Sed libera nos a malo

SVGZ – 6 november 1964

Ik wil u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het onderwerp, dat ik voor deze avond koos, is reeds oud. Het beste wordt het nog omschreven met de Latijnse woorden: SED LIBeRA NOS A MALO Wat, vrijelijk kan worden vertaald met: verlos ons van het kwaad of van het boze. Want in deze wereld, waarin u leeft, bestaat de neiging om het kwaad, zij het meer het sociale en het economische kwaad dan andere vormen daarvan, zoveel mogelijk terug te drijven en te verminderen. Daardoor ontstaat een ietwat eigenaardige situatie.

Stel u eens voor, dat u een groot gamma van kleuren hebt, gaande van diepzwart tot helder wit. U stelt, dat alle donkere kleuren niet goed, niet mooi zijn en verwijderd moeten worden. U begint dan natuurlijk, het zwart te verwijderen. Dan komen paars, violet enz. die de donkerste kleur vormen en daarom moeten verdwijnen. Uiteindelijk is het misschien een bleek, lichtend geel, dat wordt uitgeroeid, omdat het niet meer deugt: het is immers donkerder dan de kleur wit, die zo alleen overblijft. Na veel moeite en selectie hebben wij dus alleen nog het perfecte wit over. Maar wat kun je daarmede nog zeggen, wat kun je daarin nog zien en uitdrukken? De uitingen van de schepping, de mogelijkheid tot beleving, de kans om te streven, ja, zelfs de vrije wil zijn daarmede uitgeblust.

Zoiets speelt zich nu af in maatschappelijk zowel als in andere opzichten. Want, wanneer ik eenmaal begin te stellen – religieus bv. – dat het bestaan van geslachtelijke waarden eigenlijk behoort tot het kwade en niet bestemd is tot vreugde voor de mensen, zal ik mij gedwongen zien het geslachtelijke te gaan ontkennen. Nu kun je gaan doen, of het er niet is, maar dan is het resultaat wel duidelijk: door het verwaarlozen van de vreugde als een van de zelfstandige aspecten van het seksuele is de overbevolking op aarde in vele gebieden een dreiging, terwijl niemand daartegen maatregelen durft te nemen.

Je kunt zeggen: wij moeten een sociale zekerheid hebben. Maar wanneer men deze sociale zekerheid zo volmaakt bereikt, dat niemand zich in sociaal opzicht meer zorgen hoeft te maken, wat gebeurt er dan? Er ontstaat een gebrek aan haast elke maatschappelijke drijfveer bij de massa. Er is geen momentum meer in de cultuur. Het vreemde is dan ook, dat een van de landen met de hoogste sociale zekerheidswaarden en zorgen – Zweden, zoals u wel zult weten – gelijktijdig de hoogste cijfers van zelfmoorden, vereenzaming en verlies van maatschappelijk denken, kortom ontmenselijking, vertoont. Het klinkt u misschien vreemd in de oren, maar daarom is het nog niet minder waar. Wanneer wij trachten een economische zekerheid te scheppen, zoals dit bv. in Sovjetstaten gebeurt, zien wij iets dergelijks. Men begint met een planning, die alles heet te omvatten. Een vijfjarenplan of zo. Het eigenaardige is nu, dat, juist door de theoretische volmaaktheid van dit plan, de economie in de war loopt.

Met dit alles wil ik betogen, dat de vraag, die wij steeds weer aan God stellen: “Verlos ons van het kwade” of, wanneer wij minder vroom zijn misschien aan de maatschappij willen stellen, eigenlijk verkeerd is. Het “sed libera nos” wordt verkeerd geïnterpreteerd. Want wij willen altijd maar weer alle kwaad uitroeien. Maar het kwaad is noodzakelijk. Het enige, wat wij moeten doen, is, via de scala van goed en kwaad onze eigen plaats vinden.  Wij kunnen natuurlijk trachten de duivel steeds weer uit te drijven. Ik zal niet zeggen, dat dit geheel verkeerd is, want wij hoeven de “duivel” nu eenmaal niet te aanvaarden. Maar op het ogenblik, dat wij de duivel zouden vernietigen, vernietigen wij ook God. En dat vergeten de meeste mensen.

Een groot deel van de problemen, die u in deze tijd kent komt voort uit de neiging om het kwaad ten koste van alles te vernietigen of ten minste uit eigen denken en leven te verdrijven. Er wordt weliswaar gesproken over “co-existentie” van rassen, systemen, kerken, die men eigenlijk als “slechter” of “minderwaardig” beschouwt. In het laatste geval, bij de kerken, noemt men zo iets oecumene. Wanneer je de praktijk van dit alles echter beziet, komt de zaak nogal somber naar voren. Co-existentie tussen twee staten met een geheel verschillend sociaal systeem komt neer op een wachten, wie de kans zal krijgen de ander geluidloos de dolk in de rug te steken. Co-existentie tussen rassen betekent vaak alleen maar, dat men zo bang is voor elkander, dat men de onvermijdelijke uitbarstingen zo lang mogelijk uitstelt. Let wel, de gevoelens veranderen niet, maar men staat onder het mom van samenwerking de interraciale spanningen toe zover op te lopen, dat dit een wederkerige vernietiging van de beide rassen gaat bedreigen.

Wanneer men spreekt van een co-existeren in religieus opzicht, zo houdt dit in, dat men voorlopig eigen dogmatische stellingen wel wat op zij wil zetten. Gelijktijdig blijft men echter voor zich de rechtvaardigheid van alle eigen stellingen handhaven en verkondigen, zodat wel een bekeringsdrang ontstaat, maar geen werkelijke versmelting. Met als gevolg, dat de strijd wel voor een ogenblik verschoven wordt, maar dat de potentiële gevaren van die strijd veel ernstiger en intenser zullen worden, waardoor extremisme wordt aangemoedigd. Dit alles lijkt mij reeds een reden te zijn, om de meest gebruikte slagzinnen en gebeden te veroordelen en een verbetering daarvan aan te bevelen.   De titelzin, die door mij werd gelicht uit het Latijnse “Onze Vader” wordt gezien met eenzelfde absoluutheid als andere zinnen, die wij op aarde aantreffen! “Vrede op aarde” bv., of “nooit meer oorlog”, “rechtvaardigheid voor allen”. Men interpreteert deze beden, leuzen en verlangens steeds weer in absolute zin. Juist dit grijpen naar het absolute blijkt voor mensen een niet hanteerbaar worden van de waarden ten gevolge te hebben en blijkt in zijn wereld nimmer te verwerkelijken of te gebruiken. Wij kunnen het “kwade” wel voor ons verwerpen maar kunnen nimmer het “kwade” geheel uitschakelen in onze wereld, daar dit laatste wel een verschuiving, maar nimmer een verdwijnen van “het kwade” ten gevolge heeft.

Laat ons daarom nu eens gaan zien, hoe de grootste wijzen en ingewijden op aarde deze problemen hebben opgelost.

“Het kwaad is als de dood” – zo zegt men. Het is een sterven. Maar dat kwaad, dit sterven, blijkt elders toch noodzakelijk geacht te worden. Om u hiervan een voorbeeld te geven? Wij kennen allen Egypte. De meesten van u hebben wel gehoord over de Isisinwijdingen. Weinigen weten, wat de inhoud van de Osirisinwijding was. Toch was deze laatste de belangrijkste. Hierin wordt niet alleen maar de dood getrotseerd door de zoeker naar inwijding, maar ook gevonden. Want de mens zelf sterft. Door de verschrikkingen en beproevingen van de vier elementen komt hij uiteindelijk in een toestand van catalepsie te verkeren, waarin hij alles kan zien en horen, alles beleeft en suggesties ondergaat, maar niet zichzelf verroeren kan. Dit gaat voort, tot hij niet meer bewust leeft. Zo wordt zijn eigen Ik a.h.w. vernietigd, gekraakt, tot er haast niets meer van over blijft. Volgens het Egyptische gebruik neemt het geheel van de inwijding langere tijd en kan verdeeld worden in 7 fasen, die schijnen te corresponderen met de 7 zalen, hallen of kamers, waarvan wij ook lezen in het Dodenboek.

