Relaties

       uit de cursus ‘Kosmische krachten aan het werk‘ (hoofdstuk 8 ) – mei 1978

Relaties

Wie aan astrologie doet, leert onmiddellijk dat een bepaalde edelsteen bij een bepaald teken behoort. Houdt u zich bezig met kruidkunde e.d, dan wordt u a1 snel verteld dat bepaalde kruiden samengaan met bepaalde kwalen en dat ze bovendien invloed hebben op zekere delen van het menselijk lichaam. Houdt u zich bezig met de opsporing van metalen via de wichelroede, dan hoort u dat er een bepaalde prikkel optreedt en dat de gevoeligheid daarvoor de mens in staat stelt om met die wichelroede aan te wijzen waar olie, water, metalen aanwezig zijn. Wat is de achtergrond hiervan? Ik zou het betrekkelijk eenvoudig kunnen maken maar wij hebben het ook nog over de kosmos en daarom moet u me dan maar toestaan het wat moeilijker te maken.

De gehele kosmos bestaat uit een aantal kracht‑ of energiepatronen. Elk patroon hangt samen, niet alleen met de structuur van de materie, maar eveneens met de zich daarin mogelijk bevindende kristallisatiestructuren. Dat betekent weer dat een dergelijke manier van kristallisatie de reactiemogelijkheid bepaalt van metalen, gesteenten en wat dies meer zij. Het betekent echter ook dat stoffen en ook levend organisme – dat kun je weer uitdrukken in een factor op de refractie‑index – daardoor bepaalde stralingspatronen vertonen. Deze stralingspatronen vertonen al dan niet een gelijkenis met die van bepaalde metalen, steensoorten enz.

In de kosmos zien wij heel veel verschillende soorten structuren. Een van de meest bekende is de z.g. cluster. Hier zien wij een groot aantal, meestal niet meer zo actieve, sterren bij elkaar staan. De onderlinge afstand kan worden gemeten in lichtmaanden. Als wij zien hoe die sterren elkaar beïnvloeden, dan is dat werkelijk iets verschrikkelijks. Er ontstaan stormen in die sterrenhoop, er zijn enorme werkingen en dat betekent dat alles wat daarin moet blijven bestaan van een zeer bijzondere structuur moet zijn. Het is niet meer voldoende dat er een gewoon energiepatroon is. Neen, het moet een energiepatroon zijn dat niet amorf kan worden, dat zich niet eventueel kan overgeven aan een zodanige verkleining dat het eindresultaat eigenlijk geen structuur meer vertoont. Het gevolg is dat daar de z.g. verdichte kristalstructuren ontstaan.

Een verdichte kristalstructuur kunt u zich ongeveer als volgt voorstellen: als u een staalplaat neemt met een dikte van ongeveer 12 cm en u zou het kristal (ijzer heeft ook zijn eigen kristalvorm) herleiden tot die kristallen welke in de grote sterrenclusters voorkomen, dan zou u een dikte hebben van iets minder dan een tiende millimeter. Dat wil zeggen dat dezelfde materie en hetzelfde gewicht zich bevinden in een veel kleinere ruimte. Het is ook duidelijk dat de structuur in dat geval moet afwijken van wat men op aarde kent. IJzer in zijn superverdichte vorm kan wel reageren op een kristalstructuur van ijzer. Bij de mens komt ijzer voor in het lichaam in solutie, in een oplossing. Die oplossing heeft een zo’n geringe vastheid dat ze de grotere vastheid niet meer kan herkennen. Er kan geen resonantie tussen zijn.

Kijken we naar andere vormen, dan kennen we ook nog de uitermate verdichte structuren van de in zichzelf teruggevallen sterren. Dat zijn sterren met een bijzonder hoog gehalte aan zware metalen. Daar komt een dichtheid voor die zo groot is, dat u het alleen nog maar ziet als een zwart gat. Elk partikel licht dat daar naartoe gaat, wordt namelijk zo sterk aangetrokken dat het niet meer mogelijk is dat het licht uitstraalt. Het is duidelijk dat ook de daar voorkomende vormen niet in staat zijn te reageren op iets wat in de mens leeft en dat de mens op zijn beurt ook niet hierdoor wordt getroffen; hij kan er niet door worden beïnvloed.

Als wij verder gaan kijken, vinden wij in de gehele kosmos nog iets anders. Er is een patroon. Wij kunnen dat misschien als een ruitjespatroon zien, maar dan wel in drie dimensies, van allerhande krachtlijnen en krachtstralen. Dit is een veld dat niet als volledig magnetisch kan worden aangeduid; het is pseudo‑magnetisch. Dit veld heeft ook weer een bepalende invloed op alles wat zich daarin bevindt. Wat is hier nu het meest belangrijke?

Wel, wanneer een dergelijk krachtpatroon ontstaat en materie zal een van die krachtlijnen doorsnijden, dan ontstaat er een heroriëntering van alle structuren, dus ook van kristalstructuren. Dat betekent dat gevoeligheden veranderen. En wanneer men op aarde is en de aarde komt op een gegeven ogenblik terecht in zo’n krachtlijn (dat zou denkbaar zijn), dan zal het lijken alsof er een energiestorm woedt op alle planeten en ook op de zon. Dat is de verschijningsvorm ervan die we als mens kunnen constateren. Maar wat gelijktijdig zou gebeuren, is dat de eigen waarde van alle kristallen verandert en, voor wat de mens betreft, van het DNA. De mensen zouden dus andere wezens gaan voortbrengen. Zij kunnen hun eigenschappen niet meer vastleggen in hun nageslacht als voorheen.

Dit zijn grondwaarden die u even moet onthouden. Want als wij willen praten over de invloed van b.v. een edelsteen op een mens en omgekeerd, dan zijn wij teveel geneigd te zeggen: dat is een directe relatie, of: het hangt af van gedachtekracht. Niets is minder waar.

