Samenhangen

uit de cursus ‘De wereld en haar achtergronden’ (hoofdstuk 8) – mei 1987

Samenhangen

Vandaag zou ik over wat samenhangen willen spreken. Je moet een voorbeeld zoeken en dat zoek je dan bij voorkeur in het verleden.

Er is een tijd geweest, dat Rome spelen kende. Die spelen op zich waren in het begin gewoon atletische wedstrijden. Verder niet veel meer. Er was wat amusement bij en zo’n feestje duurde misschien van ‘s middags zeg maar 12 uur tot ’s avonds een uur of 9. Daarna was het afgelopen.

In die tijd was Rome het centrum van de wereld. De arbeiders die daar werkten wilden heel graag wat meer verdienen. Al weten de meesten van u het niet, ze hadden een soort vakbonden. Zelfs slaven kon je niet ringeloren op elke manier die je wilde. Want ook wat dat betreft begon er al een beetje zeg maar een jurisprudentie te ontstaan, waardoor een slaaf het ene niet en het ander wel mocht enz. De situatie bracht dus met zich mede, dat we in Rome de dingen niet meer zo goedkoop konden maken als in vele van de binnengewesten. De pottenbakkers bv. konden niet concurreren tegen Griekenland en zelfs niet tegen Egypte. De makers van allerlei sieraden konden over het algemeen maar moeilijk concurreren tegen mensen uit Frankrijk en wat dat betreft zelfs uit de meer noordelijke gebieden.

Toen kwam er eigenlijk een beetje ruzie. Op een gegeven ogenblik moest de Senaat heffingen gaan instellen op alles wat van buiten kwam, alsook op dat wat door de Romeinen werd gemaakt. Daardoor werd het wel veel duurder, maar het resultaat was dat toen de buitengewesten, en vergeet niet, Rome dreef voor een deel op de heffingen uit de buitengewesten, (de buit zeg maar), die de artikelen wel hadden maar ze konden ze niet meer kwijt. Ze hadden geen geld, ze wilden alleen in artikelen betalen. Toen hebben ze dat maar veranderd.

Ze hebben gezegd: Goed, dan gaan we de arbeiders subsidiëren. Dat was best. Die subsidies waren wel redelijk, dat was een bestaansminimum. Dat werd dan gegarandeerd, niet direct door de Staat, maar door een aantal mensen, die gekozen wilden worden of gekozen waren in de Senaat bijvoorbeeld, of die preator waren of iets anders.

Op die manier kwamen er steeds meer mensen die zeiden: “Ja maar, voor dat kleine beetje meer dat ik met werken verdien ga ik me niet moe maken.” Dus er kwamen steeds meer mensen als het ware in de steun lopen. Dat was een heel zware last voor Rome. Die mensen hadden niets te doen en waren dus heel gauw opstandig. Dan moest je er wat op vinden.

Toen kwamen ze tot de conclusie dat het misschien beter was om eens wat meer van die spelen te geven. Zo zijn er dus allerlei dingen ontstaan. Bijvoorbeeld de amphitreatrum Flavium. Dat is toen ontstaan. U kent het later in zijn verbeterde uitvoering als het Colosseum. Daar werden praktisch elke week van die spelen gegeven.

Dan kwamen er ook een soort rondreizende circusjes met een stel derde­rangs gladiatoren en een paar wormstekige wilde dieren.

Er werd voor gezorgd dat er geen een werkelijk overleed of al te zwaar gewond werd. Zij deden het voor entree. In het begin waren ook de circussen in Rome een kwestie van entree, maar op den duur wilde het volk meer. Een van de keizers is toen begonnen met wagenrennen. Die wagenrennen werden oorspronkelijk gehouden buiten de stad. Het was vrij toegankelijk. Er werd gereden met vier spannen tegelijk. Dat was heel erg leuk. Maar toen ze meer wilden zien en er toevallig eens een keer een beetje ellende was, toen zeiden ze: nou, dan moeten we het maar in een circus doen. De hele dag wagenrennen ging ook niet, dus moesten er ook andere spelen komen.

In het begin waren dat over het algemeen acrobatennummers enz., maar dat werden al heel gauw voornamelijk gladiatoren en wat dies meer zij. Wat ik nu ga zeggen klinkt misschien heel vreemd, maar de mensen hadden weinig te doen. Op den duur leefden ze eigenlijk voor dat circus, voor de ludi (?), voor de spelen. Ze zaten steeds meer in die theaters. In het begin waren er misschien 20 of 30 in een jaar. Maar er zijn jaren geweest, in de tijd van Nero bijvoorbeeld, maar ook van Marcus Antonius en nog een paar anderen, dat er werkelijk 300 dagen spelen werden vertoond. Dat moest betaald worden, want je had er allerlei mensen voor nodig. Er waren verschillende soorten gladiatoren, maar die hadden ook weer een school nodig met lanista’s. Een lanista is dan de baas van zo’n school.

Bij die school hoorde dan weer een aantal verzorgers. Er waren smeden nodig. Er waren doktoren nodig. Ze hadden van alles nodig. Er waren stallen voor de racepaarden. Zeker in de eerste tijd racete men voornamelijk met Romeinse vierspannen. Die waren toen heel goed van kwaliteit. Daar had je stoeterijen voor nodig. De stoeterij had stalknechten nodig. Ze hadden allerlei mensen nodig die zorgden dat de wagens gebouwd werden, dat de wagens onderhouden werden.

Voor een wagen die in het circus reed, dus met een menner en vier paarden, had men ongeveer 20 man nodig om te kunnen starten enz. Je had de mensen die de wagen op bet laatste ogenblik bijsmeerden.

Je had de verzorgers van de paarden. Je had de mensen die voor het gespan aansprakelijk waren. Dat waren er al tien. Dan had je de mensen die klaar stonden aan de overkant. Er werd van de binnenkant gestart, er was in het midden een binnenmuur waarvan werd gestart. Dan moest er iemand staan die met gebaren duidelijk maakte hoe je het best kon rijden.