Wanneer de mens de beproeving heeft uit kunnen houden, wordt hij aan het einde van de inwijding weer wakker. Men spreekt hem dan aan met Horus – de komende. Na enige rust komt de laatste proef: de mens moet zich zelfs ontdoen van zijn behoefte aan erkenning en steun. Hij moet helemaal alleen zijn, geheel geïsoleerd, met zijn erkenningen. Wanneer hij ook deze eenzaamheid kan verdragen, is hij gestorven als mens. Wanneer hij terugkeert in de maatschappij, heet hij Osiris. Men bekleedt hem met een gewaad, gemaakt van de fijnste soort linnen die in Kemt wordt gemaakt. In statie keert hij terug: Osiris, die, over de wateren van macht en onderwereld, terugkeert tot het licht en de werkelijkheid der mensen. Deze mens is ook feitelijk niet meer gelijk aan zijn vroeger Ik. Hij is een geheel ander geworden, er zijn voor hem zovele ervaringen geweest, dat hij nimmer meer tot het oude leven, het oude Ik, terug zal kunnen keren: hij is gestorven en herboren. Als herborene bewaart de ingewijde dan het Osirisgewaad, dat hij eerst weer zal dragen op de dag, dat hij sterft. Want dan, gehuld in het bewustzijn van Osiris, is hem de eeuwigheid zonder meer zeker.

Typisch: dood, ellende, ondergang en vele andere dingen, die de mensen zo graag onder “malo”, onder het boze, verstaat, worden hier gezocht. Wat meer is, slechts door deze dingen te zoeken en te ondergaan is de mens, de sterfelijke, onsterfelijk geworden; de ware zoon van Ré en Isis. Hij is als het ware de ware zoon Gods geworden.

Wanneer deze denkwijze nu alleen maar in Egypte bestond, zouden wij voor dit alles nog onze schouders op kunnen halen en zeggen: mooi verhaal, bijgeloof. Maar waar wij ook gaan, of het nu is naar de mysteriën van Eleusis, de oude Brahmaanse inwijdingen van India, de stierinwijdingen van de Minoïsche beschaving, of zoeken naar de geheimen van de Germanen, de wereld van de oude Azteken, of de “geheimleren” van deze dagen bezien, altijd weer treffen wij de zelfde leer, de zelfde gedachte: inwijding is een terugkeer tot de dood. De mens moet leren niet te vluchten voor het kwade, of het kwade te vernietigen, maar het kwade in zichzelf te overwinnen. En dat is weer heel iets anders. De bede “verlos ons van het kwade” moet dus worden beseft als een smeken, niet om het kwaad weg te nemen, maar de mens vrij te maken daarvan, de banden te verbreken, die hem binden met dat wat hij als “kwaad” in zich erkent.

Alleen al over deze achtergrond van de inwijdingen en de daarbij voorkomende gebruiken en leringen zou reeds een heel aardig betoog te houden zijn. Maar ik meen met het gegeven voorbeeld wel te kunnen volstaan. Hieruit blijkt duidelijk de steeds terugkerende stelling, dat de mens niet werkelijk zich bewust is van het leven, van de werkelijke vorm, die hij bezit. Het werkelijke leven, de werkelijke kracht, die hij bezit, zijn a.h.w. een soort prima materia, een klein deel van zijn uiterlijk bestaan, dat toch zijn enige werkelijkheid vormt. Dit werkelijke zijn in de mens, dat bv. in kabbalistische termen wel wordt genoemd als ons deel van de eerste Adam – men kent drie vormen van Adam – is de kracht, waarom alles in wezen draait. Uiterlijke verschijnselen zijn daarvoor niet van belang, het bestrijden van het uiterlijke kwaad heeft geen zin. Het uiterlijk onderscheid tussen goed en kwaad is een illusie.

Ik neem aan, dat u dit nog kunt volgen. Waarmede wij komen tot een kernvraag in dit verband: Wat zijn wij? Want kwaad, kan voor ons alleen bestaan in relatie tot onszelf. Ik ben natuurlijk te zien als een deel der goddelijke kracht. Maar ik ben ook meer. Ik ben a.h.w. gesmeed uit de krachten van de kosmos. Wij kunnen daarbij spreken over sulfer en mercurium, zoals alchemisten enz. dat doen. Wij kunnen het echter ook eenvoudiger zeggen. Wij zijn het resultaat van de eeuwige en ware Kracht, die in ons leeft. De omstandigheden, die in het Al bestaan en waardoor ons wezen vorm krijgt – dus ook levenslichaam en astraal lichaam, die hun voeding en levensmogelijkheden krijgen uit de fijne materie – zijn voor de stof aangevuld met de tijd, waardoor het Ik in zijn uiterlijke vorm nog verdere mogelijkheden en omstandigheden zal vinden. Drie verschillende Ik-heden bezitten wij, voor elk daarvan ligt de verhouding tussen goed en kwaad wat anders, terwijl ook de verhouding tussen Licht en duister anders is. Wie tracht om dat, wat stoffelijk kwaad genoemd wordt, in de stof voor zich uit te roeien, zal dan ook vaak ontdekken, dat bv. bij het astraal voertuig en in het levenslichaam de kwade elementen, die in de stof verdreven schenen te zijn, met grotere intensiteit naar voren komen. Het komt er op neer dat men, volgens eigen kunnen en bewustzijn, niet in staat is in een wereld kwaad weg te nemen, zonder het in een andere wereld, waarin het Ik evenzeer bestaat, te doen ontstaan.

Daarom is er geen eenvoudige oplossing voor het “kwade” of zelfs maar voor het leven zelf, al denken sommigen, dat zij er een gevonden hebben. Zeggen niet sommige christenen eenvoudigweg: “Jezus is de weg en de waarheid, Hem moeten wij volgen” en achten zij daarmede niet alle zaken als afgedaan? Daarbij vergeten zij maar liever, dat “de Weg volgen” ook betekent: Jezus volgen, die gekruisigd wordt, Jezus volgen op Zijn weg, wanneer hij …nederdaalt ter helle, om eerst daarna op te gaan tot de Vader, tot de hemelen. Jezus volgen als de weg en de waarheid betekent dus ook: door de hel gaan, de dood in lijden overwinnen. Het “kwaad” aan zich lijden enz. Maar dat vergeet men dan maar liever.

In praktisch elk systeem en elke godsdienst zoekt de mens naar de overwinning op het “kwade”. En ook haast overal ziet hij daarbij gemakshalve voorbij aan de werkelijke oplossing, die hem gegeven wordt: de overwinning is er een van aanvaarding, een verliezen van het zo hoog geprezen Ik, waardoor men herboren kan worden. Zelfs zoekt men het vaak niet in de eerste plaats in een overwinnen van het “kwade” binnen het eigen Ik, binnen eigen leven en denken, maar zoekt men zijn overwinningen op het “kwaad” te boeken in de buitenwereld. Ook hierin kunnen wij een van de redenen vinden voor het ingrijpen van de Witte Broederschap, dat wij binnenkort kunnen verwachten, zover het al niet merkbaar is geworden op aarde. Misschien voelt u echter meer voor de vraag, hoe men het Ik met zijn drie hoofdwaarden, onstoffelijk, fijnstoffelijk en stoffelijk dan wel zal zal moeten beschouwen in relatie met de begrippen goed en kwaad. Ik zal trachten u dit enigszins duidelijk te maken.

Zo goed als je als mens uit verschillende krachten en elementen bent opgebouwd, zo behoort ook je wezen tot deze krachten en elementen. Wij kunnen dan stellen, dat het lichaam valt onder water: het fluïde element; de aarde: het vaste element, het element van kracht; en ether: lucht, de atmosfeer, waarin je enkele voor jezelf noodzakelijk mogelijkheden tot omzetting en uitwisseling vindt. Wij zijn altijd aan het wezen van deze grondwaarden gebonden. Wij kunnen dus nooit iets geheel goed doen volgens eigen inzicht, wanneer wij niet al deze elementen in ons zowel als buiten ons leren kennen en beheersen. De oplossing van de bede (“verlos ons van het kwade”) is niet gelegen in het doen wegvallen van het kwade of boze, maar in de persoonlijke overwinning op het boze of kwade, zoals het voor ons bestaat binnen de waarden, die voor ons ons leven bepalen.

