Reïncarnatie

image_pdf

29 juli 1966

Allereerst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na en zet,  vooral uw hersenen niet op non-actief. Wat ons onderwerp betreft, ik wil vanavond nog eens iets vertellen over: Reïncarnatie.

Reïncarnatie is een stelling die in verband staat met moeilijkheden, waarmede eigenlijk een ieder wel te maken heeft. Daar zijn vragen als bijvoorbeeld bestaat de persoonlijkheid werkelijk voort?

Zo ja, hoe? Enzovoort. De visie, die wij bij de Orde hebben op het probleem der reïncarnatie zelf, zal u voldoende bekend zijn. Er zijn hieraan echter aspecten verbonden, waarop wel eens wat meer de nadruk gelegd mag worden.

Bij de reïncarnatie hebben wij, zoals bij alle leven, te maken met een vormingsproces van de persoonlijkheid. Wij nemen aan dat de persoonlijkheid ook onafhankelijk van de stof kan bestaan, deel is van de eeuwigheid en deel van het goddelijke is, een straal van de goddelijke zon als het ware, die eens tot haar bron zal terugkeren. Volgens ons mag men de bewustwording, de vorming van de persoonlijkheid, niet zien als een kort proces ten aanzien van de eeuwigheid een soort bliksemflits, waarna een stabilisatie blijvend optreedt. Er is volgens ons eerder sprake van een voortdurende verandering, een voortdurende wisseling van waarden. De kern van het wezen heeft een eigen vaste waarde, waaraan wij ons ons inziens niet kunnen onttrekken. De aanpassing van die waarde aan de omstandigheden buiten ons lijkt ons het nut en gelijktijdig waarschijnlijk ook het doel van het leven en alles wat wij incarnaties plegen te noemen.

Incarnaties kunnen in vele verschillende werelden optreden. Ik doel hiermede niet alleen op stoffelijke werelden, maar wel degelijk ook op het bestaan in geestelijke werelden. Iemand, die leeft in Zomerland, kan daarin immers een zeer aparte functie gaan bekleden. Hij kan een bijzondere taak vervullen en zal in het kader van zijn wijze van leven en de vervulling van zijn taak met anderen in contact komen, ervaringen opdoen, kortom, leven zoals dit ook op een stoffelijke wereld het geval zal zijn. Wanneer het bewustzijn van zo iemand boven deze sfeer uitstijgt, houden alle bepalingen van het bestaan, die hij tot dan toe kende en waaraan hij ook onderworpen was, in de oude vorm op te bestaan voor hem. De beperkingen van de oude sfeer zijn geen grenzen, geen als werkelijk geldende waarden zonder meer, wanneer men bewust genoeg is om een hogere sfeer te beleven. Op grond van het voorgaande meen ik, ook het bestaan in een bepaalde sfeer als een ‘incarnatie’, een bepaalde fase van door wetten en voertuig beperkt bestaan, te mogen beschouwen.

Op aarde zal men van reïncarnatie alleen spreken, wanneer men doelt op een terugkeer in de materie. Ik zou echter veel liever deze beperkende bepaling achterwege laten en spreken van een verandering van sfeer of wereld als gevolg van een normaal ontwikkelings- of groeiproces.

Indien ik een gelijkenis moet zoeken hiervoor, zo denk ik aan een boom. De boom begint als zaad. Dit ontwikkelt zich tot een zaailing. Hieruit wordt een jonge boom, die steeds meer moeilijkheden zal kunnen weerstaan, steeds meer blad zal gaan dragen en steeds groter en dikker wordt. Wanneer het winterseizoen komt, valt alle blad af. Haar leven is niet meer naar buiten kenbaar, de boom lijkt dood te zijn. In de boom voltrekken zich echter ook dan levensprocessen die zo dadelijk opnieuw een bladertooi en bloei mogelijk maken.

Een ego dat in de stof komt, zal ook allereerst kenbaar zijn als schijnbaar lager leven: Een zaailing. De uitingen van het leven zullen na enige tijd wegvallen (het is winter) maar de persoonlijkheid, de stam, blijft bestaan waar zij is, en zoals zij is. Zoals de boom de invloeden van de wintertijd ondergaat, maar geen teken van leven naar buiten toe zal tonen, zo zal het ik in de tijd van rust een verdere ontwikkeling doormaken. Zijn de omstandigheden voor een stoffelijke levensuiting weer gunstig (is het weer lente) dan groeit de boom weer kenbaar verder en komt haar aard in de vorm van blad en kruin weer tot uiting. Misschien heeft u nooit op deze wijze over incarnatie gedacht. Het betekent echter dat het groeiproces op aarde altijd voortgezet wordt waar het is opgehouden: De opeenvolgende incarnaties zijn een aangesloten reeks van hetgeen wij bloeiperioden kunnen noemen. Gedurende deze tijd ontstaat het nieuwe bewustzijn, sap waarbij wij er echter rekening mee moeten houden dat het bewustzijn nooit zal slinken, maar in het totaal van zijn waarde steeds zal blijven groeien.

Op grond van deze eenvoudige stellingen kun je dan een aantal conclusies gaan trekken, waarbij ik echter mede rekening wil houden met de problemen en moeilijkheden die men ten aanzien van het voortbestaan op aarde kent. Allereerst stel ik dan:

  1. Een voortbestaan van de persoonlijkheid is niet zonder meer en volgens de menselijke normen van geldig bewijs aan te tonen. Het tegendeel is echter evenmin definitief te bewijzen. Dientengevolge zal zowel een geloof in het voortbestaan na de dood als het geloof in een algehele uitblussing volgens de menselijke termen van denken en bewijzen, nimmer meer dan juist dit, namelijk een geloof dus, kunnen zijn.
  1. Aannemende, dat er vóór het bestaan op aarde een niets of eeuwigheid zal zijn, terwijl na het leven eveneens een eeuwigheid van bestaan volgt, houdt het toekennen van een alomvattende en mijns inziens te grote belangrijkheid aan het eenvoudige menselijke bestaan in. Wanneer wij de wetten van de natuur bezien en rekening houden met alles wat wij op aarde zien, desnoods zelf rekening houden met alles wat in het Al te constateren valt, dan moeten wij op grond van feiten wel aannemen, dat de stoffelijke levensvorm (behalve voor degene die daarin leeft) niet werkelijk belangrijk is. Alle leven wordt immers, vaak als gevolg van nietigheden en overbodig zijnde volgens menselijk beschouwen, tenietgedaan? Ik meen daarom te mogen stellen, dat een eenmalig bestaan op aarde vanuit menselijk redelijk standpunt ten aanzien van de eeuwigheid zinloos zou zijn. Aan te nemen, dat het van het allerhoogste belang is en bepalend voor de eeuwigheid, is dit in strijd met alles wat wij in de natuur en het kenbare Al zien. Wil men aannemen dat het menselijke zijn geen toeval is en zin heeft, zo zal men dus wel aan mogen nemen, dat een ander en meeromvattend proces van bestaan de werkelijke betekenis van het leven bevat.
  2. Neem ik aan dat een bestaan op aarde kan worden gevolgd door een voortzetting of herhaling daarvan, zodat voor het ego een meermalig bestaan op aarde mogelijk is, dan zal ik ook rekening moeten houden met het feit dat hetgeen ik nu op aarde ben, medebepalend zal zijn voor wat ik zal worden, dus niet alleen beleven, bij een volgend verschijnen op aarde. Hierbij wil ik opmerken, dat, zo ik al de wet van oorzaak en gevolg teniet wil doen, ik dit alleen in kosmische zin kan volbrengen. In menselijke zin en vanuit menselijk standpunt is dit niet mogelijk . Een terugkeer naar de menselijke vorm impliceert dan ook dat men met geheel zijn wezen en volgens de door dit wezen bepaalde keuze, wederom geheel onderworpen zal zijn aan de wet van oorzaak en gevolg.
  3. Op het ogenblik, dat ik een vaststaande en alle leven bindende wetmatigheid erken, zal ik eveneens mogen stellen dat deze niet alleen op mij, maar op het geheel van alle stoffelijk bestaan van invloed zal zijn. Door mijn relatie in geest of stof met de andere of het andere kunnen daardoor gevolgen optreden, die door de gestelde regels of wetten niet onmiddellijk gedekt worden.
  1. Gezien het feit, dat de massa uit eenlingen is opgebouwd en alle mensen bepaalde grondwaarden gelijk hebben (anders zouden zij geen mensen zijn) mag eveneens gesteld worden dat alles wat door de eenling geldt in dit verband, ook voor de massa zal gelden. Wij mogen daarom wel aannemen, dat de mogelijkheden en eigenschappen van de gemeenschap voor haar als geheel en voor alle eenlingen, die daarin leven, bepalend zal zijn, zowel voor de mogelijkheden tijdens dit leven, als ook voor de vorm waarin gemeenschap en eenling in een volgend leven op aarde in verschijning kunnen treden.

