Relaties tussen verleden en heden

uit de cursus ‘Magie en magiërs’ – mei 1971

Relaties tussen verleden en heden

Als je kijkt naar het verleden, dan zie je daar allerhande structuren in met een magische bijbedoeling. Die magische bijbedoeling wordt later dan psychologisch weg verklaard. Dat neemt niet weg, dat we bv. in de bouw van de Ziggurats (denk aan de toren van Babel) allerlei facetten zien, die in deze dagen terugkomen. Zo kunnen we ook zeggen dat er een tijd is geweest, dat orakels werden verstopt en gelijktijdig veel geraadpleegd. In die tijd waren er geen kranten met een dagelijkse horoscoop en dus moest men zich er meer moeite voor getroosten. Het is zelfs in Rome zo geweest dat bepaalde tempels slaven hadden, die van huis tot huis gingen om a.h.w. de dagelijkse horoscoop rond te venten die werd dan netjes opgezegd.

U zult begrijpen dat er dus tussen het verleden en het heden allerlei parallellen zijn te trekken. Het merendeel daarvan hangt samen met het innerlijk van de mens. Je kunt wel zeggen; Het zijn uiterlijke verschijnselen, maar ga je het verder nazoeken, dan blijkt in de eerste plaats dat de mens behoefte heeft aan het magische, het bovenzinnelijke, het bovennatuurlijke en dat hij daarnaast door zijn milieu tot bepaalde reacties wordt gedwongen. Dat is nu het punt dat ik u vanavond graag wil voorleggen.

Als we denken aan de torenbouw van bv. Babel, dan zijn we misschien nog geneigd te denken aan New York met zijn wolkenkrabbers. Men denkt echter niet verder na over de tendens om zeer ingewikkelde en vaak zeer hoge structuren te bouwen in de steden van alle landen der aarde. Wat was de situatie in Babel?

In Babel was er sprake van een priesterdom. Zeker. Maar daarnaast was er ook sprake van iets dat men toch ontkerkelijking zou kunnen noemen. De mensen wilden eigenlijk zelf langzamerhand de plaats van de goden gaan innemen. Ze waren in die tijd erg materialistisch en in dit materialisme was voor hen het bereiken van God, eenvoudig het bouwen van een structuur, waardoor men even hoog werd als God.

Nu lijkt het misschien wat vreemd als je zegt dat de bouwers van wolkenkrabbers, hoogbouw flats e.d. een soortgelijke neiging hebben. Maar de meeste mensen, die in een materialistische maatschappij leven, vooral in dichter bevolkte gebieden, hebben nu eenmaal de tendens naar de hemel te grijpen. Is dit in een situatie, waarin de mens zichzelf als het belangrijkst ziet, dan zijn het structuren van grote omvang, waarin de mens zelf actief hoopt te zijn,

Men vertelt wel van de toren van Babel dat hij eigenlijk bedoeld was niet alleen als een aantal tempels (dat vindt men in menige Ziggurat), maar als een aantal woon-en werkplaatsen en laboratoria, waaraan de tempels dan waren toegevoegd. De mens in dienst van de God.

Als u nu gaat kijken in Radio City, dan merkt u op dat de hoogste heren van de belangrijkste maatschappijen op de bovenste verdiepingen zetelen. Zij willen boven het gewoel verheven zijn. Waarom weet ik niet, want als de lift weigert, dan moeten ze veel langer lopen, voordat ze beneden zijn. Maar er is nu eenmaal de behoefte omhoog te gaan. Is er misschien voor de mens ergens de idee van magie het dichter bij de hemel zijn?

Denken wij terug aan het jaar 1400, 1500, dan vinden we daar allerlei filosofieën over de sterren. Daarbij komt er zelfs een plaat voor, die bijzonder interessant is. Het is nl. een mens die op de aarde knielt en zijn hoofd door de sterrenhemel steekt. Daarachter ziet hij dan allerlei raderen, die zich bewegen grote zonnen of schijven. Ik geloof dat dat het beeld is van de mens. Op het ogenblik dat de mens zich van eigen grootheid bewust wordt, wil hij a.h.w. door de hemel heen. Hij voelt dat er andere werelden zijn en meent dat hij die kan bereiken door naar de sterren te gaan. Nu kunt u zeggen: In onze tijd geloven ze niet meer in een sterrenwereld, maar in een heelal. U heeft gelijk. Maar de relatie in het instinct van de mens tussen de sterrenwereld en de mens is nog steeds precies dezelfde.

Ik heb u zo net het een en ander verteld over horoscopen. Dat is ook heel eigenaardig. Als we nagaan in welke tijd de augurie (voorspelling) het meest opgeld doet, dan komen we weer tot de conclusie, dit gebeurt voornamelijk daar, waar ofwel grote spanningen (oorlog) zijn, dan wel daar, waar een zeer grote bevolking is.

In Alexandrië was er een soort lusttuin waar ook een groot orakel was. De mensen gingen daarheen alleen om het orakel even te raadplegen, de rest lieten ze maar terzijde liggen. Waarom? Ze leefden in een voor hun wereld overbevolkte en drukke stad. Ze voelden zich door de massa bestuurd. Die bestuurde invloeden van de massa gaven een gevoel van hulpeloosheid. En om aan die hulpeloosheid te ontkomen, zoekt men dan de kennis van het lot, opdat men zich kan ontworstelen aan het dwingende patroon dat erbuiten ligt.

Als u deze tijd bekijkt, dan valt in de eerste plaats op déconfessionalisme. Godsdiensten bestaan nog wel, maar ze worden niet meer in direct verband gebracht met het dagelijks leven. De basis van het dagelijks leven is in feite een materialistische structuur. De mensen leven in te grote opeenhopingen. Ze hebben behoefte eraan te ontkomen en bewegen zich daardoor in de richting van het bovenzinnelijke. Dat astrologie, voorspellingen e.d. zoveel opgeld doen in deze dagen, is alleen te danken aan deze maatschappelijke structuur. Het is een psychologische reactie, die eigenlijk in elke tijd weer is terug te vinden.

Wij kunnen eens nagaan hoe het bv. in Rome is geweest. In Rome zijn vreemde goden bijzonder in trek, juist in de tijd dat de stad eigenlijk reeds overbevolkt is. Dat duurt praktisch tot aan de ondergang zeker tot de aanvallen van de West Goten.

