Schoonheid

13 februari 1955

Ik moet, helaas, weer de gebruikelijke rol van inleider op mij nemen en trachten u een klein beeld te geven van de spreker, die op deze bijeenkomst naar voren treedt. De vorige maal is ons gebleken, dat het gemakkelijker is u een sfeer over te brengen, dan wel u in woorden een zuiver begrip te geven. Wij hebben af en toe moeten werken met bemiddeling, maar wij hopen, dat wij dat thans kunnen voorkomen en een direct contact kunnen verkrijgen. Wij hebben dan voor vandaag twee sprekers voor u staan. Wij zullen trachten die beide sprekers aan het woord te laten.

De eerste spreker is u waarschijnlijk bekend; het z.g. Pastoortje. Die wil nog even uit zijn wereld naar de uwe terug keren. De tweede is een boeddhistische priester, die al langere tijd in de sferen vertoefd heeft en een ook aanmerkelijke hogere sfeer dan de onze bereikt heeft. U zult in de betogen van beiden ongetwijfeld overeenkomsten en verschillen opmerken. Overeenkomst, omdat beiden iets van hun priesterlijke waarde behouden, een verschil, doordat beiden het op een andere wijze uiten. De innerlijke bewogenheid van het christendom zult u gespiegeld zien tegen de koel aandoende rust van het boeddhisme. In beide gevallen zal het moeilijk zijn om alleen gedachten te geven. Ik verzoek u dus er rekening mede te houden, dat beide sprekers zeer waarschijnlijk zullen trachten om ook een zekere sfeer in de eerste plaats te brengen. Ik geef nu het woord over aan de eerste spreker.

Wij zullen trachten daarna de tweede spreker zonder onderbreking aan het woord te laten komen.

o-o-o-o-o

Wanneer wij op dit ogenblik samen zijn en trachten een begrip te verwerven over al die vele gedachten en krachten, die er werken op de wereld, dan is het mij een waar genoegen en vreugde, dat men mij niet is voorbij gegaan, want ik geloof toch, dat ook het christendom en vooral de moederkerk de rooms-katholieke kerk, niet mag ontbreken. Ontbreken in het aantonen der ontwikkeling, die ook van haar uit mogelijk is. De wereld maakt veel fouten. Wat heb ik in mijn leventje geen fouten gemaakt. Als een klein dondergodje, heb ik getracht om de wetten der kerk te handhaven. Aan de andere kant, misschien wat dwaas, was mijn hart nooit bij deugdzame. Altijd bij de zondaars. Dat, wat ik beleefd heb op aarde, is mij nog steeds heilig. Niet heilig, omdat het de enige weg is, maar heilig, om wat ik er door heb mogen leren en beleven. In het begin is het ook voor mij wel eens wat moeilijk geweest om mij nu helemaal aan te passen bij iets, dat zo verschilde van de hemelse glorie, die ik zo vaak van mijn preekstoel verkondigd heb.