Je had ook nog slaven nodig die de paarden vasthielden, want die beesten waren overspannen (om niet te zeggen inteelt) en alleen op die snelheid en op dat traject ingesteld eigenlijk. Die paarden waren erg onrustig.

Er waren 6 man nodig om de paarden in bedwang te houden, zodat op het juiste ogenblik gestart kon worden, plus die waarschuwingsman. Maar dan was je er nog niet, want al die mensen hadden weer allerlei dingen nodig. Hun uniformen, hun gewaden moesten een beetje kleurrijk zijn. Het moest een mooie vertoning zijn. Als je rekent wat alles bij elkaar meewerkte voor een span in een race, dan kwam je tot ongeveer 200 man die daardoor werk had.

Een deel van hen waren slaven, dat is waar, maar die slaven draaiden als arbeiders in de economie mee. Omdat een steeds groter gedeelte van de economie van Rome afhankelijk werd van die spelen, kwamen er steeds meer spelen. Die moesten betaald worden.

De keizers gaven weleens spelen. Maar iemand, die gekozen wilde worden gaf bv. in plaats van een verkiezingsralley een spel, een ludie van 3, 4 soms 7 dagen dat er van alles te zien was.

Elke dag kwam hij binnen in een speciaal gewaad, een speciale wagen. Dit was de enige gelegenheid, waarbij ook een normaal romeins burger een purperen toga mocht dragen, anders mocht dat alleen als hij lid was van de Senaat. Op die manier maakt hij dan eigenlijk reclame. Hij had mensen bij zich en hij had een claque gehuurd die spreekkoren aanhief. Als de spelen goed waren dan zei men op den duur: “Nou, laten we zeggen Valerius of Deananus heeft goede spelen gegeven, laten we voor hem stemmen.” Zo ging dat.

Maar als je steeds meer mensen krijgt, die eigenlijk liever niet werken, die dus van de bedeling leven, dan krijgen die mensen veel minder interesse in bijvoorbeeld de goden. Goden en geestelijke dingen interesseert hen niet. Het enige wat hun interesseert zijn de spelen. Laten we spelen, gokken, dan kunnen we rijk worden. De weddenschappen die werden afgesloten waren zo groot, dat er mensen bij waren, die niet alleen hun hele bezit verwedden, maar als ze verloren hadden dan boden ze zichzelf aan de slavenmeester aan en kregen ze daarvoor een krediet. Als ze dan alles verloren hadden, zaten ze voor ongeveer 10 jaar aan een soort slavernij vast.

Die mensen keken eigenlijk niet eens meer naar alles wat er gebeurde. De prestatie interesseerde hen veel minder, het bloeddorstige ervan, het wrede en zeker ook de erotische elementen erin wel. Bijvoorbeeld, er is een voorstelling geweest in de tijd van Nero, waarbij men 20 jonge meisjes had vastgebonden in mooie bedden overigens, die ten dele door hyena’s en ten dele door apen werden verkracht. Het heeft nog heel wat moeite gekost om die beesten zover te brengen, geloof dat maar. Dat soort vertoningen vond men mooi. Hoe meer bloed er vergoten werd hoe mooier het was.

Dat was eigenlijk helemaal niet omdat degenen die de spelen gaven, dat nou graag wilden doen, zij hadden er vaak niet eens belangstelling voor. Ja, wel wilden zij het vechten zien van gladiatoren, dat was vakwerk. En ze wilden heus wel bv. een strijd zien tussen mensen, die in een mandje zaten op een olifant (men noemde dat castello geloof ik). Dan hadden ze hier Indische olifanten en daar Afrikaanse. Daar zaten de mensen naar te kijken, want dat was voor de oorlog belangrijk. Wat is in een oorlog beter, een Indische of een Afrikaanse olifant? Dat wisten ze niet zeker. De Indische hebben het gewonnen, overigens. Al dat bloedvergieten was gewoon omdat de mensen het leuk vonden.

In de tijd van Nero en ook na hem gaf men avondspelen, waar Christenen, eerst waren het Joden, later waren het de Christenen. Toen de Joden zo’n beetje uitgemoord raakten met pek werden overgoten en aan een soort kruis vastgebonden en als levende fakkels als verlichting werden gebruikt. Dat deden ze niet omdat de mensen die het organiseerden het zo leuk vonden, maar omdat het volk dat vroeg. Zij moesten pijn en lijden zien en verder niets. Er bleef verder eigenlijk heel weinig over.

De mensen leefden voor een bepaalde groep. Je had bijvoorbeeld oorspronkelijk 4 groepen van wapens, dat waren de kleuren de Witten, de Roden, de Blauwen en de Groenen, later zijn er de Zilveren en de Gouden bijgekomen Toen wilde men een beetje meer spektakel hebben. De mensen waren hun hele leven voor de Roden of voor de Witten. Als je wat over een ander zei, waren ze nog bereid om je af te slachten ook. Het is gebeurd dat er vaak voor de wagenrennen meer werd gevochten op de tribunes, dan de eerstvolgende paar uur daarna in het amfitheater. Net als bij de modern voetbalwedstrijden. En daar kunnen we iets van leren.

Ik heb u slechts een schetsje gegeven en misschien wat veel over de spelen gesproken, dat weet ik wel. Maar het is zo kenmerkend voor een bepaald gebeuren in een maatschappij. We zouden dat in andere tijden ook terug kunnen vinden, maar laten we naar vandaag kijken.

De mensen gaan tegenwoordig bij voorkeur naar de film als er heel veel doden vallen en heel veelbloed spettert. Het is dan wel niet echt, maar het geeft toch iets van die opwinding. De mensen gaan niet kijken naar wie er het beste voetbalt, maar ze gaan kijken om een club te zien winnen. Dan zitten ze gewoon te schreeuwen op de tribune: “Schop hem zijn poten onder zijn … uit.” Dan zijn ze onredelijk. Er zijn mensen, die hun club door dik en dun aanhangen of ze goed zijn of slecht.

