De relatie tussen incarnatie en inwijding

20 november 1972

Om te begrijpen hoe een inwijding op aarde kan samenvallen met een bepaalde incarnatie dienen wij ons te realiseren, dat een incarnatie mede bepaald wordt door het bereikte bewustzijn. In dit bereikte bewustzijn is dus – geestelijk gezien – een aantal feiten aanwezig. U weet bv. één en ander wat u in een vroeger leven geestelijk hebt geleerd. De kennis, die u hebt opgedaan, blijft op de achtergrond en kan zelfs naar het bewustzijn worden overgebracht vanuit de geest. De incarnatie kan dan worden beschouwd als de uiting van een totaalbewustzijn binnen een beperkt milieu. De inwijding, die in dit beperkte milieu mogelijk is, is uit de aard der zaak – voor zover het dit milieu betreft – eveneens beperkt, maar daar de incarnatie  geestelijke waarden omvat, is haar finale bereiking niet aan beperking gebonden.

Een inwijding kan op aarde – zoals u weet – plaatsvinden volgens verschillende van elkaar nogal afwijkende systemen. Wij kennen de z.g. zonne- of lichtinwijding. Wij kennen de inwijding van de elementen. Wij kennen daarnaast de geïnduceerde inwijding en – zeker niet als de minste – ook de inwijding van confrontatie. De inwijding van confrontatie kunt u zich voorstellen als een ontmoeting met het eigen ego, waarbij het hele panorama van vroegere incarnatiebelevingen langzaam over het algemeen, maar toch in toenemende mate scherp duidelijk wordt. In dergelijke gevallen is de inwijding dus eigenlijk een verbetering van de herinnering, gepaard gaande met het vermogen om geestelijke waarden te beleven zoals die in vroegere incarnaties hebben bestaan, ook op een niet-materieel vlak.

Wanneer wij te maken hebben met een geïnduceerde inwijding, dan worden wij geconfronteerd met impulsen die in het leven optreden en waarvan wij de waarde in dat leven zelf moeilijk kunnen bepalen. Geïnduceerde inwijding kan onder meer plaatsvinden door het onverwacht kennisnemen van bepaalde feiten, het geconfronteerd worden met bepaalde personen, het innerlijk beleven van bepaalde – zeg maar – krachten, meestal als gevolg van een schokkende beleving op aarde zelf. In deze gevallen is er een geestelijke inwijder en deze laat impulsen naar de mens gaan, waardoor deze mens dus op aarde – in zijn beperkt milieu -geconfronteerd wordt met waarden, die in hem nieuwe mogelijkheden zowel als oude herinneringen wakker kunnen roepen.

De inwijding van de elementen zal u meer bekend zijn. Zij is in feite een verloochening van de angst voor het stoffelijke en maakt daardoor een aanvaarding van geestelijke waarden gemakkelijker mogelijk.

Wanneer wij de inwijding van de elementen doormaken, dan is dat – in deze tijd althans – niet meer de lijfelijke beproeving die het vroeger was. Vroeger ging men inderdaad door het duister langs afgronden, men moest door water gaan, men moest door vuur gaan. Maar nu is het eerder geworden een aantal belevingen, meestal afzonderlijke fasen van het leven die gemiddeld een jaar duren – soms iets meer – met een tussenruimte van enkele jaren veelal, waarin wij dus voortdurend met een bepaald element worden geconfronteerd en waarbij onze belevingen dus niet zozeer gericht zijn op de mensen als op de gebeurtenissen. Deze inwijdingen kunnen niet plaatsvinden zonder dat er ook materiële inwijders aanwezig zijn.

Dan kennen wij de inwijding van het licht. Zij is één van de inwijdingen die het meest wordt nagestreefd, binnen allerlei inwijdingsbewegingen zoals die op aarde bestaan. Misschien kan ik dit het duidelijkst als volgt formuleren:

Een inwijding van licht is in feite een zo verregaande confrontatie met het eigen ego, dat hierdoor de geestelijke waarden en krachten van dit ego duidelijk worden, die op hun beurt verblekende, dat kosmisch licht dat in ons bestaat, tot openbaring doen komen.

Al deze vormen van inwijding echter zijn gebonden aan de persoonlijkheid. Er zijn mensen die een inwijding kunnen vinden in het isolement (dat is dan meestal een inductieve inwijding). Er zijn mensen die alleen een inwijding kunnen vinden juist door allerlei belevingen, door ervaringen op aarde, ervaringen overigens die niet stokken, die gestaag verdergaan. Dergelijke mensen zullen inwijdingskrachten vinden in belevingen die anderen waarschijnlijk als zeer mondain beschouwen, terwijl zij toch een hoge geestelijke waarde bezitten en ook nieuwe geestelijke achtergronden openbaren.

Dan moeten wij zeggen dat de systeem-inwijdingen in deze periode voor de mensen over het algemeen heel weinig resultaat geven, omdat de mens, die wil komen tot een inwijding van het licht, daarbij in wezen afstand doet doen van zijn illusies omtrent zichzelf. En dat is iets dat de mensen in deze tijd niet zo gemakkelijk klaarspelen, maar het systeem wordt in ieder geval onderwezen.

De inwijding van de elementen wordt over het algemeen tot stand gebracht door middel van een meester, leermeester of leraar (lerares, meesteres enz. kan ook) die in de stof levende, aan het leven van een persoon een aantal impulsen geeft. Die impulsen zijn dan over het algemeen sterk emotioneel en gaan vergezeld van sterke wisselingen in het materiële bestel, dus b.v. overgang van rijkdom tot armoede of omgekeerd, overgang van gezondheid tot ziekte of omgekeerd en alles meestal in onverwacht korte termijn. Kenmerkend is hier, dat de controlerende meester in dergelijke gevallen niet op de voorgrond treedt, maar veelal als een achtergrondfiguur toch ergens in de bekendenkring van zo’n mens thuishoort.

Als je nu een incarnatie hebt waar je goede achtergronden bezit – dus geestelijk heb je voldoende inhoud, maar je bent te sterk gebonden aan bepaalde stoffelijke aspecten om dat te willen beseffen -dan is juist de tijd gekomen, dat je in die materie allerlei schokken moet hebben.

Wanneer wij het verhaal van Job lezen in de bijbel, dan hebben wij hier (in dat bekende verhaal van Job dus) zo’n inwijding van elementen – ook al zullen de mensen dat misschien een beetje anders bekijken – maar vergeet één ding niet: de natuur speelde een grote rol mee in de ondergang van Job en eveneens in zijn terugkeer tot rijkdom. Wij kunnen daar dan wel een verhaal vertellen over de duivel, die dit allemaal aan God had gevraagd, maar de praktijk is toch deze, dat Job geconfronteerd wordt met zichzelf. Hij is helemaal alleen, hij heeft niets meer en in dit niets-zijn hervindt hij toch zijn contact met de werkelijkheid, met God en vandaaruit gaat hij verder.

U zult begrijpen dat de inwijdingen door de mensen veelal niet op prijs worden gesteld, want je ziet pas achteraf wat je gewonnen hebt.