Ik hoop, dat al deze punten voor u duidelijk genoeg gespeld zijn. Het is uit de aard der zaak slechts een pogen om enkele belangrijke aspecten van incarnatie en reïncarnatie, ook in verband met het menselijk kenvermogen en geloof, te formuleren.

Nu wil ik een stapje verder gaan. Wanneer bijvoorbeeld Attila en zijn Hunnen met hun eigenaardige opvattingen van macht, geweld en levenswaarden, op aarde zouden reïncarneren, kunnen wij allereerst stellen, dat, daar het gemiddeld bewustzijn van de massa der Hunnen wel ongeveer gelijk geweest zal zijn, zeer vele Hunnen dus tegelijkertijd of ongeveer gelijktijdig zullen incarneren. Het is niet waarschijnlijk dat hierbij door een afwijkende geestelijke ontwikkeling, een spreiding over een lagere periode wordt veroorzaakt, daar immers sprake is geweest van een ongeveer gelijke leef- en denkwijze, een gelijksoortige geestelijke achtergrond, en zo ook in de geest de mogelijkheden wel parallel gelopen zullen hebben. Deze ego’s hebben hun leven gebouwd op begrippen als kracht, uithoudingsvermogen, maar nog meer op macht en vernietiging en een vorm van zelfverheerlijking, die in de praktijk neer komt op een (zij het geestelijke) vorm van zelfbevrediging. Deze eigenschappen bepalen de grondwaarde van hun wezen in hun gedaante als Hunnen. Dit betekent dat deze eigenschappen ook bij een volgende incarnatie tot uiting zullen komen. Het zou mogelijk zijn dat deze Hunnen als eenheid, dus als een geheel van een volk zouden kunnen incarneren. Enkelen van u vragen zich nu onmiddellijk af of de laatste generaties van Duitsers misschien de vroegere Hunnen geweest zijn. Zo eenvoudig ligt de zaak niet. Een dergelijke veronderstelling is een speculatie met zeer weinig zekerheden, zodat wij daarop maar niet verder in zullen gaan.

Het belangrijkste voor ons is in dit geval wel de gelijktijdigheid. Wanneer er dus een periode op aarde is, waarin vele mensen een bepaalde leefwijze hadden, een bepaald bewustzijn bereikten en bepaalde gewoonten of idealen hadden (handel, bezit, macht, vrede bijvoorbeeld) zo is aan te nemen dat op aarde een periode zal komen, waarin dezen ongeveer gelijktijdig incarneren en zo de oude waarden weer op doen treden. In vele gevallen zullen deze oude waarden tijdelijk een groot deel van de mensheid domineren. Om een voorbeeld te geven: Indien wij aannemen, dat de koningen, prinsen, hertogen enzovoort van de middeleeuwen, die zich als absolute heersers pleegden te beschouwen en ten voordele van eigen macht, bezit en grootheid, plachten te handelen, op aarde zouden incarneren, zo zullen wij dergelijke incarnaties alleen daar kunnen verwachten, waar voor hun ik de mogelijkheid althans schijnbaar, aanwezig was tot het verwerven van soortgelijke macht en mogelijkheid. Machtsdrang en intrige waren voor deze mensen in de middeleeuwen kenmerkend. Nu zullen wij hen op plaatsen moeten zoeken, waar deze eigenschappen en mogelijkheden eveneens aanwezig zijn. De één kan in een vakbond zitten, de tweede in een regering en de derde misschien in een groot concern. Ofschoon hun streven zeker niet altijd, vooral wanneer zij wat ouder worden, egoïstisch genoemd mag worden, kunnen wij van hen toch zeggen, dat zij streven naar een persoonlijke grootheid. Alle andere belangen in het leven vallen daarbij voor hen in het niet.

Nu wijst de historie uit, dat bepaalde tendensen elkander afwisselen. Denk bijvoorbeeld aan Rome: In het begin de boerenstand, die ontwikkeling geeft aan een krijgsmansstand. Rome wordt tot een werkelijke stad op het ogenblik, dat het domineert en zelf gedomineerd wordt door de soldaten.

Wanneer de rijkdom toeneemt, ontstaan de werkelijke patriciërs, die merendeel stammen van boeren, die zich tot het krijgshandwerk hadden gewend. Al snel echter is vechten voor deze mensen te laag. Hun belangen worden de handel. Langere tijd zijn de voornaamste geslachten van Rome in feite de heersers van Europa’s handelswegen. Hun macht is gebaseerd op stoffelijk bezit, niet meer op het persoonlijk uitoefenen van geweld. In deze periode zien wij zelfs, dat de senaat van Rome enkele malen tracht (en zelfs wel erin slaagt) aanvallen van gevaarlijke vijanden af te kopen. De te grote luxe waarin de patriciërs leven, doet de macht van het eenvoudige volk weer groeien. Wij zien een toenemen van de macht van de werkers, de gewone mensen. Hierdoor komt het christendom aan de macht en ontstaat een priestermacht. De priesters willen echter al snel ook hun wereldlijke macht handhaven, zodat de krijgsman kaste opnieuw opkomt en het spel zich herhaalt. Bij haast elk land en elk volk kun je dergelijke voorbeelden vinden. Wij mogen dus wel aannemen, dat de oude hindoestelling van het ‘rad der standen’ niet zo gek is. Het lijkt logisch, dat er na een tijd van de boeren, een tijd van kooplieden aan zal breken, dat dezen het aanzijn geven aan een toenemende macht van krijgslieden, die op hun beurt weer behoefte schijnen te hebben aan de stabiliserende invloed van priesters.

Naar ik meen staat dit verschijnsel in verband met de reïncarnatiecycli. Van een algehele herhaling kan echter nimmer sprake zijn. Om op mijn oude voorbeeld terug te vallen: de boompjes waren eens jonger, buigzamer, dunner. Hun uitwerking zal dan ook beperkter zijn dan die van een oude boom, die meer weerstand kan bieden aan de omstandigheden. Ik zou willen stellen: Bij de reïncarnaties zullen wij vooral geconfronteerd worden met groepsincarnaties, waarbij vroeger leidende figuren, en wel in overeenstemming met hun vroegere handelwijzen, hernieuwd optreden, maar motieven en ook macht onevenredig ten aanzien van het verleden alleen uitbreiden. De aantallen van hen, die er in slagen een graad van belangrijkheid te bereiken als in het vorige bestaan, is veel kleiner. De macht, die de geslaagden echter bereiken, is veel groter dan tijdens hun vorige incarnatie denkbaar was of mogelijk leek.

