Sfeer

uit de cursus ‘Occulte Praktijk’ (hoofdstuk 3) – december 1965

Sfeer

Als wij ons met praktisch occultisme bezighouden, dan zullen wij steeds weer worden geconfronteerd met de belangrijkheid van de z.g. sfeer. Sfeer is moeilijk te omschrijven. Het is een toestand, waardoor men in zijn gevoelens wordt gestimuleerd, doordat een bepaalde gevoeligheid of ontvankelijkheid rond de aanwezigen ontstaat. Indien wij willen werken met meer occulte waarden en gaven, dan zullen wij op die sfeer de nadruk moeten leggen. En daarvoor zijn er een aantal betrekkelijk eenvoudige regels, waarmee u kunt bepalen:
a. wat voor sfeer u maakt
b. onder welke omstandigheden dat mogelijk is.
Ik wil beginnen die eenvoudige punten te noemen:

  1. Sfeer kan nooit opzettelijk en in samenwerking worden geschapen. Sfeer is iets wat geleidelijk dient te ontstaan. Daarom, tracht nooit een bepaalde sfeer te forceren.
  2. Een groot gedeelte van de sfeer wordt bepaald door de verhouding tussen de mens en zijn omgeving. Wij kunnen daaraan iets doen door die omgeving te voorzien van bv. frisse lucht en het juiste licht (de juiste hoeveelheid licht kan zelfs zeer belangrijk zijn).
  3. Wij moeten zorgen dat wij geen reukstoffen gebruiken die voor de aanwezigen prikkelend zijn. Dit zou de sfeer aanmerkelijk schaden in plaats van haar te bevorderen.
  4. We zullen er rekening mee moeten houden, dat er een zekere mate van stilte én vaak ook een zekere mate van geluid is om de sfeer te bevorderen. Bijvoorbeeld: Als in een bijeenkomst de nadruk op de spreker moet worden gelegd, dan zal ik beginnen met stilte te vragen. In die stilte kan een zekere aandacht, een zekere spanning worden opgebouwd. Daardoor wordt de passiviteit van de aanwezigen vergroot, terwijl zij gelijktijdig deelhebben in het gesprokene. Wil ik daarentegen overgaan tot een gemeenschappelijk gebed, dan zal ik een sfeer proberen op te bouwen met meestal zachte en aangepaste muziek en een juist concentratiepunt: bv. een kruisbeeld, een heiligenbeeld, een schilderij of iets anders, dat iets sterker belicht is dan de omgeving. Ik zal dan uit dat geheel met een enkel woord aangeven dat het gebed of de concentratie begint. Ik heb nu de mensen tot luisteren gebracht; dus tot een eigen activiteit. Vanuit die activiteit zal het hen gemakkelijker vallen in zichzelf te verzinken en dus ook in het gebed actief te zijn.
  5. Dan moeten wij rekening houden met omstandigheden die wij niet kunnen controleren. Wij weten, dat bv. rond de periode van volle maan over het algemeen sensuele invloeden zullen overheersen. Hebben wij dus een bijeenkomst of een bestreving, waarbij die sensualiteit absoluut ongewenst is, dan zullen wij moeten zorgen dat er geen maanlicht in zo’n omgeving kan binnendringen, of nog beter: wij kiezen de periode van een wassende maan in het eerste kwartier.
  6. Hebben wij te maken met de spanning in de mens zelf (zijn eigen innerlijke kracht), dan moeten wij er rekening mee houden dat de luchtelektriciteit die eigen energie mede bepaalt. Het luchtelektrisch potentiaal t.o.v. de aarde is mede bepalend voor de wijze waarop de zenuwen reageren en voor de wijze waar­op de mens zijn prikkels verwerkt en zijn concentratievermogen activeert. Willen wij goede resultaten behalen, dan zullen wij dus bij voorkeur niet samenkomen, als er een onweer op komst is of dit zich zelfs ontlaadt. De zeer geschoolden behoeven zich hiervan misschien niet zoveel aan te trekken, maar voor degenen die werkelijk van de sfeer afhankelijk zijn, is het zeer belangrijk.
  7. Probeer niet resultaten te bereiken door het scheppen van sfeer in een periode van onweer, van dreigend onweer of zelfs van dreigende storm. De storm zelf kan soms een gunstige invloed hebben; de periode daarvóór, de geladenheid die voor de storm ontstaat, is altijd schadelijk,.

