Schijnwerkelijkheid en innerlijke werkelijkheid.

10 februari 1989

Aan het begin van de bijeenkomst wil ik er u op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Dus denkt u alstublieft zelf na.  Het onderwerp : Schijnwerkelijkheid en innerlijke werkelijkheid. Hoe moet je dat illustreren?

Misschien herinnert u zich het verhaal van Ponce de León. Ponce de León vond een bron van het eeuwige leven. En men zegt dat heel veel Spanjaarden en daarna nog heel veel anderen op zoek zijn geweest om die bron te vinden, de bron die je steeds weer jong maakt. Ze bestaat niet. Maar voor die mensen was het een doel om naar te streven, om naar te zoeken. Een schijnwerkelijkheid.

Aan de andere kant kunnen we zo langzaam maar zeker toch wel aannemelijk maken dat reïncarnatie bestaat. Nou, dat betekent dat u regelmatig verjongt, u gaat dood en u begint weer als baby, dus dat is werkelijkheid. En als je dan kijkt wat al die levens verbindt, dan vind je eigenlijk één bewustzijn dat al die verschillende fasen schijnt te onthouden, daar iets mee doet en daardoor een zeer specifieke persoonlijkheid wordt.

Een persoonlijkheid die je nergens anders zo tegenkomt en dat is dan de innerlijke werkelijkheid. Ik heb geprobeerd om u deze dingen tegenover elkaar te stellen om duidelijk te maken waar we het vanavond over hebben. Want zoals u allemaal waarschijnlijk weet en ook begrijpen zult, is het heel erg moeilijk om een innerlijke werkelijkheid even te demonstreren. Maar je kunt soms iets van die werkelijkheid benaderen. Er zijn bijvoorbeeld op aarde op dit ogenblik ongeveer tachtig openbaringen die worden gezien als direct goddelijk werk, soms aangevoerd door engelen, Mormon, of door God gegeven of via geesten aan de wijzen geopenbaard.

En als je dan kijkt, dan zie je, ja, er zit in allemaal toch wel iets waar we het mee eens kunnen zijn. Maar aan de andere kant, als God nou werkelijk al die openbaringen zou hebben gegeven, dan heeft hij wel een hele hoop ellende op de wereld veroorzaakt. Denk nou maar aan bijvoorbeeld aan de oorlogen tussen de kruisridders en de Moren. Of aan de Arabische conflicten, de opstand van de mohammedanen in Brits-Indië. Allemaal omdat ze allemaal een verschillend geloof hebben. En toch zeggen ze allemaal: We geloven dat er ergens één God is, met een hele hoop ondergoden of engelen, goed, en als je katholiek bent dan krijg je nog een stel heiligen er ook bij. Zo nou en dan wordt er één ontmaskerd, dat is Sinterklaas overkomen, maar allemaal hebben ze één waarheid: goddelijke. Dan kan de goddelijke waarheid alleen datgene zijn wat we overal terugvinden. Dan zijn er misschien vele wegen om die waarheid te bereiken, maar er is maar één waarheid. Als dat niet het geval is, dan hebben we te maken met concurrerende goden en dan hebben we niet meer te maken met de ene God, maar met een pantheon van stamgoden die elkaar beoorlogen te vuur en te zwaard. Niet aanvaardbaar dus.

Maar als je diep in jezelf zoekt naar rust, naar stilte, zo van de overdenking, van de bespiegeling langzaam wegzakt, dan ontstaan er in jezelf andere beelden. Je weet niet waar ze vandaan komen. Maar in jou zijn ze waar. Wat ik droom, wat ik geloof, is voor mij waar. Wanneer het ín mij bestaat. En dan zien wij dat dat die hele buitenwereld schijnt te kunnen veranderen. Is die buitenwereld wel werkelijk zoals wij denken? Wanneer je hoort: Jezus liep over de wateren, ja, best, prima, hij was Jezus. Nee, wacht even, er zijn ook nog heiligen geweest die het gepresteerd hebben. Er zijn ook nog wijzen geweest in het oosten die het hebben gepresteerd. Er waren zelfs een aantal, men zegt adepten, maar in ieder geval een soort fakirachtige figuren in India, die dat ook konden. Van een bepaald aantal Chinese tovenaars wordt het ook beweerd. In Japan bestaan er ook overleveringen over. En zelfs bij de indianen vinden we een medicijnman die zozeer a.h.w. door de Manito overvleugeld werd, dat hij ‘over de kolkende rivier liep’…

Dus niet een monopolie. Een verschijnsel dat overal wel eens schijnt te zijn voorgekomen. Maar het vreemde is dat het altijd voorkomt bij figuren die eigenlijk een innerlijke werkelijkheid hebben, die zo sterk is, dat ze niet twijfelen eraan dat de buitenwereld hén zal gehoorzamen. En dan gehoorzaamt die wereld.

In Indonesië bestaat een heel verhaal over een man, het was geloof ik nog een islamiet ook, ja, een Hadji was het, ja, die regelmatig dus in bespiegelingen verzonken was. En toen werd de desa aangevallen door rampokkers. En alles werd in brand gestoken en die man die bleef daar maar rustig zitten. En toen alle huizen waren verteerd en na rookten, wie zat er toen, zonder dat er maar één stofje zelfs op zijn gewaad zat? Die heilige man, want die was nog aan het mediteren. Voor hem bestond de brand niet, dus kon de brand hem niets doen. Raar verhaal, hè?

Maar laten we dan eens gaan kijken naar een paar andere dingen. Iedereen wil wel eens een ander helpen, wil wel eens een ander genezen. Nu zijn er mensen die het gevoel hebben dat zij innerlijk op een gegeven ogenblik die kracht hebben. Ze bidden tot God of ze mompelen iets over hun geestelijke leiders of wat anders. Maar het gekke is, ze genezen. Ze genezen mensen en het is niet altijd te verklaren. Er zijn mensen die hebben kanker. en die geloven nou toevallig in een dokter die van duivenvoer houdt, dus eten ze duivenvoer. En de kanker verdwijnt. Hè, kan toch niet, is krankzinnig. Ja, je kunt dat natuurlijk rationaliseren met de voedingsstoffen en de balans van het dieet. Maar op zichzelf is het toch eigenlijk krankzinnig. Je verwacht van die mensen niet dat ze genezen, hoogstens dat ze gaan koeren. Maar ze genezen. En dan zegt de medische wetenschap: dat is onzin: ‘Wij weten beter’, maar de patiënten genezen.

En dan zegt het geloof: ja, dat kan alleen als God… Nou ja, god was er niet bij, het was duivenvoer… Waarom werkt het? Omdat die mensen misschien in wanhoop zich vastklampen aan het denkbeeld: dit kan mij genezen. En ze genezen. En als ze het niet geloven, nou, dan helpt het niet. Geloofsgenezing? Ja, best. Hoe komt het dat sommige mensen zeggen: ja, maar ik ben zo loom en zo lusteloos en zo moe. Dan kun je wel zeggen: je moet gaan trimmen. Nou ja, dan zijn ze niet moe meer, dan hebben ze een hartinfarct. Wanneer die mensen beginnen te geloven in zichzelf, dan krijgen ze weer vitaliteit. Hoe is dat nou mogelijk? Er zijn mensen die doen veel meer dan alle anderen en die zijn echt, ze gaan zo op in het werk, ze zijn a.h.w. een onderdeel van hun werk geworden. En ze blijven er jong bij. Van binnen uit.