Als we gaan kijken naar de moderne wereld, dan valt ons op, dat we daar allerlei vreemde geloofssoorten zien. Vreemde kerken doen opgeld, oosterse denkbeelden, Chinese filosofie, allerlei van het eigen maatschappelijke patroon afwijkende idealismen. Alweer, men grijpt naar het erotische in een poging het dwingende, van het heden te ontwijken.

Er zijn natuurlijk ook andere maatschappijen en structuren denkbaar. Als we denken aan bv. Athene in de tijd van Solon, dan vinden we daar een werkelijke democratie, in zoverre dat eenieder die stemrecht heeft inderdaad ook met die stem alles kan doen. Hij kan dus alles beïnvloeden. Gaat men na hoe het in elkaar zit, dan blijkt dat in deze democratische samenstelling de mensen wel religieus denken, maar dat ze eigenlijk betrekkelijk vrij en vlot leven. Filosofie en het denken over allerhande bovennatuurlijke zaken zijn zeker ingeweven in die maatschappij, maar ze staan er niet apart van, ze vormen geen tegenstelling. De verklaring is duidelijk, de mensen die stemrecht hebben, bepalen het leven daar. Zij hebben hun eigen mogelijkheid om hun spanningen te ontladen. Het is zelfs zo de huisvrouw die daar normaal een heel bescheiden rol speelt, heeft haar jaarlijkse vouwenfeesten. Dan worden ze ineens allemaal Dolle mina’s. Ze vieren hun eigen mysterieën, ze dansen langs de wegen, ze doen de gekste dingen.

Hier blijkt alweer dat de behoefte aan een magisch dwangmiddel (daar gaat het eigenlijk om) inherent is aan de mens die in een maat­schappij leeft die hem sterk domineert. Naarmate zijn vrijheid binnen die maatschappij groter wordt, is zijn behoefte aan de magie minder. Op dezelfde basis kunnen we aantonen dat de religiositeit van de mens in sterke mate toeneemt, indien zijn persoonlijke levensmogelijkheden af­nemen. Dat zijn zo van die verschijnselen.

U zult zeggen; Wat heeft dat te maken met een cursus die over ma­gie en magiërs moet gaan?

Er zijn in het verleden een heel stel magiërs geweest die op hun manier hebben geprobeerd die zaak op te lossen. Sommigen zijn daarbij uit­gegaan van de zgn. antithese, de tweeledige Godheid. De God van het licht en de God van het duister. Zij zeiden; Ik heb hier twee grenzen daartussen ligt een veld, waarin de krachten van licht en duister wer­ken. Ik kan daar magisch iets mee doen. Voor hen was magie – dat moeten we niet vergeten – iets wat op een horizontaal vlak plaatsvindt.

Zien we in welke periode zich dat afspeelt, dan blijkt dat goden op een horizontaal vlak eigenlijk meer thuishoren in een maatschappij met niet al te grote gebondenheden, maar wel met een aanzienlijk aantal over­leveringen en gebruiken. Die mensen zijn dus in hun uiterlijk leven wat ouderwets en daarvoor is weer een ingrijpen nodig. Ze hebben echter go­den nodig die op dezelfde hoogte staan. Er is geen God van licht die domineert of een God van duister die domineert. Dat komt later, zegt men, nu kunnen we ermee spelen. We kunnen tussen die twee schichten heen en weer laten schieten en als er voldoende heen en weer wordt geschoten, dan schieten we raak ook en krijgen we onze zin.

Hebben wij te maken met een maatschappij, die sterk oligarchisch wordt geregeerd (zoals in de middeleeuwen) de vorst is door God aangesteld, wat hij doet is goed. Is hij gek, dan is dat Gods wil en moeten we er maar onder lijden. Dan vinden we in die tijd ook magiërs. Maar dezen werken niet met horizontale vlakken. Dat is heel eigenaardig. Zij werken van bo­ven naar beneden. Voor hen is de wereld in een verticaal vlak magisch. En dat betekent, dat ze invloeden van boven kunnen gebruiken, die de ma­terie zullen veranderen. Vandaar ook dat de alchemie zo’n opgeld doet, dat er zoveel wordt geprobeerd op chemisch gebied e.d. en dat dit wordt gezien – en dat is belangrijk – als iets waarbij de geestelijke krachten (manas enz.) een rol spelen.

De situatie is verklaarbaar. Als ik te maken heb met een wereld, waarin een aantal vaste gebruiken en verder niet al te grote gebonden­heden heersen, dan kan ik manoeuvreren en heb ik invloed op de mens no­dig. Invloed op de mensen horizontale lijn. Heb ik te maken met een we­reld waarin de rangorde sterk is gefixeerd en de gezagsverhoudingen vastliggen op grond van geloof, dan heb ik iets nodig dat de waarde van het geloof kan nivelleren. Ik moet dan een werking hebben die tussen God en de diepte ligt a.h.w. van Olympus tot Tartarus. De geschiedenis toont ons duizend en een van die beelden.

Als je de moderne tijd gaat bezien, dan kom je tot de conclusie dat we op het ogenblik te maken hebben met twee soorten magiërs tegelijk. We hebben de magiërs die werken met de mensen. Voor hen zijn er ook schijnbeelden en goden en ook goed en kwaad bepalingen, waarvan je niet zeker kunt zeggen dat ze werkelijk bestaan. Maar het is mogelijk om daardoor spanningen op te wekken en daarmee de mensen te manoeuvreren.

Anderzijds hebben we magiërs nodig, die de invloed op de materie kun­nen veranderen en daarvoor heb ik het bovenzinnelijke nodig. De materie zelf is een onontwarbaar geheel. Het is a.h.w. een zichzelf perpetueren.  De chaos, daar komen we niet onderuit. Maar we kunnen de hogere kracht laten ingrijpen. We kunnen in de hogere mens kijken.

Er zijn in deze dagen allerlei vreemde persoonlijkheden, waarvan men zich afvraagt; Hoe komen ze. eigenlijk aan hun manier van denken en redeneren? Er zijn mensen die uitgaan van het goddelijk gezag. Zij zeg­gen de laatste dag is nabij. Ik neem het hun helemaal niet kwalijk.