Indien u mij vraagt in hoeverre er een relatie bestaat tussen incarnatie en inwijding, dan moet ik natuurlijk stellen – dat is vanzelfsprekend gezien de titel – dat deze altijd aanwezig is. Maar ik moet daarbij ook stellen, dat de incarnatie een resultaat is van een vrije keuze tussen een beperkt aantal mogelijkheden. Juist omdat die vrij keuze tussen een beperkt aantal mogelijkheden geschiedt, zal ook de gekozen mogelijkheid mede een rol spelen.

Twee entiteiten, met een gelijk geestelijke achtergrond – of een vergelijkbare geestelijke achtergrond, kunnen dus soms door een andere keuze van voertuig op een verschillende wijze tot inwijding komen of één van hen kan wél, de ander kan niet bereiken. De pogingen die je doet om dan toch een vast verband aan te geven, voeren haast onwillekeurig tot voorbeelden. Er zijn nu eenmaal dingen die je wel in parabelen kunt zeggen, maar die je haast niet gewoon kunt uitdrukken. Laat mij u een voorbeeld geven van iemand die tot de inwijding van licht komt.

De persoon zal in verschillende levens afwisselende sekse hebben gekend, dat is een belangrijk punt, want dat is niet altijd het geval. De persoon zal in die verschillende levens één à tweemaal een priesterlijke functie hebben vervuld, maar in de andere incarnaties zich hoofdzakelijk hebben beziggehouden met enigerlei vorm van handel, zakendoen. Althans niet zijn geweest – uitdrukkelijk niet zijn geweest -een succesrijke krijgsman of een geslaagde landbouwer. De persoon zal verder in de laatste incarnaties belangstelling gehad moeten hebben voor filosofie en zal tenminste één à twee incarnaties sterk religieuze belevingen gehad hebben. De huidige incarnatie omvat over het algemeen een tamelijk grote tegenstelling tussen datgene, wat de persoon voor zich verlangt en zou willen zijn en datgene, wat hij werkelijk kan zijn. Er is hier eveneens een zekere frustratie aanwezig. De inwijding van licht wordt dan mogelijk, doordat de persoon in wezen zichzelf – zoals die nu is – verwerpt of veroordeelt. Hij heeft de filosofische achtergronden, waardoor hij aan innerlijke belevingen voor zichzelf voldoende gestalte kan geven en ze zo wil aanvaarden; ook de beelden omtrent zijn eigen werkelijkheid.

Het feit dat hij in de handel is geweest, heeft hem een klein beetje gierig gemaakt. Hij probeert al dat goede toch vast te houden en het feit dat hij ook daarbij een priesterlijke tendens ergens heeft gehad, geeft hem de impuls om dan op te zien naar God in de hoop, dat zijn schatten groeien. Het eindresultaat is, dat deze persoon inderdaad in zichzelf aanmerkelijk veel verder kan stijgen dan anderen en dat die persoon daarbij – dat is toch ook geloof ik wel heel erg belangrijk – niet de behoefte heeft om zijn inwijding om te zetten in een zending op aarde. Bij inwijdingen van licht komt dit maar zeer zelden voor.

Wanneer je kijkt naar de inwijding van de elementen, dan zien wij meteen een geheel ander patroon. Dat is ook begrijpelijk. Degenen, die tot deze inwijding komen, hebben over het algemeen nieuwsgierigheid getoond in het verleden. Zij kunnen mee zijn gegaan met ontdekkingsreizen, zij hebben onderzoek gedaan, zij hebben geëxperimenteerd, zij hebben meestal daarnaast en te enigerlei tijd in een incarnatie wel wat aan magie gedaan. Belangrijk is daarbij verder dat zij voor die beproevingen, voor het doorstaan daarvan, moed nodig hebben. Zij zullen in het verleden grote jagers, krijgers zijn geweest, althans figuren, die door hun moed hebben uitgeblonken. Zij zullen daarnaast zeer vermoedelijk één of meer levens in een slavenketen hebben doorgebracht of althans in een zeer ondergeschikte functie, waarbij zij praktisch geen persoonlijke vrijheid hadden. Hierdoor ontstaat dus het finale beeld.

U ziet, ik eis hier niet zoals in het andere geval een filosofische achtergrond; die heb je hier namelijk niet nodig. Er is de nieuwsgierigheid, de drang om het onbekende te onderzoeken. Er is de moed om de strijd met het onbekende te aanvaarden. Hierdoor is de mens gemakkelijker in staat om elke beproeving, die op hem afkomt, te doorstaan zonder daarbij zich over te geven aan de omstandigheden, want dat mag niet. Dan is duidelijk dat je ook in vele gevallen door de elementen tijdelijk geketend bent; je kunt niet meer je eigen weg kiezen. Een beproeving van vuur betekent, dat de weg die je nog kunt gaan een zeer beperkte is. Gebondenheid, het slavenbestaan (het bestaan als slaaf) heeft hem echter eraan gewend om de mogelijke weg te volgen en dan meestal met zo weinig mogelijk ellende. Hierdoor is zo iemand bijzonder geschikt voor deze inwijding en daarom zijn de vroegere incarnaties bepalend voor de wijze waarop een inwijding tot stand komt en in dit geval medebepalend voor het mogelijke succes van een inwijding der elementen.

Inductieve inwijdingen kunnen alleen dan plaatsvinden, wanneer het geestelijke leven in vorige incarnaties een grote rol heeft gespeeld. Ofschoon ook hier allerlei incarnaties aanwezig kunnen zijn, waarbij je misschien een gewoon lid van een stam bent geweest of een huisvrouw bent geweest of iets dergelijks (bij deze inductieve inwijding is het niet belangrijk of je al dan niet verschillende seksen hebt gekend in vorige incarnaties, dat is dus helemaal niet bepalend; een zuiver mannelijke inwijding bestaat ook niet).

Het zal duidelijk zijn dat je – om te komen tot ontvankelijkheid – geoefend moet zijn. Dergelijke personen zullen één of meer incarnaties een geestelijke meester gevolgd hebben of een leraar gevolgd hebben, die in zekere mate via telepathische vermogens, emotionele uitstraling heeft gebruikt tijdens de leringen; zij zullen verder geconfronteerd zijn – naar ik meen – met een leven, waarin zij enorm moesten opletten. Heel vaak is dat een leven, waarbij b.v. jacht een rol heeft gespeeld, of enigerlei ander beroep, waarbij deze mensen enorm op kleine dingen, op kleine onopvallende dingen moesten letten, een soort sporen-lezer. Dat is belangrijk, omdat je bij deze inductieve inwijding te maken krijgt met op zich kleine aanwijzingen, die namelijk aan een ander voorbijgaan en die voor jou een schokkende waarde moeten hebben. Dit kan alleen als je daar gevoelig voor bent. Mensen, die deze, soort inwijding vinden, hebben daarnaast vaak geëxperimenteerd met b.v. alchemie, kabbala, bepaalde vormen van voorspellen, kortom paranormale waarden. In vele gevallen – maar niet alle – is men in een periode augur geweest, voorspeller, of voorspellend priesteres (Memphis of Delphi), een soort Pythia misschien. Degene, die deze inductieve inwijdingen ondergaat, zal hierdoor de kracht hebben, voor zichzelf wel, om door te gaan – een belangrijk punt bij elke inwijding – maar daarnaast een enorme gevoeligheid tonen voor het ongebruikelijke, een nieuwsgierigheid, waardoor ook de kleine, ongebruikelijke dingen de aandacht trekken en nagegaan worden, een geestelijke gevoeligheid, waardoor geestelijke impulsen gemakkelijker worden opgenomen en verwerkt en als eindresultaat krijgen wij hier: het vermogen om sneller hoge waarden te aanvaarden.