Er is een innerlijke werkelijkheid die de uiterlijke werkelijkheid schijnt te overschaduwen zo nu en dan. En nu kun je wel zeggen, ja, dat moet je op een bepaalde manier doen, maar ik geloof dat dat niet waar is. Per slot van rekening, of ik nou een zaklantaarn heb of een kaars, als ik licht nodig heb en ik kan licht maken, dan gaat het om het licht, en niet om de bron. De bron zit in de mens. In de mens zit iets waardoor hij z’n eigen lot voortdurend beïnvloedt. In de mens leeft een vreemde kracht, die zijn lichamelijkheid, ja, zelfs zijn relatie met de dingen veranderen kan. En dan kun je zeggen, ja, maar, dat is toch een beetje overdreven…

Hebt u nooit te maken gehad met die man met zijn vierdehands auto die zo goed liep? Er zijn erbij hoor. Het zijn van die dingen waar de politie angstvallig voor waakt en regelmatig langs de weg probeert te onderzoeken, wanneer ze weer eens bezig zijn. Want ja, zo’n oud kreng. Die wagen loopt, die wagen is perfect totdat er een ander in stapt. En dan zijn er mankementen bij de vleet, hoe komt dat? Zou het misschien zo kunnen zijn dat de chauffeur zich zo één voelt met zijn wagen dat hij a.h.w. iets van zijn eigen uitstraling, iets van z’n eigen vitaliteit erin gooit en dat die wagen daar op antwoordt door mechanisch goed te reageren, terwijl hij het eigenlijk niet zou moeten kunnen.

De werkelijkheid waar de meeste mensen mee te maken hebben, is een schijnwerkelijkheid. Een schijnwerkelijkheid is de redevoering van Bush bijvoorbeeld. Ja, dat voelt u aan. Maar nou een gek ding: Wanneer iedereen erin begint te geloven, dan verandert er iets. Er is een president geweest die het wel kon, Roosevelt. Die man die was, nou ja, een onmogelijk mens misschien, in vele opzichten en bovendien was hij nog ziek en had een hoop ellende en alles, maar hij geloofde dat Amerika er bovenop kon komen. En hij wist anderen tot dat geloof te brengen. En Amerika kwam er bovenop. En dan kunnen we dat natuurlijk economisch uitspitten en proberen er oorzaken voor te vinden en verklaringen; maar het feit blijft bestaan. Wanneer de mensen geloven, dan veranderen de zaken.

Denkt u dat Engeland het had volgehouden tegen Hitler zonder een figuur als een Churchill? Met zijn befaamde woorden van: ‘We zullen ze tegenhouden, op de stranden zullen we ze…’. Nou ja, die vent hield van knokken, hè, een oud-verslaggever en hij had ook nog wat gerotzooid, dus… Ja, ik bedoel, hij rookte grote sigaren en toen hij overging, was hij de sigaar, maar; ja, het gaat nu weer beter met hem, geen zorgen over maken… Maar wat ik probeer te zeggen is dit: dat volk geloofde dat het onverslaanbaar was. Wat er ook gebeurde, ze konden niet geloven dat ze zouden kunnen verliezen. En ze hebben gewonnen. Een eigenaardige Britse kwaliteit. Ze geloven zozeer in hun eigen meerwaardigheid dat ze er anderen er toe brengen om het te accepteren. Maar ja, dat is meer Victoriaans natuurlijk.

Wanneer we kijken wat er gebeurd is bijvoorbeeld in Duitsland, dan is het eigenaardige dat Duitsland te gemakkelijk overwinningen behaalde. En toen er een enkele tegenslag kwam, begonnen vele mensen opeens te twijfelen aan het regime en alles wat ermee samenhing. Kunt u blij mee zijn, want daardoor was dat beetje extra weg. De fanatiekelingen, ja, die gingen nog door en die konden ontzettend veel in verhouding tot wat je reëel en redelijk van een soldaat zou verwachten, natuurlijk. Maar de achtergrond was er niet meer, het was een schimmenspel, bloederig, maar het was er niet meer. En dan kunt u wel zeggen, ja, maar wat heeft dat nou te maken met schijnwaarheid?

Kijk, het geloof dat Engeland niet verslagen kon worden, was een illusie. Zoals het geloof dat de Franse beschaving de grootste en de beste van heel Europa is, een illusie is. Zoals het idee van de Germanen, dat ze Übermenschen zouden zijn, een illusie is. Maar als je er intens in begint te geloven, dan krijgt het in de wereld buiten je gestalte.

De droom die je in jezelf koestert en als waarheid aanvaardt, beïnvloedt naar buiten toe je lot. Dan word je dus niet door de uiterlijkheden geheel geregeerd, maar voor een deel door die innerlijke werkelijkheid. En veel van hetgeen je in de wereld normaal als onafwendbaar beschouwt, is eigenlijk schijnwerkelijkheid. De macht en de wijsheid van onze leiders bijvoorbeeld, schijnwerkelijkheid. Onze onmacht als enkelingen, schijnwerkelijkheid. Maar zolang wij erin geloven, is het zo. Wanneer wij geloven dat wij in staat zijn om te veranderen, om te vernieuwen, om te ontdekken, om dichter bij een werkelijkheid te komen, diep in onszelf, dan zien we buiten ons de tekenen die het bevestigen, en wat meer is, dan maken we het voor onszelf waar.

Er is een oud gezegde, u kent dat misschien wel – het is zoals vele volkse gezegden iets wat met stoelgang te maken heeft, namelijk: ‘De duivel schijt op een grote hoop’. Waarom zegt men dit? Omdat iemand die heeft, niet bang is om te verliezen. Hij denkt alleen aan winnen, dus wint hij. En daarom gaat de kleine speculant er zo vaak onderdoor, terwijl grote speculanten ondanks alles ontzettend lang stommiteiten uit kunnen halen, alleen op grond van hun overtuiging.

Het werkelijke dogma van ons bestaan ligt in onszelf, wat wij zijn, wat wij geloven, wat wij waarmaken. Dat is een werkelijkheid, die uiteindelijk al het andere zal overschaduwen.

Wij trekken altijd graag parallellen met ons eigen bestaan, ons geestelijk bestaan. Wanneer ik denk dat het mooi weer is, als ik in Zomerland ben, is het mooi weer. Als ik bang ben dat het donderen wordt, nou, dan kan ik beter alvast voor de bui gaan schuilen; en niet onder een boom, anders valt die ook nog brandend op mijn hoofd. De hel is het wantrouwen, de angst die je hebt voor alles wat er gebeurt. En dan ontstaat een nachtmerrie die voor jou een realiteit schijnt te zijn. Een schijnwerkelijkheid, maar iets wat voor jou volledig echt is, wat je ondergaat. Maar als je in jezelf gelooft in het goede, in het lichtende, in het sterke dat in je is en dat a.h.w. jouw persoonlijkheid mee vormt, lieve mensen, dan leef je in de hemel.