Nu weer terug tot de wereld, voor wij verder gaan met een probleem, dat in deze vorm wel zeer esoterisch wordt.

Als je op aarde, een probleem wilt oplossen, moet je beginnen met geheel eerlijk en nauwkeurig te zijn. Je dient je dan niet bezig te houden met bijkomstigheden of kwesties en relaties, die met de werkelijke zaak niets of slechts zeer weinig te maken hebben. Ik kan mij voorstellen, dat een politieke partij zegt: de Bijlmermeer moet bij Amsterdam, want daar heeft onze partij de meerderheid, zodat wij deze dan ook kunnen hebben in de Bijlmermeer. Een andere groep zal zeggen: wij moeten een andere kans scheppen, want wij hebben in Amsterdam te weinig invloed. Geef ons maar een afzonderlijke randgemeente. Dan zijn er ook nog mensen, die stellen: wij hebben een eigen gemeente. Moeten wij daarvan brokken afstaan, of zelfs te niet gaan voor iets anders? Elk heeft, vanuit zijn standpunt, daarbij wel gelijk. Maar wat is de kernvraag en waar ligt eigenlijk de oplossing? Deze is zeker niet gelegen in de verschillende vormen, waarin dit alles gegoten zal worden. De vraag is namelijk huisvesting, oplossing van de woningnood.

Een antwoord ligt niet in het al dan niet annexeren van een bepaald gebied door een gemeente, maar in het te niet doen van te sterk gegroeide gemeentelijke autonomie op bepaalde gebieden. Het gaat daarbij op de sterk in gemeentelijke sfeer getrokken verzorgingsnoodzaken en verzorgingsrecht, die op het ogenblik als zuiver gemeentelijke functie en recht worden beschouwd en bestaan. Wanneer de grens van een plaats wegvalt en een politionele actie niet meer bepaald zal worden door de grens van een stad of dorp – of van een land – maar eenvoudig door het actiebereik van een bepaalde politieploeg, wanneer ook ziekenverzorging en geneeskundige diensten niet langer worden gezien als gemeentelijke zaken, die helemaal afhankelijk dienen te zijn van gemeentelijke omstandigheden, maar eenvoudig als diensten, waarvan het bereik en de verplichtingen alleen nog worden bepaald door potentie, door beschikbare mogelijkheden en middelen, krijgen wij een geheel ander beeld, dat heel wat gezonder en beter is, en dat geen opheffingen en annexaties vergt. Dat weet men wel. Maar om zo te kunnen werken, zal er iets aangetast moeten worden, dat reeds bestaat, zal een bestaand belang misschien teloor gaan. Dat houdt ook in, dat een zekere macht, een zeker aanzien, zou teloor gaan en dit is voor sommige mensen prettig, begeerlijk en – voor het Ik, maar in wezen niet voor de gemeenschap – noodzakelijk. Zoals wij nu spreken over de Bijlmermeer, zo kunnen wij ook andere dingen bespreken. Het systeem van belastingheffing bv. berust op ongeveer gelijke grondslagen. Het gaat hier om een belangensysteem, dat men niet zonder meer kan aantasten, ofschoon men zeer wel beseft, dat dit systeem op zich op het ogenblik dreigt fataal te worden. Op gelijke wijze kunnen wij dit zeggen van het systeem voor interne veiligheid van de staat. Dit systeem op zich is noodzakelijk, maar de vorm, waarin het zo langzaamaan is gegroeid en voor alles het gebruik dat er zo nu en dan van wordt gemaakt, maakt het tot een dreiging, een mogelijk gevaar voor de gemeenschap. Ik kan voortgaan met het geven van dergelijke voorbeelden.

Zoals in een staat hervormingen noodzakelijk en onvermijdelijk zijn, zo die staat gezond wil blijven, economisch, sociaal, politiek gezond wil blijven, zo geldt dit ook voor ons; wij moeten eveneens steeds veranderingen en vernieuwingen aanvaarden om geestelijk gezond te kunnen blijven. Ondertussen zal het u wel duidelijk zijn, dat Nederland niet alle dingen tegelijkertijd kan doen. Je kunt niet gelijktijdig de woningnood bestrijden en alle huizen, die oud zijn, afbreken, om er voor te zorgen, dat er betere huizen komen. Je kunt niet gelijktijdig een belastingsysteem, waaraan je de nodige middelen ontleent, te niet doen en overgaan tot hervormingen, als door mij bv. aan het einde van de alinea over de Bijlmermeer werden gesteld. Je zult dus de dingen achtereenvolgend moeten doen. Nu is het eigenaardige hierbij, dat een ieder bereid is ogenblikkelijk aan een hervorming te beginnen in deze wereld, mits dit niet een hervorming is, die voor het ik of eigen belangen nadelig kan zijn.

Engeland bv. wil graag een gemeenschappelijke markt met Europa scheppen, mits de mogelijkheden tot protectie van eigen belangen en industrie daardoor maar niet worden aangetast en de mogelijkheid tot beperking van import niet ophoudt te bestaan. Men verlangt deze mogelijkheden voor zich, omdat het anders niet mogelijk zou zijn, het nu geldende systeem in politiek en economie te handhaven – hoezeer men ook zelf toe zal geven, dat het niet volmaakt, ja, zelfs dat het verouderd is, maar prijs geven wil men dit in geen geval. En wanneer men ziet naar Nederland, de Gaulle, Bonn, zullen wij zien, dat zij voor een vernieuwing zijn, maar dan alleen waar het hen voordeel brengt.

Laat ons nu eens terugkeren tot de mens zelf. Deze beseft wel degelijk, wat kwaad is voor hem. Dit is een zuiver persoonlijke kwestie, waarbij steeds weer waarden en dingen optreden, waaraan je heus wel iets zou kunnen doen. Maar men voelt, dat, zo men daaraan zou beginnen, de consequenties te groot zouden zijn. Daarom bidt men liever God en de mensheid, om alle zorgen en kwaad dan maar geheel weg te nemen, dan te vragen naar de kracht, om eigen zaken in het reine te brengen. De oude Wijzen wisten dit wel. Zij stelden: elke inwijding is een hergeboorte, want wie niet sterven kan, zal nimmer leven in waarheid. Ik meen, dat dit wel mooi duidelijk is, zoals bv. de voorwerpen bij de Euleusis mysteriën, waarin men geconfronteerd werd met het ei – 7 bestanddelen, zo passend bij het systeem, waarin men zichzelf moet zien – en de koperen slang, die duidelijk maakt hoe men de krachten, die in het Ik schuilen, zowel naar boven – tijdloosheid – als naar beneden – tijd – kan richten. Zo zouden wij eens moeten zien, wat er in de inwijdingskorf zit, die wij meedragen in het leven, de korf, die wij dan ‘bewustzijn’ plegen te noemen, of, soms ‘herinnering’, of wanneer wij trots zijn – dit ‘ons intellect’ en ‘onze cultuur’ noemen.

Daaruit zijn conclusies te trekken. Zo kan God ons, zo kunnen wij met Zijn hulp, onszelf van het “kwaad” verlossen. Maar dan ook eerst eigen dierbare beelden en verklaringen eerlijk ontleden.

