Salomo, de magiër

Als je dat zegt, denkt iedereen automatisch aan koning Salomo uit de bijbel. Dat is ook wel te begrijpen, want Salomo stond in zijn dagen bekend als een groot wijze. Dat vele andere magiërs eveneens deze naam hebben gebruikt en dat er zelfs nog in 1867 onder de naam Salomo, de magiër, een werk is verschenen over allerlei kabbalistische magie, zullen de meesten niet zo gauw weten.

Dat ik dit aan het begin stel, is om één ding duidelijk te maken. Er wordt heel veel aan koning Salomo toegeschreven, dat zeer zeker niet van zijn hand is, dat niet door hem werd ge-origineerd en waarvoor hij dan ook in geen enkel opzicht aansprakelijk kan worden gesteld. Maar laat ons terugkeren tot koning Salomo en zien in hoeverre hij zijn naam van wijze en magiër verdiende. In de eerste plaats was hij een van de grote strategen van zijn tijd. Daar wordt wel eens aan voorbij gezien. Hij had een enorm leger. Men beweert, dat hij op een gegeven moment over 6000 strijdwagens zou hebben beschikt; elders wordt beweerd, dat hij tenminste 2000 strijdwagens had. Hij beschikte over een vloot, die hoofdzakelijk vanuit de Rode Zee opereerde. Verder had hij een aantal grote karavanen, die praktisch het gehele Afrikaanse continent doorkruisten. Hij was dus een rijk vorst en wist vele volkeren te onderwerpen. Ook was hij bekend als bouwmeester. Salomo was de man, die de tempel bouwde. Hij was de man, die daarin alle pracht en praal van zijn tijd bijeenbracht. Maar hij deed meer.

Als wij uit de reconstructies, nagaan hoe die tempel ongeveer moet zijn geweest, dan valt op dat ze in bouwstijl sterk afwijkt van wat over­ al gebruikelijk was. Het is geen Egyptische stijl. In die tijd had men in Egypte grote bouwwerken. Het doet ook niet denken aan de Babylonische structuren, die een stapelstijl is. En als we dichter in de buurt gaan kijken, dan is er niets, wat met die tempel te vergelijken is. De tempel is ingedeeld op een wijze, die overeenstemt met de magische principes van die tijd. Er zijn allerlei attributen ingebracht, die later dan misschien beschouwd worden als eerbewijzen aan God, maar die toch kennelijk ook overeenstemmen met de magische gebruiken, waarmee men overvloed wilde afdwingen. Als we bv. denken aan de toonbroden, die voor God werden gesteld, dan denken we onwillekeurig aan de gewoonte, die we elders vinden om schepels graan voor een godsbeeld te zetten, opdat de god dit zal geven. Er zit dus wel degelijk in de hele opstelling en aankleding een magisch karakter, dat strookt met die tijd.

In de tijd, dat Salomo leefde, was het gieten van koper, bronswerk e.d. nog een uitzondering. Toch gebruikte hij niet alleen goud, maar ook bronswerk. Er wordt van hem verteld, dat hij een enorm groot wijvat wilde laten gieten. Dit zou mislukt zijn.

De grote kracht van Salomo komt ook tot uiting in het feit, dat hij zijn vijanden eenvoudig onder de voet weet te lopen. Zeker in zijn glorietijd. Steden zijn niet tegen hem bestand. Er gaat al gauw een legende, dat Salomo door middel van een bijzonder krachtig zegel, dat hij bezit, in staat is geweest de duivel te bannen. Deze zit nu als een edelsteen in een ring. Als hij met de ring een gebaar maakt, slaat de duivel uit, en alles wordt verpulverd. Men noemt hem wel de Worm Shamir. Maar ook hier meer waarschijnlijk een legende, waardoor die naam later tot stand is gekomen. Het feit, dat hij als stedenbedwinger werd beschouwd, staat echter vast.

Men noemt Salomo ook een groot dichter. Aan hem wordt o.m. het fantastisch mooie en literair zeer waardevolle Hooglied toegeschreven. Maar in die dagen was het ook wel gebruik, dat men aan een machtig vorst dichtwerk opdroeg; en als hij het mooi genoeg vond, zette hij zijn naam daaronder. Het is niet zeker, dat Salomo werkelijk de grote dichter is geweest, van wie men spreekt in deze dagen.

Een wijze. Er worden verschillende voorbeelden van zijn wijsheid gegeven. Het meest bekende is wel het oordeel omtrent het moederschap. Een kind, en twee vrouwen die erom strijden. Salomo hoort hen een tijdje aan en zegt: Ik kan niet nagaan wie van jullie gelijk heeft. We zullen het kind doormidden hakken en aan elk van jullie de helft geven, dan heeft ieder toch wat. Waarop de echte moeder natuurlijk zegt; Alles liever dan dat. Geef het dan maar aan haar. Salomo weet dan wat er aan de hand is. Een verhaal, dat mijns inziens ook weer naar de legende zal moeten worden verwezen. Het is niet waarschijnlijk, dat dergelijke dingen zijn gebeurd.

Zeker is wel, dat Salomo een bijzonder groot diplomaat is geweest en dat hij als rechter zeer geëerbiedigd werd. Als wij nagaan hoe hij optrad, zouden we eigenlijk moeten zeggen: Hij was een goed psycholoog. Hij maakte gebruik van allerlei eigenaardige effecten, waarvan men nog nooit had gehoord. Een bekend feit was bv. de aanval van de Amalekieten, die met ruiterij aanstormden. Salomo had toen niet voldoende troepen om zich te verdedigen. Hij wist dat ze zouden komen. Hij liet zijn manschappen hun schilden polijsten (het waren metalen schilden) en stelde hen zo op, dat de zon daarin gevangen kon worden. En met het enorme licht, dat hij op die manier reflecteerde, bracht hij zijn vijanden in verwarring. Het is misschien een legende, maar dan is het er toch wel één, die in de geschiedenis van andere volkeren weerklank heeft gevonden en daarom een zekere mate van waarschijnlijkheid moet worden toegekend.

Hoe is het denkbeeld eigenlijk ontstaan, dat deze grote koning en eerste dienaar van God (wat hij toch was in zijn rijk) een magiër zou zijn? Wel, wij weten dat hij omging met heidense priesters. Hij was een van de weinige vorsten van Israël, die zich direct bezighield met astrologie. Hij had goede relaties met het zuiden. U weet, dat hij o.a. met de koningin van Sheba een verhouding heeft gehad. Zij is lange tijd bij hem te gast geweest. Iedereen denkt dan onmiddellijk aan een romance in ongeveer de stijl van een zeer moderne, vrije film. Of dat nu waar is geweest, is een grote vraag, want Salomo had een zeer grote harem, een vrouwenverblijf. Daarin zouden duizend vrouwen zijn ondergebracht. Het klinkt een beetje gek, maar is alweer aannemelijk te maken, als we weten dat je vrouwen kon erven.

Het was dus niet in de eerste plaats het huwelijksrecht dat je erfde, maar de verplichting tegenover de vrouwen en kinderen. En daar Salomo dit verscheidene malen heeft gedaan, ook ten aanzien van hoger geplaatsten die in zijn dienst waren gevallen of gestorven, was het helemaal niet zo vreemd dat hij er een hele verzameling op na kon houden.

Deze koningin van Sheba kwam uit een rijk waar de magie wel zeer gezien was. Men beweert, dat zij o.m. Dagon vereerde, maar daarnaast ook verschillende Hathors. Een Hathor is een Isis‑figuur. In Egypte is Hathor zelfs een van de namen van Isis. Het denken aan bezwering (de magie) is met die leer sterk verweven.

