Relaties met de tijd

8 maart 1982

Inleiding

Vanavond hebben we een gastspreker, iemand met magische neigingen. Hij is Engels van origine, leefde tot 1824. Zijn werkwijze was filosofisch. Hij was o.a. sterk geïnteresseerd in het werk van Francis Bacon en nog anderen.

Eén van zijn grote liefhebberijen is profetie geweest. Hij heeft zich beziggehouden met het voorspellen van alles wat er niet en wat er wel gebeurde. Ik denk dat het grootste gedeelte van zijn betoog wel zal samenhangen met de tijd. Precies weet ik het ook niet, dat merkt u wel. Voorlopig ben ik aan het woord en heb ik nog even de tijd, dus zullen we proberen om het een en ander te zeggen over onze eigen relatie met de tijd.

U leeft. Wat is uw leven? Wie kan bepalen wat leven eigenlijk is? We kunnen delen ervan bepalen. We kunnen zeggen: het is een functie van het lichaam zolang er hersenactiviteit is. We kunnen zeggen leven is ervaren. We kunnen teruggaan naar het oude: ik denk, dus ik besta. Maar wie kan precies zeggen wat leven is? Dat is erg moeilijk.

Er zijn ook veel mensen die geen leven hebben, tenminste dat zeggen ze. En daar maken ze zoveel leven over, dat je aanneemt dat er toch wel iets over moet zijn.

Dus laten wij proberen een paar punten aan te geven, die redelijk aanvaardbaar zijn en die volgens mij gelijktijdig toch een beetje liggen in de richting van onze gastspreker. Laten we eens veronderstellen dat tijd niet bestaat. Dat tijd gewoon een functie is die in de ruimte kan optreden, maar die feitelijk niet beperkend of bepalend kan zijn voor een bewustzijn. Dat is tamelijk simpel, nietwaar. Er zijn natuurlijk mensen die zeggen: “Dat kun je wel veronderstellen, maar ik heb geen tijd om er naar te luisteren.” Maar ook hier ligt dan weer de bekende dimensie ‘tijd’.

Dimensies zijn mooie woorden ofwel afmetingen die wij daar gebruiken, waar wij met het onverklaarbare worden geconfronteerd of niet in staat zijn om alles binnen het kader van de bekende afmetingen onder te brengen.

Stel dat tijd dus in feite een beweging is in ruimte. Dan kan nooit gezegd worden, dat leven het gaan van moment naar moment is. Integendeel, dan vormen alle momenten samen alleen maar een reeks punten die een lijn vormen en die lijn is dan leven. Dan kun je dat weer vereenvoudigen en zeg je: werkelijk leven is het geheel der ervaringen ongedeeld en ongescheiden als eenheid geconstateerd.

Als je het zo bekijkt leef je eigenlijk nog niet goed. Misschien dat daardoor duidelijk wordt waarom zo veel mensen naar bewustwording en bewustzijn streven. Ze hebben zelf wel het gevoel, dat er iets niet helemaal deugt met de wijze waarop zij in het leven staan. Dat kan zijn. Maar wanneer er een vaste lijn is, dan is er een predestinatie, dat is duidelijk. Als er geen vaste lijn is, is er geen predestinatie, ook dat is evident.

Wij leren altijd dat wij een vrije wil hebben. Ook in de geest ontdekken we steeds weer, dat vrije wil erg belangrijk is en wij houden ons voortdurend bezig juist met het beschermen van de vrijheid van de mens om zelf te zijn, zelf te doen. Dus een vaste lijn is er kennelijk niet.

Wat is er dan wel? Men neemt aan, dat de tijd niet alleen maar onze belevingen omvat, maar het geheel van onze mogelijkheden. Dan wordt het een beetje begrijpelijker, want je hoeft niet alle mogelijkheden waar te maken.

Het keuze-element ligt dus binnen het gehele kader dat ons bestaan betekent. Dan zitten wij ineens ook veel dichter bij bepaalde esoterische beschouwingen. U kent die wel: je innerlijk is als een groot park; we vinden er een oerwoud met verscheurende dieren; we vinden er dit, we vinden er dat.

Nu is die beschrijving op zich wel een beetje curieus, maar als wij kijken naar de mogelijkheden en niet alleen naar datgene, wat wij daarvan voor onszelf waarmaken, dan is dat beeld eigenlijk niet eens zo gek. Dan hebben wij werkelijk een zeer groot gebied waarbinnen wij ons kunnen bewegen. De beweging binnen dit gebied is onze vrije wil, onze vrijheid. Het gebied in zichzelf – beperkt door hetgeen wij zijn, de straal waartoe wij behoren enz. – is dan onze voorbestemming.

Dan wordt ook duidelijk, dat tijd eigenlijk niet meer betekend dat je buiten jezelf veranderingen doormaakt, al denken de meeste mensen dat. Het is gewoon de kwestie van in jezelf veranderingen doormaken. Op het ogenblik dat ik mijn wereldvisie verander, al is het maar één detail daarvan, is er voor mij tijd verstreken. Dan is tijd voor ons in de eerste plaats een functie van bewustzijn en niet alleen maar een buiten ons bestaande en ons dwingende waarde.