Ik geloof dat er werkelijk één God is. En als er één God is, dan kan ik niet geloven in een gelijkwaardige tegenspeler. En als we in de uitingen gelijke macht menen te zien van God en de duivel bijvoorbeeld, dan zeg ik: nou ja, dat is één en dezelfde figuur. De mensen op aarde hebben het onaanvaardbare dan maar horentjes op gezet, hè.

Ja, dat ligt toch in de praktijk van de Middeleeuwen dus. Het is heel duidelijk dat ze dat dan doorvoeren in het geloof. Je kunt ze niet van elkaar scheiden, maar kun je de werkelijkheid scheiden van de innerlijke werkelijkheid? Alleen, dan is de werkelijkheid voor ieder anders. En wanneer we dan toch een norm willen, een normering, een algemeen werkelijkheidsbeeld, wat ontstaat er dan? Een schijnwerkelijkheid.

Met welk eerste deel van mijn betoog ik hoop u overtuigd te hebben dat tussen innerlijke werkelijkheid en schijnwerkelijkheid wel degelijk een heel groot verschil bestaat. Het één, de schijnwerkelijkheid, is in wezen een denkbeeld dat niet geheel in je leeft. De innerlijke werkelijkheid is een zekerheid die in je bestaat en daardoor je relatie met alles buiten je mee bepaalt. En dan moeten we ons natuurlijk afvragen, wat kunnen we ermee doen, want in een gezelschap als dit zou je dan toch graag ook nog een beetje praktisch willen zijn, hè. Ja, dat is altijd bij het scheiden van de markt, moet je de beste artikelen nog even gauw kwijt.

Dus: vraag u af waarin u werkelijk kunt geloven. Niet in kwestie van formules, maar wat je aanvoelt in jezelf. Er is vrede, er is een geluk mogelijk, er is een relatie met de wereld mogelijk die voor jezelf als het ware een uiting betekent van wat er in je leeft en gelijktijdig ín de wereld daardoor iets ervan kenbaar maakt. Zoek diep in jezelf. Vind datgene waarin je werkelijk gelooft.

In de tweede plaats: Bekijk alle formuleringen die je naar buiten toe daarvoor hebt aangenomen. En vraag je af in hoeverre ze stroken met de werkelijkheid, die in je bestaat. Verwerp dan al datgene wat niet bij die innerlijke werkelijkheid past. Handel vervolgens vanuit die innerlijke werkelijkheid en u zult ontdekken dat het buiten u anders wordt. O, ik zeg niet beter vanuit menselijk standpunt, maar dat is ook maar een norm.U kunt beter arm en gelukkig zijn dan met alle kwalen behept wel steenrijk, maar je geld uitgeven aan psychiaters, doktoren en aan allerhande geneesmiddelen die je dichter bij de dood brengen in plaats je ervan af te halen, wat het leven van menig miljonair geweest is in de laatste jaren.

Laten we goed begrijpen, de wereld die buiten ons bestaat met zijn formuleringen, met zijn omschrijvingen, met zijn conventies, is in wezen een schijnwerkelijkheid. Het is niet echt zo. In mij bestaat een werkelijkheid die voor mijn wezen geldt. Laat ik die dan a.h.w. hanteren om mij in die schijnwerkelijkheid te bewegen. Ik zal zien dat daardoor veel dingen langzaam maar zeker veranderen, dat ik ze ook anders ga beleven, anders ga zien. Maar ik kom dichter bij de werkelijkheid. En als ik innerlijk bij de werkelijkheid kom, dan kom ik niet alleen maar terecht bij die vrede of de tevredenheid of de nuttigheid. Dan kom ik wel degelijk ook terecht bij de inhoud van mijn werkelijke persoonlijkheid. En de inhoud van de werkelijke persoonlijkheid, ach, dat weet u allemaal wel, omvat heel wat meer energieën van heel wat verschillende aard trouwens. Elke wereld of sfeermogelijkheid die heeft weer zijn eigen energieniveau. Daarnaast bewustzijn, weten misschien omtrent vroegere levens, weten omtrent andere delen van je bestaan, weten dat je ook geestelijk actief bent, zelfs wanneer je lichaam slaapt. Dit is de werkelijkheid, die uit jezelf geboren wordt. Maar het is een werkelijkheid die niet alleen voor jou bestaat. Het is een werkelijkheid die je met anderen kunt delen, zolang je niet probeert hen je eigen geformuleerde visie als een zekerheid voor te leggen. Bewijs uw innerlijke kracht, beleef uw innerlijke werkelijkheid in de wereld metterdaad, niet door bewijsvoering en beredenering.

Twijfel nooit aan uzelf. Twijfel nooit aan de kracht die in u leeft, wat er ook gebeurt, u hebt de kracht om dat te verwerken, om er iets goeds van te maken, om het toch weer een nieuwe en betere betekenis te geven. Dan komt u dichter bij de werkelijkheid. En dan kunt u alles dragen waarvan de wereld zegt: oei, oei, oei, hoe moet dat nou, hoe moet dat nou, hoe kan een mens het verdragen? Een mens niet, maar de gehele persoonlijkheid kan het wel aan, kan de betekenis veranderen. En dan denken anderen, ja, maar zo hoort het niet. Oei, oei, oei, terwijl u bij uzelf zegt: halleluja, ik kom er weer overheen, ik heb weer een stap verder gezet. Geloof wat u wilt, formuleer uw geloof zoals u het wilt, helemaal geen bezwaar. Maar vraag u wel af wat u wezenlijk in uzelf aanvaardt en gelooft. En leef naar de wet die dat betekent. De overtuiging dat je innerlijk iets bent, betekent ook dat je naar buiten toe iets moet zijn. Daar waar innerlijk besef en wil tot uiting samen komen, ontstaat de beïnvloeding van de schijnwerkelijkheid die u met anderen deelt en komt u vanzelf bij een werkelijkheid die hanteerbaar wordt, die kenbaar wordt.

Het is onzin om wonderen te willen doen. Wonderen zijn over het algemeen de dingen die anderen niet begrijpen, hè. Ik denk dat heel wat moderne wetenschappers, wanneer ze hun kennis zouden willen hanteren in bijvoorbeeld de Middeleeuwen, onmiddellijk aan het spit gebraden zouden zijn, ik bedoel aan de staak verbrand zouden zijn.

Maar waarom willen wij wonderen doen? Een wonder, het opzienbarende feit hebben wij toch niet nodig? U kent misschien die krachtpatsers, die mensen die anderen zo als een stelletje kegels omver kunnen gooien. Het gekke is, die doen dat meestal niet, waarom niet? Omdat ze weten dat ze het kunnen doen. Dat is genoeg. Ze gebruiken hun kracht wel, maar dan, wanneer het past in hun leven, bij hun taken. Op dezelfde manier zou u de zaak moeten bekijken. Een wonder moet je niet willen doen. Waarom?