Maar wanneer je begrijpt, wat de grote kracht is, dan wordt het anders. Dan zie je, dat het meer is dan een hemel, die je als prediker de mensheid voor kan toveren. Er is een liefde in het Al, die zo groot is en zo al doordesemd, dat wij, kleine en nietige schepseltjes, eigenlijk niet eens in staat zijn, om er maar een klein vonkje van te begrijpen. De liefde is zo groot, dat zij je draagt. Ik weet wel, natuurlijk moeten wij zelf spreken en werken, opdat ons gegeven wordt, dat, wat wij werkelijk verworven hebben aan bewustzijn. Maar het Goddelijke is zo groot, begrijpen doe je het toch niet. Er is in het begin gegeven het vermogen om toch het Goddelijke te bevatten, ook al zul je het nooit, nooit helemaal kunnen begrijpen. Tot zelfs de vogel voelt, waar wij over spreken, zoals Franciscus preekte voor de vogels, die hem antwoord gaven. Want Gods liefde is in de hele natuur, hoor, overal. En ik voel mij schuldig, dat ik die grote liefde niet dichter bij de mensen heb kunnen brengen. God is goed voor mij geweest. Hij heeft mij gebracht in een wereld van licht, in een wereld van zoete stilte, waarin je kunt wandelen met God, zoals, volgens de Heilige Schrift, ook de eerste mensen hebben gedaan. Je zoudt kunnen schouwen naar die hele wereld en zeggen; dit is het scheppingswerk, maar ach, wat zal ik vragen naar de grootse glorie van mijn Vader, wanneer ik bij de details, in de kleine dingen van leven en sfeer en strijd, de mensheid zie. De mensheid, waaraan ik zo innig gehecht ben, waarmee ik zo diep verwant ben. Al het grootse en al het lichte, alle innige vreugden van het bestaan, zou ik met vreugde geven, als ik daar de mensen iets gelukkiger mee kon maken. Dat is de grote wet, die ik ken in de sfeer en op de werelds de Goddelijke liefde. Opoffering desnoods, opdat een ieder, opdat elk wezen, waarin het bewustzijn smeult, mag ontwaken tot de realisatie, de heerlijke bewustwording van de Goddelijke liefde, die ons omhult en beschermt. Mijn geloofsbelijdenis is wel wat eenvoudiger geworden. De tien geboden en de vijf geboden der heilige kerk, ach, nog steeds acht ik ze goed en waar, vooral de eerste, maar ik geloof, dat er één Gebod is, dat alle dingen kan vervangen: Heb God lief boven alles en ommentwille van God, het geschapene, dat de uiting is van Zijn wezen. Zo wil ik leven, in welke sfeer ik ooit moge stijgen of dalen. Dat zal ik proberen te maken tot de dragende kracht van alles, wat ik van het bestaan mag weten; Goddelijke liefde. Geuit door een mens, die de liefde probeert te bevatten, geuit door een geest, die zichzelf deel wil weten, niet van een rechtvaardige, niet van een toornende of straffende God, maar alleen van een liefde, die altijd weer als een ware Vader Zijn kinderen leidt. Leidt tot het heerlijk einddoel, dat Hij voor hen heeft vast gelegd in den beginne en waartoe Hij ze allen zal voeren voor het einde der dingen. Dat is dan mijn geloof van nu. U behoeft het niet aan te nemen, maar u moogt wel weten, dat de volheid van mijn liefde voor al het geschapene ook aan u meer zou willen geven dan een paar woorden. En ik kan het niet.

Ik kan alleen maar afscheid nemen met de zegen, die toch ook een symbool is van de Goddelijke liefde. Zo ga ik dan nu plaats maken voor iemand, die ik in levende lijve misschien een…..concurrent genoemd zou hebben, maar die ik nu toch zie als mijn broeder en collega, als mijn medewerker in de Goddelijke kracht, waarin wij allen proberen te bereiken, niet alleen voor ons zelf het ware licht, de hoogste glorie, die is het werkelijk wezen Onzes Heren.

o-o-o-o-o

Ook mij is gevraagd u te spreken over krachten en dingen en werken, zoals wij ze trachten te begrijpen, te zien en te doorleven. Lange tijd in mijn stofbestaan heb ik doorgebracht in de stilte en overpeinzing van het klooster, in de hoge hallen, waarin de beelden staan van hen, die de sferen des lichts reeds lang betreden hebben. En altijd weer heb ik mij zelf voor gehouden; Hecht u niet aan de dingen. Wees onthecht, opdat u niet ontnomen en niets geschonken worden kan. Dan eerst zult Gij vrij zijn. Zo was, wat ik geven kon aan de mensen een woord, een zegening, een gebed. Iets, wat niet van mijzelf stamde, want mijn geest zat onbewogen en onberoerd te overpeinzen in mijn lichaam, denkend over krachten, ver verwijderd van alle stof, van alle aardse beleving of geneugten. Ook voor mij is de dag gekomen, dat het verschrikkelijk woord werd gesproken en mijn geest ontvlied door de schedeltop, vluchtende de demon, zoekende het licht.

