Relativiteit

3  juli 1955

In de vele gedachten en filosofieën, die in de loop der tijden de mensheid een nieuwe richting hebben kunnen geven, behoort, naar ik meen, ook de stelling der relativiteit. Toch is de relativiteit geen begrip, dat als een volledig juist standpunt moet worden gezien. Daarom zal ik zo vrij zijn als eerste spreker op deze bijeenkomst enkele punten naar voren te brengen omtrent de relativiteitsbegrippen, zoals die geestelijk worden ervaren en voor de geestelijke ontwikkeling van zeer groot belang kunnen zijn.

Alle verschijnselen zijn schijnbaar van elkaar afhankelijk. Wanneer wij een ontwikkeling zien, waarin tijd en ruimteverhouding een grote rol speelt, wanneer wij een geestelijke wereld zien, waarin intensiteit van denken en voelen, intensiteit vooral ook van beleven evenzeer relatieve waarderingen en waarden schept, dan zouden wij geneigd zijn aan te nemen, dat inderdaad een voortdurend onderling verband moet bestaan tussen al hetgeen, wat er in het Al zichtbaar en bestaanbaar is. Echter leert ons de ervaring, wanneer wij eenmaal de vormenwereld los kunnen laten, dat er sprake kan zijn van een gefixeerde wereld. Een wereld, die vastligt in al haar aspecten, een wereld, die onveranderlijk is.

Relatief betekent verwant. Aan elkaar verwant en verbonden te zijn. Wij bemerken echter, dat er van geen werkelijke verwantschap sprake is, maar wel van een verwantschap, die door de binding, die het intellect i.c. dus mens of geest tot stand brengt, voor deze mens of deze geest wordt gerealiseerd. Men leeft en elk moment van dit leven betekent het samenvloeien van een aantal impulsen op dit moment, d.w.z. op deze plaats in het kosmisch bestel, een opnemen juist vanuit dit persoonlijk standpunt van verbinding met het kosmische geheel, dat in zichzelf onveranderd blijft. Zo vinden wij dan een nieuwe impuls tot beweging, waarbij ons wezen, het totaal van de kosmos op dat moment interpreterend zich beweegt naar een ander standpunt binnen deze zelfde kosmos gelegen, van waaruit het nieuwe gezichtspunt dan een schijnbare reeks van oorzaak-en-gevolg tot stand brengt.

Oorzaak en gevolg zijn wetten, die niet afhankelijk zijn van het zijnde. In het zijnde bestaan zij niet. Zij komen slechts tot uiting juist in de mens zelf. Een misverstaan van dit begrip heeft ook mij er toe geleid op aarde vooral in mijn jeugd de relativiteit der verhoudingen sterk voor te staan. Nu weet ik, dat de beperkingen der mensen, zowel als de beperkingen van denkvermogen en begrip de werkelijke oorzaak zijn, dat een speculatief denken daaromtrent relatieve waarden betekenis kan hebben voor het menselijk bestaan. Geestelijk gezien kunnen wij relativiteit vervangen door te zeggen; de verschillende waardering van oorzaak en gevolg, waardoor een bepaald en complex levensbeeld ontstaat. Deze waarderingen in de mens gelegen zijn het uitvloeisel van zijn bewustzijn, dat slechts een zeer klein en door het eigen weten omgrensd deel van het Al kan bereiken en buiten deze grenzen geen voorstelling of bewustzijn bezit.

Echter is het wel mogelijk – aannemende, dat er een vaste, schematische lijnvoering in het zijnde van de kosmos te vinden is – door een speculatieve lijn, die in ons eigen levensbereik ligt, te verlengen buiten dit bewustzijnsbereik, te komen tot een erkennen van waarden, die op het ogenblik buiten onze onmiddellijke waarneming en bewustzijnsvermogens liggen. U zult begrijpen, dat het begrip “relativiteit” dus in uw eigen leven met voorzichtigheid moet worden gehanteerd. Begint men daarmede te werken, dan stelt men zich, zodra men de grenzen van het menselijk bestaan overschrijdt en zijn speculatie gaat plaatsen (vanuit menselijk standpunt dit alles gezien) op een hoger plan, ofwel in een andere dimensionale verhouding. Dan beroert men gebieden, waarin het onmogelijk is handelend op te treden en waarbij geen enkele controle meer bestaat, over al hetgeen daarin plaats vindt originerende in uw eigen handeling, die werd geprojecteerd langs een bepaalde kosmische lijn.

Naarmate het geestelijk bewustzijn groeit, kan het gebied, dat gij bestrijkt, groter worden.