Met dit alles zitten wij niet alleen in de moderne politiek en de eigenaardige figuren, die daarin optreden, maar ook diep in de eigen problematiek. Wie van ons vraagt zich niet tezijnertijd eens af: “Waarom moest dit nu juist mij overkomen?” Men zal misschien ‘karma’ zeggen. Maar karma is in de meeste gevallen slechts een verzoeting van eigen schuldbewustzijn, waarbij het geloof in het noodlot de bitterheid van eigen tekorten en schuld weg moet nemen, Iets reëler is het reeds, wanneer men zegt: De oorzaak ligt in de keuze die ik maakte bij incarnatie. Maar het meest reëel is een vraag: Zou hierbij mijn eigen bewustzijn geen rol spelen? Want een incarnatie is een behoeftevervulling. Was ik in het verleden heerszuchtig, dan zal ik dit ook nu nog zijn. Was ik vroeger erg verwend, dan zal ik ook nu veeleisend zijn. Onze neigingen, die ons beleven voor een groot deel bepalen, zijn nu eenmaal nog afkomstig uit een verleden. Ook wanneer deze neigingen bij de een gemakkelijker en sterker tot uiting kunnen komen dan bij de ander, zullen zij de interpretatie van de feiten en de keuze in het leven sterk blijven beïnvloeden. Wanneer wij een boom doorzagen en de jaarringen bezien, zal ons blijken, dat de groei niet elk jaar gelijk is. Een incarnatie kan eveneens een grote of kleinere groei van de werkelijke persoonlijkheid tot stand brengen. Een incarnatie kan een veel of een weinig van belangrijke uiterlijke  omstandigheden betekenen.

Daar de groei van een boom niet alleen door zijn eigen wezen bepaald wordt, maar mede in verband staat met het heersende klimaat, kan de parallel verder worden doorgetrokken. Voor het Ik kan worden gezegd, dat de invloed van de omgeving tijdens een incarnatie niet de duur daarvan hoeft te bepalen, maar wel degelijk de bewustwording, de vruchtbaarheid voor de geest, de vorderingen die men zal maken op weg naar de volledige zelfrealisatie. Men vraagt zich wel eens af, waarom men in het leven niet vooruitkomt. Het antwoord op deze vraag moet mijns inziens luiden: Wanneer wij het in een bepaald leven niet ver brengen naar eigen inzichten, maar aan de andere kant alles wel intens beleven, zal het ik steviger gevormd zijn, met als gevolg, dat men in een volgende incarnatie niet zo snel meer genoegen zal nemen met waarden, die niet geheel passen bij het ware ik. Hierdoor zal een volgend leven, althans vanuit geestelijk standpunt, zeker veel meer opleveren, dan anders verwacht kon worden.

Er bestaat in het leven een evenwicht, dat echter nimmer op zuiver stoffelijke basis alleen zal kunnen bestaan. Dit is duidelijk, want het ego is immers ook geest. Zogenaamde geestelijke gaven zullen vaak vanuit de geest een redelijk stoffelijk evenwicht bevorderen. Dit laatste staat niet in verband met de wijze waarop men zelf die gave beschouwt. Want er zijn evenveel mensen, die zeggen: “Jakkes, ik word, geloof ik, helderziende”, als mensen die reageren met een: “Hoera, ik ben helderziend”. Dit komt vooral voor bij mensen die er “rijp” voor zijn en dus deze gaven als compensatie nodig hebben. Je zou kunnen zeggen, dat de gave een eigenschap van de persoonlijkheid is, die tot uitdrukking komt in het ogenblikkelijke voertuig. Indien er dus meer mensen voor bepaalde dingen sensitief worden, houdt dit in dat volgende incarnaties van deze groep veel grotere aantallen helderzienden, helderhorenden, sensitieven voort zullen brengen. Er is dus sprake van een soort evolutie, waarbij de geestelijke persoonlijkheid de mogelijkheid van uiting en bewustzijn in de stof ook in komende vormen bepaalt. Laat ons daarom eens nagaan, welke situatie wij in dit verband nu kennen.

Wij zien op het ogenblik een wereld, die bijna overal beheerst wordt door de machtszoekers en de soldaten. Nu heb ik niets tegen op de soldaten als stand. Wel op de bij hen vaak levende mentaliteit, maar dat is weer iets anders. De zoekers naar macht treffen wij overal: Mensen, die ten koste van alles hun persoonlijk aanzien en hun persoonlijke macht willen uitbreiden. Om dit te bereiken zijn zij, zo niet met woorden dan toch metterdaad, bereid iedereen en alles te verkopen. Dergelijke mensen zijn er nu vele. Indien u mij niet gelooft, moet u maar een maand lang de krant aandachtig lezen, dan bent u er zeker van. De soldatenmentaliteit (die niet alleen bij militairen voorkomt) gaat uit van het standpunt, dat de oplossing van alle problemen is gelegen in het stellen van een grotere macht tegenover een kleinere macht. Waar de grootste macht is, zo denkt men, is de zeggingschap en de macht. Hierbij is in dit denken vaak rang en macht identiek. Ook dit heerst op aarde. Het denkbeeld bijvoorbeeld dat je beter af bent wanneer je 100 atoombommen hebt, dan wanneer je er maar 10 hebt, omdat men voor een dergelijke overmacht bevreesd zal zijn, wordt op een gegeven ogenblik dwaas. Als een gevangene voor zijn daden 5 maal ter dood wordt veroordeeld, zal het eerste vonnis hem treffen. Over de verdere veroordelingen zal hij ten hoogste de schouders ophalen, omdat je nu eenmaal maar een keer je leven kunt verliezen. Hieraan gaat men echter rustig voorbij, wanneer het gaat over bewapening, ententes enzovoort, enzovoort. Het gevolg is dat mensen, die uitermate humanitair schijnen te denken, menen niet toe te mogen laten dat in één of ander land een andere partij aan de macht komt. Zoals er mensen zijn, die tegen een rassenintergratie op zich niets hebben, maar menen dat het beter is een geweer te nemen en te schieten, dan toe te laten dat dit op een andere wijze plaats vindt dan de manier die zij juist achten. En daarbij plegen te vergeten, dat de tegenpartij ook schieten kan.

Voor een volgende groepsincarnatie van de nu levende mensen zou dit niet erg aanmoedigend zijn, wanneer er niet overal ook iets anders zich begon te manifesteren. Wij zien, dat steeds meer mensen wel materieel wetenschappelijk redeneren, maar intuïtief handelen wanneer het erop aankomt. Impulsen spelen kennelijk een hoofdrol. Denk maar eens aan het huidige Ministerie, dat bij het begin van zijn bewind wel wist te praten ever de moeilijkheden waarin Nederland zich bevond, maar toen onmiddellijk optimistisch daaraan toevoegde, dat het desondanks wel mogelijk zou zijn, vele knelpunten gelijktijdig op te gaan lossen. Let eens op de eigenaardige tegenstelling: Men kan nu later wel beweren, dat men van vele dingen iets heeft geweten, maar dat is onzin. Men wist heus wel waar men aan toe was. Maar men ging niet op de rede af, maar op het gevoel. Men hanteerde de hoop als een zekerheid bijvoorbeeld. Het zonderlinge is hierbij dat dit gevoel niet onjuist was, ook al lijkt het, verstandelijk gezien, nu anders. Men had immers de belangrijke plannen kunnen volvoeren, wanneer men nog niet eens bovendien de gunst van de bevolking had willen kopen en zich daarbij vergist had.

Maar ook elders, bij de Amerikanen, Russen, Chinezen en anderen zien wij steeds meer dat men dingen doet, die wetenschappelijk, economisch en politiek niet verantwoord zijn. Juist daardoor blijkt het echter ook in de landen mogelijk veel te bereiken en (zij het voorlopig incidenteel) grote prestaties te leveren. Er is kennelijk in het leven, zelfs bij de heersende kaste van deze wereld, sprake van een toenemende aandacht voor het inspiratief moment. In elk land zien wij onder de bevolking een reeks reacties, die wijzen op een steeds sterker wordende emotionele reactie, waarbij innerlijk leven en niet de feiten de actie bepalen. Denk eens aan de mensen, die ‘provoceren’ en dit mijns inziens volkomen terecht doen, ofschoon zij zelf de juistheid van hun streven wel aanvoelen, maar dit niet waarlijk verstandelijk kunnen omschrijven of verdedigen. Ik stel daarom en hoop, dat u mij ook daarbij volgen kunt: aangezien in deze tijd de toename van de intuïtie als werkzaam bestanddeel bij het handelen van de mens toeneemt, mag worden aangenomen, dat bij een volgende incarnatie van de nu op aarde levende groepen het voor hen beschikbare wetenschappelijke en materiële denken zal worden overheerst door geestelijke en intuïtieve waarden. Wij gaan naar een wereld toe, waarin geestelijke waarden een hoofdrol spelen. De ontwikkeling wijst in de richting van een priesterlijk geregeerde wereld, ook al zal het begrip priester misschien niet meer stroken met de huidige opvattingen en religieuze inzichten.