Je wilt iemand helpen, je wilt wat opbouwen, best, mag. Grijp naar binnen toe, van binnenuit vind je de leiding, de kracht, eventueel zelfs de contacten die je nodig hebt. Maar zeg je niet tegen jezelf: ik ga de wereld verbazen, want als je dat wilt doen, dan kun je beter goochelaar worden. Je moet niet proberen om show en handigheid te demonstreren, je moet gewoon zijn.

Onthoud dit: Wanneer een mens de moeite neemt om in zichzelf te gaan en aan te voelen – omschrijven kun je het toch niet – aan te voelen, wat zijn waarheid is, laat hem dan proberen die waarheid te leven. Wie zijn waarheid leeft, vergroot zijn mogelijkheden, ongetwijfeld, – hij zal misschien per ongeluk zelfs een wonder doen. Maar bovenal krijgt hij een relatie met de werkelijkheid, die niet meer door regels omschrijfbaar is, maar die slechts als een kosmische uitdrukking van het bestaan kan worden weergegeven. Leven is een moeilijke zaak, wanneer je denkt dat het leven een last is. Ik heb mensen gekend die zeiden: ‘de aarde is een tranendal’. Toen hebben ze geprobeerd met alcoholica een overstroming te veroorzaken, zodat ze er geen last van zouden hebben. Wat heb je eraan? Het is geen tranendal. En het is niet een hemel die door de mens tot hel wordt gemaakt. Het leven is een toestand, waarin wij de bevestiging van ons werkelijke ik moeten vinden. En waarin de bevestiging naar buiten toe daarvan voor ons de werkelijke vrede, de bereiking, het geluk betekenen. Al het andere is bijkomstig. Wanneer u dat beseft, dan zult u ook geneigd zijn te aanvaarden, dat al datgene wat buiten ons als waarheid en werkelijkheid wordt verkondigd, dat niet geheel is.

Wanneer dit het geval is, dan bestaan de zekerheden buiten ons, waarop we vertrouwen, in feite niet. Maar we kunnen het wezen van die schijnwerkelijkheid pas doorzien, wanneer we in onszelf kijken en vanuit onszelf levend en werkend, onszelf afmeten aan de schijnwereld. En dan ontdekken we dat werkelijkheid veel belangrijker is. Er is iemand die heeft gezegd, het was in de tijd van Ambrosius, dus dat is al lang geleden: ‘ De werkelijkheid is God zoals wij hem zien’. En ik geloof dat hij gelijk had vanuit zichzelf.

Wanneer je God ziet, dan verandert je leven, of je nou Franciscus van Assisi heet of misschien een pater Pio bent of een Lidwina van Schiedam, ik noem er maar een paar. Ik noem nou toevallig een paar erkende figuren, ze zijn allemaal rooms katholiek. Maar dat komt omdat heiligen bij de Nederlands hervormden over het algemeen onder schijnheiligheid begraven worden. Neemt u mij niet kwalijk, ik wil uw geloof niet schenden, hoor.

Wat doen deze mensen? Franciscus leeft als een gek. Hij is rijk, heeft alles, kan in weelde leven en ineens begint hij daar als barrevoets pater zich voort te slepen tot hij uiteindelijk van ellende sterft, nietwaar? Hij preekt tegen de vissen, tegen de vogels. Als het nou nog papegaaien waren geweest, hadden ze misschien wat terug kunnen zeggen. Maar voor hem was het werkelijk. En het vreemde is dat deze zelfde man met zijn kinderlijke eenvoud, met zijn naïviteit zou ik haast zeggen, veel dichter bij God stond dan al degenen die hem godgeleerd verkondigden.

Lidwina, nou ja, waar lag Lidwina? In bed. Ziek, en dan had ze kunnen zeggen: komt voor me bidden, weet je wel, allemaal rozenkrans murmelende vrouwtjes om haar heen of iets dergelijks. Wat zei Lidwina: ‘Dat is mijn lot’. In mij is de kracht, in mij is ondanks alles de vreugde en die wil ik delen. En de mensen wisten er geen raad mee. Iemand in de ellende, die nog blijmoedig is en nog blijheid en troost rond zich verspreidt, moet heilig zijn. Heilig misschien niet, maar ze had de waarheid gevonden. En zo kun je al die figuren nagaan in het christelijk geloof. Je kunt ze terugvinden bij sommige fanatici. Maar één ding is zeker: hun wereld was niet de wereld die anderen zagen.

En dan kun je terugdenken aan Ichnaton en zeggen: ja, maar ‘die man, godsdienstvernieuwer’… De man was te zeer geneigd – ja, vorstelijke opvoeding waarschijnlijk, om zijn wil aan een ander op te leggen, en daarom worden zo veel verwende kinderen later minister-president, – ja, niet in Nederland natuurlijk, hoor, daar hebben wij het niet over…

Maar realiseer je dat, hè. Die man die dacht: ja, mijn waarheid is het. En dus leg ik het even aan anderen op, had hij nooit moeten doen. Want hij bracht een vernieuwing. Zijn begrip van Aton was al het begrip van één God, die leven is, leven geeft, maar die ook gelijktijdig een verlossing in zich bergt. En hij leefde dat en hij heeft er heel veel in gewonnen, maar hij wilde anderen dwingen te geloven. Hij wilde anderen overtuigen en daaraan ging hij ten onder.

Onthoud één ding: Wie de waarheid vindt, leeft ze en deelt ze met anderen waar zij behoefte hebben, maar hij predikt niet. Delen met is goed, als je van de innerlijke waarheid uitgaat. Verkonden is fout. Waarom? Heel eenvoudig. Hoe meer je over iets praat dat in je leeft, hoe meer het woordbeeld de werkelijkheid vervangt en je verliest er zoveel bij. Denk niet dat je een geloof kunt uitdrukken. Denk niet dat je een innerlijke werkelijkheid ooit kunt weergeven of omschrijven, maar ze is er en ze is beleefbaar. Beleef ze. En vanuit dat beleven, en specifiek vanuit dit beleven, leef. Dan doorbreek je de illusiewereld. Dan zie je waar Maya weerkaatsing is van dwaasheid en waar ze uiteindelijk toch het weerkaatsende zelf is. En dan zie je dat Maya gelijktijdig de moeder van de waarheid is en de bron van alle leugen.

Als je zo kunt leven, heb je een sleutel gevonden die in de komende tijd wel eens heel goed van stade zou kunnen komen. Want de zekerheden van deze wereld brokkelen af. Het eens onaantastbare gezag van bepaalde kasten en standen en beroepen sikkert weg. En steeds weer overspoelt je het wantrouwen tegenover die wereld en haar beweringen. En je hebt een houvast nodig. Zoek in jezelf. Wie zijn innerlijke waarheid beleeft en uit dat beleven zijn wereld benadert, heeft de zekerheid die alle angsten bant, die alle begeren onbelangrijk maakt en daarmede de sleutel tot werkelijke bereiking.