Maar gij kunt nooit uw eigen grens overschrijden en toch nog beheersing hebben over de krachten, die gij daarvoor binnen uw eigen gebied ontketent. Daarom is het voor de mens verkeerd om een relativiteitsleer toe te passen buiten de grens van zijn eigen wereld en vermogen. Men kan zeggen; de begrippen “goed en kwaad” zijn relatief. Maar in de mens zijn zij vaststaande. De waarde van het Goddelijke is relatief. Inderdaad! Kosmisch gezien is dit juist. Maar de waarde van het Goddelijke in ons is een gefixeerde, omdat zij in ons voorstellingsvermogen zo en niet anders tot realiteit komt. Dit alles moeten wij ons goed voor ogen stellen, willen wij begrijpen, wat de grote denkers der mensheid aan de mensheid hebben getracht te leren en te brengen. Wij zijn met meerderen en ik zal u zo dadelijk het woord overgeven aan iemand, die in het menselijk denksysteem de nieuwe bewustwording heeft gevonden, die thans nog de wereld beheerst: het christendom. Deze kan u ongetwijfeld voorlichten over de wijze, waarop in de mens een bewustzijn leeft en in zijn eigen wereld werkzaam wordt. Misschien, dat de derde spreker, – die evenals ik van ik zou haast zeggen – een jongere jaargang is, u misschien zal kunnen toelichten, hoe de krachten, die ook zonder ons willen of weten door elke actie binnen ons bewustzijnsgebied worden ,gewekt in het totaal van de kosmos vanuit ons standpunt, kunnen worden gebruikt binnen het eigen besef van werkelijkheid en daar kunnen worden beheerst tot op zekere hoogte.

Het spijt mij, dat ik mij niet persoonlijker kan uitdrukken, maar het is ons moeilijk om het contact op te nemen met uw wereld, voor mij zeer zeker, waar ik weliswaar een bewustzijnspeil van geestelijk belang heb kunnen bereiken, maar nog niet in de gelegenheid ben geweest om mij met aardse contacten te veel bezig te houden.

o-o-o-o-o

Een volgeling van Jezus

De begrippen, die mijn voorganger naar voren brengt, zijn vervat in de termen van een moderne wereld. Maar toch is het niet zo lang geleden, dat een Mens rondging door Galilea en ons leerde. Ik heb het voorrecht gehad om enkel malen de meer intieme besprekingen bij te mogen wonen, die Hij hield met Zijn leerlingen en enkelen degenen, die Hij daartoe speciaal had uitverkoren. U zult hen niet allen terugvinden bij de eerste christengemeenschappen en toch waren zij zeer zeker Zijn volgelingen; en mochten veel van Zijn denken begrijpen, dat voor anderen slechts in gelijkenissen werd geuit. Hij zeide eens tot ons; “Ik leer u uw naasten lief te hebben, zelfs uw vijanden. Kunt gij begrijpen, waarom?”

Toen hebben wij gevraagd; “Meester, hoe kan men zijn vijand liefhebben? En Gijzelf waarschuwt ons voor het kwaad. Moeten wij dan het kwaad lief hebben?” Toen kregen wij dit antwoord:

 “Wat Mijn Vader goed oordeelt om te scheppen, mag Ik als schepsel niet verwerpen. Wat de Vader belieft toe te staan, moet een doel hebben, ook al kan Ik dat niet erkennen. Maar Ik moet binnen Mijn wereld leven, Ik mag niet haten, omdat alles van de Vader geboren wordt. Ik mag niet vrezen, omdat de Vader Mij wanneer Ik al hetgeen beleef wat voor Mij werd bestemd altijd weer zal redden en beschermen, zodat Ik Zelf niet ten onder ga in Zijn wereld door Mijn vrees”.

Dan hebben wij gevraagd; “Maar Meester, wanneer dan het lot is getekend, zoals Gij zegt, waarom zouden wij dan streven? Want zo de Vader met ons is, Hij zal ons kracht geven en wij zullen genezen. Gij zult ons brengen tot een nieuw bewustzijn en een nieuw vermogen. Maar de Vader kan ons dat toch ook geven zonder U? Gij zijt voor ons het middel, Gij zijt de oorzaak van onze bewustwording en onze bevrijding. Gij zijt het, Die ons leiden zal en Gij zijt het, Die ons een Koninkrijk zal geven, waarin God regeert over de wereld”. Toen heeft de Meester geglimlacht en gezegd:

 “Gij, kinderen der aarde, hoe weet gij, wat Gods Koninkrijk is? Want ziet, al het zijnde, uit de Vader geschapen, wordt in u verwrongen en vervormd, omdat gij denkt, dat God een mens is, omdat gij denkt, dat de Vader de bekrompenheid van uwe inzichten zal erkennen en respecteren. Maar uw wereld is klein, klein en geborgen en omdat gij in die kleinheid en geborgenheid meent de wereld te kennen, zoudt gij zo gaarne in deze vorm en dit bewustzijn alles betekenen, wat voor u maar voorstelbaar is. Gij zoudt willen, dat de Vader wonderen in u wekte. Maar ziet, Hij heeft wonderen in u gewekt. Want indien gij gelooft in Hem, wanneer gij één kunt worden met Hem, voor slechts één ogenblik, ja, zelfs indien gij kunt vergeten, dat gij mens zijt en één ogenblik in Zijn Wezen leeft, dan is er niets voor u onmogelijk. Dan betekent lijden en dood niets meer. Maar dan is de Vader voor u in alle dingen, in alle mensen, in alle wezen en leven”.