Wij weten reeds, dat een dergelijke fase meestal ontstaat als gevolg van de te sterke overheersing en pressie vanuit de krijgsmankaste. Deze wijze van machtsbeleving schept immers reeksen van beperkingen, die niet meer aanvaardbaar kunnen zijn voor de massa, tenzij er een compensatie wordt gevonden. Er is dus behoefte aan een priesterschap, dat op grond van een goddelijke wil en wet de besluiten en ordeningen, die de krijgers noodzakelijk achten, kunnen rechtvaardigen en aanvaardbaar maken. Dit geldt ook, wanneer de ‘priester’ van heden eerder psychiater of psycholoog heet dan godsdienaar. Want ook dit is een afwijking in de richting van een geestelijke compensatie. De ontleding van de innerlijke mens neemt toe, maar gelijktijdig daarmee ook een menselijk rationele benadering van het menselijk innerlijk. Dit wijst niet alleen op een priesterlijke ontwikkeling, maar bovendien in de richting van een ook menselijk aanvaarde en gekende ontwikkeling van het gebied dat men nu nog het paranormale noemt.

Vooruitziende zouden wij dus kunnen zeggen, dat er over rond 700 jaren wel weer enige verwarring op de wereld zal heersen. Dan immers keert veel uit deze tijd op aarde terug. Het is echter wel zeker dat deze verwarring dan hoofdzakelijk op geestelijk gebied zal liggen en dat, zo er van strijd sprake zal zijn, deze met geestelijke middelen gevoerd zal worden. Ook het doen van ontdekkingen en vooral het verder ontwikkelen van gedane ontdekkingen, waarin deze tijd immers zo uitmunt, zullen wij dan op meer geestelijk terrein terugzien. Indien men zou willen weten wat er nu gaat komen voor de reïncarnatie van nu levende groepen als groter geheel, dan zullen wij ons daarvan een beeld kunnen maken door na te gaan, wat er in het verleden is geweest. Het gebeuren herhaalt zich natuurlijk nooit letterlijk, maar wel naar tendens. Elke algemeen heersende tendens die er eens is geweest, keert in versterkte, en vaak ook versnelde, mate terug. Om te vergelijken? De boom van dit jaar en van het vorige jaar zijn wel dezelfde boom, maar zullen er qua blad, bloei en vrucht toch anders uitzien. Op een dergelijke wijze zien wij de geschiedenis zich herhalen. En dat is nu weer alles grotendeels een kwestie van reïncarnatie. Ik stel daarom weer enkele punten:

  1. Reïncarnatie, van eenling of van groep, is bepalend voor de ontwikkelingen op aarde.
  2. Een gereïncarneerd zijn impliceert het voortzetten van een fase uit het verleden. Daar echter tussen de incarnaties van een eenling of groep andere groepen of eenlingen op aarde actief zijn geweest, zal er nimmer sprake zijn van een geleidelijke ontwikkeling, doch steeds van een golf of schokontwikkeling, waarbij de waarden in zeer snelle tijd verminderen en op aarde alles zelfs haast in zijn tegendeel schijnt te verkeren.
  3. Daar een dergelijke ontwikkeling nimmer alleen in de stof kan plaats vinden zover het de mens betreft, zal zij voor de mens steeds gepaard gaan met een geestelijke ontwikkeling. Hoe sterker bepaalde ontwikkelingen in de materie tot uiting komen, hoe groter ook de geestelijke achtergronden zullen zijn.

Ik rond nu het onderwerp af. Omdat wij in de totaliteit van leven een reeks van incarnaties als een snoer aaneenrijgen, is het voor ons vaak heel moeilijk ons los te denken van de wereld. Toch voelen wij allen dat wij in wezen in de wereld maar een bepaalde rol spelen. Nu bent u, misschien menselijk gezien, nogal onbelangrijk. Maar als u er niet zou zijn, zouden bepaalde dingen anders gaan, zouden de zaken toch anders liggen. U telt mee. U zult invloed hebben, zelfs wanneer uiterlijk daarvan niet veel te bemerken is. Dit is in het verleden zo geweest en zo zal het ook in de toekomst zijn.

Zeg: Mijn schijnbare onbelangrijkheid ligt in de stoffelijk kenbare invloed, die ik kan uitoefenen.

Belangrijker dan dit is echter in de gehele reeks van incarnaties de geestelijke ontwikkeling die ik doormaak. Naarmate mijn innerlijk juister en zuiverder is gericht (ongeacht de formulering daarvan) zal mijn invloed op de wereld en op de naaste groter zijn en ook de voor het ik juiste keuze van werken en mogelijkheden op aarde en in de sferen zal beter en juister omschreven worden. Het ik, dat voortdurend bewuster wordt, neemt dan meer en meer de invloed van het milieu op de uiterlijkheden en innerlijke bereikingen over. Op het ogenblik wordt de mens nog voor rond 50% geregeerd in zijn leven, beleven en uitingen door invloeden, die wij kosmische stralen of invloeden noemen. Wanneer voor de nu levenden rond drie incarnatiecycli verlopen zullen zijn, is aan te nemen dat deze invloed op het beleven enzovoort echter nog slechts 7 à 8 ten honderd zal bedragen. De mens wordt dus, zover het zijn innerlijke waarden en levensuitingen betreft, steeds onafhankelijker van de kosmos. Deze onafhankelijkheid bereikt hij door innerlijk evenwichtiger te worden en ook meer innerlijk met de eeuwige waarheid verbonden te geraken.

Om een oud gezegde te citeren: “Wie in zich de zon draagt, heeft geen kaarslantaarn meer van node.”

Onze gehele opgang (want dit is de reeks van incarnaties), heeft niet alleen maar ten doel ons te veredelen. Ik geloof dat haar grootste doel is ons vrij te maken. Wij moeten zelf het milieu worden. Nu is het bij incarnatie nog vaak zo, dat omstandigheden die buiten het ik staan, bepalend zijn voor bijvoorbeeld de keuze van vorm. Alleen de meest bewusten zijn tot nu toe in staat geweest zich een lichaam te kiezen, dat geheel aan hun eisen beantwoordde. Vele overleveringen wijzen erop, dat dit door bewusten reeds lang werd volbracht. De ‘lichamelijke perfecties’, die het teken zijn van een hoge geest in de stof, worden ons zowel bij hindoes als Boeddhisten opgesomd en zelfs Joachim in de tempel constateerde volgens de evangeliën deze tekenen bij Jezus. Nu zal men, zelfs indien men het zou wensen, op het ogenblik nog niet geheel in staat zijn zijn juiste stoffelijke vorm te kiezen. Maar als men nu in staat is met zekere vrijheid de volgens het ik juiste geestelijke ontwikkeling te kiezen, zal men later de gewenste stoffelijke vorm vanzelf kunnen kiezen.

Inden u dus spreekt over reïncarnatie, vrienden, denk er dan niet alleen aan als de dreiging, dat je de aarde, met al zijn erger en leed nog een keer zult moeten betreden. Maar zie het als een enkele fase in je gehele ontwikkeling. Vrees vooral niet, dat reïncarneren altijd betekenen zal dat je weer zult moeten lijden en vele ontgoochelingen doormaken. Want dat is niet zo. Je kunt alleen maar in uitingen herhalen, wat je al bent. Dat is waar. Maar je zult het steeds beter kunnen herhalen. Beschouw liever uw huidig bestaan als een soort repetitie, waarin je je fouten moogt maken en leert verbeteren, opdat de uiteindelijke uitvoering perfect zal zijn.