En wanneer ú gelooft in vrede en harmonie, dan zal zelfs de natuur u anders benaderen. Dan zullen de dingen voor u net dat kleine beetje anders zijn, waardoor je kunt zeggen, ja, nu begin ik te begrijpen hoe er in mijn schijnbare wereld en werkelijkheid een grotere werkelijkheid is gelegen, waarvan ik delen heb leren kennen, delen die ik lang vergeten was. Maar die in mij opbloeien als fragmenten, een soort loodglasraam, samengevoegd uit tijden en gebeurtenissen, zodat ik de gestalte zie die ik moet zijn; en vanuit deze gestalte zie wat ik kan en moet volbrengen in deze tijd van bestaan.

  • Hoe ligt de relatie tussen voorstellingsvermogen en innerlijke werkelijkheid?

Het voorstellingsvermogen is meestal een uitvloeisel van een innerlijke werkelijkheid. En hoe eenvoudiger dus de innerlijke wereld eruit ziet, hoe simpeler men denkt dat de wereld buiten het ik is.

  • Zijn visualisatietechnieken in feite ook een soort schijnwerkelijkheidstechnieken?

Dat ligt eraan op welke basis men de visualisatie probeert door te voeren. Wanneer u uitgaat van een beeld dat in uzelf ontstaat en u probeert dat verder te visualiseren, dan vindt u een vertaling van een stukje innerlijke werkelijkheid. En de visualisatie, mits niet geïnterpreteerd en dat is erg belangrijk, kan u dan inderdaad een steunpunt worden, waarop u zich bij verdere visualisaties, meditaties en eventueel zelfs mystieke belevingen, kunt baseren.

  • Kun je je door een sterke innerlijke beleving ook verplaatsen in de tijd?

Lichamelijk niet. Voor zover mij bekend bestaan er nog geen technieken waardoor je werkelijk in de tijd kunt verplaatsen. Je kunt je wel in een soort uittreding in de tijd verplaatsen. Daarbij is erg belangrijk dat de tijdperken die men betreedt, vroeger al lichamelijk beleefd zijn. Met andere woorden, hier is reïncarnatie bepalend voor de tijdperken die betreden kunnen worden. De projectie naar de toekomst is eveneens mogelijk en wel op basis van het mogelijkheidspatroon dat men door zijn leven tot op dit ogenblik tot stand heeft gebracht.

  • Hangt mysticisme ten nauwste samen met de innerlijke werkelijkheid?

Op het ogenblik dat je probeert de mystiek uit te leggen, wordt het een van de bekende misleidingstechnieken die de mens voor zichzelf hanteert. Een ervan heet filosofie. Maar ja, wanneer het gaat om de mystieke beleving, dan hebben we inderdaad te maken met een beleving van een innerlijke werkelijkheid, waarbij dus een nieuwe realiteit beleefd wordt en eventueel later geprojecteerd kan worden op de eigen wereld.

  • Hoe zit het met de objectieve werkelijkheid, althans hoe ziet die objectieve werkelijkheid eruit; als energiepatronen van licht?

Een objectieve werkelijkheid bestaat niet, omdat elke zogenaamd objectieve werkelijkheid in feite een interpretatie is van constateerbare verschijnselen, terwijl het niet geconstateerde veel omvattender is. Een objectieve werkelijkheid, dat is een tafel, ik zet er een vinger op en die gaat er niet doorheen. Dat is objectief. De werkelijkheid is, hier is sprake van een moleculaire structuur, waarbij de onderlinge relatie tussen atomen plus hun onderlinge werveling bepalend zijn voor een uiterlijke gestalte, die in wezen voor negen-tiende uit leegte bestaat, waarschijnlijk meer. Ik zou dus in feite die vinger erdoor moeten kunnen drukken, maar ik kan dat niet. Zo simpel ligt dat.

  • Soms roept het naar buiten brengen van je innerlijke werkelijkheid agressie bij anderen op door de confrontatie. Is het dan niet toegeven aan de schijnwerkelijkheid van anderen, als je je minder direct, d.w.z. tactischer uit? Mensen kunnen vaak niet met conflicten omgaan, omdat ze vinden, dat alles koek en ei moet zijn.

Dat laatste is natuurlijk de grootste schijnwerkelijkheid die er bestaat; de wereld bestaat niet uit koek en ei, maar uit mensen die stinkeieren leggen en die anderen voor zoete koek willen aansmeren. Maar laten we het zo zeggen: een innerlijke werkelijkheid – ik heb het in mijn inleiding gezegd – moet niet verkondigd, maar moet beleefd worden. De grote ellende komt voort uit de behoefte die men heeft om de ander te confronteren met wat men zelf is. En dat moet men niet doen, men moet de ander niet confronteren ermee, met moet het eenvoudig zijn. En dan valt een groot gedeelte van die agressie toch wel weg.

  • Ja, maar dat zijn, dat kan toch confronterend werken op andere mensen?

Wanneer u op hun agressie reageert, dan krijgen we inderdaad het bekende verhaal: waar twee zwaarden elkaar ontmoeten, wordt een kanon geboren. Maar wanneer u dus niet agressief bent, u laat die ander in z’n eigen recht en u blijft alleen uw eigen innerlijke werkelijkheid uitleven. Dan geloof ik niet dat daar een blijvende agressiviteit van anderen door kan ontstaan, dan ontstaat gewenning.

  • ‘Al wat gij vragende begeert: bidt en het zal u gegeven worden’. Toch werd Jezus’ gebed: ‘Heer moge deze kelk aan mij voorbij gaan’, niet verhoord. Werkt het dus niet altijd?

In de zin van ‘als je iets werkelijk vraagt, krijg je het’, nee. Je krijgt namelijk nooit datgene waarom je vraagt in je eigen definitie, maar de essentie daarvan zoals ze in je persoonlijkheid is vastgelegd. Daarom bad Jezus ook anders. Hij zei niet alleen: ‘Laat deze kelk aan mij voorbijgaan’, maar hij voegde eraan toe: ‘Maar Heer, niet mijn, maar uw wil geschiede’, daarbij aangevende dat Hij voor zich een taak gevoelde, die vanuit het goddelijke werd voortgezet en voor zijn persoonlijkheid noodzakelijk was, zodat zijn menselijk aspect van angst daarbij onbelangrijk was. Het was: als het niet nodig is, doe het dan anders. Voldoende?

Men spreekt zo gemakkelijk over ‘de persoonlijkheid’, hetzij geestelijk, hetzij stoffelijk. ‘Onderzoekt u eerst eens goed, of deze wel bestaat’ (aldus Nisargadatta); zijn antwoord was: ‘Nee’. Ook Krishnamurti, Ramana Maharshi en andere wijzen ontkennen het werkelijk bestaan van een Atman (ziel). Is dit alles niet zo gek als het lijkt? Het heeft het grote voordeel dat alles sluitend is: één onveranderlijke waarheid; de rest: het ego en de ‘anderen’ en de vormen der buitenwereld zijn schijnbare scheppingen, tekeningen, van een uiteindelijk illusoire geest.

  • Het probleem: eenheid en dualiteit aan elkaar te plakken, valt weg: Er is eigenlijk geen dualiteit.

