Relativiteit en betrekkelijkheid

16 januari 1973

Ik zou willen beginnen met een paar dingen over het menselijk denken, omdat deze misschien mijn verder standpunt duidelijker naar voren kunnen doen komen.

  1. De mens leeft in een wereld die hij ondergaat als een continuïteit, maar die hij dualistisch beschouwt. De mens denkt in tegenstellingen terwijl hij leeft in een continu verloop. Dit heeft grote invloed op zijn reacties en brengt hem ertoe bepaalde mogelijkheden over het hoofd te zien, in zijn gedrag bepaalde inconsequenties ter zijde te stellen en ten laatste: zich een oordeel te vormen, waarop hij geen kritiek verder verdraagt, omdat in het dualistisch denken een standpunt dat wordt ingenomen al heel snel een soort geloofsstandpunt wordt.
  2. Het tweede punt, waarvoor ik uw aandacht wilde vragen, is de nadruk die vooral in de laatste eeuwen en vooral in deze eeuw wordt gelegd op de causaliteit, op oorzaak en gevolg. Nu is het duidelijk dat oorzaak en gevolg inderdaad bestaan en dat zij invloed hebben op het gebeuren. Gelijktijdig echter zijn er zoveel zaken waarvan wij niet kunnen zeggen, waar zij vandaan komen, zijn er zoveel werkingen die niet te verklaren zijn in het logisch denken volgens oorzaak en gevolg, dat wij ook daarmee zeer voorzichtig moeten zijn. De mens zou moeten begrijpen dat oorzaak en gevolg voor hem, in zijn eigen leven, in zijn eigenlijke ontwikkeling, mogelijk reëel is, maar dat in het geheel van de wereld andere invloeden een rol spelen, waarbij hij de oorzakelijkheid niet kan erkennen, laat staan de oorzaak omschrijven en zo de gevolgen redelijk overzien.

Wel, wanneer wij zeggen dat elke relatie een betrekkelijke is, dan erkennen wij hiermee het niet gefixeerd zijn van het heelal, het niet gefixeerd zijn van ons eigen wezen, en al datgene wat uit ons eigen wezen voortkomt. Wij moeten het geheel van de gebeurtenissen, maar ook van de feiten, van de vaste waarden, van onze erkenningen zien als één deel in een totale flux, in een vloed van ontwikkelingen en gebeurtenissen die wij niet geheel overzien. Elke vaststelling die wij doen is een momentopname. Het betekent dus dat wij daarbij niet zeker zijn of wij wel de juiste interpretatie hebben van het voorgaande, het is ook praktisch zeker dat wij geen juist inzicht hebben in datgene wat komen gaat. Wanneer wij geestelijk werken en geestelijk leven, dan proberen wij een hogere waarde toe te voegen aan datgene dat logisch en normaal bestaat. Wij gaan dus in feite iets poneren, een stelling, een wet, een waarheid. Of deze als zodanig aanwezig is weten wij niet, maar wij nemen ze aan.

Nu wordt dus deze factor, die in zichzelf niet bepaald is, toegevoegd aan wat wij onze logica noemen. Het resultaat is daarbij bv. een theologische stelling. Deze kan, uitgaande van de standpunten, volledig juist, verantwoord, logisch zijn, zonder dat zij daarom in zichzelf logisch is. Wat meer is: juist omdat de mens is uitgegaan van een feit dat onbewijsbaar is, staat daar tegenover de mogelijkheid eveneens een onbewijsbaar feit te poneren, de zwart-wit verhouding laat zich ook hier gelden, en te komen tot een volledig differente interpretatie, een geheel andere uitleg van al datgene dat dan in zo’n stelling verwerkt is. Nu moeten wij proberen om het Al te overzien. Dat is vanuit menselijk standpunt heel erg moeilijk en veel van hetgeen ik u ga zeggen zal dus, menselijk gezien, vraagwaardig blijven. Het is eveneens een geloofsstelling waar je andere stellingen tegenover zou kunnen stellen. Ik hoop echter dat u, al is het maar omwille van het experiment, de ontwikkeling van de gedachte, mij een ogenblik de mogelijkheid zult geven deze onbewezen dingen naar voren te brengen. Dan stel ik in de eerste plaats:

De gehele kosmos gedraagt zich als een levend organisme, waarbij de wetmatigheden die daarbinnen ontstaan, niet voortkomen uit onveranderlijke wetten, maar voortkomen uit het gedrag van het levend geheel, kosmos, dat in zichzelf voortdurende veranderingen ondergaat. Dat is belangrijk omdat je dan het heelal anders kunt gaan bezien. Vb: Er bestaat de bekende theorie van het vliedend Al, onder andere gebaseerd op de roodverkleuring. Dit is op zichzelf een redelijke theorie, maar zo vraag ik mij af, kunnen wij inderdaad nu aannemen dat dit wel degelijk en blijvend zo is? Wat zijn enkele honderden jaren, in de ongetelde miljoenen jaren dat een Nevel bestaat? Wij kunnen met dezelfde gegevens stellen dat er een ademend Al is. Er zijn zelfs argumenten aan te voeren waardoor dit wel aannemelijk zou worden, onder meer de verschillen in dichtheid die in de materie bestaan onder gelijksoortige omstandigheden. Er moeten eens andere omstandigheden zijn geweest en die andere omstandigheden die kunnen wij niet verklaren uit de bestaande wetten zonder meer. Wij zouden dat wel kunnen doen wanneer wij aannemen dat de ruimtelijke structuur dus aan veranderingen onderhevig is. Dat zou betekenen dat ook de bewegingen in de ruimte aan veranderingen onderhevig zijn, dat zij dus niet altijd gelijkblijvend zijn. Dit is een stelling die op zichzelf niet al te belangrijk is, maar: Wanneer ik kom tot het aanvaarden van een levend organisme, dat ik kosmos of heelal noem, zelfs op zuiver materiele basis. Zoals iemand eens heeft gezegd: Heel de kosmos is slechts een amoebe die zwemt in de wereldzee der oneindigheid. Een heel mooi beeld, omdat de amoebe in zichzelf een zeer simpel wezen is dat toch een eigen gedrag en een eigen leven bezit. Wanneer ik dat aanneem, dan wordt ook aanvaardbaarder, dacht ik, dat de onzekerheid van al hetgeen wij constateren vanuit ons heelal, toeneemt. Wij zijn niet zo zeker als wij denken. Wanneer wij spreken over bv. de tijd, dan nemen wij maar aan dat die tijd altijd gelijkblijvend is. Toch lijkt mij dat helemaal niet zo noodzakelijk. In de eerste plaats kan het tijdsbesef of de tijdstelling van de mens veranderen. Natuurlijk! Maar wie zegt ons dat ook het levensritme van de mens met het ouder worden van de planeet niet veranderd is? Het zou bv. kunnen verklaren waarom men spreekt over zeer oude mensen zoals Mathusalem, om er maar een te noemen. Het zou kunnen verklaren hoe deze mensen een heel hoge leeftijd bereiken.