Het is zo vaak gezegd, waarom zouden zij dat dan niet zeggen? Maar zij zeggen dit niet meer in een aankondiging van Gods wil alleen. Want, zeggen zij, de strijd tussen het kwaad en het licht is op een hoogtepunt gekomen en wij, door onze juiste interpretatie van het Woord, onze juiste aanvaarding van de goddelijke waarheid, zijn in staat de gevolgen teniet te doen voor ons en ook voor allen die ons aanhangen. Deze redenering is natuurlijk ergens fout.

Dan hebben we te maken met jongelieden vooral, die zeggen: Ik kan in de roes mijn eenheid met het heelal vinden. Uit de eenheid, die ik met het Al vind, kan ik de gebondenheid van het individu doorbreken. Ik kan een weg vinden waarin ik vrij ben, waarin de materie mij weer zal dienen en ik niet door de materie zal worden gedomineerd.

Dan hebben we ook heel veel mensen, die zeggen; Wij zoeken het in allerhande veranderingen van denken en denkscholingen. Denkscholingen zijn erg populair. De meeste mensen realiseren zich niet dat ook daaraan magische elementen kleven. Indien ik meen door mijn denken de wereld te kunnen veranderen, dan bedrijf ik feitelijke magie. Als u zegt: Met mijn gedachtekracht kan ik iets doen, of indien ik mij instel op een geest, dan krijg ik mogelijkheden die ik anders niet heb, dan bedrijft u magie. Op deze manier wordt de wereld langzaam maar zeker overspoeld door ma­gisch denkende mensen. Waarom? Dat is wel duidelijk geworden uit het voorgaande.

Met welk doel? Eigenlijk geen doel. De magiër heeft met al zijn goede bedoelingen misschien tenslotte toch maar een werkelijk doel. Dat is een zelfexpressie, die de eigen gekende middelen overtreft. Hij wil meer zich­zelf zijn dan hij voelt te kunnen zijn.

Het is duidelijk dat eenieder die aan magie doet of hij dat nu doet met gedachtekracht of op een andere manier misschien wel bezig is de wereld te verbeteren, maar hij is in de eerste plaats bezig de we­reld aan zichzelf aan te passen. En of hij dat nu doet door de duivel op te roepen of goede gedachten uit te stralen, maakt niet zo’n groot verschil als menigeen schijnt te denken.

De situatie wordt nog komischer. Als ik naar het verleden terugga, kom ik tot de eigenaardige vaststelling dat men daar aan de ene kant ontzettend zedelijk was. Dat geloven de meeste mensen niet. Ze denken vroeger was het een rommeltje. Maar zo erg was het niet. Die mensen had­den bv. voor de seksualiteit heel precieze regels. De plaats van de man, de plaats van de vrouw, wat je wel en wat je niet kon doen, dat was al­lemaal vastgelegd. Maar aan de andere kant hadden ze ook een erkenning ervan die op het ogenblik althans officieel veelal ontbreekt.

Er was een vrouw die tegen de wil van haar man was uitgegaan en daarbij ook nog een vreemde man had ontmoet. Of ze met hem is meegegaan, vertelt het verhaal niet, wel dat de rechters haar veroordeelden tot vijf jaren dienstbaarheid in een openbaar en door de staat geëntameerd publiek huis. Dat was waarschijnlijk een behoorlijke straf voor haar.

Voor die mensen was dat niet een kwestie van moeten we die seksua­liteit zus zien of zo zien. Seksualiteit werd eenvoudig uitgedrukt in een menselijke verhouding. En indien die menselijke verhouding was verstoord, corrigeerden ze haar door een overdosis van hetzelfde, waarmee de zonde was begaan. Dat klinkt in deze tijd krankzinnig overspel straffen door meer overspel.

De situatie ligt eigenlijk zo; Indien we de seksualiteit gaan beschou­wen als iets heiligs, dan maken we er iets magisch van. Maar dan kunnen we het ook alleen magisch gebruiken. Je kunt niet zeggen; Aan de ene kant is de seksualiteit alleen een kwestie van voortplanting en die kunnen we vastleggen in een contract tussen mensen dat ten allen tijde bindend is en aan de andere kant zeggen; Het is een uitwerking van goddelijke krachten, de neerdaling van de Geest en al wat erbij komt. Je kunt die dingen niet samenvoegen. Ze proberen het wel.

In het verleden bekeken ze dat heel eenvoudig. Ze zeiden; Er is een normaal verdrag en daar zit seks in. Dat is een kwestie dat de mensen zelf maar moeten regelen. Maar er is ook nog de werkelijke nederdaling van hogere krachten en daarvoor kan de seksualiteit op bijzondere wijze worden gebruikt. Zeker, het is vervallen. Als we bv. denken aan de feesten die bij u tegenwoordig carnaval heten, zoals die in Rome werden gevierd, dan zegt u; Nou, dat was een mooie janboel. In feite waren het vruchtbaarheidsriten. En bij die vruchtbaarheidsriten zat boven nog de neiging om de goden te dwingen,

U heeft allen die bekende spreuk al honderd keer gehoord; Zo boven, zo beneden, zo beneden, zo boven. Men noemt het ook wel sympathische magie, waardoor men vergelijkbare waarden elders tot stand tracht te brengen door wat men hier doet. Die magie wordt inderdaad gebruikt en wat meer is die magie is werkzaam. Want wat blijkt nu?

Indien we de mens op een gegeven ogenblik voldoende concentratie geven en voldoende emotionaliteit in een richting, dan zal daarmee het tegendeel eveneens ontstaan. Dat is een wet die altijd van kracht is. Als je bij wijze van spreken begint om heel erg het christelijk fatsoen te verkondigen, dan komt daar altijd een groep tegenover die zegt dat christelijk fatsoen onfatsoenlijk is en dat je het tegenovergestelde moet doen. En als je alles anarchistisch en zuiver socialistisch radicaal wilt voorstellen, dan komt er een groep die zegt Wij moeten het op een fascistisch ordelijke wijze regelen.