Maar als ik voor mijzelf, dit wezen met zijn mogelijkheden dat ik ben, omschrijf als ‘het leven’ en mijn bewegen daarin als ‘de tijd”, dan moet ik mij ook realiseren, dat de mogelijkheden die voor mij bestaan voor een ander ook aanwezig zijn. Ik heb dus een groot aantal punten binnen de mogelijkheid van bestaan gemeen met anderen.

Hierdoor is het mogelijk vanuit een dergelijk raakpunt een beeld te krijgen van de mogelijkheden die in een ander bestaan. Mijn beeld van mogelijkheden kan dus groter zijn dan mijn eigen kans om deze te verwerkelijken.

Wij gaan nog een stapje verder, dan moet het mogelijk zijn te zien welke mogelijkheden een ander realiseert. Op grond van de weg die hij binnen zijn mogelijkheden gekozen heeft, kan hij komen tot een predictie voor de verdere mogelijkheden die hij op zijn weg ontmoet. Aangezien hij op een bepaalde wijze kiest en zich beweegt zal datgene, wat ik als mogelijkheid noem gelijktijdig waarschijnlijkheid zijn voor zover het zijn beleven betreft.

Een profeet zou dan iemand zijn, die op een punt terecht komt waarbij hij zo veel van de mogelijkheden en waarschijnlijkheden die in anderen liggen kan voorzien, dat hij op grond daarvan plus zijn eigen veronderstelde mogelijkheid komt tot een beeld dat voor zeer velen ongeveer gelijk zal zijn.

Zo’n persoon krijgen we vanavond op visite. Wanneer zo iemand een profeet is en hij is een werkelijke profeet, dan kan dat alleen bestaan doordat een groot deel van de toekomstige mogelijkheden te overzien zijn. Uit het geheel van deze mogelijkheden plus de keuze, die door een aantal personen uit die mogelijkheden gemaakt worden, is een waarschijnlijkheid af te leiden voor een toekomstige gebeurtenis. Als wij dat doen hebben wij eigenlijk de tijd uitgeschakeld.

Laten wij eens wat bekends nemen. Nostradamus leefde in een tijd dat er geen vliegtuigen waren, maar hij beschrijft vliegtuigen. Het geluid dat hij daarbij beschrijft doet je onwillekeurig denken aan de aanval van bv. stuka’s in de eerste oorlogsdagen. Hoe kan die man daarachter komen; hoe kan hij dat zien? Hij kan nooit met zekerheid zeggen dat het er is, maar het is een zo grote waarschijnlijkheid, dat het voor hem op dat ogenblik echt wordt.

Hij stapt buiten de tijd, d.w.z. zijn persoonlijke tijd en dat kan hij alleen doen, wanneer hij op een bepaald punt terechtkomt. Dan zeggen wij: dat is emotioneel en dat is geestelijk. Maar het is eigenlijk het geheel van zijn bestaan, dat moet op een punt terechtkomen, waardoor zijn eigen beleven voor een groot gedeelte wordt uitgeschakeld. Daarvoor in de plaats komt een erkennen van mogelijkheden elders.

Als iemand zolang geleden kon vertellen over de Dikke Bertha, over de Stuka, zelfs over de atoombom enz., dan moet je zeggen: die dingen moeten al bestaan hebben in zijn tijd, alleen waren ze nog niet echt. Maar was het nu ook zeker dat ze kwamen? Ik weet dat de uitleggers van honderdtallen van gedichtjes zeggen: ja, dat is zeker. Maar als wij het goed bekijken moeten wij veel gedichtjes heel erg aanpassen om ook maar een heel klein beetje in de buurt te komen van de werkelijkheid. We zijn geneigd om naar de gekende feiten toe te werken. Met andere woorden: de profeet beleeft enkele werkelijkheden, maar degenen die proberen ze te interpreteren, doen dat weer op grond van hun eigen beleefde werkelijkheid. Dientengevolge ontstaan er heel grote discrepanties tussen datgene, wat de profeet op zijn standpunt binnen dat geheel beleefde en datgene, wat anderen denken dat hij bedoeld heeft.

We weten dat we vanavond een profeet krijgen en als je met een profeet te maken krijgt zal hij over het algemeen geneigd zijn te profeteren. Ik geef toe, veel profeten zijn er niet. Profeteren gebeurt niet zo veel meer. Er zijn wel veel profiteurs. Wanneer je voorspelt, wanneer je een profeet bent spreek je niet over een onveranderlijke toekomst. Je spreekt over iets wat bestaat in het geheel van de mogelijkheden waarbinnen wij leven. Wij zeggen niet dat het zich zal ontwikkelen. Het bestaat omdat het verleden, het heden en de toekomst gelijktijdig binnen die tijd bestaan en van elkaar niet anders te onderscheiden zijn dan door het standpunt dat wij toevallig innemen.

Daar zitten we dan mee. Nu dachten jullie dat er een beetje tijd was voor geestelijke lering en ik zit jullie te vertellen dat je in de eeuwigheid bent.

Maar misschien hebben wij de waan van de tijd wel nodig omdat wij gewoon niet in staat zijn om alles ongesorteerd te verwerken. Het is net of je tegen iemand zegt: “Hier heb je een filmrol, kijk even, dan zie je de film.” Dat is natuurlijk onzin. Je moet beeldje voor beeldje zien wil je de inhoud precies kennen.