Het zou ook kunnen verklaren waarom, onder bepaalde condities, mensen veel ouder worden dan de norm, want er zijn dus gebieden zoals Georgië, waar dus de gemiddelde leeftijd die bereikt wordt ligt tussen de honderdtwintig en de honderdzestig. Nu, gemiddeld mag ik niet zeggen in dit geval, omdat wij de juiste sterfgevallen erbij zouden moeten rekenen, maar dan komen wij toch altijd rond een gemiddelde leeftijd die ligt rond de zes à zevenennegentig jaar. Maar daar zijn dus enorm veel mensen ouder dan honderd jaar, iets dat hier niet denkbaar is, iets wat daar kennelijk normaal is. Gaan wij kijken wat daar aan de hand is, dan ontdekken wij: Deze mensen hebben een heel anders levensritme. Hun manier van denken, hun bewegen, maar ook hun hele psychische achtergrond verschilt zeer sterk, zelfs van de mensen in de omringende gebieden. Het lijkt mij dat dit een even juiste en waarschijnlijk makkelijker te hanteren verklaring is, dan het langere leven alleen door een gezond milieu. Want dat milieu omvat toch ook wel vele factoren die voor de gezondheid storend zijn.

Op deze manier kunnen wij zeggen: De tijd wordt door ons wel beschouwd als een constante, maar zij is het misschien niet. Al wat wij nu constateren is betrekkelijk, al datgene dat wij vanuit het heden berekenen ten aanzien van het verleden is betrekkelijk, want er zijn verschuivingen van waarden die wij eenvoudig niet kunnen constateren. Als u hiermede akkoord bent dan mag ik op grond hiervan aannemen dat u het met mij eens bent dat de betrekkelijkheid vaststaat van alle zogenaamde constante waarden en normen. Nu kunnen wij natuurlijk nog wel meer aardigheidjes gaan uithalen en zeggen dat zowel tijd, als het concept van ruimte en afstand in ruimte, niets anders is dan een interpretatie van beweging in ruimte. Dan komen wij heel dicht in de stelling die Einstein en anderen na hem ontwikkeld hebben. Maar wanneer wij dat doen dan komen wij ook tot de vreemde conclusie dat dus: Tijd en afstand, vergelijkbare waarden zouden moeten zijn. Zij zijn het niet in de praktijk, maar zij zouden het moeten zijn. Dit: “zij zouden het moeten zijn” is echter alleen verklaarbaar, want wij hebben de feiten die het tegenspreken, wanneer wij aannemen dat er nog iets anders is, een andere afmeting die wij niet kennen, een ander gebied dat wij niet als mens betreden, en dan komen wij als vanzelf tot het postuleren van meer dimensionale stelsels. Er zijn er heel wat, zoals u weet, het negendimensionale, het zevendimensionale, het vijf- en vierdimensionale en daartussen zullen er ondertussen ook nog wel gekomen zijn. Iedereen probeert op die manier duidelijk te maken dat er toch een vaste wet is, dat die vaste wet alleen verklaard moet worden door het aanwezig zijn van andere dimensies, dus andere meetbare afstanden die althans theoretisch onder een hoek van 90° staan ten opzichte van andere lijnen. Dat die er moeten zijn, want anders is er geen wetmatigheid. Nu zal ik de laatste zijn om het bestaan van andere dimensies te ontkennen. Maar ik zou hier toch even willen wijzen op een ander punt: Dat alle speculaties in dit opzicht wijzen op de behoefte van de mens de wetmatigheid en de continuïteit van zijn eigen bestaan en wereld aan te tonen. Er is dus een behoefte-element dat de mens ertoe brengt zo te denken. Een behoefte-element dat wij ook elders aantreffen. Neem bv. agressie. In elke mens is agressie. De ontlading van die agressie kan heel verschillend zijn: de één wordt missionaris en de ander moordenaar, maar die agressie is er. Wanneer wij nu zeggen: Ja, maar die agressie is er niet bij de missionaris, dan maakt u een fout. Dan hebt u het dualistisch zwart-wit denken uitgeschakeld omdat het zo moeilijk is een verklaring te vinden. Wanneer wij reëel zijn, dan zeggen wij: Kijk als het allebei agressie is, dan moet er een rede zijn waarom die agressie zich enerzijds zus en anderzijds zo ontlaadt. Dan moet er dus een factor zijn en die factor hoeft geen wetmatigheid te zijn, maar zij moet er toch dichtbij komen, die ons duidelijk maakt waarom de ene mens zus reageert op de agressie die in hem is ingebouwd, en de ander zo! Het lijkt mij dat wij ook hier vaak de fout maken om te zeggen: Ja, dit is goed, maar dat is kwaad. Dat wij dus a-priori een oordeel vellen en dat wij niet proberen de essentie te vinden.

