Relativiteit

uit de cursus ‘Inzicht 2’ ( hoofdstuk 2) – november 1963

Wanneer wij ons in deze tijd bezighouden met de verschijnselen die het leven bepalen, worden wij geconfronteerd met een materiële opvatting van het begrip relativiteit. Niet slechts betekent dit veel in de ontwikkeling van moderne theorieën en moderne techniek, maar onbewust wordt de mens in zijn leven en in zijn oordeel daardoor ook sterk beroerd. In hoeverre die relativiteit juist is en hanteerbaar kan zijn, hoop ik in de volgende beschouwing uiteen te zetten.

Stelling 1. Alle waarden zijn relatief.

Die relativiteit bestaat alleen vanuit het standpunt van de beschouwer, die de mogelijkheid heeft zich te verplaatsen. Op het ogenblik, dat hij een gefixeerd punt inneemt te midden van zijn omgeving, zijn de verhoudingen voor hem niet relatief maar vast. Relatief – dat wil zeggen in verhouding van elkander afhankelijk – zijn alle waarden voor zover zij worden geïnterpreteerd. Er mag dus worden gezegd, dat dankzij de mogelijkheid tot verschillende interpretaties alle feiten een relatieve waardering kennen en dankzij deze zelfde interpretatie en waardering t.o.v. elkander van waarde kunnen veranderen, zonder dat aan de feitelijke toestand iets verandert.

Stelling 2. Indien alles relatief is, zo zal dit ook moeten slaan op verhoudingen als tijd, plaats e.d.

Antwoord: Inderdaad kunnen wij stellen, dat de verhoudingen van tijd en plaats relatief zijn, waarbij o.m., zoals u misschien bekend zal zijn, punt A op tijd A volkomen identiek kan zijn met punt B op tijd B. Maar voor de mens zal deze relativiteit weinig of geen betekenis hebben. Hij is nl. niet in staat deze overeenkomst te zien, te beleven of op beide plaatsen en beide tijden aanwezig te zijn. Als zodanig blijft het gehele spel hiermee van uit een menselijk standpunt irreëel, theoretisch en niet volledig bruikbaar.

Gesteld, dat de relativiteit praktisch bruikbaar is, dan moeten wij ook aannemen, dat er niet‑relatieve, dus volledig vaste waarden bestaan. Bij die vaste waarden kan geen enkele bepaling worden gebruikt. Wanneer ik zeg: 8, dan zeg ik niet alleen 8 maal iets of een aanduiding van een getal, maar ik stel een waarde die op zichzelf recht en kracht van bestaan heeft. Stel ik dit, dan heb ik hiermede dus een vast heelal gefixeerd dat is gebaseerd op de feitelijke betekenis van cijfers. (Dit was o.m. één van de leerstellingen van de Pythagoreeën.) Dit impliceert dat ik diezelfde vaste verhouding overal elders moet veronderstellen, moet aannemen en hanteren.

Mijn relativiteit is dan niet het voortdurend veranderen der waarden, maar het mijzelf anders plaatsen te midden der waarden, waarmede de relativiteit wederom tot een persoonlijke ervaring is herleid en niet kan worden gesteld te zijn een kosmische verhouding.

Stelling 3. De manier, waarop ik alles doe, mijn waardering van goed en kwaad, is relatief.

Inderdaad. Wanneer een mens zegt dat iets goed is, dan beschouwt hij dit in relatie tot zichzelf, niet beseffend dat dit voor een ander verkeerd kan zijn en omgekeerd. Hij zal iets kwaad noemen, omdat het voor hem niet aanvaardbaar is, zonder te begrijpen dat het voor een ander wel aanvaardbaar en zelfs goed kan heten. Hier is het een kwestie van oordeel. Zolang wij uitgaan van een kwestie van oordeel, die relatief is, en daarop een wereld kunnen baseren, mogen wij stellen dat het totaal van menselijke geloofsbelevenissen, esoterische belevingen zowel als feitelijke handelwijzen, is gebaseerd op relatieve verhoudingen, gemeten van uit het eigen “ik”, zonder dat wordt gebruik gemaakt van regels die tot het geheel behoren, maar uitgaande van veronderstellingen, die in het “ik” als regels worden gehanteerd.

Ik ben mij ervan bewust, dat deze punten voor u misschien hier en daar moeilijkheden kunnen inhouden. Toch was het noodzakelijk dit te stellen.

Want, vrienden, wij hebben nu gezien, dat je niet kunt werken met licht zonder duister; dat elk verschijnsel dat eenzijdig is in zichzelf onvolledig is en een aanvulling behoeft. Indien ik een relativiteit zou stellen, dan kan ik dus overgaan tot wat men bv. noemt een sublimatie van iets, een verandering van verhoudingen of waarden. Maar dat kan ik niet in de wereld of in de kosmos. In die wereld en in die kosmos blijft de vaste wet bestaan, dat elke munt twee zijden heeft, dat elk verschijnsel twee tegengestelde waarden als begrenzing heeft. Daaraan kunnen wij niet ontkomen. Wij kunnen zeggen, dat die grenzen wat dichterbij elkaar kunnen liggen of verder van elkaar af, maar wij zijn en blijven gebonden aan het feit dat het verschijnsel wordt begrensd door twee waarden. Op het ogenblik dat beide waarden identiek worden, verdwijnt het verschijnsel. Dat geldt geestelijk net zo goed als stoffelijk.

Wanneer ik nu de relativiteit hanteer, kan ik dus van mijn kant licht donker en donker licht maken. Ik verander mijn waardering, maar ik verander niet de waarde van die twee dingen. Het is nl. de grens van het verschijnsel “leven”; of zien zo u wilt. En als zodanig blijven die waarden zichzelf gelijk, ongeacht de interpretatie die wij daaraan verbinden. In deze tijd wordt dat wel eens over het hoofd gezien.