Toch moet er ergens iemand zijn, of misschien een computer, die gewoon alles aftast en uit de kleine verschillen per beeldje een overzicht krijgt van de totale verhandeling. Hij geniet dan natuurlijk de film als zodanig niet, maar hij weet wat de inhoud is. Ik denk dat wij eigenlijk in datzelfde pak zitten. Wij zouden alles moeten kunnen verwerken, maar dat kunnen we niet. En omdat wij het niet kunnen hebben wij ons aangewend elke verandering als een afzonderlijk moment te registreren en dat is het natuurlijk niet.

Wanneer je een zaadje ziet, dan heb je de plant en het volgende zaad meteen in je handen. Met dat ene zaadje want dat is de mogelijkheid. Als je het wilt planten is dat ook nog een waarschijnlijkheid. Dan kun je dus zeggen: een zaadje is misschien een hele reeks van plantengeslachten, maar wat ik zie is alleen maar een beginsel.

Wanneer wij eens een keer over ons tijdsbeleven – want wij hebben er in de geest ook last van hoor, het is een algemene ziekte – proberen te vertellen wat ze is, moeten wij zeggen: voor ons is elk ogenblik dat wij ons bewust zijn niet meer of minder dan zo’n zaadje. We hebben de eeuwigheid in onze handen, maar wij kunnen die alleen beseffen, wanneer zij zich voor onze ogen deel voor deel ontwikkelt.

Al die voorspellingen zijn op zich niet onmogelijk. Maar de waarschijnlijkheid ligt niet in het mogelijk zijn, het bestaan van al deze waarden, ze ligt in het feit dat zij door de mensen als werkelijkheid worden ervaren. Dan wordt het een beetje anders. Want de meeste mensen maken zich ontzettend druk over niets, dat weet u misschien. Dat zijn mensen die willen altijd meer, altijd beter, altijd sneller en altijd hoger. Ze zijn al naar de maan gegaan en nu zitten ze op de rest van de wereld te wachten.

Laten we ons afvragen of we daar eigenlijk een reden voor hebben. Wanneer je van ogenblik tot ogenblik leeft, dan word je je misschien iets beter bewust van de keuze die je kunt maken. Maar als je vandaag probeert te kiezen voor overmorgen dan maak je een keuze, terwijl je niet weet of de mogelijkheid bestaat. Begrijpt u waar het om gaat? Het wezen van de tijd is voor ons, dat er een continuïteit is in onze belevingen. Op het ogenblik dat wij daarin met ons denken, met onze verwachtingspatronen huppelsprongetjes gaan maken, komen wij terecht op punten van mogelijkheid, die niet stroken met onze keuze beleefbare werkelijkheid. Want als je het zo bekijkt is alle streven eigenlijk ergens toch wel een klein tikkeltje overdreven.

Je bent iemand geworden als mens. Je hebt een bepaalde functie, je hebt bepaalde verplichtingen ten aanzien van anderen en je hebt ook nog bepaalde dingen die je misschien waar wil maken. Maar als je dat nu altijd in de toekomst projecteert kom je nergens terecht.

Dat is net zoals de vermindering van de Nederlandse staatsschuld. U zult het niet geloven, maar west u, dat ze daar vanaf 1932 mee bezig zijn? Sindsdien is ze alleen maar opgelopen. Hoe komt dat? Omdat men steeds probeert te zorgen voor het jaar 2000 en vergeet te zorgen voor het jaar 1980, 1981, 1982 enz. Dat is een heel normaal verschijnsel, dat kunt u overal zien.

Als je dat zegt over staatslieden enz. dan zeggen zeg je hebt wel gelijk, we moeten natuurlijk wel een paar voorzorgen treffen en een beetje vooruit zien, maar we moeten toch eigenlijk eerst de problemen oplossen die er liggen, voor we verder kunnen gaan.

Zeg dat tegen die mensen en het blijkt, dat zij dezelfde dwaasheid maken wanneer ze in het tijdsgeheel van hun eigen leven bezig zijn. Ze zijn niet bezig met wat er vandaag nodig is, nee, ze zijn bezig met wat er over 10 weken misschien gedaan zou moeten worden.

Op die manier loopt het mis, dat moet u begrijpen. Want de tijd is een geheel. Maar wij kunnen door ons beleven maar een beperkt deel van onze mogelijkheden waarmaken. Onze grote fout is, dat wij in de toekomst altijd denken dat wij 3 of 4 van die mogelijkheden bijna gelijktijdig kunnen waarmaken.

Kent u dat verhaal van dat kleine jongetje? Ik zeg tegen dat jongetje: “Wat wil jij later worden?” Zegt hij: “O, ik word de Paus, dan trouw ik met Marilyn Monroe (die leefde toen nog) en dan laat ik mij verkiezen tot President van de Verenigde Staten.” Elk van die dingen afzonderlijk was weliswaar niet waarschijnlijk maar toch mogelijk. Maar de 3 bij elkaar waren onmogelijk, dat voelt u wel.

Wat ik daarmee wil zeggen is: dat wij geneigd zijn een aantal keuzen gelijktijdig te maken, die met elkaar in tegenspraak zijn, daar wij doodgewoon niet beseffen, dat al de tijd waarmee we bezig zijn en met de ontwikkelingen die wij zo doormaken en de moeilijkheden waar wij zo ontzettend mee zitten te worstelen, één geheel zijn waarbinnen wij ons bewegen. Zo komende tot een tijdsbeleven en een tijdservaren zullen wij onszelf eigenlijk proberen te delen. Wij proberen onszelf te splitsen. Het ene deel wil Paus worden, het andere deel is al bezig om te kijken of Marilyn Monroe nog niet ergens herboren is en het laatste deel is al bezig met een verkiezingscampagne ofschoon die nog niet eens Amerikaan is.