Het is gemakkelijk genoeg een sociale studie te maken en het gedragspatroon van de massa bv. te overzien. Maar is dat gedragspatroon wel een juist gedragspatroon of is het slechts een patroon dat wij creëren om een verklaring te geven? Wij creëren wetmatigheden om de verschijnselen aan onszelf te verklaren. Anders gezegd: De wetmatigheden en regels die wij op deze wijze ontwerpen, zijn deel van onszelf, niet van de kosmos buiten ons, niet van het heelal waarin wij leven. Ik zou dit voort kunnen zetten bv. ten aanzien van moraliteit. Moraliteit is ook iets dat maatschappelijk tot stand komt. En nu kunnen wij wel zeggen: Er is een Goddelijke openbaring die ons dit of dat zegt, maar de praktijk is anders dan die Goddelijke openbaring. Mag ik er u aan herinneren dat er bv. staat: Gij zult niet doden. Wat moeten wij dan denken van de mensen die roekeloos rijden in het verkeer, dus die kennelijk het risico gaan lopen een verbod te overtreden of erger nog: De mensen die in een strijd voor democratie of het ware geloof, andere mensen ombrengen? Ergens dus een discrepantie, een strijdigheid, een onjuistheid, een onevenwichtigheid, een onoverbrugbare kloof. Dus de moraal is niet, en dat moeten wij vooropstellen, de regel die officieel gesteld wordt, maar het is de aanpassing van de mens, ondanks die regel, aan zijn eigen milieu en zijn eigen gedrag. Wanneer wij nu uitgaan van de gestelde normen die dus, ten aanzien van de massaliteit, abstract lijken in feite en er niets werkelijk mee te maken hebben, dan zijn wij ook geneigd om voorbij te zien aan de wetmatigheid die dat gedrag beïnvloed. Op het ogenblik dat wij zeggen: Goed of kwaad hebben wij een oordeel gesproken waardoor wij niet meer in staat zijn de oorzaak zuiver te vinden. Dat is een heel vreemd verschijnsel, maar het komt steeds meer voor. Ook hier is alles wat de mens doet eigenlijk wel erg relatief, het is erg betrekkelijk, het is allemaal uitgaande van een standpunt. En ik heb zo het gevoel dat de meeste mensen hier een oude stelling aanhalen, dat zij zeggen: Ach geef me een hefboom buiten de aarde met een steunpunt en ik zal de aarde uit haar baan gooien, maar dat hebben zij juist niet. Wat zij hebben is die wereld, die wereld met al haar vreemde verschijnselen, met haar vooropgezette mentaliteit, waar niemand naar leeft, die wereld met haar denkwijzen, die vaak in strijd zijn met de feiten, die wereld met haar denkbeeld van een vaste ordening, terwijl die ordening voortdurend wordt omvergeworpen. Ik dacht dat wij hier een belangrijk punt hadden. Wij moeten stellen dat in de totale onzekerheid die, ten aanzien van andere feiten dan de huidige, voor ons bestaat, wij altijd uit moeten gaan van onszelf van onze innerlijke waarheid, zover dit ons eigen gedrag betreft en tot op het ogenblik dat wij door de feiten zien dat dit niet beantwoord aan onze voorstelling.

Wanneer wij stellen dat oorzaak en gevolg in de droomwereld niet met elkaar verbonden zijn, dat in de droomwereld geen verband staat tussen twee opeenvolgende momenten, mogen wij dan misschien aannemen dat in dit, niet door uiterlijke invloeden gelimiteerd reageren van het eigen “ik”, een tendens naar voren komt die in het menselijk wezen zelf bestaat? Ik stel dit vragend, ofschoon ik meen dat ik dit als een voorlopige zekerheid kan beschouwen. Maar voor u moet dat een vraag zijn. Indien de mens niet noodzakelijkerwijze moet denken in een regelmatig verloop van oorzaak en gevolg, is het dan wel noodzakelijk, vraag ik mij af, dat de mens leeft in een normaal verloop van oorzaak en gevolg? Want dat is een hele vraag! Het denken van de mens bepaalt een groot gedeelte van zijn ervaring, maar als dat denken vrijkomt van een aantal beperkingen en dus refereert tot zijn meer normale reactie, is dan nog steeds hetzelfde van kracht? Wij hebben een groot aantal voorbeelden in boeken, die velen toch als gezaghebbend beschouwen, waaruit blijkt dat de normale gang van, zaken en de normale wetmatigheid soms wordt opgeheven.

En laten wij dan maar weer gewoon teruggrijpen naar het evangelie. Jezus wandelt over de wateren. Simon-Petrus wandelt ook over die wateren tot hij zich realiseert wat hij doet, dan zinkt hij. Jezus geneest zieken, Hij wekt doden op. De apostelen doen dit eveneens, maar niet altijd met groot succes. Ook diegenen die Jezus niet persoonlijk gekend hebben, onder de latere leerlingen, blijven toch in staat om die dingen te doen. Wat zij doen is theoretisch onmogelijk. Van ingewijden wordt onder meer ook verteld dat zij over water kunnen lopen, dat zij in de lucht kunnen opstijgen, er wordt verteld dat zij een materie kunnen veranderen. Een van de oude verhalen die altijd weer de ronde blijft doen is wel van een ingewijde die een hongerig man ontmoet in Tibet, en hem dus iets wil geven en dan wijst op een steen en zegt: Dat is Champa. Dat is een poederachtig mengsel dus van meel met enig vet erin en zo kan die man zich weer voeden. Deze verhalen worden door velen als volledig juist beschouwd.