Dan kennen wij de bekende methoden van sfeer scheppen, waar men met een bloemetje, een kaarsje probeert iets tot stand te brengen. Wat daarvoor belangrijk is, kunt u uit het volgende vernemen. Kaarslicht is bevorderlijk door zijn zachtheid en leven voor een gevoel van geborgenheid. Hiervoor is het van belang. Voor reiniging en afscherming zijn kaarsen over het algemeen niet voldoende. Men zou dus tot andere maatregelen moeten overgaan. Daarom gebruik kaarsen niet als afschermingsmethode, maar gebruik wel kaarslicht om een zekere sfeer te creëren.
Bloemen. Bloemen en groen zijn natuurlijk prettig voor het oog. Een element van plantaardig leven kan heel vaak voor de oppervlakkige beschouwer een gevoel van aangenaam vertoeven scheppen. Dit is aanvaardbaar en goed. Toch moeten wij er rekening mee houden, dat het samenbrengen van massa’s bloemen en groen, zoals dat weleens gebeurt, juist in de avonduren meestal schadelijker is dan gunstig. Op dat moment zijn de planten immers zuurstofverbruikers geworden. Wij kunnen dus niet zeggen dat zij de lucht zuiver houden. Hun eigen sfeer is er verder een, die voor de mens wat domp is, beklemmend en vaak versuffend. Willen wij daarmee een sfeer opbouwen, dan moeten wij er rekening mee houden dat wij zelf versuft zijn en dus nooit tot een normale prestatie kunnen komen.
Dan kennen wij dat gezellige praatje onder elkaar. Onthoudt u dit: Het is goed, als er in een gemeenschap een zekere vriendschap, een onderlinge bekendheid bestaat. Maar als men door elkaar zit te praten, meestal over vele verschillende onderwerpen, gaande van de laatste aanbieding van een of ander groot magazijn tot de laatste blindedarmoperatie in het gezelschap, dan moeten wij er wel rekening mee houden, dat dat altijd de sfeer vertroebelt, omdat het de belangstelling te zeer verdeelt en gelijktijdig bij de aanwezigen de neiging wakker maakt zich boven anderen te doen gelden. We zullen deze dingen dus zoveel mogelijk vermijden.
Dan nog een laatste punt: Indien we een sfeer­ scheppen en iemand tracht om ‑ ik zou haast zeggen op schoolmeesterachtige wijze ‑ die sfeer te handhaven, dan is de kans heel groot dat ze kapot gaat. Sfeer is een kwestie van samenwerking van de aanwezigen; en die samenwerking moet zelfs als er één middelpunt, één spreker, één punt van concentratie is voor allen gelijk zijn. Er moet een deelgenootschap blijven bestaan.

Met deze punten hebben wij dan in ieder geval iets gezegd over sfeer. Maar een groot gedeelte van de sfeer brengt u zelf met u mee. Nu bestaan er allerhande en vaak heel overdreven voorschriften over de wijze waarop je moet denken. Je moet je helemaal van de wereld losmaken, zegt men. Er  is niemand die daartoe werkelijk in staat is. Daarom is dat zeker geen goede methode. De juiste methode is: jezelf en je wereldse belangen zo te concentreren in de richting van hetgeen je geestelijk of anderszins wilt bereiken, dat het andere wegvalt; dus niet onder een stolp gaan staan en de hele wereld buiten sluiten, maar uit de wereld alle harmonische impulsen en indrukken naar je toe trekken. Dat zal ieder voor zich en op zijn eigen wijze doen. Mits het doel dat men zich voor ogen stelt gelijk is, zal de sfeer die ontstaat harmonisch, juist en vaak van buitengewone kracht zijn.

Mooie gevoelens zijn niet uw werkelijk wezen. Indien wij een sfeer moeten opbouwen door ons eigen wezen te vervalsen, kunnen de resultaten daarvan nooit reëel zijn; ze blijven altijd onecht. Wij moeten de sfeer dus niet opbouwen door mooie gedachten, maar wel door aandacht te geven aan het goede dat er in ons en rond ons bestaat.

