Schoonheid, wijsheid en kracht

image_pdf

13 januari 1961

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk zelfstandig na, dat is voor u veel beter. Immers, indien wij niet falen, is de mogelijkheid tot misverstand toch niet uitgesloten. Misverstaan, verkeerd begrijpen e.d., zouden tot geheel verkeerde en onaanvaardbare resultaten kunnen leiden. Op deze avond zou ik met u willen spreken over drie belangrijke waarden in het leven. Men noemt die wel: Schoonheid , wijsheid en kracht.

Schoonheid vinden wij in het totaal van de Schepping. Ik weet, dat er dingen zijn, die u niet mooi vindt, dingen, waarvan u de schoonheid of zin niet kunt beseffen. Begrijp goed, dat dit het gevolg is van een persoonlijke instelling. Alle dingen, die geschapen zijn, hebben in zichzelf een zeker ritme, een zekere melodie. Deze vinden wij evengoed in de sluipende jacht van een tijgerkat in de bossen, die een prooi wil bespringen, in het knetteren van bommen in een oorlog, als in het ploegen van een boer, de stilte van een middag, of het gerumoer van een grote stad. Er is altijd een zekere harmonie, die het kenteken, het wezen van de totale Schepping is. Het levensritme is voor ons een van de belangrijkste aanwijzingen voor de onmetelijke schoonheid van dit ritme, dit leven. Een nachtjager, die rustig in het middaguur ligt te zonnen, heeft een onvergetelijke schoonheid. De meest verscheurende dieren ontroeren ons, wanneer zij spelen met hun jongen, wanneer het daarvoor de tijd is; maar zij veranderen in glijdende machines van dood en destructie, zodra de avond begint te vallen. Dan brengen zij de dood aan anderen.

U, als mens, lijkt deze tegenstelling misschien wreed. Er is hier een tegenstelling, zo zegt u. Maar in het dier zelf is deze tegenstelling niet aanwezig. Dit alles maakt deel uit van het normale, het natuurlijke ritme, waarin het dier leeft. Het is als het ware met onzichtbare touwen gebonden aan de gang van de zon. Het kent een eigen en nauwkeurig afgebakend jachtterrein en heeft zeker ook een eigen, zij het beperkt, levensconcept. Hetzelfde kunnen wij zeggen over haast elke mens, ook al is deze misschien in uw ogen geheel verschillend van het verscheurende dier.
Ook de mens zal in grote delen van zijn leven onbewust een vast ritme volgen, dat voortvloeit uit zijn in harmonie zijn met grotere waarden en grotere krachten. Ik geloof, dat deze schoonheid zijn top bereikt op het ogenblik, dat de mens in zich een voortdurend contact met zijn God ontdekt en zo bewust het levensritme gaat doormaken. God leeft in alle dingen. Wanneer je in alles steeds weer het Goddelijke terug kunt vinden, blijkt ook voor de mens het vooroordeel van mooi en lelijk geheel weg te vallen. Daarvoor in de plaats toont zich de mens een kristallijnen structuur van de Schepping, waarin alles zijn vaste plaats heeft en zich beweegt langs vaste lijnen. Dan wordt de Schepping iets, dat flonkert in zichzelf en glanzend leeft als een diamant.

Het is deze schoonheid, die in het leven boven alle dingen belangrijk is. Maar hoe kan men deze schoonheid beleven, wanneer men geen besef heeft voor het levende. Het erkennen van de schoonheid van het Goddelijke, onverschillig of men deze uitgedrukt vindt in een ritueel, in het leven zelf, of de verschijnselen van de natuur: het blijft steeds gebonden aan het begrip van de waarnemer. Er moet wijsheid zijn om dit alles te beseffen.
Voor een dier is wijsheid niets anders dan een nauwkeurig kennen van zijn omgeving en de mogelijkheden, die daarin schuilen. Erfelijke waarden, uit het verleden opgekomen, hebben een vast gedragspatroon gesteld. Het dier heeft een eigen jachtgebied, dat het persoonlijk moet leren kennen in alle hoeken en gaten. Het moet weten, waar een prooi te vinden is en op welke tijden. Dit kan niet uit erfelijke waarden geleerd worden, doch komt voort uit persoonlijk ervaren. Ofschoon het dier zich niet af zal gaan vragen, waarom de tegenstander zich op deze of gene wijze pleegt te gedragen, zo weet het toch wel degelijk, wat het kan verwachten en reageert het op al deze gebeurtenissen en waarden op eigen en meest juiste manier.

Een mens die wijsheid zoekt, doet meer dan dit. Niet alleen kan hij kennis verwerven, die alles, zelfs het meest onbelangrijke omvat, wat in zijn leven kan bestaan, maar hij begrijpt ook de samenhangen, het waarom. De mens dringt door in de achtergronden van het gebeuren, leert het leven begrijpen, de mensen verstaan. Hij leert bovendien het schijnbare onrecht, dat schuilt in mens en natuur, te verdragen. Zelfs leert hij t.o.v. alle dingen weer steeds geheel rechtvaardig te zijn met een uitsluiten van eigen vooroordelen. De mens wordt dan wijs. Niet omdat hij zoveel weet, maar omdat hij, wetende in zich, beseft én daarbij zichzelf vergeten kan. Wanneer die wijsheid er is, heeft men natuurlijk reeds veel bereikt. De mens, die alle wijsheid van de wereld bezit, alles innerlijk beleeft, maar toch geen kracht heeft om dit voor zich te gebruiken, bereikt niets.

Stel, dat wij terugkeren tot het rijk van de dieren. Wij vinden daar bv. een oude leeuw, die ongetwijfeld nog dezelfde binding met de natuur heeft als vroeger. Het dier is ook wijs, want het heeft in de loop der tijden vele ervaringen opgedaan, weet, waar de prooi te vinden is, kent de gevaren, die het moet vrezen, weet waar te strijden en waar te vluchten. Maar het heeft voor dit laatste de kracht niet meer. Dat dier zal dan, ondanks alle kennis en wijsheid, vallen als slachtoffer van de omstandigheden. Een mens die in zich de grootste wijsheid draagt en steeds weer een eenheid met zijn God gevoelt, maar desondanks geen kracht bezit of vergaart, blijft een slappeling. Deze mens blijft de speelbal van de omstandigheden. Kracht is dan ook onontbeerlijk, wil men werkelijk tot een bereiken komen.

Nu zullen wij trachten het leven van de mensen te zien in verband met deze waarden. Vooropgesteld, dat men nu wel kan beweren, dat alle mensen gelijk moeten zijn en alle mensen evenwaardig en goed, maar dat dit onbereikbaar en onvoorstelbaar is, daar dit buiten de als menselijk aangeduide waarden en bewustzijnsnormen ligt. Men kan op aarde nu wel stellen, dat alle mensen gelijke mogelijkheden en rechten moeten hebben, ongeacht ras, stand, of huidskleur. Maar deze dingen brengen nu eenmaal verschillen met zich, die ook de mens niet opheffen kan. Verder mogen wij nooit vergeten, dat men, zo men al een bepaalde waarheid beseft en leven wil, reeds tot slachtoffer zal worden, wanneer men ook maar een weinig van zijn standpunt afwijkt om daardoor strijd of verlies van bepaalde voordelen te voorkomen. Reeds de kleinste afwijking van het als juist aangevoelde maakt de mens tot slachtoffer van de omstandigheden en ontneemt hem alle kracht en beheersing.

Bij het bezien van de voor de doorsnee mens meest belangrijke waarden, doen wij verstandig eerst van de stof uit te gaan. Dan kunnen wij constateren, dat de mens, evenals de dieren, uiteindelijk afhankelijk is van twee hoofdemoties: honger en seksualiteit. Dit is de hoofddrang in het leven. Deze dingen worden door de mens op de duur ondergebracht in andere reeksen van denkbeelden. Oppervlakkig gezien staat de mens dan ook ver boven deze dierlijke drijfveren. Maar de mens kan zich hiervan niet bevrijden. Evenals het dier is hij hieraan nog steeds lichamelijk gebonden.

Wanneer de maatschappij in elkaar stort en de mens blijft voor zich over, alleen in zijn strijd voor eigen belang, blijkt hij weer terug te vallen op deze twee waarden. Voor hem geldt dan weer boven alles: hoe krijg ik voldoende te eten? Hoe voldoe ik het beste aan mijn lusten?…. Na enige tijd zo geleefd te hebben, vraagt de mens dan zelfs niet verder meer. Dat klinkt niet erg fraai, maar is waar. Want de dierlijke emotie leeft in de mens. Hier hoeven wij niet te zoeken naar een kracht of naar wijsheid. Dit alles is ingeboren. Het is de basis geweest van de vele rassen, die in hun ontwikkeling uiteindelijk culmineerden in homo sapiens. Hier hoeven wij ook niet meer naar schoonheid – volgens menselijke begrippen – te gaan zoeken. De schoonheid, die in een dergelijk wezen nog bestaat, vloeit voort uit zijn gebonden zijn met de natuur. Er blijft ook dan nog iets, dat wij bewonderen kunnen. Maar het niveau, waarop dit alles afspeelt, is voor de mens niet meer aanvaardbaar.