Er zijn ook in de moderne tijd aanwijzingen dat, onder bepaalde omstandigheden, de normale gang van zaken onderbroken wordt, dat de normale oorzaak en gevolgwerking ophoudt en dat er iets gebeurt dat wij niet kunnen verklaren. Wij kunnen dat vinden in vormen van paranormale genezing, maar wij vinden het net zo goed in de invloed die een patiënt, door iedereen reeds opgegeven, plotseling schijnt te ondergaan met een contact met een medemens. Het besef is op een bepaalde persoon gericht en ziet de ziekteprocessen, die schijnbaar niet meer teruggedraaid konden worden, stoppen: de genezing begint. Al deze dingen wijzen erop dat het denkvermogen van de mens, volgens mij, dan toch wel een grote invloed heeft. Wanneer ik dan in het bijzonder de nadruk leg op die wandeling over de wateren van Simon-Petrus, dan doe ik dit omdat daaraan een zeer typisch aspect aan vast zit. Zolang de man niet denkt aan wat hij doet, kan hij onlogisch en tegen de natuurwetten in, over de wateren gaan. Op het ogenblik dat hij zich de logica van de mens herinnert begint hij te zinken. Is hier misschien een verandering van mentale toestand de oorzaak van de verandering van zijn mogelijkheden? Ik stel het nog steeds vragenderwijze. Maar ik dacht dat je toch met enige zekerheid zou kunnen zeggen dat een verandering van mentale toestand, voor een mens, een verandering van mogelijkheden betekent, en dat die verandering van mogelijkheden wel degelijk verder kan gaan dan het normale. Er zijn voorbeelden van mensen die wichelroedelopers worden genoemd, maar die eigenlijk die wichelroede alleen maar nodig hebben om uitdrukking te geven aan, zeg maar, onbewuste impuls. Die mensen zoeken naar water, zij zoeken naar olie en in vele gevallen bereiken zij er iets mee. De vraag is alweer: Welk mechanisme functioneert hier? Want, wat er gebeurt is niet logisch. De normale oorzaak en gevolgwerking valt hier ergens erg moeilijk, want er gebeurt iets dat niet behoort tot de erkende oorzaken. Wat is er aan de hand? Alweer de instelling van de persoon verandert. Dus zijn denken. En is het nu zo vreemd wanneer ik zeg: dat de mens in zijn concentratie terugvalt tot die sequenties van gebeurtenissen zoals wij er in de droom zien, waarbij de samenhang niet noodzakelijkerwijze aanwezig is, maar de beleving wel degelijk afzonderlijk naar voren treedt. Ik dacht: wanneer wij dat zouden stellen, wij niet alleen een verklaring zouden hebben voor die man die wichelroede loopt, maar ook voor dat veel zeldzamer voorkomende geval van de man die zogenaamde X-straal-ogen heeft. Iemand die dus, door gesteentelagen heen, bepaalde gesteentebreuken schijnt te zien. Ook hiervan zijn gecertificeerde voorbeelden opgenomen in de parapsychologie. Dit mogen wij dus wel als bestaand aanvaarden. En waarom zouden wij dan ook niet aannemen dat het juist deze schijnbaar onlogische, deze helemaal niet meer op wetmatigheden geconcentreerde reactie is, waardoor bv. in Nieuw-Guinea iemand een grasbosje neemt, een pijltje schiet en zegt: Daar is de man die wij hebben moeten. Tovenarij! Ja, maar is die tovenarij iets anders dan een methode om je los te maken van de normale oorzaak en gevolgwerkingen, waaraan je als mens jezelf gebonden acht? Ik acht dat het de moeite waard zou zijn in deze richting eens voort te denken, ook voor uzelf. Want de doorsnee mens gaat wel uit van vaste waarden in zijn leven, maar zijn die waarden werkelijk vast? Ik geloof dat iedereen, die wel eens een verstrooidheid of op een andere manier een afwijking doormaakt, geconfronteerd wordt met dingen die je niet helemaal kan verklaren. Later vindt ge een verklaring ervoor; de mens rationaliseert alles en geeft overal dan weer een redelijke samenhang aan zodat het a.u.b. blijft passen als feit in de wetmatigheden die hij voor zichzelf ontworpen heeft. Maar ik stel dat de verklaring niet identiek is met het feit. Ik ga nog verder: ik stel dat de verklaring die gegeven wordt vaak strijdig is met het feit. Ik stel dat mensen die een stem horen die hen iets zegt, die stem niet horen, maar dat zij op een of andere manier iets weten. Ik stel dat mensen, die op een gegeven ogenblik visioenen krijgen, vaak helemaal geen visioenen hebben, dat dit alleen voor hen de verklaring is van een complex geheel dat plotseling in hen aanwezig blijkt en waar zij geen raad mee weten. Ik stel dat de mens geestelijk veel verder de materie kan beheersen dan hij gemeenlijk doet, maar dat hij tot die beheersing alleen kan komen omdat die mens zijn wetmatigheden als betrekkelijk gaat beschouwen.

Dan komen wij nog aan een heel interessant stukje want, wanneer wij het voorgaande allemaal aannemen, dan wordt de grote vraag wel gesteld: Of wij al datgene wat wij als reëel stellen wel in concreto als zodanig mogen beschouwen Wij leven in een wereld waarin waarden zijn, waarden die wij niet helemaal kunnen verklaren. Wij hebben daarin een vast raster geschapen, een erkenningsraster dat wij “wet” noemen. Het betekent dat elke factor die buiten het raster valt als niet erkent ter zijde wordt geschoven, tot het ogenblik dat wij het raster omvormen tot een kader. U weet toch wat een raster is? Het is een lijnenstelsel, waarbij men de punten, waarop de lijnen elkaar raken, kan versterken en daardoor een zwart-wit beeldcombinatie kan krijgen, zoals in een drukkerij bv. Wanneer ik zeg: kader, dan bedoel ik een omlijsting. Er is een begrenzing en die begrenzing is voor ons noodzakelijk omdat ons eigen vermogen nu eenmaal niet onbegrensd is. Dit geldt voor de mens, het geldt ook voor de geest. Maar wanneer wij daarbinnen geen raster meer aanleggen en dus niet meer zeggen dat het alleen op die manier zich kan manifesteren, dan zal er weleens, in plaats van een tweedimensionaal beeld in zwart-wit, een driedimensionaal beeld kunnen komen in kleur. Ik geloof dat dat in werkelijkheid het geval is. De mensen hebben de laatste tijd nogal vorderingen gemaakt in de atoomchemie onder meer. Zij hebben heel veel geleerd omtrent de gedragingen van kleinste delen. Zij zijn doorgedrongen in die wonderlijke wereld waarin “nu” soms twee plaatsen tegelijk kan betekenen, zoals bij een elektron. Een kort ogenblik, maar een kort ogenblik zijn zij a.h.w. op twee plaatsen tegelijk meetbaar. Wanneer je al die dingen gaat overzien, dan zeg je: Ja wij verklaren dit allemaal wel maar is er misschien een kwestie van energie, van energieniveau die voor het verschijnsel bepalend is. Is de werkelijkheid misschien in de eerste plaats de kracht en is alles wat daar meer concreet uit voortkomt alleen eigenlijk maar een nevenverschijnsel, een neveneffect.