Een mens heeft in zich een groot aantal stoffen. Hij heeft in zijn lichaam tenminste een drietal belangrijke krachtstromen en zowel de krachtstromen als de stoffen hebben een eigen structuur. Die structuur is eigen aan dit zonnestelsel. Buiten dit zonnestelsel kunnen er dus afwijkende structuren ontstaan. In dit zonnestelsel zijn afwijkende structuren soms mogelijk maar dat zijn dan maar zeer kleine hoeveelheden t.a.v. het oorspronkelijke materiaal.

U reageert op een edelsteen. Waarom? Omdat deze edelsteen harmonieert met de krachtafstemming van uw wezen, daarmee met een deel van uw gedachte-uitstraling en ook omdat die structuur een krachtrooster vertoont dat een overeenkomst heeft met tenminste 1 á 2 stoffen die zich in uw lichaam bevinden. Als dat niet het geval is, is die wederkerige beïnvloeding niet mogelijk.

Gesteld dat die beïnvloeding plaatsvindt, dan kunnen we zeggen: elke gedachte die in de edelsteen ooit is opgenomen, zal voor mij als een telepathisch signaal verschijnen. Ze zal mij, hetzij in mijn bewustzijn, hetzij in mijn onderbewustzijn beïnvloeden. Ik kan mij daaraan moeilijk onttrekken. Omgekeerd zal al wat in mij leeft en in mij actief is, ook de edelsteen beroeren. Dat betekent dat in die edelsteen bestaande kleine energieën geactiveerd kunnen worden door mijn gedachten. Een edelsteen kan een mens beïnvloeden en een mens kan een edelsteen beïnvloeden.

Gaan wij bij een plant kijken, dan wordt het iets moeilijker. Maar gelukkig hebben wij hier toch iets wat weer ongeveer gelijk is bij de mens, bij het dier. We noemen dat dan maar het DNA‑patroon: dat is een moleculair atoom waarin de eigenschappen worden voortgeplant.

Als een deeltje van het DNA‑patroon in een plant vergelijkbaar is met een deeltje van het DNA‑patroon dat een mens in zich draagt, dan zal die mens in het bijzonder op die plant reageren. Eveneens zal die mens ook op die plant veel gemakkelijker invloed kunnen uitoefenen, al is het alleen maar omdat zijn gedachte-uitstraling, die mee in de resonantiemogelijkheid bepaald is door het DNA‑patroon, die plant beter bereiken.

Als iemand een ‘groene duim’ heeft, dan betekent dat dat hij een buitengewoon gevoel heeft voor planten. Wat kunnen we daaruit afleiden? Dit is een gave; het is niet iets wat men kan leren. De mens die een ‘groene duim’ heeft, is gevoelig voor de uitstraling van planten, terwijl ook zijn eigen uitstraling door de planten wordt geabsorbeerd. Er is een wederkerigheidsrelatie waardoor de mens bijna automatisch datgene doet wat voor de plant het meest aangenaam of het meest noodzakelijk is, terwijl de plant op haar beurt de aanvaarding, de goedkeuring, de groeistimulansen die in het menselijk denken liggen voor zich accepteert en daarop reageert. Het is geen denkproces maar gewoon een stimuleringsproces in de levensstroom.

Als we daarmee bezig zijn, kunnen we natuurlijk nog verder gaan, want er zijn zoveel eigenaardige structuren waarop een mens reageert. Neem nu eens een parel, die ten onrechte wel eens een edelsteen wordt genoemd, ofschoon het in feite niets anders is dan een in kalklagen gehulde prikkelkern die door een schelpdier niet verwijderd kon worden. Daar komt het op neer. Hoe kan het dan, als we het hebben over die structuren en patronen, dat een parel op sommige mensen invloed kan hebben en op andere niet? En dat een parel, als sommige mensen haar dragen, mooier wordt terwijl andere mensen die parel juist snel dof zien worden? Nu kunnen we natuurlijk over huidafscheiding gaan spreken. Maar zelfs als wij die parel inpakken zodat ze niet kan worden aangetast, dan vertoont ze nog dat vreemde verschijnsel en wordt dof. De verklaring daarvoor is weer betrekkelijk eenvoudig: de glans van een parel is afhankelijk van de breking. Er zijn een groot aantal zeer dunne kalklaagjes (de afscheiding) die over elkaar liggen. Wanneer nu de relatie tussen die laagjes juist is, dan krijgt de parel diepte: ze glanst. Als de relatie tussen het bovenste laagje en de onderliggende laagjes wordt verbroken, dan wordt de parel dof; d.w.z. ze heeft geen glans, geen levende gloed meer.

Het antwoord is eenvoudig dit: wanneer u, al is het maar door uw uitstraling, met de kalk die in de parel zit, harmonisch bent, maar niet harmonisch met de opbouw (de structuur) van de parel, dan zal de parel dof worden. Omgekeerd, wanneer u gezond bent en die parel is bij u ook gezond, dan is ze natuurlijk een mooie indicatie van uw lichamelijke conditie. Want op het ogenblik dat uw levensstromen (het energiepatroon dat uw gezondheid bepaalt) verzwakken, zal de parel daarop reageren. De parel reageert niet op een huidafscheiding maar gewoon op een verandering van energiepatroon. Het is dus heel iets anders dan ringen die afgeven.

Ringen die afgeven, doen dat over het algemeen omdat in de afscheiding van de huid enige zuren aanwezig zijn en daardoor een oxidatieproces ontstaat. Dat oxidatieproces resulteert dan weer in het ontstaan van zwarte laagjes. De huid neemt dan een deel daarvan op en dan heeft u die zwarte vingers en het doffe metaal. Maar als we dat metaal isoleren door daarop b.v. een plastic laagje aan te brengen, dan verkleurt het niet. Een parel kunnen we in plastic verpakken en ze verkleurt toch.