De inwijding van licht is eigenlijk de meest mannelijke ondanks alles. Dat wil echter niet zeggen, dat je alleen wanneer je in alle incarnaties man bent geweest, die inwijding kunt ondergaan. Maar het wil ook niet zeggen dat je, als je alleen in alle incarnaties vrouw bent geweest, deze inwijding kunt ondergaan. Ook wisselingen zijn mogelijk. Maar ik noem deze mannelijk, omdat de inwijding van het licht een enorme confrontatie betekent met jezelf en in dat vorige leven moeten dan ook die confrontatie-mogelijkheden bestaan hebben. Het is wel belangrijk dat u daar even aan denkt.

Ik meen dat ik hiermede voldoende aanwijzingen en voorbeelden heb gegeven en wij kunnen dus weer terug naar de eigenlijke materie.

De wijze, waarop je incarneert, bepaalt in welk milieu je je zult bevinden. Iemand kan b.v. arm incarneren in een land van rijken; dat geeft dan een grote contrastwaarde en dan zal dat contrast bij de inwijding een grote rol moeten spelen. Andere mensen worden b.v. geboren in een wereld, waarin bijgeloof – zoals dit in het Westen heet, primitieve goden en natuurkrachten – een grote rol spelen. In dergelijke gevallen is het duidelijk dat via dit bijgeloof, de inwijdingswaarde bereikt moet worden. Je kunt geboren worden in een land met een zeer orthodox geloof – onverschillig welk – dan is het duidelijk dat je door dat geloof eveneens wordt gemodelleerd. Daarom zeggen wij dat inwijdingen – ofschoon zij alle in hun geaardheid kosmisch zijn – tijdens een incarnatie geuit zullen worden in overeenstemming met de termen en normen van die incarnatie. De godsdienstige mens, opgevoed in een orthodoxie, levend in een orthodox milieu, kan daar wel bovenuit stijgen, maar zijn terminologie zal altijd die van de orthodoxie blijven. Hij zal niet in staat zijn om de kosmische termen te gebruiken en hij kan dus zijn inwijding over het algemeen alleen daar volledig uitdragen met woord en overdracht, waar hij gelovigen vindt van eenzelfde soort.

De mens, die in een contrast arm-rijk b.v. geboren wordt, zal in dat milieu onder meer te maken krijgen met liefde-liefdeloosheid en dat soort dingen. Zowel armen als rijken – zo vreemd dat moge klinken -worden geconfronteerd met vele frustraties in hun leven. Deze frustraties bouwen persoonlijkheidsspanningen op en juist hierdoor krijgt hun inwijding eigenlijk het karakter van een soort strijd met de wereld en tegelijk met jezelf. Je kunt niet waarmaken wat je wilt. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijke incarnatie – ofschoon door velen niet bepaald geambieerd – vaak bewust is gekozen. Want wanneer de voorontwikkeling duidelijk maakt dat je alleen door grote spanningen tot voldoende inspanning kunt komen, dan moet je wel een dergelijk milieu kiezen. En dan betekent de inwijding voor jou eigenlijk alleen maar een kanaal, waardoor je overvloedige krachten kunnen afvloeien. In deze gevallen is er in het verleden vaak enorme kracht opgedaan. Er bestaat een hoge geestelijke lading, er bestaat een meestal meer dan normale vitaliteit – ook materieel – en deze krachten worden overal naar toe gebruikt.

Iemand, die op een dergelijke wijze geïncarneerd is, kan dus enorm veelzijdig zijn. U kunt zich zo iemand voorstellen als een ontdekkingsreiziger, maar dan b.v. een Livingstone, een Stanley. Mensen dus, die om de een of andere reden gewoon het onbekende tegemoet gaan, alleen maar om zichzelf waar te maken. In andere gevallen zien wij mensen die enorme wetenschappelijke onderzoekingen doen. Ik denk b.v. in de richting van de Curie’s. Of mensen die een wanhopige worsteling hebben, misschien om zichzelf in kunst uit te drukken: anderen weer worden tyconen in het zakenleven – maar zijn dan over het algemeen geneigd om daarbij het eigenlijke gezag wel heel sterk zelf in handen te houden – Het is dus typerend voor de mens, maar het is gelijktijdig typerend voor de inwijdingsmogelijkheden.

Wanneer je op aarde komt in een bepaald milieu, zo bepaalt dat je mogelijkheden, zeker. Maar je hebt je achtergronden. Door die achtergronden wordt dan bepaald hóe je reageert. En het kan zelfs zijn dat je een incarnatie verkeerd hebt gekozen. Ik kan mij iemand voorstellen, die – misschien wel door een onjuist oordeel – bij de incarnatie terecht is gekomen in een arm gezin en die ontdekt: in dit milieu kan ik mijzelf niet waarmaken. Die persoon zal zich op zeer jeugdige leeftijd losmaken van dit milieu. En dan krijgen wij misschien een roman-idee zoals “van krantenjongen tot miljonair” of “van stommeling tot uitvinder.” Maar hoe het ook zij, die mens begint op zeer jeugdige leeftijd – meestal rond het begin van de puberteit of daarvoor reeds -zich los te maken. Dan zien wij ook, dat de inwijdingsgeschiedenis eigenlijk pas begint, wanneer het begeerde niveau en daarmede het begeerde milieu bereikt is.

Hier zien wij de levens van deze mensen dan sterk uiteenvallen. Wij krijgen nl. te maken met twee heel verschillende typen; misschien eerst de gewetenloze mens, die zich naar boven werkt en dan, zodra dat niveau bereikt is, een periode van instabiliteit, de omslag ineens, het hele karakter gaat anders functioneren: de eigenschappen zijn er wel, maar zij worden anders benadrukt, de doelstellingen worden anders en nu gaat die mens zich pas openstellen voor de geestelijke krachten, die hem eventueel willen benaderen, voor de leermeester, die eventueel aanwezig is en al die andere dingen.

Het zal u dus duidelijk zijn geworden, dat de relatie tussen incarnatie en inwijding heel erg groot is. Maar wij zouden ons ook kunnen afvragen of door de incarnatie niet soms de aard van de inwijding wordt veranderd. Dit blijkt niet zo vaak voor te komen als men zou veronderstellen. Maar het komt toch vaak genoeg voor om daar enkele woorden aan te wijden.