  1. “Ik ben een fatsoenlijk mens.” Iemand hier, die het met deze verklaring voor zich niet eens is? M.a.w. zegt men dan: de uiterlijke norm van mijn gedrag is bepalend voor de waarde van mijn persoonlijkheid. Het is, alsof men stelt, dat het kuiken niet tot ontwikkeling komt in het ei uit de daarin zich bevindende stoffen, maar dat de schaal van het ei het leven en het kuiken is. Iedereen is geneigd zichzelf nog wel een redelijk aanvaardbaar mens met heel wat goede kanten te vinden. Maar daarbij beroept men zich meestal vooral op uiterlijkheden. Laat ons dan eerst eens gaan zien, wat er nu, volgens onze eerlijkste maatstaven, voor ons werkelijk goed is in dat Ik. Dat lijkt misschien heel wat, maar het is niet zoveel. Er zijn zovele mensen, die bij voorbeeld een steeds strengere filmkeuring zouden willen aanbevelen, maar in hun hart hopen, dat zij dan lid van de keuringscommissie zullen zijn. Er zijn mensen, die het socialisme boven alles aanbevelen. Er is een bekend socialistisch staatsman in Europa, die het dank zij zijn socialisme, heeft gebracht tot aandeelhouder- commissaris en in enkele gevallen bovendien mededirecteur in 136 grote bedrijven in België, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Die man zegt: ik ben socialist, maar in wezen is hij iemand , die het socialisme gebruikt, om een persoonlijk kapitalisme tot stand te brengen.

Vraag u dus allereerst af: wat leeft er in mij, dat ik goed vind, eerlijk doe en ook nog durf te uiten? Dat is de kern van het leven, dat is, zoals de Ouden het uitdrukten, de zaadkorrel der eeuwigheid in het Ik. Wanneer wij onszelf zo onderzoeken, blijft er natuurlijk nog veel over, dat ons edel en belangwekkend voorkomt, maar waaraan wij geen onmiddellijke uiting durven geven, of waartegen wij een zeker voorbehoud maken. Laat ons die dingen dan, hoe mooi en edel ook, voorlopig eens opzij zetten en ons geheel bezig houden met dat éne punt, waarin wij – hoe onbelangrijk het misschien ook lijkt – eerlijk en oprecht durven en kunnen zijn.

  1. Menigeen vergoelijkt veel bij zichzelf door te zeggen: maar ik ben dan ook een beschaafd mens. In vele gevallen slaat dit op “gladde” omgangsvormen en betekent het niet: ik ben een mens, die in zijn wezen geleerd heeft de rechten van anderen te waarderen, te handhaven en aan eigen verplichtingen voortdurend te voldoen. Vaak stelt men: dit betekent, dat wij een zekere mate van cultuur bezitten. Maar wat is werkelijke cultuur? Het is de innerlijke reactie op harmonie en schoonheid. Deze reactie wordt daarbij niet anders bepaald dan door de verhouding van het Ik tot een gebeuren, of de te beschouwen of te ondergane impressie. Op het ogenblik, dat auditieve cultuur wordt gespeeld B.B. – Bach en Beethoven – , is het vermoedelijk geen werkelijke cultuur meer. Op het ogenblik, dat cultuur niet groeit, maar een officiële vorm krijgt, bv. door subsidiëring en dergelijke, volgens algemene en niet persoonlijke maatstaven, is er geen sprake meer van werkelijke cultuur, doch alleen maar van een vernisje, een uiterlijkheid. Men heeft dus in doorsnee veel minder cultuur en te schaving dan men wel pleegt te denken. Laat ons dan erkennen, dat de mens met al zijn maatschappelijke en andere mogelijkheden en bereikingen nog steeds een mens is, die opgebouwd is uit eigenbelang, ook al zijn in hem abstracte waarden ontwaakt en draagt hij misschien de levende Feniks in zich. Laat ons toegeven, dat de mens van deze dagen een wezen is, dat sterven moet om zijn ware vorm te kunnen vinden.

Misschien klinkt dit alles u wel heel somber in de oren. Ik wil dan ook niet al het verdere op u persoonlijk van toepassing gaan verklaren, maar zal u liever een voorbeeld geven.

Wanneer bepaalde partijen – politieke partijen – die op het ogenblik in systemen verstard zijn, die in wezen zelfs strijdig blijken te zijn met de beginselen, die zij als de hunne erkennen, zal het niet mogelijk zijn deze partijen zonder meer, hetzij van binnen uit of van buiten af, te hervormen. Zolang zij aan de macht blijven of voldoende invloed blijven bezitten, zullen zij het bestaande handhaven. Eerst wanneer de partijen als organisatie ineen storten, kan het beginsel van die partijen weer zuiver tot uiting komen en groeien. Er kan dan een nieuwe partij ontstaan, die alle goede elementen van het oude nog bezit, maar niet meer gebonden is aan de belangen en beperkingen, die de oude partij tot een verloochenen van eigen beginselen voerde.

Een Kerk, die tracht zichzelf te hernieuwen en aan te passen aan deze tijd, is altijd weer gebonden aan alles, wat zij in de Oudheid, in het verleden, heeft gezegd, gesteld en verklaard. Zij is gebonden aan de normen, die zij haar gelovigen heeft opgedrongen en die dezen nu haar op hun beurt opleggen. Op het ogenblik, dat die Kerk ophoudt als Kerk te bestaan en niet meer kan optreden als een gesloten dogmatische gemeenschap, blijft als haar kern bestaan: het geloof en de innerlijke waarde van allen, die dit geloof oprecht aanvaarden in in zich dragen. Dezen zullen dan samen komen en opnieuw een Kerk stichten. Dit zal echter niet meer een uiterlijke, maar een innerlijke Kerk worden, wanneer hun geloof innerlijk is en niet slechts een meer uiterlijke vorm van zelfverheffing en zelfrechtvaardiging. In het eerste geval zal het innerlijk gaan domineren over de uiterlijke vormen.

Menige Staat blijft voortdurend zichzelf gelijk, ook al zal de ene maal het gezag worden uitgeoefend door Labour en een andere keer door de conservatieven of zoiets. Dat laatste maakt namelijk niet veel uit. Wanneer een Staat wordt aangevallen en vernietigd, kan zij haar wezen pas werkelijk veranderen. Een voorbeeld hiervoor is Nederland, dat vóór de laatste wereldoorlog een kapitalistische maatschappij was en bleef. Het ontstaan van een werkelijk socialistische staatsvorm was onmogelijk, omdat daarmede alle gevestigde belangen en gebruiken zouden worden aangetast. Dan komt de wereldoorlog. De samenhang van de staat Nederland – niet van het volk dus – valt uiteen. Nu kan men natuurlijk zeggen, dat de wetten van heden voor een groot deel bestaan uit residuen van de Duitse wetgeving tijdens de bezetting en maatregelen, die waren uitgedacht in Londen zonder enig werkelijk besef van de omstandigheden en behoeften van het volk. Maar wanneer wij dit nu even terzijde laten, blijkt, dat door de aantasting van de samenhang van de staat het ontstaan van een voor Nederland geheel nieuw sociaal systeem mogelijk werd en een nieuwe besef in het volk kon groeien, dat tot dan toe steeds onderdrukt was. Eerst toen dit besef zich in het gehele volk redelijk had vastgezet en in de staatsvorm en wetgeving tot uitdrukking was gekomen, ontstond opnieuw een verstarring, zoals een ieder nu wel kan zien.

De kern waar het mij om gaat is het volgende: pas in het schijnbare sterven ontstaat de vernieuwing.

Nu zouden wij allen in deze dagen wel willen bidden: “Machtige God, Witte Broederschap, grote geesten en ieder, die wij maar bereiken kunnen, zorg a.u.b., dat wij van het kwaad bevrijd worden, dat wij het kunnen houden, zoals wij het nu hebben. Het is wel niet volmaakt, maar het is zo gezellig.” Maar de Witte Broederschap moet wel ingrijpen. De goddelijke kracht kan hier niet de zaak handhaven, zoals zij is, want – en dit is het belangrijkste punt wat ik vanavond wilde maken – hetgeen wat men vreest, hetgeen wat men wil vermijden en ziet als groot kwaad, is dat niet altijd. Het is misschien kwaad, zoals wij het zien, maar wanneer wij in staat zijn dit te overwinnen, om herboren te worden, door al wat wij nu zijn en hebben in elke vorm te verliezen en opnieuw bewust te beleven, kan er pas sprake zijn van een werkelijke vernieuwing. Dan pas kan er sprake zijn van een godsdienst, die waarlijk God dient en, niet alleen de zelfzucht van de mensen. Dan alleen kan er gesproken worden van een politiek, die niet meer uiting is van de strijd tussen belangengroep en belangengroep, maar uiting is van een deskundig streven en overleggen, waardoor aller belangen werkelijk gediend zullen worden, zonder dat aller vrijheid daarom hierdoor wordt aangetast. Alleen door deze vernieuwing kunnen grenzen vallen, die op de meest ridicule manier op het ogenblik samenhorende landschappen, belangengemeenschappen en productiegebieden in stukjes hakken. Alleen op deze wijze kan de mensheid terugkeren, van haar theoretiserend en moraliserend gemurmel tot de praktijk van een bewust en reëel leven.