Iets dergelijks kunt u zien bij sommige edelstenen. Robijn, amethist, smaragd en ook de z.g. drie‑geel diamant (met een bepaalde verontreiniging) reageren daar heel sterk op. Deze stenen hebben namelijk de neiging om ook heel sterk te reageren op het krachtpatroon, het energiepatroon van de mens. Als u wilt zien of uw eigen energiepatroon in orde is, dan moet u dat voor de spiegel doen. U brengt de steen in aanraking met de plaats waar ongeveer het ‘derde’ oog zit. Dus tussen de wenkbrauwen, maar iets hoger. U zult zien dat dan de steen, als u zelf energie‑geladen bent, plotseling een grotere refractie‑index heeft; het is alsof ze meer licht absorbeert dan normaal. Indien echter uw lichamelijke toestand negatief is, dan blijkt dat de steen opeens veel minder reactie toont.

Uit dit alles zou kunnen worden afgeleid dat er tussen edelstenen en mensen een bepaalde relatie kan bestaan, dat ditzelfde mogelijk is voor planten en, om de reeks volledig te maken, het kan ook met mineralen, met metalen en zelfs met dieren bestaan.

Dan moeten we ons eens gaan afvragen of dergelijke stenen, planten, mineralen e.d. in relatie tot ons eigen wezen eigenlijk niet tevens een weerkaatsing zijn van de krachten uit de kosmos.

Lood b.v. blijkt voor een Saturnuskracht de ontvanger te zijn. Lood, dat verder erg isolerend en zeer negatief is (een bijna uitgewerkt element), is voor een Saturnuskracht juist iets wat accepteert. Zou een zeer sterke Saturnuskracht een lange tijd op een stukje lood inwerken, dan blijkt dat zich in dat lood fijne kristallen vormen. Dit laatste experiment is, naar mij bekend, nog nooit gedaan maar wanneer iemand dat experiment zou doen, zou hij dat kunnen ontdekken. Misschien dat ze dat in de ruimtevaart nog eens uitvinden.

Zo goed als een mens een eigen stralingspatroon heeft, hebben ook planeten en sterren een eigen stralingspatroon. Dit is aanmerkelijk complexer dan dat van de mens. Maar als daarin weer stukjes zijn die praktisch geheel overeenkomen met de kristalstructuur van een metaal of van een bepaalde steensoort, dan is het duidelijk dat ook daar een wederkerigheid zal zijn. Die wederkerigheid kun je dan weer als volgt omschrijven: op het ogenblik dat een sterke invloed van een bepaalde planeet optreedt en een metaal geschikt is voor het ontvangen daarvan, zal een versterking van alle energie in en aan dit metaal gebonden onmiddellijk optreden. Hierdoor zal de eigen stralingswerking van het metaal t.a.v. zijn omgeving toenemen en allen, die daarop zijn afgestemd, hoe dan ook, eveneens veel sterker beroeren dan normaal.

Nu heeft u misschien wel gehoord dat men een zonne‑diagram op goud moet maken, een maan‑diagram op zilver en een Mars‑diagram op ijzer. Waarom is dat? Waarschijnlijk niet omdat de mensen verstand hebben van die stralingspatronen en alle reacties die daardoor kunnen worden ontwikkeld. Maar men heeft wel ontdekt dat er een samenhang is tussen een bepaalde planeet en een bepaald metaal. Nu is men door de ervaring ertoe gekomen te erkennen: als ik goud heb, dan blijkt dit de zonne‑uitstralingen bijzonder sterk op te vangen. Het blijkt de kracht van de zon bijzonder sterk te concentreren. Iemand die dat goud dan bij zich draagt, zal daardoor op een zekere manier worden beroerd. Verbind ik aan het metaal (dat is het grapje met het zegel of het amulet) een sterk emotioneel gedachtepatroon met een vaste gerichtheid, dan zal deze gerichtheid uitermate worden versterkt door de relatie tussen het metaal en de daarbij behorende ster of planeet. Dit is dus gewoon magie.

We kunnen nog een stap verder gaan. Er zijn planten die bepaalde metaalsporen bijzonder graag opnemen net zoals er planten zijn die bij voorkeur bepaalde zuren opnemen in hun voedingsstoffen. Andere daarentegen nemen juist basen op. Elk van die dingen hebben een reactie op een van de planeten en bovendien nog op een aantal sterren. Dit is weer wat erg ingewikkeld om dat verder uit te werken.

Als u zich nu realiseert dat dergelijke dingen ook in planten aanwezig zijn, dan zal het duidelijk zijn dat een plant ook bijzonder sterk zal reageren op b.v. de maan. Er zijn planten die juist bij maanlicht geplukt moeten worden opdat het sap, zoals men zegt, dan veel krachtiger is. In de kruidkunde weet men dat. Waarom? Omdat de invloed van de maan een zodanige harmonie vormt met de plant en haar levensprocessen, dat er een veel hogere geladenheid ontstaat en er gelijktijdig een voedselopname is met een veel grotere verdichting van bepaalde elementen dan normaal.

Daarom zijn de werkzame stoffen van Belladonna, geplukt bij volle maan, veel groter dan wanneer ze gewoon wordt geplukt. Andere planten moeten het juist van het eerste zonlicht hebben, dan hebben ze de grootste concentratie. Weer andere planten kun je het beste plukken op het middaguur. Vroeger was dat een hele wetenschap. Tegenwoordig is dat allemaal langzamerhand verdronken in de apotheek. Maar er is werkelijk een relatie tussen planeten en planten.

Gaan we kijken naar metalen, dan zien we dat in elke soort structuur die op aarde voorkomt en waarin een vast patroon als herontstaande kern aanwezig is, er altijd een relatie zal zijn met bepaalde krachten uit de kosmos.

Nu ik dit gezegd heb over planten, gesteenten etc, gaan we spreken over de mens zelf.

Een mens is over het algemeen min of meer gevoelig voor alle planeten. Hij heeft een tamelijk complex organisme. Dat wil zeggen dat vele stoffen en structuren, die onder een bepaalde planeet vallen, in een mens aanwezig zijn. Maar wanneer dan zo’n planeet inwerkt, is het de vraag of die structuren zich in de mens bevinden, want daardoor wordt de werking van de planeet op de mens bepaald.