In Amerika is bijvoorbeeld catch erg in de mode. Het is een bepaalde vorm van worstelen. Voor een deel uiteraard komedie voor een deel ook een zeer reële, atletische prestatie. Maar de mensen gaan daar niet naar toe om een atletische prestatie te zien, zij gaan niet om te zien hoe goed er geworsteld wordt, neen ze moeten een schurk hebben en een held. De held moet het van de schurk winnen, anders is het niet goed. Maar als de schurk wint gaan ze de volgende keer kijken of hij nu misschien verslagen wordt. En dat is big business. Net zoals baseball bv. dat is ook big business. Voetbal, big business. Hoe komt dat? Omdat er steeds meer mensen zijn, die eigenlijk niets in hun leven hebben

In de tijd van Rome, waarover ik spreek, zagen we een heel eigenaardig verschijnsel. De Christenen bijvoorbeeld, een van de vele sekten die er waren, waren groepen die zich losmaakten van de maatschappij, losmaakten van het denken, van het geloof. Want laten we eerlijk zijn, er wordt verteld dat de martelaren de goddelijkheid van de keizer moesten erkennen. Dat is helemaal niet waar. Het offeren van wierook voor een beeld van de keizer was zoiets als het begroeten van de vlag of het zingen van een volkslied. Het was het erkennen dat je behoorde tot het rijk, waarvan de Caesar de vertegenwoordiger was.

Dat is hetzelfde als je in Nederland zou zeggen: Mensen, jullie mogen heus Nederlands burger zijn, maar dan moet je eerst roepen: leve de koningin. Dan zeggen ze: Dat is onzin. Maar als buitenlanders wat lelijks zeggen over de koningin dan kunnen ze op hun donder krijgen, zelfs als de Nederlanders het er mee eens zijn. Want ze mogen kankeren over de koningin maar dat mag een buitenstaander niet.

Op die manier ontstonden er richtingen, die zich losmaakten van de Maatschappij. Er zijn denk ik alleen al door de spelen en ik heb het dan niet over de verdere martelingen en uitroeiingen, in het Romeinse rijk, in het direct Romeinse rijk ongeveer 150.000 Christenen omgekomen. U denkt misschien dat het veel is. Hitler heeft er nog veel meer omgebracht, maar hij had er ook de technische mogelijkheden voor.

Al die mensen bleven zoeken naar een uitweg. Iets waardoor ze loskomen van zo’n vastgelopen maatschappij. Dan heb je iets nodig om je mee te identificeren. Bij de Christenen was dat Jezus. Jezus die niet alleen maar, vergeet dat niet, de zoon van God op aarde was, want daar geloofden ze in die tijd nog niet eens zo erg in, dat is eigenlijk pas na Constantijn langzaam opgekomen. Maar het ging er doodgewoon om dat die Jezus een weg had getoond. Je kon je losmaken van alles. Hij was als het ware een geestelijke hulp, een geestelijke steun die je had. Er was een ander leven, een veel belangrijker leven dan dat op aarde en daar kon je dan naar toe streven, dan zag je niet meer de onvermijdelijke ellende en zelfzucht die a.h.w. nood­zakelijk waren om als normaal burger te leven in Rome.

In deze tijd hebben we ook veel bewegingen. Er zijn ontzettend veel groepen die proberen zich los te maken. Wanneer je kijkt naar het geheel van de menselijke historie (ik ga niet allerlei voorbeelden aanhalen, anders wordt het een geschiedenisles) dan ontdek je steeds weer, we krijgen een vorm waarbij productie ontstaat, waarbij de productie op een gegeven ogenblik zo goed is, dat de arbeiders belangrijk worden. Dan hebben de arbeiders daardoor invloed. Het gevolg is, dat de arbeiders eisen gaan stellen.

U denkt misschien dat u modern bent met uw arbeidstijdverkorting? Ik zal u vertellen; in de tijd van de Romeinse Caesars zijn er hele volksopstanden geweest omdat de arbeiders arbeidstijdverkorting wilden hebben. Alleen wilden zij dan natuurlijk terug van zeg maar 94 uur per week naar 72 uur per week. Maar toen was het een beetje anders, het werktempo was anders.

Al die dingen samen voeren tot een situatie die aan de ene kant een enorme verruwing van de samenleving ten gevolge heeft en een steeds meer materialistisch en eigenlijk onverantwoordelijk leven van wat je dan toch wel de domme massa mag noemen, Aan de andere kant zien we juist in die tijden een afsplitsing ontstaan van mensen die geestelijk gaan streven.

Ik denk, dat daar een reden voor moet zijn en die vind ik in de ontwikkeling van het geheel erg belangrijk.

We zijn allen een geestelijk wezen. U denkt misschien, dat ik uit mijn duim heb gezogen wat ik zo over Rome heb verteld. Ik ben inderdaad – al is dat heel lang geleden een lanista – geweest. Ik was dus een oude vechtersbaas, – soldaat geweest, daarna nog wat gladiatorenwerk gedaan. Ik was zeg maar coach, manager van op dat ogenblik ongeveer 20 gladiatoren. Het was de tijd, dat de gladiator nog een vakman was en niet alleen maar iemand, die zich publiekelijk liet afslachten.

Ik denk altijd: waarom die behoefte naar de geestelijke verruiming? Is het een honger naar vrijheid? Ik geloof het eigenlijk niet. Het is het zoeken naar een samenhang, waarbij je innerlijke waarden, je geestelijke waarden een rol spelen. Je bent innerlijk altijd nog geest. Je kunt dat overspoelen door je voortdurend bezig te houden alleen maar met de prettige dingen van het leven zoals het dan heet. Door je als het ware te verslaven aan allerlei materiële aspecten. Maar je kunt ook wanneer die geest in je toch wat duidelijker spreekt, zeggen: ja, ik zie er zo geen weg meer in. Ik moet een andere weg zoeken. Dan ga je zoeken naar de inhoud van het leven en al zijn er veel formuleringen voor, het komt allemaal een beetje op hetzelfde neer.