Wanneer je kijkt naar ruimte en materieverhouding in het atoom, dan moet je tot de conclusie komen dat de uiterlijke waardeerbaarheid van het atoom een soort neveneffect is van een ruimtelijke constellatie. Met andere woorden: Een atoom is eigenlijk een hele hoop niets, waarin een paar kleine puntjes iets, een enorme snelheid hebben en daardoor het uiterlijk van iets verschaffen. Een leuk geintje, dat moet u maar eens proberen tegen een deskundige en kijken wat hij zegt. Ik zeg dat voor het atoom, omdat de mens hier binnengedrongen is in een wereld die niet werkelijk de zijne is en die hij eigenlijk grotendeels abstract moet benaderen. Hij heeft dus wel enkele concrete mogelijkheden, maar die zijn zeer beperkt. Al wat daartussen ligt moet hij door berekening en veronderstelling creëren. Hij komt zo in een wereld terecht waarin hij natuurlijk ook wetten schept voor zichzelf, maar waarin die wetten lang niet altijd duidelijk zijn. Waarom bv. kan in een en hetzelfde atoomgewicht, bij dezelfde materiële reactie naar buiten toe, toch een verschil in atoomstructuur bestaan. Een van de vragen waarop tot nog toe nooit een antwoord is gegeven zover ik weet. Het is zo dat wij een indeling hebben gemaakt. En omdat het een wereld is die ver van ons af ligt, zijn wij geneigd om daar meer speculatief te werk te gaan dan in onze eigen wereld.

Hetzelfde dus ten aanzien van de ruimte. Ten aanzien van de ruimte wordt veel waargenomen, daarnaast nog veel meer gespeculeerd. Maar omdat wij onszelf voelen als deel van de ruimte, zijn wij niet geneigd met onze speculaties zo ver te gaan als bv. in de wereld van het atoom, wat, omdat het zo klein is, vreemd genoeg voor de mens minder reëel schijnt te zijn. Hij weet wel dat het werkt, maar er is een abstractie die je aan de sterren nog niet helemaal kunt toekennen, want daar weet je net genoeg van om te weten: zij liggen eigenlijk dicht bij ons, al zijn de afstanden ook onmetelijk. In die atoomchemie meen ik iets te ontdekken in de laatste tijd. Ik meen namelijk dat het naast een concrete wetenschap ook langzaam maar zeker een filosofie aan ’t worden is. Hetzelfde vind ik dus in bepaalde afdelingen van de mathematica. Ook hier werkt de mens met zijn eigen wetmatigheden, zijn eigen verhoudingen, maar hij komt tot een gebied waarmee hij zich moeilijk meer kan vereenzelvigen. Ook hier is hij geneigd om de rasterwerking overboord te gooien, ook hier gaat hij vrijer interpreteren. En het blijkt juist dat die vrijere interpretatie, die vrijere benadering, ook al wordt zij later weer volgens de wetmatigheden zo goed mogelijk omschreven, de mens helpt om veel meer te zien, om veel meer te begrijpen dan kort geleden nog mogelijk scheen. Nu vraag ik mij af: Is hier niet het relatief stellen van waarden en zelfs van wetten belangrijk geweest? Is niet de benadering van een dergelijk gebied als het grote onbekende, waarin divisie en subdivisie voortdurend weer voorkomen. Waarin, wat een geheel leek vandaag, morgen in zichzelf weer een geheel zonnestelsel is. Is dat niet datgene wat het ons mogelijk maakt om verder te gaan? Zouden wij niet in onze eigen wereld op dezelfde wijze moeten proberen om niet alleen eenheid en grote lijnen te zien, maar juist ook door te dringen in de verschijnselen die niet passen binnen dat grote kader. Wij zouden het raster weg moeten nemen en daarvoor in de plaats de onbegrepen gebeurtenissen hun eigen kans moeten geven.

Hierdoor zou het dualisme van een zwart-wit denken, dat het merendeel van de mensen beheerst, langzaam plaats gaan maken voor een zeker – en meer tonen althans van – grijs bestaan denken en op de duur, naar ik meen, in een identificerend kleur-denken, want de kleur draagt in zich een eigen betekenis, een eigen emotie. En zodra wij in staat zijn om te komen tot een denken dat zover onderscheidt dat wij a.h.w. de kleur, en dat is meteen ook de sfeer de achtergrond, de inhoud van de dingen gaan zien, dan geloof ik dat wij zijn gekomen op een punt waar wij de beperking ook van een driedimensionaal denken eindelijk kunnen overwinnen. Want dan gaan wij doordringen in een wereld die, door zijn emotionele betekenis, de mogelijkheid geeft aan de bestaande zintuiglijke waarneming, nieuwe impressies en dus ook nieuwe waarderingen, zelfs metingen en afmetingen, toe te voegen. Vindt u het moeilijk? Laten wij het dan eenvoudiger maken:

Kijk eens, ik stel nu dit: Wanneer u uitgaat van het standpunt: dit is zo, dan maakt u het zichzelf onmogelijk om iets te constateren dat zegt dat het niet zo is, want u gaat dat automatisch verwerpen. U gaat dat omdraaien en u gaat het verdringen. Dat is een eenvoudige stelling. Dan gaan wij nog één stapje verder. De dingen hebben niet alleen afmetingen en duur, zij hebben ook nog wat je noemt: een zeker sfeertje, zij stralen iets uit, iets dat je gevoelsmatig constateert. Als dat gevoelsmatig geconstateerde nu ook eens een eigenschap zou zijn, net zo echt als die constateerbare afmetingen, net zo echt als de bestaansduur, zoals zij gemeten kan worden in de tijd, zouden wij dan te maken hebben met wat wij een nieuwe dimensie kunnen noemen? Een andere afmeting, een andere reeks van eigenschappen, en dan is het ook niet reëel meer om iets te bekijken alleen op basis van wat het nu is. In de bouwtechnieken van deze tijd speelt het overigens al een rol. Men gaat niet alleen meer uit van vormgeving, dus de driedimensionale structuur, maar men gaat ook nog uit van duurzaamheid. Men vraagt zich dus af: Wat is de energie die wij erin zetten en hoelang duurt het dan voordat dat ding in mekaar valt? Maar als wij nu ook nog eens gingen vragen: en hoe reageren de mensen erop? Wat heeft dat structurele geheel, met zijn bepaalde tijdsduur voor een mens te zeggen? Dan zou je niet alleen de affiniteit tussen mens en woning weer sterker krijgen dan zij op het ogenblik in vele streken is, maar je zou daarnaast gaan begrijpen dat bepaalde ruimtelijke verhoudingen plus bepaalde structuurmogelijkheden misschien de gebruikte materialen desnoods of de duurzaamheid ervan ook nog weer een soort aparte waarde hebben, die de mens wel niet bewust kan verwerken, maar die die wel aanvoelt. En dan zou je gekomen zijn op een punt waar je gaat zeggen: Het is belangrijk dat ik ook met de sfeer rekening hou, met de uitstraling. Een voorwerp dat moet niet alleen deugdelijk zijn, aan zijn doel beantwoorden, het moet niet alleen fraai zijn, maar het moet ook attractief zijn. M.a.w. er moet tussen product en consument een zekere affiniteitmogelijkheid bestaan. Dat kun je natuurlijk doen door zeeppoeder in een bepaald pakje te doen, of sigaretten een bepaald pakje te geven en koekjes in een bepaalde vorm te bakken.