De koningin van Sheba had priesters in haar gevolg. Men beweert en dan komen we even buiten de directe waarheid ‑ dat Salomo in de tuinen van zijn paleis een aparte plaats, een heilige plaats had laten maken waar deze koningin haar goden kon vereren. Onwaarschijnlijk is dit zeker niet. Indien dit het geval is geweest, dan komen we vanzelf tot het beoefenen van magie, want de oude godsdienst is magie. En laten we één ding niet vergeten: ook de godsdienst van Israël had een sterk magisch karakter, zeker in die dagen en ook nog veel later.

Het afsmeken van Gods toorn: “God, versla onze vijanden”, is magie. Het zeggen, dat de Heer vloekt of zegent en dan zeggen, dat je zelf die vloek of zegen kunt uitspreken, is magie. En geloof niet, dat Salomo daar vreemd aan zal zijn geweest. Voor hem was een offerdienst iets normaals. Er werd de hele dag geofferd in de grote tempel. Waarom zou hij voor bepaalde doeleinden ook niet eens een dier slachten? Salomo leefde in een tijd, dat bezweringen en profetieën overal een grote rol speelden, dat augurie en wichelarij zelfs in Israël heel bekend waren. Waarom zou hij niet daaraan deelnemen? We worden dus geconfronteerd met een zeer veelzijdig man en daarbij iemand, die waarschijnlijk vrijdenker was, althans niet zo overtuigd was van de waarheid van de godsdienst als het gewone volk. Een man, die zich bezighield met het mysterie van de hemel en die zeker ook wilde proberen om alle bovennatuurlijke krachten te mobiliseren. Het feit, dat hij aan magie deed en succes had, zal in de volksmond met hem vereenzelvigd zijn. Ik geloof niet, dat we het woord “magiër” voor koning Salomo uit de bijbel kunnen gebruiken in de zin van tovenaar. Magie kan echter nog iets anders zijn; daarvoor moet ik dan eerst enkele korte formuleringen geven;

Op het ogenblik, dat ik besef: rond mij is alles een evenwicht, door dit evenwicht bewust te verstoren kan ik een gebeuren veroorzaken in de richting, waarin ik dat wens. Dat is gewoon magie.

Al datgene wat in mij is, kan ik buiten mij als manifestatie uiten op het ogenblik, dat ik er een vorm voor weet te vinden. U denkt misschien; dat is reclame, neen, het is magie.

Al datgene wat ik vrees, wat ik wens, wat ik veracht, wat ik vereer, kan ik overdrachtelijk uitbeelden en daarmee tot drager maken van al het door mij gewenste.

Denkt u niet, dat dit tegen de godsdienst is. Denkt u maar aan het gebruik van de zondebok die de woestijn wordt ingestuurd. Er is wel degelijk sprake van een magische handeling.

Salomo doet precies hetzelfde. En in die zin bouwt hij niet alleen een tempel voor de God van Israël, hij construeert eigenlijk een geheel, waarin de hemel kan spreken. Ofschoon men het niet altijd beseft heeft, zijn er n.l. door de opstelling van bepaalde zuilengangen en zelfs van altaren verhoudingen ontstaan, waarin de sterren, de manen de zon een rol gaan spelen, waarbij datumbepaling aan de hand van schaduw mogelijk is en ‘s nachts waarneming mogelijk is alleen door te kijken welke sterren zichtbaar zijn vanuit een bepaald gedeelte van de galerij. Dat waren dan vooral Venus en Mars. Het feit, dat Salomo de hele natuur en zijn begrip van leven en God ergens heeft willen inbouwen, is aan de meesten voorbijgegaan. De tempel van Salomo was de tempel van het leven, niet alleen van de levende God.

Ik meen dat wij op grond van dit alles kunnen stellen: De wijze Salomo, maakt gebruik van de magische concepten van zijn tijd om zijn wereldbeeld en wereldvoorstelling op aarde zodanig weer te geven, dat hij zich daarmee voortdurend verbonden kan gevoelen en zich ook daarin kan bewegen. Dit betekent voor hem in feite, dat hij door dit te doen zich ook in de hogere werelden, welke niet tot die van de mens behoren, kan bewegen. Als hij daaraan andere goden toevoegt, zo is dat niet een verwerpen van zijn eigen God, zoals men verkeerd interpreteert, maar het is gewoon het toevoegen van een nieuwe dimensie aan het voor hem bestaande levensbereik. Op grond hiervan is Salomo vooral een wijze; iemand, die reeds in zijn tijd een kosmisch denken kent. Dit is wel zeer bewonderenswaard, als we ons realiseren hoe de tijd was, waarin hij leefde. en hoe vorsten zich toen plachten te gedragen.

Laten we verdergaan, want er zijn nog meer Salomo’s; Er was een Salomo ongeveer 270 v. Chr. Hij was godsdienstleraar er kabbalist. Zijn beelden van de Kabbala grepen terug naar dat, wat hij op zijn manier terugvond bij Salomo. Dat hij daarbij gebruik maakte van letteromzettingen om zo duidelijk te maken wat er werkelijk geschreven stond, was natuurlijk in die tijd niet aanvaardbaar. Tegenwoordig is dat wel zo, althans voor de geschoolde kabbalist. Hij zag zo een wereldstructuur oprijzen uit het denken van koning Salomo. Ik meen dan ook, dat hij diens naam heeft aangenomen en dit niet de oorspronkelijk hem gegeven naam was. De werken, die hij uitvoerde, waren overigens wat simpel. Hij hield zich vooral bezig met het maken van beschermende amuletten; enkele daarvan zijn tot vandaag de dag bewaard gebleven, zoals een kabbalistisch amulet om kraamvrouwen tegen kwade invloeden te beschermen. Hij heeft daarnaast een heel repertoire van zegeningen en verwensingen in vaste formules. Opvallend is hierbij, dat de structuur niet alleen is gebaseerd op de woorden, maar ook nog op de getalswaarde, die elk woord afzonderlijk vertegenwoordigt. Hij is dus a.h.w. een soort mathematisch vloeken. Zijn denken en werken worden weer door anderen overgenomen. Er is nog steeds geen sprake van een werkelijk Hebreeuwse kabbala. Men beweert dat wel, maar er is alleen sprake van een denkrichting, een systeem. De formulering komt pas 800 jaar na Christus.

De geschiedenis wordt interessanter, als we ontdekken dat Salomo vooral als magiër kennelijk ook een heel grote aantrekkingskracht, heeft gehad op vele Grieken. Er is een man, Themetrius, die op een gegeven ogenblik komt met een filosofische beschouwing, waarin hij het heeft over de plaats van de dieren in het mensenrijk en de magische kracht, waarmee je ze kunt regeren. Hij tekent zich als Salomo. Een deel van zijn denkbeelden is duidelijk ontleend aan de Egyptische mythologie en magie. Maar er zitten toch bepaalde Hebreeuwse elementen in. Het resultaat is, dat hij daarmee de stoot geeft tot een aantal nieuwe onderzoekingen. Hij beweert daarbij – let wel “hij beweert”, ik geloof niet dat het juist is ‑ dat Salomo reeds het geheim zou hebben gekend van een poeder, dat alle soorten steen verbrijzelt. Hier komt de Worm Shamir waarschijnlijk om de hoek kijken, maar nu in een heel andere vorm. Dat hij daarbij echter bepaalde bestanddelen noemt, die ‑ mits op de juiste wijze verwerkt ‑ buskruit kunnen vormen, doet je toch wel even nadenken. Hij heeft het zelf kennelijk nooit gemaakt, anders zou Berthold Schwarz niet de eerste vlieger ter wereld zijn geweest. In dat recept wordt zwavel, salpeter en houtskool genoemd. Waarover hij ook verschillende recepten weet te schrijven zijn rookbommen (de man was kennelijk iemand, die tegenwoordig in het Pentagon of bij de politie herboren zou moeten worden), daarbij maakt hij gebruik van kruiden recepten. Ik vermoed, dat hij ze heeft gehad van een handelaar uit het Verre Oosten, omdat we weten dat de Chinezen in die tijd met rookbommen plachten te vechten, vooral jonk tegen jonk op het water. Ook heeft hij twee recepten voor Grieks vuur gegeven, waarvan er tenminste één later ook feitelijk gebruikt is zelfs tot ongeveer 800 na Chr. Het is interessant dit alles na te gaan, want hieruit blijkt dus dat de magie, die aan Salomo is toegeschreven, eigenlijk ook chemie is.