Het antwoord is eigenlijk heel eenvoudig: je kunt tegen de mens zeggen: wanneer je veren hebt, kun je vliegen, maar hij heeft geen veren. Je kunt tegen de mensen zeggen: je hebt niet echt een ziel, maar er is een kernkracht waaromheen zich een bewustzijn gegroepeerd heeft, geest genaamd. En het is die geest die een totaal eigen verwezenlijking mogelijk maakt van een deel van de totaliteit die in de kern, in zijn ziel aanwezig is. En dan is het heel leuk om te zeggen: het bestaat niet, maar zolang het ervaren wordt als bestaand, moet je er rekening mee houden. En aangezien je niet kunt bestaan met een bewustzijn zonder daarbij uit te gaan van een ik, moet je dus je ik leren kennen, d.w.z. het beschouwingspunt van waaruit je tot een bepaling van relaties met al het andere komt.

Ik geef toe, wanneer wij aan het einde van alle dingen zijn, ontstaat een punt waarbij wij opgaan in de totale kracht en dan blijken, met al hetgeen we geweest zijn en beleefd hebben, een functie te zijn van deze totale kracht, die hierdoor zichzelf a.h.w. voor zichzelf uitdrukt. Maar dat is een punt, dat ligt zover van onze mogelijkheden af, dat het gemakkelijk is ze te doceren, maar dat het moeilijk is om het zinvol te maken.

  • Een vergelijkbare vraag: ‘Wat je werkelijk bent, is alleen maar; wat kan worden waargenomen (een willekeurig object) ben je niet zelf, derhalve ben je noch het stoflichaam, noch het denken-voelen: ze zijn waarneembaar; deel van de wereld der verschijnselen (ofwel Maya). Commentaar hierop?

Daar ben ik het volledig mee eens, omdat de werkelijkheid niet omschrijfbaar is in onze wijze van ervaren en denken, die gebaseerd is op tegenstellingen, terwijl de werkelijkheid van het zijn voortvloeit uit onze eenheid met alle eenheid.

  • Als de wereld (zoals ze wordt waargenomen) onecht is, zijn haar zogenaamde wetmatigheden ook onecht? Is dit diepere wijsheid of schijnwaarheid?

Wanneer je zegt: de wetten zijn onecht, dan ga je uit van een niet bestaan daarvan. Wanneer je echter leeft als een persoonlijkheid en ervaart als een persoonlijkheid, ben je aan bepaalde wetten wel degelijk gebonden. U kunt tegen uzelf zeggen dat de zwaartekracht niet bestaat, maar als u tien kilo op uw teen laat vallen, dan geloof ik dat u zichzelf van het tegendeel overtuigt. U hebt een aantal voorstellingen, uit die voorstellingen komen wetmatigheden voort, die voor het geheel van het in de stof levende menselijke ras schijnbaar onaantastbaar zijn, ingeboren als een soort instinkt misschien, waardoor u automatisch aanneemt dat ze bestaan en dus niet kunt zeggen dat ze niet bestaan. Ook wanneer blijkt dat die wetten uiteindelijk maar een zeer onvolledige weergave zijn van iets wat je de structuur van het totale zijn zou kunnen noemen.

  • ‘God spiegelt zichzelf in de schepping’. Waar zit de spiegel? (Alles wat waargenomen wordt, zowel vormen, als eigen gedachten, gevoelens, moeten een spiegelbeeld zijn, ‘voor’ de spiegel zitten’)?

Ja, dat is dus een vergelijking die wordt gebruikt en zoals alle vergelijkingen is ze ten dele onjuist. Maar misschien kunt u het zich anders zo voorstellen, dan kunnen we het anders zeggen: ‘God droomt zichzelf en wij zijn de fragmenten van zijn droom’. Dan zit u dichter bij de werkelijkheid, omdat het gehele proces zich in feite in het totaal bewustzijn afspeelt, maar dit is tijdloos. En wij in tijd levende, kunnen ons dit niet voorstellen, zodat we weer de tegenstelling zoeken en zeggen: God staat dus los van zijn schepping, terwijl Hij deel is van het geheel ervan. Hij is de energie waardoor ze kan bestaan. En de schepping is de spiegel waarin Hij zichzelf beschouwt. Het is een mooi beeld en in het tegenstellingsdenken waarschijnlijk duidelijker dan de stelling: ‘God is de dromer die ons droomt en wij dromen in onze dromen datgene wat onze wereld in feite voor ons wordt’.

  • In de geestelijke wereld geldt: ‘Het denken (de voorstellingswereld) realiseert zichzelf. Geldt dit principe eigenlijk niet ook in de stoffelijke wereld, ook al willen we daar gevoelsmatig niet aan: ‘We denken de wereld – niet in de zin van dat het denken het universum op zich schept – maar de vormen, de tekening ervan (op de achtergrond van Zijn-Zelf). Dan is alles sluitend.

Alles sluitend makend met menselijke rede is onredelijk, omdat het menselijk redelijk vermogen plus kenvermogen nog niet één miljoenste deel van alle mogelijkheden en werkelijkheden omvat. Maar als u het sluitend wilt maken, kunt u het op elke manier doen die u wilt, mits u dit beseft. ‘In den beginne was het woord’, de uiting. ‘Het woord was God’, God is dus een uiting. ‘En het woord was van God’, het was een uiting die door God werd voortgebracht. En als je die dingen bij elkaar pakt, dan kun je daaruit concluderen: Er is iets dat zich uit voor ons of in ons of door ons, dat weten wij ook niet. Het is deze uiting welke het totaal van God, zover die voor ons benaderbaar is, representeert en voor óns is de uiting daardoor God geworden, omdat het het totaal van het voorstelbare omvat. En als u het zo bekijkt, dan heeft u het ook sluitend gemaakt. En dan hoeft u helemaal niet te zeggen: het is allemaal onecht of het is echt.

  • Ik zou u de volgende benadering willen voorstellen: Er bestaat een niet door ons constateerbare werkelijkheid, waaraan wij door ons denken en onze definitie inhoud geven, zodat ze uiteindelijk voor ons een beleefbare werkelijkheid wordt.

En dan bestaat er een heel bekend voorbeeld van: Oude zeevaarders dachten altijd dat de wereld plat was. Toch hadden zij op afstand andere schepen kunnen zien en kunnen ontdekken, dat eerst het topje van de mast zichtbaar wordt en dan pas de rest. Dat hebben ze kennelijk niet gezien. Was de wereld toen plat? Maar toen men eenmaal begon te denken dat de aarde rond was, ontdekte men dat verschijnsel. De stelling kwam eerst, daarna de constatering.

Als zodanig kan gesteld worden: Wij merken eerst datgene op in wat we werkelijkheid noemen, waar de gedachte ons op richt. Of er een werkelijkheid bestaat, kunnen we daardoor moeilijk zeggen, maar er moet een achtergrond zijn voor al die feiten die we door het denken, ontdekken.

  • Liefdevolle verstilde aandacht en rechtstreekse perceptie (niet gehinderd door gedachten, kennis, herinnering, angsten en begeerten) is nodig om zichzelf te kunnen doorgronden (Krishnamurti). Is het juist te stellen dat voor zelfinzicht derhalve geen kennis nodig is, maar voor het uiten daarvan wel?