Het gevoel van eenheid, van broederschap, van verwantschap enz. is belangrijk. Dit is echter zeer betrekkelijk. Want juist dit gevoel van broederschap en verwantschap kan in vele gevallen leiden tot een grotere aandacht voor de congregatie of voor de aanwezigen dan voor de bedoeling van de  samenkomst zelf. Daarom zou ik u de raad willen geven voor wat betreft het u geestelijk instellen:
Probeer voor uzelf harmonisch te zijn. Richt uw aandacht vooral op het doel van de bijeenkomst of van uw arbeid en maak u niet te druk over alle meer stoffelijke impulsen en gedachten die door u heen schieten; die verdwijnen vanzelf wel. Sfeer speelt overal een rol. In het occultisme treffen wij het hanteren van gaven aan dat men ook wel magie pleegt te noemen. De magie is voor 9/10 gebouwd op sfeer. En wat leren wij? Dat die sfeer mede wordt bepaald door geluid, maar ook door de wijze waarop u zich beweegt; dat zij door de manier waarop u spreekt, dus door het ritme waarmee u spreekt, kan worden bepaald.

Men heeft van ons wel eens gezegd, dat wij zo gemakkelijk een sfeer weten te scheppen. Maar dat is heel eenvoudig. Als wij gebruikmaken van de juiste intonatie en het juiste ritme, als wij a.h.w. een zekere dwang scheppen, dan zal daardoor vanzelf de eenheid van aandacht ontstaan, die voor sfeer bepalend is. Leggen wij daarbij dan nog een intentie in die goed, prettig en licht is, dan zal dat vanzelf voor allen merkbaar. zijn. U ziet dus dat het helemaal niet zo moeilijk is. Maar zonder sfeer bereiken we weinig.

Als u probeert een medemens te genezen, dan is er een zekere sfeer van vertrouwen nodig; en deze kan niet ontstaan door een vroomheid uwerzijds waar de ander geen gevoel voor heeft of omgekeerd. Het is een kwestie van wederkerige aanpassing. Eerst wanneer genezer en degene die hij wil genezen op elkaar zijn ingesteld, kan er sprake zijn van goed werken. En bij dat goede werken is dus de gemeenschap, die op dat ogenblik is gevormd, het gevoel van aangenaam, van vertrouwelijk zijn minstens zo belangrijk als de krachten, die men dan tenslotte gaat uitstralen, instralen enz..

Als u een spiritistische bijeenkomst bijwoont (een kruis‑en‑bord-seance misschien, een grote seance of iets anders), dan moet u er ook weer rekening mee houden dat de kracht, die wordt opgebouwd, voor een deel uw eigen kracht is. De sfeer is niet alleen maar de invloed van het milieu, het is ook uw eigen gesteldheid, uw eigen trilling. Indien wij de eigen trilling van de mensen op de juiste manier a.h.w. harmonisch maken, dan is er een potentiaal aanwezig; er is energie. Met deze energie kan de geest dan gemakkelijker werken. Daar komt verder bij dat de wijze waarop men is ingesteld, voor een groot deel bepalend zal zijn voor datgene wat men aantrekt.

U ziet, sfeer, sfeer en nog eens sfeer. Mislukkingen zijn op het occulte vlak heel vaak te wijten aan een tekort aan belangstelling voor de sfeer, dan wel aan een verkeerde opvatting van haar waarde.

De magiër gaat zo ver dat hij aan bepaalde, voor hem belangrijke, handelingen soms een voorbereiding van dagen of zelfs weken laat voorafgaan. Hij bouwt zichzelf a.h.w. langzamerhand op tot het punt, waarop hij zelf de trilling is geworden, die hij uit het Al of uit een sfeer zich wil doen manifesteren. Hij zoekt de gelijkheid van trilling. U zult begrijpen, dat als er in de magie voorbereidingen van weken zijn, u als gewoon mens zeker niet iets belangrijks kunt bereiken door even uw hoofd te schudden, uw vingers door uw haren te halen, te gaan zitten en te zeggen: Zo, nu is er de juiste sfeer.