Vraag nu alstublieft niet al te veel welk deel van uw lot nu door het verleden veroorzaakt is. Wat het ook is, u moet er vandaag mee leven en werken. Ook wat de wereldgeschiedenis betreft, geldt, dat je je niet teveel moet afvragen wat nu wel de heersende incarnatiegroepen zouden zijn. Begrijp alleen maar, dat de samenhang bestaat, dat alle ontwikkelingen en toestanden het gevolg zijn van een herverschijnen van mensen en praktijken uit het verleden op aarde en laat het daarbij.

Zoek liever een begrip van eigen belangrijkheid te verkrijgen. U denkt misschien dat u toch niet meetelt, dat u alleen maar uitgebuit wordt of zelfs geheel geen nut meer hebt. Laat dergelijke domme verklaringen nu maar eens achterwege… U bent belangrijk, ook al beseft u misschien niet hoe. Realiseer u, dat een woord, een gedachte van u voor uw eigen bewustwording en voor het leven van anderen belangrijker kan zijn, dan het gehele leven van één of andere beroemdheid.

Eén enkel begrip van het eeuwige in u kan meer bijdragen tot de vreugden van komende geslachten op aarde en uw eigen vergroting van bewustzijn in de sferen, dan alle meditaties. Waarmee ik niet zeg, dat meditaties en dergelijke nutteloos of waardeloos zijn, maar alleen probeer duidelijk te maken dat innerlijk begrip veel belangrijker kan zijn.

Indien u dus geloven wilt aan reïncarnatie (en ik meen dat voor het aanvaarden van een dergelijk geloof alle redenen aanwezig zijn) ga dan ook van het standpunt uit, dat een leven blijmoedig geleefd moet worden. Men dient zich ervan bewust te zijn dat wij allen op aarde en zelfs in de sferen beperkt zijn door onze persoonlijkheid, maar dat wij uit onze mogelijkheden het beste moeten halen. Besef dat wij ons niet moeten afvragen of wij volgens de normen van de één of ander nu mooi dan wel lelijk, nuttig dan wel onnuttig zijn, maar dat wij volgens onze eigen waarde en beleving moeten proberen zoveel mogelijk te zijn en te betekenen. Wanneer je dit leert doen, zul je ontdekken dat, ook wanneer je in de sferen incarneert, je leven in vreugde daardoor wordt gedragen. Dan zul je ontdekken dat, wanneer je ooit op aarde terugkeert, juist hierdoor het leven steeds mooier en meer levenswaard wordt.

Nog één raad. Wanneer u over uw huidige leven nadenkt, speel dan niet de sombere boekhouder, die zich zorgen maakt over elke uitgave, maar alle inkomen als normaal blijft beschouwen en dus zo meent dat alle uitgaven verlies zijn. Specifieer eens al het goede in uw leven en vraag u af wat het u waard is. U zult ontdekken dat je voor het beetje vreugde wat er in je leven is, eigenlijk nooit te veel kunt betalen. Dan zul je begrijpen waarom het mogelijk moet zijn steeds blijmoedig te leven. Je beschikt over een kapitaal dat nu aanwezig is en, zo het nu ook aanvaard wordt, niet alleen steeds gebruikt kan worden, maar bovendien steeds groeit. Tussen haakjes, wanneer u nu reeds van uw innerlijk kapitaal gebruik weet te maken, dan vindt u zo dadelijk ook de innerlijke begaafdheid, gedachten en innerlijke waarden te beseffen om zo het totaal van het bestaan meer zin te geven.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  •  U stelt, bewustzijn dat eenmaal bereikt is, gaat niet meer verloren. Maar als je als kind terugkomt, weet je er niets meer van…

Tja. Wel kind, je bent ook de jongste niet meer. Maar vroeger was je al even praatlustig en vraaglustig als nu. Zoals vele dingen die u nu kent en doet, reeds vroeger een rol bij u speelden. Denk daar nu eens over na. Deze eigenschappen zijn de weergave van het bewustzijn van het werkelijke van de stam. De manier, waarop je dit nu verklaart enzovoort is de uiterlijkheid, het blad. U denkt bij bewustzijn aan herinnering. Maar het gaat hier om het werkelijke ik, de persoonlijkheid. Zij omvat de innerlijke werkelijkheid. Alle uiterlijkheden, vormherinnering enzovoort groepeert zich hoogstens daaromheen. Zo gezien is mijn uitspraak misschien toch wel duidelijk.

  • Ga je in het hiernamaals niet vooruit?

Er zijn geestelijke processen in het hiernamaals, waardoor de mogelijkheid tot uiting veranderen kan. Dit neemt echter niet weg, dat je ook in de sferen eenvoudig blijft wie je bent en zult moeten werken met wat je bent. Je kunt natuurlijk ook in de geest een groter inzicht bereiken, waardoor je beter beseft wat en hoe je eigenlijk bent. Maar als je terugkeert, ben je nog steeds dezelfde. Wat niet noodzakelijk en onvermijdelijk is, maar wel heel waarschijnlijk.

Wat in het hiernamaals geleerd en bereikt werd, zal dus bijdragen tot een grotere waarde van en juistheid van uitdrukking in een stoffelijk leven. Dus eenvoudig gezegd: Een mens die in de geest wat bereikt, zal bij een eventuele terugkeer in de stof op basis van nog steeds dezelfde persoonlijkheid (die verandert niet), iets kunnen bereiken, dat mede afhangt van hetgeen in de geest werd geleerd.

  • Reïncarnatie, zoals u dit uitlegt, betekent een gestage geestelijke evolutie in de stof. Waarom maakt de Witte Broederschap zich dan zo druk?

Er was eens een goede kersenboom. Zij beloofde mooie en goede vruchten te dragen.

Er waren echter spreeuwen. Indien niet steeds iemand met ratel en buks bij de boom had gestaan, was er van de kersenoogst niet veel terecht gekomen. Wanneer de menselijke wereld nog steeds mogelijkheden tot werkelijk leven en bewustwording moet geven, is het noodzakelijk dat er steeds iemand oppast, dat de waarden van wereld en leven niet teloorgaan. De Witte Broederschap voorkomt dat de onvolkomenheden van de mens zover doordringen in de wereld (dit mede onder invloed van door de mens nog niet erkende of beheerste krachten uit de kosmos) dat de mogelijkheid tot vruchtbare incarnatie in de mensheid teniet zouden gaan, vóór de geestelijke behoefte aan deze mogelijkheid tot leven in de stof is opgeheven. Het groeiproces van de persoonlijkheid in de eeuwigheid is automatisch. Daaraan doet de wereld niets af of toe. Het is er. Maar in een bepaalde uiting zoals hier op aarde, zijn er gevarenmomenten, ogenblikken waarop invloeden van buitenaf een verdere bewustwording, althans in deze vorm, onmogelijk zouden kunnen maken. Zodat de grote vruchten, die een bepaalde fase van de tijd voor alle mensen op aarde zou kunnen brengen, opeens waardeloos en verrot zouden zijn. De Witte Broederschap probeert het nu zover te brengen, dat ook op aarde een maximum groei met een minimum aan schade en gevaar behaald kan worden.

  • Ik heb nooit kunnen begrijpen, waarom je eigenlijk op aarde niet kunt beschikken over de wijsheid en ervaringen, die je in vorige incarnaties hebt opgedaan. Waarom niet?

Theoretisch is het natuurlijk wel mogelijk hierover de beschikking te krijgen. Eén vraag echter. Wanneer je een nieuwe auto hebt, met andere afmetingen, geheel andere bediening en aandrijving. Zal het dan niet gevaarlijk zijn wanneer je daarin op volle snelheid probeert te rijden, terwijl je nog steeds de gewoonten hebt van de oude, kleinere, andere wagen?