Kennis is een vlechtwerk van menselijke waarden dat gebruikt moet worden als een membraan om een innerlijke werkelijkheid naar buiten toe kenbaar, hoorbaar te maken. Datgene wat in ons gebeurt en beseft wordt echter, onttrekt zich aan het denken, omdat onze werkelijkheid zoveel meer omvat dan datgene wat door denken omschrijfbaar is.

  • Veel mensen die zwaar gemarteld worden, gaan liever dood dan voort te willen bestaan. Is de behoefte aan ‘minimale aangenaamheidderhalve niet nog een fundamenteler behoefte dan de behoefte stoffelijk te willen leven?

De praktijk wijst uit dat daar waar angst bestaat de dood als een verlossing wordt gezien. Daar waar de angst intens genoeg is, wordt de dood gezocht. Daar waar de angst echter beheersbaar wordt of deels door hoop of verwachting wordt opgeheven, ontstaat levenswil. Levenswil is een bevestigingsbegeerte. Wanneer echter die bevestiging onmogelijk lijkt, ontstaat een doodsverlangen.

  • Op aarde worden ‘winnen en verliezen’ vaak als zeer belangrijk beschouwd; ook de behoefte zich boven een ander te voelen. Zijn dit slechts gedachten, schijnwaarheden?

Dat zijn schijnwaarheden. Want diegene die denkt dat hij een ander regeert, wordt in feite een slaaf van degenen die hij regeert, omdat zij bepalen wat hij kan zijn. Wie rijk wordt, heeft zoveel tijd nodig om zijn rijkdom te behouden en uit te breiden, dat hij geen mogelijkheid meer heeft om zichzelf volledig te beleven. En verliezen, als je verliest, kun je een illusie verliezen, ook omtrent jezelf – denk aan Dukakis -, maar je behoeft daarmee nog niet de werkelijkheid of je vrede of je geluk te verliezen. Winnen en verliezen zijn zaken die uit menselijke usance geboren zijn en die eigenlijk samenhangen met een overwaardering van macht en bezit.

  • Geestelijke leringen, hier gegeven, zijn vaak erg waardevol. Is in de stof stoffelijke veiligheid (voedsel, onderdak) echter niet nog belangrijker dan inzicht?

Wanneer je inzicht hebt, ben je veilig. Dan voed je, al is het met de lucht of met de dauw. M.a.w. waar de innerlijke vrijheid bereikt is, wordt het mogelijk het lichaam in zijn functies en alles aan te passen aan de werkelijke mogelijkheden die voor het lichaam bestaan. Het is de onbeheerstheid van het ik, in feite de gerichtheid naar buiten toe, waardoor de afhankelijkheid van allerhande voorwaarden is ontstaan. Deze echter is een dierlijk element en wordt als zodanig erfelijk als instinkt overgeleverd, zodat de levenspatronen van de voorouders mede bepalend zijn voor de oorspronkelijke benadering van het leven, door het laatstgeboren individu.

Wanneer dit individu zich echter weet te bevrijden, dan is de vraag of er nageslacht zal komen, betrekkelijk onbelangrijk – de waarschijnlijkheid lijkt mij niet groot – maar dan ontstaat een vrijheid en is men van vele stoffelijke zaken in wezen niet meer afhankelijk.

  • Alle geloofs- en denkrichtingen willen zo nodig een eigen huis of kerkgebouw. Ook Baha’u’llah riep de mensen op: ‘Het is uw plicht zo volmaakt mogelijke huizen te bouwen, deze te sieren en daarin uw Heer te verheerlijken’. Is dit alles geen uiterlijke schijn (en bovendien geldverspilling: men zou er beter de hongerigen mee kunnen voeden). Zijn tempels e.d. überhaupt wel nodig? Jezus, Boeddha en Krishnamurti predikten toch bij voorkeur in de buitenlucht?

Ja, dat komt omdat de volgelingen de geborgenheid en de bevestiging van hun belangrijkheid door het gebouw nodig hebben. In feite zijn kerken en dergelijke zaken verspilling. God heeft zijn tempel gebouwd voor u, de aarde waarop u leeft, de lucht boven u, Hij heeft ze gesierd met de wolken, ook met de bliksem en de regenbuien en Hij heeft schonere meubilering gevonden dan je ooit in een kerk kunt vinden; de bomen en de struiken en het gras, de bloemen. Maar wanneer je die vernietigt, dan zou je de mensen hun kerken ontnemen. Bouw ze dus een kerk – zeg dat dit het heiligdom is – en je bent in staat de natuur te vernietigen…Vergeeft u mij het wat bittere accent dat daarin ligt.

  • Men zegt vaak: ‘Men dient andermans mening of geloof te respecteren’. Maar sommige meningen en ook geloofsdogma’s zijn zo zot, die zijn niet te respecteren. Hoe dit op te vatten?

In bepaalde primitievere volkeren, zoals de indianen vroeger waren en zoals bijvoorbeeld bij de Arabieren nog steeds eigenlijk wel, zegt men: de nar is door God aangeraakt. Als u iemand ontmoet, waarvan u de meningen en overtuigingen absoluut belachelijk en dwaas vindt, denk bij uzelf: dit is een gek, God is de bron van zijn waanzin…!

  • Krishnamurti zegt: ‘Er is bewustzijn, er is zintuiglijkheid, er is het vermogen om beelden te vormen’. En dit alles vindt in het begin onder zulk een weerstand plaats, dat daardoor de illusie van een ego, een afzonderlijk ik, ontstaat. Daarna ontstaan dan gedachtes, als: ‘ik loop, ik denk, ik neem waar’. In feite allemaal denkbeeldige constructies, schijnwaarheid?

Als u de absolute tijdloze waarheid bedoelt, zijn die dingen inderdaad niet waar. Maar vergeet één ding niet: dat wat vanuit die waarheid is ontstaan, heeft een afzondering ondergaan die door de Waarheid en niet door een persoonlijk lot werd bepaald. Daarna ontstond inderdaad de erkenning van ‘dit ben ik’ en ‘dit ben ik niet’. En daaruit heeft zich al het andere, inclusief het persoonsbewustzijn, de persoonlijkheidskwaliteiten en eigenschappen, de verschillende voertuigen van de geest en ook de stoffelijke bezieldheid, uiteindelijk ontwikkeld.

  • In dezelfde lijn: zodra de mens zich ingebeeld heeft dat hij een afzonderlijke persoonlijkheid is, denkt hij dat hij kan ‘kiezen’, baas is over van alles en nog wat, ‘verantwoordelijk is voor’ etc. Ook allemaal fantasie in wezen? Alle activiteit en verantwoordelijkheid ligt bij God. De mens denkt dat hij de doener is…

Zolang de mens denkt dat hij de doener is, is hij voor zijn daden verantwoordelijk. Natuurlijk, ergens is een kracht die onze mogelijkheden bepaalt. Ergens is de weg vastgelegd die we moeten gaan. Maar hoe we ze gaan en op welke wijze, is iets wat wij door onze eigen relatie met het onvermijdelijke voor onszelf bepalen. De wijze waarop wij nu deze relatie aangaan, is onze verantwoordelijkheid, zolang wij ons als een afzonderlijk deel beschouwen.