Want ik had mijzelf gezegd: begeer niet en vrees niet. Maar van de stof, begeerde en vreesde ik. Het is een vreemde weg geweest, die ik heb moeten afleggen, een weg gaande van nevelige schaduwen door lichte landen, vruchtbaar al, de laag gelegen valleien. Groots en wonderlijk is het verre landschap van bergen, en wolken. En ik kon er geen vrede vinden, want ziet, mijn wezen begeerde vreesde. Ik ben gegaan van geestenland tot geestenland, van hemel tot hemel en nergens heb ik vrede gevonden en nergens rust. Vreemd waren mij de dingen of ik was de dingen vreemd. Vreemd was mij de geest en vreemd was ik de geest.

Toen ben ik, haast uit ellende en armoede begonnen met de oude oefeningen. Weer heb ik mijzelf als offer aan de demonen voor geworpen. Menig slachtoffer, dat de demon vreesde, heb ik gered, waar het zich bergen kon in de plooien van mijn gewaad. Maar ik heb het nooit gedaan ommentwille van deze wezens, want ik streefde ommentwille van mijzelf. Tot ik begreep, dat het enige, wat gewichtig en belangrijk was, wanneer ik ging in het duister en de duivelen uitdaagde was, dat ik misschien een ziel kon redden. Misschien een geest kon bevrijden van de kluisters en ketenen, waar mee zij geklonken was in de verschrikkelijke wereld van demonische waan. Toen is mijn wereld veranderd.

De stille onbewogenheid van mijn wezen maakte plaats voor een hartstochtelijk verlangen om te helpen. Dit denkend, dat ik zo zou kunnen vinden het stille land, waarin het wezen niet meer leeft en toch bestaat, overziend van verre uit uw wereld. De les, die ik heb moeten leren, is deze: Niet straffeloos zondert men zich af van het geschapene en de schepping, want wij kunnen niet zonder haar bestaan. Zo ben ik opgestegen. Lichten hebben mij omspoeld en klanken hebben mijn daadloze eenzaamheid neergeschouwd uit het licht, zo zie ik als een speeltuig de wereld draaien en ik zie de mensen streven. Ik zie rond haar de schrikbarende vormen van toornige demonen, van wrekende goden. Ik zie daaronder de werelden van duisternis, waarin men lijdt voor wat men in het leven heeft misdaan. Maar beschouwende kan ik mij niet afzonderen, hoe gaarne ik ook zou willen.

Hoe gaarne ik ook in de onbewogenheid van het pad zou plaatsen aan grens tussen mij en het levende, die wereld beneden mij, die werelden van duisternis, zij spreken tot mijn ziel. Ik zelf ben het, die daar streeft. Ik ben het zelf, die daar lijdt, die gekweld is in de duisternis van een demonisch bestaan. Ik zelf ben het, die worstelt om bewustwording. Ik zelf ben het, die de Goden vraagt om mij te vullen met nieuwe kracht, of opstreeft naar de hoogste. Dat ik bevrijd moge zijn van het wiel van het lot. En zo, al zou ik misschien de stille rust en eenzaamheid prefereren boven al hetgeen mij beroert, kan ik niet anders dan gaan naar het duister, gaan naar de wereld. Ik moet geven mijn kracht en volbrengen het werk van de anderen, die streven. Nirwana is een droom voor mij, geen werkelijkheid. Maar ik geloof, dat er eens een moment zal komen, dat ik zo zeer de voleinding van het geschapene zie, dat het kleine mij voor bij gaat. Ik zie alleen de volheid. Dan, in rust en in daadloze beschouwing zal ik ervaren, wat de groten ervaren, wanneer zij ontrukt zijn aan alle hemelen en sferen, die in verbinding staan met de begoocheling. Ik kan niet zeggen, dat ik u lief heb, of dat ik de wereld lief heb. Zo min als ik kan zeggen, dat ik u haat, of dat ik de wereld haat, Maar gij zijt deel van mij. Ik ben deel van u, zo moeten wij samen verder gaan, omdat het zo ingesteld is door de groten.