Toen zijn wij erg stil geworden en wij hebben er lang over nagedacht. Want onze God was een God, Die ver boven ons stond.

Wij konden ons de God, Die de Meester ons leerde te zien, niet zo makkelijk voorstellen. Een God, Die in jezelf leeft. Zo is het gekomen, dat wij langen tijd later het was bij Kapernaüm in de buurt op een avond de Meester vroegen: “Heer, wanneer het Uw wil is, zo zeg ons dan, wat is dan de waarheid van ons leven, indien ons geloof ons verheft boven de beperktheid van het menselijk zijn?” Hij heeft toen tot ons gezegd:

“Ziet, alle dingen zijn één in God; in de Vader is alles geboren en in Hem is alles bekend en aanwezig. Zo kunnen wij niet handelen buiten de kennis Gods en kunnen wij niet leven buiten de wil des Vaders, maar wanneer onze gedachten gaan en zij vergeten, dat God meedenkt met ons en reeds heeft gedacht op het ogenblik der Schepping, wanneer wij menen, dat wij de liefde van de Vader moeten verdienen en vergeten, dat Hij ons liefhad, vóór Hij ons geschapen heeft, dan maken wij voor ons zelf een breuk tussen de Vader en ons. Want ik kan U zeggen: “Ziet, de Vader en Ik zijn één”. Dit is waar, maar niet ten allen tijde. Gij echter zegt; “Vader, wordt één met mij”. Dat is onmogelijk. Want wel kan het schepsel één worden met zijn God, maar nooit kan de God één worden met de bekrompenheid, die nog leeft in Zijn Schepping. Daaruit hebben wij gemeend te begrijpen, dat al, wat Hij ons geleerd heeft over naastenliefde, over verdraagzaamheid, over het helpen van anderen, het troosten van anderen, wat Hij ons heeft, gezegd over onderwijzen en genezen, terug kan worden gebracht tot dit ene; wij trachten de wil des Vaders te leren en de wil des Vaders ligt altijd in het samenzijn met Hem. Want Hij wenst, dat wij op zullen gaan in Zijn wezen. Zo wij een ander brengen tot Hem, zo hebben wij de vreugde vergroot, die in Zijn wezen bestaat. Hoe meer deze mens het hele leven van de stof heeft gekend, zo veel te voller en vreugdiger zal hij God kunnen aanvaarden”.

Daarom is ons antwoord uit onze tijd en onze wereld op de relativiteit; zo is de verwarring van begrippen, die het u onmogelijk maakt om de Vader te kennen. Maar de Vader leeft en wanneer gij de Vader aanvaardt, is er geen verhouding meer, is er geen onzekerheid, geen toekomst en geen verleden. Dan is er alleen de Werkelijkheid, die zich misschien nog in fasen afspeelt, in korte momenten en ogenblikken. Waarin je zelfs soms vreest en ten onder denkt te gaan, zoals ook de Meester niet bespaard is gebleven.

Maar boven dat al staat dan een innerlijke zekerheid, waardoor men weet, wat er te gebeuren is, wat er te gebeuren zal zijn. Men weet, wat de waarheid is en de Waarde. Wanneer men dit beseft, dan bestaat er noch oorzaak en gevolg, noch relativiteit. Dan zijn er slechts twee dingen, die wij kennen in het gehele: Als onze eigen vreugde en het Licht van de Vader.

Zo hebben wij dat gezien en zo zie ik het nog. Wanneer ik dan het woord overgeef aan de laatste spreker, dan wil ik dat toch niet doen zonder met enige trots te zeggen; het is een lange strijd geweest om dit te begrijpen, maar de Meester had mij lief en daardoor kon ik begrijpen. Voor u is het gelijk mogelijk. Want het zal u een zware strijd zijn om te begrijpen. Maar de Vader heeft u lief en dus zult gij begrijpen.

o-o-o-o-o

Realiteit.