Als ik dit zeg t.a.v. een planeet, dan moet ik dit ook zeggen t.a.v. alle sterren die een vergelijkbare uitstraling hebben; een kracht dus die een eigen kernpatroon overbrengt die vergelijkbaar is met die van metaal of van stoffen die deel uitmaken van het menselijk organisme. Het wordt u dan duidelijk waarom astrologie niet zo onzinnig is als het wel lijkt. De astrologie stelt bepaalde relaties en verhoudingen, maar ze kan niet precies verklaren waarop. Die verklaring zit nu juist in het z.g. kristalresonantie‑effect. Als we kijken wat ze tegenwoordig op aarde doen, is dat fantastisch.

Ze nemen een kristal, brengen dat op goede grootte en op de juiste afstemming en opeens kun je alleen een bepaalde golflengte van een radiostraling ontvangen. Je kunt een kristal zodanig afstemmen dat het a.h.w. vibreert zodra het een elektrische stroom ontvangt van een zeer bepaalde trilling en zonder enige afwijking. Dat heeft u wel eens gehoord in de moderne techniek.

De natuurlijke structuren hebben vergelijkbare eigenschappen. Ze hebben deze voor de gehele kosmos en voor alle krachten die daarin voorkomen. Het is niet mogelijk een kristal te creëren dat allen op de maan reageert. Het is wel mogelijk een kristal te creëren dat voornamelijk op de maan reageert en op alle vergelijkbare, in feite gepolariseerde, stralingen die daaruit voortkomen. En als er een ster is die dezelfde straling geeft, dan zal het effect op het kristal ook hetzelfde zijn.

Wat heel veel mensen ook niet begrijpen, is dat een kristal niet alleen maar een structuur is, een vorm waarin onder omstandigheden een stof werkzaam is. Een kristal is wel degelijk een krachtsverhouding, een krachtveld. Dat blijkt ook wel uit dat geslepen kristalletje dat alleen een bepaalde radiogolflengte doorlaat, dat alleen een bepaald trillingsgetal accepteert onder beïnvloeding van elektriciteit, als daarin een kleine spanning wordt aangebracht. Een kristal heeft dus niet alleen materie, het heeft ook een krachtpatroon. Dit krachtpatroon kan worden omschreven als een beperkt trillingspatroon. En nu is het mooie dat alles wat wij kennen aan levensuitingen, eveneens een eigen trillingspatroon heeft. Soms variabel, soms vast.

Nu gaan we naar u, de mens, kijken. U bent in de buurt van dieren en planten. Uw denken zou misschien afgestemd kunnen zijn op een bepaald metaal. Waarom niet? U heeft misschien een grote planeetgevoeligheid op een zeker terrein. Maar u heeft een gedachtepatroon.

Stel dat dat gedachtepatroon een kritiekloze aanvaarding is van alles wat u ziet. Dan bent u voor de omgeving als uitstraling neutraal. Dat wil zeggen: geen dier valt u aan, maar ook geen dier vlucht voor u weg. Ga er op uit, gericht op een bepaald dier. Het eigenaardige is dat u daar niet alleen sneller op reageert, als het in de buurt is, maar dat deze dieren vaak ook aangetrokken worden door uw gedachteuitstraling. De ornithologen, de vogelkenners, zullen dat misschien wel eens ervaren hebben. Als zij zich b.v. bezighouden met de blauwe gaai, de groene kuifspecht of wat voor andere bijzondere vogels ze ook gaan observeren, dan hebben ze daar dagen over lopen peinzen. Ze gaan naar een bepaald gebied en verwachten helemaal niet dat zo’n vogel zich daar zal vertonen maar ze zijn er wel intens mee bezig. En wat zien ze? Juist. De blauwe gaai, de groene kuifspecht of wat voor andere vogel ook. Het gaat zelfs zo ver dat het ook voor bepaalde insecten geldt.

Mensen die een instelling hebben t.a.v. een soort muggen, worden meer gestoken dan mensen die een andere instelling hebben. Toch is hun bloed even zoet. Ook die dieren worden wel degelijk aangetrokken door iets. In de natuur kunt u dat heel vaak zien. Een tweekleurige insectensoort (de mot b.v.). De ene soort is licht en de andere donker van kleur. Het milieu is donker. Wat blijkt nu? Alle lichte motten worden weggepikt. Nu zeggen de mensen: ze zijn zichtbaar. Wacht even: breng de vogels over in een ander milieu waar de achtergrond veel lichter is. Nu zou u denken dat ze de donkere motten pakken. Neen, ze pakken nog steeds de lichte. Waarom? Omdat zij door hun normaal levensritme zijn afgestemd op de levenstrilling die samenhangt met die kleur. Het is maar een klein verschil met de donkere soort. Eigenlijk is het maar één erfelijke factor, toch blijken ze daarop te zijn afgestemd. Zo zou je tot de conclusie moeten komen dat eigenlijk de attractie van de mensen onderling zelfs voor een deel kan zijn afgestemd juist op dat eigen patroon.

Dat klinkt dan weer vreemd voor de mensen. Zij hebben daarover allerlei opvattingen zoals de eeuwige zieleliefde die 41 miljard jaar geleden is begonnen en de aarde ook pas begon en die sedertdien door vele vormen is gefladderd tot ze elkaar in het heden tegen het lijf zijn gelopen en er nu een lijf-aan-lijf-gevecht van maken. Dat is allemaal heel mooi en dat zou op geestelijk terrein wel waar kunnen zijn, maar dat betekent nog helemaal niet dat er dan ook vergelijkbare stoffelijke factoren bestaan. Het kan echter wel zijn dat twee mensen een bijna identieke uitstraling hebben. Die zullen elkaar dan veel eerder accepteren als een factor van zichzelf en daardoor gemakkelijker, spontaner en vrijer met elkaar omgaan dan mensen die een tegengestelde uitstraling hebben. Als u dat gaat begrijpen, dan wordt het ook veel duidelijker hoe de menselijke verhoudingen in elkaar zitten.