Er zijn veel mensen, die menen dat zij door hun zienswijze op een bepaalde manier te wijzigen de feitelijk situatie in de kosmos kunnen veranderen; die menen dat zij door een gevolg oorzaak te noemen de werking van het gevolg kunnen wegnemen. Dit is niet juist. Wij moeten uitgaan van het standpunt, dat alle waarden op zichzelf volledig en concreet blijven bestaan en dat ons eigen standpunt daartegenover kan worden gewijzigd, maar nimmer op zodanige wijze dat wij de twee tezamen horende waarden van elkaar kunnen scheiden of zelfs maar de verschijnselen, die daar tussen optreden, anders kunnen wijzigen dan in een persoonlijke betekenis.

Een theorie is mooi. Wanneer die theorie echter uitgaat van onvolledige feiten, zal zij zichzelf tenslotte frustreren. Het werken met een bepaalde kracht is mooi, maar als dit werken eenzijdig is, houdt het werken met de kracht op zichzelf in dat men tekort schiet. En zo kan ik doorgaan. Wij moeten uitgaan van een realiteit. En die realiteit kunnen wij niet stellen van uit onszelf. Dus begint men – zeker in deze periode – zijn vaststelling met feiten. Wat zijn de feiten?

Ik leef. Als ik leef, moet ik sterven. En niet te vergeten, dat zou ook omgekeerd gelden. Zolang er bestaan is, betekent sterven leven, maar leven sterven.

Ik denk. Omdat ik denk ben ik meer dan een ander? Nee. Hoe meer ik denk des te meer mijn instincten voor mijn wezen een waarde krijgen. Hoe verder mijn begrip uitreikt in de richting van een alomvattend besef van de kosmos, des te meer de mij ingelegde scheppingswaarden mijn wezen overvleugelen en beheersen. Dat verliest men wel eens uit het oog. Ik kan niet één waarde vergroten zonder gelijktijdig een tegengestelde waarde te vergroten.

Die verhouding van waarden, die kosmisch volkomen gelijk is, behoeft echter voor ons persoonlijk niet geheel gelijk te zijn. Een belangrijk punt! Wanneer licht voor mij verblindend is en duister koesterend, dan kan ik niet de verhouding licht duister wijzigen, maar ik kan mijn emotie op het duister baseren of omgekeerd. Wanneer het duister mij een gevoel van beënging, van blindheid geeft, dan kan ik het licht prefereren en trachten het totaal van mijn bewuste handelingen zich in het licht te doen afspelen. Op het ogenblik dat ik bewust handel in de ene kracht, zal ik gelijktijdig onbewust handelen in de andere kracht.

Dit is een zeer belangrijke stelling, omdat zij niet alleen ons begrip van ons wezen en onze eigen wereld betreft, maar ook wel degelijk het begrip voor de waarde van de wereld van vandaag, het gedragspatroon dat de mens daarin heeft en de omstandigheden die daarin kunnen optreden. Wanneer ik bewust A zeg, dan zal onbewust B daarbij worden gevoegd. Ik kan dus nooit alleen A of alleen B zeggen. Het is steeds de combinatie A – B die wordt uitgedrukt. De relativiteit is nu gelegen in het feit dat de onbewuste impulsen, de onbewuste uiting door mij niet wordt gewaardeerd of zelfs wordt verworpen, terwijl de bewuste uiting door mij wel wordt gewaardeerd en over het algemeen wordt gezien als een belangrijk deel in het proces der bewustwording.

Toch moeten wij wel begrijpen dat bewust worden gelijktijdig moet inhouden: niet‑bewust‑worden. Dat leert ons de bipolariteit. Dan is mijn standpunt van bewustzijn een relatief standpunt. Het is een verhouding, waarbij ik dus zelf mijn ervaring van het geheel en niet mijn plaats in het geheel bepaal. Op grond hiervan mogen wij stellen:

Waar wij in staat zijn onze eigen waarderingen voortdurend aan te passen aan de behoefte van ons wezen, zonder dat wij daarmee iets aan de feitelijke condities of omstandigheden kunnen wijzigen, is het de mens toegestaan om het totaal van zijn denkbeelden zo te richten als hij dit zelf wenst; met dien verstande, dat hij daarom niet de feitelijke verschijnselen ontkent, die als gevolg van zijn instelling en streven rond hem ontstaan.

Dan ga ik nu uit van het standpunt: bipolariteit stof – geest. Waar de geest is, moet de stof bestaan. Waar de stof is, moet de geest bestaan. Beide kunnen niet zonder elkander bestaan. De vorm, waarin zij t.o.v. elkaar optreden, is slechts de bepaling van de wereld waarin u leeft.

In de mens liggen stof en geest betrekkelijk dicht bij elkaar; en daarom is zijn leven tamelijk beperkt. In de sferen liggen deze beide waarden verder van elkaar. Maar het totaal geestelijk zijn en het totaal stoffelijk zijn maken nog steeds de grenzen uit, waarbinnen ons bestaan zich beweegt. Dan volgt hieruit, dat de waarde van mijn leven altijd gelijk is; en dat het leven in een sfeer niet meer of minder is dan het leven op aarde, maar dat de persoonlijke mogelijkheid tot beleving aanmerkelijk kan verschillen; en wel intenser en vollediger wordt naarmate de afstand tussen stof en geest groter wordt. Dit geldt zowel voor hen, die in negatieve zin leven (wij noemen het het duister) als voor hen, die in positieve zin (volgens ons in het licht) bestaan. Dan is dus ons gehele bestaan opgebouwd op de voortdurende balans stof – geest. Het standpunt dat wij daarin innemen, kunnen wij zelf bepalen. Wij kunnen echter nimmer het feitelijk levensbereik en de verhoudingen wijzigen. Er mag dan worden gezegd, dat het geheel van uit ons standpunt op elke wijze mag worden benaderd, die niet in strijd is met de in ons levende krachten, waarden en denkbeelden plus de feiten die buiten ons kenbaar ontstaan, ongeacht op welk niveau, ongeacht in geest of stof.