Laat ons dan ook als eerste punt vaststellen, dat het zuiver stoffelijke niveau voor de mens minder belangrijk is, waar hij zijn mens-zijn juist dankt aan zijn vermogen zich boven zuiver stoffelijke normen en maatstaven te verheffen. Hoe is de mens dan wel boven deze maatstaven van het eenvoudige en stoffelijke leven verheven? De mens denkt, ongetwijfeld, maar er zijn zoveel wezens, die denken. De mens kan redeneren. Ook de apen doen dit, alleen is hun vocabulaire veel beperkter. Een mens filosofeert, maar wie zal u zeggen, dat een poes, die in de zon ligt te spinnen, op haar wijze ook niet filosofeert? Genoemde waarden zijn m.i. dan ook niet voldoende om de mens verheven te achten boven de andere schepselen in uw wereld. De mens kan iets, wat voor een dier duidelijk onmogelijk is: de mens kan leren zichzelf als van buitenaf te beschouwen. Het feit, dat je in staat bent jezelf in samenhang met de wereld te zien en niet alleen de wereld te beschouwen in samenhang met eigen begeren en eigen behoeften, vormt voor mij de scheidslijn tussen het dierlijke en het beginnend geestelijke.

Waar dit bewustzijn eenmaal aanwezig is, ontstaat ook een eigen en verborgen wereld. De verborgen wereld ligt voor een zeer groot deel nog in de stof. Zij vindt haar terrein in de gedachten, die – zo u weet – gelukkig nog geen tol hoeven te betalen. Gelukkig, want indien wij zien, welk een tol sommigen voor ondoordachte woorden moeten betalen, zal de tol voor de vrije gedachten eenvoudig voor niemand ooit te voldoen zijn. Dit verborgen deel van het Ik is dan de mogelijkheid tot verwerving van een werkelijke meerwaardigheid. Hier vormt men zich een beeld van de wereld, dat misschien niet reëel is, maar in ieder geval u leert anderen in hun ware – of bijna ware – gedaante te kennen. Daarin vormt u voor uzelf de mogelijkheid tot een ervaren te komen, dat niet alleen op lichamelijke behoeften, of de ritmen van de natuur zelf gebaseerd is. U vindt daarin een beperkte, maar wel degelijk bestaande stoffelijke vrijheid.

Daarnaast bestaan in de mens natuurlijk de vele geestelijke voertuigen, waarover al bij andere gelegenheden zeer veel is gezegd. Deze geestelijke voertuigen tezamen vormen een persoonlijkheid, die in staat is zichzelf te kennen als ego, maar ook als deel van een grotere gemeenschap. Verder is het de geest mogelijk eigen verhouding met de verschillende geestelijke bewustzijnsniveaus of sferen te beseffen en in zich deze sferen te hanteren. Dat is dan de mens, want in u zijn al deze mogelijkheden aanwezig en redelijk tot ontplooiing gekomen. U staat op de wereld en zoekt ongetwijfeld naar de volmaaktheid. Maar kunt u wel volmaakt zijn? Neen. De mens, die naar volmaaktheid streeft, streeft in feite naar iets, wat in huidige vorm en wezen voor hem onbereikbaar is. Volmaaktheid betekent namelijk tevens ook: alomvattend zijn, alle dingen in jezelf dragen. Iets, wat slechts op een enkel punt volmaakt is, zal daardoor waarschijnlijk in alle andere delen sterker onvolmaakt zijn. Stof is nu eenmaal niet volmaakt.

De beeldhouwer, die de ideale vorm wil uitdrukken, zal ontdekken, dat hij juist daardoor niet in staat zal zijn, voor deze vorm het meest ideale materiaal op de meest ideale wijze te gebruiken. Stel dan ook rustig, dat u als mens niet de mogelijkheid bezit in uzelf een werkelijke volmaaktheid reeds nu te bereiken. Een schoonheid, die alleen uit uzelf opbloeit, is dan ook niet voor u bereikbaar. Schoonheid kan op aarde en in vele sferen dan ook eerst ontstaan door de samenwerking van mens en mens, mens en geest, geest en geest. In deze samenwerking blijkt verder, dat het vaak noodzakelijk is grenzen, die mens tussen mens en mens, mens en geest en geest en geest pleegt te trekken, zoveel mogelijk moet doen wegvallen. Een grens zal altijd blijven bestaan, tot het einddoel is bereikt. Maar deze grens zal een smalle en gladde ruimte zijn. Denk aan een steen die zó glad wordt behouwen, dat bij een samenvoegen zonder verder bindmiddel, deze steen met een andere een eenheid schijnt te vormen t.o.v. de buitenwereld.

Ik spreek hier over een eenheid van geest en intentie. Voor het leven in de stof is het dan noodzakelijk, dat mens en mens zich aan elkaar zo goed en zuiver mogelijk aanpassen. Maar men mag zich niet bepalen tot het zich bij één enkele mens aanpassen, maar moet een dergelijke aanpassing trachten te vinden met geheel de mensheid. Er zal bv. altijd een verschil tussen blank en zwart blijven bestaan. U zult dit verschil nooit geheel teniet kunnen doen. Zelfs de laatste en meest wetenschappelijke theorieën over de uiteindelijke vermenging van alle rassen, geeft geen werkelijke oplossing voor de verschillen van ras kentekens tussen blank en zwart. Stel ik blank en zwart naast elkaar als een bruut contrast, zo schep ik strijd. In te grote blokken optredende verschillen is iets, dat strijd, onbegrip en wrevel wekt. Stel nu, dat deze kleuren als in steen, vooral in kalksteen, dooreen kunnen worden gemengd. Vergelijk dan een staaf gepolijst marmer, die geheel wit is met een staaf, die gevlamd zwart-wit is. U zult mij toegeven, dat, hoe mooi het smetteloze marmer ook is, het samengaan van twee kleuren en de daaruit ontstaande vlamspeling in juiste proporties, de tweede staaf een grotere en op de een of andere wijze meer natuurlijke schoonheid zal geven.

Zó is het ook met de mensen. Wij kunnen nimmer zeggen, dat  alle verschillen tussen de mensen weggevaagd zullen worden. Wij kunnen alleen stellen, dat, door de meest juiste wijze van samengaan de perfecte schoonheid, die ook in het mensdom aanwezig is, sterker tot uiting zal kunnen komen. Het is logisch, dat er tussen de mensen altijd verschillen zullen blijven bestaan van geloof, ras, huidskleur en politieke opvatting. Het is niet het geheel van de mensheid deze verschillen op te heffen. Zo hij dit al tot stand zou kunnen brengen, zou hij tevens een groot deel van de door God gegeven schoonheid uit het menselijke leven daarmee weg gaan vagen. De mens moet de verschillen erkennen, maar tevens beseffen, dat deze verschillen alleen bestaan om een uiteindelijke perfecte eenheid mogelijk te maken.
Neem België. Hier zien wij grote geschillen tussen de Nederlandse en Franstalige mensen. Nu kan men stellen: bestrijd elkaar, opdat een ieder zijn eigen rechten kan verwerven. Maar iedereen kan u in deze dagen reeds aantonen, dat een dergelijke scheiding tussen de taalgebieden een catastrofe zou worden voor het gehele land, dus voor beide groepen. Wanneer deze groepen leren hun eigen en zeer bijzondere kwaliteiten ten dienste te stellen aan de andere groepen en zo komen tot een samenwerking, waarin een ieder juist zijn persoonlijke mogelijkheden, eigenschappen en zelfs denkwijze inbrengt op de meest harmonische wijze, dan zal er een staat ontstaan, die veel productiever en veel sterker is dan mogelijk zou zijn zonder de verschillen, die nu de grote strijd voor het merendeel tot stand brengen.

Denk, van hier uitgaande, eens na en tracht dezelfde gedachtegang ook eens toe te passen op kerken. Stel, dat heel Nederland Luthers, Calvinistisch, Rooms e.d. zou zijn. Wanneer alle mensen in Nederland dezelfde opvattingen en gedachtegangen zouden hebben, zou het op de duur voor de mensen moeilijk worden om te blijven denken. Men zou het met elkaar eens zijn, of alleen strijden over punten, die van een zó klein belang zou zijn, dat er eerder van een pokdalig worden van de bestaande harmonie gesproken zou kunnen worden, dan van het scheppen van nieuw begrip of nieuwe waarden. In deze versuffing zou een langzame ondergang besloten zijn.

Stel nu, dat er twee kerken t.o.v. elkaar staan. Rome en de reformatie bv. Wanneer deze kerken tegenover elkaar staan, zullen zij elkaar veel te zeggen hebben. Wanneer zij als vijanden tegenover elkaar staan, zullen zij veel breken. Dan breekt o.m. het geloof van de mensen, die uiteindelijk toch door dit geloof de basis van dergelijke kerkelijke organisaties uit moeten maken. Stel nu, dat deze kerken zoveel mogelijk samengaan en toch elkaar steeds vriendelijk, maar vastberaden blijven wijzen op alle onjuistheden, die zij in de tegenstander ontdekken. Niet zozeer de punten, waarin de kerken onjuist in de leer zijn, maar vooral, waar zij onjuist handelen. Dan wordt, door deze wederzijdse correctie, een geheel opgebouwd, waardoor op de duur de reformatie onmisbaar wordt voor de groei van Rome, zoals Rome onmisbaar zal blijken te zijn voor een verdere groei en ontwikkeling in de Reformatie.