We gaan nog wat verder in de tijd. In de periode van ongeveer 1000 jaar na Christus is de astrologie reeds algemeen doorgedrongen. Er zijn vele astrologen. Nu duikt er een meneer Salomo op. Hij schijnt Brechenstein of Brechtenstein geheten te hebben, van Zuid‑Duitse origine en van adel geweest te zijn. Deze zegt: “In de hele hemel zijn alle krachten samen te voegen. Dit zijn goddelijke krachten. Indien ik het even­wicht dat in de sterren zou moeten bestaan uitbeeld, zal ik hierdoor dezelfde werking tot stand brengen als wanneer de hemelen zelf dit evenwicht zouden bezitten.”

Dat is natuurlijk weer overdrachtelijke magie. Het is zo iets als de zondebok: indien ik op aarde iets doe of construeer, zal de hemel daar­ aan beantwoorden. Het is het bekende stelregeltje, dat ook nu nog in de magie overal weer opgang maakt en, dat we ook in verschillende mystieke en esoterische systemen tegenkomen, zo boven zo beneden, zo beneden zo boven. De Salomo’s zijn nog lang niet uitgeput. Rond 1200 verschijnt er een schriftuur in het Frans wederom geschreven door Salomo met de achtervoeging “de koning” iets wat Salomo zelf waarschijnlijk nooit zou hebben gedaan. Daarin wordt een aantal recepten opgesomd, o.a. om vrouwen trouw te houden (daar hadden ze klaarblijkelijk last mee in die tijd), om vrouwen te veroveren (dat was schijnbaar ook nogal moeilijk voor sommige mensen) en naast allerlei liefdeselixers worden er ook wat vergiften aangegeven: overigens zeer primitieve ofschoon er wel zo iets als aco­nieten in voorkomen. Hij heeft verder allerlei schitterende beschrijvin­gen gegeven over wat je moet doen om een geest op te roepen. Nu is het wel typerend, dat hij daarbij gebruik maakt van allerlei dingen, die in Salomo’s tijd nog niet bestonden. Hier verraad hij zichzelf. Het is nooit koning Salomo, die aan het woord is. Het is een anonymius, een schrijver.

Gaan we weer verder, dan vinden we in 1600 een tweetal alchemistische geschriften, die geschreven zijn door een Salomo.

In 1700 is er eveneens een Salomo (deze keer uit Engeland), die allerlei recepten geeft, die eerder thuishoren bij de duivelverering dan ergens anders.

Begin 1800 wederom een gedeeltelijke reproductie en een gedeeltelijke aanvulling van magische werken met zegels en bezweringsformules en de naam Salomo; maar deze keer niet “de koning” maar rabbi. Ja, als Salomo, de koning, in Nederland was verschenen in die tijd, dan had men gedacht: waar woont die meneer? Dus ik vermoed, dat het hier rabbi Salomo is geworden om toch een verschil te maken. O, ik kan tot in deze dagen doorgaan. Er zijn zelfs nu nog mensen in Duitsland, anonieme schrijvers, die eigenlijk van niets afweten en “De Clavicula Salomonis” uitgeven, een vervalst geschrift, dat ze hebben samengeknutseld uit allerlei oude structuren. Er zijn mensen, die onder de naam van “het geheime Zegel van de koning” (Salomo) een heel verhaal doen, hoe je alles moet bezweren en waarbij rijkelijk hanenbloed bij te pas komt. Ik vermoed niet, dat Salomo dat ooit heeft gedaan.

Ik noem u dit alles op om duidelijk te maken, dat de eigenlijke magie, zoals men die tegenwoordig beschouwt (dus tovenarij) uit navolgers is opgebouwd. Wij hebben hetzelfde gezien bij Hermes Trismegistos, aan wie zoveel boekwerken zijn toegeschreven, dat als de man steno had gekend en zijn hele leven had doorgeschreven, hij het nog niet voor elkaar had ge­bracht. Er zijn altijd weer van die vreemde verschijnselen,

Toch heb ik over Salomo gesproken óók als een magiër, want een magiër is een filosoof, magie betekent een mate van zelfbeperking, zelfbeheersing, inzicht, openstaan, intuïtie. En als we Salomo de tempelbouwer dan houdt hij zich wel degelijk oude tradities. Afmetingen komen regelmatig voor. Het z.g. Gouden getal, dat gelijk is aan de gouden verhouding; 6 ‑ 18 komt daarin steeds weer voor. Hij gebruikt zelfs een pi‑waarde ofschoon het getal op moment nog niet bekend was, om cirkels te berekenen en daarvoor een getal dat in de huidige maten neerkomt op 3,1372; wat dus heel dicht bij de nu daarvoor berekende getallen ligt.

Salomo heeft inzicht in structuur. Het is aan te nemen dat hij voor een deel van zijn rekenkunde en sterrenkunde ook instructies uit Egypte heeft gehad. Het is trouwens heel waarschijnlijk, want een deel van de stenen, die voor de tempel liet aanvoeren, waren gewonnen op Egyptisch gebied.

Hij is ook voortdurend bezig met de studie van de mens en met zichzelf. Hij is niet zozeer de profeet, die door God wordt geïnspireerd. Hij is de mens, die openstaat voor de wereld en daaruit een beeld ver­krijgt zowel van zichzelf als ook van de zin van het leven, de structuur van het leven. Als men volgens de legende van hem beweert, dat hij met één blik de mens in de ziel keek, dan is dat helemaal niet zo vreemd, want hij heeft geleerd door de uiterlijkheden heen te kijken. Als men zegt, dat Salomo zichzelf kende, dan heeft men daarin waarschijnlijk groot gelijk. Ik meen zelfs, dat het juist deze zelfkennis is, die hem in een voortdurend groter wordend conflict met de priesterkaste brengt.

Hij bouwt daarna in zijn paleis en niet in de tempel op zijn wijze nog eens de typische zuilenstructuur, die we ook aantreffen bij de scheiding tussen het Heilige en het Allerheiligste. Twee zuilen; daartussen dient de Hogepriester te staan. Salomo zelf voltooit een dergelijk symbool, waarbij hij beide zuilen een boog laat vormen. Let wel: in een tijd, dat boogstructuren praktisch niet voorkwamen in de architectuur. Toch een boog; overigens van cederhout. In het midden boven op die boog staat een zuil, die hij zelf “licht” of “waarheid” noemt. Waarom? Is het niet aan te nemen dat hij de wereld beschouwt als iets wat je ziet als twee uitersten, waartussen je zelf staat? Maar erboven staat het licht. Dat licht staat in het verlengde van de mens. Waarschijnlijk speelt hier een zonneverering ook wel een rol in. Dat neem ik tenminste aan.