Hiermee heb ik dan tevens een benadering gevonden voor de plaats, die God in ons wezen en in ons bestaan inneemt. God is het niet‑kenbare. God is het punt, waarin de krachten hun evenwicht vinden. Het verschijnsel is dus niet kenbaar. Dientengevolge zal – ongeacht onze instelling of verhouding ten opzichte van of met het leven of in het leven – zelfs God een vaste plaats innemen, die niet variabel is. Gods vorm, macht en wezen worden voor ons (in zoverre is het dus relatief) niet bepaald door ons bestaan maar door de begrenzingen, waarbinnen ons leven zich afspeelt. God is dus het middelpunt van ons kenvermogen. Op het ogenblik dat ik van uit die God het leven probeer te benaderen, moet ik eerst het relatieve standpunt, dat ik inneem (dat dus mijn ego en mijn persoonlijkheid uitmaakt), prijsgeven. Dientengevolge kan geen mens of geest redeneren van uit het Goddelijke, zonder eerst zijn persoonlijkheid volledig te hebben opgelost. Wanneer dit echter wordt bereikt, spreekt men niet meer voor zichzelf. Dit is een punt dat men wel eens zou mogen overwegen, wanneer men anderen vertelt wat de wil Gods is.

Geen enkele interpretatie, onverschillig op welk terrein, is absoluut. Het feit dat er een interpretatie is, betekent reeds dat dit een relatieve waardering is. Zo zal elke interpretatie moeten worden getoetst aan haar werkelijkheidswaarde en zo mogelijk zelfs nog aan de beide uitersten die de begrenzing van deze interpretatie vormen. Alleen op die manier kan men de werkelijke betekenis van een stelregel benaderen.

Ik neem een voorbeeld. “Gij zult niet doden.” Dan zal de mens niet leven. Want wie een plant vernietigt of zelfs maar schaadt om zich daarmee te voeden, doodt die plant of een deel ervan. Kennelijk is dus hier het begrip “leven” een beperkt begrip. We gaan interpreteren, en dan komen wij tot de conclusie, dat hier alleen menselijk leven werd bedoeld en geen ander leven. Maar is dit alléén menselijk leven, dan blijft er nog de vraag, of die “Gij zult niet doden” volledig van toepassing is.

Gaan wij het nog verder nazoeken, dan blijkt dat dit binnen de stammen Israëls wordt gehandhaafd, maar dat Israël buiten Israël doodt, zelfs probeert genocide te plegen op de bewoners van Kanaän; en dit na de Wet van Mozes te hebben ontvangen. Dientengevolge is het “Gij zult niet doden” geen concrete wet. Het is een stelregel, die zo relatief is gesteld, dat een poging om deze algemeen toe te passen automatisch tot een misrepresentatie en een misinterpretatie moet voeren. Het was alleen: Gij zult degenen niet doden, die aan uw zijde staan. Maar zo wordt het niet ontleed.

Wanneer ik nu een dergelijke regel heb, die eens is ontstaan en ik ga haar interpreteren als volledig en alomvattend, dan zal er een ogenblik komen dat ik ofwel met de wet in strijd ben en mij daardoor – ofschoon het relatief is – schuldig gevoel, dan wel dat ik door aan de wet te gehoorzamen zelf daaraan te gronde ga, dus mijzelf daarmede doodt, wat mij wederom in strijd met de wet brengt. Op grond hiervan mag worden gezegd, dat geen enkele van de wetten (zelfs van de Tien Geboden, als het daarop aankomt) kan worden beschouwd als een volledige wet, die algemene geldingskracht heeft en volledig en voortdurend zal blijven gelden, ongeacht hetgeen er verder zal geschieden of zal zijn. De enige mogelijkheid, die men heeft om zich hieraan te onttrekken, is het persoonlijk interpreteren van de betekenis van die wet, volgens eigen behoeften en noodzaken. Dan is de wet relatief gesteld en heeft zij haar werkelijke geldingskracht verloren.

Wanneer er staat geschreven: “Gij zult niet stelen” (ook in een wetboek) en degenen die de wet handhaven stelen, dan is hiermede de wet van een recht tot een onrecht geworden en zou men moeten zeggen: Ieder moet het recht hebben om te stelen”; of: “Een ieder moet het recht hebben om de dief te straffen.” Dit kan niet bij een bijzondere instantie berusten.

Als u zo redeneert, zult u ontdekken dat alle stelregels, axioma’s en dogma’s, waarop uw wereld op dit ogenblik berust, in feite onvolledige interpretaties zijn, die zeer relatief gewaardeerd zijn; nl. niet in verhouding tot de bestaande toestanden, maar tot de toestanden die men wenst te handhaven of wenst te zien bestaan.

Een groot gedeelte van wat op het ogenblik op de wereld als waar wordt aanvaard, is een feitelijke onwaarheid, die alleen – dankzij het hanteren van dit relativiteitsbegrip – aanvaardbaar wordt gemaakt door het stellen van standpunten en zelfs morele betekenissen en waarden die niet in overeenstemming zijn met de feiten. Wil ik mij losmaken uit een dergelijke verwarring, dan zal ik moeten terugkeren tot het werkelijk principe van het leven. En daarover heb ik u reeds het een en ander gezegd.

Leven is een wisselwerking tussen stof en geest. Het verschil tussen het werken van de geest en het werken van de stof is mijn leven. Wanneer ik mijn leven zo evenwichtig mogelijk doe verlopen (daarbij rekeninghoudend met elk der beide factoren in mijn wezen afzonderlijk, maar beseffend dat ik niet aan één van die factoren kan toegeven, zonder ook de ander te bevredigen), dan heb ik de evenwichtigheid gevonden, waarin het enige niet‑relatieve punt van ons bestaan kenbaar wordt: het punt, dat wij God of innerlijk bewustzijn. of innerlijk licht noemen. Wie dit punt bereikt heeft een contact met een werkelijkheid, die overal en te allen tijde bestaat: de goddelijke werkelijkheid. Zij is nl. de enige evenwichtige wereld, waarin geen feitelijke veranderingen voorkomen, waarin geen begrenzingen veranderen en waarin geen der verschijnselen door interpretatie, of verplaatsing van één der delen van het geheel tijdelijk of blijvend zijn wezen, betekenis of zelfs maar zijn uiterlijk kan wijzigen.