Deze schoonheid van harmonie, deze schoonheid van samenwerken en samengaan, is wel het deel van de kosmische schoonheid, dat voor de mensheid het meest direct tot uiting kan komen. Het wegstappen over geschillen, het begrijpen, dat er bepaalde dingen zijn, die je beter kunt laten rusten, zoals politiek en religieuze geschillen, maar dat een gezamenlijk en met open oog voor elkander, komen tot een juist en rechtvaardig leven betekent, dat men het paradijs op aarde herschept. Dan worden alle mensen delen van een groot geheel, bewust en levend. De schoonheid kan op aarde, ook voor de mens, haast volledig geopenbaard worden. Maar dit reikt nog verder wanneer de mens t.o.v. de mens de juiste inhoud en betekenis van het leven erkent, vol verdraagzaamheid, maar ook met naastenliefde en gezond begrip voor al, wat wel en niet mag, zal de mens ook beter staan ten opzichte van bv. de dierenwereld.

Op het ogenblik hebben wij aan de ene zijde te maken met een dierenverheerlijking, waarbij het dier in de ogen van velen verstandiger, trouwer en schoner is dan de mens, aan de andere zijde een volkomen misachting van het eigen leven van het dier, dat wordt beschouwd als een soort gebruiksvoorwerp. De mens komt tot deze standpunten om zo zijn eigen geschillen uit te kunnen leven. Degene, die het dier verheerlijkt, haat in wezen de mensen en vertrouwt hen niet. Daarom noemt men het dier, dat het gestelde vertrouwen althans niet met woorden kan beschamen, in de plaats van de volmaaktere mens, die men zoekt.
Degene, die het dier vertrapt, doet dit in de meeste gevallen eveneens, omdat hij de mensheid haat en de mensen op dezelfde wijze zou willen kwetsen en mishandelen, maar slechts op het dier zijn lusten durft bot te vieren. Neem haat en wantrouwen tussen de mensen weg en er bestaat een juist begrip in geheel de mensheid voor de jongere wezens, de dieren. Een gezonde, realistische, maar van beide zijden ook geheel harmonische verhouding.

In deze wereld zouden ook de patronen, die God aan de wereld wel oplegt, beter tot uiting komen, zoals de impulsen, die de aarde op haar as doen draaien en tollen, de wisselingen van warmte en koude die gaat van een ijstijd tot een periode, dat haast geheel de wereld tropisch is. Deze tendenzen zouden dan beter tot hun recht komen en in juister overeenstemming zijn met alles, wat de mens wil en moet bereiken tijdens zijn leven op aarde. Door het kenbaar maken van de kosmische harmonie kan ook de mens de kosmische schoonheid op aarde herscheppen. Hij mag daarbij het begrip van eenheid van de mensen, de waardigheid van alle individuen en de band, die tussen al het geschapene bestaat, nimmer uit het oog verliezen. Hiervoor is een steeds groeiend begrip en een steeds verder gaande zelfkennis noodzakelijk.

Hiermee komen wij dan tot de rol die de wijsheid speelt in het bestaan van de mensheid. Over wijsheid sprekende zou ik u, mens van heden, vele bittere vragen kunnen stellen. Is het wijs om, wanneer je vrede wenst, waan te schoppen, die geheel de wereld kan vernietigen, terwijl in haast iedere mens de zekerheid leeft, dat er ergens op de wereld altijd nog wel dwazen te vinden zijn, die geweld wensen? Is het wijs, dat de mensen de ogen sluiten voor een steeds afnemen van het gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid, een steeds verminderend plichtsgevoel, terwijl men gelijktijdig droomt van een volmaakte maatschappij? Wanneer ik de mensen zie en opmerk, dat zij vele dingen doen, die ik zelfs in een stoffelijke vorm nooit zou willen en kunnen doen, dien ik die mensen daarom dan te veroordelen? Dit zou dwaasheid zijn. Ik zou trachten te begrijpen, wat de motieven van die handelingen zijn.

Wijs is het bv., wanneer – om een stoffelijk voorbeeld te nemen – bij een geval, dat berecht wordt, de raad van een psychiater in te winnen. Deze mens zal zeggen: wij vinden bepaalde geestelijke motieven voor de daad. Er is dus geen sprake van een volle aansprakelijkheid, daar een innerlijke drang aanleiding werd tot de afwijking. De motivering zal u verder zeggen, dat een dergelijke motivering van een daad nooit als een verontschuldiging zal kunnen worden aanvaard. Want de maatschappij moet beveiligd worden. Te zeggen, dat men hier niet mag straffen, komt gelijk met de verklaring, dat een chirurg ziek weefsel niet mag verwijderen, niet mag opereren, omdat de ziekte van het weefsel immers niet aan het zieke weefsel alleen te wijten is.
De wijze zal stellen: de ziekte van de persoon erkennende en deze aan het normale strafproces onderwerpende, zal ik van de tijd, dat deze straf loopt, gebruik maken om de ziekte nader te onderzoeken, te bestrijden en te genezen, of te beslissen, of een algehele afzondering van de zieke mens noodzakelijk is. Door deze oplossing is men rechtvaardig, handelt men in het belang van alle partijen en worden de verhoudingen juister.

De hoofdwaarde, die wij steeds weer treffen, wanneer wijsheid ter sprake komt, is steeds weer de vraag: waarom? Het is mogelijk om op elk waarom een antwoord te vinden. Dit geldt ook voor ons in de geest. Wel is het mogelijk deze vraag steeds weer te stellen en – althans zoveel mogelijk – antwoorden op deze vraag te vinden. Wie de redenen kent van het gebeuren, zal de samenhang begrijpen. Wie de samenhangen begrijpt, weet ook, hoe hij een probleem op moet lossen. Een voorbeeld van wijsheid vinden wij in een ver verleden.

Er was in die dagen een swami, een zeer heilig man, die tussen 2 strijdende partijen kwam te staan. Omdat hij zeer heilig was en zeer geacht, zonden beide partijen een bode om de heilige te zeggen: “Swami, het is tijd, dat gij heengaat. Want zo dadelijk zal hier een veldslag ontbranden, waarin uw kostbaar leven in gevaar zou komen”.

“Ik voel mij te zwak. Blijf dus bij mij en bescherm mij, maar als heilig man mag ik geen wapens dragen. Leg dus uw wapenen neer, zolang gij mij beschermt”!

In de twee legerkampen nam men dit waar en verwonderde zich. Men zond hoger geplaatsten, opdat de swami zich niet door de geringheid van de boden misschien beledigd zou achten. De heilige behandelde ook deze op dezelfde wijze, ook zij konden zijn verzoek niet weerstaan. Het uur voor de slag was reeds gekomen. Daarom besloten beide legeraanvoerders met een kleine lijfwacht naar de heilige te gaan en hem te verzoeken heen te gaan. Ook zij werden op dezelfde wijze ontvangen; ook zij konden niet weigeren de heilige te beschermen, ook zij legden de wapens neer. Daarop schreed de swami langzaam verder. Maar zij, die beloofd hadden hem te beschermen, gingen een eind mee met hem. Buiten gevaar gekomen verzocht de heilige aan de boden en hoogwaardigheidsbekleders hem een vuur te maken en enig voedsel te zoeken. De beide vorsten verzocht hij hem duidelijk te maken, waarom zij wilden strijden en vele mensenlevens in gevaar brengen. De beide legers hebben nooit gevochten, want al sprekende wisten beide legeraanvoerders uiteindelijk, hoe het geschil werkelijk was ontstaan. Met deze kennis was het hen mogelijk op vreedzame wijze alles, wat hen tot vijanden had gemaakt, op te lossen.

In dit voorbeeld van wijsheid treden verschillende gebeurtenissen en feiten wel sterk naar voren. Wanneer de heilige niet zeker was geweest, dat men zijn leven wilde sparen, zou hij deze wijze van ingrijpen niet gekozen hebben. Hij had dus begrip voor de mentaliteit van die mensen. Wanneer hij niet had geweten invloed uit te kunnen oefenen op alle boden, die tot hem zouden komen, zou hij in zijn opzet niet geslaagd zijn. Hij slaagde in het handhaven van de vrede, doordat hij zijn medemensen begreep. Ook wist hij, dat alle menselijke en vele geestelijke geschillen opgelost kunnen worden, wanneer men bereid is deze met de tegenpartij te bespreken, zonder te eisen dat men tevens zelf de opperste rechter zal zijn. Het bewijs van macht, dat de swami gaf, door beide partijen naar hun wil te vragen, maakte het mogelijk, dat het geschil werd besproken met een wederzijds begrip voor en ook grote eerbied voor het oordeel en de woorden van de machtige en onpartijdige rechter, de swami. Daardoor werd in dit geval de vrede mogelijk.

Aan vrede heeft de mens vaak te kort, zelfs wanneer de mens beschikking heeft over grote schatkamers vol wijsheid. Laat ons hierbij eens denken aan grote boeken als bv. de Bijbel, de oude werken en openbaring van Egypte, de leerdichten en werken van Indië, de grootse gedachten van grootmeesters van de filosofie in China. Al deze werken zijn voor de mens toegankelijk. Al dit bezit van de wijsheid is voor een ieder beschikbaar. Daarnaast heeft de wereld de werken van de moderne wetenschap en de daaruit voortkomende gedachtegangen, die het een ieder mogelijk maken iets van de macrokosmos te begrijpen en zelfs in gedachten het Al te doorkruisen. Maar worden de mensen daardoor wijzer en verstandiger? In deze werken ligt onnoemelijk veel wijsheid geborgen. Maar werkelijk wijs worden kun je alleen, wanneer je niet alleen de feiten kent, maar deze ook wilt leren gebruiken om anderen te leren begrijpen en een steeds groter besef voor hun feitelijke waarden en inhoud te verwerven.