Tot, misschien eens het Goddelijke ons bevrijdt en de bewustwording komt, die laatste bewustwording, die ons stelt in God, die ons stelt in het niet-zijnde zijn, in de vrede en onberoerdheid van een lichten de sfeer, die werkelijkheid is. Ik dank u voor uwe aandacht, gij, die delen zijt van een schepping en daarom ook delen van mijn wezen. Heb mij niet lief en haat mij niet, maar streef, opdat gij u zelf verlossen mij moogt, bevrijden uit de laatste ketenen van waan.

o-o-o-o-o

Schoonheid.

Wij zullen ook vandaag weer een klein ogenblikje iets gaan overpeinzen. U heeft in het eerste deel nu een probleemstelling gehad, een kenbaar verschil van opvattingen en toch ook weer tegelijk een benadering van hetzelfde punt. Ik denk ook, dat u wel heeft gehoord, dat onze sfeer er een van grote schoonheid is. Maar ook, dat het persoonlijk aanvaarden voor het beleven daarvan van heel groot belang is. Naar ik meen zal het u dan ook helemaal niet verwonderen, dat ik als onderwerp heb gekozen: Schoonheid. Per slot van rekening is het voor ons altijd erg belangrijk als wij de schoonheid van het leven kunnen zien. Wij zouden zo graag al die torenende mooiheden, die verborgen zijn soms in het kleine, dat achter de microscoop pas zichtbaar wordt, in ons dragen en zeggen; dat is nu de kracht van ons leven.

Maar wij zien er meestal aan voorbij. Haast alle schoonheid in het al ontgaat ons. Je ziet de sneeuwvlokken groot, zwaar neervallen. Je ziet ze klein en driftig jagen, door de wind gedreven, Maar je ziet niet eens, dat elk is gebouwd uit een groot aantal fijne juwelen van symmetrisch piekende raadjes en bloemen. Dat merk je niet. Je moet er over nadenken en dan begrijp je eigenlijk, dat datgene, dat zo dadelijk een zwarte modderige brei zal zijn, op dit moment iets is van de puurste, van de reinste schoonheid, die je je voor kunt stellen. De bloemen van het water, de ijskristallen. Zo gaat het ons overal. O, ik weet, dat, wanneer het een dag gesneeuwd heeft en je gaat kijken op een zonnige middag naar de bomen, die overal aangezet zijn met witte lijnen, zodat het lijkt, of er een spel van wit en zwart wordt gespeeld door een of andere wonderlijke tekenaar, je de effecten ziet van schittering en licht en schoonheid, het kostbare, dat loop je vaak voorbij. Je ziet de mensen gaan en zij zeggen dan; wat zijn de tulpenvelden mooi. Maar vraag ze nu eens de schoonheid te zien van een enkel bloemblad. Te zien, hoe die tere aderen zich daar in dat gekleurde vlakje omhoog vlechten.

Hoe daar het water, het sap in stuwt en worstelt om te voeden. Toon ze eens de poriën, die er zitten op een blad, waarmee de plant zo heerlijk ademhaalt. Of vraag eens een mens om te kijken naar de langzame gebaren van een bloem, die statig in de wind wiegt. Zij doet daar een tijd over. Maar de mensen zien alleen het grote. En zo kan het je in de sferen ook gaan.

Zolang je alleen de grote schoonheden ziet, de algehele volmaaktheid der dingen, maar het detail eigenlijk een storing voor je betekent, dan verlies je iets van de werkelijke schoonheid.