Zo moet je met jezelf wel in conflict komen, maar ook met je werkelijkheid en je werkelijkheidsbesef. Want het is natuurlijk heel leuk om te zeggen: mensen, jullie zijn allemaal eeuwig, de eeuwigheid is jullie werkelijkheid en de tijd is de illusie die er uit voortvloeit. Maar u leeft nu eenmaal met de tijd. Probeer nu eens even reëel te denken. Alles wat je nu bent, ben je geworden door je eigen besef. Kunt u een ogenblik aanwijzen in dat verleden, waarbij u radicaal een andere kant op had kunnen gaan? Sommige mensen doen dat wel. Vooral als de man niet goed verdient en de vrouw zegt: “Weet je wel dat ik vroeger met die en die had kunnen trouwen, die is nu miljonair.” Of de man die dergelijke opmerkingen heeft. Dat is natuurlijk een illusiespel.

Maar als we helemaal eerlijk zijn, konden wij in dat verleden anders reageren. Dan komen wij tot de conclusie, dat de afwijkingen die mogelijk waren, maar heel klein waren. Als u eens gaat nadenken zult u dat ook wel zien. Er zijn vele dingen bijna onvermijdelijk, het had een tikje zus of een klein beetje zo gekund.

Vraag je nu eens af: waarom? Nee, niet karma. Wij zijn geworden wat wij zijn door de verschillende besefswaarden, die wij bij elkaar hebben gevoegd en die wij hebben gemaakt tot een omschrijving in de tijd van ons eigen wezen.

Wanneer wij dit doen stellen wij daarbij niet alleen maar een definitie ten aanzien van het verleden, maar ook ten aanzien van de toekomst.

Bij ons zul je heel vaak horen: “Mensen, probeer niet jezelf te veranderen, maar probeer je uitingen meer harmonisch te maken met wat je bent.” Dan zeggen de meesten, dat je zo toch niets bereikt. Ga van dit standpunt uit: wat u bent is de resultante van al uw herinneringen en alle waarden die op u hebben ingewerkt. U hebt daarbij wel steeds een keuze gemaakt, maar naarmate u meer keuzemomenten hebt gehad en dus een keuze hebt gemaakt, wordt het aantal keuzemogelijkheden in de toekomst meer beperkt,

Wanneer je dit begint te beseffen moet je je ook realiseren dat alles, wat je van de toekomst verwacht eigenlijk in het heden ligt opgesloten. De keuze die je maakt heeft niets te maken met je werkelijke mogelijkheid om te kiezen, om te zijn, om anders te worden. Ze heeft alleen te maken met een theoretische lijn, die voortgaat in het verlengde van hetgeen je omtrent jezelf veronderstelt.

Je kunt het uittekenen. Je neemt een zigzaglijn, daar trek je een rechte lijn doorheen en dan zeg je dus dat wordt waar. Maar in feite blijf je zigzaggen. Dus wat u ziet als uw toekomst is net zo betrouwbaar als het gemiddelde, dat een verzekeringsmaatschappij berekent ten aanzien van het ongeluk, dat u zou kunnen krijgen of de leeftijd die u waarschijnlijk zult bereiken.

Voor het gemiddelde zal dat wel kloppen. Maar een gemiddelde betekent dat bijna niemand daaraan beantwoordt omdat allen daar op enigerlei wijze van afwijken. Kijk naar jezelf. Kun je werken met zo’n projectie, zo’n gemiddelde en gelijktijdig weten wat je werkelijkheid is? Dat is onzin.

Dan is het toch dwaas om je bezig te houden met die projectie ergens ver in de toekomst.  Dan moet je toch je eigen besef van zijn uitbreiden? Dat doe je door elke keuze te maken op het ogenblik, dat ze gemaakt kan worden en daarbij uit te gaan van hetgeen je bent. Elke ervaring zal op zichzelf dan wel weer met zich meebrengen, dat je verdere keuzemogelijkheden krijgt en dat je ook een keuze maakt. Maar dan heb je de tijd.

Want het gekke is, naarmate je meer opgaat in dit begrip van de tijd en gedrevenheid, hoe minder tijd je overhoudt. Misschien is dat wel het leukste wanneer je kijkt naar de mens als die jong is. Dan zeg je tegen de kinderen: “Zeg, wil je even dat doen?” “Nee, ik heb geen tijd, want ik heb nog een afspraak met die, we zouden gaan voetballen en ik moet mijn huiswerk nog maken.” Hij heeft geen tijd.

Dan kom je bij de oude van dagen terecht en zeg je: “Je hebt nu je pensioen, nu heb je toch zeker wel de tijd om alles te doen?” “0, maar ik moet nog zo veel doen, er zijn een paar boeken die ik nog moet lezen en ik heb beloofd nog daarheen te gaan. Iedereen denkt dat ik tijd heb, dus ik moet ook nog, op de kinderen passen bij mijn nicht of mijn zoon of dochter en bovendien moet ik een beetje rekening houden met mijn gezondheid ook.” Dan blijkt, dat ze geen tijd over hebben.