De toepassing van al hetgeen hier gezegd wordt door mens en geest is niet eenvoudig. Wij kunnen dat pas toe gaan passen, wanneer de werkelijkheid, wanneer het aanvaarden van deze werkelijkheid vooral in ons leeft. Het helpt ons weinig te zeggen, dat uw wereld schijn en begoocheling is. Want schijn of begoocheling of werkelijkheid, voor u is zij. Gij beleeft haar ten volle. Het is aardig om te spreken over relativiteit als een spel der verhoudingen, waarin nooit een zekerheid kan worden gevonden. Maar hoe gij het ook zegt, er is altijd een zekerheid in u want uw eigen leven bestaat uit zekerheid. Achter alle twijfel, die in u leeft, staat voor u onomstotelijk vast, dat die waarde en gene waarde realiteit zijn in alle bestaan.

Zo kan men dan spreken over oorzaak en gevolg en zeggen, omdat men dit of dat heeft gedaan in vroegere levens of dit bestaan, dat men een zeker noodlot moet volbrengen. Maar ook dit is niet waar. Gij hebt geen noodlot te volbrengen, zolang gij niet uw eigen wezen superieur stelt boven al, wat er bestaat. Zolang gij zegt: “Ik en tegenover mij de wereld”, is er een relativiteit, die onuitwisbaar blijft. Zolang als gij zegt; “Ik tegenover de wereld”, dan zijn er oorzaak en gevolg als een eindeloze keten, die u bindt op het grote rad van het leven. Maar komt er een moment, dat zij zult zeggen; Ik, deel van de wereld” en dit doorleven en voelen, dan bestaat er geen relativiteit meer, want gij zijt deel van het leven en het leven is de volmaaktheid. Dan bestaat er geen oorzaak meer, noch een gevolg. Want gij zijt in God. In God zijn alle dingen gelijktijdig en volledig harmonisch opgelost.

Er is geen verschil, wanneer het bewustzijn ontwaakt is. Er is geen stijging of daling, geen verheffing of ondergang. Er is en blijft alleen het bestaan. Het zijn, de enig werkelijke waarde, beheerst alle levens, alle bewustzijn, alle verschijningsvorm, alle ruimte en alle tijd. De mens weet dat niet, de mens kan dit niet beseffen. Soms zou men geneigd zijn om terug te keren tot de wereld en haar toe te spreken in klinkende woorden:

Gij, die er nog danst in der narrenspel,

Gij, die spreekt van een hemel

En vlucht voor een hel,

Gij wonderlijk gewemel,

Eens komt er een einde.

Dan zegt Gods “Ik stel

Een grens aan de waan.

Ik beëindig het spel.

Ik geef u de Waarheid, het Leven, geen tijd,

Ik verblus er het Al tot in Eeuwigheid,

En was er uw leven dan enkel maar waan,

Dan blust daarmee ook voor u het bestaan.

Maar ik kan die dingen niet meer zeggen. Ik heb de termen er niet voor en de woorden, ik heb het vermogen er niet voor. De mens, al zou ik het duizendmaal in woorden kunnen zeggen, zou het om boetseren, tot het voor hem aanvaardbaar was en wederom een stelling zou zijn van: “Ik tegenover de wereld”.

Gij zoekt naar waarheid en naar bewustwording, Onthoudt dan dit: De relativiteit is voor u bruikbaar, wanneer gij begrijpt, hoe klein uw wezen is tegenover het Goddelijke. Want dan krijgen wij een spel der verhoudingen, waarin het totaal van de Goddelijke Macht gelijk is aan het vermogen tot uiting van uw kleine wezen. Wanneer gij de oorzaken-en-gevolgen als wet wilt zien en begrijpen, zijn zij ketenen. Wanneer gij ze begrijpt als een middel tot bewustwording, waarbij gij zelfstandig het gevolg kunt kiezen, waarbij de oorzaak onbelangrijk wordt en het gevolg is het opbloeien van een bewustzijn in uw wezen, wanneer gij begrijpt, dat uit dit moment van zijn geboren kan worden een tot de realisatie van God, omdat elk moment een punt is in het onmetelijke raster van het zijnde: Dan zult gij uit elk moment het volle bewustzijn putten, in elk moment op kunnen stijgen tot een grotere wereld en een groter bewustzijn. Dan zult gij misschien terugkeren tot een volgend moment. Maar elk ogenblik van beleving, op elk vlak dan ook, bergt in zich de mogelijkheid om hernieuwd tot God te gaan.

Er zal een ogenblik komen, dat gij niet meer zoekt naar een punt van beleving om als realiteit voor uzelf uit te beelden, wat uw bewustzijn in een moment van verheerlijking onderging.

Wanneer gij het bewustzijn niet meer hebt voor uzelf uit te drukken, wat gij weet en zijt, dan hebt gij de oplossing van alle complexen gevonden.

Dan bestaat er voor u geen enkele tegenstrijdigheid meer in het zijnde. Dan is in de volheid van uw bewustzijn, de wereld tot Volmaaktheid geworden en is de wereld God, omdat God dan uw wereld geworden is.