In mijzelf is een kracht. In mijzelf moet ik een soort vrede, een soort rust vinden. En van daaruit moet ik gaan leven niet meer volgens de regels van mijn maatschappij, die over het algemeen zegt wie het meeste heeft, kan meer krijgen en de duivel schijt op een grote hoop, zorg daarom dat je van degene neemt die al wat heeft. Het is meer het gevoel: mijn betekenis ligt in datgene, wat ik voor anderen ben. En vanuit die kracht in mijzelf kan ik dat zijn.

Dan zoek je naar regels. Dan is het wonderlijke, over de hele wereld en door al die tijden heen zijn er bepaalde regels steeds weer naar voren gekomen.

Een van die regels heet.

  1. Innerlijke rechtvaardigheid. In mijzelf ervaar ik op grond van wat ik ben, juistheid en onjuistheid. Deze, zal ik toepassen en ik zal niemand beoordelen, tenzij ik ook zijn innerlijke beweegredenen volledig ken. Dat is iets anders dan datgene, wat u waarschijnlijk rechtvaardigheid noemt. Dat is “voor wat hoort wat”. Maar dat is helemaal niet waar.
  2. De tweede regel, die we overal tegenkomen is: ”Wij zijn verbonden met een God. Of we die God omschrijven of zeggen dat hij het Niets is, maakt eigenlijk niets uit. Want op een gegeven ogenblik kun je eigen­lijk wel zeggen: Ja, het Niets is het enige dat werkelijk bestaat. Al het andere is een tijdelijk verschijnsel, dat in en vanuit dat niets tot stand is gekomen. Maar dat niets is gelijktijdig mijn volle be­tekenis. Het is onbegrijpelijk, ondoordringbaar, onbenaderbaar.

Maar het is er wel degelijk.

Op dat ogenblik vind je dan werkelijk de oplossing. In mij is God. Rond mij is God. Ik beantwoord aan die God. Daardoor wordt datgene wat rond mij gebeurt onbelangrijk. Want wat in de tijd gebeurd is vanuit de eeuwigheid gezien betekenisloos.

Hoe meer ik innerlijk eeuwig leef, hoe minder betekenis alles buiten mij heeft. Alleen datgene wat eeuwig is, kan voor mij werkelijk nog betekenis hebben. Door die filosofie kun je dan inderdaad een nieuwe weg inslaan. Vergeet niet dat de maatschappij je altijd bindt. Aan de mode bv. Je kunt er toch niet als een gek bij lopen? Behalve natuurlijk wanneer het de mode is om er als een gek bij te lopen, zoals in de moderne tijd. Dan gebeurt het ook.

Je moet hard schreeuwen dan krijg je wat. Je moet zien dat je alles binnenhaalt. Je moet stemmen voor een partij. Dat vind ik ook zoiets, je moet dus werkelijk kiezen voor een groepering, die een belofte doet, waarvan je zeker weet, dat ze zelf beseft ze nooit te kunnen nakomen. Met andere woorden je moet gewoon stemmen voor een soort oplichter. Dat mag ik natuurlijk niet zeggen, maar het is wel waar.

Als je dat zo bekijkt dan zeg je: die dingen zijn niet belangrijk. Ik hoor erbij, ik zal eraan meedoen voor zover dit niet ingaat tegen mijn wezen. Zolang het mijn eigen innerlijke vrede, mijn werkelijk bestaan niet in gevaar brengt.

Dan kom je als vanzelf aan een derde wijsheid en die is: Wanneer ik in staat ben om mijzelf te vergeten, leef ik pas volledig. Het wonderlijke is, dat in al die situaties, die ik u stoffelijk geïllustreerd heb met het voorbeeld van Rome, uiteindelijk groepen overblijven die juist diep gaan beseffen: ik leef pas werkelijk op het ogenblik, dat ik vergeet wat en wie ik ben. De leer van de versmelting vloeit altijd weer voort uit het dénouement, uit de laten we zeggen enorme spanning en ontmaskering van een zelfzuchtige maatschappij.

Dan denk ik, wanneer ik alle ontwikkelingen naga en ik ben er heel wat nagegaan in de loop der tijd dat er een soort beweging is die zegt: Op het ogenblik, dat materialisme, zelfzucht en egoïsme a.h.w. op de top zijn, begint gelijktijdig een stijging van een geestelijke ontwikkeling. En als het materialisme het niet meer kan halen dan is er een geestelijke top, noem ze occult, esoterisch of anderszins die met de krachten van de geest leert leven en werken. Tot het ogenblik, dat ook hier die zelfzucht en de zelfverheffing toeslaan en vergeten wordt, dat je pas werkelijk leeft als je niet meer beseft wie en wat je bent, maar alleen existeert voor een kort ogenblik.

Dan ga je denken; wat ik kan doen is belangrijk. Dan komen de magiërs. Uit de magiërs komen de onderzoekers. Uit de onderzoekers komen de technici. Terwijl de golf van geestelijke ontwikkeling afneemt zien we gelijktijdig weer een materialistische golf toenemen.

Die kent dan ook weer dezelfde trappen. Degenen, die geestelijk leven zeggen: In deze maatschappij moeten wij ons toch ook ergens te weer kunnen stellen. Ze gaan hun geestelijke gaven en krachten gebruiken. Ze zijn dus de beginnende magiërs eigenlijk. Dat eindigt uiteindelijk in het geritualiseerde magisch denken en zijn.

Zo gaat het met het materialisme ook. Op het ogenblik, dat het materialisme in opgang is, krijgen we de periode van de ontdekkingen, een realisatie van samenhangen. In uw periode is dat oorzaak en gevolg geweest. Vroeger waren die samenhangen weer een beetje anders. Het eindresultaat is dan, dat je komt tot een institutionalisering van iets, wat oorspronkelijk eigenlijk uit de enkeling is voortgekomen uit het streven en denken van de enkele mens.

Het wordt een organisatie. De onderzoeker wordt vervangen door een technisch laboratorium, waarbij een zakelijk directeur zit die technisch maar heel weinig heeft in te brengen, maar die wel precies weet wat het laboratorium moet doen. Op dat ogenblik ben je op de top en dan denkt niemand meer aan iets, behalve aan productie. De wereld wordt aangetast, het geestelijk welzijn wordt aangetast, de geestelijke golf begint omhoog te komen en het materialisme zakt in elkaar.

