houden dat het niet onze schuld is, dat het buiten ons om is gegaan, maar dat wij zelf waardevol en vol betekenis zijn. Hiermee scheppen wij een vorm van dramatiek die wij verkeerd als redelijkheid definiëren. Maar het denken op zichzelf is toch steeds wel een keuzegang. Als je begint met een beeld of een ervaring, dan heb je altijd vele mogelijkheden tot verder gaan. Je kunt bijvoorbeeld zeggen: er zit regen in de lucht. Dan kun je zeggen: wat ellendig, het worden modderige wegen. Of: wat goed, want het gewas heeft het nodig. Je kunt dus in verschillende richtingen gaan.

Mijn persoonlijke ervaring is altijd geweest dat denken voornamelijk wordt geleid door onze belangstelling. Wij hebben een vooraf gekozen programma waaraan wij al onze gedachte-volgorden plegen vast te knopen. Het resultaat is dat onze redelijkheid eenzijdig is en niet absoluut. Het betekent dat wij aan vele dingen voorbijgaan omdat ze niet passen in onze denkwijze of ons systeem van denken enerzijds en anderzijds wij maar al te graag vergeten dat wij bepaalde feiten, toestanden of waarden verwaarlozen.

Ik ben zo vrij geweest uw inleider te volgen. De eerlijkheid gebiedt dat dit voor mij meer een kwestie was van het juist beheersen van uw taal dan een kwestie van het volgen van de inhoud. Maar je kunt niet het ene volgen zonder het andere automatisch op te nemen. Daar heeft u dan een typerend beeld van onze wijze van beleven en denken. Ons doel kan geheel anders zijn dan het resultaat dat in ons ontstaat. Bij mij was het de redelijkheid die werd voorgestaan en in zich een mate van onredelijkheid verborg. Ik weet dat mijn collega mij deze kritiek als buitenstaander wel zal willen vergeven.

Waarom kiezen wij voor een bepaalde redenering? Omdat zij past bij ons doel, bij ons bias (afwijking). Daar begint eigenlijk het proces waardoor de mensheid groot is geworden. De mensheid heeft de rede en de redelijkheid hard nodig, dat ben ik met de spreker eens. Wij moeten leren om voortdurend na te denken, inderdaad. Dat is geen bezwaar. Maar wij moeten ons ook realiseren dat dit zaken zijn die elke computer beter doet. Een eenvoudige machine denkt consequenter dan een mens. Maar het is de inconsequentie van de mens en ook van de geest, neem ik aan, waardoor diens specifieke kwaliteiten en mogelijkheden veel scherper naar voren komen. De mens die alleen redelijk is, schiet als mens tekort. De mens die alleen inspiratief en intuïtief reageert, schiet gewoonlijk geestelijk tekort omdat hij niet beseft wat de relatie is die er bestaat tussen zijn wereld en zijn wezen. Ik ben daarom zo vrij om enkele van mijn persoonlijke gedachten en ervaringen hier aanvullend aan u voor te leggen.

Leven is een proces van onredelijke waarden die eerst in redelijke termen menselijk omschreven kunnen worden. Dat wil zeggen dat wij alles in het leven in feite onvolledig omschrijven. Van die onvolledigheid zijn wij ons vaak ten zeerste bewust en wij vullen dat aan door onze mythen in de feiten te mengen, door in onze argumenten onze gevoelens te injecteren en door zelfs het geheel van ons proces van realisatie, van werkelijkheidserkenning te binden aan emoties en impulsen die wezenlijk niet meer van stoffelijke aard zijn.

Wanneer je leeft in de sferen, dan is het vaak moeilijk om alle gedachteprocessen op aarde nog op hun waarde te schatten. Het is alsof je de diepte van de stroom wilt afmeten aan de weerkaatsing van het licht in haar oppervlakte. Toch is het dat oppervlak waardoor de stroom kenbaar is. Het is het oppervlak dat ons de tekenen geeft van stroming, eventueel duidelijk maakt of het water zuiver is of misschien modder met zich meevoert, of er leven in is of dat het bijna stagnerend, in feite bijna dood is. Het oppervlak kan ons dus veel zeggen. Maar het kan ons niet zeggen wat zich onder de waterspiegel afspeelt.