Als wij dus het geheel mogen zien in de termen van de inwijding, zoals deze door alle eeuwen heen reeds heeft bestaan, zo zou in deze dagen de bede “sed libera nos a malo ” moeten betekenen: “Geef ons de kracht, o Scheppend Vermogen, te sterven in onszelf, opdat wij herboren mogen worden tot de waarheid van het leven, waaruit wij zijn voortgekomen en waarvan wij een onverbrekelijk deel uitmaken.”

Dit is dan mijn onderwerp. Ik hoop, dat het verstaanbaar is gebleven. Indien u commentaar hebt, kunt u dit nu rustig spuien.

* U zei zo iets van, als het kwaad aan deze kant wordt weggenomen, wordt het er  aan de andere kant onmiddellijk weer bijgedaan. Is dit kwaad dan een onveranderlijke  grootheid of zo?

Wat wij kwaad noemen, is eigenlijk wel een onveranderlijke grootheid. Kijk eens, er is in Nederland een tijd geweest, dat het kwaad – het minderwaardige, het minder belangrijke – beneden de grote rivieren lag. U gelooft dit misschien niet, maar er is heus een tijd geweest waarin Brabant en Limburg in de ogen der andere staten, het verdere Nederland van die dagen, maar slecht waren. In wezen was dit het erkennen van een grens, de grens van de grote rivieren. Wat wij kennen als “het kwade”, is een grens van het beleven Een grens, die wij niet willen aanvaarden, omdat wij menen, dat dit niet voor ons past. Laat ons een voorbeeld nemen.

Een mens, die niet innerlijk herboren is, gaat zichzelf kastijden, onthouden van voedsel en al datgene, wat een menselijk leven aanvaardbaar, dragelijk maakt. U zou dus zeggen: deze leeft als een heilige. Wat is het resultaat? Dat, wat hij zich in de praktijk met zoveel inspanningen en geweld weet te ontzeggen, beheerst zijn gedachten. Zijn astrale belevingen zijn niet een bevrijding als gevolg van een werkelijke lichamelijke reiniging van het Ik, maar worden beheerst door demonen, die door eigen denken worden opgeroepen. Men heeft het kwaad dus niet waarlijk vermeden of te niet gedaan maar de werking daarvan voor het Ik eenvoudig verplaatst.  Ik geef nog een voorbeeld.

De zelfzucht van de ondernemer is “kwaad”. Wij moeten dus hieraan paal en perk stellen, zo heeft men gezegd. De arbeider zal voortaan steeds meer rechten hebben. Dit was mooi, want het kwaad van de onredelijke exploitatie van de arbeider werd hierdoor uitgebannen. Maar naarmate de arbeider meer rechten verkreeg, zag hij minder verplichtingen,- zodat de oorzaak voor reëel protest en verzet tegen exploitatie werd vervangen door imaginaire klachten en redenen, wat, naar nu langzaamaan duidelijk wordt, voor economie en welvaart meer gevaren inhouden kan, dan de grootste stakingen van vroeger. Daarbij komt, dat deze strijd en deze inwerkingen niet meer alleen betrekking hebben op werknemers en werkgevers, maar beheersend worden voor de gemeenschap, waarvan wij allen deel uit maken, wanneer wij leven in de stof. Het kwaad is in feite groter geworden, doordat men getracht heeft het te ver weg te plaatsen. Beide grenzen van het mogelijke zijn dus vanuit menselijk standpunt in wezen kwaad. Het goede is het middelpunt, dat door de begrenzing omlijnd wordt. Kunt u mij volgen? Volgende vraag dan.

*U zegt zo ongeveer, dat het kwade bekeken moet worden via het astrale en het stoffelijke lichaam. Mijn vraag is nu: bestaat dit kwade nu wel? Bestaat ook het goede? Want ook het goede wordt relatief bezien door u.

Ik begrijp, wat u bedoelt. Laat ons dan concreet stellen: In God is er geen goed en geen kwaad. God is. Omdat wij allen deel van God zijn, zal er voor ons, zodra wij ons van dit deelzijn bewust zijn en dit geheel aanvaard hebben, evenmin goed en kwaad bestaan. Goed en kwaad zijn voor ons de begrenzingen, waarbinnen ons bewustzijn zich beweegt, waarbij deze grenzen vergelijkbaar zijn met licht en duister. De wisselwerking tussen deze beiden en de gradatie, die daardoor mogelijk wordt, doet ervaring, leven en mogelijkheid tot bewustwording, ontstaan. Wij kunnen dus zeggen, dat het kwade, als zijnde bv. chaos, inderdaad aanwezig is, zowel als het goede, de perfecte vorming, de volmaaktheid, die eveneens bestaat. Deze waarden zijn voor ons in de schepping reëel aanwezig. Ook in God zijn zij, maar nu niet meer van elkander te onderscheiden of te scheiden, steeds mede aanwezig.

De oplossing lijkt mij dus nogal eenvoudig. Er bestaat inderdaad, wat wij goed noemen en wat wij kwaad noemen, zoals er evenzeer een duivel bestaat als dat, wat wij God noemen. Maar deze dingen zijn niet onze werkelijkheid, doch vormen slechts de begrenzingen, waarbinnen ons bewustzijn zich beweegt. Elke aanduiding van goed en kwaad stelt niet alleen absolute waarden, maar houdt in de benaming mede een beoordeling in, welke van ons uit juist lijkt en in ons krachtens de geaardheid en bestrevingen van ons wezen bestaat. Waaruit weer voortvloeit, dat dus goed en kwaad, gehanteerd kunnen worden als volkomen reële waarden, mits wij daaraan toevoegen, dat zij in hun realiteit voor de mens niet kenbaar zijn dan vanuit een volkomen persoonlijk standpunt, waarmede de relativiteit niet op het goede en kwade in zich berust, maar berust op de persoonlijke benadering en erkenning, waarbij het Ik de verhoudingen bepaalt, zover die voor dit Ik kenbaar bestaan.

Dan volgt hieruit weer, dat de eenmaal bestaande begrenzing der bewustwording door het Ik niet gewijzigd kan worden, tenzij het Ik ook zichzelf wijzigt. Dit brengt met zich, dat elke eenzijdige onderdrukking van het erkende kwaad, bv. in de stof, met zich zal brengen dat het in een andere vorm, bv. in de geest , weer tot uiting komt, omdat een bestaan zonder grenzen voor het Ik nu eenmaal niet mogelijk is. Verder vloeit hieruit voort, dat het wegnemen van het kwaad uit de geest in de stof weer beperkingen en resultaten tot stand zal brengen, die wij dan toch wel weer als kwaad zullen zien. Zelfs vanuit het standpunt van Jezus is de kruisiging niet goed. Zij is kwaad. Anders zou Jezus nooit bidden “Vader, vergeef hen, want zij weten niet, wat zij doen”. Uit dit kwaad komt gelijktijdig het geestelijk goed voort: de aanvaarding van de kruisdood door Jezus en daardoor zijn herboren zijn, zijn herrijzenis, waarbij hij tot ons komt in een andere functie.