Salomo construeert ook ‑ en dat is tevens een reden voor veel ellende ‑ een aantal figuren en cirkels. Ze worden in zijn tuinen aangebracht. Daar mag niemand komen, behalve speciale genodigden. Die cirkels worden later beschouwd als bezweringscirkels. Ik meen echter, dat men ze eerder moet zien als een soort landkaarten, een structuurweergave van het land. Er wordt o.m. verteld dat Salomo, als er expedities werden uitgezonden, heel vaak voordat hij de lastgeving bevestigde, ging wandelen in deze tuin waar hij ‑ naar men fluisterde ‑ duivelen raadpleegde, maar waar hij zeer waarschijnlijk van deze op de grond ingelegde tekeningen (want dat zullen het wel geweest zijn) de gegevens kreeg, die hij intuïtief verder verwerkte.

De mens wil graag Salomo zijn, koning. Maar om werkelijk Salomo te zijn moet je méér zijn dan koning. Dan moet je niet meer een machtsorgaan zijn, maar je moet juist een mens zijn, die boven de macht staat, die zelf geen macht meer begeert en heeft. Ik geloof, dat de ondergang van Salomo dan ook ligt in het een ogenblik terugkeren tot deze machtsdrift. Hij kan niet aanvaarden, dat er kritiek is.

Salomo moet dus staan boven de macht. Hij moet de intuïtie verwerken, in zich een band voelen met allerlei krachten; en noem die dan maar en­gelen, je kunt ze ook geesten van overgeganen of goden noemen, want de naam, die de mens eraan geeft, verandert de kracht niet. Hij heeft een bijzonder begrip voor de natuur. Hij weet bv. al lang van tevoren wanneer het zal regenen, wanneer het koud zal worden en wanneer het warm blijft. Hij is verwant met de natuur. Is hij één met de natuurgeesten? Op het eerste gezicht lijkt dat niet zo waarschijnlijk, maar indien wij ons realiseren dat deze man zich had aangewend om door de uiterlijkheden heen te schouwen, dan is het ook niet onwaarschijnlijk, dat hij de bezielde krachten van de natuur wel degelijk kende.

Als de legende later beweert, dat hij de natuur oproept, dan is dat niet zo waarschijnlijk. Er is maar één ding dat daarvoor zou kun­nen pleiten en dat is wat men noemt het persoonlijke zegel van Salomo. Hierin staat n.l. een bliksemschicht afgebeeld, die van boven naar be­neden gaat. Alleen: het zegel is niet bekend als dat van Salomo vóór ongeveer 300 v. Chr.; dus een lange tijd na zijn regering. Er zijn geen zekere bewijzen gevonden dat hij dat zegel ooit heeft gebruikt. Maar laten wij aannemen, dat het van hem is, dan is hij nog altijd één met de natuur als zodanig. En als voor hem de bliksem zo belangrijk is, dan is dat waarschijnlijk als weergave van een goddelijke macht, die in de natuur zetelt.

Door het feit, dat Salomo kennelijk vooruitziet (men beweert dat dit pas na zijn verhouding met de koningin van Sheba verdwenen zou zijn) kunnen we denken aan de astroloog, de voorspeller, niet in de eerste plaats aan de profeet. Maar een goed astroloog moet weer iemand zijn, die openstaat niet alleen voor het beeld van de sterren, maar ook voor al datgene wat in verband met een dergelijke beschouwing op hem afkomt. Intuïtief moet Salomo buitengewoon goed zijn geweest, want wie zelfs maar in de bijbel nagaat wat daar omtrent hem, zijn wezen, zijn naam is gezegd, die wordt voortdurend geconfronteerd met een aantal schijnbare toevalligheden, waarbij het allemaal goed afloopt …. tot op het laatst, dan gaat het verkeerd.

Ik geloof, dat men Salomo niet moet zien als een bewust tovenaar, maar wel als iemand, die doordringt in grote geheimen. En als men zou zeggen: magiër, ingewijde, dan zou ik zeggen: ja. Hij kende de krachten van de natuur. Hij heeft in zich bepaalde geheimen, kosmische geheimen waarschijnlijk, die hij in zijn bouwwerken heeft willen en heeft uitgedrukt.

Hij was misschien ook iemand, die te ver ging voor zijn tijd of voor zijn goden. Want toen hij het bekken liet gieten, was dit van een zodani­ge verhouding, dat het eigenlijk in de verhoudingen en ook in de vormgeving gelijktijdig de Ark en zelfs de Piramide weergaf, dat je kunt zeg­gen: Dit is het geheim van de kosmos uitgebeeld. Het zou mislukt zijn door zijn eigen falen. Dat is niet onwaarschijnlijk, want hij heeft zich­zelf daarin willen verheerlijken. In de kosmos kun je jezelf niet ver­heerlijken. Je kunt alleen de kosmos erkennen en uitbeelden, indien je daar zelf in opgaat. Ja, alles bij elkaar is hij een ingewijde. Maar een ingewijde, die ergens faalt, omdat hij te zeer hangt aan zijn menselijkheid, aan zijn menselijk gezag. Als wij denken aan de legende van Hiram, de bouwer, aan het conflict dat deze met de koning zou hebben gehad, dan wordt het duidelijk dat Salomo tot zelfoverschatting is aangezet. Hij kan ontzettend veel, hij weet heel veel, hij heeft geestelijk de beste inzichten, de beste mogelijkheden, maar hij is geneigd zijn inzichten te zien als een stoffelijke werkelijkheid; en dat gaat niet. De bouwer drukt stoffelijk uit wat Salomo hem heeft opgedragen uit te beelden. De bouwer berekent de formules om datgene waar te maken, wat Salomo als visioen heeft gezien. Maar als Salomo dan zelf wil bevelen hoe het moet gebeuren, dan loopt hij vast.

Het is een legende, zeker. Maar is ook in deze legende weer niet duidelijk geworden hoe enerzijds Salomo een groot man was met een geweldig inzicht in de mensen, met een enorme gevoeligheid en voor die tijd ook met buitengewone wijsheid en magische kennis, terwijl hij aan de andere kant iemand was, die aan zelfoverschatting leed. De ondergang van een magiër is altijd de onderwaardering voor anderen. Zelfoverschatting doodt een magiër zo gauw niet, daar kan hij overheen komen. Maar als hij de betekenis en waarde van anderen, die hij kán kennen, terzijde schuift, dan gaat hij daaraan ten onder.

Niet alleen in de legende, maar in het hele historische verhaal. “O, Absalom, mijn zoon,” komt datzelfde naar voren. Want hij is het, die als eens David – en als voor hem zovele anderen – moet erkennen: Ik ben nalatig geweest. Ik heb geen rekening gehouden met de noodzaken en met de feiten, die ik had kunnen kennen. Kijk, dat effect (ik zou het het “Absalom‑effect” willen noemen) vinden we steeds weer.

Een mens schept iets en meent, dat het nu zelf wel verder kan gaan. Hij begrijpt niet, dat hijzelf daarmee moet leven.

Een vorst heeft een zoon. Hij meent, dat hij hem maar moet laten spelen, want het is een prins en het heeft helemaal geen zin om je daarmee te veel te vermoeien. En die zoon begaat misdaden, die zoon vlucht weg, die zoon sterft. Zo is het elke keer weer.