Als je deze twee golfbewegingen naast elkaar zet kun je zeggen als je een verschuiving aanneemt van ongeveer 45° tussen geestelijk en stoffelijk en beiden uitdrukt als een sinus met een ongeveer gelijke uitslag, in feite zijn ze getrapt, maak er maar gewoon een vloeiende slingerlijn van dan hebt u een heel aardig beeld van de manier, waarop deze invloeden als het ware elkaar benaderen. Zeker wanneer u dan de middellijn tijd noemt, want dan kunt u zien op welk ogenblik welke invloeden het sterkste optreden.

Het interessante daarbij is verder, dat juist in de periode van de opgaande geestelijke ontwikkeling we heel veel te maken krijgen met mensen die het op hun eigen manier nazoeken. Het zijn de ontdekkers van de samenhangen tussen vele menselijke levens. Het zijn de ontdekkers van de krachten, die in de suggestie liggen en daardoor de geest kunnen losmaken van zijn schijnbare beperkingen. Het zijn helemaal nog geen wetenschapsmensen en magiërs. Maar het zijn mensen die voortdurend bezig zijn te onderzoeken en die ontdekken: ik kan alleen verdergaan met mijn besef van waarden in mijn wereld, als ik innerlijk mijn waarden verder weet te bepalen, wanneer ik meer weet op te gaan in dat schijnbare Niets, dat de kern is van mijn wezen.

Als u het allemaal nog eens een keer goed overdenkt of later naleest zult u beseffen, waarom ik begonnen ben zoals ik heb gedaan. Er zijn samenhangen. Wanneer je een samenhang ziet in een maatschappelijke ontwikkeling dan zie je gelijktijdig hoe daaruit een verandering van sociale structuur plaatsvindt. Maar wanneer een sociale structuur op een gegeven ogenblik een eenzijdig en veel spanning kennend element wordt, dan is het de enige ontvluchting naar het geestelijke. Naar het geestelijk element.

Op deze wijze zou je kunnen zeggen, dat de gehele wereld voortdurend mogelijkheden biedt voor elke soort incarnatie. Zijn er mensen, die zich alleen maar prettig voelen wanneer ze materiële macht hebben en materiële mogelijkheden, ze kunnen in een technisch of bureaucratisch tijdperk zich manifesteren in een tijd dat de priesters de feitelijke regeerders zijn of wat anders. Wanneer ze het geestelijke zoeken, dan zoeken ze juist die periode op, waarin de economische ontwikkeling naar beneden gaat en de daarmee gepaard gaande verruwing van de sociale structuur en gelijktijdig de vervlakking van het sociaal geweten. Want in die tijd is het ontdekken van de geestelijke mogelijkheid aanwezig.

Pas wanneer ze heel ver zijn gevorderd, zullen ze proberen om bij die top te komen om daar de verstarring, die geestelijk altijd weer schijnt te ontstaan in elke ontwikkeling, tegen te houden om te voorkomen dat wat oorspronkelijk een speurtocht is naar de innerlijke waarheid verandert in een soort sektarisme. Zo kan elke geest altijd weer op de wereld die periode vinden, die omgeving, die ontwikkeling, die voor hemzelf/haarzelf de meest passende is gezien de geestelijke voorgeschiedenis.

Alle dingen hangen samen. We kunnen niet zeggen dat de oorzaak is voor het gevolg of het gevolg voor de oorzaak. We kunnen alleen zeggen dat beiden bestaan en voor ons een belevingswaarde betekenen. Wij kunnen niet zeggen wat tijd wel of niet betekent. Ja, we weten zelfs niet wat stoffelijk leven en geestelijk leven ten aanzien van elkaar betekenen al kunnen we constateren, dat ze voor ons een wisselwerking zijn, die deel uitmaken van een ontwikkelingsproces, wat wij dan bij gebrek aan beter een evolutieproces noemen.

Maar we kunnen in de werelden die we kennen altijd weer die krachten ontdekken die aan de gang zijn en daardoor voor onszelf ook weten wat onze weg is. Waar wij ook zijn, altijd weer is er de innerlijke waarheid, de innerlijke kracht, die altijd bij ons is en bij ons blijft en waardoor wij ons steeds weer juist kunnen oriënteren.

Het is wonderlijk dat de wetten, ik heb u er een paar van genoemd, die door zoveel verschillende generaties als een totaal nieuwe waarheid weer zijn gehuldigd, altijd praktisch gelijk zijn. De formulering is anders, de inhoud blijft dezelfde. Er moet een samenhang zijn, ook tussen al deze verschillende perioden, die toch weer teruggrijpen naar een en hetzelfde principe. Het antwoord daarop kan alleen maar luiden: er is ergens een plan of een vast kader of rooster, dat uitmaakt op welk ogenblik een waarheid opnieuw in de belangstelling komt.

Aangezien die waarheid zich altijd schijnt te herhalen moet ze een waarde hebben, die buiten de tijd ligt zoals mensen die kennen. Dan ben ik de laatste om te zeggen, dat ze God’s openbaring is. Ik zou eerder zeggen dat het God’s wezen is, dat voor de mens bereikbaar en benaderbaar wordt, op die ogenblikken dat hij waarom dan ook niet meer in staat is om het bestaande zonder meer te aanvaarden en uitwijkend naar zijn innerlijk ik opeens weer ergens iets aantreft. Het kan een zinsnede zijn, een woord dat de mens spreekt, een lering die wordt gebracht, waardoor hij kan loskomen en verder kan gaan. Maar wanneer hij verdergaat komt hij altijd weer terecht bij deze waarheden, die kennelijk grondeigenschappen zijn van dat Grote, waarvan wij maar een klein deeltje zijn.