U denkt wel eens dat de kosmos en al de krachten van de kosmos die op de achtergrond liggen en waarvan wij niet zoveel merken, hoogstens het wereldgebeuren beïnvloeden. Vergis u niet: de hele kosmos is een eenheid. Alle patronen die in de kosmos voorkomen, komen ook voor in alle soorten, vormen, organismen etc, die in de totale kosmos bestaan. Dat geldt voor alle bezielde waarden, of dat nu een ster is of een vlo. Die beïnvloeding is er. De afgestemdheid die binnen de kosmos alleen reeds op deze stoffelijke energiebasis aanwezig is, is bepalend voor de onderlinge relatie.

Die relatie kan bestaan tussen soorten. Die relatie kan bestaan tussen levende wezens en bepaalde materialen. Ze kan bestaan tussen planten en bepaalde levende wezens, tussen planten en bepaalde materialen. Deze afgestemdheid is deel van een kosmische patroon.

Wanneer u zich ooit afvraagt hoe het nu komt dat bepaalde edelstenen voor een mens een bepaalde werking hebben, dan heeft u nu, naar ik hoop, het antwoord gevonden. Dat antwoord luidt: er zijn zoveel vergelijkbare factoren in de mens aanwezig en in de structuur van de steen, dat het energiepatroon van de steen respondeert op dat van de mens en omgekeerd. Als een mens een steen als een talisman ziet en gelooft dat die steen hem kan helpen, dan zal hij zoveel van zijn eigen normaal niet gebruikte energie op die steen richten, dat ze die in rijke mate kan weerkaatsen en dan is de edelsteen zelf nog werkzaam.

De kosmische taken

De mens leeft op aarde. De mens is deel van de kosmos. De mens heeft buiten de tijd een betekenis die is vastgelegd. Alles wat hij doet binnen de tijd moet in overeenstemming zijn met deze werkelijkheid waaraan hij zich niet kan onttrekken.

Indien u het zo stelt, dan kunt u dit zien als een taak voor de mens. Maar is dat een taak? Een taak is een opdracht. Iemand zegt u dat u iets moet doen. Ik meen dat ‘taak’ eigenlijk een verkeerd woord is om de doodeenvoudige reden dat je het al hebt. Je weet het alleen nog niet. Daarom zou je de taak van de mens in de kosmos ‘bewustwording’ kunnen noemen, zichzelf worden. En dat zal voor al het andere in de kosmos evenzeer gelden. Of dat nu een ster is die miljarden jaren oud is of een mens die misschien pas enkele malen op aarde heeft geleefd, allemaal hebben ze in de kosmos een vaste waarde. En als ze zich die waarde realiseren, dan is de uiting niet meer iets wat hen kan vangen. Het is het ontkomen aan de gevangenschap van een bestaan in de materie of in een beperkte sfeer.

Wanneer je op aarde leeft, dat weet u zelf wel, dan word je door de omstandigheden gedicteerd. Je probeert daaraan te ontkomen, je probeer je aan te passen. Je maakt je allerlei illusies en dromen en ze komen niet uit. Je verwacht allerlei dingen en het gebeurt toch weer anders. Dan zeg je: het is Gods wil, of: het is het noodlot. Maar als je achteraf nagaat wat er allemaal een rol bij speelt, dan kom je vreemd genoeg tot de conclusie: eigenlijk ben ik er zelf direct mee verbonden. Zonder mij zou het zo niet gebeurd zijn. Ik moest juist op dat ogenblik op die plaats zijn, anders had dat niet kunnen gebeuren. Ik moest juist met die mensen en onder die omstandigheden samengaan, want anders had die situatie niet kunnen ontstaan. Met andere woorden: veel van hetgeen we in het leven zien als onze vrije beslissing, blijkt achteraf eigenlijk onontkoombaar te zijn geweest omdat wij zijn wie wij zijn. En als je daarvan uitgaat, is het eenvoudig genoeg.

Op het ogenblik dat ik besef wat ik ben, weet ik welke keuze ik moet doen. Op het ogenblik dat ik weet welke keuze ik moet doen, maak ik bewust waar wat ik ben. Maar op het ogenblik dat ik dat doe, zal ik het geheel, de kosmische betekenis van mijn wezen, steeds betrekken bij alles, zelfs bij de kleinste gebeurtenis op aarde. En dan zou ik kunnen zeggen: ik heb mijn taak al volbracht.

Het is allemaal zo moeizaam als je een mens ziet streven en klauteren op een onmetelijk lange Jacobsladder die in de hemel uitkomt maar waar hij inmiddels zon twintig keer afvalt om z’n nek te breken. De werkelijkheid is eenvoudiger én moeilijker.

Weet u, als u bezig bent met uw kosmische taak en u probeert te zien wat u kosmisch bent, dan zult u heel vaak vergeten wat u nu bent en wat u nu doet. Wat u nu bent en wat u nu doet, het gebeuren van dit ogenblik met zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, met zijn slagen en zijn frustraties, dat is de uitdrukking van iets wat u kosmisch bent. Dus begin nu maar voorop te stellen: in kosmische zin zal ik vandaag moeten leven volgens de omstandigheden die vandaag bestaan en volgens de waarden die vandaag volgens mijn besef en wezen met mij harmonisch zijn. Dan komt de rest vanzelf wel.

Nu is het woord ‘kosmisch’ iets wat natuurlijk veel verder gaat dan de materie. De materie is een uiting. Men zegt wel eens: de gehele materie is niets anders dan een tijdelijke concretisering van energie welke kan voortbestaan buiten elke vorm en zich dan onttrekt aan elke definitie en waarneembare tegenstelling. Dat is een heel mooie formule en bovendien niet geheel onjuist. Maar wanneer ik nu in die materie zit, dan is mijn kosmos de materie. Dat mag ik niet vergeten. Al het andere wat erbij komt, zal ik zijn, maar ik ken het niet. En dat wat ik niet besef te zijn, wat ik niet weet omtrent mijzelf en de kosmos, kan ik onmogelijk projecteren in dat wat ik vandaag ben.