Zoek ik naar die goddelijke Kracht, dan zal ik daarbij moeten uitgaan van de regels, die het erkennen van die goddelijke Kracht in mijn wezen mogelijk maakt. Ik moet begrijpen dat iemand die zegt: “Heb uw naaste lief” om vervolgens te zeggen: “En geef dus voor de missie of voor de armen” ergens misbruik maakt. Hij heeft de naaste niet lief, maar hij heeft de belangrijkheid lief, die hij ten koste van uw naastenliefde t.o.v. anderen voor zich kan verwerven.

Nu kan dat op zichzelf heel nuttig en zelfs noodzakelijk zijn. Maar wanneer deze tendens bestaat, moeten wij ons realiseren waarin het ligt. Men kan ook in naastenliefde niets aan anderen overdragen. U leeft en niemand anders. En dat wil zeggen dat elke beleving, zonder de mogelijkheid tot transponeren, transformatie, sublimatie enz., in het “ik” moet worden verwerkelijkt. Zolang dit niet het geval is, gaat men ten onder aan het zelfbedrog, dat door delegatie van taken en verantwoordelijkheden ontstaat.

Dan rest mij nog te zeggen, dat ik in het geheel van dit betoog u niet alleen wilde wijzen op fouten in uw eigen wereld of op noodzaken tot verandering van uw denken.

Wanneer wij inzicht willen verkrijgen in het totaal van het leven, dan zullen wij eerst inzicht in onszelf moeten verwerven. Het is niet voldoende dat wij de juiste leefregel, de juiste gedachten krijgen. Zij moeten in ons bestaan, anders hebben ze geen feitelijke waarde; dan zijn het waarden, die kunnen worden verwisseld en verschoven naar ons eigen believen.

Dientengevolge hebben wij er niets aan om te werken met de waarden van bipolariteit, van relativiteit of ongeacht welke waarde, zelfs moraliteit, rechtvaardigheid enz., tenzij wij de grondwaarde ervan in onszelf hebben verankerd en van uit ons wezen tot uitdrukking brengen.

Het ging er mij dus niet om alleen maar een bepaald aspect van het leven te belichten, maar om u te brengen tot een begrip van uw eigen plaats in het Al. Die plaats in het Al kan niet worden gewijzigd door bijkomstige verschijnselen. Of u nu leeft of dood bent, of u nu jong bent of oud, ja, zelfs of u helder van begrip bent of zo dom als houder van de bekende krulstaart, in alle gevallen is uw leven, uw oordeel en uw aansprakelijkheid het enig belangrijke, omdat u daaruit leeft. Alleen in uzelf kunt u immers het rustpunt, het punt van evenwicht vinden, dat wij God hebben genoemd; het punt van werkelijkheid zonder relativiteit. Het punt, waarin de tegenstellingen elkaar ontmoeten, de invloeden elkaar opheffen en rust ontstaat

Zo zult u dus juist in deze dagen moeten leren afstand te doen van datgene, wat men zegt, wat men denkt, wat men eist. U zult daardoor een zuiver persoonlijk denken in de plaats moeten stellen. U zult in de plaats van de wetten, de regels en de aardigheidjes van de buitenwereld uw eigen standpunt moeten bepalen, dat niet alleen maar een theorie is, maar iets wat u in praktijk brengt.

Het is noodzakelijk dat u een eigen geloof bezit, dat niet is gebaseerd op wat men zegt of wat algemeen gangbaar is, maar wat u een zodanige zekerheid geeft, dat u innerlijk daaruit uw krachten kunt putten, zodat u niet aarzelt datzelfde om te zetten in directe praktijk.

Het eigen leven wijzigen vloeit voor de meesten noodzakelijkerwijze voort uit een juist begrip van het spel der relativiteit dat zij spelen. Wanneer u uzelf onderzoekt, zult u ontdekken, dat uw waardering voor wat aan anderen geschiedt en wat u geschiedt een geheel verschillende is en dat de belangrijkheid dus verandert naarmate u er al of niet deel van bent. U zult ontdekken, dat u voorstander bent van zeer vele sociale ontwikkelingen, tenzij zij te uwen koste gaan, dan bent u ineens tegenstander. U zult ontdekken, dat u bepaalde geloofstheorieën volledig aanhangt, behalve wanneer het er op aankomt direct daarnaar te handelen zonder rekening te houden met enigerlei andere waarde, beperking of bepaling. Die omstelling is voor de mens in deze dagen één van de meest voorname en meest te verlangen waarden.

Nu kunt u zeggen dat dit ook relatief is, inderdaad. Voor ons is harmonie en evenwichtigheid het meest belangrijke dat er bestaat. En onwillekeurig zullen wij het totaal van uw wereld en de daarin ontstane werkingen van uit dit standpunt beoordelen. Maar dat neemt niet weg, dat de feiten van een kosmos, die in zich onveranderlijk zijn en die vaste waarden hebben, voortdurend aantonen dat uw weg zeker niet de juiste is. En als u alleen maar die zekerheid hebt verworven, dan hebt u al veel verkregen.

Het is voor ons niet prettig altijd te moeten wijzen op uw tekortkomingen. Wij zouden u gaarne willen loven om uw verdiensten. Maar ook hier treedt de relativiteit in werking. Indien wij zeggen dat ge op één punt goed zijt, meent ge daaraan het recht te kunnen ontlenen om op alle andere punten onjuist te zijn, of ge dit nu toegeeft of niet. Ik zou meer van die feiten kunnen aanhalen, maar ik geloof dat de hoofdgedachte van deze les duidelijk is geworden. Wanneer u uw verhouding in het leven leert bepalen, uw punt van Godsontmoeting of geloof kunt vinden in uzelf en het totaal van uw geestelijke en stoffelijke verschijnselen a.h.w. evenwichtig leert regelen in overeenstemming daarmede, dan hebt u datgene bereikt wat men noemt: esoterische inwijding, magische bereiking, enz.. Want alleen uit het “ik” kan de mogelijkheid ontstaan om zijn wereld te beheersen, zijn lot te erkennen en aan te passen aan een eeuwige werkelijkheid, zonder daarbij aan zichzelf ten onder te gaan en zich dus te verplichten steeds hernieuwd dezelfde problemen te doorleven, voordat men zijn vrijheid wint.