Waar u ook zoekt, bij welke leer of wijsgeer, wanneer u de kern kent, de sleutels kent, treft u deze zelfde achtergronden aan. Ik wilde hierop juist de nadruk leggen, omdat in deze dagen vernieuwing en verandering nu eenmaal onvermijdelijk zijn, zowel in het persoonlijk leven van de mens als in de gemeenschap. De vernieuwing brengt dus veel naar voren, dat schijnbaar kwaad is, maar dit kwaad schept dan toch gelijktijdig een geestelijk goed. Anders gezegd: soms zal de mens of de mensheid zich gekruisigd voelen. Maar door die kruisiging en de aanvaarding daarvan zal men de vrijheid kunnen bereiken om het werkelijke Ik geheel te kunnen openbaren. Dit is van groot belang, omdat men zich anders gaat beklagen over het kwade, dat in deze dagen geschiedt. Ik wilde uitdrukkelijk constateren, dat dit kwade maar zeer relatief kwaad is, namelijk alleen gezien van uit een zeer bepaald standpunt, maar door zijn uitwerking ook goed genoemd zal kunnen worden. Of om het nog eens anders te stellen: wanneer je mooie rozen wit hebben, die heerlijk geuren, moet je er eerst mest op gooien, die stinkt, voor zij tot bloei komen.

DE INNERLIJKE WAARDEN VAN GOED EN KWAAD

U heeft in het eerste deel van de avond dus het probleem bezien van goed en kwaad, dat voor sommigen op een nieuwe manier werd belicht, al zullen anderen protesteren tegen een herhalen van een te bekend onderwerp. Je bent geneigd om te vragen, of het nu wel noodzakelijk is juist deze dingen altijd weer te herhalen. Maar wanneer wij in onszelf zien, worden wij eveneens geconfronteerd met de kwestie van goed en kwaad. En dan blijkt, dat wat voor de een innerlijk een grote schuld kan betekenen, voor een ander alleen maar een bijkomstigheid is, die hij gewoon maar vergeet. Wat voor de ene mens een ervaring wordt, waardoor hij verder komt tot rijpheid en bewustzijn, zal voor een ander een situatie worden, waardoor hij niet meer verder kan en eenvoudig verstard blijft stilstaan. Daarom wil ik proberen, ook over die innerlijke waarden van goed en kwaad eens iets te vertellen in de hoop, dat wij op die manier toch weer een vruchtbare avond hebben en nader komen tot een begrip van de werkelijke waarden van het leven.

Allereerst wil ik dan beginnen met een vaststelling, die wij nooit mogen vergeten: de waarheid van het leven is een zuiver persoonlijke waarheid zover het de uiterlijke dingen betreft. Want in al datgene wat wij rond ons zien, projecteren wij in onszelf. Dit betekent, dat, al schijnen wij uiterlijk het met anderen eens te zijn over waarderingen als goed en kwaad, licht en duister, dit nog niet betekent, dat de innerlijke waardering of innerlijke waarde van deze begrippen ook voor een ieder gelijk is. Wij zijn, of wij willen of niet, ergens eenzaam, eenzaam vooral in onze beoordeling van het leven en dus ook op onze weg naar het hogere bewustzijn.

Er zijn duizend en één mogelijkheden om dit te omschrijven. In wezen zou ik het als volgt willen omschrijven: In de eerste plaats zal elke mens te aller tijde streven naar datgene, wat voor hem een instandhouding van het Ik betekent. Elke mens zal al datgene bestrijden of ontwijken, waarin hij een aantasting van eigen Ik vermoedt. Hoezeer wij ook geloven aan de wil Gods, aan de leiding van grote engelen misschien, die voor onze bewustwording tot onze beschikking staan, wij zullen ons aan deze regels blijven houden. Want het eigen bewustzijn, plus het begrip van eigen bestaan, is voor ons de motiverende factor in het leven, hoe dan ook en waar dan ook.

Punt twee: Alle bestrevingen van de mens worden voor hem bepaald door zijn begrip van tijd. Ofschoon het wezen mens ergens eeuwig is, onaantastbaar en onvernietigbaar, zal hij alle tijdservaren, zoals dit in een bepaalde sfeer of wereld bestaat, steeds weer zien als maatstaf voor al datgene, wat hij tot stand moet brengen. Dientengevolge heeft de doorsnee mens, geestelijk zowel als anderszins, de gewoonte vele dingen half te doen, in plaats van enkele dingen goed te doen. Hij beschouwt dit veel doen dan vaak nog als iets goeds ook.   Een derde punt: In de innerlijke bewustwording komt ook heel vaak de vraag naar voren: “Ben ik hierdoor meer dan mijn naaste?” M.a.w. is de innerlijke bewustwording voor velen een grijpen naar een innerlijke macht, een innerlijk gezag, waardoor zij zich t.o.v. anderen vrijer kunnen bewegen en voor hun levensbewustzijn een grotere zekerheid menen te verwerven. Het zijn geen prettige dingen, om dit alles zo te moeten zeggen. Maar het is juist, want de werkelijkheid van ons Ik, algemeen bekend en slechts zelden beseft, zal met de voornoemde punten weinig of niets gemeen hebben.

In de eerste plaats kunnen wij van dit Ik dan weer gaan zeggen: Het werkelijke Ik is eeuwig, het is in zijn plaats en bestemming bepaald door de Schepper en zal zich daaraan niet kunnen onttrekken. Bewust of onbewust zal dit Ik zo altijd datgene volbrengen, wat noodzakelijk is binnen het geheel. In de tweede plaats volgt dan: het Ik ervaart zichzelf onvolledig, maar zal, naarmate het zichzelf meer leert ervaren, meer afstand weten te nemen van uiterlijkheden. Datgene, wat zich vertekend toont en daardoor niet juist waar is te nemen, wanneer je er te dicht bij staat, wordt alzo overzichtelijker, aanvaardbaar en begrijpelijk, naarmate je meer afstand gewint. Vanuit de eeuwigheid is het leven met al zijn ervaringen en belevingen aanvaardbaar, redelijk en reëel. Van dichtbij is dit echter voor het Ik niet het geval.

Dan kun je zeggen: het Ik is opgebouwd uit vele verschillende voertuigen en in elk van die voertuigen bestaan andere mogelijkheden.

Dit is een algemene stelling. Wij dienen hieraan echter toe te voegen: dit zijn alle uitingsvormen van het werkelijk Ik en betreffen dus wel bewustwording en belevingsmogelijkheid, maar zijn nimmer te zien als de eigenlijke kern van eigen wezen. Het Ik blijft zichzelf gelijk in alle sferen, in alle werelden en slechts de erkenning, die het Ik voor zichzelf heeft kan verschillen. Waar de erkenning van het Ik volledig is, bestaat geen wereld en geen afzonderlijke sfeer meer. Dan bestaat er nog slechts een eeuwige werkelijkheid, niet gebonden aan tijd, onveranderlijk en volmaakt.

Ik stel deze punten zo, om duidelijk te maken, dat de moeilijkheid voor ons niet gelegen is, zeker niet wanneer wij de innerlijke weg willen gaan, in de kern van ons bestaan. De kern is er. Dat waarmee wij worstelen, zogenaamd om dichter bij God te komen, zal in werkelijkheid niets anders zijn dan een pogen het ware Ik in werkelijkheid en geheel te beleven. Om dus ook meer onszelf te kunnen zijn.

Dit jezelf leren zijn brengt met zich, dat je de zin der dingen gaat doorschouwen. Hier wil ik dan maar liever weer een vergelijking gebruiken. Je hebt bepaalde kabbalisten, die een woord nemen en het ontleden in zijn letters, zo het woord makende tot een gehele alinea, een gehele zinsnede.

In één enkele naam, in één enkel woord kan dus een totale verklaring verborgen zijn. Wanneer wij gewoon leven, zijn wij geneigd de feiten en gebeurtenissen alleen op hun uiterlijke waarde te schatten. Maar in verband met ons innerlijk, zouden wij ze eigenlijk moeten kunnen ontleden, zoals de kabbalist het woord ontleedt. Je zou alle gebeuren moeten kunnen ontleden in zijn bestanddelen, omdat elke ademtocht, elke gedachte, elke kleine verandering van emotie in het Ik ook de verhouding van het ware Ik tot God spelt en gelijktijdig de waarde van het gebeuren in de goddelijke werkelijkheid doet beseffen. Zo is de waarde van de innerlijke erkenning in feite gebaseerd op een tussen de regels van het onmiddellijk gekende bestaan door.