Als je dan toch bepaalde kosmische regels stelt, dan zijn dat kennelijk niet de regels die bij je horen, die zijn van iemand anders. Misschien heeft u wel eens geprobeerd om een schaap op te voeden tot jachthond. Dat is erg moeilijk. In uiterlijkheden kunt u misschien nog slagen maar het beest blijft “bè” roepen. Op diezelfde manier moet u het ook zien ten aanzien van uzelf.

Nu gaan we even wat filosoferen, want dat hoort er ook bij. Wij spreken over het onbekende onder de naam God. God is alles. God is het oerbegrip. Maar God is ook datgene waarin geen tegenstelling is, totdat God de tegenstelling vanuit Zich projecteert. Laten we dit dan de kern van de kosmos noemen. Dan vloeit hieruit voort dat er in God geen goed en geen kwaad, geen links en geen rechts is, kortom niets is wat tegenstelling is. Dan zal ten aanzien van deze oorspronkelijke bron alles voortdurend en gelijkwaardig deel van de Godheid blijven uitmaken. Hier zijn onderscheidingen van geen betekenis. Alleen het bestaan is van betekenis.

Wanneer die God Zich uit in bepaalde tegenstellingen, dan kan het zijn dat wij behoren tot dat deel van het Goddelijke dat in die tegenstelling tot uiting komt. Wij zijn dus deel van God, maar daarin gelijktijdig deel van een bepaalde projectie. Wil je nu zeggen dat het onze taak is om God terug te vinden, dan heb je het mis, want God projecteert ons. Dat is de goddelijke wil. Dan kan het dus nooit onze bestemming zijn om terug te keren. Maar het is voor ons wel belangrijk dat we weten wat wij in die projectie zijn, dat wij functioneren volgens de kern waaruit wij zijn voortgekomen.

Dit functioneren volgens die kern heeft weer te maken met het ‘Ken uzelve’, met de bewustwording van ons eigen wezen. Helaas zijn wij niet in staat die kern te bereiken. God is voor ons onuitdrukbaar. Het niet in tegenstellingen uitgedrukte en in zich onbegrensde is niet definieerbaar. Het is ternauwernood beleefbaar. Het is alleen maar een schok. Je kunt dus niet teruggaan tot die kern. Je kunt alleen je steeds meer bewust worden van datgene wat je vanuit die kern in wezen bent.

Dan komt de mens misschien een beetje met zichzelf in moeilijkheden. Want, zo zegt hij, een zon kan leven baren en kan leven vernietigen. Is het nu goed dat ze leven vernietigt? Het antwoord is: als ze leven heeft gebaard, kennelijk wel want beide functies komen voort uit dat wat ze is. En dat geldt evenzeer voor de mens.

Men zegt: is het nu goed om mensen te doden? Het antwoord is: volgens uw eigen besef niet en daarom is het voor u niet aanvaardbaar. Dat betekent dat u in een situatie kunt komen waarin u doden moet. Dan is dat doden geen schuld maar een waarmaken van datgene wat u bent. Het is de uiting van uw persoonlijkheid. Het is niet alleen maar een kwestie van preken en mooie en edele dingen doen.

De meeste mensen staren zich blind op: wij willen leven zoals Jezus heeft geleefd. Dan moeten ze eerst maar beginnen met alle elektrische apparaten weg te gooien, hun bezit weg te geven, niet meer te denken aan C.A.O, maar alleen te leven voor anderen. Dat spelen ze niet eens klaar want ze zijn daar eenvoudig niet rijp voor. Hun functie is op dit ogenblik een andere. Dat wil niet zeggen dat de grootste schurk van vandaag niet de nieuwe Wereldmeester kan worden in een onbepaalde toekomst. Dat is mogelijk. Dat kan, gezien vanuit het Goddelijke, deel zijn van zijn wezen. Maar dat houdt helemaal niet in dat hij vandaag tegenover de mensen minder schurk is.

Ik geloof dat dit een interessant punt is. Want als je het hebt over de kosmische bestemming, dan ben je zo voortdurend bezig om uit te wijken uit de werkelijkheid. Je probeert te ontkomen aan hetgeen je bent, hetgeen je doet en daardoor zin en betekenis te geven aan alle dingen die je nog niet hebt kunnen waarmaken maar waarop je hoopt. Anders gezegd, streven naar de kosmische bestemming is voor heel veel mensen niets anders dan het creëren van een illusie waardoor datgene wat ze zijn, voor henzelf aanvaardbaarder wordt. Als zodanig is die illusie wel te accepteren. Niemand kan er iets op tegen hebben maar ze is niet bestemming op zichzelf, noch een redelijke weergave daarvan.

Als wij de kosmische samenhangen ontleden, zijn wij geneigd alles in systemen uit te drukken. Er zijn heel veel dingen bij die u kent. Bijvoorbeeld, u behoort tot een bepaalde straal.

Wat betekent dat eigenlijk? Is dat uw lotsbestemming? Is dat uw kosmische betekenis? In zekere zin wel. Een bepaalde straal betekent een bepaalde eigenschap. Het is niet alleen een weg van bewustwording, een aantal kwaliteiten. Neen, het is een eigenschap, een werking die in het totaal van de tegenstellingen binnen de kosmos functioneert.

Als je behoort tot een bepaalde straal, dien je die dus waar te maken. Pogen om anders te zijn dan je volgens de straal waartoe je behoort zou moeten zijn, is in feite alleen maar je verzetten tegen de kern van je wezen en tegen datgene wat ik dan toch wel weer een kosmische bestemming zou willen noemen.