Salomo is een groot magiër, misschien. Een groot denker, zeker. Een ingewijde, zonder enige twijfel. Hij heeft veel gedaan wat in zijn tijd ondenkbaar of onmogelijk scheen. Hij heeft veel begrepen wat zelfs in deze dagen nog vaak over het hoofd wordt gezien. Maar hij wilde bovenal toch weer gróót zijn. En in de hang naar grootheid gaat zelfs de ingewijde ten onder.

Ik geloof, dat dit als inleiding kan volstaan en dat het beeld, dat ik u heb willen geven van Salomo als basis van een magische traditie zowel als van Salomo de mens, de ingewijde, toch wel voldoende duidelijk is overgekomen.

**********************

*  Wanneer en door welke oorzaken is de tempel van Salomo vernield? is de tempel daarna weer opgebouwd?

Voor zover ik weet, is de tempel van Salomo drie keer gedeeltelijk verwoest. Eén keer door vuur, één keer door vijandelijkheden en één keer door een instorten van een deel van de buitenmuur. De verwoestingen zelf zijn niet zo veelvuldig geweest. Ik denk wel, dat men Salomo’s tem­pel kan beschouwen als het oertype zelfs voor de tempel, die werd ver­nietigd door de Romeinen. Ik durf geen jaartallen te noemen. Het is erg moeilijk een precieze datum te vinden in het verleden, maar de laatste grote beschadiging daarvan vóór de Romeinse tijd zal ongeveer 700 jaar vóór Christus zijn geweest. Waarschijnlijk is daar vóór (dat is dan nog weer eens 500 jaar eerder) de eerste brand geweest. In al die ge­vallen sprak men over een Godsoordeel en over een algehele vernieti­ging, maar van een totale vernietiging van Salomo’s tempel is ‑ voor zover mij bekend ‑ eigenlijk nooit sprake geweest. Het is steeds een gedeeltelijke vernietiging geweest met een heropbouw, totdat de Romeinen de stad bezet hebben en ‑ zoals u weet -; “geen steen op de andere hebben gelaten”. Dat ze dat tamelijk grondig hebben gedaan kunt u wel zien: er is niet veel overgebleven van die grote tempel.

*  In welke tijd heeft Salomo zo wat geleefd en op welke plaatsen?

Als je dat terugrekent, dan kom je toch wel op een periode van on­geveer 1900 jaar vóór Christus. Dat is de historische datum, niet de bijbelse.

*  Toen bestond de joodse leer al meer dan duizend jaar!

Inderdaad. En dat is juist het eigenaardige, als je daarover spreekt, dat je geen tijdsindeling kunt maken aan de hand van de bijbel. Er worden perioden veel dichter bij het begin aangegeven. Die perioden worden dus veel dichter naar de recente geschiedenis toegehaald. Zelfs bij de profeten krijg je een vermenging. Neem bv. de twee Jesaja’s. Die liggen een paar eeuwen van elkaar af. Tussen de twee Jesaja’s, die als één geheel worden behandeld in de bijbel, ligt een periode van bijna 300 jaar! Ik denk, dat je hier hebt te maken met een poging om een samenvoeging te maken aan de hand van gelijkwaardigheden. Maar als u nagaat hoe het zit met Salomo, met hetgeen hij doet, de wagens waarover hij beschikt, het feit dat hij gietwerk heeft, dan kunt u uitrekenen, dat hij op z’n vroegst kan hebben geleefd ongeveer 2000 jaar v. Christus, maar waarschijnlijk iets later. Ik meen dus veilig te kunnen zeggen, dat zijn regering ligt in de 19e eeuw v. Christus.

*  De tempel, die Salomo heeft gebouwd, heeft toch een mystieke inhoud, die gaat over het innerlijk van de mens?

Het is erg moeilijk om daarop een antwoord te geven. Laten wij zeggen, dat zij later als zodanig werd geïnterpreteerd. Je kunt aan alles een geestelijke inhoud toekennen. Ik meen, dat de Tempel is gebouwd in overeenstemming met de oude groepering van de Tabernakel (daarover waren veel overleveringen) en dat Salomo zijn persoonlijke visie daarin heeft gelegd. Ik heb er in mijn inleiding al op gewezen, dat er astrologische feiten in verwerkt waren en dat men bepaalde magische indelingen (indelingen uit oude inwijdingen) heeft gebruikt. De indeling bv. in drie afzonderlijke ruimten, waarbij de grootste wederom in drie factoren werd verdeeld. Dat is kenmerkend voor het magisch denken.

Nu kunt u zeggen; Er zijn overeenkomsten te vinden. Ik ben volkomen bereid die op te noemen, maar dan moet u mij wel ten goede houden, dat ik daarbij niet beweer, dat Salomo het zó heeft bedoeld. Dat is weer iets anders.

Er is altijd een hof, waarin wij wel dicht bij de waarheid, bij het Goddelijke, zitten, maar waarin alles kan binnentreden, dus een voorhof. Dan kunnen we een paar treden opgaan en komen terecht in een ruimte, waarin de gelovige een rol speelt. Vandaaruit moeten we weer verdergaan en dan komen we pas op de plaats waar de priester thuis is. Zijn we eenmaal tot dat priesterschap gekomen, dan hebben we voor onszelf bereikt, dat we leven in een dienstbaarheid aan het hogere. Dan kom je tot een actieve erkenning van een relatie met het hogere, vervolgens kom je tot een bewust leven voor het hogere en dan pas komt het ogenblik, dat je kunt binnentreden in het Heilige waar je de symbolen van macht vindt (die vind je ook in jezelf) en dan komt het moment, dat je de waarheid omtrent jezelf moet erkennen, dat je het Voorhang terzijde moet schuiven en voor de Arke moet treden. Dat wordt alleen aan de hogepriester toegestaan; degene, die in het priester‑zijn zover is gekomen dat hij niet alleen God bewust dient, maar dat hij in die dienstbaarheid ook God durft aanschouwen. Dat alles kun je dan omzetten in de esoterische leer.

De mens moet beginnen met zijn wereld te kennen. Pas als hij zijn wereld gekend en beleefd heeft, komt hij tot de erkenning van voor hem belangrijke factoren of krachten in die wereld. Deze vormen voor hem zijn relatie met het leven: de levende kracht. Hij is dan in de Hof der Gelovigen binnengetreden.

Zodra hij die relatie heeft erkend, weet hij ook dat daaraan verplichtingen vastzitten. Er komt een ogenblik, dat hij die verplichting ziet als iets wat niet meer aan anderen kan worden afgeschoven. Er is geen tussenpersoon meer aanvaardbaar. Wij moeten zelf optreden als schakel tot het Goddelijke. Wij komen dan in onszelf tot een bewuste wisselwerking met goddelijke krachten. Daarvoor brengen wij offers, daarvoor bemiddelen wij ook voor anderen. Maar zolang wij daarmee bezig zijn, is God voor ons nog iets, wat veraf staat. Pas als wij zover komen, dat wij onszelf durven aanvaarden en durven zien zoals wij zijn, de waarheid omtrent onszelf durven aanvaarden, vinden we ook de moed om datgene, wat ons scheidt van de werkelijkheid, terzijde te schuiven. En dan staan we voor de Ark des Verbonds, het symbool van de goddelijke Waarheid, voor de tegenwoordigheid van het Licht zelf. We hebben dan dat Licht zelf nog niet volledig gezien of beleefd, maar we staan er tegenover. Wij kunnen spreken tot God en een onmiddellijk antwoord verkrijgen. En als we dat hebben, dan hebben we de hoogste trap zowat bereikt, die voor een mens mogelijk is. Daarna kun je nog verder gaan. Dan leer je één te worden met de wet. Daarom ook de Tafelen, die in de Ark liggen.