Waarom hebben de mensen geen tijd? Ik zal proberen het duidelijk te maken: omdat de mensen voortdurend bezig zijn zich te binden aan een toekomst, die voor hen nog niet concreet is, die niet gerealiseerd is. Ze dwingen zichzelf in de richting te gaan van mogelijkheden die ze wanneer ze zich bewust zouden zijn van hun eigen wezen en van de werkelijkheid, nooit voor zich hadden willen realiseren. Dat is nou de grote moeilijkheid met de tijd.

Daarom zeg ik altijd maar: wanneer een profeet komt kan hij natuurlijk beweren dat er in de tweede helft van 1982 een nogal hevige aardbeving zal zijn o.m. in Californië, Texas en Nieuw‑Mexico. Dat is natuurlijk mogelijk. Maar is het zeker? Neen. En moeten wij er ons druk over maken? Neen! Want wij moeten vandaag leven en dat wil zeggen dat vandaag voor ons allereerst de keuze telt die wij maken voor morgen en niet voor overmorgen.

Als u ooit geconfronteerd wordt met zo’n onheilsprofeet, die u komt vertellen dat de laatste dagen nabij zijn, dat binnenkort het mené mené tekèl upharsin geschreven zal staan in de wolken, dan zegt u: nou ja goed, ik ben niet zo overwicht, gewogen, te licht bevonden en dan ook nog verworpen, het lijkt mij een beetje veel. Dan denkt u: ga je gang. Als het zover komt zal ik het wel zien. Maar vandaag heb ik te maken met morgen.

Als ik me voortdurend ga bezighouden met die ramp en ik vergeet toevallig voor morgen eten in huis te halen, dan begint mijn ellende veel vroeger dan nodig is. Begrijpt u wat ik bedoel?

Daarom zou ik willen zeggen: laat je door profeten alsjeblieft niet te veel in de war brengen. Wanneer je te maken krijgt met mensen, die dat wezen van de tijd een beetje beter doorvoelen en kennen dan u, nou ja dan zij het zo. Maar zij kunnen nooit uw concreet toekomstig beleven voor u vastleggen. Het enige wat ze kunnen is een aantal waarschijnlijkheden opnoemen, zonder dat er enige zekerheid is dat ze waar worden. En dat betreft ook uw esoterische opmaak.

Wanneer u in uzelf denkt, ik zal steeds bewuster worden en u hebt van uzelf al een beeld hoe u uiteindelijk omhoog torent uit deze drabbige materie naar een grote geestelijke hoogte, dan bent u zo druk bezig met dromen, dat u misschien vergeet dat beetje te doen waardoor u vandaag bewuster wordt.

Probeer niet jezelf meer aan te matigen dan je bent. Probeer niet om iets bijzonders te zijn. Probeer gewoon te zijn wat je vandaag bent, maar dan wel zo goed mogelijk. Als je merkt dat je verandert, wees dan ook niet bang om wat je zegt en doet te veranderen. Want de innerlijke waarheid berust op een soort weerkaatsingspel tussen de eeuwigheid die in ons berust en ons beleven van delen daarvan, zoals ons uiterlijk bestaan zich voor ons nog steeds aanbiedt.

Daarmee is mijn taak ten einde. Wat onze Engelse spreker, die erg met magie bezig is en in andere dingen nogal filosofisch is, gaat zeggen, weet ik niet. U zult het na de pauze ongetwijfeld kunnen constateren.

De Gastspreker

U moet mij vergeven dat ik even probeer mij in deze situatie weer in te leven. Want de ervaring heeft mij na mijn voortijdig overlijden geleerd, dat er een klein verschil bestaat tussen het geestelijk en het stoffelijk bestaan. Dat is maar goed ook.

De werkelijkheid is een beetje ingewikkelder en gelijktijdig eigenlijk veel eenvoudiger.

Leven is een voortdurend ontwaken tot datgene wat je nog niet gekend hebt.

De kunst van het leven is het nieuwe te ontdekken ook in datgene, wat je al meende te kennen.

De werkelijkheid van het bestaan is de voortdurende samenhang tussen al wat rond je verandert en datgene wat je zelf bent.

Wanneer je kijkt naar het gebeuren in de tijd dan valt je steeds weer op, dat alles precies anders gaat dan iedereen heeft verwacht. Wanneer wij bv. kijken naar de economische ontwikkelingen van uw eigen land zou je kunnen zeggen, dat iedereen het anders krijgt dan hij verwacht, dat hij het tegengestelde aan het bereiken is van datgene wat hij meent na te streven. Maar ook dat het geheel van zo’n ontwikkeling, als je dat samentrekt met kosmische invloeden en verbanden, moet voeren tot een zeer snelle en onverwachte ommekeer. Die ommekeer ligt waarschijnlijk nog een jaartje van u af. Maar zij lijkt mij onvermijdelijk. Datzelfde zal ook op andere gebieden gelden.

Wat gebeurt er dan? Wordt u anders? Welnee. Wordt de wereld anders? Dat kun je hopen, maar waarschijnlijk is het niet. Het enige wat wezenlijk verandert is de samenhang van de dingen. Wanneer dat dan profetie wordt genoemd, dan wil ik desnoods nog een profeet zijn.