Wij zien dat iemand, die een hoge geestelijke achtergrond heeft en die dus in feite voor een inductieve of zelfs meer directe inwijding geschikt zou zijn, terugvalt. Hij heeft een verkeerd milieu gekozen en vertoont nu lange tijd alle kenmerken van iemand, die b.v. een eerste inwijding heeft beleefd of van iemand, die een inwijding van de elementen heeft. Wanneer hij dan toch de inductieve inwijding zou moeten nastreven, dan zou hij zijn gehele milieu moeten achterlaten. Dat kan niet. Dan zien wij, dat een onvolledige inwijding plaats vindt op basis van de grootste mogelijkheid gezien de persoonlijkheid, zoals die gevormd is door het milieu in dit leven. De mogelijkheid dat dit gebeurt is- zoals gezegd – niet erg groot, ik schat haar ongeveer l op 60.000. Wanneer die inwijding wordt bereikt, wordt zij niet voltooid.

Wij zien ook nog een ander facet van deze invloed, waarbij je stil kunt blijven staan. Vaak is de inwijding een kwestie van een contact met een geestelijke groep, een aantal personen (het is nooit één persoon, het is altijd met een aantal personen). Nu zal dat gezien de aard, het karakter van de incarnerende plus zijn milieu, in feite moeten geschieden binnen dit leven, maar om welke reden ook, is de persoon niet toegankelijk voor enkele van deze persoonlijkheden die daarbij horen, of omgekeerd, één van die persoonlijkheden is voor die persoon niet toegankelijk. Op dat moment ontstaat wederom een onvolledige inwijding en wij spreken dan vaak over een versneld volgende incarnatie. Want het blijkt dan vaak mogelijk door zeer snel weer te incarneren, na misschien 30 of 40 jaar na de overgang, dus het laatste contact (van de inwijding) toch nog tot stand te brengen in een zodanige tijd, dat de geestelijke factoren van de reeds gelegde contacten kunnen samenspelen met het laatste stoffelijke contact.

U vraagt zich waarschijnlijk af, waarom dan dat ene contact niet volledig geestelijk gelegd kan worden? Ik zal proberen het u duidelijk te maken. Wanneer de geestelijke waarde zonder meer en volledig aanvaard zal worden, zou deze mogelijkheid wel bestaan. Maar wij zien, dat voor erkenning van persoonlijkheden – ook al doordat men misschien niet zo gevoelig is voor uitstralingen en andere dingen – toch een meer visueel, een meer feitelijk contact noodzakelijk is voordat men dit ziet voor wat het is, begrijpt wat het werkelijk betekent. Misvattingen spelen ook heel vaak een rol.

Ik herinner mij enkele incarnatiegevallen, waarbij men b.v. meende in het contact, dat het brandpunt van een groep naar gezag moest streven, terwijl in feite die persoon leraarschap moest betekenen. Dit brengt dan een soort gespletenheid tot stand, waarbij de groep vaak de kern ervan niet helemaal kan aanvaarden en soms zelfs uiteenvalt om de doodeenvoudige reden, dat men de uiterlijke voorstelling niet met de innerlijke waarde overeen kan doen stemmen. In dergelijke gevallen krijgen wij herhaalde groepsincarnaties. Misschien is het goed hier in het algemeen nog iets te zeggen over de groepsincarnatie.

Een groepsincarnatie kan ontstaan door gelijke ontwikkeling, dat is duidelijk. Zo weten wij, dat groepen van Egyptenaren, van Indianen vaak praktisch gelijktijdig incarneren. In de huidige wereld is dat ook zo. Wij zien zelfs een aantal incarnaties uit – zeg maar – de tijd dat Florence groot was. Dat zien wij ook op dit moment optreden. Deze incarnaties worden in feite door milieu plus bewustzijn bepaald en zijn voor ons niet interessant. Maar, je kunt je misschien voorstellen dat rond de Boeddha een aantal leerlingen zijn geweest. Deze leerlingen hebben zelf de toestand van absolute ontruktheid niet kunnen bereiken. Zij hebben elk op een andere wijze deelgehad aan de leer van die meester. Wanneer zij nu op aarde terugkeren, zijn zij geneigd dit “en groupe” te doen, omdat zij daardoor a.h.w. elkaar blijven aanvullen. De groepen treden dan op als “gemeenschappen”, die soms religieus zijn, soms familiegemeenschappen, in andere gevallen – wat ook voorkomt – gewoon zakelijke gemeenschappen, kortom in de gekste vormen. Soms begint het zelfs als een roeivereniging of iets dergelijks.

In dat contact komen al die personen bij elkaar. Er ontstaat een bepaalde band, er ontstaat een interactie tussen de persoonlijkheden en dan ontstaat voor allen bijna gelijk de grootste inwijdingsmogelijkheid. En die bestaat dan wel gelijktijdig.

Het is ook zeer curieus dat sommige hogere krachten bij hun incarnatie rekening houden met de geestelijke achtergrond van de ouders. En gaan wij na hoe dit in elkaar zit, dan zien wij heel vaak dat in vorige incarnaties er contact is geweest.

Laten wij een heel eenvoudig voorbeeld nemen: U kent allemaal Maria, Jozef en het kind. Maria heeft inderdaad een gelijkwaardige incarnatie gehad in een verleden met degene die er later – zeg maar -als direct bezielende kracht voor Jezus optreedt, dus voordat de Christus zijn werk gaat doen. Jozef is niet gelijktijdig geïncarneerd mét die twee, maar wel weer met Maria in een latere incarnatie, overigens niet in een man en vrouw relatie (dat mag ik erbij zeggen). Daardoor ontstaat ook hier een geestelijke harmonie. Het resultaat is, dat de geestelijke harmonie van de ouders, stammend uit andere incarnaties dan de band met het kind, bepalend zijn voor de geboorte van dit kind uit deze ouders. Zo zie je heel vaak ook, dat betrekkelijk losse bindingen tussen mensen een incarnatiemogelijkheid scheppen van veel hoger karakter dan je eigenlijk zou durven aannemen. Dat is heel curieus.

Er zijn mij gevallen bekend, waarbij uit een vluchtige ontmoeting tussen man en vrouw — die beide dus laten wij zeggen van aards standpunt uit wat losbandig zijn in deze incarnatie – een kind is voortgekomen, dat de hoogste inwijdingsmogelijkheid bezat. Nu ontstond dit wel omdat er in het verleden incarnatiebanden zijn geweest, waarschijnlijk van het kind met beide ouders in een dergelijk geval. Daardoor is de keuze van deze genetische mogelijkheid ontstaan en is ook de voorkeur voor deze binding bij het kind aanwezig geweest.

U denkt over het algemeen in termen van een gezamenlijk altijd verder incarneren. Nu zegt men wel: “afwisseling kruidt de spijs”, ik meen dat dit ook met de bewustwording het geval is. Wanneer je voortdurend met dezelfde elementen te maken hebt, moet je óf tot aan algehele versmelting komen, de tweelingzielen, die tot een reële eenheid worden en tenslotte als één persoonlijkheid kunnen incarneren, ófwel je moet een aantal diverse contacten vinden. Het wonderlijke hierbij is, dat wanneer er vele contacten zijn geweest in het verleden, deze de mensen toch samen kunnen brengen in één incarnatiecyclus, in één incarnatie zelfs. Hierbij blijkt dan, dat hun contacten zeker niet de intensiteit hebben en de duur die men van tweelingzielen pleegt te veronderstellen. Maar wel hebben wij onderling een zodanig grote invloed, dat daardoor voor allen een bewustwordingsmogelijkheid bestaat. De inwijding, die zij vinden, is vaak afwisselend.