Er is een kosmische wetmatigheid. Die wetmatigheid regeert mij. Indien ik die wet erken, wordt het onderscheid dat ik maak tussen mij en de Godheid minder. Ik zeg niet, dat ik God word, maar ik beschouw mijzelf meer en meer als een deel van die Godheid. En in dit deel‑zijn word ik dan één eerst met de Seraphim (de wezens, die zichtbaar weergeven waar God Zich manifesteert), maar op den duur met de lichtende Wolk zelf en vandaaruit zijn we dan één met de totale kosmos.

Dat is inderdaad een esoterisch systeem. Er zit heel veel in. Maar het is erg moeilijk te zeggen, dat Salomo het allemaal zo heeft be­redeneerd. Als ik uitga van de denkwijzen, de mogelijkheden en zelfs van de ingewijden van zijn tijd, dan moet ik zeggen dat een dergelijke indeling, die zuiver op esoterische erkenning (nu exoterisch uitgedrukt) neerkomt, bijna onmogelijk is.

We kunnen op dezelfde manier bepaalde tempels in Karnak esoterisch interpreteren. Het lijkt mij niet juist om dat te doen. Het lijkt mij ver­standiger om eerlijk toe te geven: we weten het niet precies. We kunnen er een betekenis in lezen, die voor ons een volledige waarheid is en die niet in tegenspraak is met de inwijdingsleringen door alle tijden heen. Ook dat is erg belangrijk! En dan zou zelfs het koningschap van Salomo ook een rol toegewezen krijgen. Want de inwijding van Eleusis was een voorbereiding. Dan moest je herder zijn; het herderschap beoefenen. Heersen over anderen ten voordele van die anderen en gelijktijdig jezelf beheer­sen ten aanzien van die anderen. Dat was voor die inwijdingen een belangrijke factor. Ik meen, dat het trouwens voor elke mens een factor is. Je moet verantwoordelijkheid leren dragen niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen en dan daarin een volledige beheersing van jezelf vinden, voordat je kunt verdergaan. En dat zou je ook kunnen zeggen voor de koning. De koning wordt ook vaak gezien als de herder van zijn volk. De overeenkomst is dus tamelijk sprekend.

*  Waarom zouden de kabbala en de magie voor de gewone mens vroeger verboden zijn geweest?

Ik geloof, dat dat altijd weer het geval is, indien we te maken hebben met een godsdienstige structuur. Nu moet u één ding niet vergeten. Het jodendom leefde in een theocratie. Wat men op het ogenblik in Israël probeert te doen, is eigenlijk hetzelfde. Een theocratie, een Godsregering, waarin allen hoogstens de uitvoerders van de goddelijke wil zouden moeten zijn. Als wij daarvan uitgaan, moeten we ook een vaststaande wet en een vaststaande waarheid hebben. Maar wat doet de kabbala? Zij maakt het mogelijk de verborgen betekenissen te lezen, en dan kun je precies uitrekenen wat er werkelijk is gebeurd. Maar daarmee is niet alleen de onaantastbaarheid van de historie maar ook van de wet weggevaagd. Nu kun je tegen de priester zeggen; Het staat er wel zo, maar zó is het bedoeld, niet zoals u het zegt. En daarmee zou de staatssamenhang wegvallen.

Wat de magie betreft; we vinden dat overal. Als we kijken naar het christendom, dan blijkt dat wonderen door heiligen worden gedaan, maar dat – als precies dezelfde wonderen worden verricht door niet‑kerkelijke personen – het magie is, verwerpelijk is en dat het vervolgd moet worden. Wij vinden dat zelfs in Egypte terug. Denk eens aan lchnaton. Alleen omdat hij de visie van de zonnegod (die algemeen bij de priesters bestond) aan het volk kenbaar maakte en daarmee voor de mens het idee van een persoonlijke relatie zonder tussenschakeling van de priester mogelijk maakte, werd hij vervolgd en tenslotte gedood. Zijn beelden worden alle verminkt en vernietigd. Dat is kentekenend.

Magie en godsdienst zijn eigenlijk identiek. Maar de godsdienst is geneigd zichzelf te zien als waarheid, ook in haar magische gebruiken, en alles wat daarbuiten gebeurt aan gelijksoortige waarden uit te krijten als zwarte magie, demonische werking, verwerpelijke hekserij. Denkt u niet, dat dat beperkt blijft tot gewone godsdiensten. Er is een tijd geweest, dat de Lama’s van Tibet tegen de tovenaars van Tibet, die met natuurkrachten en natuurgoden werkten, probeerden op te treden. Op den duur kwam er een overeenkomst, omdat de tovenaars de leer van de Lama’s (een variant van het boeddhisme) accepteerden als basis voor hun werken. En toen mochten ze hun gang gaan; voor die tijd werden ze echter vervolgd. U kunt wat dat betreft ook in de moderne tijd gaan kijken en dan ziet u precies het zelfde verschijnsel.

Magie is in de landen van Zuid‑Amerika nogal gebruikelijk. Als je naar een nagual (heksenmeester) gaat en je vraagt hem om allerlei geesten op te roepen en krachten op te wekken, dan is dat in vele gevallen verwerpelijk, soms zelfs strafbaar. Maar als je naar een kerk toegaat en daar bepaalde votieven met inscripties die even heidens zijn aan heiligenbeelden hangt, dan is dat binnen het kader van een geloof zelfs verdienstelijk.

Ik hoop, dat ik met deze voorbeelden voldoende duidelijk heb gemaakt waar het om gaat.

Een godsdienst is altijd een organisatie. Een organisatie wordt een machtsstructuur. Een machtsstructuur zoekt een machtshandhaving. Machtshandhaving is alleen mogelijk, indien geen enkel gezag het gezag van de machthebbers kan aantasten. Dit is een van de redenen, waarom men de onfeilbaarheid van de paus heeft aangenomen. Die onfeilbaarheid was noodzakelijk om in het christendom dat verdeeld was een absoluut leergezag te kunnen scheppen. Voor die tijd werd wel gezegd: “De H. Geest inspireert de paus,” maar er werd niet gezegd: “Hij is onfeilbaar.” Die onfeilbaarheid is een betrekkelijk laat leerstuk, dat we eigenlijk kunnen zien als een ingrijpen in de verdeeldheid tussen de vele christelijke sekten.

*  Is het in het gewone leven vaak niet hetzelfde met een gestudeerde? Als hij iets doet, dan mag het, maar doet een niet‑gestudeerde hetzelfde, dan mag het niet.

Ja, daar zit wel iets in. Het is een typisch Nederlands denken. Als je goed kunt rekenen zonder diploma, dan mag je niet rekenen. Maar als je een diploma hebt, en je kunt niet rekenen, dan kun je hoofdboekhouder worden en kom je meestal bij bepaalde instellingen terecht; die kunnen nooit rekenen. Het is dus weer het handhaven van een structuur. Het gaat in vele gevallen niet om de kennis zelf, het gaat om de wijze waarop de kennis verworven is. En het verwerven van die kennis is weer afhankelijk van machtsevenwichten en machtsorganen. Een universiteit is een soort machtsorgaan. Het is duidelijk dat degenen, die daartoe behoren, elke aantasting van hun kunnen door niet‑bevoegden trachten te voorkomen. Een van de aardigste feiten is bv. de kwestie van oogartsen. Een opticien kan de meeste metingen net zo goed en vaak door routine zelfs beter doen dan een oogarts; zeker één, die nog niet zo lang praktijk heeft. Men wil dat toch verbieden. Waarom? Omdat daarmee het monopolie van de oogarts wordt aangetast. Het is dus een monopoliestructuur.