Denk hierbij eens aan de Christusgeest en de vele grote leraren, die als dragers daarvan op de wereld zijn gekomen, mensen, die lange tijd het hoog geestelijk Zijn zich ontzegd hebben en stoffelijke vorm aannamen om aan anderen inzicht in de Goddelijke wil en de kosmische waarheid te geven. God is met ons en geeft ons wijsheid. Maar wij mogen aan de wijsheid niet zuiver stoffelijke maatstaven aanleggen.
De werkelijke wijsheid bestaat uit het overbrengen van de stoffelijke kennis en waarnemingen naar een zodanig geestelijk plan, dat bij het aanschouwen van de waarden en omstandigheden, de belangen van het eigen en stoffelijke Ik tijdelijk verwaarloosd kunnen worden. Daardoor leert men anderen begrijpen en met hen samenwerken. Dit voert altijd – ongeacht de redenen, die tot de samenwerking voeren – tot wijsheid. Alle strijd, die naar buiten is gericht, voert tot waan. Door de strijd ontstaat wel een vorm van wijsheid, maar deze kan niet aan zichzelf worden getoetst zonder meer en groeit daarom, zonder mogelijkheid tot onderzoek en correctie, steeds verder in een enkele richting.

U zult begrijpen, dat de wereld van heden aan kosmische wijsheid een zeer grote behoefte heeft. Deze behoefte gaat zelfs verder dan menigeen denkt: zoals de werkgever begrip moet hebben voor de behoeften en verlangens van zijn werknemers, zo moet elke werknemer – en niet alleen de leider van een bond – begrip hebben voor het standpunt en de behoeften van de werkgever. Zoals de staat werkelijk begrip moet hebben voor de behoeften van alle onderdanen, zo zullen alle onderdanen op hun beurt begrip moeten hebben voor alle behoeften, die het wezen van een staat nu eenmaal als noodzaak met zich voert. Dit gaat heel ver: als voetganger zult u moeten begrijpen, hoe een automobilist achter het stuur, het verkeer ziet. Maar als automobilist moet je ook begrijpen, hoe een voetganger zich gevoelt. Het is gemakkelijker op elkaar te mopperen, dan begrip voor elkaar te tonen, dat is waar. Maar gebrek aan begrip, aan wijsheid, is aansprakelijk voor de vele doden in het verkeer. Besef dit wel! Wijsheid is nodig om vrede in de wereld te brengen, de wegen veilig te maken, de kinderen juist op te voeden, de juiste sleutels voor een geestelijke bewustwording te vinden. Wijsheid is altijd en overal nodig.

Op de kermissen kent men een kop van Jut. Het doel van deze inrichting is eigen kracht ter bewondering voor anderen te demonstreren. Ik ben bang, dat velen kracht als een noodzakelijk te demonstreren eigenschap zien. “Indien Castro ons niet respecteert, zo zullen wij onze kracht tonen.” “Wij, burgers van Cuba, laten ons niet langer exploiteren. Wij zijn sterk… Indien men die kracht niet wil erkennen, zullen wij deze in geweld bewijzen…”

De politieke kop van Jut. Wat bereikt men, wanneer men geweld gebruikt? Krachten, die tegen elkaar gericht worden, heffen elkaar altijd, voor een groot deel op, of zelfs geheel. Wanneer u ver weg wilt komen, kunt u een stoel op wielen een zeker momentum geven. Indien een ander hetzelfde doet in tegenovergestelde richting en beide stoelen met elkaar in botsing komen, is er geen werkelijke vordering, maar een vernietigen van de mogelijkheid tot vooruitgang. Geweld is dan ook nogal kinderlijk. Al te vaak kan men vaststellen, dat zij, die werkelijke kracht bezitten, deze niet in samenwerking met anderen – ook zwakkeren – zo harmonisch mogelijk gebruiken, maar juist tegen anderen richten, die hen te sterk lijken. Dat geschiedt bij u thuis evenzeer als in de UNO.

Mensen, die, als Franciscus van Assisi, de eenheid met dier en plant, zon en wereld zouden kunnen vinden, gebruiken hun krachten maar al te vaak alleen om anderen hun fouten voor te houden, in deze anderen om deze fouten te bestrijden. Zij komen daardoor geestelijk noch stoffelijk verder. Dit is in feite krachtmisbruik. Kracht op zich is goed, maar beter een paar mensen met weinig krachten, die oprecht en eerlijk samenwerken voor hetzelfde doel, dan honderden sterke mensen, die slechts voor zich streven en daardoor, elkaar steeds tegen- werken.

Degenen, die samenwerken, brengen het altijd verder. Kracht betekent natuurlijk ook wil, bewustzijn en besef. Wéten, wat je wilt. Zeker, maar dan ook weten, dat het doel zelf het belangrijkste is en al het andere daarvoor terzijde zetten. Indien de mensen eens alleen het doel voor ogen zouden houden en al hun krachten gezamenlijk willen gebruiken tot het verkrijgen van een blijvende wereldvrede, het verhogen van het levenspeil van alle mensen, het bestrijden van alle crisisverschijnselen, zouden zij onnoemelijk veel kunnen bereiken. Daarvoor is het noodzakelijk niet reeds aan het begin en voor altijd te bepalen: “Alleen op deze wijze zullen wij werken”, maar dient men te stellen: “Wij allen zijn mensen. Laat ons hierin dus samen gaan. Laat ons beginnen”.

De kracht, die de mensheid als geheel bezit, is praktisch onmetelijk. Indien wij het vermogen van geheel de mensheid uit zouden willen drukken in telepathisch vermogen, dus het direct overbrengen van gedachten, zou men van de aarde uit, gedachten ongeveer over kunnen brengen, tot een planeet aan de buitenzijde van de nevel, die in het beeld “De Zwaan” ligt. Wanneer de gedachtekracht van de mensheid tot één geheel samengebundeld zou worden, zou deze voldoende zijn om de maan een willekeurige andere baan binnen het zonnestelsel te geven, of de afstand van de aarde tot de zon aanmerkelijk te wijzigen. Dit is heel wat en toch spreken wij nu alleen maar over de kracht van de menselijke gedachte en alles, wat daaruit voort kan komen.

Als alle mensen de kracht van hun gedachten, hun begeren naar vrede, geluk en rust samen zouden kunnen voegen, zonder daarbij een bepaalde weg tot bereiking te bepalen, zou alleen hierdoor, zonder verdere gevolgen te rekenen, haast ogenblikkelijk bijna 99/100 van alle zieken op aarde geheel genezen. Maar de gedachtekracht van de mensheid wordt niet zó gebruikt, zij blijft altijd weer versnipperd. Wanneer de mensen samen zouden besluiten om, ongeacht politieke en religieuze verschillen, er zorg voor te dragen, dat geen enkele mens op aarde honger hoeft te lijden, dan is het mogelijk binnen 3 ½ jaar een zodanige herverdeling aan bezit en welvaart tot stand te brengen, dat alle mensen daaraan ruim voldoende zouden hebben, ongeacht het hoge bevolkingsaantal in deze tijd. Wanneer alle mensen op aarde samen zouden besluiten een voertuig te bouwen, dat naar de sterren – niet de planeten – kan reizen en daarvan ook weer terug keren, zou dit, gezien de aanwezige middelen, de geniale gedachten, die op aarde leven en de vakkennis, waarover men beschikt, niet meer dan 9 à 10 jaren vergen. Binnen vijf jaren zouden de mensen, indien zij samen zouden werken geheel de Sahara om kunnen toveren tot een vruchtbaar gebied.

Ik spreek nu alleen over alles, wat de mensheid met de nu in haar aanwezige krachten kan doen en spreek niet eens over alles, wat men tot stand zou kan brengen, wanneer men zich bij het gebruik van die krachten bovendien eensgezind op God zou gaan beroepen. De mogelijkheden, die voor de mensheid bestaan, wanneer zij zich als eenheid en met geheel haar wezen op de hoogste krachten zou beroepen, is voor mij niet te omschrijven. De mogelijkheden worden dan onvoorstelbaar en onmetelijk. Er is zeker kracht genoeg in de mensheid om het doel, dat de Eeuwige voor de mensheid heeft gesteld, te verwerkelijken binnen zeer korte tijd. Zolang de kracht verdeeld blijft, zolang de mensheid tegen zichzelf verdeeld is en grote delen van haar potentie niet gerealiseerd worden, zal de mensheid blijven, wat zij is en ternauwernood zich aan haar chaos ontworstelen, en tot enig bewustzijn misschien op kunnen klimmen.

Ik noem enkele fouten: vele mensen verklaren wel, dat zij dit of dat willen, maar hebben niet de moed daaraan werkelijk te beginnen, daaraan zelf werkelijk iets te doen. Er is onder de mensen een groot gebrek aan wilskracht. De krachten, die daardoor niet gericht gebruikt kunnen worden, verbruikt men toch, maar nu zonder dat eigen wil, bewustzijn, of streven daar iets mede van doen hebben, daaraan ook maar enige voor de bewustwording van de mens noodzakelijke inhoud geven. Ten tweede wil een groot deel van de mensheid zich alleen inspannen om zijn krachten te geven, wanneer zij meent voor zich persoonlijk daarin enige mogelijkheid tot winst te vinden. Of dit geestelijk of stoffelijk geschiedt, kan buiten beschouwing blijven, want de een geeft zijn krachten om een plaats in de hemel te verwerven voor zich, terwijl een ander alleen bereid is zijn krachten in te zetten om zich op aarde een buitenplaats te kunnen kopen. Hoe het ook zij: zolang wij alleen met een bepaald doel voor onszelf onze krachten gebruiken, zullen wij in conflict met anderen komen, of – bij een gelijkheid van streven – trachten sneller dan anderen te zijn. Het gevolg is, dat hetgeen door allen tezamen met zeer weinig inspanning volbracht zou kunnen worden, door de eenling niet – of bijna niet – bereikt kan worden.