U zou haast zeker ongelukken maken. Indien u echter alle vroegere rijervaring zou vergeten en zo nieuw zou moeten leren rijden in het nieuwe voertuig, dan zouden uw reacties in het wegverkeer blijven bestaan, maar zou u door uw vroegere kennis niet tot misgrepen verleid worden en dus ook geen ongelukken maken. In de persoonlijkheid zijn de herinneringen aan het verleden wel degelijk beschikbaar. Maar nodig heb je ze niet. De kern van die ervaringen is deel van je wezen en zal dus vervlochten zijn in je uitingen, daden enzovoort. Een verdwijnen van herinnering aan de oude wijsheid en ervaring in de vorm van menselijke herinneringsbeelden is dus niet noodzakelijk, maar bergt voor velen grote gevaren in zich. Juist omdat die herinneringen niet belangrijk zijn voor het huidige bestaan zullen zij, ofschoon zij in de eerste jaren van het leven nog wel aanwezig plegen te zijn, vervagen doordat in het ik de ervaringen en leringen van dit leven, die wel onmiddellijk van belang zijn, de overhand krijgen. De herinnering aan alle vroeger leven is echter ook in de mens steeds aanwezig en wel als deel van het onderbewustzijn. Zij zijn dus niet onmiddellijk voor het waakbewustzijn toegankelijk en dat is maar goed ook.

  • Ik zou het toch anders georganiseerd hebben, wanneer ik het voor het zeggen had.

Welk een geluk dan voor de mensheid, dat u die kans niet hebt gehad. U ziet wel in dat door deze kennis bepaalde problemen althans gedeeltelijk zouden kunnen worden opgelost voor de eenling, maar begrijpt kennelijk niet wat er uit een alom aanwezige herinnering aan het verleden (gezien de wijze waarop de doorsnee mens nog reageert) voor het geheel zou kunnen ontstaan. Maar indien het u troosten kan: wanneer u zich steeds minder aan het menselijke leven gaat hechten en meer meester wordt van uzelf, zullen de herinneringen van vroegere incarnaties in u vaker wakker worden. Men zou het zelfs door oefening en studie zover kunnen brengen, wanneer men het ervoor over zou hebben, rond tien jaren in eenzaamheid te gaan leven en mediteren. Bij afzondering en stilte, terwijl men dan als wezen aan niets gebonden is en nergens bang voor is, kan men zijn eigen vorige bestaansvormen leren kennen. Alleen, wat heb je eraan. Misschien verklaart het verschillende dingen in dit leven, maar de herinnering, die u zegt hoe een postkoets te bespannen, zal u heus niet helpen om de laatste tram te halen.

  • Op andere planeten zou leven zijn. Zijn er wezens die daar leven, steeds op eigen planeet geïncarneerd of is het mogelijk dat het mensen van die aarde zijn, die op aarde niet meer verder konden komen?

Wanneer men op een bepaalde wereld, waarop men tot nu toe incarneerde, geen mogelijkheid meer vindt om eigen wezen in de stof op juiste wijze door incarnatie uit te drukken, is het mogelijk een andere wereld te zoeken, waarop voor het ik harmonische mogelijkheden wel aanwezig zijn. Over het algemeen zal echter de eigen voorstellingswereld en bewustzijn (en daarmede levenslichaam en astraal, die bij een incarnatie toch ook in overeenstemming met de wereld van incarnatie moeten worden opgebouwd) dat men er de voorkeur aan geeft, zo lang mogelijk binnen de invloedssfeer van één en dezelfde planeet te incarneren. Wat betekent, dat men zeker vele malen op een planeet geïncarneerd zal zijn, voor men ooit de noodzaak zal gevoelen op een andere wereld te gaan incarneren in de stof. Uitgesloten is het dus niet, maar wel kan het beschouwd worden als een uitzondering. Om getallen te geven: ongeveer 7 op 100.000.

  • Dus degenen, die in de vliegende schotel zitten, zijn steeds geïncarneerd op die andere planeet?

Kort gezegd: Een zeer klein aantal van de meldingen is echt. De wezens in de schotels zijn persoonlijkheden, die op andere sterren thuishoorden. De hoofdtakken van degenen, die in dit zonnestelsel per vliegende schotel wel kenbaar zijn, komen uit de buurt van Antaros. Dan zijn er afstammelingen van de buurt van Cygni II, terwijl ook mengingen zijn ontstaan, die niet allen in dit zonnestelsel, maar ook tot bij Proxima Centaurus leven. Met incarnaties heeft dit alles echter weinig te maken en wij mogen wel aannemen, dat er weinig of niet sprake kan zijn van aardmensen, die later in deze wezens geïncarneerd zijn. Ik kan dan verder nog opmerken dat de nederzettingen (indien dergelijke kleine groepen die naam verdienen) binnen het zonnestelsel dus niet bestaan uit wezens die oorspronkelijk tot dit zonnestelsel behoren. Hun origine ligt daar buiten en volgens menselijke opvattingen zelfs zeer ver daar buiten.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie

De innerlijke weg.

Vandaag zou ik weer eens een paar opmerkingen willen maken over de innerlijke weg. Het eigenaardige is namelijk dat wij de innerlijke weg meestal beschouwen als iets afzonderlijks.

In ons ligt de mogelijkheid tot bewustwording. Waartegen niemand bezwaar kan opperen, want dit is nu eenmaal zo. De vraag rijst echter of de bereiking op de innerlijke weg alleen door denken bereikt kan worden, ofwel dat er nog iets anders aan verbonden is.

Op het ogenblik dat ik in mij zelf begin te denken en te zoeken naar eeuwigheid, het goddelijke en alles wat daarmede samenhangt, kan ik volgens de gangbare regels wel stellen, dat ik een esotericus ben. Al denkende zal ik dan een aantal stellingen op gaan bouwen. Maar alle stellingen die ik erken of stel, zijn gelieerd aan mijzelf. Ik probeer immers allereerst erachter te komen welke goede en welke kwade kanten ik heb. Ik zal proberen na te gaan wat ik volgens eigen besef zou moeten zijn en daartegenover stellen wat ik ben. Alles wat ik projecteer (dus bijvoorbeeld alles waarvan ik meen dat ik het zou moeten zijn) is een voorstelling die uit mijzelf wordt geboren.

Ik meen dat velen op het innerlijke pad doen denken aan kinderen, die vandaag niet veel doen, maar steeds spreken over “later, als ik groot ben…” Hoe het ook zij, door het streven ontstaat in het ik een innerlijk proces, waarvan wij maar weinig begrijpen. Wij dromen. Dan kun je zeggen dat dromen bedrog zijn of dat dromen betekenis hebben, maar die dromen vormen voor ons belevingen en als zodanig een verandering, aanvulling of bevestiging van de stellingen die wij hebben aanvaard als juist. Want deze dromen zijn een openbaring van ons innerlijk wezen, een kenbaar maken van onze innerlijke toestand, de kritiek die wij hebben op het leven, vaak gepaard gaande met een vooruitzien naar datgene wat volgens ons innerlijk onvermijdelijk is.

Esoterisch gezien is dromen ook werken. En dromen geven ons een vaak zeer eigenaardig beeld van ons ik en onze werkelijkheid.

Men droomt bijvoorbeeld dat men door een zonnig landschap rijdt. Men komt in de bergen. De paden worden steeds smaller. De weg voert door donkere kloven, de wereld wordt steeds schaduwachtiger, steeds vochtiger….. Men ontwaakt uit deze droom met schrik en meent: “Het zal me wel slecht gaan”. Of men meent: “Ik ben in mijn innerlijk doorgedrongen, wat ben ik nog slecht”. Maar in geen van de twee gevallen hebben wij natuurlijk de juiste verklaring. Het ik heeft in de droom eenvoudigweg zijn onvermogen de toekomst te begrijpen tot uitdrukking gebracht.