Persoonlijk beleven

Wanneer de mens de wereld van uit zichzelf beschouwt, zo bouwt hij zich een structuur op, waarbij hij zijn gehele persoonlijkheid legt in al hetgeen hij beziet.

Als u over een huisdier spreekt als ware het een mens, dan legt u uw menselijkheid in het huisdier. Wanneer u uw begrip van comfort overdraagt op een oude stoel of een gewaad dat eigenlijk niet zo gemakkelijk is, dan kent u uw gesteldheid aan dat andere toe. Maar het eigenaardige is, dat de mens in zijn leven en denken altijd weer deze beide waarden (dus de werkelijke waarde en het persoonlijk daarin gelegde) als een geheel ervaart. Wij reageren van uit onszelf niet op datgene wat is, maar op dat wat wij zien in iets; dus wat wij hebben ingelegd in iets. En zo zullen wij komen te staan voor een zuiver persoonlijke beleving, die dus niets meer te maken heeft met wat werkelijk bestaat. Wij beleven en herbeleven onszelf. Wanneer er wordt gezegd, dat de gehele wereld niets anders is dan een spiegel, waarin de mens zichzelf bewondert, dan is dat misschien wat overdreven, maar hij zoekt zichzelf wel in alle dingen te vinden.

Wie naar de hemelen schouwt, ziet daarin zichzelf. De boer kijkt omhoog en zegt: “Ziet, de regentijd is nog ver en de aarde is droog. Het wordt tijd dat het regent.” Maar hij, die zich juist op reis begeeft, kijkt omhoog en zegt: “Goed, dat de wolken nog wegblijven. Goed, dat er nog een ogenblik zon is voordat de regen gaat vallen, want mijn weg zal dan eenvoudiger en gemakkelijker zijn.” En een derde ziet alleen de hemel boven zich en zegt: “Hoe wijds, hoe groots is de koepel die zich over de wereld uitspant.” Toch hebben zij alle drie dezelfde waarde gezien; maar hun reactie was een totaal verschillende.

Wij hebben dit niet alleen t.o.v. dat wat buiten ons ligt. Wanneer wij in meditatie zittend in onszelf trachten te zien, wanneer wij de werkelijkheid trachten te ontdekken in concrete meditatie en beschouwing, dan bouwen wij onszelf op. Wij bouwen – of wij het weten of niet – een beeld van onszelf op en noemen dat de kosmos. Die kosmos geven wij eigenschappen; en dat zijn onze persoonlijke verlangens, onze angsten, de eigenschappen die wij bezitten en dat alles tezamen noemen wij God. Wij trachten dan uit dat geheel voor onszelf ergens een beeld te scheppen dat ons bevredigt.

Het is goed om te zeggen: Wij zoeken in de esoterie het Allerhoogste. Maar dat is niet waar. Wat wij zoeken is de volledige zelfbevrediging. Wij zoeken het zelf-verheven zijn, het rustig zijn, totdat wij als een Boeddha zwevend over de menigte heen kunnen zien tot het einde der tijden en der aarde en zeggen: “Ziet, dit is het spel der eeuwen.” Zo bouwen wij dus onze persoonlijke kosmos, onze persoonlijke wereld.

Op zichzelf is dit alles goed en aanvaardbaar, want slechts het “ik” dat zozeer groeit, dat het het beeld van de totale kosmos in zich kan dragen, is in staat om de werkelijk scheppende kracht, de Adem van het Oneindige in zich te erkennen en te dragen. Maar aan de andere kant trachten wij eigenlijk gelijktijdig die innerlijke beleving, die in ons gegroeide kosmos, te zien als het wapen, waarmee wij al wat aan ons tegengesteld is, moeten verslaan. Wij zien ons niet als harmonie, maar als disharmonie en begrijpen niet dat wij strijden tegen onszelf.

Een geliefd beeld voor één der eerste fasen van de innerlijke bewustwording is de jungle. De jungle, waarin de slang wacht, zich roert, sist en zal steken met de felheid van haar giftanden; waarin de tijger sluipend voortgaat, wachtend op het ogenblik dat hij met één sprong zijn prooi zal pakken; waarin insecten en planten een eigenaardig spel spelen en u de weg versperren.

De mens zegt: “Ziet, hier sta ik in een jungle en ik moet mij een pad banen naar de tuinen der bewustwording.” Van uit zichzelf beschouwd heeft hij gelijk, maar hij vergeet dat hij de jungle is. De mens is de slang. Hij is de tijger. Hij is het vlechtwerk van lianen en wortels, dat hem zijn weg verspert. Hij is het giftig insect, dat hem onverhoeds kwetst. Hij is alle dingen. Maar zolang hij dit niet beseft, is zijn persoonlijk leven een dolen in de tuinen van zijn eigen “ik”, een vechten in de jungle van zijn “ik” naar gelang hijzelf innerlijk bewust is geworden.

Wanneer ik zeg: “Ziet, in mij is, een kracht als een engel. Een grote en lichtende kracht is in mij neergedaald,” dan zeg ik niet dat er iets nieuws in mij is gekomen, al denk ik dat misschien. Ik erken alleen iets wat in mij bestaat. En zolang ik dit behandel als iets wat mij vreemd is, zal ik nimmer de weg kunnen vinden in de werkelijkheid. Want ik ga de krachten, die in mij bestaan en werken, een aparte functie toekennen. Ik ga ze alle een aparte eigenschap geven en stel mijzelf daartegen te weer of ik kniel er in aanbidding voor neer.

Maar hoe kan een mens zichzelf aanbidden en toch zijn God kennen? Hoe kan een mens zichzelf bestrijden en toch vreugde en evenwichtigheid en rust kennen? En dit is eigenlijk het begrip dat wij nodig hebben: het esoterisch begrip, maar ook het werkelijkheidsbegrip.

Wat ik ontmoet, ben ik zelf. Wanneer ik droom iets van een ander te zien, zo leeft het in mij. Het zal in die ander ook bestaan, maar ik zie die ander niet in zijn geheel; ik zie in hem wat in mij leeft en meer niet.