Wilt u magisch, esoterisch of occult werken, dan is het wel zeer belangrijk, dat u beschikt over een plaats waaraan die sfeer voor u gebonden is. Probeer voor uzelf een hoekje of een plaatsje te vinden, dat niet te veel door anderen wordt gebruikt of betreden. Breng daar een arrangement aan en controleer dat elke keer zorgvuldig. Dat kan zijn: een portret, een spiegel, een kaars, wat mij betreft een paar goudvissen in een kom of een boek. Maar dat alles moet op een bepaalde manier gegroepeerd zijn. Door steeds dezelfde groepering te handhaven en te controleren en u steeds in die omgeving en bij voorkeur juist ook in ongeveer dezelfde houding te concentreren, maakt u het voor u mogelijk om uit dat geheel de sfeer te proeven. Het optimale resultaat, dat u ooit in dat milieu hebt behaald, is daardoor praktisch altijd weer bereikbaar. Wij kunnen de sfeer herhalen, doordat we haar in onszelf hebben vastgelegd als een patroon. Dat patroon brengen wij tot uiting op het ogenblik dat wij ons weer in die omgeving bevinden.

U zult zich afvragen, of dat milieu gezuiverd moet worden.

U mag het doen. Maar geloof mij, dat is niet belangrijk. Natuurlijk, er zijn bepaalde methoden tot zuivering. Als u bv. denkt dat er zeer veel boze geesten in de buurt zitten, probeer dan eens wat brandende houtskool en strooi er wat keukenzout op. Als dat keukenzout verdampt of met een groen‑blauwe vlam verbrandt, dan is daar iets ontstaan dat de mees­te onaangename geestelijke invloeden wel verdrijft; in ieder geval de krachtvelden, waarin zij hebben willen bestaan, verstoren. Maar de meeste demonen leven niet rond u maar in uzelf; dat zijn uw eigen angsten en gedachten. Dus alweer: zuiveren is niet zo belangrijk. Wel belangrijk is, dat de zaak fris is, dat het licht is en dat u ruimte hebt, want duisternis is identiek met angst. Dat hebt u nog uit de kinderjaren overgehouden. Verder is duisternis gekoppeld aan een begrip van machteloosheid en daadloosheid; en dat hebben wij over het algemeen niet nodig. Daarom kiezen wij altijd een vertrek, dat behoorlijk verlicht, behoorlijk gelucht en als het even kan ook rustig is. Op deze manier bouwt u voor uzelf een weg, waarmee u iets kunt doen.
En dat doen zullen wij in het volgende punt onder de loep nemen.

Het wekken en gebruiken van de eigen innerlijke of geestelijke kracht

Wij hebben allen in ons krachtreserves, die heel wat groter zijn dan we plegen te vermoeden. Degene die ooit om zijn leven heeft moeten lopen, zal waarschijnlijk hebben ontdekt dat je zonder training vaak harder loopt dan menig atleet. Waar je die kracht en vaardigheid vandaan haalt, dat weet je niet; maar je bezit ze. Op dezelfde manier is het met het uithoudingsvermogen. U kunt veel meer pijn, veel meer honger en dorst verdragen. U kunt als het nodig is veel scherper zien. U kunt uw lichamelijke en zintuiglijke mogelijkheden dus opvoeren; maar dit geschiedt meestal pas op het ogenblik dat u aan uzelf geen grenzen meer stelt, dat u alleen nog maar eenzijdig bent gericht op een doel. Is dat een angst, dan blijkt de doorsnee‑mens nog feller te reageren dan voor een begeren. U heeft dus een krachtreserve.

Deze bestaat ook geestelijk. Als u kleine onaangenaamheden hebt, dan bent u heel vaak ontzettend snel in de war en verstoord. U bent nijdig en zou de gehele wereld willen aanvliegen. Maar als u werkelijk iets ernstigs gebeurt, dan blijkt u over een geestelijke veerkracht te beschikken, die het u mogelijk maakt verder te gaan dan normaal en al het noodzakelijke te doen. Dan bent u niet in de war. Pas wanneer de spanning voorbij is, veroorlooft u zich ‑ want noodzakelijk is het niet ‑ een kleine ineenstorting.