Ontwikkeling van de wereld. Jaja. Maar ook de ontwikkeling van een bewustzijn. Als we kijken hoe mensen, die het ene ogenblik geestelijk op de top zijn geïncarneerd, geleefd hebben met waarlijk magisch en geestelijk begrip en zien, hoe ze de volgende keer wanhopig worstelen om directeur te worden van een handelsonderneming, dan zeggen we, het is kennelijk niet zo dat een van beide fasen belangrijk is. Het gaat om een versmelting van de innerlijke waarde, de geestelijke waarde en de stoffelijke waarde. Het werkelijk doel van de schepping lijkt mij te zijn, een weg doen vallen van de grenzen die bestaan tussen God en het schepsel, maar ook tussen het schepsel en zijn besef van zijn huidige vorm.

Als we dat kunnen dan kunnen we zeggen, inderdaad de oplossing is het Koninkrijk der Hemelen dat in ons is. Het is het waar worden van alles wat we potentieel al zijn. Maar op een zodanige manier, dat alle uitingen gelijktijdig voor ons begrijpelijk, aanvaardbaar en verstaanbaar zijn. Pas uit dit niet meer beoordelende zijn komen we tot de kernbeleving, die geen van ons kent. Want als ik ze zou kennen, zou ik niet tot u spreken.

Zo kan ik als een entiteit, die naast andere incarnaties ook nog eens een keer de manager is geweest van een aantal vechtjassen, die hoofdzakelijk leefde voor een wapenuitrusting, een zwaard en de vrouwen en de mogelijkheden tips te verkopen, zeggen: Ja, dat ben ik geweest. Wat ben ik nu? Het is nog deel van me. Ik zal het niet verliezen. Maar wat is mijn wereld gegroeid En wat is mijn innerlijke vreugde en rust groter geworden dan ze ooit is geweest.

Ik ben ervan overtuigd dat ieder van u eens ergens dat punt zal bereiken. Ik weet dat ik verder zal gaan al weet ik niet op welke wijze, waarheen en waarom. Als u dan denkt: ja, waarom? Kijk dan naar binnen. Dan lost de vraag zich op in een vrede, die kracht is en die het geheel van de historie maakt tot een barokke lijst rond dat deel van de waarheid, dat we eindelijk kunnen beleven.

Filosofen

Sommige mensen zeggen: een filosoof is een mens, die op basis van een enkel wankel feit een toren van veronderstellingen opricht. Een ander heeft gezegd: Een filosoof is een mens, die graaft in de werkelijkheid en probeert ze op aarde te verankeren. Ze hebben allebei een klein beetje gelijk.

Het belangrijke van de denker is, dat hij probeert aan de beperkingen van feiten en wereld zover te ontsnappen dat hij een overzicht krijgt. Soms over de ontwikkelingen op de wereld. Soms over geestelijke zaken. Soms over beide. Zoals, om er een te noemen bv. een Teilhard de Chardin heeft gedaan.

Wanneer je bezig bent met filosofie komt er een ogenblik dat een mens losraakt van al die dingen, die nog met de feiten te maken hebben. Hij wordt a.h.w. een soort mysticus, die zich uitdrukt in filosofische begrippen. Dat is het punt waarop de mens eigenlijk een hoogtepunt in zijn uiting van geestelijke waarden kan bereiken. Want de mystieke beleving, de mystieke wereld is de wereld van het onzegbare. Het is de wereld waarin alle dingen wel zijn, maar niet meer omschreven kunnen worden.

Het is een wereld, waarin de tijd een manipuleerbare factor is geworden en waarin niets meer vaststaat en alle dingen samen gereikt kunnen worden in een moeizaam zoeken, alsof een dichter probeert de woorden te maken tot een vers, dat het onzegbare doet meeklinken.

Wij allen zijn min of meer mysticus want een deel van onze werkelijkheid ligt in een wereld die onomschrijfbaar is. Wij kunnen met onze associaties, met onze kennis en onze mogelijkheden nooit die gehele innerlijke wereld naar buiten brengen. Maar we kunnen ze beleven. Waar die beleving in vele gevallen een loslaten betekent van vele zaken die ons anders gebonden houden aan aardse rede, aan voortdurende denkspelletjes, gebruiken we veelal een soort sleutelbegrip.

Een filosoof denkt na over het leven en dan zegt hij: is het leven wel leven? Als het leven leven is, waarom is het dan zo beperkt in mijn ogen? En als het niet bestaat, hoe kom ik dan aan het gevoel dat ik leef? Dan kun je natuurlijk uitroepen Cognito ergo sum. Ik denk, ik besef, dus leef ik, dus besta ik. Maar de filosoof denkt verder na en zegt:

Ja, ben ik er eigenlijk wel echt? Ik denk nu wel, maar is er een ander die mij denkt, zodat ik denk, wat hij mij zegt te denken, ter­wijl ik denk, dat ik zelf denk.

Je komt terecht in een wereld van het onbestemde en het onbekende. Dan komt er het ogenblik, dat de mysticus zijn beleving niet meer omschrijft en ze alleen nog maar uitdrukt als een straling. Dan komt er het ogenblik, dat hij zijn beleven van totaliteit alleen nog maar kan uitdrukken in een soort zang. Of het nu het hooglied van Salome is of de ode aan Zuster Zon van Franciscus. Al die dingen zijn een poging om te weten dat er leven is, niet meer dat ik leef.

De filosoof met zijn toren van Babel probeert de hemelvaart te bereiken door argument op argument te stapelen, denkbeeld aan denkbeeld te rijgen. Maar altijd komt er een ogenblik dat hij zeggen moet: ik kan niet verder. Hier sta ik voor het gebeuren dat onomschrijfbaar is. Dan kun je Einstein heten, je komt aan een gebied, waarbij je in feite mysticus wordt en voor anderen niet meer benaderbaar en begrijpbaar bent, zelfs al gebruik je de meest abstracte en gelijktijdig reële taal die er bestaat, omdat je je beleven niet kunt overdragen.

Het is vaak een samenzang van dingen die geboren wordt op het ogenblik dat de toren van gedachten ineen valt. Het is een enorm akkoord, waarin de hele hemel mee schijnt te spreken, wat in de plaats komt van de zorgvuldig geconstrueerde tonen van een rietfluit.