Dat weet men wel, dat is een verkoopsargument. Maar heeft men zich weleens afgevraagd: Waarom? En dan niet alleen, de mens is gevoelig voor primaire kleuren, of kleuren hebben een bepaalde symbolische waarde; maar alleen: waarom vindt men nu bv. de ene theepot, gelijke vorm, gelijke structuur verder, in bruin niet aanvaardbaar en in wit wel? Wat is het verschil, is dat alleen maar de kleur, of is er een verandering in het glazuur? Laten wij eens kijken of wij diezelfde theepot nu bruin kunnen maken met een glazuur dat verder, in zijn chemische bestanddelen, praktisch gelijk is. Is die mogelijkheid aanwezig zonder dus een aparte kleurstof te gebruiken, want vinden wij dus dat die kleur niet helemaal precies zo wordt, maar dat deze tint natuurlijker bruint, wederom attractiever is. Een aardigheid die op het ogenblik te constateren is overigens, met bepaalde vormen van Terracottawerk, die ook geglazuurd worden, of op een bepaalde wijze zo gebakken, dat zij uitglazuren. Hierin zijn dus kleurcombinaties aanwezig, maar de attractiviteit van het voorwerp, gelijke vorm, gelijke kleur, blijkt voor het merendeel der mensen, wij gaan nu niet de keuze “mooi” alleen nemen, even aanvaardbaar. Verander de kleisoort waarmee je bakt en er ontstaat een verschil in de aanvaardbaarheid. Hoe komt dat? Alweer: Omdat er wel relaties bestaan, maar de relaties, zoals de mens die logisch meent te verklaren, zijn maar ten dele waar. Er is een relativiteit, er is een verschuiving van waarden mogelijk. Hoe komt het dat van vandaag op morgen de reactie van de mensen op een bepaald woord, op een bepaalde melodie, op een bepaalde vorm ineens verandert? Het onverklaarbaar modeverschijnsel zegt men dan. Maar hoe komt het dat dat gelijkertijd gebeurt en niet alleen daar waar de nieuwe vorm of de nieuwe formule aanwezig is, de nieuwe klank? Maar ook elders waar die niet aanwezig is? Daar zien wij bijna gelijktijdig de neiging ontstaan naar iets anders te zoeken. Hoe komt dat? Hier is een invloed aan ’t werk. En nu ga ik langzaam maar zeker afronden.

Ik heb u gezegd: Het is voor u ter overdenking. Niet omdat u nu moet zeggen dat is evangelie. Ik stel nu het volgende: De kosmos is iets wat wij niet wezenlijk kennen. Ons verblijf in die kosmos, althans in stoffelijke vorm, is niet dermate lang. En de historie van de mensheid op zichzelf, zover gekend, is niet dermate lang, dat wij concrete conclusies kunnen trekken. Maar dat “sfeergevoeligheid” overal bestaat, dat plotselinge veranderingen in emotionaliteit en mentaliteit overal voorkomen en de hele wereld, in zeer korte tijd, soms van enkele jaren schijnen te omvatten, zonder dat daar een kenbare oorzaak voor is, wijst erop dat andere krachten aanwezig zijn.

En nu stel ik: Er zijn bepaalde krachten, werkende misschien zonder een voor ons kenbare regelmaat, welke invloed gereleerd is aan het menselijk denken en gevoelsleven en die daardoor een verschuiving van waarden daarbinnen teweeg kunnen brengen. Kosmische krachten, kosmische entiteiten, noem het God, noem het Engelen, ‘t is maar welke naam je eraan geeft, maar dus ongeziene krachten. Dan moet ik daarbij ook stellen dat deze krachten, omdat zij niet reëel constateerbaar zijn op aarde, moeten behoren tot een energieniveau dat sterk afwijkt van wat de mens op aarde heeft. Dit energieniveau zou moeten liggen in de grootorde van bv. centimetertrillingen. In die buurt namelijk treden soms fenomenen op. Wanneer dit het geval is, bestaat er een wereld van energie, die wel degelijk de mens beïnvloedt. De mens schijnt ook, onder bepaalde omstandigheden, die wereld te kunnen beïnvloeden. Is dan de energie niet de werkelijkheid en is al het andere bijkomstig? Zo men hier ja op wil zeggen, komt als volgende vraag hieruit voort: Is niet al datgene dat wij als concrete waarde beschouwen in onze wereld, relatief waardevol. Dat wil zeggen: nu voor ons waardevol, zonder dat het kosmisch waardevol behoeft te zijn of kan zijn. Is het antwoord ook hierop: Ja, dan volgt een laatste vraag: Wat is dan voor ons essentieel? En ik geloof dat wij dan als enig antwoord kunnen geven: onder de omstandigheden: Energie die in ons bestaat, energie die wij niet kunnen meten, niet kunnen vastleggen en heel moeilijk kunnen wegen geloof ik, maar energie die niet alleen het menselijk leven uitmaakt, maar die kennelijk veel meer uitmaakt; die de verbinding vormt tussen de mens en wat hij ziet als feiten, de kracht waardoor zijn gedachten vorm kunnen krijgen, de kracht die iets presteert wat hij “willen” noemt. Indien dit waar is, dan moeten wij stellen: Alle waarden die wij kennen zijn betrekkelijke waarheden. Alle conclusies die wij hebben ten aanzien van causaliteit en dergelijke, omvatten betrekkelijk waarheden. Maar wijzelf zijn deel van iets dat nog andere waarden omvat. Zeg maar: Een grotere waarheid. Wanneer wij dan toegang zoeken tot onszelf als mens of geest, zullen wij mogelijk die grotere waarheid erkennen en daardoor in de betrekkelijkheid, die ook daarin naar ik aanneem nog zou bestaan, het dualisme verliezen, de neiging om stellingen tegenover elkaar te zetten, om alles te delen in zwart- en witverhoudingen. Ik geloof dat wij dan pas ons bewust kunnen worden van iets, dat, volgens mij toch, een soort functionaliteit moet zijn, een redelijke werkzaamheid, al is het niet menselijk redelijk, van de kosmos, van het geheel waarin wij vertoeven. Hebt u vragen?