Dus moeten wij hiervan uitgaan. Als ik in mij krachten bezit, dan kan ik deze alleen wekken, indien er in mij eerst een gekend begeren of een gekende angst bestaat. Ik tracht dus altijd een kracht te activeren: iets wat ik boven alles begeer of iets, wat ik boven alles vrees. Ik maak mij daarvan een voorstelling, die alleen al door haar bestaan voor mij een stimulus is. Hierdoor word ik sterker en worden mijn reacties reeds scherper en juister. Vervolgens ga ik ertoe over mij te realiseren dat ik de kracht in mij kan bundelen, zodat ik haar op een bewuste en gerichte wijze kan gebruiken. Stelt u zich dat maar wat plastisch voor. Denk desnoods dat u als een mijnwerker met een lampje voor het hoofd loopt dat ineens gaat branden en een felle lichtstraal uitzendt. Ook als uw voorhoofdchakra nog niet geopend is, zal een dergelijke voorstelling toch bijdragen tot het geconcentreerd en gericht uitzenden van kracht. Misschien is het goed hier eerst even te definiëren wat die kracht is. De z.g. geestelijke kracht of emanatie, waarover u kunt beschikken, bestaat voor een groot gedeelte uit zenuwkracht, daarnaast uit de z.g. od‑ en pranakrachten, waarvan od in de mens is (de levenskracht) en pra­na een vrij in de atmosfeer voorkomende vorm van levenskracht is. Deze kracht wordt dan a.h.w. gemoduleerd door het geestelijk element. De geest gebruikt deze stoffelijke en half‑stoffelijke krachten als drager. Dit zal altijd het geval zijn. Zelfs wanneer een geest op aarde ingrijpt, is deze middenstof, deze actie‑mogelijkheid, noodzakelijk. Als ik die kracht dus wil wekken, moet ik ook zorgen dat lichamelijk de zaak in orde is. Degene die krachten wil uitstralen, dient er­voor te zorgen dat hij zich lichamelijk in een ontspannen toestand of hou­ding bevindt, waarin hij zich prettig gevoelt. Pas als dit het geval is, zal hij een maximum aan aandacht voor de beelden kunnen opbrengen. Het idee van zelfkwelling om daaraan kracht te ontleden is negatief. De kracht die men dan ontleent, is hoogstens kracht die voortkomt uit met lijden en ongemak verwante entiteiten, krachten of beelden. Dus heel eenvoudig en kort:

Voor het uitstralen van kracht

  1. Schep de juiste sfeer.
  2. Zorg dat u ontspannen en zo prettig mogelijk gezeten of gelegen bent.
  3. Bouw u een beeld op van hetgeen u wenst of vreest. Dit behoeft niet noodzakelijkerwijze verbonden te zijn met het doel dat u nastreeft.
  4. Wanneer u in uzelf een spanning voelt ontstaan, gebruik deze spanning om daarin het beeld van hetgeen u wilt volbrengen op te bouwen. Detailleer het beeld van hetgeen u wilt volbrengen zoveel mogelijk, tenzij het gaat om algemene waarden en begrippen.
  5. Stel voor uzelf een ogenblik vast waarop uw gehele kracht wordt uitgestraald. Op dat ogenblik mag u zelfs krampspanningen in het lichaam toelaten, indien deze u helpen om het uitstralen van de voorstelling van die kracht met alle geweld te bevorderen.
  6. Houd deze poging tot uitstralen nimmer lang aan. Herhaal liever 3 à  4 keer eenzelfde poging met een tussenruimte van bv. 10 minuten, dan dat u het één keer 4 à 5 minuten achter elkaar doet. Kort, scherp en hevig is voor u de beste methode om uw kracht uit te stralen.
  7. Deze kracht kan worden gericht op geestelijke zowel als stoffelijke doelen. Gaat het om de stof, dan is het noodzakelijk dat een eventueel gedetailleerde voorstelling met de feiten overeenstemt. In dit geval moet u dus, indien het gaat om een persoon, u de persoon voor ogen kunnen stellen. Gaat het om een kwaal, dan moet u zich die kwaal voor ogen kunnen houden. Gaat het om het bereiken van een bepaald voordeel, dan moet u precies weten wat dat voordeel is en hoe dat kan optreden. Gaat het om geestelijke waarden, dan mag de voorstelling die wij gebruiken een volledige fantasie zijn, maar zij moet gedetailleerd zijn om onszelf te binden.