Datzelfde zie je ook in de wetenschap. Je ziet zelfs in beroepen dat men eisen stelt, die eigenlijk krankzinnig zijn. Ik kan bv. niet be­grijpen waarom iemand alleen melkboer kan worden, indien hij weet wie Ka­rel de Kale, Pepijn de Korte en Karel de Grote waren. Je vraagt toch niet een pak yoghurt met Pepijn de Korte of zo? Dat soort dingen is een vorm­en van een vak‑clan. Dat hebben we vroeger ook gezien; iemand kon nog zo goed timmeren, maar als hij niet was aangenomen bij wat toen een soort vakbond was, dan mocht hij niet timmeren binnen de muren van een stad.

En wat dat betreft, zou je ook kunnen zeggen, dat een groot gedeelte van de strijd tussen Salomo en de priesters uit hetzelfde voortkwam. Salomo was koning én als zodanig was hij dus de heer van de krijgers. Maar de priesters waren het in feite, die het burgerlijk bestuur voerden. Het is zo iets als de revoluties, die men in Rusland ziet, waar­ bij de ene keer het Rode Leger ineens de macht in handen krijgt en het volgende ogenblik de Partij het overneemt. Het is een soortgelijke worsteling.

*  Waarom werd de Worm Shamir zo genoemd?

Waarschijnlijk omdat hij Hamer of Verpletteraar was. Het is de eigen­schap van de Worm, die wordt uitgedrukt in een naam. Dat zien we heel veel in de oudheid, dat een eigenschap gelijktijdig de naam geeft. Thor de Donderaar. De functie en de naam zijn identiek. Je kunt die naam dan verder kabbalistisch ontleden en je zou het zelfs via een bepaald systeem kunnen omzetten in een woord voor slang. En dan zit er mogelijk weer een toespeling op de paradijsmythe bij; een soort luciferiaanse uiting. Ik geloof echter, dat als je het op de keper beschouwt, we hier te maken hebben met legenden, en dat men in de legende symboolnamen kiest. Dit komt steeds weer voor. Zelfs in sprook­jes zijn de namen veelal gelijktijdig symbool voor de eigenschap, de capaciteit van de persoon, die daarmee wordt aangeduid.

SLOTWOORD

Het is me opgevallen, dat we eigenlijk via een paar kleine omweg­getjes ineens in de moderne tijd zijn terecht gekomen. Misschien is dat ook wel omdat Salomo zelf een zeer moderne figuur lijkt. Hij is iemand met absolute macht. Iemand, die die macht ‑ althans volgens de overle­vering ‑ ook over demonen heeft. Hiervoor wil ik wijzen op een vreemd verschijnsel.

Salomo wordt ook vereerd door de islam. Hij wordt geëerd niet al­leen als een groot vorst, maar ook als de Heer over alle Djinni, alle demonen. Hier krijgt men te maken met iets vreemds. Men heeft in de islam een deel van het judaïsme geaccepteerd. Een groot gedeelte van de regels, een deel van de opvattingen komen er inderdaad uit voort. Maar dat men nu teruggrijpt naar Salomo en dat men hem zelfs invoert als het symbool voor macht, dat in sprookjes Djinni vertellen dat ze eens door Salomo gebannen zijn – dat geeft een typische visie ‑ een groot vorst een duivelbanner. Dat was in de middeleeuwen ook nog zo. Als je erg ziek was, dan kon je proberen bij de koning te komen. Dan legde hij zijn handen op en gaf je een Godspenning. Dan werd aangeno­men, dat je beter was. En aangezien dat te weinig gebeurde, huurde hij zo nu en dan een paar mensen om beter te worden. Dit denkbeeld van de koning als magisch heerser moet, geloof ik, ook weer worden gezocht in het feit, dat God de koning macht geeft. De koning heeft zijn macht niet van de mensen. Hij is een uitverkorene Gods. Hij wordt tijdens zijn leven zelfs in het rijk der halfgoden opgenomen. Dan moet hij dus wel macht hebben.

In de realiteit omtrent Salomo, zoals ik haar u heb voorgelegd, komt weinig van dit alles tot uiting. Daarom mag ik nog wel naar het rijk van de mythos overgaan. Salomo staat in zijn paleis, als er een stormwind opsteekt. Hij gaat het terras op, neemt een grote kruik en beveelt de wind daarin te gaan. Daarop is het windstil geworden. De kruik wordt vervolgens met klei en was verzegeld. Tot het ogenblik, dat Salomo zijn vloot met grote snelheid wil uitsturen. En wat doet hij dan? Hij zendt die kruik met een paar boden naar een plaats aan de Rode Zee. Hij laat er volgens voorschrift een gat inboren en zo is daar de wind, die zijn vloot nodig heeft om zich met grote snelheid van de kust te verwijderen. Kinderlijk. Maar zou de mens werkelijk de natuurkrachten kunnen beheersen? Het antwoord is: Een ingewijde kan dit tot op zekere hoogte wel. Het verhaal is dus niet helemaal zonder zin, hoe belachelijk het ook klinkt.

Wij horen dat Salomo eens een handvol kruiden op een houtskoolbekken werpt (de vraag is maar of hij dit werkelijk heeft gehad ‑ houtskoolbekkens zijn van een latere tijd), waarop een grote demon verschijnt. Hij geeft deze de opdracht om de weg van zijn vijanden te teisteren. Er ontstaan dan grote bosbranden. Is dat waar? Waarschijnlijk niet. Maar is het mogelijk? Het is mogelijk. Als u weet, dat er mensen zijn, die vuur kunnen doen ontstaan alleen door hun emotie, dan is het helemaal niet zo gek, dat men ook aan Salomo iets dergelijks toekent.

Als Salomo in grote moeilijkheden is, dan roept hij een aantal heilige namen en achter zijn troon is er dan beweging, de lucht trilt en er staan ‑ zo beweert men ‑ een paar engelen. Deze vertellen hem vervolgens welke uitspraak hij moet doen.

Het is natuurlijk niet zo letterlijk waar als het wordt verteld. Het zijn geen grote geesten, die zich plotseling komen manifesteren. Maar ik neem wel aan, dat Salomo de gewoonte had om ‑ indien hij een probleem te moeilijk vond ‑ rustig te zeggen; “Hou nu eens allemaal je mond” om dan in diep nadenken, in concentratie te verzinken. In die concentratie had hij dan de mogelijkheid om allerlei intuïtieve waarden en mogelijk zelfs invloeden uit de geest op te vangen en te verwerken.

Ik vind het altijd vreemd, dat bepaalde groepen Salomo ook als goudmaker voorstellen. Salomo heeft, voor zover mij bekend is, nooit iets van alchemie geweten. De alchemie is trouwens van veel recenter datum. In de tijd van Salomo bestond er hier en daar wat valse munterij, dus het gebruikmaken van legeringen, maar dat was ook precies alles. Neen, dat hij goud zou maken is nooit te verklaren, indien we aannemen dat het hier gaat om feitelijk goud maken dat zo menig vorst van zijn lijfalchemist meende te mogen verwachten. Er is wel iets anders,

Goud maken kan ook zijn: het veredelen van het zijnde. Van Salomo wordt wel verteld, dat hij een mens kon beroeren en dat deze daarna voor zijn verdere leven was veranderd. Beïnvloeding? Hypnose? Hoe wilt u het noemen? Maar dan wel van buitengewoon krachtige aard. Ik geloof, dat Salomo iets dergelijks misschien wel gekend heeft. In ieder geval heeft hij ernaar gestreefd om waarheden te vinden. Hij heeft gezocht naar waar­heid. En de verhalen kunnen daarvan wel een weerkaatsing zijn.