Als ik naar het menselijk denken kijk, dan zie ik een oppervlakte. Maar pas als ik kijk naar de menselijke emoties, de geestelijke en intuïtieve processen die achter en onder de denkwijzen, de redeneringen schuilgaan, kan ik de mens begrijpen. Dat wil zeggen dat ik de redelijkheid ongetwijfeld belangrijk vind, dat ik het denken op zich een zeer belangwekkend en belangrijk proces vind, maar dat er meer dan dit nodig is.

Ik neem aan dat dit onderwerp, het eerste dat in deze reeks naar voren wordt gebracht, ten doel heeft om duidelijk te maken dat, als je het oppervlak niet kent, je in de diepten gemakkelijk kunt verdwalen. Maar het ontkennen van de diepte is zinloos. Laten wij ons contact hier, zoals het op dit moment plaatsvindt, een ogenblik beschouwen. Ik ben, wat u noemt, lang dood. Redelijk is dit onzin. Het is onbewijsbaar. Indien wij de stelling als uitgangspunt aanvaarden, dan betekent het nog niet dat ze daardoor ook bewezen is. Ik spreek woorden tot u die niet worden gevormd door mijzelf maar die, in de hersenen van mijn medium aanwezig zijnde, door mij achtereenvolgens worden gestimuleerd door het uitzenden van analoge gedachtebeelden. Wat naar buiten komt, zal dus nooit een volledige weergave zijn van wat ik wil zeggen of de wijze waarop ik denk, het is alleen maar een benadering.

Wat kun je nu doen om dat aan te vullen? Enkelen onder u hebben ongetwijfeld reeds geconstateerd dat er een bepaalde werking en uitstraling van mij uitgaat zoals ik nu dit medium doordesem en oversluier en dat daarnaast nog enkele andere personen bezig zijn om de juiste krachten op te wekken. Dan staan wij voor een heel wonderlijk beeld. Wij spreken dus schijnbaar menselijk en redelijk maar de betekenis wordt voor een deel bepaald door datgene wat juist menselijk niet of alleen onder bijzondere omstandigheden waarneembaar is. Mijn persoonlijke ervaringen brengen mij ertoe te veronderstellen dat dit ook in intermenselijke contacten het geval zal zijn.

U heeft niet alleen te maken met feiten en redelijkheden maar u heeft ook te maken met achtergronden die worden geprojecteerd als een uitstraling, als een gedachtesfeer, als een gevoelswaarde. En onbewust brengt de mens dit alles samen tot een interpretatie die schijnbaar redelijk is. Maar dan is er nooit sprake van werkelijk menselijk denken zonder meer. Wanneer de mens denkt, dan denken alle krachten in hem mee. Als de mens probeert redelijk alles samen te voegen, dan injecteert hij in die schijn-redelijkheid voortdurend intensiteiten en krachten die van hemzelf uitgaan. Dan spreekt hij niet meer redelijk. Dan is het den­ken ook niet meer alleen hersendenken. Zeker, de hersens geven de beel­den, zoals hier geleende hersens de woorden geven om uit te drukken wat ik probeer aan u over te brengen. Maar er is een stuwende kracht die mee bepalend is voor de gerichtheid van uw denken.

De keuze-elementen die voor u zo een grote rol spelen bij de zogenaamde redelijke processen, worden bepaald door krachten op de achtergrond. Zoals de wielingen aan het wateroppervlak worden bepaald door steentjes op de bodem. Of misschien, ik herinner mij die tijd nog, als een vette forel naar een vlieg hapt en met zijn wieling de visser erop attent maakt dat er iets te halen valt.

Wij moeten begrijpen dat al wat wij beleven, zien en denken, zich afspeelt niet alleen maar op het hersenniveau maar dat het voortdurend mee wordt bepaald en aangevuld door zaken die we menselijk niet helemaal kennen of waarvan wij ten hoogste slechts gedeeltelijk bewust zullen zijn. En dan komt de vraag op: wat is werkelijkheid? Werkelijkheid is moeilijk te bepalen, zelfs de menselijke. Geestelijk is de werkelijkheid een proces van voelen, van beleven, van onbewust erkennen, ook weer door de herinneringen die je hebt omgezet in een beeld van een wereld of van een mogelijkheid.