Wij kunnen ons dus voorstellen dat elk van de door mij genoemde 4 inwijdingen – waarvan ik u 3 zoals u weet, nader heb aangeduid -door één van de leden a.h.w. ondergaan kan worden zonder dat de ander dat kan begrijpen of kan volgen. Dat is ook een belangrijk punt. Men gaat op aarde nl. vaak van het standpunt uit: wanneer er een inwijding is, dan moet je dat kunnen zien. Nu, over het algemeen eerlijk gezegd niet. Het is zelfs de vraag of degene die wordt ingewijd dit zelf volledig beseft. Voor zo iemand verandert de wereld, hij gaat de dingen anders zien, zijn emotionele leven ondergaat enige wijzigingen en daarnaast zijn er bepaalde geestelijke invloeden, die een rol gaan spelen. Terwijl sommige dingen, die vroeger als geestelijk erg belangrijk werden ervaren, eigenlijk op de achtergrond komen. Maar of je het zelf weet? Ik geloof het niet eens. Je ziet het zeker niet bij een ander. Er is niets moeilijker dan te weten of een ander een bepaalde inwijding ondergaat, en zo ja, welke soort inwijding en welke graad, zoals het heet, bereikt wordt. Dat wil zeggen: hoe ver men met die inwijding gevorderd is. Ik zeg dit er maar even bij, omdat de meeste mensen denken: ach, die inwijdingen, dat moet je toch even kunnen zien. Neen, in tegendeel, het is vaak moeilijk, zelfs bij jezelf, om de inwijding te beseffen voordat zij een volledig voltooid feit is.

Nu kan een incarnatie een zekere geldingsdrang met zich meebrengen; bestaat deze drang, dan is het duidelijk, dat wij steun nodig hebben, want die geestelijke ontwikkeling heeft een zekere prikkel nodig. In dergelijke gevallen krijgen wij langs verschillende wegen b.v. naamsveranderingen of graadsveranderingen aangeduid. Hier is geen sprake van een feitelijk voltooid zijn van iets. Het is a.h.w. een aanmoedigingspremie, waarbij men zegt: “Kijk nu maar niet terug, maar je bent wel alvast zover gevorderd.” Ook hier bepaalt de relatie tussen de huidige incarnatie en de verschijnselen, van de inwijding zelf.

En daarmee kom ik langzamerhand aan het einde van de les, die – naar ik hoop – u niet alleen geïnteresseerd heeft, maar die u misschien ook mogelijkheden heeft gegeven om nu eens naar uzelf te kijken en u af te vragen of u misschien in deze incarnatie specifieke eigenschappen hebt, specifieke belevingen hebt doorgemaakt: een verandering van karakter, van aard b.v. En misschien dat u dan op grond daarvan kunt aannemen dat u een bepaald soort van inwijding doormaakt of kunt gaan doormaken. Het helpt u namelijk vaak bij elke bereiking, wanneer u weet waar uw mogelijkheden liggen. Wanneer u zoekt naar een hoog geestelijke inwijding terwijl uzelf sterk materieel gebonden bent, dan zult u altijd falen. Je hebt dan een inwijding nodig, waarin materiële elementen – om welke redenen dan ook – een rol spelen.

Wanneer je daarentegen niet geïnteresseerd bent in de materie en die eigenlijk als bijkomstig ervaart, zal elke inwijdingsweg, waarbij je sterk materiële bemoeiingen – van welke aard dan ook – noodzakelijk zijn, voor jou praktisch onbegaanbaar zijn. De mens die weet op welke wijze hij reageert en dus beseft in welke richting zijn eigen inwijdingsgang ligt, zal daardoor gemakkelijker vooruitkomen.

Dan een paar algemene regels t.a.v. inwijding:

Het is de mens nimmer mogelijk het geheel van zijn werkelijke persoonlijkheid, inclusief alle vorige incarnaties, te kennen. Wanneer kennis van een deel van die incarnaties of fragmenten daarvan optreedt, is dit meestal wel het gevolg van een bepaalde inwijdingsgang – aangenomen, dat het dus een reële herinnering is – maar deze herinnering is op zichzelf nimmer bepalend voor de incarnatie.

Degene, die inwijding zoekt, zal zichzelf moeten kennen; hij zal zichzelf moeten aanvaarden zoals hij is. Dit kan alleen bereikt worden, wanneer je begint met jezelf te aanvaarden zoals je materieel bent en functioneert; pas wanneer je je materiële ik met alle voor- en nadelen daarvan aanvaard hebt en bereid bent om daarmee te leven en te werken, kun je verdergaan naar de grotere innerlijke waarde. Voor inwijdingen, waarmee systemen gepaard gaan, zou ik u de volgende raad willen geven

Elk systeem is alleen voor zover dienstig als het bij u reële, innerlijke mogelijkheden ontplooit. Op het ogenblik dat een systeem, dat eens mogelijkheden had, niet meer blijkt te beantwoorden aan hetgeen nu uw werkelijk geestelijk behoeven is om verder te komen, wanneer een stilstand of een verdoofdheid optreedt, laat dan dat systeem rusten. U kunt het eventueel later altijd weer opvatten.

En dan voor degenen, die uit de geest bepaalde impulsen krijgen en/of contact hebben met geesten of met beschermers en dergelijke. Onthoud dat niet het contact met de geest zelf een inwijding is, maar wel datgene wat daardoor in u mogelijk wordt. Elke inwijding is het resultaat van een eigen streven en een innerlijke verandering van de ingewijde. Zonder dit geen ontplooiingsmogelijkheden, geen werkelijke inwijding.

En voordat u het zult vergeten: bedenk, dat inwijding in zichzelf nooit in uiterlijke gaven tot uiting behoeft te komen. Wanneer dit geschiedt, zijn de gaven een neveneffect van de inwijding, nimmer een daarvoor noodzakelijk iets. Streef daarom niet in de eerste plaats naar de ontplooiing van de begaafdheden, maar laat deze zich langzaam ontplooien, terwijl u innerlijk verdergaat. Dit geeft u de beste mogelijkheden.

Gegevens omtrent inwijdingen

Wanneer wij een inwijding ondergaan, dan weten wij dit meestal pas op het ogenblik dat die inwijding is afgelopen. Want in de moderne tijd is er geen mogelijkheid meer om de inwijding werkelijk in volledige afgeslotenheid door te maken. Nu zal menigeen zich afvragen waarom in het verleden de inwijding een dermate ander en exclusief karakter had.