In wezen werd, naarmate het ik zich met een verdere toekomst bezighield, de kenbare mogelijkheid kleiner. Het gevoel van beperking, de kloven gaan wroeten, dan gevolgd door de angst voor het onbekende, vochtig en somberheid. Het ik beeldt zichzelf uit, niet als wezen, maar als beleving, uitdrukking van verwachtingen en angst. Zo bezien verkondigen dromen niet noodzakelijk onheil of vreugd, maar geven zij op logische wijze de inhoud van eigen leven en verwachtingen weer.

Zo schept men zich ook op andere wijze vaak schijnwezens, gestalten, die eveneens de onzekerheden van het ik uitdrukken of tekorten van dit ik moeten aanvullen. Sommigen noemen dergelijke figuren geestelijke meesters, anderen heiligen, engelbewaarders enzovoort. Dit zijn wezens, die het ik, volgens zijn besef, lering moeten geven, beschermen zullen enzovoort.

Ofschoon deze vormen wel eens het masker kunnen zijn van werkelijke geestelijke krachten, is de gestalte, en zijn zelfs de toegekende eigenschappen, in wezen een product van eigen ik, ons ik wel te verstaan. Wat men opbouwt, is in feite niets meer of minder dan een aanvulling van eigen wezen, zowel ten goede als ten kwade, zowel waar het nog niet bereikte mogelijkheden betreft, als waar het gaat om mogelijkheden en zelfs feiten in het ik, de wij niet als deel van onszelf willen erkennen. Wil je jezelf in waarheid leren kennen, dan zal men er goed aan doen dit niet te vergeten en aandacht te schenken aan de goden, meesters en duivels, die van invloed schijnen te zijn op ons bestaan.

Vergeet niet, dat zelfs wanneer een meester mij waarden geeft die niet in mij bekend bestaan, ik toch uit mij zelf leer en niet slechts lering van buitenaf ontvang. Ik zal immers eerst in mij en met de middelen die ik bezit, het gegeven moeten begrijpen en voor mijzelf interpreteren, voor het mij werkelijk van waarde kan zijn. Realiseer u: In alles, wat er voor het innerlijk pad en de bewustwording op aankomt, ben ik mijn eigen meester, geleider, engelbewaarder, verleidend duiveltje. In deze beelden geef ik slechts weer, wat ik in wezen zou zijn wanneer ik mijn uiterlijke beperkingen en vooroordelen zou kunnen verliezen.

Dit is een goed begin, wanneer je waarlijk het innerlijk pad wilt gaan. Je zult zover moeten komen dat je zelfs kunt toegeven: Jezus is voor mij niet waarlijk Jezus, maar slechts dat, wat ik in mijzelf erken van hetgeen in Jezus bestaat. Wanneer je kunt leren eigen denken, eigen idealen toe te passen op jezelf, om jezelf te leren kennen en, meer nog, leert deze waarden te beschouwen als deel van jezelf, ga je ook begrijpen hoe je innerlijk jezelf kunt ontplooien . Want het zijn je eigen idealen, het beeld zelfs dat je je van God maakt, die bepalen wat jezelf bent, wat je kunt worden.

Degene die zich bezighoudt met alleen abstracte geestelijke stellingen, zal ook op het innerlijke pad meestal niet veel verder komen. Maar op het ogenblik, dat men leert de abstracties te vereenzelvigen met bepaalde eigenschappen, leringen en bewustwordingen, ze formulerende op een wijze, dat men ze zelf kan verstaan en zien als ook praktisch werkzame waarden, omschrijft men daarmede zichzelf.

Je hebt een begripsvermogen. Dit begripsvermogen stamt uit je wezen. Wanneer je met het begripsvermogen iets omschrijft op andere dan zuiver theoretische en abstracte wijze, omschrijf je iets wat à priori reeds in jezelf moet aanwezig zijn. Wanneer ik zeg, dat er een duivel is en zo precies weet wie en wat die duivel is en wat hij doet, dan beschrijf ik in wezen alleen dat deel van mijzelf, waarvoor ik bang ben. Spreek ik over een God, een godheid desnoods, die mij bijstaat en helpt en ik omschrijf zijn eigenschappen en eisen, dan omschrijf ik wederom een deel van mijzelf. En niets anders.

Ik teken voor mijzelf de kaart van mijn innerlijk. Besef ik dit, dan weet ik ook wat mijn mogelijkheden zijn. En in de esoterie is een kennen van jezelf veel belangrijker dan alle denkbeelden omtrent stijgen, hoogheid, vallen. Wat overblijft van alle beelden en denkbeelden, nadat ik de angsten en begeerten daarvan heb afgetrokken, is mijn persoonlijk vermogen, mijn mogelijkheden. Indien ik iets als mogelijk zie, niet vaag, maar concreet, voor mij bereikbaar, dan omschrijf ik iets, wat werkelijk voor mij mogelijk is. Zelfs wanneer het niet onmiddellijk verwerkelijkt kan worden, is het mij in ieder geval mogelijk ernaartoe te blijven werken en het zo uiteindelijk waar te maken.

Een conclusie na dit alles. Wanneer je in jezelf een beeld van God draagt, in die God gelooft, moet je niet alleen maar stellen: “Die God zal ik dienen”, maar: “Ik zal trachten die God uit te beelden, één te zijn met die God.” Om je eigen wezen te verwerkelijken, is het niet voldoende te aanvaarden. Men zal moeten proberen te leven, te handelen, te denken, zoals die God doet. Je zult je met die God moeten identificeren. Dan zal alles wat voor jou in dit godsbegrip aanwezig was, een innerlijke werkelijkheid worden die ook naar buiten toe tot uiting kan komen. Dan zul je de kracht van die God leren kennen als jouw kracht en de werken van God geopenbaard zien door je eigen wezen en streven.

O, ik geef natuurlijk toe, dat de mogelijkheden van de mens altijd beperkt blijven. Zo is nu eenmaal zijn wezen. Maar dat neemt niet weg, dat alle beeldspraak nutteloos is, dat alle geloof zinloos is, wanneer daarachter voor het ik geen concrete en beleefde werkelijkheid schuilgaat.

Waarmede ik, naar ik meen, het eerste punt dat ik op deze avond duidelijk wilde maken, wel gesteld heb. Indien je het innerlijke pad wilt gaan, is het niet voldoende te erkennen wat je nu, volgens eigen inzicht, bent. Je moet daarnaast als deel van het ik moeten leren aanvaarden alles wat je vereert en alles wat je verafschuwt. Voeg deze beide waarden aan het normaal erkende ik toe en je zult het werkelijke ik zien met zijn in de huidige ontwikkelingsfase bestaande mogelijkheden tot ontwikkeling.

Aangezien het als mens (en ook als geest) onmogelijk is om alle dingen tegelijk te zijn, alle dingen tegelijk te doen, is het van belang, dat je na de erkenning van je mogelijkheden jezelf ook een doel stelt. Degene die innerlijk streeft, dient zich een bepaald doel te kiezen, daarbij erkennende, dat dit zelfs voor hemzelf niet het enig mogelijke en enig juiste doel zal zijn. Het streven wordt echter op dit doel geconcentreerd. Zolang in het leven dit doel en het eigen Ik op dezelfde wijze kenbaar en ervaarbaar blijft, zal men dit doel na moeten blijven streven. Op het ogenblik, dat men met dit streven echter ver genoeg gevorderd is (wat maar zelden betekent dat het gestelde doel ook volgens onze opvattingen geheel bereikt is) zullen wij ons moeten heroriënteren en ons streven aanpassen dan wel ons een nieuw doel stellen.

De veranderingen die in de esoterische bewustwording plaats vinden, zijn eveneens eigenaardig: Er is niet alleen maar sprake van een meer begrijpen, of bijvoorbeeld het binnengaan in een andere wereld. Het is eerder een kwestie van het verkrijgen van een andere vorm van energie.