Dat is in de magie precies hetzelfde. Het is het evenwicht van alle krachten. En als wij zien dat in deze tijd de astrologie en bepaalde andere occulte leringen en systemen hand over hand toenemen, aanhang winnen, meer en meer gebruikt worden, dan moeten we niet alleen daaruit afleiden, er is een bepaald probleem, maar ook de mens verandert zijn denken en suggereert daardoor een bepaalde oplossing. Hij schept uit wat nu is via deze middelen, de antithesis, het tegendeel van het nu bestaande. Ik bekijk het nu zo. Dan wil ik het heel praktisch stellen;

Het toenemen van de aandacht voor het mystieke, het occulte, het bovenzinnelijke in deze dagen moet leiden tot een veranderde waardering voor de materie. Indien er een veranderde waardering voor de materie ontstaat, zal een totaal andere behandeling van en waardering voor de materie de gehele maatschappij veranderen. Het beeld van de wereld wijzigt zich door de achtergrond van het denken  het denken is in dit opzicht magisch.

Indien er nu een mens is die bijzonder geformuleerd kan denken, dan behoeft hij nog niet eens in God te geloven, maar alleen scherp geformuleerd te denken, dan zal hij te midden van de vaagheid, die de massa over het algemeen ook in occult opzicht domineert, een zeer duidelijke stem hebben. Hij zal dan zichzelf kunnen isoleren van werkingen die voor anderen onvermijdelijk zijn. Het resultaat is magisch, want hij heeft succes waar een ander gedoemd schijnt te falen.

Deze werkingen zien we op het ogenblik meer en meer optreden. De mensen kunnen er wel tegen kankeren, maar ze doen er weinig aan. Als je bv. denkt aan de manier waarop een Nixon toch nog de U.S.A. in de hand heeft (pas de economische crisis, die nu op hol slaat, kan er misschien verandering in brengen), dan zeg je: Hier is iemand die zich niet laat beïnvloeden door denkwijzen elders, maar die door een eigen emotionaliteit wordt gedragen en juist daardoor een magisch symbool wordt. Voor sommigen wordt hij de demon. Voor anderen wordt hij de god, maar hij onttrekt zich aan het menselijke. En de mogelijkheden die hij daarbij krijgt om zijn eigen denkbeelden te gebruiken, nemen in gelijke mate toe. Ik weet niet of u dat magie noemt. Sommige mensen zeggen: Dat is politiek. Maar is politiek eigenlijk ook niet voor een groot gedeelte magisch? Ik weet niet of u daar wel eens over heeft nagedacht.

In bepaalde landen heeft men de gewoonte om als er belangrijke beslissingen moeten worden genomen voor de gemeenschap een soort mysteriespelen op te voeren. Daarbij probeert men het zo te wenden en te keren dat na een strijd van goden en demonen (waarin de demonen natuurlijk overwonnen worden, want de mensen staan altijd aan de kant van het goede volgens hun inzicht) de beslissing valt, die men reeds heeft genomen. Kijkt u maar naar een bijeenkomst van de Tweede Kamer. Dat is ook een ritueel. De werkelijke beslissing is al gevallen op het ogenblik dat men gaat doen of men een beslissing neemt. Zelfs de niet rechtstreeksheid van de debatten heeft een magisch element.

Indien men in de oudheid tot de goden of tot hooggeplaatsten wilde spreken, dan sprak men tot een tolk. Het was zo dat men in bepaalde tempels in Babylon tolken had (dat waren priesters van gemiddelde rang), die tot de hogepriesters konden spreken. Zij waren ver genoeg ingewijd om tot de goden te spreken, maar aan de andere kant waren ze net niet heilig genoeg om alle mensen van zich af te wijzen met een gebaar van met dat gepeupel houd ik mij niet bezig. Dat is nl. ook hogepriesterlijk, je omhelst de gehele mensheid, maar als er een zweterig stukje naar je toe komt, dan wijs je dat af. Dat hoort niet bij je, dat is onrein.

Zo moest je dus als je in de tempel kwam eerst een tolk zoeken. Deze bracht dan je verzoek voor bij de hoger geplaatste priesters of bracht je gebeden over aan de goden. Dat is nu hier precies hetzelfde. Mijnheer de Voorzitter. Ze zeggen niet tegen elkaar; Jij bent gek. Ze zeggen Mijnheer de Voorzitter, ik vind het belachelijk dat dit wordt beweerd. Magisch ritueel via de tolk spreken het onpersoonlijke van de relatie.

Dat zien we op vele andere terreinen net zo. Als u bv. iets te bespreken heeft met een wethouder, dan komt u niet direct bij de wethouder. U moet eerst bij zijn tolken komen. Dat is eerst de man aan het loket, dan een andere ambtenaar, dan komt de 1e en de 2e secretaris en dan eerst komt de man zelf.

In het zakenleven is het precies eender. De neiging om je los te maken van wat je het hogere zou kunnen noemen, is gelijktijdig de neiging om voor jezelf aanspraak te hebben op een goddelijke positie. Dat zeg je natuurlijk niet en dat formuleer je zo niet, maar daar komt het wel op neer. Want op het ogenblik dat ik die positie inneem, heb ik magische krachten door de aanvaarding die ik bij anderen krijg. Als iemand respect heeft voor mijnheer de Directeur, dan betekent dat niet alleen dat mijnheer de Directeur zakelijk iets te zeggen heeft. Dan betekent dat ook dat mijnheer de Directeur directe invloed heeft en dat zelfs het humeur van mijnheer de Directeur soms terugslaat op de vrouwen en kinderen van de laagste arbeiders. In deze zin is er tegenwoordig een structuur opgebouwd, waarin dit magisch ontpersoonlijkheidsprincipe een heel grote rol speelt.

Wat zeggen nu de oude magiërs? Nu moeten we even een paar deskundigen erbij halen, anders blijft het maar zo’n geklets om de magie heen. Er is er een die heel rustig zegt;

“Ik doe een stap weg van mijzelf en zie, men beroert mij niet. Ik doe twee stappen weg van mijzelf en zie, ik wandel te midden der goden. Ik doe drie stappen weg van mijzelf en zie, ik ben de stem der goden.

Ook in uw eigen leven heeft u bepaalde dingen (u noemt het misschien bijgelovigheid of gewoonte), die magische achtergrond hebben. U brengt ongetwijfeld geen plengoffers meer. Vroeger was dat altijd het geval.

Als iemand bier dronk, dan gooide hij iets ervan op de vloer voor de geesten, want dan lieten ze hem tenminste rustig drinken. Nu blaas je misschien het schuim weg, maar dan is het alleen als het verkeerd ge­tapt is. De mens van vandaag doet het op een andere manier. Hij geeft graag en gul voor de misdeelden van deze wereld of ze bestaan of niet. Hij geeft, omdat hij zich zo vrijkoopt.