Een mens heeft zichzelf niet meer kunnen vinden in zijn menselijk bestaan. Hij is heengegaan van de aarde op een wijze die tenminste enige twijfels bij zijn medemensen moet hebben opgeroepen. Menselijk gezien is hier sprake van een rechte redeneringsmogelijkheid. Hij was dit, hij deed dat. Hij was dus minder verantwoordelijk, maar het resultaat was zo.

Nu kijk ik naar de achtergrond. En dan zeg ik, als je stuurloos wordt door een stroomversnelling, dan is het soms noodzakelijk om naar de kant te gaan. Zeker, je verwijdert je uit de stroom maar je schept daardoor de mogelijkheid om verder te gaan waar je anders verbrijzeld zou worden. Maar dit betekent dat je dan ook licht vindt. Dit betekent dat je weg niet wezenlijk is onderbroken, maar alleen van aard is veranderd. Dan kun je met denken niet meer begrijpen wat er gaande is, je kunt het alleen nog voelen. Maar als je dat gevoel in gedachten wilt omzetten, dan ontstaat er een volkomen onredelijk verhaal vol van allerlei veronderstellingen die dwaas zijn.

Wij spreken vaak als dichters omdat de werkelijkheid die in ons leeft, de rechte lijnen van het woord niet kan verdragen. Wij, die schijnbaar de gevallenen zijn, lijken soms toch weer vorsten van licht te zijn. Dat is niet redelijk. Maar de rede geeft alleen de buitenkant weer. Zo gaat het ook bij u. Het redelijk denken is belangrijk. Het is de buitenkant. Het is de kenbare begrenzing van uw persoonlijkheid, van uw wezen tegenover de wereld. Maar kunt u mij zeggen of u werkelijk redelijk bent? Als u dat zegt, bedriegt u zichzelf. U spreekt dan misschien over een bepaalde manier van interpreteren van de feiten, maar spreekt u over de innerlijke werkelijkheid van de feiten? U spreekt misschien over de wetten van de natuur, maar spreekt u daarmee wel wezenlijk van datgene wat er in u leeft?

Geloof mij, redelijk denken is net zo goed en zo nuttig als de boer is die een omheining maakt rond zijn veld, die stenen stapelt of een heg plant van de briar (wilde roos). Maar die bewerking is slechts het scheppen van grenzen. Het zegt niets over de aard van de grond, zelfs niet over de betekenis die ze heeft voor de boer.

De rede beperkt voor u het leven. Dat is waar. Maar er is meer. Dat meer kan redelijk niet worden omschreven. Dat meer is niet te vangen in een droom, in een beeld, in woorden of in argumenten. Dat is ontastbaar als de wind die je voelt maar die je niet ziet, niet kunt bepalen. In ons leeft een adem die we niet kunnen waarmaken met onze middelen en onze mogelijkheden. Het is die adem die de zin uitmaakt van het bestaan in de geest en ongetwijfeld ook van het bestaan in de stof, als wij het ontdoen van zijn bijkomstigheden.

De boodschap aan u is een eenvoudige: denk redelijk om te weten waar de grenzen liggen, maar leef innerlijk om binnen de grenzen van uw mogelijkheden, van uw kunnen, van uw weten de beste oogst te krijgen die mogelijk is.

Voor mij is er deze avond gesproken over de omheiningen. Niet over de grond, niet over de natuur, niet over het leven. Misschien moet je beginnen bij de omheiningen. Maar dan moet je wel degelijk beseffen dat ze slechts een begin zijn.

Wees redelijk op uw eigen manier. Ga uit van de feiten op uw eigen wijze, ongetwijfeld, maar besef dat deze dingen alleen maar palen zijn waarbinnen zich uw leven afspeelt. Ook dat al wat u bent en kunt doen, soms die omheining zal doorbreken om zich te manifesteren, ook buiten een deel van uw redelijke werkelijkheid.

Het heeft weinig zin met feiten te vechten. Als Darwin zegt dat de mens van de aap afstamt – ik hoor dat hij dat heeft gedaan – dan heeft hij ongetwijfeld vele argumenten die daarvoor spreken. Als ik van mijn kant zeg dat hiermee deze later eminent genoemde geleerde en denker zichzelf tot aap heeft verklaard, zal niemand dat redelijk kunnen tegenspreken. Argumenten zijn alleen maar wapens. Wapens hebben slechts zin indien we een doel nastreven dat op een andere manier niet te bereiken is. Dat is wat voor u het belangrijkst is.