Hieruit zal u duidelijk zijn geworden, dat de mensheid als geheel, zijn krachten en bewustzijn op het ogenblik niet juist gebruikt. U zult zich afvragen: wat moet ik dan gaan doen? Het is wel mooi, dat u over deze hoge zaken spreekt, maar voor ons is belangrijker, wat wij kunnen doen…. .

Ik zal trachten u enkele richtlijnen te geven: Wanneer u iets verlangt, vraag u dan af, of het alleen goed is voor uzelf, of goed voor allen, die u kent. Kunt u op het laatste “ja” zeggen, begin er dan aan. Vraag niet, of u het wel zult kunnen volbrengen. Begin er aan en u zult zien, dat u het werkelijk volbrengen kunt. Vraag u nooit af, wat een ander zal gaan doen, maar handel altijd zelf. Vraag u nooit af, of een ander u lief heeft, heb anderen lief. Dit laatste in de zin van naastenliefde. Het gaat er niet om, of anderen u liefhebben, het gaat er voor u alleen om, of u uw naasten werkelijk lief kunt hebben. Het gaat er ook niet om, of anderen u verdragen, maar of u in staat bent van anderen veel te verdragen. Zorg er steeds voor, dat van uw zijde uit, alles klopt. Aarzel niet, ook wanneer u bang bent belachelijk te worden, of in uw vingers te snijden, te doen, wat u werkelijk goed lijkt. Laat de kracht, die stoffelijk en geestelijk in u bestaat, niet teloor gaan. Verspil de krachten van lichaam, denken en geest niet aan allerhande onbelangrijke ontegenstrijdige dingen.

Wat wijsheid betreft: tracht niet onmiddellijk de kosmos te begrijpen, maar tracht te begrijpen, wat uw medemensen tot hun daden brengt, tracht te begrijpen, waar de belangrijke problemen van uw medemensen schuilen. Zo zult u meer wijsheid kunnen verwerven in het leven, dan uit alle filosofische werken ter wereld tezamen. Eerst wanneer u deze dingen werkelijk zoekt en begrijpt en nog tijd over houdt, kunt u zich op grotere problemen gaan werpen.

Ten laatste, maar zeker niet ten leste, zoek de schoonheid in het leven. Niet uw schoonheid, maar het begrip van de harmonie die in alle dingen leeft. Zie het ritme, dat evengoed in uzelf ligt, in storm en regenvlagen, als in de windstilte. Droom niet alleen van gestalten in de wolken, maar zie, hoe het wezen van de wereld zich steeds weer – van minuut tot minuut – verandert. Zie bv. hoe een straat binnen enkele minuten haar gehele aanzien wijzigt, hoe zij zich als een kat in de zon schijnt uit te rekken, om een ogenblik later bedrijvig te zijn als het gaan van mieren. Tracht aan te voelen, hoe zelfs in het gaan van mensen in een straat, een harmonie tot uiting komt, een melodie weerklinkt, die kosmisch is. Tracht te beseffen, hoe alle schijnbaar onafhankelijke dingen zich samen voegen tot een machtig geheel. Begrijp, hoe schoon de wereld, hoe schoon de Schepping is. Indien u de voorgaande regels ook maar ten halve op weet te volgen, vrienden, hebt u m.i. alles gedaan om in een stoffelijk leven voor de mensen een betere wereld te scheppen, voor uzelf een beter begrip en voor uw geest een betere mogelijkheid om – reeds tijdens het stoffelijk bestaan – uw geest vrijelijk op te doen gaan naar hogere werelden.

Vragen

  • In het begin spreekt u over schoonheid als bv. in een oorlog, een kristallijnen structuur. Dit abstraheert dan het menselijke begrip van schoonheid. Later spreekt u over stoffelijke schoonheid. Deze begrippen dekken m.i. elkaar niet geheel.

Dit is juist. Vergeet één ding niet. Wanneer wij uitgaan van de kosmische harmonie, de kosmische schoonheid, dan gaan wij tevens uit van iets, wat voor de doorsnee mens niet werkelijk voorstelbaar is. Toch spreek ik hierbij van schoonheid, omdat de waarde van dit woord voor mij betekent: perfecte harmonie, openbaring, beleving en zelfs een zekere eenheid. Schoonheid is voor mij iets wat je kunt absorberen, tot het deel uitmaakt van je eigen wezen. In deze zin gebruikte ik het woord, dat dus ook het totaal kosmische voor mij inhoudt, maar tevens alles, wat uit dit totaal kosmische voor anderen voort kan vloeien. In mijn poging om geheel menselijk te denken, stel ik, dat als mens deze schoonheid, deze abstracte waarde, die wij kristallijnen structuur hebben genoemd, niet geheel ervaarbaar zal zijn. Daarom tracht ik het geheel tevens terug te brengen tot kleinere en meer menselijke waarden. Vergelijk de kristallijnen structuur met een diamant. Wanneer deze fonkelt, is dit leven juist hetgeen voor de mens het meest kenbaar is en hem het meest aantrekt. Dit is niet de structuur zelf, doch het invallen van het Licht, dat gebroken de mens bereikt.

Gods Licht bereikt m.i. de mens hoofdzakelijk als een kenbaar verschijnsel in het stoffelijke leven, niet als een kennen van de Goddelijke, of kosmische structuur zelf. De gebroken lichtstraal die de mens bereikt door de voor hem niet te vatten structuur van de kosmische schoonheid, is dan het verschijnsel op de straat e.d., waarop ik de nadruk heb gelegd. Voor mij is er toch wel een verband. Slechts door zich innerlijk geheel te verzinken in de grote kracht en zich geheel van eigen leven af te zonderen kan men zich verzinken in de werkelijke kosmische schoonheid, die verder gaat dan de regel daarvan in de verschijnselen, waarop je alleen maar hoeft te letten. Mijn inziens zal de mens, die dergelijke kleine en onbelangrijke manifestaties van schoonheid in zich leert te bevatten, tevens op de duur in staat zijn iets meer te bevatten van de meer abstracte en kosmische werkelijke Goddelijke Schoonheid.

  • U zegt schoonheid in de oorlog enz. Voor mij is dit slechts chaos en tegenstrijdig.

Voor u kan dit chaotisch lijken. Vergelijk: het vuur in een open haard. Dit is een proces van ontbinding. Toch worden daaruit nieuwe elementen geboren. De schijnbare chaos wordt voor u tot schoonheid, omdat u als mens geen deel hebt aan het verval. Bij oorlog bent u hierbij zelf mede betrokken. Het overzien van het geheel maakt u bewust van de schoonheid. Het zien van de details alleen, zonder de samenhang, maakt het onmogelijk de ware schoonheid te zien. Wie in oorlog, ramp en geweld alleen de chaos ziet, beseft niet dat dit alles samenhangt en door een vaste wil tot uiteindelijke oplossing wordt gebracht door hogere krachten. De wijze waarop men de dingen beschouwt, bepaalt of men dit zelf als schoon zal zien. Niet de werkelijke waarde of betekenis.

Vergeet niet dat oorlog en strijd wel degelijk een rol spelen bij de ontwikkeling van de mensheid op de wereld. Wanneer een eerste wereldoorlog niet plaats zou hebben gevonden, zou het kolonialisme op het ogenblik nog een overheersende factor op de wereld zijn. Zonder een tweede wereldoorlog zouden sociale hervormingen, die u nu normaal vindt, nog lang op zich hebben laten wachten. De schoonheid van het geweld is dan ook vaak te vergelijken met het wonder, met de schoonheid van een geboorteproces. Verder blijken oorlog en geweld het vermogen tot zelfopoffering van de mens en het begrip van eenheid, althans in beperkte groepen, aanmerkelijk te bevorderen. Ook dit geeft ons beelden van een vaak onvergelijkelijke geestelijke schoonheid. Ook trouw toont juist, in schijnbaar ongeluk en strijd, vaak haar schoonste en haast bovenmenselijke facetten.

  • Waarom u dan steeds weer keren tegen oorlog en geweld?

Omdat oorlog en geweld, wel schoonheid bezitten in een groot verband, maar tevens de ondergang van vele mensen betekent. Misschien zijn wij nog niet ver genoeg gevorderd op het pad van bewustwording om eerlijk te zeggen: Liever één zijn, die tot het hoogste bewustzijn komt in de ondergang van heel een wereld, dan een wereld vol wezens van onbewuste gelijkmatigheid.

Wij menen nog steeds, dat de mens ook zonder de zelf veroorzaakte vernietiging van een oorlog, die immers in deze dagen daadwerkelijk het bestaan van de gehele wereld bedreigt, de mensheid kan komen tot een geestelijk bewustzijnsniveau, dat in zich de schoonheid van de Schepper Zelf weerkaatst. Overigens lijkt het mij, dat wij ons beter kunnen verzetten tegen oorlog en elke soort van geweld, waar deze de aansprakelijkheid van de mens zelf zijn, terwijl de schoonheid daarvan niet uit mensen, maar uit God Zelf voortkomt.