Ik heb altijd geprobeerd om de samenhang te vinden tussen die werelden die toen voor mij onbekend als hemelsferen werden omschreven, de krachten van het kwaad, waar iedereen die bijgelovig is zich voortdurend mee bezighoud en het gebeuren op zichzelf.

Een waar denker moet soms een beetje magiër zijn. Want wanneer wij denken dat wij iets kunnen maken wat er niet is, dan zitten wij volledig op het verkeerde spoor. Je kunt een bloem materialiseren, maar dan moet je haar wel ergens anders eerst dematerialiseren. Je schept niet, je verplaatst.

Wanneer ik kracht heb en ik gebruik die kracht, dan moet ik ze eerst ergens anders vandaan halen. De grote kunst van de magiër, maar ook van de redelijke denker, is dat hij weet waar hij iets vandaan moet halen. Je denkt altijd: er zal wel niets meer komen en er zal wel niets meer gebeuren, of ik ben uitgeteld, of, men behandelt mij onjuist. Want zo zijn wij. In de praktijk betekent het gewoon: ik schiet ergens te kort.

Als ik zeg, ik ga u hier met grote kracht instralen, dan is dat heel erg leuk en kan ik doen alsof. Maar als er geen kracht is gebeurd er niets. Ik kan ook gewoon u instralen met kracht en niet zeggen dat het gebeurt, maar dan moet ik die kracht ook hebben. Ik kan niets doen zonder eerst te grijpen naar iets wat al bestaat.

De hele Schepping is een voortdurende herhaling, waarbij het reeds bestaande wordt verplaatst uit de ene situatie naar de andere. Dat zou een fatalist van je maken. Maar uiteindelijk is een fatalist iemand die, wanneer een gloeiende kool in zijn schoen valt zegt, “Ik brand, dit is mijn lot.” Een bewust mens zegt: ”Hé, die sintel die daar wegspringt komt terecht in mijn schoen, ik doe mijn schoen uit, deponeer de sintel elders en roep daarna het personeel om hen te laten delen in mijn lijden.”

Dus iemand, die zijn eigen besef gebruikt, verplaatst eigenlijk de dingen. Je kunt alles wel laten gaan zoals het gaat, maar je bereikt weinig. Je kunt proberen alles te veranderen, maar het gelukt je niet. Maar je kunt wel de zaken verschuiven. En dat verschuiven is het dan, waardoor een mens een vrije wil heeft. Dat is dan ook waardoor voor ons die verschillen van goed en kwaad ontstaan. En dat is zeer zeker ook datgene, waardoor we binnen een wereld die voor ons wel degelijk bepaald is, toch altijd weer onze eigen weg kunnen kiezen en tot op zekere hoogte onze eigen gang kunnen gaan.

Toen ik studeerde – en dat heb ik enige tijd gedaan – was het voor mij mogelijk om bij voorbeeld een zekere hoeveelheid schijnsel en licht te produceren. Maar wat deed ik? Dat heb ik achteraf geleerd. Ik nam de gemiddelde temperatuur van een vertrek, ontnam daaraan een deel van de warmte en zette die om in een hogere trilling. Zo ontstond het licht.

Wat voor mij mogelijk is, is voor u waarschijnlijk niet mogelijk. Ik neem aan dat uw plaatselijke fabrikanten van elektriciteit daar zeer dankbaar voor zullen zijn. Maar wat u wel kunt doen is de kracht, die in uzelf is, naar buiten projecteren en omgekeerd, de kracht die buiten u is in u brengen. Als u te weinig kracht hebt kunt u wel zeggen: ik ben slap en ziek en ik kan niet meer.

Dus zeg gewoon: ik heb kracht nodig. Stel je dat eerst voor. Nu weet ik toevallig waar die kracht is, dus als ik die kracht geef, krijgt u die ook wanneer u ze opneemt. U kunt ook zeggen: ik wil vrede hebben. Dan moet ik vrede hebben om ze u te geven.

Ik heb mij vroeger wel eens afgevraagd waarom Jezus gezegd zou hebben: “Mijn vrede geef ik u, mijn vrede laat ik u”. Maar bij het onderzoek van het magisch denken kwam ik tot de conclusie, dat Jezus in zich die vrede kon bezitten, dat is uiteindelijk evenwicht. Hij kon dat evenwicht aan een ander geven, maar het was deel van Hemzelf. Zou Hij dus weggaan dan zou die vrede teloor gaan. Maar nu zei Hij: “Die vrede laat ik u.” Hij gaf iets van zichzelf in en aan de ander en sneed dan a.h.w. die verbinding af. Daardoor was hetgeen Hij zei niet alleen maar een mooie en zeer geestelijke uitspraak, maar in feite een praktische verklaring van een procedure.

Deze procedure zou elke mens tot op zekere hoogte kunnen leren. Niet dat ik beweer dat u anderen vrede kunt geven. Als u eerlijk bent bezit u die maar zelden in uzelf. Maar dat, wat er in u is kunt u met een ander delen. Dat delen is nooit genoeg. Je moet altijd ook nog de scheidslijn trekken, afscheid nemen van hetgeen je in de ander legt. Zodra je normaal je eigen weg gaat en niet meer bezig bent met hetgeen je in de ander hebt gedaan, heb je die vrede of die kracht of wat het ook is aan de ander gelaten.