Op de esoterische weg wordt het ons wel eens moeilijk gemaakt. Wij hebben uiteindelijk zulke hoogdravende bewoordingen gevonden en zulke hoogdravende bestemmingen, wij voelen ook zovele mogelijkheden, die het menselijke te boven gaan, dat wij eenvoudig vergeten de dingen te ontleden, of zelfs maar te zien, zoals zij in wezen toch zijn. Vooral vergeten wij, wát zij voor ons in deze vorm van bestaan wel te betekenen kunnen hebben. Zolang wij ons bezighouden met algemeenheden, lopen wij vast. Daarom kan een esoterisch systeem, dat de mens grote bekwaamheden bijbrengt, maar hem niet in staat stelt de werkelijkheid van zijn eigen persoonlijkheid te beseffen en daarmee ook te werken, eerder beschouwd worden als kwaad.

Hier staan wij dan voor het vervelende geval, dat je dus door al te veel goed te willen doen, soms kwaad doet. Dit kun je de mensen meestal moeilijk duidelijk maken. Zij zeggen wel ja, wanneer het verklaard wordt, maar wanneer het er op aankomt, kunnen zij het nooit over hun hart verkrijgen om de les ook in de praktijk om te zetten. Want goed is voor de mensen meestal zoiets als God. Innerlijk streven naar het beste en hoogste, wat je beseffen en omvatten kunt, is voor hen ook God, het is voor hen eeuwigheid. Het valt hen moeilijk hierbij zich beperkingen op te leggen, of zelfs maar een ogenblik de wenselijkheid te overwegen. Want eeuwigheid is voor hen tevens een vorm van zelfhandhaving, van zelfbehoud, zodat hier de regels, die wij aan net begin van dit onderwerp bespraken weer op de voorgrond komen.

Laat ons nu de kern van de zaak maar eens bezien. Met al het streven naar het Hogere trachten wij maar al te vaak het lagere te verlaten, dat voor ons nog steeds de basis is, waarop het Hogere voor ons bereikbaar is. Met onze pogingen om al te mooi te handelen, al te goed te zijn en al te veel de eeuwige waarden in ons leven naar voren te brengen, vergeten wij vaak het tijdelijke en de belangrijkheid daarvan. Maar ons bewustzijn is gebonden aan het tijdelijke. Je kunt nimmer op aarde of in de sferen een bewustzijn hebben van het Hogere, wanneer daardoor gelijktijdig een bewustzijn van het lagere, waarin je leeft en de werkelijkheid daarvan, wordt uitgesloten.

Dan is ook begrijpelijk waarom een van de mooiste filosofische regels zegt: “kies steeds de midden weg, innerlijk zowel als naar buiten toe, want hij die het extreme weet te vermijden, ontmoet de waarheid.” Dit betekent dus dat, wanneer ik gematigd leef en streef, een inspiratieve waarde bij voorbeeld in mij veel beter en juister zal kunnen werken, dan wanneer ik deze inspiratie tracht af te dwingen. Het is zeker dat ik, wanneer ik onverschillig ben voor en niet geloof aan de goddelijke kracht, deze nooit zal kunnen uiten. Maar wanneer ik mij alleen op de uiting door mij van die goddelijke kracht blijf richten, is het wel zeker, dat ik even weinig tot stand breng op dit gebied. Ik moet altijd het middenpad kiezen, ik moet altijd in de eerste plaats mijzelf blijven.

De wereld is voor de meeste zielen een weegschaal. Zij menen dat hierin hun daden van goed en kwaad gewogen worden. Maar dit is voor de ziel niet het belangrijke. De schalen en hun inhoud zijn bij wijze van spreken minder belangrijk dan het feit, dat zij op de juiste wijze een balans behouden. Want God is voor ons nu eenmaal nog steeds de balans van waarden, waarbinnen voor ons het Zijn mogelijk is. Het is immers de reeks van tegenstellingen, van elkander tegengerichte krachten en werkingen, de tegenstrijdigheden van het Al, waardoor leven en bewustzijn kunnen ontstaan. Het is deze toestand in het goddelijke, die wij innerlijk allereerst zullen moeten reproduceren. Wij kunnen dan spreken over de pijlers, waarop wij het bewustzijn moeten bouwen, de pijlers bv. van het goede leven.

Deze dingen zijn wel waar. Maar zij zijn in wezen voor mij alleen waar, zolang ik de zaak niet overdrijf, zolang ik niet te eenzijdig word in mijn streven en ontwikkeling. Ik leef a.h.w. tussen de kracht van de rede en de kracht van de gevoelens, van de inspiratie. Ik leef tussen de uitdrukking van God in mij en het verstandelijke, dat mij een eigen wereld betekent, die past bij mijn rede.

Ik moet zelf een weg kiezen. Kies ik een van de genoemde wegen met uitsluiting van al het andere, dan zal men nooit iets bereiken: eerst wanneer ik binnen de tochten mij een eigen weg, een persoonlijke benadering weet te scheppen, heeft mijn leven zin en kan ik van een werkelijke bewustwording spreken. Zoals men dit in een andere filosofie wel zegt: “Tussen de beide grote zuilen staat de derde zuil. Deze derde zuil ben ik. Kent uzelf, opdat gij uit de erkenningen van uw eigen wezen de zuilen zult leren erkennen, waarop sinds de schepping alle wezen is gegrondvest en gij zult groeien tot een verbinding van Ik met alle waarden, tot gij zijt geworden een boom des levens, wortelende in de aarde, reikende tot de hemelen.”

Dat zijn mooie zinspreuken, weet u. Maar waar het op neerkomt, is ook nu weer: het werkelijke pad van bewustwording, de werkelijke arbeid van de eeuwigheid in het Ik, is het vinden van een gemiddelde tussen de uitersten van goddelijke werking en goddelijke wet. In ons geestelijk streven moeten wij daar rekening mee houden. Zolang wij niet geneigd zijn om altijd alle waarden tegen elkander af te wegen; zolang wij niet geneigd zijn om alles te aanvaarden maar steeds weer trachten een enkele alomvattende waarheid te stellen zonder te beseffen, dat er nog iets anders kan bestaan; zolang wij in onze bestrevingen alles ondergeschikt willen maken aan het ene, wat wij als juist hebben aanvaard of willen geloven, zo zullen wij volgens eigen begrip misschien wel veel bereiken, maar in feite zullen wij daarbij het contact met de oneindigheid, de ware innerlijke harmonie, verliezen.

Ik neem nu maar aan, dat u dit alles kunt volgen en begrijpen, want in wezen is dit alles eenvoudig genoeg. Wel wil ik aan het voorgaande nog de volgende punten verbinden.

Er is dus geen wet, die absoluut is. Er bestaat voor het menselijk besef zelfs geen goddelijke of kosmische wet, waarop geen uitzondering mogelijk is. Dit vloeit voort uit het feit, dat de mens alle kosmische wetten en regels, zowel als zijn innerlijke wetten en regels, heeft geleerd te zien als een eenheid, niet beseffende, dat juist deze regels en wetten eveneens een gevolg zijn van een balans tussen twee krachten. En toch is elke werkelijke wet steeds weer het resultaat van twee invloeden: zij kan nooit tot stand komen alleen uit het besef van wat goed is. Want in het goede erkent men een mogelijkheid of toestand, maar geen wet. Ook kan een wet niet zonder meer voortkomen uit een besef van het kwade alleen; wanneer er geen alternatief gesteld kan worden, zou een regel, die enkel het kwaad bestrijdt, zonder daarbij een maatstaf van goed en juist handelen te geven, de erkenning van en tot stand brengen van het goede moeilijk of onmogelijk maken.

Ik geef u een eenvoudig voorbeeld. Om een goed wegen verkeersreglement te maken, zul je rekening moeten houden met de werkelijke feilen en fouten in het verkeer – het kwade – aan de ene kant en aan de andere kant met de wenselijke toestand, – het goede. Tussen deze beide uitersten zal men een compromis moeten vinden, waardoor men niet te veel tolereert aan de ene zijde, maar aan de andere kant een zo onmogelijk strenge regeling, dat een uitvoering daarvan elkeen in de praktijk haast onmogelijk zou zijn, eveneens weet te vermijden.