In de islam is dat wat sterker uitgedrukt. Daar moet je de bede­laar eigenlijk dankbaar zijn dat hij bedelt, want hierdoor kun je je ver­diensten verwerven. Je kunt je losmaken van de lasten die gebonden zijn aan je dagelijks bestaan.

In de oudheid maakten ze het nog veel gekker. Ik denk aan de Israëlieten bv., die met veel plechtigheid een zondebok de woestijn injaag­den, beladen met de schuld van het volk. Ook een poging om je los te ma­ken van de dingen. Evengoed als de ook maatschappelijk overigens goede maatregel, waarbij dan plotseling alle contracten vervielen, sla­ven een zekere mate van vrijheid kregen en de handel en landbouw eigen­lijk werden gesaneerd.

Het saneringsprincipe is eigenlijk magisch. Saneren wil niet zeggen het oude vernietigen, dat denkt men tegenwoordig. Het wil zeggen het oude rust geven, zodat je door nieuwe beschouwingen het juiste kunt ge­bruiken. En denk nu niet dat dat ook maar een verhaaltje is.

Er was een man, die heel bekend was door alles wat hij voor elkaar bracht. Hij was een chemisch magiër, een alchemist. Deze zei “Als ik wil werken, zo wil ik werken, opdat het oude verandert, opdat het lage me­taal, edel metaal zal worden.”(En dat is dan meteen ook een symbolische uitspraak.) “Zo zet ik mij neer in overpeinzing. Ik concentreer mij, ik beschouw de dingen geheel opnieuw en grijp eerst dan mijn werktuigen.” Die magiër zegt over de levende kracht, wij zouden zeggen het witte licht; “De levende kracht kan ik roepen en zij kan al wat ik brouw door­desemen, zodat het een nieuwe waarde krijgt. Maar indien ik in mijzelf dit licht niet heb verworven, zo zal ik slechts drab maken.” In mij moet het zijn, anders is alles wat ik maak waardeloos.

In deze dagen heeft men zich teveel aan uiterlijke waarden vastge­klampt, als u het mij vraagt. Maar er komt een ogenblik dat je moet zeg­gen; We moeten nadenken, we moeten nu niets doen. We moeten ook niet de oude hangende zaken afhandelen. Maak alles in orde wat niet langer ge­staakt kan worden, handel dat zo snel mogelijk af, neem dan rust en be­gin opnieuw. Voor deze tijd zou dat een schitterende oplossing zijn.

Neem nu bv. het autoprobleem. U kunt zeggen; We moeten steeds we­gen blijven bouwen. Maar daar komt u niet verder mee. U kunt zeggen. We moeten die auto‘s allemaal vernietigen. Ja, dan gaat de economie van een paar landen helemaal naar de haaien. U kunt ook nog zeggen; We doen een jaar lang helemaal niets aan de wegen. En wat de auto ‘s betreft, die laten we voorlopig precies zo lopen als ze nu lopen. En dan gaan we kijken wat er gebeurt. In dat jaar kunnen we dan zien wat de feitelijke situatie wordt en op grond van die situatie kunnen we zeggen Nu zie ik wat er anders kan. Dat is een heel belangrijk punt, anders kunnen.

De magie van deze tijd gaat een heel eind verder. Ik heb dat nu op politiek terrein een beetje gebracht, maar ook in uw dagelijks leven is het precies hetzelfde. De meeste mensen horen veel over harmonie. Niet dat de meesten daar veel van afweten, maar ze weten in ieder geval wat het zou moeten zijn.

Harmonie kan alleen bestaan t.a.v. alle betrokken factoren. Je kunt dus niet zeggen; We gaan met z’n tienen samen uit en als ik met drie van de tien harmonisch ben, dan wordt het een gezellige zaak. Neen, dan wordt het juist donderen, want dan krijg je ruzie met de zeven anderen. Maar je kunt ook zeggen; Ik moet met tien harmonisch zijn. Indien ik met alle tien harmonisch ben, handelen wij als eenheid en door dit handelen als eenheid zullen wij allen de vervulling van onze wensen vinden, we zullen tevredenheid hebben, we zullen gelukkig zijn.

Waarom zou je dat dan ook niet zeggen, indien het gaat om harmo­nische relaties, waarbij stof en geest en andere dingen betrokken zijn? Je kunt niet verwachten dat de geest harmonisch is, als het lichaam uitgehongerd is. Ze kan harmonisch worden, indien ze kracht genoeg heeft om de problematiek van het hongerige lichaam en de daaruit voort­komende verschijnselen te overwinnen. Dat is dan een vuurproef om te zien hoe sterk je bent. Maar als je tegen iemand zegt; Ga jij maar eens even mathematisch werken en eet nu maar niet, dan is alleen maar het feit, dat je zegt “eet nu maar niet” al voldoende om de mathematica te doen verkeren in visioenen van hammen en dergelijke. Als je tegen een mens zegt; Je moet eenheid vinden met de geest, dan kun je niet gelijktijdig zeggen daarvoor moet je je afscheiden van de materie. Je kunt wel zeggen; Je moet voor jezelf een zo groot mogelijke en zo vol­ledig mogelijke verbondenheid gevoelen met de materie en een zo volledig mogelijke aanvaarding kennen van die materie, want daardoor krijg je de instelling om ook met geestelijke waarden en krachten harmonisch te zijn. Dat deden ze in de oudheid en dat doen ze tegenwoordig onbewust weer.

Ik weet wel dat het tot vele conflicten aanleiding geeft. Als ik denk aan bv. de jongeren met al hun eigenaardige vrije gebruiken, dan zijn er heel veel mensen die zeggen; Ze zouden zich een beetje fatsoen­lijker moeten gedragen. Daar zit wat in. Maar aan de andere kant, kun je werkelijk vrienden zijn, als je op een bepaald punt van elkaar moet af­blijven? Een heel moeilijke vraag. En als je gezamenlijk het grote ideaal ziet of dat wil opbouwen, desnoods een krankzinnig denkbeeld maar een ideaal, kun je dan dat ideaal waarmaken, terwijl je gelijktijdig alles in hokjes gaat verdelen? Dat kan alleen indien je een eenheid vormt, waar­in eventuele factoren van binding of van niet binding voortvloeien uit het harmonische verband, uit wat je voor elkaar bent en voelt.