Wanneer ik een grote kracht of een andere sfeer zoek, dan zie ik niet de werkelijkheid van die kracht of die sfeer; ik zie alleen dat ervan, wat in mijzelf leeft; en het is een deel van mijn “ik”. En daar komt dus het begrip relativiteit in een geheel persoonlijke werkelijkheid tot uiting.

Alle werkelijkheid, die ik beleef is deel van mijzelf. Indien ik dit erken, is het mij mogelijk alles voor mijzelf harmonisch op te lossen krachtens de in mij levende noodzaken en begrippen; ik kan de onthechte zijn. Wanneer het demonische op mij aanstormt, dan begrijp ik dat het deel van mij is en kan ik zeggen: “Keer terug.” Als ik meester ben van mijzelf, ben ik kwaad voor de demonen die mij bestormen.

Wanneer het lichte komt en het zou zich willen terugtrekken, maar het is deel van mijzelf en ik realiseer mij dat “ik ben dit licht”, dan zeg ik: “Blijf,” en het lichtende is werkelijkheid. Het blijft, altijd. Zolang ik dat niet begrijp, speel ik een vreemde strijd met mijzelf.

Ik buig mij over een spiegelende vijver en zeg: “Hier ligt mijn beeld van de maan” en ik begrijp niet, dat het de weerkaatsing is van de grote maan daarboven. Ik schouw in mijzelf en zeg: “Dat is mijn droomwereld. Dat zijn mijn gedachten en mijn gevoelens” en ik begrijp niet, dat ze de weerkaatsing zijn van een werkelijkheid, waaraan ik toch zal moeten beantwoorden.

En zo, vrienden, zou ik u de volgende punten willen voorleggen. Misschien zijn ze eerder kleine gelijkenissen.

Een mens droomt. Zijn droomwereld is er een vol vreemde conflicten, vol wonderlijke mogelijkheden. Hij is jong en oud tegelijk. Hij is krachteloos, en het volgend ogenblik een overwinnaar van alle vijanden. Zo is hijzelf. Hij wordt wakker uit zijn droom en begrijpt niet, dat hij nog steeds dezelfde is als in de droom.

Maar wat ik in de droom kon doen, zou ik in werkelijkheid ook moeten kunnen doen; en als ik dat niet kan, dan heb ik ergens een tekort. Een tekort in mijn zelfrealisatie in de droom of – waarschijnlijker – in de werkelijkheid. Hoe kan ik mij nu innerlijk of esoterisch bewust worden, wanneer ik niet begrijp dat mijn droom en mijn werkelijkheid ergens één zijn; dat zij ergens in elkaar overvloeien en dat het dezelfde waarde is (de persoonlijke, de werkelijke beleving), die aan het geheel zijn uitdrukking geeft. Begrijp ik dat niet, weg is mijn werkelijkheid en mijn beheersing.

Er is een mens, die een beeldhouwwerk maakt. In hem leeft een beeld en hij schept het buiten zich. Wanneer het klaar is, zegt hij: “Gij zijt mijn droom niet meer.” En toch zegt hij: “Het is het beeld, dat mij dwingt te scheppen.” Dan is die mens een dwaas. Want als hij het beeld dat in hem leeft heeft geschapen, dan moet in de voltooiing ervan zijn vreugde liggen; maar klaarblijkelijk ligt zijn vreugde in de arbeid. Hij mag dus niet zeggen: “Het is het beeld in mij, dat mij dwingt tot scheppen.” Maar hij dient te zeggen: In mij is de voortdurende, golvende dwang van beleving, van werken. Het is de bezigheid, het creëren, dat mij heeft gevat. Daarin ontvang ik mijn werkelijkheid; en wat ik maak, is niets.

Menig mens zoekt dingen in het leven, niet om wat ze zijn, maar om dat wat zij met zich meebrengen; om de emotie die ermee verbonden is, de spanning, de gedachte aan beleving misschien, aan avontuur, de verovering of misschien zelfs het afvlakken van geschillen. En dat alles motiveert hem; dat is zijn werkelijk leven. Maar hij zegt niet: “Ik zoek dit.” Hij zegt: “Ik zoek de dienstbaarheid aan mijn medemensen. Ik zoek de liefde, ik zoek de macht, ik zoek….” Hij zoekt alles, behalve dat ene dat waar is in hemzelf. Hij zoekt in zich een verantwoorde beleving. Begrijpen wij dat die beleving het belangrijkste is dat al het andere terzijde staat, dan hebben wij iets beseft wat in geest en in stof volkomen congruent bestaat.

Gij moet u deze dingen echter goed realiseren. Want op het ogenblik dat men dus het einddoel in de plaats gaat stellen van de actie, de voltooiing in de plaats van het streven, heeft men zichzelf miskend. En dan stelt men zijn verwachtingen op de voltooiing, op de bereiking en niet op het proces van het streven. De verwachting wordt teleurgesteld en daarmee wordt een groot gedeelte van het streven voor het “ik” waardeloos. Dat is onnodig, want datgene wat voor de bewustwording en dus voor het “ik” van belang was, is in de gedachte, in de voorbereiding, in de beleving, in de werking, gegroeid.

Nu zou u moeten zeggen: Laat de bereiking liggen waar ze ligt. De voltooiing is onbelangrijk. Ik heb in die actie mijzelf gevonden. Mijn uitdrukking was een werken, een bewegen en niet het geven van een vaste gestalte aan iets of het bereiken van iets.

Maar de mens beseft dit niet. Hij beziet dus van uit zichzelf het leven als iets waarin je een doel moet bereiken. Maar zijn doel zal hem nooit werkelijk bevredigen. Elk doel dat je hebt bereikt, is weer het begin van een volgend doel, enz.. Hoe kun je dan werkelijk gelukkig zijn? Hoe kun je begrijpen wat er in jezelf leeft? Hoe kun je geestelijk werkelijk iets puren uit de voortdurende teleurstelling? Dat is de moeite niet waard. Neen, u moet leren begrijpen: het opbouwen, het streven dat ik doe, dat is belangrijk. Het is de spanning; niet de opheffing daarvan, waarnaar ik verlang. En dan heeft men voor zichzelf iets gerealiseerd, nl. de stuwkracht, die het eigen “ik” geestelijk a.h.w. opheft naar een opnieuw zich vinden in anderen. Een hervinden van het “ik” in het totaal van de kosmos. Steeds verder stijgend, waarbij het beeld van het “ik” daarbuiten wel groeit. Het is echter niet noodzakelijk. De inhoud en de werkelijke mogelijkheden van al wat rond je is worden groter. Je kunt een veelheid van dingen gelijktijdig vinden, zoals sommige beelden gelijktijdig de fluit bespelen, de ratel zwaaien, het wapen hanteren en misschien nog rusten.