Je behoort niet alleen tot een bepaalde straal maar ook tot een bepaalde sfeer. Ook deze sferen worden vaak in stralen uitgedrukt maar dat wordt dan verwarrend. Het betekent niet anders dan dat je een bewustzijnspeil bezit waardoor je gehele uiting mede bepaald wordt. Maar je behoort nog steeds tot dezelfde tendens. Je bent b.v. mystiek, wetenschappelijk, emotioneel, aanvaardend ingesteld of misschien in het bijzonder op relaties. Dat zijn allemaal mogelijkheden. Word je meer bewust, dan ga je de betekenis van die dingen anders zien. Je gaat meer begrijpen wat je in wezen tot stand kunt brengen en daardoor zul je jezelf juister uitdrukken. Dat is bewustwording, natuurlijk. Maar daarmee verandert er niets. Want al datgene wat je nu bewust doet, zou je anders onbewust en mogelijk op een wat andere manier eveneens tot stand hebben gebracht. Dat wat je bij anderen teweeg brengt, is onontkoombaar. Het lot, zoals je het zelf beleeft, wordt voor een groot gedeelte bepaald door je besef van je eigen wezen en je vermogen om in jezelf de kosmos toch nog te ervaren en daarmee harmonisch te zijn.

Zo komen we aan een aantal stellingen, die wat menselijker zijn, maar die toch ook ergens consequenties hebben.

Als je dit namelijk voorlegt aan mensen, die niet verder denken, dan zeggen ze: dat betekent dus dat ik maar kan doen wat ik wil. Dat is niet waar omdat wat u wilt, niet altijd in overeenstemming is met hetgeen u bent. Zolang uw willen en uw wezen samenvallen, kunt u alles doen wat u wilt. Dan is er geen enkele macht die u daarvoor schuldig kan verklaren of u kan verheerlijken. Als u uzelf bent op de juiste manier, dan doet u gewoon dat wat voor u en de kosmos noodzakelijk is. Dan kunt u banden leggen die door vele sferen gaan, dan kunt u gebeurtenissen veroorzaken die, al zal niemand dat bewust zien, over 10.000 jaar nog van invloed zijn. Dan bent u gewoon uzelf. Maar u leeft in een wereld waarin de denkbeelden niet in overeenstemming zijn met de feiten van uw innerlijk wezen.

U wordt geconfronteerd met een wereld waarin allerlei vooropgestelde beelden eigenlijk een hoofdrol spelen. Men noemt het dan wel conditionering maar het gaat nog wel wat verder. Het is doodgewoon een wereldvoorstel­ling die op zich een halve illusie is omdat ze elk feit alleen maar in een bepaalde richting pleegt te interpreteren. Kijk, daar komen uw ang­sten en begeerten uit voort. Daar komen voor u bepaalde afwijzingen uit voort, ongeacht uw eigen wezen. En omgekeerd, doet u bepaalde dingen die helemaal niet stroken met dat wat u bent. Dan denkt u: ik kan de wereld anders beïnvloeden. Neen. Als u probeert een mens te doden, tegen wil en dank, en het ligt niet in uw lijn om die mens te doden, dan bezorgt u hem misschien een doodschrik, maar daardoor wordt hij gezonder want uw eigen­lijke functie is juist om anderen te stimuleren en niet te vernietigen.

Het kan ook zijn dat u zegt: deze mens ga ik genezen. Dat wilt u zo graag, dat vindt u goed. Maar op het ogenblik dat u begint aan die ge­nezing, helpt u in feite de ander naar onze kant over te gaan. En dan zegt u: dat was een grote mislukking. Neen, dat was geen mislukking. U heeft gewoon gefunctioneerd zoals u moest functioneren. Daarom moet u heel goed begrijpen dat u alleen dat tot stand kunt brengen wat tot uw kosmisch wezen behoort of uw kosmische taak en bestemming. Al het andere kunt u wel anders bedoelen dan het uitpakt, maar daaraan kunt u niets veranderen. Uw inwerking t.a.v. de kosmos is vastgelegd op het moment dat uw wezen als uiting in de kosmos verscheen. En dat wil zeggen dat u behoort tot een klasse van wezens, die misschien als zodanig vanuit de kosmos zijn geconditioneerd om alleen bepaalde effecten, bepaalde tegen­stellingen in het geheel van de schepping tot stand te brengen.

Wie zo denkt, zal zich wel eens gaan afvragen: kan ik dan zelf niets doen? U kunt veel doen.

In u is en blijft – hoe u ook leeft en in welke wereld u bent – de oriëntatie op de kosmos bestaan op de grondwaarden van uw wezen. Zolang u handelt in volkomen overeenstemming met uw wezen, is er niets aan de hand. U zult dan in uw relatie met de wereld een veel duidelijker beeld krijgen van uw betekenis. En dan moet u niet zeggen: die betekenis bevalt mij niet. U moet zeggen: dat ben ik dus. Daardoor wordt u niet alleen be­wuster maar kunt u ook de effecten, die u moet veroorzaken, beter begrij­pen en wat meer is, u kunt de positieve kant daarvan ook voor anderen duidelijker maken.

Alles in de kosmos sluit aaneen. Het lijkt soms wel een Chinese puz­zel. Als je de mensen alleen maar goed laat zijn, dan heb je slechts één staafje eruit gehaald dat ‘kwaad’ heet. Alle andere eigenschappen laat je zo. En komt er ook maar één beweging, dan valt de hele puzzel uit elkaar; de samenhang is weg.

De mensheid bestaat nu eenmaal tussen de begrippen goed en kwaad. Als eén van die twee wegvalt, kan ze niet meer bestaan. Dan hebben de men­sen geen enkele mogelijkheid meer zichzelf te handhaven en gaan ze te gron­de. Je kunt ook zeggen: water en vuur zijn twee vijanden van elkaar. Maar vergeet niet dat wanneer het vuur het water niet verdampt en het daardoor tot ontbinding brengt, het zelf niet meer voldoende zuurstof kan krijgen en blijven verkrijgen om zichzelf in stand te houden.