In de oudheid hadden ze veel van die oude gebruiken. Er is zelfs een land geweest, waar het voor alle fatsoenlijk vrouwen geboden was om in de tempel enkele dagen of soms een dag op te treden als tempelprosti­tuee. Tegenwoordig zeggen ze dan; Dat is krankzinnig. Neen, dat is niet zo krankzinnig, want hierdoor werd het idee van “alleenrecht” gebro­ken. Daardoor kon de vrouw die toch heel erg gebonden was in die tijd, vergeet dat niet, toch het gevoel hebben deel te zijn van het geheel. En de man wist dat zij deel was van het geheel. Hij kon zich niet daaraan onttrekken. En daardoor werden er relaties geschapen met de goden (en natuurlijk ook met de tempel), die op een veel natuurlijker wijze zich konden ontwikkelen.

De goden van vroeger waren geïntegreerd in het volk. Op dezelfde manier, waarop ze tegenwoordig zeggen; Waar blijft de politieagent, zei­den ze vroeger; Waar blijft Apollo, waar blijft Jupiter? Of ze stonden aan de rand van de woestijn en riepen Harmachus, waarom kom je niet? De goden waren levende waarden. Ze leefden onder de mensen, in de men­sen en daardoor konden ze antwoorden. Een god die je alleen in een kerk zoekt en alleen daar meent aan te treffen, heeft haast geen moge­lijkheid zich aan je te openbaren buiten die kerk, tenzij hij die feitelijk verkracht (geestelijk natuurlijk, maar toch verkracht). Maar een god die je overal meent te ontmoeten, een god die je kent, die je ziet als een functionaliteit in het leven, die kun je elk ogenblik ontmoeten, die kan op elk ogenblik tot je spreken. De kracht van die god is ook op elk ogen­blik toegankelijk.

Veel van wat er in de moderne wereld en maatschappij gebeurt, gaat weer die richting uit. Je kunt de dingen niet van elkaar scheiden. Je kunt niet zeggen Het geestelijk leven staat hier, het vaderland staat daar, onze theorie staat ginds, daaronder komt dan nog de praktijk en daar rommelen we maar wat aan. Dat gaat eenvoudig niet. Er moet een eenheid zijn.

Alle magie, die in de loop der tijden is bedreven vanaf de eerste sjamanen tot de koning der magiërs, Salomo, heeft steeds berust op de erkenning van eenheid met het hogere en de erkenning van verbondenheid ook met het lagere. Uit die erkenning van de verbondenheid en de aan­vaarding daarvan (niet alleen binnen een magische cirkel of een tempel, maar in de totaliteit van het leven) was het mogelijk te komen tot be­heersing, tot het magisch resultaat, tot erkenning en praktijken die nu misschien primitieve wetenschap worden genoemd, maar die in die tijd grepen naar het onbekende, het onzienlijke, het ondenkbare.

Op dezelfde manier zijn de mensen van vandaag bezig zich weer een weg te banen naar die harmonie, naar het onzienlijke, naar de totaliteit van krachten en waarden, waarin de geest, de engelen, de heiligen, God en wie weet wat nog, meer niet meer te scheiden zijn van duivelen of van mensen waar dit alles een eenheid vormt en door die eenheid alle krach­ten zich voortdurend kunnen uiten en manifesteren.

Magie wordt al te veel gezien als een kunstje. Het is zoiets van “bewimpeld en bewampeld, genezen zult gij zijn.” Neen, mensen. Het is ik ken een harmonie met u. Er is niets wat ons scheidt. Er is niets wat ik u zal weigeren. Er is niets wat ik u eerst zou moeten vragen. Ik heb het gevoel tussen ons zijn vragen, eisen, weigering op dit moment uitge­sloten. Wij zijn deel van een totaliteit, waarin ditzelfde geldt. En nu kan ik genezen, want nu is er het totaal van die krachten en daarmee maak ik beter.

Je kunt ook zeggen bv., die is een schoft, die of die moet sterven. Maar dan gebeurt er niets. Want kan ik iets aanvallen wat ik niet eerst heb erkend als behorende tot mij, tot mijn we­reld, tot mijn eenheid? Het principe van de magie is niet zo dat ik zeg; De moordenaar ben ik misschien, want ik ga magisch iemand doden. Degene, die daarbuiten staat, hoort niet bij mij. Ik moet eerst het slachtoffer zien als deel van mijn wezen, van mijn leven. Ik moet hem deel maken van de totaliteit, waarin ik ben. Ik moet hem eten met m’n voedsel, ik moet hem drinken met de drank, ik moet hem inademen met de lucht. En pas als ik weet, ik ben verbonden met hem, er is geen scheiding meer tussen ons, dan is de dood, die ik in mij erken, voor hem onvermijdelijk. Want in de harmonie is mijn wens zijn wens geworden. En hij zal zichzelf doden, omdat ik besef dat die dood noodzakelijk is.

Er zijn ook magiërs, die proberen de werkelijkheid te vervalsen die een ander misleiden t.a.v. de noodzakelijkheid van diens dood. Maar dat betekent nog niet dat ze daardoor die eenheid verwerpen. Eenheid is het grote magische woord.

In het verleden heb ik al die dingen gezien en geconstateerd. Ik zie ze vandaag nog. Ik ben helemaal niet tegen allerlei dingen. De mensen zeggen Wij zijn tegen drugs. Och, het is niet goed. Maar als ik eerst begin met de druggebruiker te accepteren en te erkennen dat die drugs niet goed zijn en ik die harmonie met hem heb, dan zal dat gebruik verdwijnen, dan is het overbodig geworden. Maar zolang ik hem buiten mij zet, maak ik met elke eis dat hij ermee ophoudt het alleen maar moeilijker voor hem om ermee te stoppen. En dat is natuurlijk ook dwaasheid.