Typerend is ook, dat men die duizend vrouwen altijd zo letterlijk neemt. Duizend is een uitdrukking, die we altijd vinden voor ontelbaar veel. Een kind telt; één handje, twee handjes ‑ veel! En zo heeft men een tijdlang geteld: tien, twintig, duizend. Verder neemt men nog aan, dat het allemaal zijn lijfelijke vrouwen zijn geweest. Nu, als dat waar is, is het een wonder dat de man nog heeft kunnen regeren; dan waren er veel overuren bij. Indien we aanzien en het aantal vrouwen met elkaar vereenzelvigen ‑ en dat gebeurde bij veel oude vorsten ‑ dan is het getal 1000 hier niet bedoeld om aan te geven hoeveel wijfjes hij er op nahield, maar om aan te geven hoe gróót hij was; de grootheid van een vorst meten aan de hand van degenen, die van hem afhankelijk zijn. Die afhankelijkheid wordt dan weer in een verhaal tot uiting gebracht. Het volgende is misschien wel het meest wonderlijke verhaal, dat er ooit over hem is verteld.

Men beweert, dat Salomo was uitgereden naar een plaats om zijn leger te bezoeken en dat een oude vrouw hen tegemoet kwam. Deze vroeg hem om genade voor haar dochter, die was gestorven. Salomo steeg af en had medelijden met de vrouw. Hij wierp toen een aantal takjes neer, die in een bepaalde figuur vielen. Daarop sprak hij wonderlijke woorden en de jonge vrouw herleefde niet alleen, maar ook schoner dan ooit tevoren. Toen hij haar aangezicht had gezien, nam hij haar op onder zijn vrouwen. Dat laatste is misschien begrijpelijk, maar het eerste is een wonderverhaal; iets wat we van veel ingewijden horen; opwekken uit de dood, het veranderen van mensen.

Als ik denk aan een mens als Salomo, dan kan ik mij voorstellen, dat zijn geestelijke invloed zo groot was dat iemand, die hem ontmoet, anders wordt: edeler; niet knapper, maar eenvoudig beter.

Over Jezus wordt ook iets dergelijks verteld. Er was een meisje met een goede stem, dat ongeneeslijk ziek was en ontzettend veel leed. Toen Jezus eindelijk kwam, vroeg een ieder: Heer, genees haar. Jezus keek naar haar en zei: Ik wil wel met haar spreken. Sedert hij met haar had gesproken, was zij nog net zo ziek, maar ze had altijd een glimlach, ze was a.h.w. lichtend en stralend, ze zong voor de mensen en gaf hun daardoor vreugde. Ook weer zo’n legende, maar wat voor de ingewijde kentekenend is.

De ingewijde is niet de tovenaar, die iets tot stand brengt. Hij is degene, die veredelt. Waar zijn invloed is, daar is zijn wezen gelijktijdig de verandering van het bestaan voor anderen. Deze theorie en techniek toeschrijven aan Salomo? Vraagwaardig. Aannemen dat het mogelijk is? Ongetwijfeld logisch. Er zijn door alle tijden heen heel veel mensen geweest, die ergens in zich de kracht hebben gevonden om het goede in anderen naar voren te brengen.

Er wordt ook nog verteld dat Salomo beschikte over een geweven stof, die buitengewoon fijn was. We kunnen denken aan Egyptisch linnen en misschien geverfd in Tyrus. Dat was zelfs in die tijd al mogelijk. Deze stof had twee tinten; in die tijd iets bijzonders. Als hij de ene tint naar een mens toe keerde was deze verstild. Liet hij hem de andere kant zien, dan was hij tot leven gebracht. Een stof? Onwaarschijnlijk. Maar een edelsteen of eer paar edelstenen kon heel waarschijnlijk als hypnotisch concentratiemiddel worden gebruikt.

Ten laatste nog dit: Ik heb misschien volgens velen van u geen recht gedaan aan Salomo, de grote tempelbouwer, de beheerser van geestelijke krachten, die men graag in hem wil zien. Maar in de tijd van Salomo waren heel veel dingen magie, die tegenwoordig gewoon zijn. Vele verschijnselen werden verkeerd overgeleverd of geïnterpreteerd, omdat men niet begreep wat ze waren. De gebruiken van die tijd waren totaal anders dan de gebruiken, die u nu kent. En daarom kunnen wie geen oordeel vormen over Salomo aan de hand van hetgeen omtrent hem bekend is. Toch heb ik de brutaliteit gehad om hem voortdurend een ingewijde te noemen.

Hij, die eens óók Salomo is geweest en nadien nog enkele malen op de wereld is geweest, is inderdaad een hoge geest, een ingewijde. Hij is een kracht van licht. En ofschoon we hem niet gelijk mogen stellen met groten als de Gautama Siddharta of met Jezus van Nazareth, zo moeten we toch zeggen; Hij was ook zeer groot en zeer sterk. Hij heeft zichzelf na zijn koningschap kennelijk nog, enkele malen op de proef gesteld. Van zo’n geest kunnen wij méér zeggen dan aan de hand van alle verhalen omtrent stoffelijk gebeuren en alle flarden van historie, die we kunnen terugvinden.

Als ik uitga van deze geest, dan stel ik: Salomo is een man geweest, die lange tijd harmonie met alle dingen heeft weten te vinden en in deze harmonie ook de mogelijkheid om dat, wat hij was, weerkaatst te zien in alles rond hem. Pas toen hij zijn eigen harmonie verloor door een verdeeldheid in zichzelf ten aanzien van belangrijkheid en taak, schoot hij tekort en werd hij eenzijdig. Toen werd hij misschien enigszins magiër in plaats van ingewijde. Maar op het ogenblik, dat hij zijn belangrijkheid prijs gaf, keerde hij terug tot de volle waarde van zijn inwijding.

Als ik deze geest beschouw, kom, ik verder tot de conclusie, dat zij zich op dit ogenblik voornamelijk bezighoudt met natuurgebeuren en natuurkrachten, niet met mensen. Het is voor mij een aanwijzing waar de harmonie van een dergelijk persoon ligt. Hij moet voortdurend in harmonie zijn geweest met de natuur en de krachten der natuur. Mensen moeten voor hem ergens conflictstof zijn geweest.

Als een ingewijde voortdurend blijft kiezen voor de lagere vormen van leven en de onstoffelijke levensvormen, dan moet daaraan een grote ervaring ten grondslag liggen, indien ze na zoveel eeuwen niet overwonnen is. Ik geloof dan ook, dat voor Salomo de mens de voortdurende verstoring van zijn evenwicht is geweest en dat hij de waarheid omtrent zichzelf heeft ontkend, omdat hij het beeld, dat hij in de ogen der mensen zag, begeerlijker vond.

Ik meen op grond van zijn wezen, dat hij ‑ zij het na enige loutering ‑ de hoogste krachten van licht weet te dragen en te ondergaan. Hij heeft de eenheid in zichzelf gevonden. Om het mystiek te zeggen: Salomo en Hiram zijn versmolten tot een eenheid, zodat de geestelijk levende erkenner van de tempel, de bouwer van de tempel kan worden.