Natuurlijk, men kan iets schoons creëren door vele lelijke dingen zo te groeperen, dat zij gezamenlijk een andere betekenis krijgen en dat is heel aardig. Maar is het voldoende? Ik geloof het niet. Wanneer je beseft, dat de grote edelsteen der schepping, de grote heerlijkheid der sferen opgebouwd is uit kleine dingen, uit kleine juwelen, die tezamen dit ontzag wekken, tot stand brengen, dan meen ik, dat je nog veel meer haar kunt waarderen, er meer in kunt leren en er gelukkiger in kunt zijn. Ik wil mij geen oordeel aanmatigen over degenen, die ver boven mij gestegen zijn in geestelijk bewustzijn, begrijp dat wel. Maar, wanneer ik die dingen zo denk, dan peins ik er natuurlijk ook over na; hoe is dat licht in die hoge sferen? Hoe is dat wonderlijke spel van ijle kleuren, die zich vervlechten tot een doorzichtig goud, een wit zo zuiver en hel, dat het haast onzichtbaar, toch nog ver, blindend kan zijn. Nu weet ik wel, dan gaan die anderen dat benaderen, Dan zeggen zij; de grote God. Ja, maar ik zou God zo graag in de Schepping willen zien en niet daarbuiten. Die God buiten de Schepping, ach, dat blijft voor mij een hypothese, iets dat wonderlijk kan zijn, maar wat mijn wezen en ziel toch niet zo kan beroeren. Ik ben toch een deel van de Schepping? Daar hoor ik toch in thuis? Wanneer ik dan eens een keer de gelegenheid krijg, dat gebeurt wel eens om te zien, hoe de lichtende krachten rankende bouwwerken optekenen tot zuilen en bloeivormen en guirlandes, licht, dat altijd leeft en siddert en tekent, dat in tere kleuren steeds veranderend uitdrukking geeft aan de hoogste gedachten, dan wil ik wel eens een keertje een microscoop er op zetten. Figuurlijk natuurlijk. Wat zie je dan vaak? Dat een wonderlijke bloem van vloeibaar vuur, die daar uit het licht wordt geschapen, zelf samen is gesteld uit kleine mensengedachten. Je denkt, dat je daar de grootse schoonheid ziet van de Goddelijke Openbaring, maar ga je ze ontleden, dan is de Goddelijke schoonheid op gebouwd uit het kleine van de Schepping. Het is een kunstwerk, omdat het zo samen is gesteld, zo dooreen wordt gevoeld, het is zo gewild door de Creator.