Wel, in het verleden werden de inwijdingen grotendeels gegeven onder de directe invloed van stoffelijke meesters en waren de geestelijke organisaties dermate machtig dat zij in staat waren alle voor de inwijding noodzakelijke maatregelen te treffen. Om u een paar kleine voorbeelden te geven:

Voor de Egyptische inwijdingen werden maar liefst 5 verschillende kloosters, een watertempel en een piramide gebouwd. In deze tijd is dat niet doenlijk meer. Een ander voorbeeld:

In de periode van de Grieken werden maar liefst 130 verschillende heiligdommen voor inwijdingen gebruikt, waarvan een drietal voor meer openlijke, lagere inwijdingen, één voor de z.g. spel-inwijding, waarbij esoterische verhalen werden uitgebeeld en daarnaast gemeenschappelijke acties werden ondernomen en een z.g. weg, waarbij men een aantal van deze heiligdommen aandeed en in elk daarvan enige tijd lering ondervond.

Dit is in deze tijd eenvoudig niet mogelijk. Het zal u ook duidelijk zijn, dat de meer stoffelijke aspecten, ook met het toenemend aantal mensen, plaats moesten maken voor meer geestelijke facetten. Het resultaat is dat minder dan in oude tijden degene die als neofiet -een inwijding zoekt, in kan gaan tot een bepaalde tempel, tot een bepaalde beslotenheid. Integendeel, hij blijft in het volle leven staan en de waarden die eens in alle rust en afzonderlijk verwerkt konden worden, worden nu in het kader van het dagelijkse leven a.h.w. aangevoerd.

Wel blijkt dat eenieder die een inwijding ondergaat, perioden van verstilling en rust kent, daarnaast bepaalde perioden van z.g. mystiek beleven of mystiek contact. Dat kan dus zijn een aantal mystieke of kerkelijke belevingen, al dan niet ritueel. Het kan zijn een zich afzonderen in stilte, waarbij meditatieve processen een grote rol spelen. Het kan ook zijn, contact met de “Eeuwige”, hetzij direct, hetzij via mediamieke wegen, hetzij contacten met de geest, eveneens onmiddellijk of via mediamieke weg. In al deze gevallen is de periode, waarin de kracht bewust ervaren of verwerkt kan worden, betrekkelijk klein. Dit betekent dat die kracht in verhouding tot vroeger aanmerkelijk feller moet doorwerken. De grote doorslagkracht die de inwijding in deze korte ogenblikken bezit, houdt weer in dat een groot gedeelte daarvan niet door het bewustzijn verwerkt wordt.

Vroeger werden inwijdingen voor het merendeel op bewust vlak doorgemaakt. In deze tijd maakt men slechts een zeer beperkt deel bewust door, terwijl een groot gedeelte daarvan in feite naar het onderbewustzijn wordt overgebracht. Degene die de inwijding ondergaat, begint dan te dromen, hij begint onverwachte associaties te vertonen. Maar is zich er niet van bewust dat dit alleen de uitwerking is van die korte, mystieke beleving van misschien een jaar geleden. Op het ogenblik dat een bepaalde inwijdingskracht is uitgewerkt, ontstaat een leegte, een zoeken en daarbij ook weer de noodzaak tot innerlijke verstilling, tot confrontatie met jezelf. Deze wordt dan weer gevolgd door een beleving, die sterkere innerlijke waarden heeft, grote emotionele waarden en hierbij zien wij dan opnieuw deze vonk overslaan.

Het zal u duidelijk zijn dat de inwijding in deze tijd zich sterk moet onderscheiden van het verleden. Het zal u eveneens duidelijk zijn dat een groot gedeelte van de inwijdingskrachten nu a.h.w. in de mens zelf worden vastgelegd, terwijl ze vroeger hem langzaam van buitenaf werden toegevoegd.

Wat betekenen deze inwijdingen dan in termen van beleven?

Menigeen veronderstelt: wanneer ik ingewijd word, dan zal ik mij vrijer, blijer en sterker gevoelen. Dit is niet waar. In deze tijd zeker niet. Er is geen sprake van onthulling van geheimen, er is slechts sprake van een schokkende beleving, gepaard gaande meestal met een sterke ommekeer in het persoonlijk bestaan. Dit wordt gekenmerkt door verandering van de contacten met mensen; verandering in stoffelijke omstandigheden en vooral vaak ook in eigen bestrevingen. Vreemd genoeg worden in grote delen van deze wereld voltooide inwijdingsfasen gekenmerkt door een verandering van woonplaats, deze kan soms betrekkelijk klein zijn, maar houdt toch meestal wel in dat men zich in een geheel nieuwe gemeenschap gaat bewegen.

De inwijding in zijn beginfase is over het algemeen het prettigst en het gemakkelijkst te dragen. Hier krijgen wij te maken met kleine openbaringen, een gevoel van grote zekerheid, een gevoel zelfs van gedrevenheid soms. Wij hebben een doel in het leven en wij menen te weten, waar Abraham de hogere kracht heeft gehaald. Maar op het ogenblik dat wij verdergaan vertroebelt dit, want in de eerste fase hebben wij enorm veel belang leren hechten aan nevenverschijnselen. Gevoeligheden die bestonden, verdwijnen langzaam, omdat zij niet essentieel zijn voor de werkelijke bewustwording. Maar de mens hangt uiterlijk juist aan dit verschijnsel. Hij ondergaat vaak de verdergaande inwijding als een soort teleurstelling, een ontbreken van datgene, wat hij voordien bezat.

In de tweede fase verandert dat zeer sterk, meestal ook het karakter. De wijze waarop men de mensen benadert, is nieuw. Men ziet de problemen én de mensen anders. En in deze fase maakt men zich vaak enorme illusies. Men verplaatst zijn begrip van belangrijkheid naar de buitenwereld en meent voor de wereld veel te kunnen zijn of betekenen. Ook hier volgen de teleurstellingen, omdat de mens deze illusies eerst moet verliezen voordat hij de verworven krachten in zichzelf juist gebruikt.

De derde fase kenmerkt zich door een leven op twee verschillende basissen. Namelijk een geestelijk leven, dat zich vaak in de rustperioden afspeelt en waarbij uittredingen veel voorkomen, telepathische contacten en rapport met anderen normaal zijn en waarin men verder -en dat is misschien wel zeer belangrijk – ook het gevoel heeft lering te ontvangen vaak in een tempelachtige omgeving, soms in een tuin, altijd in een andere wereld. In deze fase is men geneigd om aan al deze contacten en mogelijkheden enorm veel waarde te hechten. Men voelt dit als een beheersing, als de mogelijkheid zijn eigen kracht a.h.w. over de wereld uit te zaaien. Maar ook hieraan komt langzaam een einde. Er is een verstilling. De contacten, de uittredingen nemen wat af. Men heeft het gevoel dat het anders ligt. In de plaats daarvan komen momenten van het gevoel van enorme kracht en enorme verlichting en enorm inzicht, gelijktijdig echter ook: gevoelens van verlatenheid en van enorme verwachting. Die verwachting wordt over het algemeen steeds weer beschaamd (dat moet ik er bij zeggen).