Wij moeten zijn, zoals sommige goden van India worden afgebeeld. Wij moeten begrijpen, dat de spanningen die in ons bestaan, de actie, het streven dat in ons leeft voor ons het belangrijke is; de bereiking is incidenteel. Zij is een doel, dat wij ons hebben gesteld, omdat wij de spanning nu eenmaal moesten richten. Maar die verwerkelijking op zichzelf is niet voldoende. Integendeel, ze zou als hoogtepunt gesteld ons terugdrukken naar de diepte. Maar erkend als alleen een fase in de realisatie van het totaal van het streven, is zij voor ons daarentegen een onbelangrijk punt van voortzetting, zoals een weg tegenwoordig misschien in kilometers is gemerkt en elke kilometerpaal voor hem die reist onbelangrijk is. Ge zegt toch niet: “Nu heb ik al één, twee, drie, vier kilometers afgelegd in de goede richting.” Neen, ge zegt: “Ik bevind mij op de weg.”

En ten hoogste wanneer ge u afvraagt: Waar ben ik? Dan kijkt ge eens een ogenblik naar de kilometerpaal en zegt ge: Ah…. zoveel kilometers heb ik reeds afgelegd, zoveel moet ik nog gaan.

Kijk, die uiterlijke bereiking (het feit) is niet meer dan een kilometerpaal. De betekenis daarvan is volkomen relatief. Wanneer ik pas op weg ben, dan lijkt het bereiken van het punt tussen mijn doel en mijn begin (het middelpunt) voor mij reeds een hele bereiking. Ik ben al half weg. Maar als ge nog uren zijt verdergegaan op diezelfde weg, dan zegt ge niet: Ik ben nog steeds verder gekomen. Neen, ge zegt: Ach, nu moet ik nog zoveel kilometers gaan.

Maar gij zijt op uw weg en dat bepaalt voor u de waarde van de bereiking en al wat erbij is. Maar het streven is de weg die men aflegt; dat is een gelijkblijvende waarde. En daarom geloof ik dat de punten, die ik aan het formuleren ben, misschien kunnen worden afgerond met het volgende:

Er was een man, die zijn hele leven studeerde om met enkele gebaren een vogel te kunnen schilderen. Op den duur had hij het zover gebracht, dat elke vogel door zijn penseel in enkele seconden vorm kreeg. En een ieder zei: “Nu heeft hij de top bereikt.” Maar de man zei: “Neen, ik wil verdergaan.” En hij streefde zozeer, dat hij in zijn gedachten elke vogel voor zich kon zien, beter en helderder dan hij haar ooit had getekend en dat hij het gedrag van die vogel kende. Toen zei hij: “Ziet, nu heb ik voldoende gedaan op de aarde, want mijn ziel is die van een vogel; zij kan zwerven waar zij wil.”

In deze kleine legende ligt het streven. Niet wat de wereld zegt van ons bereiken. Goed of kwaad is niet belangrijk. Belangrijk is dat wij in onszelf – onafhankelijk van de wereld – delen van die wereld kunnen oproepen. Het is niet de uitdrukking van ons wezen, maar het is het besef dat ons wezen bezit; wat wij zouden willen of kunnen uitdrukken.

Misschien klinkt u dit dwaas. Maar de grootste rijkdom van een mens is de herinnering. Niet omdat het heden minder belangrijk is dan de herinnering, of morgen misschien niet zo voornaam is als dat wat was. Maar omdat de herinnering, die waarlijk in u leeft, een deel van uzelf is. Vandaag is dat niet. Vandaag moet u nog in uzelf opnemen. Gisteren is van u. En met wat gisteren was, bouwt u morgen in uzelf. Op die manier ziet u niet alleen uzelf in de wereld, maar dat wat de wereld u gaf heeft u gebruikt als een aanvulling van uw persoonlijkheid, van uw wezen. En zo wordt u ook niet stuurloos.

Menig mens wordt stuurloos, omdat hij zijn doel stelt in de plaats van zijn streven. Hij begrijpt niet hoe relatief de waarde van een doel is, hoe snel het a.h.w. verdwenen is en waardeloos geworden na de bereiking. En daarom gaat hij zijn aandacht vestigen op de bereiking. Maar het is niet de bereiking, het is de kracht, die wij vinden tot streven; dat wat het ons geeft aan beleving in onszelf (niet aan bereiking), wat ons zuiverder één kan maken met de grote kosmos, waarin wij waarlijk bestaan.

Misschien heb ik u met deze enkele punten de dingen te eenvoudig gezegd, die ge allang hebt beseft. Maar alle leven, alle werken is tenslotte slechts een poging om jezelf te zijn.

Wanneer je werkt om geld te verdienen, dan lijkt het misschien alsof je dat niet direct voor jezelf doet. Maar dat geld betekent weer het verwerven van iets wat je voor jezelf kunt krijgen: een aanzien dat je misschien bezit, een luxe die je jezelf wilt verschaffen en dat op zichzelf wordt teruggebracht tot sensatie en gevoelens van tevredenheid of ontevredenheid. Zo gaat het met alle dingen. Alles kunt u herleiden tot uzelf. En zo ge dit beseft, zult ge dus niet meer stellen: Ik wil iet bereiken in mijn wereld of in de geest. Neen, ge zult zeggen: Ik wil meer mijzelf zijn. Ik wil steeds meer mijzelf zijn. Ik wil niet tellen wat tot stand komt. Ik wil tellen wat mij drijft, wat in mij werkt. En als die kracht, die in mij werkt goed is en de wereld zal zeggen dat ik zondig, dan blijft mij het licht dat in mij is, zolang ik mij niet laat brengen tot het afdwalen van die richting. Tot het zeggen van: “Ja, maar dan ben ik zondig.” En op dat ogenblik heeft mijn stuwkracht mij verlaten. Mijn hele “ik” staat stil en zit vast. Het kan niet meer naar boven en het kan niet meer terug. Het kan niet ongedaan maken wat is. En in zichzelf verdeeld draait het in een eeuwige cirkelgang voort.