Wij zijn wij? En zo we zijn, wat zijn we? Er is geen antwoord mogelijk. We kunnen theorieën aandragen. We kunnen de hemel omschrijven. We kunnen zoals de kabbalisten hebben gedaan precies uitmaken wat de rangorde en de volgorde is van alle engelen. Wat hun taken zijn. En waar eenieder zich zal bevinden. We weten niets.

Maar kan er een heelal bestaan, een God bestaan die chaos is? Chaos is het verval. Het is de ondergang van samenhangen. Dat is de tegenstelling van de eenheid. Er moet een orde zijn. Wanneer ik die orde niet uitdruk in allerlei denkbeelden omtrent de indeling van de hemelen dan zeg ik niet, dat die hemelen zo zijn. Maar dan zeg ik alleen, dat voor mij de orde moet blijven bestaan omdat ze de zin en de basis is van alle dingen.

Wanneer ik spreek over de chaos dan spreek ik over het voor mij onvatbare. Een amorfe werkelijkheid die zich voortdurend in nieuwe vormen herkneedt, een werkelijkheid die een angstdroom en een vervulling gelijktijdig kan zijn. De hel die mensen zich voorstellen, of het nu in de ijshel van de oude Germaan, de Vikings is, of dat het de warme hel is met zijn stookhuis van onderen zoals dat wordt voorgesteld in bepaalde christelijke groeperingen. Het is altijd nog een gevormde wereld. Het is een wereld met samenhang.

Een mens kan zich niet voorstellen, dat er een wereld bestaat zonder samenhang. En toch, hoe is alles ontstaan? We denken dat er een werking is geweest in het onbekende en dat daaruit plotseling werkingen zijn voortgekomen resulterende in een ontstaan van kleinste delen, het ontstaan van gaswolken, het ontstaan van hitte, druk, zonnen en sterrennevels. Maar weten we dat wel? We denken het. Voor ons moet er een samenhang zijn, een oorzaak- en gevolgwerking. Maar is oorzaak en gevolg in tijd uitgedrukt dan niet de weergave van indeling, van ordening?

Ieder kan op zijn wijze nadenken, filosoferen, kan proberen oneindigheden te vatten in woorden. Ieder zal ontdekken dat er een ogenblik komt, dat je ofwel jezelf tegenspreekt of dat een verdere ontwikkeling niet meer mogelijk is. Het dichtste bij kom je misschien als je zoals bv. een jongen heeft gedaan, zegt: Ja, wij kunnen vele dingen ontleden maar we komen altijd aan een onbekend gebied, wat daarin ligt weten we niet. En toch, zonder het onbekende zou de samenhang van alles wat we kennen niet bestaan.

Wij zijn het onbekende. Maar we omschrijven alleen de invloeden die we hebben op onze eigen bewustzijn en dat van anderen. Wij zijn de eeuwige kracht, maar gevangen in een reeks begripsbeperkingen waardoor we ons hulpeloze schepselen achten. We zeggen dat engelen gevallen zijn. Maar zijn wij niet als de engelen, deel van God, gevallen tot de beperking van eigen besef? En in het groeien van ons beseffen terugworstelen naar die status, waarin we deel van God zijn en meer niet.

Is dit filosofie? Voor een deel. Is het mystiek? O ja, voor een deel zeker wel. Bovenal is het zoals ik het uitdruk menselijk. Mens zijn betekent denken. Mens zijn betekent tijd beleven, ook als geest. Al is tijd dan een andere waarde. Mens zijn betekent steeds weer andere grenzen opstellen rond jezelf, waardoor je aan jezelf beperkingen toekent, die in je wezen misschien niet eens bestaan.

Is het dan niet voldoende te weten dat wij zijn, hoe dan ook? Of we nu misschien de romanfiguren zijn van een kosmische schrijver of zelfstandige wezens, wat maakt het uit? Wij bestaan en we voelen in onszelf een verbondenheid met alle dingen, die we niet kunnen ontzeggen. Is dat niet voldoende.

Een mens bouwt zich een beeld op van het ik. Een versteende reeks van eigenschappen en beperkingen, vaak bovendien nog op het voetstuk geplaatst van mijn gelijk en mijn redelijkheid. Maar is het standbeeld ooit de persoon zelf? Op zijn best is het een momentopname. Vastlegging van een kleine fase uit een oneindig gebeuren. Het ik dat ik ken is niet belangrijk. Het wezen dat ik denk te zijn is niet belangrijk. Het is maar een standbeeld, dat ik opricht om mijzelf voor een ogenblik te kunnen aanschouwen. Maar wat er in mij leeft en werkt, dat is belangrijk. De voortdurende veranderingen in mij, die gelijktijdig een voortdurende bevestiging zijn van mijn uiteindelijke onveranderlijkheid, dat is belangrijk.

Al mijn grenzen zullen vergaan. Al mijn voorstellingen van mijzelf zullen sterven. Maar dat wat ik ben, is zover ik kan overzien blijvend. Nu in de ene vorm dan in de andere manifesteert het zich. Nu met de ene dan met de andere beperking worstelt het verder om zichzelf te zijn zoals het denkt dat het is.

Maar ik besta wel degelijk. Of ik gedroomd wordt of geschapen ben, het maakt geen verschil, want ik beleef. Ik beleef het licht en de kracht die in mij bestaan. Ik beleef de werkelijkheid die uit mij straalt en die door de gehele wereld voortdurend weerkaatst wat ik uiteindelijk in mijzelf aan erkenningsvermogen draag.

Ik leef. Hoe dieper ik graaf, hoe meer ik terecht kom in een wereld die niet meer te bepalen is. Al wat uiterlijke werkelijkheid schijnt is niet veel meer dan het glimmende huidje van een zeepbel geblazen in een oneindige luchtruimte.

Mensen die daarnaartoe werken, die proberen die werkelijkheid te vinden, die niet willen stilstaan alleen bij de glimmende weerkaatsingen aan de buitenkant aan het dunne omhulsel, dat wij onze werkelijkheid noemen, zijn de denkers, de filosofen. Meer nog, de denkers en de filosofen banen de weg, maar wij moeten de weg gaan.