  • Waarom is het menselijk denken gegroeid en gebaseerd op het “oorzaak en gevolg” denken? Is het eventueel ook in een andere richting te verwezenlijken?

Ik geloof dat het menselijk denken nog niet eens zo lang in de richting van “oorzaak en gevolg denken” is geëvolueerd. Ik meen dat je dat kunt rekenen vanaf 200 voor Christus, wanneer wij de eerste denkers hebben die daar rekening gaan mee houden, ofschoon anderen het nog steeds niet hebben overzien dat het in hen is. Ik meen verder dat de neiging van de mens om zijn eigen wereld aan zich te onderwerpen, in het begin een poging inhield om dit magisch te doen. En magisch is voor een groot gedeelte emotioneel. Van deze emotionaliteit is hij steeds meer in de richting gaan streven van een beheersing Dus een redelijk, een rationele beheersingsmogelijkheid. Hierdoor heeft hij zich geconcentreerd op de materie, maar hij heeft gelijktijdig, al datgene wat niet materie was, als onbelangrijk verwaarloosd, tot op het ogenblik dat hij deze geestelijke achtergronden eigenlijk niet meer wilde erkennen, omdat zij hem in de weg stonden bij zijn pogingen zijn wereld beter te beheersen en zijn materie dus meer te beheersen. De moeilijkheid daarbij is ongetwijfeld voor deze tijd dat de mens door een beheersing die hij absoluut achtte, maar die in feite zeer gedeeltelijk is door een gebrek aan aanvoelen en kennis hem nu in een wereld plaatst, waarin veranderingen noodzakelijk zijn maar gelijktijdig, en dat is het moeilijke, zijn hele wijze van denken en leven die toch, laten wij eerlijk zijn, voor iedereen op één of andere vorm van winstprincipe is gebaseerd, hetzij aanzien, hetzij zelfrechtvaardiging, uitverkiezing of alleen maar geld.

Dat deze maatschappij dus moet veranderen in een harmonische maatschappij, waarbij dus het aanvallen van elkaar belangrijker is dan de poging om je tegenover elkaar te handhaven. Ik dacht dat dit één van de uiterste ontwikkelingen was. Maar het menselijk denken is eigenlijk begonnen met de poging van de mens om zijn materiële wereld, dus niet alleen incidenteel, te gebruiken maar haar dus rationeel te ontleden en aan zichzelf volledig te onderwerpen.

  • Zouden wij dan mogen besluiten dat bv. in een ander deel dan de kosmos, waar eventueel levende wezens zijn, een niet “oorzaak en gevolgwerking” zou heersen?

Het is dus denkbaar voor u, voor mij is het wel een feitelijke waarheid dat er dus bewuste denkende wezens bestaan, levende zelfs in wat u als een maatschappelijk verband beschouwt, welke geen causaliteit denken kennen, bij wie het “oorzaak en gevolg denken” dus niet aanwezig is in de vorm waarin het voor u bestaat, maar waarbij het elk ogenblik erkennen van een juiste sfeer of juiste emotie, nog beter, het geheel van de samenleving a.h.w. automatisch voortdurend hergroepeert in nieuwe patronen; iets wat overigens voor de mens voorlopig nog niet denkbaar is.

  • Is het voor de wetenschap dan absoluut nodig dat zij voor alles het “waarom” vraagt?

Ik geloof dat dat voor de wetenschap niet absoluut nodig is. Er komt namelijk een ogenblik dat wij met ons waarom te ver gaan. Vb.: Wij kunnen gaan debatteren over de vraag of God bestaat, maar dat kan op dit moment voor ons toch niets veranderen. Wij kunnen ons beter afvragen of datgene wat wij, op dit moment, als menselijk juist ervaren, uitvoerbaar is en zo ja, hoe? Ik meen dat het voor de wetenschap ook zo is. Het is voor haar niet noodzakelijk haar kennis voortdurend verder uit te diepen in één en dezelfde richting om een uiteindelijke verklaring te vinden. Ik dacht dat de wetenschap in zichzelf zou moeten begrijpen dat zij een werktuig is voor de mens en niet een doel. De wetenschap moet de mens in staat stellen om te weten, beter te leven misschien, bewuster te leven. Zij is zeker datgene niet waaraan de mens mag worden opgeofferd. Op het ogenblik dat je daaraan toekomt, dan zeg je dus: Ja die wetenschap moet haar beperktheid begrijpen. Medische wetenschap bv. is erg belangrijk, maar wanneer wij zien dat in de farmacie gelijksoortige middelen met gelijksoortige werkingen overal en ten koste van heel veel moeite worden vervaardigd, alleen maar om patenten te ontduiken en zo zelf op de markt te kunnen komen, dan kunnen wij zeggen: Alles wat hier wetenschappelijk aan wordt besteed is verspilling. Zo goed als het hele proces op zichzelf een verspilling is van mensen, van materiaal en misschien zelfs hier en daar van gezondheid. Want niet al die producten zijn dan even goed en even goed uitgetest. Als u dat nu als voorbeeld houdt dan kunt u zeggen: Wetenschap is datgene dat de mens mogelijk maakt zijn wereld beter te begrijpen en in die wereld juister te reageren. Dan kan ik zeggen bv.: de kennis van het atoom is belangrijk, omdat voor de mens het energievraagstuk gaat opdoemen. In dat opzicht is het zeer belangrijk. Maar als een poging om de herkomst van het Al te verklaren, geloof ik, dat het op zich niet zo belangrijk is. De belangrijkheid ligt in datgene dat het voor allen betekent, niet in een abstracte bereiking die alleen voor enkelen bestaat. Ik weet dat velen dat niet met mij eens zullen zijn en ik wil er daarom onmiddellijk aan toevoegen dat dit mijns inziens niet alleen geldt voor de wetenschap. Zo meen ik dat aan de kunstenaar de eis mag worden gesteld dat zijn kunst in de eerste plaats communicatie is en in de tweede plaats beantwoordt aan datgene wat voor de mens op dat ogenblik nodig is. Ik meen niet dat de kunstenaar dat alleen mag bepalen, ik meen dat die bepaling moet ontstaat door een synthese tussen het denken van de kunstenaar en de behoefte van zijn gehoor. Op het ogenblik dat men een kunst verder ontwikkelt omdat zij als kunstvorm interessant is, geloof ik dat men eveneens een fout maakt. En dat kunnen wij zeggen voor techniek en alle andere dingen. Ik meen dat de mens vaak bezeten wordt door dingen, juist omdat hij ze voortdurend blijft bevorderen zonder zich af te vragen wat zij zijn. Maar ik geloof anderzijds dat de mens, die alleen verklaringen zoekt, juist daardoor in de praktijk faalt. Ik dacht dat voor een mens, elk ogenblik, vanuit mijn standpunt, een soort hergeboorte is waarin je opnieuw waar moet maken wie of wat je bent. Het erg belangrijke is dat hij zich eerst juist gedraagt, dat hij eerst juist reageert. En ik geloof dat hij dat alleen kan doen, wanneer hij beseft hoe betrekkelijk de zekerheden zijn die hij voor zichzelf geschapen heeft, hetzij wetenschappelijk theologisch of anderszins.