Het is alsof men overschakelt op andere kracht en zo grotere vermogens op elk terrein kan ontplooien. Vergelijk: Tot nu toe kon je misschien 5 km per uur lopen, maar opeens ontdek je dat je met dezelfde inspanning nu 25 km per uur kunt lopen. Leer daarom, dat je in jezelf een kracht ontwikkelt. Deze kracht kan zeer beperkt of groot zijn op dit ogenblik, dat is voorlopig van geen belang. Wil men nu waarlijk en met succes innerlijk streven, dan zal men zo moeten leven, dat voortdurend zowel geestelijk als in het stoffelijke leven t.m. van de beschikbare energie wordt gebruikt, dat minstens 9/10 van de erkende mogelijkheden ook wordt waar gemaakt.

Bij een geestelijk ‘stijgen’ is er in feite geen sprake van plotselinge veranderingen of zelfs inwijdingen, ook al zal het soms voor een onvolledig bewustzijn zo schijnen te zijn. Er is slechts sprake van, bij constante poging, een steeds toenemende versnelling van bewustwording en vergroting van vermogen. Een voorbeeld uit de ruimtevaart kan hier dienen. Ik breng een voertuig buiten de aantrekkingskracht van de aarde. Ik geef daaraan een stuwkracht van 5 km (wat niet veel is) maar houd deze stuwing onbeperkt vol. Dan komt er, ongeacht de massa van het voertuig, een ogenblik, waarop het de lichtsnelheid zal bereiken. Dit vergt natuurlijk wel tijd, maar het resultaat is onveranderlijk hetzelfde: bij elke stuwing zal elke massa de lichtsnelheid bereiken, mits de stuwing voortdurend is. Om als mens, als ego, ons einddoel te bereiken, is het niet zo belangrijk dat wij nu reeds over grote vermogens beschikken, maar wel dat wij de kracht die wij nu kennen, bij voortduring gebruiken.

Wanneer je alleen maar te hooi en te gras zo nu en dan eens geestelijk streeft, kun je het beter laten. Daarmede geeft men het goede in het ik te weinig mogelijkheden om te groeien, terwijl het kwaad, het onkruid opgewekt wordt. Elke maal, dat men dus weer eens voor een keer begint aan geestelijk werk en het innerlijke pad, heeft men meer schade te overwinnen, tot op den duur geen vooruitgang meer wordt geboekt en alle moeiten voor niets zijn. Het is niet belangrijk voor ons dat wij zeer snel verder gaan, wel dat wij elke dag t.m. een klein beetje verder komen. Aan esoterie doen betekent heus niet, dat je de gehele dag in meditatie en contemplatie verzonken moet zitten, dat je alleen voor de hogere geestelijke waarden moet leven en verder voor niets.

Wel betekent het, dat men aan zijn innerlijke waarheid en geestelijke waarden regelmatig aandacht moet besteden. Om een eenheid met God te kennen, hoeft men niet de gehele dag als met een spandoek rond te lopen, waarop staat: “De Heer is met mij, halleluja”. Het is voldoende, dat je elke dag een enkel ogenblikje beseft: God is ergens met mij verbonden, ik voel mij één met God. Probeer dit elke dag, al is het maar voor een kort ogenblik, voor een enkele keer, te doen.

Dan bereiken wij de voortdurende versnelling waarover ik sprak. Wanneer wij in het leven waarlijk grote dingen bereiken, dan is dit niet het gevolg van onze grote daden en onze grote geestelijke strijd: Die dingen zijn maar bijkomstigheden. Wij bereiken alleen grote dingen van blijvende betekenis, indien wij ons een doel, een richting kiezen en daarin (desnoods langzaam, maar zonder aarzelen) verder gaan, gestaag en zonder aarzelen.

Er is over het innerlijke pad onnoemlijk veel te zeggen, zodat het mij altijd weer moeilijk valt te bepalen, waar ik zal beginnen en waar ik op zal houden. Misschien komt dit wel omdat het beeld van het innerlijke pad, dat de meeste mensen kennen, meer weg heeft van een dwaaltuin. Men denkt zo ongeveer: Wanneer je de plattegrond kent, kom je zeker bij de lachspiegels, maar ken je het plan niet, dan blijf je tussen de haagjes van hot naar her lopen, tot je misschien per ongeluk de goede weg kiest. Toch is het innerlijke pad zeker geen dooltuin. Dat het er voor de mensen wel eens op lijkt, komt voornamelijk omdat zij zich een doel stellen dat niet te ver af ligt, maar dan menen dit beter langs omwegen te bereiken. Als je je een doel stelt, ga er dan zo rechtlijnig mogelijk op af. En stel vooral niet, dat al het andere zal moeten wijken, tot u dit doel bereikt heeft. Zelfs indien u ontdekt dat een ander doel eenvoudiger te bereiken is en beter aan uw behoeften beantwoordt. Stel je vooral geen doel, waarvan je eigenlijk niet eens weet wat het is, hoe het er uitziet en waarvan je niet eens zeker bent ten aanzien van de wegen, die er misschien naar toe voeren. Kies je steeds dergelijke vage punten als doel van je streven, dan kun je wel eeuwig aan het dolen blijven. Kies dus een doel, dat je enigszins kunt overzien en blijf streven tot je dit, of een ander doel dat je onderweg als juister hebt ervaren, ook bereikt hebt.

Laat u ook niet al te gemakkelijk van uw stuk brengen. In de wereld zijn altijd hopen bewijzen te vinden, die pleiten tegen hetgeen wij nastreven. Bedenk echter, dat er vele mensen zijn geweest en op elk terrein, die iets voor waar hebben bewezen, terwijl de gehele wereld hun stellingen en argumenten op grond van bestaande ‘bewijzen’ verwierpen en hen zelf tot bedriegers of gekken verklaarden. Pasteur was één van hen. Deze man ging verder in de ingeslagen richting, ondanks alle smaad, alle tegenwerking, omdat hij voelde dat zijn wijze van benadering de juiste moest zijn. Op dezelfde wijze moeten wij ons, zolang wij innerlijk gevoelen dat iets juist is, niet te veel van de wereld aantrekken.

Nog een klein punt tot slot. Begrip voor de medemens is in de esoterie van het hoogste belang.

Er zijn natuurlijk wel veel mensen, die dit als meer exoterisch beschouwen, maar juist is dit niet. In jezelf heb je de verbinding met het totaal van het geschapene. Als je die verbinding waar kunt maken, zul je ook contact hebben met je naasten, zul je anderen kunnen begrijpen. Kun je dus een ander werkelijk begrijpen, dan kom je ook nader tot het begrip van de totaliteit, waarvan je deel bent. Bedenk, dat een eventueel oordeel over de ander hierbij van geen belang is. Of hij nu goed of kwaad, mooi of lelijk is, telt niet. Het komt er zelfs niet op aan, dat je die ander in zijn streven helpt, het komt erop aan die ander te begrijpen.

Vergeet hierbij niet, dat, hoe juister je anderen leert begrijpen en kennen, hoe juister je ook jezelf leert definiëren en kennen. Het is belangrijk contact te hebben met de wereld rond je. Om de begrenzingen te kennen van eigen wezen, zoals het in deze graad van bewustzijn voor jou bestaat, is het van belang te weten waar je eigen mogelijkheden ophouden. En dit kun je alleen leren in de wereld buiten je. Het innerlijke pad is dus nauw verbonden met waarden, die buiten het eigen ik liggen, ook al volgt men dit pad niet om de wereld, maar om zichzelf in waarheid te leren kennen. Wij mogen dus tenminste wel stellen, dat het contact met de medemens van zeer groot belang is voor de esoterische bewustwording. Wie zich afzondert van de mensen en weigert hen te erkennen, kan in zich wel tot een zekere hoogte stijgen, maar zal daarmede zijn mogelijkheden uitputten. Wil hij dan verder gaan, dan ontbreken de nieuwe erkenningen en leeft men op den duur in een waanwereld. De mens wordt het meest in zijn bewustwording geremd, wanneer de illusie in hem sterker wordt dan zijn erkenning van de werkelijkheid.

image_pdf