Die weg kunnen we alleen gaan op het ogenblik dat zelfs het denken ophoudt te bestaan, dat er alleen nog maar existentie is in een rijkelijk delen van al wat is, zonder zelfs te kunnen omschrijven wat je zelf bent en wat anders is. De mystieke beleving die niets heeft te maken met een sacrament of met een wonder of met een weten. De mystieke beleving die een terugkeer betekent tot de grondwaarde van alle existentie.

Er zijn heel wat filosofen geweest. Een Chinees filosoof meer dan 2000 jaar v. Chr. spreekt over de kleinste delen die heen en weer zwalken, alsof hij zou weten hoe een atoom er uitziet. Een Griekse denker spreekt over “de Daemon in mij” (het licht in mij, niet de demon zoals men weleens denkt). Een werkelijkheid, die hij niet kan vertellen of verklanken op een andere manier dan eenvoudig te zeggen: “Er is iets in mij dat leeft, dat mij beweegt.” Een denker die zoekt naar de kosmische harmonieën en die muziek en mathematica en redekunst samenvoegt alsof hij door een versmelting van al deze dingen probeert om iets weg te vagen van de grenzen, waaraan een mens gebonden is.

Zijn formules zijn nog bekend. Pythagoras is nog de bezoeking van menig jong student. Maar de Pythagoreën waren de zoekers naar waarheid, die misschien een taal gebruikten van meetkunde, van algebraïsche vergelijkingen, maar die gelijktijdig de structuur van de harmonie probeerden te vinden omdat de harmonie de enige uitdrukking is, waarin je werkelijk en innerlijk jezelf kunt beleven.

Er zijn heel wat filosofen geweest op de wereld. Sommige hebben geprobeerd hun beleven en hun denken vast te leggen als een soort dialoog met God. Andere hebben geprobeerd om de grenzen te overschrijden door feiten en veronderstellingen zodanig te mengen, dat er ideale beelden ontstonden. Maar allemaal hebben ze ergens gezocht naar de essentie van het zijn. Het zijn zelve.

Wanneer u zich bezighoudt met allerlei denkbeelden, wanneer u geconfronteerd wordt met oude beschavingen of met nieuwe ontwikkelingen of verwachtingen voor de toekomst, dan zijn het allemaal alleen maar kleine punten, die een omtrek tekenen waarbinnen het werkelijke zijn bestaat. De grote kunst is altijd weer om uit de feiten en waarschijnlijkheden terug te keren naar de kern, naar de as waarom alles zich moet bewegen en draaien. De niet constateerbare punten in de lichten, die uiteindelijk toch de werkelijke oorzaak zijn van alle gebeuren.

Daarom zou ik van u allen een klein beetje filosofen willen maken. Misschien ook een klein beetje mysticus/mystica. Een mens die zoekend door de uiterlijkheden niet alleen een innerlijke wereld betreedt, maar ook beseft dat de beleving van die innerlijke wereld niet gelieerd kan zijn aan de wereld buiten je zonder meer, dat ze een beweegkracht kan zijn in de uiterlijkheden, maar dat ze nimmer een verklaring of een vervulling van uiterlijkheden in zich draagt.

De kern is AL, het andere komt uit de kern voort. Zoeken naar de kern is zoeken naar een waarheid, die niet te verklanken en niet te verwoorden valt. Maar die in zijn beleving een zinvolheid betekent voor de schijnbaar belangrijke en onbelangrijke feiten, die je op dit ogenblik je leven noemt. Leven in en vanuit de eeuwigheid is de weg om de tijd te overwinnen om de verschijnselen van de tijd hun werke­lijke betekenis te geven.

Ik geloof, dat ik daarmee de betekenis van filosofen voldoende heb gekenschetst. Dan zullen we nu overgaan tot een slotwoord, als u mij daarvoor een uitgangsbegrip wilt verschaffen.

  • Wederkerigheid, ziekte, worstelen.

Ik had om een begrip gevraagd, u kunt kennelijk nog niet goed rekenen. Maar waarom niet?

Wederkerigheid, dat wat je zelve bent weerkaatst zien in de ander, dat is wederkerigheid. Want de kern kennend van jezelve, de kern beseffend van de ander kan er alleen versmelting bestaan. Maar wat de mensen wederkerigheid roemen is veelal een ziekelijk worstelen met onvervulbare voorstelling. Een voortdurend jagen naar verwezen­lijkingen die nooit aan de gedachte, aan de innerlijke behoefte en verwachting geheel kunnen beantwoorden.

Wie zoekt naar wederkerigheid is ziek. Hij is niet in staat te func­tioneren zoals een mens moet functioneren. Dat, wat in mij leeft, delen met de wereld. Dat wat in mij als harmonie bestaat, terugvinden in anderen zover ik kan. Gevende zonder te vragen, omdat het geven in zichzelve een vervulling betekent van mijzelve, is het enige ant­woord dat je kunt geven.

Een is de Kracht in alle dingen. Een zijn wij allen in de Kracht die ons voortbrengt en in stand houdt. Daarom kunnen wij niet een wederkerigheid scheppen, die niet gelijktijdig een oppervlakkigheid inhoudt. Wij kunnen slechts vanuit ons erkennen leven, onszelf schenkend aan al datgene, waarmee wij een harmonie vinden om in deze harmonie bewuster te worden van onszelf en zo meer van ons zijn en onze krachten kunnen delen met al wat rond ons is. Ik hoop niet, dat u mij deze lichte correctie op uw veronder­stelling of denkbeeld kwalijk neemt. Ik heb overigens tegen alle ge­plogenheden in de drie genoemde begrippen inderdaad verwerkt. Als u dat nog niet gevonden hebt zou ik u toch aanraden te onderzoeken of het het symptoom is van een zekere ziekte, die uw begrip heeft aan­ getast. Daar is een wederkerigheid overbodig en kan ik u slechts bewustzijn van de Kracht toewensen waarin wij gezamenlijk bestaan, het delen van de vrede die de ware harmonie inhoudt en zo een bewust­wording die zelfs in de uiterlijkheden ook van deze avond en van de dagen die komen voor u zal inhouden.