  • In de Oneindige Eenheid (zonder grenzen) geldt: alles is Zijn-Zelf. In de dualiteit moet iets daarvan doorwerken: de fout, neiging van de ander is je eigen fout weerspiegeld e.d. Als de ‘ander’ (de zogenaamde ander) mijn ‘ik’ weerspiegelt (anders zou ik het niet eens kunnen herkennen), waarom schijnen sommige zogenaamde anderen dan toch echt verschillend van mijzelf, meer of minder egocentrisch?

Dat vraagt een antwoord van menige avond, maar om het heel simpel te stellen: Wat u aanhaalt is uit de Vedische filosofie. ‘Ik kan alleen datgene waarnemen wat ik kan herkennen. Wat ik kan herkennen is datgene waarin voor mij een beeld bestaat.

Zo is al datgene wat ik in de wereld buiten mij constateer, een weerspiegeling van datgene wat in mij leeft’. In deze zin spiegelt de wereld inderdaad mijn ik. Maar gelijktijdig kan ik in mijzelf gaande, mijzelf veranderen en mijn beeld van de wereld zal veranderen zonder dat ik kan constateren of die werkelijkheid daardoor ook voor anderen zich wijzigt. Wanneer alles deel is van een groot geheel, dan is dit buiten tijd en buiten ruimtelijke verhoudingen en afmetingen. Zolang ik daarmee leven moet, zal ik dus moeten constateren: datgene wat ik in anderen meen te zien, moet in mij ook bestaan, anders zou ik het niet herkennen.

  • Zou het niet zinvol zijn om kinderen op scholen al enig besef van het ‘ik-ben-bewustzijn’, oneindig levensbesef, bij te brengen in plaats van hen vol te stoppen met allerlei kennis wat tot het denken behoort en als zodanig beperkt is en beperkend werkt?

Van kinderen wordt verwacht dat ze uiteindelijk mensen worden die in een maatschappij kunnen functioneren. Zelfs daar waar geen scholen bestaan en de gemeenschap, de ouderen dus, in feite tijdens spel en waarneming de kinderen vormen en hun dus behandelen als een soort minder capaciteit bezittende volwassene, geldt ditzelfde principe. Opvoeding dient plaats te vinden in het gezin.

Scholing betekent het bijbrengen van die kennis die het kind nodig heeft om zich in de gemeenschap met begrip te kunnen bewegen. Het is niet de persoonlijkheid vormen, zoals men verkeerdelijk wel eens zegt; dat gebeurt in de huiselijke kring.

  • Is Rudolf Steiners ‘de driegeleding’ op maatschappelijk, economisch en sociaal vlak, op het menselijk lichaam, een diepere of schijnwaarheid? Zou een twee- of viergeleding net zo goed kunnen?

Het is een schijnwaarheid, omdat elke bepaling tot een gestipuleerd aantal factoren een groot aantal andere factoren en mogelijkheden verwaarloost. Als zodanig is het geen totale weergave van de werkelijkheid. Het is alleen een werkelijkheidsbenadering vanuit een bepaald denkbeeld of een bepaalde beleving.

  • De strijd om Sachalin is in de wereldgeschiedenis een even belangrijke gebeurtenis als de eerste of tweede wereldoorlog (hier eens gezegd). Is dit geen schijnwaarheid?

Wat is de eigenschap van een oorlog? Het denkbeeld dat mensen koesteren, dat zij het recht hebben om te bepalen hoe anderen moeten zijn. Is dit niet altijd het geval geweest? Het was zelfs bij de eerste stamoorlogen van de jagersvolken het geval. En het zal ongetwijfeld ook in de toekomst nog vele malen het geval zijn. U zult zien hoe het in Armenië op dit moment het geval is. Waar vrede en herleving mogelijk zouden zijn, zal vernietiging ontstaan, omdat men zijn eigen denken primair wil stellen en dit met geweld aan anderen wil opleggen, zijn eigen beeld van de waarheid ziet als het enige wat de moeite waard is. Vindt u dan dat het één minder belangrijk is of meer belangrijk dan het andere? Het is een weerkaatsing van de onjuistheid die in menselijk denken, geloven bestaat, een emotionele status die voortdurend door anderen ten eigen bate en eigen nutte wordt versterkt.

Doet – in hogere zin – niets er eigenlijk toe, zelfs in geval van een moordenaar of verkrachter? Hij maakt natuurlijk een slachtoffer, maar moet dit na de dood herbeleven en leert er uit; het slachtoffer leert er ook van; iedereen wordt er wijzer van…

Inclusief de politiemacht, de rechter enz. enz. Ik geloof niet dat je het zo kunt stellen. Je kunt zeggen: Alles komt erop aan en niets komt er op aan. Alles komt er op aan, wanneer we denken vanuit het ik-besef. Zodra wij als ‘ik’ niet meer bestaan, komt ook niets erop aan, omdat alle mogelijkheden bevat zijn in het geheel waartoe wij uiteindelijk behoren.

  • Men zegt wel (ook hier): het is beter zelf fouten te maken, dan het goed te hebben gedaan, maar op raad van anderen; is dit wel zo en waarom?

Dat is heel eenvoudig. Wanneer u uw eigen fouten maakt, kunt u zich niet aan de verantwoordelijkheid voor die fouten onttrekken. U zult er dus uit leren. Wanneer u echter de raad van anderen volgt ten goede of ten kwade, zult u, wanneer het ten kwade uitloopt, anderen de schuld geven van hetgeen u zelf hebt aangericht, terwijl u in het geval het goed gaat, uzelf verheft op datgene wat u niet als werkelijke waarde in uzelf bezit.

Ik zou nog kort een klein slotwoord willen zeggen, als u geen bezwaar hebt.

Wat is schijn? Een werkelijkheid die ik nog niet versta?

Of is een werkelijkheid juist dat wat ik wel onderga, maar niet erken.

Hoe het ook zij, zolang ik weet nog zelf te zijn, is werkelijkheid dat wat ik ben.

En door mijn zijn belevend Al, zal of misschien, toch zal een ogenblikje komen,

waarin in het einde van mijn dromen mijn waan, het ik, schijnt te vergaan.

En toch als deel van werkelijkheid blijft voortbestaan in de totaliteit.

Op die wijze kun je het onderwerp ook samenvatten. Ik heb getracht u inzicht te geven. Ik wil niet bepaalde leraren aanvallen of verdedigen. Maar ik zou u tenslotte na al die vragen dit willen zeggen:

Wat u filosofisch ook denkt, datgene wat u ervaart, is op dit ogenblik uw werkelijkheid. Zoek in die werkelijkheid te erkennen wat uzelf bent, zo goed als u kunt, aan te voelen wat voor u belangrijk is. En u zult daardoor meer werkelijk zijn en meer schijn ter zijde kunnen schuiven.