Maar aan de andere kant, wanneer je weet, waar het uit is opgebouwd, dan verbluft het je nog veel meer. Wanneer je zo pessimistisch neerkijkt naar de wereld, je ziet al die mensen hun gang gaan, je ziet al de hatelijkheid, die zij daar scheppen, de lelijkheid. Als je ziet, hoe zij – waar eens de kerken statig ruisende kerken Gods waren – nu hun betonnen pillendoosjes neergooien, waarin zij ijverig krioelen als mieren, die door een of andere oorzaak gestoord, zo langzaamaan een toestand van hysterie benaderen. Dat is niet mooi. Als je dat van onze kant bekijkt, dan mankeert er zo vaak iets aan. Maar als je dan de geestelijke bloemen van schoonheid ziet opbloeien, gaat ontleden, dan ben je pas werkelijk verbaasd. Dan zie je hoe de stuwende sappen, die de bloem in stand houden in die vuurbloem de kleine trillingen zijn van oprechte gebeden en goede intenties van mensen. Van het werkelijk goed willen en het vol liefde de naaste benaderen. Dan zie je hoe de fraaiheid van kleur verkregen wordt door een geloof, een hoop, zo diep en overtuigend, dat zij het eeuwige doordringen. Dan zie je hoe zij haar lichtende kracht uit de onbaatzuchtigheid van de kleine mensengedachten vaak trekt. Je ziet hoe de stille liefde van mensen voor dieren, of voor elkaar, vaak een wonderlijke arabesk tot leven brengt, zo schoon, dat je nog eens op aarde zoudt willen zijn, om dat nog eens een keer te scheppen in steen of in hout. Je ziet hoe hun strijd, hun moed, hun leven, alles tezamen, ook wordt tot een deel der lichtende schoonheid van de Goden sfeer. Al die kleine dingen tezamen. En dan wordt je er stil van. Soms zie je van die nevelende gordijnen voorbij drijven, statig, lichtend en spelend in zichzelf en toch haast kinderlijk onbewust, haast statisch in hun bestaan, die pas reliëf en leven geven aan de bloem, die de mensen doen bloeien en de arabesken, die de anderen tekenen. Wanneer je dan kijkt, dan is het een plant, die zich verheugt, dat hij zo dadelijk bloeien mag. Dan is het een boom, die door de eerste zachte wind gestreeld, het stuwende sap in zich voelend met een ongeuite en haast onbewuste dankbaarheid, plotseling zijn eenheid met de Schepping gaat uiten. Hoe wonderlijk schoon is dat alles niet. Wat kan ik u zeggen van dit spel van licht en kleur en klank, dat voor ons de grote schoonheid uitmaakt. Toch is het zo, dat voor u de wereld eigenlijk gelijk bestaat. Kijk naar de zee, zo als zij daar statig ruisend voort rolt op een rustige dag met blauwe hemelschemeringen en schuimig witte koppen, die een ogenblik opduiken om onmiddellijk weer in de onrustige spiegel van bewegend water onder te gaan. Kijk naar de zon, die er in weerkaatst. Je wordt getroffen door de wijsheid en de grootsheid van het schouwspel. Neem dan een paar druppels zeewater en kijk, wat er in leeft. Je ziet ze niet, maar ze tekenen mee samen iets van die schoonheid. Ze horen er bij en zonder dit leven, geloof ik niet, zou dit water levend en echt en schoon zou zijn. Kijk op een zomernacht naar het lichten der zee, waar elke golf op zichzelf weer een spel wordt van een licht, dat opvlamt en versterft. wanneer het lijkt, of de wereld betoverd is. Neem dan een druppel water en kijk naar wat er in leeft.

Kleine vormen en kleine dieren al tezamen, werkend en strevend en levend. Iets wat voor u niet meer is, dan een deel van de grootsheid van de zee. De schoonheid van het kleine bouwt de schoonheid van de grote. En ook wij willen altijd zo gaarne de schoonheid ervaren, nietwaar?  We zouden ook zo graag geboeid en gevangen worden in de grootse vrijheid van de Schepping. Maar dat doen wij op het ogenblik, wij hebben er deel aan. Wij bouwen met onze kleine gedachten, met onze kleine handelingen en daden, als wij op de stofwereld zijn, met onze kleine impulsen en bewegingen, onze kleine verplaatsingen, wanneer wij in de sferen zijn, mee, aan de onsterfelijke grootsheid, die de hoge sferen beleven en genieten. Omdat zij verder uitzien en wij maar bij het kleine blijven. Maar onze schoonheid blijft gelijk. Uzelf, u heeft hier op uw wereld verlangd naar de geestelijke hoogheid en de schoonheid van die grote reine sfeer. Maar u bent het zelf, u bent een deel van die schoonheid op dit moment. En misschien, dat in het moment van stil verpozen hier en gezamenlijk denken in de richting van bewustwording en kracht een bloem bloeit ergens in een hoge sfeer. Een vurige bloem, die dansend en wervelend in de gang van uw gedachten, de siddering van uw verwachting, de betovering van uw denken, voor de anderen daar in het grote wordt tot een stralende vreugde en dan zeggen ze; “Kijk, zo groot is God, dat dit geschapen is”. Dan zeg ik; “ Ja, maar Hij is nog veel groter”. Het is geen kunst om in grote lijnen te scheppen, dat in zijn grote lijn schoon is. Het is gemakkelijk genoeg gedaan. Maar het is een wonderwerk, wanneer je uit vele kleine beelden, uit vele kleine lijnen, uit een spel van kleine vlakken, die onderling tezamen toch weer grote vlakken vormen, een schoonheid weet te bouwen, zo overrompelend, dat men onder het geweldige, het grootse van die schoonheid, haast verpletterd stil zwijgt een ogenblik.