U moet die eenheid in deze tijd ook zien t.a.v. politiek, economie, milieuverontreiniging en al die dingen meer. Zolang ik strijd tegen iets, kan ik niets bereiken. Als u strijdt tegen de watervervuilers, dan be­reikt u niets. Ze gaan door. Maar op het ogenblik dat u een eenheid kunt bereiken met die watervervuilers, zullen zij beseffen dat hun daden niet harmonisch zijn met uw belang. Terwijl u zult begrijpen dat uw eisen eveneens niet harmonisch zijn met hun belangen. En dan zult u gezamenlijk de weg zoeken die voor beiden aanvaardbaar is en maakt u het schijnbaar onmogelijke mogelijk. Dan kunt u de verontreiniging van deze wereld in tien jaar ongedaan maken. Die tien jaar heb je nodig, omdat er al zoveel vervuild is, niet omdat het zo moeilijk is om de zaak te stoppen.

Ik geloof zeer sterk in deze magische werking. Ik ben ervan overtuigd, dat de komende Wessac op dit terrein allerhande fenomenen zal laten zien. Wat het is? Je durft er niet over praten, want het is heel erg brutaal, als je als molecuul wilt vertellen hoe laat het is op het horloge, waarvan je deel bent. Ik voel hierin deze nieuwe magische kracht, deze werking, waardoor we en dat is erg belangrijk de horizontale en de verticale magie samenbrengen.

Het kruis werd weleens alleen gezien als het bewustzijn van de mens; ik wortel in de aarde en ik richt mij op tot God, de Vader in de hemel en ik spreid mij uit, opdat ik de aarde kan omvamen. Maar je zou ook kunnen zeggen Ik moet een harmonie vinden tussen de chaos en de bekroning in het licht, de Godheid Zelve. Ik moet een harmonie vinden met het totaal van de wereld en alle verschijnselen. Deze harmonieën tezamen zijn niet slechts de uitdrukking van mijn macht en vermogen, ze zijn mijn kennis, ze zijn mijn kracht, ze zijn voor mij eigenlijk ook nog de motivering van wat ik ben. Ik meen dat dit heel dichtbij ligt. Ik geloof dat de magie van het kruis in deze zin dichterbij komt.

Het is niet aan mij om in deze lezing u precies te vertellen hoe het allemaal in het verleden is geweest. Anderen kunnen dat veel beter. Het is evenmin aan mij om voorspellingen te doen op een ogenblik, dat bepaalde beslissingen nog moeten worden genomen. Maar ik kan u misschien dit heel belangrijke punt overbrengen: Magie is niet een strijd, het is een eenworden met.

“Mijn ezel wil niet lopen. Mijn denken wordt een. Ik ben de ezel. En de ezel is de ruiter geworden en toch is uiterlijk alles onveranderd. Nu draagt de ezel de ruiter, maar de ruiter spaart de ezel.” Dit is Perzisch en het heeft ook wat met magie te maken.

De situatie kunnen we misschien zo uitdrukken: Naarmate u begrijpt hoe harmonie, volledige aanvaarding voor u allen het begin is van alle ontwikkeling en elke kracht van geestelijke aard en elke stoffelijke verandering in feite domineert, zult u in deze dagen streven naar harmonie. Harmonie die past bij uw wezen, maar ook bij de andere, ook bij de wereld, ook bij degenen, die nu uw tegenpartij zijn. De versmelting van waarden geeft een maximum aan kracht en mogelijkheden. Dan is elke geformuleerde wens in zichzelf de verwezenlijking en dan wordt waar wat er geschreven staat: “Klopt, en u zult worden opengedaan. Vraagt, en u zult worden gegeven.”

Zijn er nog engelen?

Dit is een wonderlijke vraag omdat “engel” een naam is die we geven aan een entiteit die in de rangorde, die de mensen voor het licht hebben opgebouwd, een zekere plaats bekleedt. Maar iemand die op aarde leeft, kan innerlijk evengoed “engel” worden genoemd. Want het is niet een kwestie van status, het is een kwestie van structuur. En de structuur ligt in de geest, die in principe overal gelijk is.

Engelen worden gezien als de boden en de bewerkers van Gods wil. Zij komen tot de mensen, zij dienen de mensen, zij waarschuwen hen, ze worstelen er desnoods mee en op een gegeven ogenblik heeft de mens daardoor de mogelijkheid om tot God te komen. Je zou misschien kunnen zeggen, dat vanuit menselijk standpunt de engel een soort intermediair is, die de bereiking van hogere waarden mogelijk maakt. Maar als je het zo bekijkt, ben je eigenlijk zelf die engel.

Een wijze heeft eens gezegd “De mens in zich is engel en duivel tegelijk, want hij kan zichzelf oproepen tot de grootste hoogten van licht en hij kan zichzelf doen neervallen in de diepste poelen van ver­worpenheid.” Ik geloof dat je dus het engel zijn niet kunt zien als iets aparts, iets zonderlings.

Er zijn geesten die nimmer mens zijn geweest en die in de geschie­denis van de mensheid een helpende, leidinggevende rol spelen. Misschien wilt u dat een engel noemen. Maar dan moeten we niet vergeten, dat die engel vroeger ook ergens heeft geleefd in de materie. Het is niet zo gemakkelijk voor de mens om zich dat voor te stellen. Want hij gelooft misschien wel vaag in leven in de ruimte, maar ergens heeft hij het ge­voel dat zijn aarde en de menselijke vorm de uitverkoren uitdrukkingen zijn van goddelijke kracht, macht, scheppingsdrang en welbehagen. Maar waarom zou er dan in de bijbel staan dat er strijd was in de hemelen en dat Ga­briel en de zijnen Lucifer met zijn aanhang uit de hemel heeft verdreven? Als je dat zich laat afspelen in een hemel, zal je toch eerst duidelijk moeten maken wat die hemel is.

Stel het nu eens veel eenvoudiger. Er zijn gewoon twee richtingen van denken geweest in het verleden. De ene richting is direct Godsgetrouw. De andere heeft gezegd; Wij hebben de middelen gekregen om te denken, dat moeten we zelf doen. Toen hebben de Godsgetrouwen de zelfdenkers de mid­delen ontnomen, waardoor zij zich in bepaalde werelden konden ophouden. Dat klinkt al direct veel aanvaardbaarder. En als deze wezens zijn over­gegaan, zullen zij, zoals elke mens die overgaat, de neiging behouden om voort te gaan in de richting, waarin zij ook op hun wereld hebben geleefd.