Velen scheppen onbewust hun deel van de kosmische schoonheid. Ik meen, dat een geheel bewust scheppen van ons deel in de schoonheid beter en voor ons allen bevredigender zou zijn. Het erkennen van een schoonheid, die voor ons gevaarlijk is, houdt toch niet de drang in die schoonheid te vernietigen. Neen, maar wanneer wij de schoonheid niet zien, zullen wij geneigd zijn het gevaarlijke ook nodeloos uit te roeien en te breken. Het erkennen van de schoonheid, die ook in het voor ons gevaarlijke pad kan bestaan, houdt in, dat wij, wanneer dit in ons leven optreedt, wij nog beseffen, dat dit deel is van de schoonheid, die de kosmos zelf volmaakt doet zijn. Wij zullen het onvermijdelijke in groter bewustzijn kunnen aanvaarden, terwijl wij overal, waar hogere waarden worden bedreigd volgens ons bewustzijn,  het gebaar zullen trachten uit te roeien. Waar een schoonheid voor ons onaanvaardbaar en gevaarlijk wordt, zullen wij haar bestrijden, maar haar tevens handhaven, waar dit niet het geval zou zijn.

  • Mogen wij stellen: schoonheid is de ervaring, waarin het eindige het oneindige erkent?

Dit is een kernwaarheid. Wanneer wij in de eindige schoonheid van gevaarlijke  krachten als oorlog e.d. tevens een openbaring zijn van de oneindigheid, zullen wij onze eigen houding daar t.o. zuiverder kunnen bepalen en het onvermijdelijke kunnen aanvaarden, waar wij steeds weer beseffen, dat wij in elke eindige handeling, die wij moeten stellen, tevens de harmonie zoeken met de oneindigheid.

Tweede gedeelte

Vragen

  • Weet u iets van de schijf van Phaistos i.v.m. Atlantis?

Voor dit laatste is zij m.i. niet van belang. Wel door de vergelijking van de schrifttypen, die mogelijk is geworden en zelfs een ietwat beter inzicht in de historie van de Grieken en de eilandenrijken in de Middellandse Zee. Voor Atlantis is dit niet van belang, waar al, wat hierop zou kunnen slaan, kennelijk overlevering is.

  • De stoffelijke polen van de aarde liggen t.o. elkaar, de geestelijke blijkbaar niet. Is daarbij sprake van vaste verhoudingen?

Bij geestelijke polen kan niet worden gesproken van ongeveer vaste verhoudingen, indien men deze verhoudingen wil gaan berekenen aan de stoffelijke omvang van de aarde. Hun plaatsing is geheel afhankelijk van de ontvangstmogelijkheid voor bepaalde kosmische krachten, plus de mogelijkheid tot reactie van de op aarde vertoevende en in de aarde levende bewustzijnsvormen op deze kosmische krachten. Met geestelijke bedoelen wij de krachtpunten, waarin alle krachtstromen op meer geestelijk gebied samenvloeien, terwijl daarin ook de gedachtestromen, die gezamenlijk het bovenbewustzijn van de mensheid uitmaken, tot brandpunt komen. Deze polen zijn steeds gelegen in meer eenzame gebieden, waarin geen te hoog bevolkingsaantal en vaak ook geen hoge beschaving bestaat. De polen dienen als een soort filter voor de impulsen, die de aarde uit zich heeft en uiten zou, bevorderen een bovenbewuste uitwisseling van in het mensdom levende belangrijke gedachtenimpulsen en treden op als voornaamste ontvangst orgaan van de krachten, die van buitenaf naar de aarde komen.

  • Engeland is toch niet zo licht bevolkt?

Er zijn delen van Engeland, die toch rustig zijn, waar de bevolking niet dicht is en grote werkingen op geestelijk gebied door de instelling van de daar verblijvende mensen ongestoord mogelijk is. Indien u dergelijke centra in Engeland wilt zoeken, wijs ik u op het eiland Man. Dit wordt genoemd als centrum voor alle coves, heksengroepen, in Engeland en verkreeg bovendien bekendheid door de z.g. magiër van Man. De plaats van de geestelijke pool mag ik u niet verraden.

  • Waarom trekt de geestelijke pool zich uit Tibet terug? Wanneer leerlingen meesters nodig hebben, waarom trekken deze dan weg?

Tibet was lange tijd het centrum van geestelijke krachten. Zwarte en witte magie woonden daar naast elkaar. Op het ogenblik dat de bevolking teveel wordt getrokken in de richting van het materiële en het zwart-magische, ontstaat een sfeer die er onaangenaam is voor iemand die zeer gevoelig is. Dit maakt voor ingewijden het vertoeven reeds minder aangenaam. Wanneer men daarnaast inziet dat er een ontwikkeling aan de gang is, die op de duur een materialisme op niet aanvaardbare wijze doet heersen in haast heel het land, zo zal men een betere omgeving gaan zoeken. Indien daarnaast zich ook de pool van de aarde voor geestelijke krachten gaat wijzigen, is het logisch, dat men verder trekt. De politieke omwentelingen in China en India begonnen reeds vroeg, rond I896 – 1898. Daarom wordt de daar bestaande weg van inwijding reeds in deze jaren afgesloten.

Ga eens na, welke gewelddaden plaats vonden in China zowel als India tussen 1850 en 1900. Veel zal u daardoor reeds duidelijk worden. Het proces van de verhuizing moest voltooid zijn, vóór de materiële invloeden van Rood China een wegtrekken moeilijk zouden maken. Wanneer een leerling behoefte heeft aan een meester, zo zal hij deze ook kunnen verkrijgen, wanneer het geestelijke centrum en de geestelijke pool elders gelegen zijn. De leermeester is niet gebonden aan de geestelijke pool. Overal, waar daar behoefte aan bestaat en de leerlingen ver genoeg gevorderd zijn, zal men afgevaardigde leermeesters aantreffen. Verder kunnen wij aannemen, dat na verloop van tijd aan de nieuwe pool een inwijdingsweg zal worden gevormd, zoals eens bij Tibet bestond.

Bij de keuze van een nieuw geestelijk centrum houdt men overigens – evenals met de vorming van een nieuwe pool en grotere krachten – rekening met het feit, dat bepaalde landen onder een zeer ongunstige kosmische invloed komen te liggen. Landen als Tibet kunnen een tijdlang door geestelijke krachten zijn geregeerd en grote impulsen van bv. Uranus hebben ontvangen, terwijl op het ogenblik naast Jupiter ook Saturnus een steeds grotere rol daar spelen. De verplaatsing van de polen is afhankelijk van de kosmische invloeden op de aarde, terwijl het vormen van een daarbij gelegen geestelijk centrum onder de bevoegdheid valt van de Witte Broederschap, evenals het scheppen van inwijdingsmogelijkheden.

  • Ik meende, dat de kracht, die van de geestelijke pool uitgaat, sterk genoeg zou  zijn om al het andere te overheersen.

Stoffelijk misschien, kosmisch niet. Verder mag u nooit vergeten, dat elke dictatuur van de geest in wezen reeds demonisch moet zijn, omdat elke mens de vrijheid moet hebben op eigen wijze en langs eigen weg tot bewustwording te komen. Stel, dat de broeders van de grote broederschap zouden besluiten met geweld – dus het inzetten van alle geestelijke krachten – hun centrum in Tibet zuiver te houden van niet gewenste invloeden, zij zouden daarin mogelijk, ondanks de kosmische werkingen, erin kunnen slagen. In het verleden hebben zij dit zelfs enige tijd gedaan. In die dagen was er sprake van aardbevingen en overstromingen, die het de rode troepen onmogelijk maakten naar het zuiden op te rukken. Maar de mensen onder een dergelijke invloed brengen en houden, betekent tevens hen alle vrijheid van handelen en denken te ontnemen. Reformaties van sociale verhoudingen en bezitsverhoudingen, zoals die in Tibet nu plaats vinden – en vergeet dit niet, door velen begeerd werden – zouden dan niet plaats kunnen vinden. De Witte Broederschap zou zelfs de middelen van de zwarte magie moeten gaan gebruiken, omdat een behouden van een dergelijke invloed niet mogelijk is zonder degenen, die zich binnen de invloedssfeer bevinden en andere plannen hebben dan men wenst, te doden.

Dit is niet de bedoeling. De Witte Broederschap zal ongetwijfeld op een gegeven ogenblik geweld toelaten of zelfs stimuleren, maar zij zal de mens nooit hiertoe dwingen. Zij laat de mens zelf steeds geheel vrij in zijn reacties. Ook hier is dit het geval geweest. Op het ogenblik, dat ik u, met de beste bedoelingen en om u het beste te geven dat maar bestaat, geheel zou gaan beheersen en het u zo onmogelijk zou maken zelf te handelen en eigen standpunt te bepalen, zou ik t.o.v. u schuldig zijn. De beperkingen van uw vrijheid en de gevolgen daarvan volgens oorzaak en gevolg zouden geheel mijn aansprakelijkheid zijn geworden, waardoor ik mijzelf geheel voor uw verdere lot aansprakelijk zou moeten achten. Dit is voor de Lichtende krachten onaanvaardbaar. Besef dus, dat men, zelfs om een pool of centrum te verdedigen, nooit gebruik zal willen maken van negatieve krachten. Alle krachten worden gebruikt als stimulans, waarschuwing e.d. , niet als magische verdediging.