En dan bij nadere beschouwing diezelfde schoonheid duizend, ja, miljoenvoudig weerkaatst ziet in elke facet van dit bestaan, in elk klein facet van dit bouwwerk, begrijpt ge?  De grootse schoonheid van de dingen, die wij zien, is opgebouwd uit het kleine en juist omdat dat het geval is, kun je ook in je leven op de stofwereld zoveel schoonheid scheppen. Het zijn niet de grootse gebaren en de grootse daden. Het zijn de kleine dingen van een gedachte, een lachend woord, een handeling, waar je eigenlijk niet eens verder over nadenkt, die tezamen bouwen de grote dingen van het leven. Daaruit wordt het grootse geboren. Al die dingen tezamen zijn de vreugden waarschijnlijk van de Engelen, die in de hoogste sferen zinderend zingen. Dat is de oorsprong van al die gloed, van al dat licht, van al die vreugde, die gecreëerd wordt, totdat alleen God over blijft. Die schoonheid mogen wij niet verwerpen, die mogen wij zeker niet terzijde stellen. Wij moeten de schoonheid steeds proberen te zien in die kleine dingen, die rond ons zijn. Er zijn ogenblikken van beleven, van intens leven, dat je plotseling gepakt wordt, één moment door één klein gebaar. Hoe kan het soms niet zijn, een hand, reikt een kopenschotel aan. Er is ineens iets, wat je treft, er is iets van schoonheid in een vlieg speelt een dansend spel met een paar straaltjes ergens van een shawl of van de lamp. Er is iets van schoonheid in. Je ziet dingen, die afschuwwekkend lijken soms, wanneer je ze niet goed beschouwd, maar als je er verder in doordringt, dan is daarin weer de schoonheid.

Geloof mij, de hele Schepping, alles tezamen van sferen en werelden, en zo goed als wij, wij zo goed als wat de sterren regeert, wij zijn schoonheid. En al datgene, wat wij creëren is schoonheid, we moeten leren om het te zien. Bij ons gebeurt het veel te vaak, net als in het leven, dat de sneeuwstorm voorbij jaagt, dat de vlokken neervallen en je hoogstens denkt over de koude voeten; die je dadelijk moet gaan halen, zonder te beseffen, hoe vol van glans, hoe wonderlijk juwelierswerkje der natuur eigenlijk daar voorbij gaat in grote massa. Wat een oneindige variatie van kracht en schoonheid daar eventjes neer dwarrelde uit die grauwe wolken. Wanneer wij vergeten om die schoonheid in het kleine te zien, kunnen wij vaak, omdat wij niet goed oordelen kunnen over het grote, de schoonheid in het grote niet vinden. Wij, willen toch zo gaarne die schoonheid vinden, niet? Wij willen op onze manier toch ook jubelen en zingen, omdat wij leven, dat er kracht is, dat het zo mooi is, om te zijn. Dat het zo heerlijk is, dat je bestaat, dat je leeft, dat je verder kunt gaan.