In je eigen leven heb je altijd weer vele opvattingen, die wel heel erg eenzijdig zijn. Wij kunnen hier bv. gaan spreken over de verschillende opvattingen van bv. huwelijksleven, kuisheid, kindertal en kinderbeperking, zoals dezen tegenwoordig nogal eens aan de orde worden gesteld. Wij kunnen spreken over naastenliefde en mensenliefde, welke begrippen ook nogal eens tot het extreme worden doorgevoerd – met de mond, in theorie dan. Altijd weer zullen wij ontdekken, dat je met de mooiste eenzijdige theorieën in feite niets kunt doen. Wanneer je vreugdig verkondigt, dat elk kind een geschenk Gods is – aan de ene zijde -, en anderzijds daardoor er toe bijdraagt, dat er op de aarde te veel mensen komen, dan zullen in het menselijke ras spanningen ontstaan, die er toe voeren, dat het zichzelf het leven onmogelijk maakt en de mensheid uit zal sterven. Wanneer je zegt: elke beperking is zonder meer toegestaan en goed, dan zou hiermede een bepaalde gemakzucht worden aangemoedigd, waardoor het ras evenzeer ten gronde zou kunnen gaan. Ook hier blijkt dus, dat, ongeacht alle persoonlijke opvattingen, ja zelfs ondanks alle geloof, een middenweg gezocht zal moeten worden, opdat het leven op aarde voor de mensheid ook morgen nog mogelijk zal zijn.

Bij het begrip naastenliefde treffen wij alweer de zelfde vreemde resultaten van eenzijdigheid: wanneer ik zeg, dat de perfecte naastenliefde de absolute zelfnegatie is, zo zal degene, die op deze wijze zijn naasten lief heeft, zich voor zijn naasten offeren, zo zichzelf vernietigen en zo de bron van naastenliefde te niet doen. Bij absolute zelfnegatie is dit haast niet te vermijden, omdat de bronnen van naastenliefde dan te rijkelijk kunnen worden geëxploiteerd door hen, die deze in zich niet bezitten. Aan de andere kant kan ik ook zeggen dat de ware naastenliefde altijd bij jezelf begint. Ook dit is niet juist, omdat hier het Ik voorop wordt gesteld zonder meer. De mensen, die zo praten hebben meestal zichzelf zo lief, dat zij aan hun naasten meestal eerst toekomen met hun zorgen en streven, wanneer het al niet meer nodig is. De gulden middenweg is hier eenvoudig genoeg. Dit staat zelfs in het evangelie. De oplossing is: heb je naaste lief gelijk jezelf. Niet meer, maar ook niet minder.

Ook dit is ergens een soort compromis zoals altijd. Want indien men u zegt: “Heb uw God lief boven alle dingen”, zo zal men geneigd zijn om dit mooi en juist te vinden. Maar als het er op aankomt, kun je ook dit ergens net niet. Want op het ogenblik, dat je jezelf niet meer telt of waardeert, omdat je je God alleen liefhebt en nastreeft, heeft het leven zelf geen zin meer voor je. Zo is zelfs de hoogste liefde, die de mens voor God kan kennen, ergens gemengd met eigenliefde. Heiligen bereiken deze status niet, omdat zij nu eenmaal zo zijn geboren, of qua wezen heilig waren. Hun heiligheid, hun verandering en verachting van de materie en de normale behoeften van het leven, blijkt alleen maar voort te komen uit de behoefte om god en hemel te erkennen en te bereiken, en ergens speelt dan hier de hemel een grote rol: zij nemen aan, dat zij alles, wat zij om godswil nu ontberen, daar duizendvoudig terug zullen krijgen. Dergelijke mensen zetten dus, ongeacht het oordeel van de wereld, in feite vaak hun heden op rente uit in de hoop in zeer korte tijd een woekerwinst te maken.

Als u de zaak zo beziet, begint u te glimlachen. Maar nu een meer persoonlijke vraag: Hoe vaak doet de mens met al zijn innerlijk streven niet hetzelfde? Hoe vaak zal men misschien mediteren in de hoop, dat men door een uur concentratie twee uren terug wint? Direct mooi is dat niet. Maar wanneer wij door die kracht het leven voor onszelf en anderen aanvaardbaarder kunnen maken…

Wij moeten begrijpen, dat goed en kwaad relatieve waarden zijn. Daarom moeten wij ons niet zoveel met beoordelen, met goede en kwade dingen, bezighouden, maar meer aandacht wijden aan onszelf. Want wij, wijzelf zijn de enige werkelijkheid, vanwaar wij uit kunnen gaan. En indien wij voor onszelf een voortdurend evenwicht kunnen vinden tussen het uitermate begeerlijke en het niet meer aanvaardbare – geestelijk en stoffelijk – dan leven wij werkelijk. Dan is onze mogelijkheid tot bereiken het grootste. Ook op de innerlijke weg, ook in andere werelden en sferen blijft dit van kracht. Leven als mens is in feite een voortdurend compromis tussen het Lichte en het duister in je wezen. Het is de voortdurende rondgang van Lichtende waarden en krachten enerzijds en materie, chaos, ja, zelfs wat je ontbinding en verderf zou kunnen noemen, aan de andere kant.

Onze vriend heeft in het eerste onderwerp getracht u dit enigszins duidelijk te maken. Ik voor mij wil daaraan – al mag ik gezien de toestand van het medium het niet al te lang maken naar men mij heeft gezegd – hieraan nog enkele conclusies verbinden van meer geestelijke aard, die echter volgens mij toch wel van het allerhoogste belang zijn. Voor een ieder, die het innerlijk pad wil volgen, ongeacht hoe of waar, zeg ik daarom: Bedenk wel, er bestaat voor u nimmer een absolute waarheid. Er bestaat voor u nimmer een absolute onwaarheid.

Zoek daarom steeds dat deel van de waarheid, waarin gij leven kunt en leef deze waarheid dan zo volledig als u maar mogelijk is.

In de tweede plaats: Gij zult innerlijk en ook in sferen en andere werelden voortdurend leven tussen de vrees en de begeerte. Breng in uzelf vrees en begeerte zozeer bij elkaar, dat u een gerichtheid in het leven kunt vinden, die zowel voor u als voor anderen aanvaardbaar is.

Vraag u niet af, welke Engel, Troon, of Heerschappij men theoretisch nu moet naartoe streven. Vraag uzelf af: wat kan ik met mijn huidige middelen en neigingen het eenvoudigste leren en uiten? Dit is de methode van zelfontwikkeling, die voor een ieder bruikbaar blijft.

Dan wil ik u er nog op wijzen, dat wanneer niets geheel waar en niets geheel onwaar is, wij geen absolute waarheid kunnen erkennen. Maar er is toch altijd wel een waarheid, die nu voor ons voldoende is, een waarheid, die ons tevreden stelt, een waarheid, waardoor wij verder kunnen komen.

Laat ons dan ook niet strijden over het al dan niet geheel waar zijn van een bepaald punt, waarin wij geloven, maar laat ons steeds weer onszelf afvragen, of dit geloof, deze door ons aanvaarde waarde voor ons ook vruchtbaar is. De goddelijke krachten komen immers wel voor ons tot uiting, maar wij kunnen nu eenmaal moeilijk verwachten, dat wij de volheid van de goddelijke waarheid binnen de perken van een menselijk verstand uitgedrukt zullen zien.

Besef verder, dat ook degene, die esoterisch streeft, stof en geest met elkander moet verenigen. Tracht daarom al wat gij innerlijk beleeft en bereikt, terug te vinden in de materie en eerst wanneer men het innerlijk aanvaarde ook in de materie tot uitdrukking wil en kan brengen, vindt gij de zekerheid, dat gij innerlijk het juiste pad hebt gekozen.

Misschien is het goed hieraan toe te voegen: bidt wanneer en zoals je maar wilt, maar bidt nimmer alleen voor jezelf, want dan spreek je alleen tot jezelf.

Spreek van jezelf tot de oneindigheid, waarvan je deel bent en je zult zelfs in de oneindigheid jezelf beter leren kennen.

Ik meen, vrienden, dat dit voor heden wel voldoende is en besluit dan ook hiermede mijn betoog.