  • Wordt, wat wij in de stof zonder moraal en dus slecht vinden, aan uw kant wel eens gunstig beoordeeld?

Weet u, er zijn veel mensen die spreken over moraal en dingen verwerpen in het openbaar, terwijl zij deze wel doen en wel aanvaarden, wanneer maar niemand weet dat zij het doen en dat zij het aanvaarden. M.a.w.: in vele gevallen is hetgeen de mens moraal noemt een uiterlijk vernisje, dat hij gebruikt om vorm te geven aan de maatschappij volgens zijn behoeften en noodzaken, maar waaraan hij zelf vaak zoveel mogelijk tracht te ontkomen. Een dergelijke moraal is natuurlijk, geestelijk gezien, geheel waardeloos en heeft geen enkele betekenis. Dit houdt in, dat mensen, die eerlijk zijn en zich dus niet zo precies houden aan hetgeen de mensen de juiste moraal noemen, van ons wel eens een goedkeurend klopje op de rug kunnen krijgen. Dan menen wij: zij doen eerlijk en oprecht, wat zij goed achten, doen daarbij zuivere en onvervormde ervaringen op, zodat zij zichzelf niet anders trachten te zien, dan zij zijn. Dit is gunstig en bevordert een snellere bewustwording, Moraal is dan ook een vreemd woord, dat teveel verschillende betekenissen kan hebben. Wij drukken het meestal als volgt uit:
Geestelijk gezien is het moreel voor elke mens noodzakelijk. Het nimmer iets doen, waardoor men bewust een ander leed of schade berokkent. Nooit en te nimmer iets doen, waarvan men innerlijk weet, dat het niet geheel voor het Ik aanvaardbaar is. Men mag niemand beoordelen aan de hand van maatstaven, die men niet zichzelf blijvend aan wil leggen voor geheel het eigen wezen en leven.

Wanneer men zich daar nu maar aan houdt, zal o.i. het moreel van de mensheid op een zo hoog mogelijk plan staan. Alles, wat de mensen als goede moraal beschouwen buiten deze waarden, is dan van minder belang. Zelfbedrog, het meten met twee maten, treden op seksueel als op maatschappelijk gebied nogal eens op. Wij kunnen dit niet goedkeuren. Vaak eist men ook van andere aan…. vul maar in, een ideaal, een leer…. omdat men daarmee eigenlijk een trouw aan zichzelf en eigen idealen eist. Maar zelf waait men vaak met alle winden mee.

Een dergelijke misleiding, zelfmisleiding, een dergelijke trouw zonder besef kunnen wij nooit juist en goed achten. Wij achtten het belangrijk, dat de mens aan zijn eigen wezen trouw is, aan zijn eigen geweten en inzichten, dan aan kerk, staat etc. Wij menen, dat elke mens steeds en te allen tijde trouw moet zijn aan eigen begrippen van goed, van passend, van de wil Gods en al, wat daaruit stoffelijk en geestelijk voortvloeit.

Hieruit volgt, dat wij het geestelijk lang niet altijd eens zullen zijn met de menselijke moraal en wel dingen goed zullen keuren, die volgens deze moraal slechts onaanvaardbaar zijn. Sommigen van onze broeders gaan zelfs verder dan ik en stellen het grootste deel van hetgeen de mens onder het begrip moraal samenvat niet veel meer is dan een modeverschijnsel, dat zich in de loop van de tijden regelmatig, wijzigt. Hiervoor zijn vele bewijzen aan te halen.

Het blijkt, dat o.m. onder de invloed van welvaart en maatschappelijke vorm, een voortdurende verandering plaats vindt in hetgeen de mens moraal verantwoord acht op het gebied van het seksuele, het zakelijke, het gedrag t.o.v. de medemens. In vele gevallen blijkt zelfs, dat er gesproken kan worden van een klassenmoraal, waar de wijze, waarop men zich verantwoord kan gedragen, klaarblijkelijk afhankelijk is van de verworven sociale status. Iets dergelijks noem ik geen moraal meer, maar een utiliteitsoverweging. Daarom zijn er bij ons geesten – en heus niet de minst Lichtende – die alles, wat de mensheid moraal noemt, al reeds verwerpen. Dit houdt niet in, dat zij elke rebellie tegen de moraal zonder meer goedkeuren. Hun maatstaf ligt in, de stellingen, die ik u reeds gaf. M.i. is de werkelijke moraal van de mens geen uiterlijke maar een ingeschapen waarde, die voortvloeit uit zijn verhouding tot God en het bewustzijn en beleven in evt. voorgaande incarnaties.

  • Het boek “Het Derde Oog” geschreven door dr. Lobsang Rampa bleek door een  Engelsman geschreven te zijn. Hoe is deze aan de feiten gekomen?

Ten dele in trance en door automatisch schrift. Een ander en zeer behoorlijk deel werd verworven door studie in openbare leeszalen en de aankoop van enkele boeken. Het ontbrekende, werd aangevuld met een hoop fantasie. De totaal ware gegevens van het boek maken, ongeveer l/3 deel van het geheel uit.

  • Hoe komt het, dat juist de Christelijke partijen ijveren voor de doodstraf? Komt dit voort uit de Christelijke leer?

Ongetwijfeld is er sprake van een gevoel voor rechtvaardigheid. Men baseert zich bij de rechtvaardiging van deze eis op het oude, niet op het Nieuwe Testament en hoopt door het invoeren van de doodstraf te bereiken, dat minder ernstige misdrijven worden begaan, die de veiligheid van de maatschappij, maar natuurlijk vooral ook van deze Christenen, zouden kunnen schaden. Elk pleidooi voor de doodstraf, onverschillig of dit van Christelijke of andere zijde afkomstig is, lijkt mij een bewijs van onzekerheid, een erkennen van het onvermogen mensen op te voeden tot een beter bestaan. Tevens zie ik er een uitdrukking in van een zeker niet Christelijke wraakzucht en angst. Een mens, die zijn maatschappij alleen meent te kunnen handhaven door een dergelijke straf weet heel goed, dat zijn maatschappij in teveel opzichten asociaal is, maar durft daarvoor waarschijnlijk niet uit te komen.

Indien een Christen, die volgens zijn geloof boven alles Jezus’ leer van liefde, verdragen en aanvaarden belijdt, de doodstraf gaat eisen als het enige middel om anderen te verbeteren of te beveiligen, geeft m.i. daarmee tevens toe, dat zijn Christendom geen Christendom is.

Vanuit mijn standpunt is doodstraf niet te rechtvaardigen, waar deze straf onherstelbaar is. Daarnaast meen ik, dat bepaalde lijfstraffen in vele gevallen beter zouden voldoen dan de vrijheids- en geldstraffen, die op het ogenblik gangbaar zijn. Lijfstraffen treffen de mens vaak op een gevoeliger plaats. Zover ik na kan gaan, is het eenvoudiger via het einde van de ruggengraat schokken aan de hersenen mede te delen, dan door een beroven van vrijheid of het aantasten van portemonnee mogelijk is.

  • Is het waar, dat elke mens zijn eigen hel maakt?

Dat is volledig waar. De hel wordt uit het eigen denken en leven van de mens geboren. Er zijn zelfs mensen, die het klaar spelen een dergelijke hel voor zich op aarde te scheppen.

  • Kan men door een simulacrum te maken ook voor zichzelf besluitvaardigheid en  doorzettingsvermogen verkrijgen, of weet u een betere methode?

Een simulacrum kan alleen gebruikt worden voor het beïnvloeden van anderen. Het dient tot het verkrijgen van harmonie met anderen door het vereenzelvigen van een dergelijke afbeelding etc., met een persoon. Voor jezelf is dit geheel onmogelijk. Degenen, die een andere weg zoeken om zichzelf te verbeteren, zou ik aanraden hetgeen vroeger omtrent het opbouwen van een “Scheingestalt” werd geleerd, eens nader te bezien. Het is mogelijk aan een desnoods hypothetische figuur, die een verpersoonlijking kan zijn van een Godsvoorstelling of een geestelijke leider, eigenschappen toe te kennen, die in het Ik niet of niet voldoende aanwezig zijn, hierop een beroep te doen, zodra dit noodzakelijk wordt. De “Scheingestalt” is een projectie van het Ik, maar maakt het mogelijk vele eigenschappen en kwaliteiten van het Ik aan te vullen, waardoor het beroep op deze persoonlijkheid de remmen in eigen wezen weg zullen vallen, die het tot dan onmogelijk maakten de in het Ik aanwezige eigenschappen en kwaliteiten geheel te gebruiken.

  • Is Muck’s rekenconstructie van het Atlantische cataclysme juist? Is Atlantis ondergegaan als gevolg van de inslag van een planetoïde in de buurt van de Azoren rond 7 juni van het jaar 8498 v. Chr.?