Voor mij persoonlijk was het wel een beetje moeilijk om dat allemaal te leren en ik heb dan ook na mijn dood nog heel wat experimenten gedaan en heel wat studie verricht. Toch moet je altijd een gentleman zijn. Een gentleman is iemand die sportief is, dus je neemt niet iets van een ander, tenzij die ander het kan missen en niet eens weet dat hij het heeft. Je gaat niet een ander opdringen wat je hebt of wat je bent, de relatie berust op jou en op die ander. En dat is iets, wat in uw wereld op het ogenblik meestal niet zo is, dacht ik.

Iedereen is bereid om zijn denken, zijn gevoelsleven tot op zekere hoogte althans met een ander te delen. Maar niemand is bereid om dan verder te gaan. ‘Doe goed en zie niet om’, is langzaam veranderd in: ‘doe goed en blijf dan kijken hoe het gaat’. Maar dat is fout.

Ik voorzie dat, wanneer de mensen niet leren elkaar juist als persoonlijkheden te respecteren, er zeer grote conflicten uitbreken, waarbij alleen de mensen, die hun eigen persoonlijkheid ondanks alles weten te handhaven, een kans hebben om vrijelijk voort te bestaan.

Je kunt niet aan een ander geven wat hij niet wenst. Je kunt niet van een ander nemen wat hij in wezen niet geven wil, wat hij voor zich wil behouden. Je kunt alleen proberen om zo duidelijk mogelijk een band te leggen. En zo’n band leg je gemakkelijk genoeg.

Terwijl ik hier bezig ben heb ik wat kracht laten circuleren. Voor degenen, die zich afvragen hoe je dat nou weer moet weten, misschien merkt u dat u wat koude knieën krijgt. Dat is heel typisch, wanneer een hoge geestelijke kracht circuleert, hebben heel veel mensen haren die overeind gaan staan of een koude neuspunt. Maar is het gewoon levensenergie, de basiskracht van het bestaan die je laat circuleren, dan voelen ze dat meestal in de knieën. Misschien wel omdat ze daarop zouden willen vallen wanneer ze er voldoende van hadden.

Wanneer ik dit doe verander ik de toekomst niet. Want wat u doet met die kracht ligt niet aan mij of aan de kracht die ik geven kan. Het ligt aan datgene, wat u zelf met die kracht doet. Dat is vaak heel iets anders dan u zelf veronderstelt.

Ik weet dat deze wereld in grote moeilijkheden komt. Ik weet dat de problemen zich toe gaan spitsen en dat we zeker tot het jaar 1984 in de hele wereld de meest krankzinnige dingen zien gebeuren. Daarna neemt het wat af en blijft er nog wat koude oorlog over, een soort uitverkoop van restanten.

Daarna komt de grote vraag: kunnen de mensen elkaar aanvaarden of willen de mensen elkaar omvormen? Kun je elkaar aanvaarden dan kun je samenwerken. Wil je de ander omvormen, dan kom je om. Of de ander komt om. Deze situatie kan iedereen voorzien tot zelfs de jaartallen toe, dat is niet zo moeilijk. Is het waar? Dat ligt aan de mensen.

Wanneer de mensen leren om eerst te zoeken waar datgene ligt wat ze nodig hebben, niet door het de ander te ontnemen, maar door datgene te nemen wat niet nodig is, dan kunnen ze daardoor in zichzelf kracht vinden om te geven. Als je kracht vindt om te geven moet je het ook afsnijden. Pas wanneer je dan verder gaat heb je werkelijk iets gedaan.

Een dwaas beroemt zich op datgene, wat hij tot stand brengt. Een wijze verheugt zich in datgene, wat hij niet vergeefs heeft gedaan. En daar ligt een groot verschil.

Wij kunnen niets tot stand brengen wat niet zonder ons ook tot stand gebracht zou zijn, zolang het behoort tot de werkelijkheid. Wanneer wij iets tot stand brengen wat niet tot de werkelijkheid behoort, dan blijft het alleen een illusie die toch weer vergaat. Dus wij moeten gewoon proberen te weten wat wij zijn, te voelen wat wij kunnen ontvangen, te zoeken naar datgene, wat wij geven kunnen zonder er verder naar te vragen.

In de oude alchemistische traditie heb je de twee poeders: het rode en het witte; of soms het rode en het zwarte poeder. Men zegt: wanneer die twee poeders op de juiste wijze worden samengebracht met het kokende lood, dan zullen delen daarvan veranderen in zilver of zelfs goud. Het kokende lood is de mens, want hij is voortdurend in gisting. Maar hij heeft twee dingen nodig om daar iets zinrijk, van te maken. Het eerste, zeg het rode poeder: dat is het innerlijk besef, dat niets belangrijk is buiten hetgeen je nu en zelf bent. Het tweede poeder, het zwarte of witte poeder: dat is het besef, waar je het noodzakelijke kunt onttrekken en waar je het noodzakelijke kunt ontladen, waar je het heen kunt zenden.

Wanneer wij deze dingen gebruiken ontstaat in onszelf het zilver of het goud. Dat is nu juist de eigenaardigheid die in alle leven schijnt te kloppen. Het werkelijk waardevolle kan alleen ontstaan wanneer alle dingen samenvloeien, wanneer alle krachten samen tot een eenheid in onszelf worden, waarbij dit hele proces van geven en nemen, van zijn en veronderstellen, samenvloeit tot één moment van beleven.