  • Vraag (onduidelijk – gedeeltelijk als volgt verstaan): Wij zouden in feite moeten denken dat alle causaliteit relatief is, maar de filosofie leert ons toch dat in feite geheel onze groei naar het hoger bewustzijn evolueert, dat dat een kosmische wet is bv. de gedachtewereld van de reïncarnaties steunt op oorzaak en gevolg, ook de ontwikkeling van de chakra … steunt op kosmische wetten. Hoe moeten wij dat dan zien?

Ja, dan zou ik willen zeggen: er zijn dus dingen die wij als kosmische wetten beschouwen, maar ik geloof dat wij dat eerder moeten zien als eigenschappen van de wereld waarin wij nog bewust kunnen leven. Punt één: zij zijn dus niet waarlijk wetten of wetmatigheden, maar zij zijn voor ons vaststelbare regels, die op dit ogenblik, domineren. Punt twee: U haalt aan. De theosofie en daarnaast de stellingen van Steiner. In beide gevallen hebben wij te maken met mysticisme, met andere woorden met een mystieke en gevoelsmatige uitdrukking, die echter in beide gevallen de neiging heeft om zich uit te drukken in de termen van gekende feiten en gekende wetten, ofwel het construeren van soortgelijke wetmatigheden en feiten. Ik stel: Reïncarnatie is geen onvermijdelijke noodzaak, ofschoon dit vaak gesteld wordt. Zij is een kwestie die niet afhankelijk is van een wet buiten ons, maar van een bewustzijnseigenschap in ons. Ik stel dat alle kosmische wetten die wij kennen alleen een verklaring vormen, voor de verschijnselen die wij, hetzij geestelijk, hetzij meer materieel, waarnemen in de wereld als onveranderlijk, zonder dat daarmee de onveranderlijkheid van die wetten volledig is aangetoond. Ik meen dat kosmische wetten moeten worden beschouwd als, op dit moment, constateerbare en, voor ons besef, niet veranderende en niet veranderbare eigenschappen van het geheel waarin wij leven. Het betekent dat onze constatering niet daarbij de feitelijkheid vastlegt. Onze constatering is slechts een vastlegging van de relatie tussen de werkelijkheid, met al zijn veranderlijkheden, en ons wezen, op een wijze die voor ons beleefbaar is en waarbij wij die continuïteit zoeken, door te zeggen dat het een wet is.

Ik geloof dat je daar de grote moeilijkheid hebt en misschien dat ik daarmee veel andere vragen kan voorkomen. Laten wij één ding niet vergeten: Er zijn onnoemelijk veel wetten op deze wereld genoemd, van allerhande aard, van natuurkundige, van geestelijke, religieus, van mystieke enz. Al deze wetten zijn beperkingen die vanuit mensen geboren worden, niet uit de feiten. Zij komen uit de relatie tussen de mens en de feiten. Zij zijn een uitdrukking van de mens, in zijn verhouding tot het feit, niet de uitdrukking van het feit op zichzelve. Op het ogenblik dat wij dogmatisch gaan stellen dat de door ons geconstateerde relatie de enig werkelijke en blijvend gelijke is, zullen wij ons niet meer kunnen aanpassen aan de veranderingen van de werkelijkheid en juist daardoor tekortschieten. Juist daarom heb ik ook “betrekkelijkheid” als onderwerp genomen. Het is een punt waar je over na moet denken. Ik zeg niet dat u nu plotseling moet zeggen: Alles is relatief, dus wat komt het eropaan, want voor u komt het er wel op aan. U hebt nog uw eigen inhoud. Maar op het ogenblik dat u geneigd bent te zeggen: Ja eigenlijk weet ik het niet, maar dat is de gangbare wet, verklaring of regel, dan moet u zeggen: Ja maar, staat dat wel vast? Ik wil u niet de twijfel bijbrengen aan het geheel van uw bestaan en alle wetten daarin, maar ik wil er u op wijzen dat er altijd weer punten zijn in uw leven, ogenblikken van beleving, van constatering waarbij je zegt: Ja wat zou het eigenlijk zijn, en dan teruggrijpt op je wetmatigheden, op de regelmaat, op de vastheid, waarvan het bestaan, – ik hoop dat althans een beetje aannemelijk te hebben gemaakt -, niet noodzakelijkerwijze kosmisch waar is. Dat zou ik alleen willen bereiken. Ik hoop, wanneer u uit het voorgaande conclusies trekt, ze niet alleen theoretisch zullen zijn, maar dat u zult proberen er in de praktijk iets mee te doen.