Niet geheel. De ondergang werd niet veroorzaakt door het inslaan van een planetoïde. D.w.z., dat misschien wel gesproken kan worden over het inslaan van een meteoroïde  in de buurt van de Azoren, maar iets later in de tijd. Zowel de eerste verzinking als de tweede verzinking werden in hoofdzaak veroorzaakt door menselijke krijgshandelingen. De eerste strijd ging tussen de gekleurde of slavenrassen en de blanke Atlantiërs. In het tweede geval tussen de Atlantiërs onderling, die wederkerig door hun donkerder getinte, maar nog blanke, halfbloed slaven werden bijgestaan. Beide rampen zijn dus aan het ingrijpen van de mens zelf te wijten, ook al speelt de natuur zelf bij de ramp een belangrijke rol. Dit laatste is als eerste en werkelijke oorzaak van de ondergang secundair. De datum, die voor de tweede verzinking van het Atlantisch gebied wordt gegeven is m.i. zeer interessant en zover ik kan nagaan zeer dicht bij de waarheid. Ook de beschrijving van het verzinken van het landmassief – dat klein was – lijkt mij in deze stelling redelijk weergegeven.

  • Is dit het begin van de Maya-kalender?

Niet geheel. De Maya-kalender begint enige jaren eerder. Maar hierover behoeft men niet te strijden.

  • Welke krijgshandelingen hebben deze ondergang dan uiteindelijk veroorzaakt?

Vergeet niet, dat een tijdlang op het Atlantische gebied een technische beschaving heeft bestaan. Deze kan niet met de techniek van het huidige metalen tijdperk worden vergeleken. O.m. maakte men, langs technische en magische weg, gebruik van vulkanen om daaruit kracht – vooral stoomkracht – te winnen. De kennis van aardbevingen en de onderlinge werking van vulkanische krachten was in die dagen zeer ontwikkeld. Men heeft, zeer waarschijnlijk met het doel elders een ernstige aardbeving te veroorzaken, zeewater binnen gelaten in de krater van een vulkaan.
Naar mij werd medegedeeld was het doel o.m. het veroorzaken van verwarring op bepaalde eilanden en het vernietigen van een vijandelijke vloot door een zeebeving met daarop volgende, vloedgolven. Hierdoor ontstonden onverwachte reacties in de vulkanen in eigen gebied en omringende eilanden, waarbij zelfs de vulkanen van de Middellandse Zee, de Eifel, de Cordilleran in Midden Amerika tot uitbarsting kwamen. De hierdoor in de aardkorst ontstane spanningen waren zó groot, dat de aardschotsen zelf scheurden.

  • Is dat geen recept voor de Russen en Amerikanen?

Die zijn moderner. Die gebruiken H-bommen. Weet u, waarom die dingen H-bommen heten? Wanneer de één hoort, dat de ander die dingen werkelijk wil gaan gebruiken, gelooft hij dit niet en wil gaan lachen, maar hij komt nooit verder dan ha……

Definities

  • Even nadenken….

Even nadenken betekent voor de meeste mensen, even trachten eigen gedachten op zodanige wijze tot orde te brengen en te richten, dat zij een zelfstandig denken voor kunnen goochelen aan anderen, die dit ongetwijfeld van hen verwachten. Vandaar dat denkpauze en  bedenktijd in de meeste gevallen tegenwoordig betekent, een periode waarin je naar de mening van anderen informeert om zo zeker te zijn, dat je met eigen mening geen al te gek figuur zult slaan, wanneer je er eindelijk mee voor de dag komt.

  • Troefkaart

Zo u weet maakt elke mens zijn troeven zelf, ook in het leven. Vandaar, dat een troefkaart iets is, wat men in onderlinge overeenstemming een waarde heeft toegekend, dat het in feite niet bezit. Deze waarde kan, ofschoon zij in feite niet bestaat, dan gebruikt worden om anderen af te troeven, alle troeven in handen te krijgen en zo ten koste van anderen zoveel winsten te vergaren, dat men voortaan zelf t.o. de anderen de troef kan bepalen. Overigens schijnt de kwestie aftroeven hoofdzakelijk vrouwelijk te zijn: de belangrijkste troef is de vrouw, die Nel wordt genoemd.

  • Waarom wordt in de kabbala de vrouwelijke de harde of stoffelijke kant genoemd  en de mannelijke kant de zachte kant, de geestelijke?

De vrouw baart kinderen en voedt ze op. Zij brengt dus een materieel voertuig voort en is voor de ontwikkeling daarvan aansprakelijk. Dit staat haar niet toe zacht te zijn. Zij moet praktisch zijn. Vandaar dat zelfs haar zachtheid nog vaak harde kanten heeft. De man daarentegen heeft aan dit scheppend proces slechts een klein deel, tenzij hij door de hardheid van zijn vrouw tot een verdergaande deelname daarin wordt gedwongen. De man kan dan ook meestal meer dromen. Waar men dromen vergeestelijkt noemt en de man daardoor bovendien vaak de tijd heeft meer geestelijke waarheden te ontdekken, noemt men de mannelijke kant vaak de geestelijke, kant. Vergeet niet, dat, ofschoon Adam de eerste was die wandelde met God en Eva degene, die hem met de materie verleidde, Adam toch niet zo hoog geestelijk gestemd was, dat hij de verleiding en bovenal Eva kon weerstaan. Daarom moeten wij het vraagstuk werkelijk op meer esoterisch vlak bezien. Mannelijk en vrouwelijk kunnen dan niet volgens de geslachten worden gedefinieerd.

Dan geldt het volgende: de materie is het vormgevende en vormbehoudende. Zij is hard. De vorm wordt dan onvrouwelijk genoemd. Want de geest baart slechts ideeën die steeds weer zichzelf vervormen. Een vorming van de geestelijke idee op juiste wijze kan de geestelijke bewustwording tot stand brengen. Dit laatste blijkt afhankelijk van de mogelijkheid de mannelijke idee aan de vrouwelijke vorm te toetsen. In het midden tussen deze uitersten zien wij dan ook het werkelijke pad ontstaan, de derde zuil, die wortelt in de aarde en reikt tot de Allerhoogste. Dit laatste lijkt mij de juiste verklaring.

  • Waarheid

De kosmische of grote waarheid: hetgeen, waarnaar wij streven, maar nog niet kunnen beseffen. Ons idee van waarheid: datgene, wat wij zo aangenaam vinden, dat wij weigeren aan te nemen, dat het ooit niet waar zou kunnen zijn. De waarheid van anderen: hun onbesef, waardoor zij niet kunnen begrijpen, dat onze waarheid de enige is.

  •  Leugen

De grootste leugen is de waarheid, die zó wordt voorgedragen, dat niemand haar gelooft. Elke leugen is een voorstelling van iets, dat niet waar is, maar misschien waar had kunnen zijn. Een ander zal daarom de onwaarheid voor waarheid aanvaarden en zo misleid worden omtrent de werkelijke toestand. In bepaalde gevallen geldt verder: de leugen geldt bij vele mensen voor beleefdheid, wanneer zij op aanvaardbare wijze en tot genoegen van anderen ten gehore wordt gebracht.

  • Kuisheid

Een innerlijk besef van verbondenheid met God en kosmos, waardoor elk contact op lager niveau slechts wordt gezien als een middel om de wil van de Allerhoogste te verwerkelijken zonder eigen belangen of lusten daarbij een werkelijke of overheersende rol te laten spelen.

In geen geval mag men kuisheid zien als een in gedachten zich prostitueren naar believen, terwijl men stoffelijk onberoerd weet te blijven.

Men mag ook geen kuisheid zeggen tegen een bewaren van de stoffelijke ongereptheid, indien daarbij geen hogere dan stoffelijke belangen een rol spelen.

Slechts daar, waar kosmos en eeuwigheid een werkelijke rol spelen in het leven van de mens, zowel in gedachten als lichamelijke gedragingen, zal hij ongeacht de lichamelijke omstandigheden en uit het eeuwige voortvloeiende daden, kuis zijn, waar men zal blijven leven uit de Allerhoogste en alle dingen alleen ter wille van de hoogste krachten aanvaardt of volbrengt. Dit is m.i. de enige ware kuisheid, die er kan bestaan.

  • De beste

Een Socrates, die behoefte heeft aan een Diogenes om in het laatste vat de laatste cent te zoeken. Ofwel: de beste is een aanloop tot een heilige daad, die door daadloosheid heilig noch daad is, ja, zelfs niet de beste daad, waardoor het de beste misschien wel het slechtste ging.

  •  Naastenliefde

Een werkelijk begrip van eenheid met alle mensen rond en met ons, ongeacht hun houding t.o.v. ons, zodat wij de eenheid kennende in allen, een mogelijkheid vinden deze realisatie uit te drukken in een dienstbaar zijn aan allen, zonder daardoor ooit het Ik benadeeld of beter dan anderen te achten.

  • Rechtvaardigheid

Het vermogen zich van een oordeel te onthouden, tot men in bezit is van alle waarden, die noodzakelijk zijn de daad ook te begrijpen vanuit het standpunt van de dader. Zo slechts zal men een oordeel kunnen spreken, dat niet alleen t.o.v. de daad, maar ook t.o.v. de dader zuiver en verantwoord zal zijn.

  • Geestelijke bewustwording

Steeds meer het werkelijke Ik beseffen, steeds meer de Goddelijke kracht beseffen, die in dit Ik werkt en hieraan uitdrukking geven op elk vlak, waarop je bewust kunt bestaan met gedachten en handelingen. Geestelijke bewustwording is nooit werkelijk, wanneer zij niet tevens metterdaad kan worden uitgedrukt. Zonder daad als bevestiging blijft elke bewustwording een ijle droom, die noch in het Ik, noch in het Al kan worden vastgelegd en daarom voor ons niet tot de Goddelijke werkelijkheid behoort.

image_pdf