De kracht is altijd datgene, waardoor wij voor onszelf een mogelijkheid scheppen, die eerst in ons besef moet ontstaan. Wanneer ik heel simpel zeg: “Ik ga u genezen”, dan lieg ik. Dat kan ik niet. Wanneer ik zeg: “Ik geef u kracht, dan lieg ik niet. Want dat kan ik wel.

Wanneer ik zeg: “Ik geef u kracht om te genezen”, dan moet u willen genezen. Uw wezen moet de genezing als een zekerheid in zich stellen. U moet zelf proberen alle ballast van ziek zijn terzijde te schuiven en alleen nog over te houden wat werkelijk is, met alle zwakte en alle goede punten. Dan kan de kracht die u gegeven wordt u genezen. Maar ik kan u niet genezen, dat kunt u alleen zelf. Zelfs God kan u niet genezen. Hij kan het u alleen mogelijk maken om te genezen.

Misschien leeft u in uw wereld nog te veel met het tikken van een klok in uw hoofd. Steeds gaat de slinger. Steeds draaien de raderen. En voor u het weet wordt u er door vermorzeld.

Tijd is toch ook iets wat wij eigenlijk grotendeels denken. Tijd is een lijn die wij kunnen volgen. We kunnen beelden zien van een toekomst. Beelden van een stad die verwoest werd en waar de vruchtbomen op de puinhopen bloeien, de mensen lachen de kinderen spelen en dansen.

Dit beeld wordt waar. Maar hoe? En waar? En wanneer? Hoe kun je dat zeggen als je op aarde leeft? Als je zegt: “Morgen zal het anders zijn”, dan weet je dat niet zeker. Je kunt alleen maar zeggen: dit ben ik vandaag. Dit is mijn wezen, dit is mijn kracht. Ik weet waar ik die kracht vandaan haal. Ik weet waar ik die bracht heen zend. Ik weet hoe ik die kracht afsluit. Want dit is gebeurd. Dit is geen deel meer van mij.

Ik kan dromen van de eeuwen, maar ik moet weten dat ik vandaag besta. Mijn droom van de eeuwen is een besef van wat kan zijn. Dit besef van zijn kan ik uitdrukken, maar dan moet ik het ook afsluiten. Het bestaat niet meer voor mij.

De grootste kunst van alle edele en koninklijke kunsten is wel: vandaag uit jezelf voort te brengen wat in je is, er afscheid van te nemen en je te vullen met het nieuwe, dat morgen heet. Want al wat ik ben geweest, al wat ik zal zijn, zelfs al wat ik ooit heb gedroomd of in gedachten heb ontkend en verworpen is deel van mijn werkelijkheid.

Het is die werkelijkheid waaraan ik beantwoorden zal en moet, of ik wil of niet. Het is door die werkelijkheid, dat mijn mogelijkheden veel groter zijn dan ik mijzelf toegeef. Het is ook door dit geheel dat het leven met de dag zo noodzakelijk is, dat de aanvaarding van wat is zo onvermijdelijk wordt.

Je kunt niet staan op een platform dat wankel is en een hert weidelijk schieten. Je kunt niet staan in een reeks van wankele denkbeelden en illusies en de feiten van de werkelijkheid treffen, zodat zij deel kunnen worden van jouw wezen en bestaan.

Je moet de werkelijkheid niet jagen zoals de vos spottend, lachend, misschien ook onbehoorlijke dingen zeggend achter de meute aan, want de vos brengt ons nergens. Hij brengt ons alleen het denkbeeld dat wij iets zijn, maar dat is zo dwaas, dat merk je later ook.

Jaag niet achter het onbelangrijke aan. Zie de werkelijkheid zoals ze is. Wanneer je de vos werkelijk moet vangen omdat hij zo schadelijk is, kun je dat ook wel anders doen met minder kosten, met minder moeite.

Wanneer u werkelijk kracht wilt hebben, wanneer u genezing wilt hebben, wanneer u de toekomst wilt kennen in uzelf, dan moet u zich eerst losmaken van dit jachtprincipe.

Nemen wat er is. Het vanuit jezelf weer zo voortbrengen dat het juist is. Verdergaan. Niet zoeken naar het spektakel, naar het vertoon, maar zoeken naar de werkelijkheid.

Dat is misschien filosofie, misschien ook een tikje magie. Maar het is de werkelijkheid zoals ik die heb leren kennen. Die werkelijkheid heb ik – zo onbeholpen als ik ben – geprobeerd met u te delen, inclusief alle kracht, inclusief alle mogelijkheid.

Nu wordt het tijd dat ik de band verbreek. U moet verdergaan op uw wijze en ik moet verdergaan op de mijne.

Wat wij elkaar gegeven hebben wordt bepaald door wat wij zelf aanvaard hebben en datgene, wat wij er zelf uit doen geworden.

Ik hoop dat u mij zult vergeven, dat ik u zelfs zonder voorgesteld te zijn met dit alles heb geconfronteerd. Maar dit is waarheid en werkelijkheid zoals ik ze zie. Dit is het samenvloeien van alle tijd zoals ik het beleef. Moge het voor u zo zijn, dat uw eigen beleven van de tijd van uzelf voor u vredig is. Dat er voor u altijd kracht zal zijn, waarop u zich durft beroepen en dat er voor u altijd een mogelijkheid zal bestaan om de kracht die in u leeft te delen met anderen en verder te gaan zonder om te zien.