Besef dat de redelijkheid alleen maar het bepalen is van je wezen. Besef dat argumenten niets anders zijn dan wapens die je hanteert tegen jezelf en je innerlijke wereld of tegen de wereld buiten je. Besef dat daarachter de werkelijke lichtende kracht ligt, de werkelijkheid die onomschrijfbaar is en blijft. Misschien zult u dan ontdekken dat de rijkdom van de grond de hechtheid van de omheining altijd toch weer mee schijnt te bepalen.

Hoe waardevoller uw innerlijk, des te meer u ook behoefte zult hebben aan het redelijk denken om een grens te kunnen trekken tussen uw zijn en al wat er om u heen is. En om met een citaat te eindigen: ‘Er is meer tussen hemel en aarde dan gij ooit gedroomd hebt. Maar al wat er tussen hemel en aarde is, kan niet veranderen dat ge zijt wat ge zijt.’

Ik dank u hiermee voor de gelegenheid mij, mogelijk wat moeizaam hier en daar, te uiten. Ik hoop iets te hebben bijgedragen tot een juistere waardering van de processen die de mens redelijk denken noemt. Ik geef u voor een slotwoord over aan een van uw eigen sprekers.

Slotwoord

U heeft het gezien, het stond ook al in het programma vermeld: wij proberen u de zaak van vele kanten te tonen. En om dat te kunnen doen, moet je ook verschillende richtingen en denkers aan het woord laten. Het betekent in dit geval dat we iemand hebben gekozen die in zijn tijd dacht dat hij een zeer redelijk mens was. Het betekent verder dat als we gaan spreken over bijvoorbeeld mystiek en andere zaken, er ongetwijfeld iemand aan het woord komt die mystiek ingesteld is geweest, die weet wat mystiek in het stoffelijke leven is en wat ze voor hem geestelijk heeft betekend.

Wij zoeken allen samen naar een grotere werkelijkheid. Ergens moeten we beginnen. Deze cursus zijn we begonnen met die ene kreet: het is noodzakelijk dat u zelf nadenkt! Ik kan haar alleen maar zo beëindigen:

Wanneer de feiten dromen worden,

horden die mijn zijn bestormen,

doortrekken, doorkrioelen alsof

wormen mij verteren,

zo zoek ik naar een kracht en zekerheid

die meer is dan het leven mij kan geven.

Dan zoek ik naar iets dat als een werkelijk leven

mij doortrekt, doordesemt, mij pulseert,

terwijl mijn denken, steeds nog weer

in feiten, feiten ontbeert.

Als u dit als slagzin wilt beschouwen voor deze bijeenkomst, dan blijft mij niet veel anders over dan te sluiten.

Dat ik heb overgenomen, had ook wel iets te maken met de persoonlijkheid die iets meer dan we eigenlijk hadden gedacht, heeft geprobeerd met uitstralingen en dergelijke te werken. Dan is het beter dat we een kleine ontladingstijd mee in acht nemen. Dat heb ik nu gedaan.

Het ballonnetje

Het deinde zo doddig al op en al neer gebonden aan een draad.

Een kleurig geheel, dat een kindergezicht vol vreugde lachen laat.

Maar toen kwam de wind en onachtzaamheid,

Hoog steeg de kleurenvlek; beneden blijft een kind dat schreit.

Speeltuig, nauw omvangen lucht,

heeft zonder willen leed gebaard.

Er was een vraag, dat al begon

met “Moeder, mag ik een ballon?”

Er is een ogenblik van spelen,

dan dra vervelen

en in onachtzaamheid ontsnapt de schat.

Hoe menigeen heeft in het leven

gelijk als een ballon gehad uit weinig werkelijkheid en vele dromen samengeweven.

Je speelt ermee, het is je stil geluk.

Dan één onachtzaamheid – de droom breekt stuk

en niets blijft over.

Misschien nog een kort ogenblik getover

van kleur die in de lucht verglijdt,

dan niets meer – alleen nog grauwe lucht, onbegrepen oneindigheid, een hart dat schreit.

Een kind speelt nog met een ballon.

Een mens speelt met ideeën.

Door onachtzaamheid baren beiden zich wee en lijden.

Toch is het grotendeels de schijn, die door beiden wordt begeerd.

Het is het sterven van de schijn die mens en kind beheerst in menige wereld.