Maar wanneer ik eerlijk en oprecht zo voor mijzelf, uit mijzelf, in mijzelf naar datgene wat mij doet leven, dan is het streven op zichzelf (en dus nooit de bereiking) voor mij de uitbreiding van mijn levenskracht tot een innerlijk heelal, dat steeds meer vorm aanneemt, dat steeds vollediger en zuiverder wordt.

Natuurlijk, dan staat u buiten een werkelijkheid. Want zoals ge kunt zeggen: De jungle in mij die ik noodzakelijk doortrek om bewustwording te vinden, ben ik zelf; zo kunt ge niet zeggen: De wereld ben ik. Die wereld echter is als een nachtelijke tuin, waarin het ritselen van een droog blad de sissende waarschuwing wordt van een slang; en de kleine poes, die over de afrastering tussen de erven sluipt, wordt misschien de gevaarlijke tijger, die u dadelijk zal verslinden. Dan maakt ge uw schimmen zelf. Maar de werkelijkheid is er. Het blad moet ritselen, anders kunt ge niet dromen van de slang. De poes moet sluipen, anders is daar niet het droombeeld dat u het beeld van de verscheurende tijger kan geven. Uw werkelijke verhouding is er één, waarbij uw “ik” de wereld moet zien als iets, waarin de weerkaatsing die dat “ik” vindt belangrijk is, maar die van buitenaf ook de mogelijkheden bepaalt.

De jungle in uzelf kunt ge veranderen. Van vandaag op morgen kunt u er een gebaande weg in maken; een tuin vol heerlijkheid of een tempel, waarboven de sterren schitteren en waarin men een onbekende God aanbidt. Maar ge kunt nimmer de wereld buiten u precies zo veranderen. Ge kunt slechts trachten de waarden daarin zo juist te erkennen, dat uw streven daarin mogelijk blijft en dat gelijktijdig die waarden u zo weinig mogelijk in de weg leggen. En dat betekent, dat waar de mens esoterisch tot zichzelf gaat en moet leren zichzelf te kennen en te vormen tot een harmonisch geheel, de mens die exoterisch gaat leven dus tot de wereld gaat en in die wereld tracht het antwoord te vinden van zijn denken; en niet wat hij vermoedt in de wereld, maar wat in hem leeft.

Ga de wereld in, zoek een antwoord op uzelf en ge zult zien dat de wereld ook gestalte krijgt. En dan is ons eigen standpunt nog steeds bepalend. De waarden zijn nog steeds relatief. Er zijn nog steeds mogelijkheden tot verschuiving, duizend maal. Maar de persoonlijke beleving is nu vastgelegd in de wereld en is niet meer gebaseerd op wat er in die wereld gebeurt, maar op de manier waarop ik in staat ben dit in mijzelf te zien als deel van mijzelf en van mijn leven.

En zo maak ik het leven tot iets wat eeuwige waarde heeft, tot iets wat ongebroken is, waarin niets teniet kan gaan, waarin alleen ik mij steeds meer bewust kan worden van al datgene wat in mij leeft. En elke verbinding met al wat rond mij bestaat beseffende en ziende dat dit deel is van mij en onscheidbaar met mij verbonden, word ik rijk. Niet rijk aan middelen of aan krachten, maar rijk aan besef. Die rijkdom aan besef maakt het mij mogelijk om daar, waar achter de zichtbaar scheppende Kracht de onzichtbaar scheppende Macht schuil gaat, de adem van de eeuwigheid in mijzelf te voelen en daaruit zo nodig zelf te scheppen.

En dit is iets, wat men volgens mij in de esoterie en zeer zeker ook in het dagelijks leven moet onthouden:

  • Niet wat u maakt, maar dat u wat maakt, is belangrijk.
  • Niet wat u doet, maar het waarom is belangrijk.
  • Niet wat u volgens de wereld moet zijn, maar wat u met uw innerlijke erkenning van eigen wezen voelt te moeten, is belangrijk.

Als u van die punten uitgaat, dan zult u m.i. wel bereiken wat noodzakelijk is: de volle bewustwording van alle mogelijkheden en de aanpassing van het “ik” aan een kosmische werkelijkheid, waarbij de relatieve waarden en bereikingen wegvallen als onbelangrijk, omdat in het “ik” een eeuwige en blijvende waarde ontstaat en het “ik” motiveert.

Spreuken

De held is hij, die de angst kennende, zijn noodzaak sterker stelt en zo – overwinnende het niet juiste in zijn wezen – het voor hem juiste tot stand brengt zonder aarzelen.

De wijze is hij, die – zijn onvolkomenheden beseffende – toch uit de beperkte volkomenheid die hij bezit, naar het delgen der onvolkomenheid in zich durft streven, zonder daarbij ooit zijn rust te verliezen.

Het Rad des Levens wentelt door de duizend werelden. Hemel en hel wisselen elkaar af, maar het “ik” blijft zichzelf gelijk. En het “ik”, dat zichzelf kent, doet de hel leven of blussen naar believen en toont zichzelf de hemel of doet hem teniet naar eigen lust.
Want ziet, het Rad des Levens wentelt om de naaf van het bewustzijn. En waar het bewustzijn zichzelf erkent, zijn alle verschijnselen deel van het “ik”, beheerst door het “ik”, dat – gaande in zich – vindt de eenheid met alle dingen, waarbij de uiting niet noodzakelijk is, totdat alle werelden in het “ik” bestaan.

Drie spreuken, die elk voor zich, naar ik meen, een goed punt van uitgang zijn voor een eventuele meditatie over een persoonlijke werkelijkheid.