Dat betekent dat er entiteiten kunnen zijn, die tot de mens zeggen: Je moet zelf denken, zelf beslissen. Je moet eerst weten en vanuit dat weten bewust leven. En dat er andere entiteiten zijn, die zeggen: Ach, God is zo goed, leef nu maar zoals ik het je zeg. Maar zijn ze daarom nu meer of minder dan een menselijke geest? Als een engel iets meer moet zijn dan een menselijke geest, dan kunnen we alleen maar zeggen: Dan moet het een menselijke geest zijn die zich heeft ontwikkeld.

Zijn er nog engelen? Ik geloof dat dat sterk afhankelijk is van de manier waarop wij die dingen bezien en aanspreken. Als je als spiritist spreekt over een geleidegeest, dan heb je het meestal over iemand die op aarde heeft geleefd, is overgegaan en zich nu met jou bezighoudt. Maar komen wij bij een bepaalde religie, dan heet diezelfde entiteit in­eens engelbewaarder. Waarom? Misschien omdat men daar het voortbestaan van de mens niet helemaal aanvaardbaar vond en daarom dergelijke entitei­ten een andere naam heeft gegeven. Het vreemde is van engelbewaarder en bewaarengel horen we niet zo vaak.

Als we teruggaan naar de bijbel, dan komen we tot de conclusie, dat iemand “engel” wordt genoemd aan de hand van de resultaten die hij heeft gekregen. Abraham was kinderloos bij Sara en hij verlangde zeer ook van haar een kind te verkrijgen. En ook zij bad de Heer dagelijks daarom. Op een dag kwamen er drie vreemdelingen en keerden in zijn huis in. Kort daarop werd Sara zwanger. En toen wisten zij het, het waren engelen geweest. Natuurlijk dat is een schitterende uitleg ervoor. Maar misschien is het wel heel iets anders geweest. De oude Tobias wordt blind door iets wat in zijn ogen valt, een vogel. De jonge Tobias gaat op zoek naar het een of andere heelmiddel daarvoor. Aan de oever van de rivier treft hij een mens, althans hij denkt dat het een mens is. Hij maakt er ruzie mee, hij worstelt ermee. Deze overwint hem en geeft hem dan een recept voor de genezing van de ogen van zijn va­der. Toen wisten ze het weer, het was een engel.

Als je het zo bekijkt, wordt het heel erg moeilijk te zeggen; Wat is nu een engel? Misschien is het gewoon een reiziger geweest die een ma­gisch receptje kende en de jonge Tobias heeft uitgelachen, omdat deze zo overal liep te leuren en te zoeken, terwijl de genezing vlakbij was. En dat heeft de jongen niet genomen. Die vreemdelingen die bij Abraham zijn ingekeerd, zijn misschien gewoon trekkende reizigers geweest. Wie zal het zeggen? Maar in de bijbel zijn het engelen.

Als je zo redeneert, dan is iemand dus een engel aan de hand van de resultaten die hij tot stand brengt. En dan ben ik volkomen bereid te zeggen dat iemand als Schweitzer een engel is, dat Pandit Nehru een engel is. Want de resultaten van hun werk zijn groots en goed. Zij hebben veel liefde en kennis onder de mensen gebracht. Ik zou zeg­gen dat dat kenmerkend is voor de rol die de engelen spelen.

Soms zijn er engelen die iemand dwingen om tegen zijn wil iets te doen. Balaam zit op zijn ezeltje. Op een gegeven ogenblik heeft hij waar­achtig het idee dat het beest onwillig wordt. En als hij hem een pak slaag geeft, denkt hij hem te horen zeggen; Waarom sla je mij, zie je dan niet wat daar op de weg staat? En dat is een engel. Die komt hem vertellen wat hij moet doen. Wie was erbij? Niemand is erbij geweest, behalve Balaam en zijn ezel. Maar die was verstandig genoeg om niet meer te praten. Het kan toch net zo goed zijn dat Balaam een visioen heeft gehad. Het be­hoeft toch niet feitelijk te zijn geweest. Het is hier een besef, misschien van rechtvaardigheid of van noodzaak, dat in Balaam ontstaat. En het ver­haal dat hij erover vertelt, is dan alleen maar om de verantwoordelijk­heid van zich af te schuiven. Maar de engel, waarmee hij te maken heeft, is volgens mij, Balaam zelf.

Als er zo in het verleden engelen zijn geweest, dan zij ze er vandaag overal en plenty. Maar ja, het is natuurlijk ook mogelijk dat u zegt: Engelen zijn lichtende geesten met een gouden kransje, een witte soepjurk, vleugels en naar gelang van hun rang, een zwaard of een trompet “Gabriel blow your horn” of een harp of wat anders. Als u het zich zo denkt, dan zou ik zeggen: Neen, die engelen hebben geloof ik ook nooit bestaan. Maar als u vraagt: Is de bewuste mens, zelfs indien dat bewustzijn maar een ogenblik werkelijk opleeft niet voor een ogenblik een geest van licht, een engel? Dan zou ik “ja” zeggen.

Elke mens draagt in zich het hoogste licht. En dit beseffende is hij een ogenblik meer dan mens, noem hem een engel. Elke mens draagt in zich de duisternis. De krachten die teruggrijpen tot het begin van alle bestaan en alle chaos, want de mens reikt door alle tijd. Als hij terug­grijpt naar deze vroegere ontwikkeling van zichzelf, dan is hij duister en dan kunnen wij hem een duivel noemen. Maar heeft hij daarom plotseling vlerken, een vork en een staart? Hij verandert uiterlijk niet. Iedereen zal hem nog steeds aanspreken met mijnheer en mevrouw en hoogstens aan de hand van zijn of haar daden achter zijn rug zeggen, ellendeling. Dit is het enige verschil.

Er zijn vele geesten. Geesten die willen helpen. Er zijn soms geesten die willen plagen of misleiden. U kunt ze engelen of duivelen noemen, als u dat wilt, maar zij komen voort uit hetzelfde waaruit u voortkomt. Zij zijn deel van dezelfde bewustwordingsgang, waartoe ook u behoort. U kunt dan hoogstens “engel” beschouwen als een rangaanduiding en daar­mee uw menselijke neiging om alles in hokjes, vakje en laadjes op te ber­gen, overdragen op een geestelijke werkelijkheid die juist alle verdeeld­heid tenslotte beëindigt.