Heeft men deze fase doorleefd, dan blijkt dat de nieuwe verandering eveneens vaak weer gepaard gaande met verandering van plaats en verandering van milieu of verandering van werkwijze en taak, de mens opnieuw confronteert met geestelijke contacten. De uittredingen zijn daarbij in de minderheid en de belangstelling die men voor de geest heeft in deze fase, is over het algemeen er één van leraarschap. In deze fase zullen velen die uittreden, geesten helpen die in moeilijkheden zijn; zij assisteren zelfs vaak bij de overgang van anderen, en dit terwijl zijzelf nog in de materie leven.

Wanneer je in deze fase leert om langzaam maar zeker ook de oude kwaliteiten en eigenschappen te herwinnen zowel iets van de terugkeer van de gaven, die je in het begin hebt bezeten, als daarnaast een vrijer je bewegen in de sferen, ontstaat de gebondenheid met leermeesters, dus de erkenning van verbondenheden die het stoffelijke en geestelijke leven omvatten. Er kan in deze fase gesproken worden van “bewust deel zijn van een kring”. Een kring van entiteiten. Deze fase komt ten einde. Men heeft het gevoel, dat men alles moet achterlaten, dat men toch een nieuwe weg moet gaan.

Er komen enorme innerlijke belevingen, echter gepaard gaande met enorm grote spanningen. Emotionele oproer is in deze periode bijna niet te vermijden. Vele mensen, die daarvoor ook maar enige aanleg hebben, vertonen juist in deze periode enorme drift. Zij zijn niet meer in staat om hun relatie met de wereld volledig juist te beoordelen, omdat hun eigen visie op de wereld sterk is veranderd. Zij zien dit in doelmatigheden, die zij stoffelijk vertalen zonder te begrijpen dat de geestelijke doelmatigheid van de groep, waartoe zij nu bewuster zijn gaan behoren, de boventoon dient te voeren. In deze fase zou de mens over het algemeen iets nieuws willen bouwen. Maar hij kan dit niet alleen meer doen in zuiver materiële vorm, hij probeert daarom spirituele waarden en inzichten om te zetten in materiele. Hierin slaagt hij vaak zeer behoorlijk.

De belangstelling die in het verleden nog vaak heeft bestaan voor de toekomst, verzwakt enigszins. Wel heeft men nog de neiging zich op bepaalde streefdata te oriënteren, maar ook dit verdwijnt langzamerhand. Daarvoor in de plaats komt een innerlijke gloed, die de eigen geestelijke krachten voor anderen steeds meer kenbaar maakt. De neiging die men altijd heeft als neofiet om sterk anderen te beïnvloeden neemt eveneens af. De houding wordt meer afwachtend. In deze periode beseft men geestelijke contacten, maar de uittredingen hebben vaak iets vormloos. Symbolen en symbooldromen spelen in deze periode een rol; altijd echter weer gevoelens van enorm verfrist zijn en daardoor in staat te zijn om alle lasten te dragen, onverschillig welke.

In deze periode ontdekt de mens vaak een eigen sleutel, een soort krachtwoord of krachtbeeld (symbool), waarmede hij toegang krijgt tot het terrein van het licht, dat hij in zijn dromen enkele malen heeft ontmoet. Aan het einde van deze fase heeft de mens een zodanig telepathisch rapport met zijn omgeving opgebouwd, dat hij in staat is de mensen te zien zoals zij zijn, maar gelijktijdig kent hij ook hun beweegredenen. Hij heeft inzicht in het verloop in de natuur en kan dit vaak – zij het beperkt – beïnvloeden, Uitermate evenwichtig bouwt hij zijn milieu op, uitermate evenwichtig zoekt hij nu een formulering voor zijn innerlijke waarheden. Er volgt een periode van stilstand.

De daaropvolgende fase brengt wederom enkele veranderingen die – vreemd genoeg – niet de emotionaliteit bezitten, die wij in vorige fasen hebben gekend. Het is alsof alles serener en rustiger is en altijd blijft er iets van een afwachting zweven zonder dat men weet waarop men wacht. In deze periode ontmoet men soms materieel, maar meestal vanuit de geest, plotseling zeer treffende beelden, zeer treffende invloeden, die het eigen wezen schijnen te omschrijven. Men beseft niet dat dit persoonlijke interpretaties zijn, maar wordt hierdoor zo sterk op zijn oorspronkelijk ik gericht, dat de ontleding van dit ik nu mogelijk wordt. De historie van het ik door alle incarnaties en eeuwen heen wordt sterker kenbaar. Détails worden meer en meer verwaarloosd, men herkent de hoofdlijn van eigen bestrevingen en veelal ook de band met bepaalde heren van licht en kracht. Wanneer deze verbinding bereikt is, zal geen terugval meer mogelijk zijn.

Na deze periode van rust en verstilling ontstaat dus een ontwikkeling die culmineert in een continu contact met de kracht. Men is in deze fase adeptus minor, men is dus kleinere ingewijde.

In de volgende fasen, die ik u niet afzonderlijk en volledig zal beschrijven, ontstaat een steeds sterker invoelen in natuurkrachten, zowel als geestelijke krachten, gepaard gaande met een toenemende beheersing daarvan. Het ik leert zich verplaatsen in het andere en laat het andere meer bewust en volledig deel zijn van zichzelf, zonder het te willen domineren of aan zichzelf aan te passen. Er ontstaat een vorm van harmonie, waardoor het eigen oordeel milder is geworden. Maar gelijktijdig tegen het onaanvaardbare – het voor het ik onaanvaardbare -veel sterker dan eerst stelling wordt genomen. De acties naar buiten toe zijn voor de mens bijna ongelooflijk consequent. Gelijktijdig moet worden gezegd: dat de innerlijke acties een zodanige continuïteit bezitten, dat alle eventuele onaangename gevolgen van de stoffelijke inconsequenties en consequenties van eigen daden het ik niet werkelijk meer beroeren. Er is sprake van een beginnend meesterschap dat zich in fase na fase uitbreidt totdat op den duur het ik in staat is meerdere sferen gelijktijdig te beleven en gelijktijdig daarin contacten op te bouwen zowel als krachten vandaar (van deze sferen uit) uit te stralen.

Het einde van deze inwijdingen, waarbij men dus adeptus major (groot-ingewijde) is, gaat gepaard met het besef van taak. Zodra dit volledig omschreven taakbesef is ontstaan, wordt al het andere daaraan opgeofferd. Indien deze inwijding tijdens een stoffelijk leven wordt behaald, kan worden gesteld dat de persoon het geheel van zijn leefwijze, zijn denkwijze, zijn actie verandert en in vele gevallen vanuit maatschappelijk standpunt – losgeslagen is. Omdat hij zich tot de taak beperkt en geen rekening meer houdt met bijkomstigheden. In deze periode zal de adept eveneens beginnen zijn eigen ervaring, kennis en lering aan anderen over te dragen. De wijze, waarop dit geschiedt, kan geheel verschillend zijn. Zij loopt van de meer profetische wijze, tot de volledig bewuste, beperkte inwijding van één of meer gekozen leerlingen. In alle gevallen heeft voor de gewone mens deze overdracht magische elementen en men leert in die tijd niet alleen maar waarden van bewustzijn aan anderen, maar gelijktijdig ook waarden van manipulering en hantering van natuurkrachten. Wanneer deze fase eveneens voltooid is, moet worden gesteld dat de ingewijde niet meer op aarde behoeft te incarneren. Dat hij – zo hij op aarde incarneert – dit alleen zal doen binnen het kader van een bepaalde taak en dat hij daarnaast de mogelijkheid bezit om zich voor kortere perioden stoffelijke voertuigen aan te meten, waarmede hij zich op aarde kan bewegen.