Neem de planten. Planten zijn er om door de mensen te worden opgegeten. Vergeet het maar: het hele leven op aarde is gebaseerd op de zuurstofcyclus. Die zuurstofcyclus impliceert echter – en dat vergeten heel veel mensen –­ dat er een voortdurende omzetting moet zijn waardoor zuurstof vrij komt om­dat het totaal van de aanwezige zuurstof op aarde veel te gering is om het bestaan van de levenscyclus te handhaven. Er zijn dus gewoon planten nodig om de zuurstof te produceren waardoor de levensvormen, die zuurstof nodig hebben, kunnen functioneren om op hun beurt weer een rol te spelen in het geheel. Dat noemt men ecologie. Het betekent dat alles zijn eigen functie en eigen betekenis heeft.

Dan zegt men met een groots gebaar: we weten dat wel. Als er b.v. te veel antilopen zijn, dan zullen de leeuwen zich vermenigvuldigen en deze zullen dan weer zodanig inhakken op de antilopen dat er weer te weinig antilopen zijn waardoor er een aantal leeuwen verhongert en dan is het evenwicht hersteld. Ze zeggen niet: o, wat wreed, of: dat is verkeerd of slecht. Maar is het dan op aarde niet zo dat, wanneer er mensen zijn die de vrijheid moeten vinden, er dan ook dictators moeten zijn. Waar geen onvrijheid is, kan vrijheid niet worden beleefd en omgekeerd. Als alles goed zou gaan op aarde en er geen problemen zouden zijn, dan zou de mens eenvoudig inslapen. Hij zou niets meer bereiken.

Denk aan de technische ontwikkeling van de mensheid. De mensen maken in één wereldoorlog technische vorderingen, die anders 30 eeuwen zouden vergen, nu in een paar jaar. Dat wil zeggen dat de mensheid haar mogelijkheden verandert maar daarmee ook haar bestaanscondities. En toch blijven mensen mensen. Dit is de hele kosmische samenhang.

Ik geloof dat de mens het te benepen ziet. Hij houdt zich ermee bezig wie wie slaat, wie met wie naar bed gaat, wie terecht predikt en wie de ander misleidt. Maar wat de mens altijd vergeet, is dat die dingen als verschijnsel weinig betekenen. Alleen daar waar ze beantwoorden aan het kosmische wezen van de mens, hebben ze werkelijk invloed. Maar dan is het feit onvermijdelijk geworden.

Nu kunnen wij dat toeschrijven aan de sterren, aan de geestelijk‑kosmische golven die optreden en, wat ons eigen besef betreft, aan onze beleving en misschien zelfs aan een deel van onze mogelijkheden. Op een bepaald ogenblik is dat wel waar maar voor het geheel van ons ‘zijn’ niet. Daarom wil ik deze beschouwing besluiten met de volgende opmerking.

In de kosmos staat vast wat je bent. Niet als vorm, maar als invloed in het geheel door alle tijden, in alle werelden en in alle denkbare verschijningsvormen. Het is de kern van alle verschijningen waarin het ‘ik’ zich ooit zal kunnen manifesteren. Deze kern is de werkelijke bestemming. Datgene wat je bent in samenhang met al het andere en zo de directe weergave van het Goddelijke, dat is je taak. Maar onontkoombaar, want het is ook je wezen.

Leef daarom volgens je beste weten. Probeer nooit om anders te zijn dan je bent, maar wel om zo goed mogelijk te beantwoorden, volgens hetgeen je bent, aan je innerlijke gevoelens van juistheid. Op die manier alleen kun je je taak vervullen.

Denk niet dat hierbij alleen de diepzinnige elementen van het leven een rol spelen en dat je aan de speelse voorbij kunt gaan. De speelse elementen zijn evenzeer deel van je kosmische taal, van je werkelijke betekenis in het geheel, zoals alle diepzinnigheden waarin je jezelf pleegt te verliezen. Soms lijkt het mij wel eens toe dat de mens in zijn speelse momenten meer waard wordt dan hij in zijn diepzinnigheden voor zichzelf ooit kan zijn.

Conditionering

Ze hebben mij gezegd hoe ik moet zijn, wat ik moet doen en waar ik moet gaan. Hoe ik moet denken, hoe ik moet zien, waar ik verder moet lopen en waar ik moet staan.

Ze hebben mij gezegd: dit is werkelijkheid. God wil het. Dit is het bestaan.

Zo leef ik, vergetend dat wat ik ben, in door mensen geschapen waan.

Ze hebben mij gezegd: dit is goed, dat is kwaad. Maar in mijzelf leeft een licht, dat een heel andere zin aan alle dingen geeft.

In mij bestaat er een licht dat zegt niet: goed of kwaad, maar: dit is terecht en dat zal toch wel overbodig zijn. Ik vind uit zin en overbodigheid mijzelf terug ondanks conditionering, al kost het mij soms strijd om te aanvaarden wat ik ben.

Ik leef, ik besta en als ik door de sferen ga, dan zal men overal vrij zeggen: dit is waar en dat is slecht. Dit is goed en dat is niet juist. Dit is eeuwigdurend recht.

Maar wat ik ben, zo ik besta, dat is een werkelijkheid die boven sferen blijft voortbestaan, die duurt tot buiten alle tijd. Dat wat ik ben is onbeperkt, onbegrensd in sfeer en tijd. En al wat anderen mij hebben geleerd, vergaat in deze eeuwigheid.

Daarom ben ik mijzelf en leef ik mijzelf en zoek ik mijzelf voortdurend te zijn en vind ik de vrijheid mijzelf te leven, vind ik de vrijheid om uit mij te weven een band met de kosmos, die rond mij bestaat.

Laat conditionering een droombeeld dan wezen dat mij in het leven langzaam vergaat. Dat mij in de sferen eindelijk verlaat totdat ik weer word, dat wat ik ben: een deel van de God, die ik diep in mijzelf voortdurend als licht en als waarheid erken.

Conditionering is de onderwerping aan de rede van de ander. Dat wat een ander is en zegt, moet je erkennen maar vanuit jezelf, niet vanuit voorop gestelde waarden. Als u daarmee rekening houdt, dan zal misschien het voorgaande u zelfs nog helpen om te erkennen in hoeverre u niet alleen geconditioneerd bent, maar ook in hoeverre u de punten waar het werkelijk op aankomt, teniet kunt doen.