Dat je kunt zeggen; ik heb iets gedaan voor de wereld en voor mijzelf. Ik ben gelukkig! Dat kun je alleen, wanneer je de schoonheid vindt in alle kleine dingen en ach ja, er zijn zo veel dingen, die mooi zijn. Soms kan ineens tussen het rumoer van alle dagen door een ogenblik komen, dat een paar doodgewone klanken samentreffen en er is een akkoord geschapen, dat mooi is en vol, dat in je doorklinkt, wanneer je je de moeite getroost om er naar te kijken. Nu vindt u zeker, dat er veel te veel van dat rumoer is voor dat ene akkoord, maar dat is niet waar. Dat rumoer vergeet je wel, dat gaat voorbij. Maar dat akkoord van schoonheid, wat geschapen is, in je of buiten je, dat blijft voortbestaan. Schoonheid, de volmaaktheid van het zijn, dat is het werkelijke leven en al het andere is bijkomstig, dat zou je eigenlijk terzijde moeten zetten. Moeilijk, maar het kan. En wanneer dat het geval is, en dat je dat leert, dan zul je misschien later, in een hogere sfeer gekomen, hetzelfde gaan doen, wat ik op het ogenblik probeer te doen. Te zien, hoe uit de schoonheid van de kleine dingen, die het voor mij nog vaak onbevattelijke en nog onbegrijpelijk grote leven is opgebouwd.

Hoe al deze wonderlijke, Goddelijke manifestaties toch weer terugvallen tot het kleine van de Schepping. Dan zult u gelukkig zijn. Niet alleen om de schoonheid ervan, maar omdat u begrijpt, dat u ook zelf heeft mee mogen bouwen aan de wonderlijke schoonheid van de Schepping, die tot uiting komt als de meest perfecte verheerlijking van de Schepper, gezien met de ogen van de lichtende krachten, die spelend hun lijnen trekken en hun guirlandes vlechten, opbloeien tot levende bloemen om dan weer te worden tot een stille gang van statige gedragen gordijnen van kracht. Laten wij de schoonheid niet uit onze harten en onze ogen sluiten. Laten wij onze oren niet sluiten voor de schoonheid, die er is. Er is zoveel moois in het leven. Zoveel, dat eeuwige betekenis heeft in de kleine onbetekenendheid, zelfs van ons eigen wezen. Laten wij dat niet verloochenen. Laten wij de schoonheid tot een levend deel van ons bestaan maken. Niet de schoonheid van anderen, wat anderen mooi vinden, maar de schoonheid, die wij zelf ontdekken, die wij zelf ervaren. Dan hebben wij, al is het op bescheiden schaal, reeds deel aan de hemelse vreugde en dan zullen wij daardoor komen tot die alomvattende liefde, die geboren wordt uit oprechte bewondering en gelijk het idee van medewerken en medescheppen aan deze dingen. De schoonheid van een wereld, die je geschapen hebt, zelf, die kun je niet anders dan lief hebben. De schoonheid van een wereld, waaraan je zelf hebt meegewerkt, die maakt indruk op je, die bewonder je, die vult je wezen. En zo kan ons wezen groeien, steeds weer gevuld met de schoonheid der Schepping, tot aan het eind toe: God.

Wanneer ik denk aan God, zoals wij Hem zullen zien, dan kan ik Hem niet anders voorstellen dan het mooiste, schoonste, wat er ooit heeft bestaan. Het beste, het meest goede, wat er ooit heeft bestaan. Maar ik ben zeker, wanneer ik kijk naar dat Wezen en ik kijk nauwkeurig, ik in die grootheid alle schoonheidselementen der Schepping weerkaatst zal zien. Dat de verschijning Gods, die wij waar kunnen nemen, is opgebouwd uit de schoonheid van het kleine en zo juist wordt tot iets, krachtiger dan een God in eigen grootsheid ooit voor ons zou kunnen zijn. Want dan is het een God, die wij misschien niet geheel kunnen bevatten, maar die wij in Zijn wezen ten dele althans kunnen begrijpen en aanvoelen. Die wij daardoor juist kunnen maken tot drijfveer van ons bestaan en waar wij ons zelf als leven en wezen over kunnen geven. Wetend, dat daardoor de volheid van schoonheid beleefd zal worden in ons en gelijktijdig geuit zal worden, misschien wel tegen de stille Beschouwer, Die dit alles gebouwd en geschapen heeft.