In deze korte samenvatting, van wat ook in de moderne inwijding mogelijk is, zult u het herkenningselement voor een gedeelte zien ontbreken. Ik heb hier bepaalde dingen aangestipt die uzelf in uw wereld niet ziet of weet. Toch zijn er ingewijden, zelfs ingewijden met een voor korte tijd vervaardigd lichaam, die tussen de mensen rondgaan. Maar de ingewijde zal – zeker in deze periode – niet proberen om de menigte op zich attent te maken. Integendeel hij gaat – zoals de legenden ook over de oude goden vertellen – a.h.w. in vermomming rond. Hij past zichzelf aan, aan datgene wat hij wezenlijk tot stand wil brengen. Hij beperkt mogelijkheden die anderen misschien gaarne zouden zien ontplooien. Hij is een voorbijganger, die voortdurend stimuleert en die achter zich reeksen vragen openlaat. Het zal u duidelijk zijn dat een dergelijke figuur door de wereld van vandaag niet gemakkelijk wordt aanvaard. Ook de geboren ingewijde, die dus een incarnatie aan een taak heeft gewijd, zal in deze periode nog veel minder dan in het verleden openlijk als leraar kunnen optreden.

Het zal steeds weer gaan om betrekkelijk kleine groeperingen en de beïnvloeding geschiedt eerder door “denkbeelden uit te zaaien”; die zich overal kunnen voortplanten in de gedachten der mensen, dan door het geven van directe inzichten en het direct benaderen van grotere groepen. Ook dit zal men waarschijnlijk in deze tijd graag anders zien. Men zou graag een grote meester zien, die de wereld rond zich verzamelt om haar de nieuwe leer er de nieuwe waarheid te vertellen. Maar die mogelijkheid bestaat niet, want elke ingewijde weet dat een langzame verandering van evenwicht voor de wereld gunstig kan zijn. Terwijl eenzelfde verandering van evenwicht in te korte tijd tot stand gebracht, alleen bloed, lijden en ellende brengt, zonder dat er een werkelijke geestelijk vooruitgang tegenover staat. De lagere ingewijden in uw dagen zijn degenen die zich gaarne manifesteren. Zij doen dit vaak met een enorm besef van eigen waardigheid. Maar zij vergeten daarbij, dat juist dit het kenteken is van hun onvolkomen inwijding, want de harmonie kan alleen gediend worden door het inpassen van het ego in een totaliteit. Er is a.h.w.  ook geestelijk sprake van een soort ecologie, een evenwicht dat bewaard moet blijven, omdat alleen op die wijze een goede bewustwordingsmogelijkheid in stand kan worden gehouden. Wanneer een adeptus minor probeert om die te verstoren, roept hij uit de aard der zaak hogere klachten tegen zich in het geweer. Die proberen duidelijk te maken, dat dit niet aanvaardbaar is en die een groot gedeelte van zijn pogen tenslotte frustreren. De aanvaarding daarvan – ik heb het een en ander daarover reeds gezegd – is een van de grote zelfoverwinningen die noodzakelijk zijn. Voor degenen die pas aan een inwijding beginnen: zij denken veelal, dat zij belangrijk zijn, een gevoel van eigen belangrijkheid en eigen ontwikkeling en wijsheid brengt hen ertoe anderen agressief terecht te wijzen. Zij proberen anderen duidelijk te maken, dat zij met hun oordeel en met hun mening alle respect waardig zijn. Zij vergeten daarbij dat zij dit alleen doen door een onvolkomen besef van de wereld, van hun eigen mogelijkheden. Ook deze figuren werden niet direct als ingewijden opgemerkt.

Rest mij nog een opmerking te maken over degenen die zich – om welke redenen en hoe dan ook – aan de wereld tonen als ingewijden. Onder deze zijn er maar zeer weinigen, die enige werkelijke inwijding bezitten. De meesten van hen zijn theoretici die bepaalde geheimen geformuleerd hebben, niet ontsluierd, en deze formulering beschouwen als een goddelijke gave, waardoor zij zich boven de menigte verheffen. “Hij, die zich verheft boven anderen, is een dwaas”, “Hij, die opgaande in anderen met hen zijn besef en bewustzijn deelt, is de werkelijke wijze”.

Ik hoop u met dit korte betoog een inzicht te hebben gegeven in de inwijdingen zoals zij in deze dagen bestaan en ik hoop, dat u daarmee tevens een oplossing hebt voor de bij velen bestaande vraag, waarom de oude inwijdingen in deze dager niet zo sterk meer naar voren treden, ja, langzaam maar zeker vergeten worden of in een schematische opzet van een inwijdingsbeweging weinig resultaten geven, nog een wat langzaam en afstervend leven voeren.

Het zal u duidelijk zijn: Inwijding in deze dagen is een persoonlijke zaak. Inwijding in deze dagen bestaat niet in het gaan naar de plaats waar de inwijdingsmogelijkheid bestaat, maar door het je afstellen op de kracht die inwerkt. De plaats wordt dan als vanzelf bepaald daar waar je bent.

Inwijding

Hij, die klimt en terugkijkt, weet hoever hij is gestegen; wordt duizelig en valt. Hij, die verder klimt en boven zich de rotswand ziet, meent steeds dat hij de klim niet halen zal, maar gestaag gaat hij verder tot hij tenslotte de top betreedt. Zo is het met de inwijding.

Hij, die terugziet naar datgene wat hij is geweest en achter zich heeft gelaten, loopt gevaar te vallen. Hij, die gestaag en voortdurend verder werkt, zodat steeds weer zijn innerlijk besef, zijn krachten op hoger niveau staan, hij zal de top benaderen, ook al weet hij niet hoever hij is gestegen.

Een eeuwige kracht heeft gedecreteerd, dat wij eens allen met deze kracht harmonisch zullen zijn en in deze kracht kunnen opgaan. De wijze, waarop dit benaderd wordt, noemen wij “inwijding”. Dan is inwijding het resultaat van een pogen dat ons ingeschapen is, een pogen dat wij eens zullen moeten voleinden, willen wij leven.

Dit beseffende dienen wij niet te zoeken naar een inwijding die ons verhoogt boven anderen, maar dienen wij te zoeken naar de mogelijkheid om steeds verder te gaan, totdat wij de harmonieën van het leven zelf verstaan.

En zelfs dan moeten wij verdergaan, de obstakels overwinnen die wij vinden op onze weg, opdat wij de volledige harmonie met het Al mogen bereiken die het einddoel is van onze tocht door het leven.