De eventuele vervulling echter van onze wens of de uitstraling van de kracht is hier niet gebaseerd op de vorm, maar op het denkbeeld dat zijn eigen harmonieën zal vinden in de werelden van de geest.

De vragen die ongetwijfeld nu zullen rijzen zijn:
a. hoe kunnen wij die kracht gaan gebruiken en ontwikkelen
U kunt die kracht gebruiken voor alle doeleinden, waar u niet onmiddellijk of te sterk emotioneel bij betrokken bent. Zodra er tussen u en het doel, waarop u de kracht wilt richten, een te grote binding ontstaat, zal die kracht voor een groot ge­deelte weer door uzelf worden geabsorbeerd. De oefening geeft dan weinig of geen directe vruchten. Het deel moet dus buiten u  staan. Of het geestelijk of stoffelijk is, doet niet ter zake.

  1. Houd er rekening mee: ik moet mij op dat ogenblik altijd alles voorstellen wat ik wens. Die voorstelling is noodzakelijk voor het richten van de kracht. Een ieder, die zich iets intens voorstelt (zelfs tijdens het lezen van een boek, het aanschouwen van een film e.d.), zendt in zekere mate kracht uit.
  2. Om die kracht uit te stralen zal er in het begin een langdurige voorbereiding noodzakelijk zijn. Naarmate men zich meer aanwendt om die kracht uit te stralen, zal men dit met minder moeilijkheden en in kortere tijd kunnen volbrengen. Gewoontevorming is zeer belangrijk voor het bereiken van de juiste innerlijke toestand. Het is een soort automatische reactie, waardoor u bepaalde geva­ren leert vermijden en gelijktijdig de voor u goede punten als sfeer en milieu, zonder ze eerst bewust te overdenken of te scheppen, gaat gebruiken.
  3. Kies verder nooit een doelt dat uw begrip te boven gaat. Alleen datgene, wat u zich werkelijk kunt voorstellen, wat u wer­kelijk kunt begrijpen, mag worden gehanteerd. Alleen in die geval­len nl. bent u in staat om:
    a. die kracht werkelijk juist te richten
    b. met een zekere verantwoordelijkheid voor de kracht, die u toch bezit, een verantwoord resultaat te bereiken.

Dan wil ik nog aangeven hoe die kracht te gebruiken. Dat is grotendeels uw eigen zaak. Het gevoel, dat de kracht van u uitgaat, is echter zeer belangrijk. Hoe u dat gevoel bereikt is onbelangrijk. Zorg ervoor dat u voelt dat de kracht op een bepaald moment van u uitgaat en u kunt ervan verzekerd zijn dat die kracht ook inderdaad wordt uitgestraald.

Hoe vergroot ik die kracht? Hoe bereik ik voor mijzelf die kracht?

  1. Elke mens heeft meer dan hij beseft de beschikking over geestelijke en half‑stoffelijke krachten, die kunnen worden gebruikt voor geestelijk werk en voor het bereiken van lichamelijke resultaten. Ontken nooit dat u die kracht bezit. Twijfel er voor uzelf niet aan, dat u inderdaad een deel van die kracht uit uzelf kunt putten. Wie zichzelf niet kan overtuigen, dat hij over dergelijke krachten beschikt, mag er wel van verzekerd zijn dat zijn resultaten nul zijn.
  2. Wanneer u begint te lopen, valt u meer dan u loopt. Als u begint met geestelijke krachten te werken, zult u meer mislukkingen, fouten en onverwachte resultaten boeken dan gevolgen, die direct in overeenstemming zijn met uw uitstraling en bedoeling. Trek u daarvan niets aan. Alles moet werden geleerd. Ook dit. Heb geduld met uzelf en verwacht niet binnen zeer korte tijd verbluffende resultaten.
  3. Wanneer u eenmaal besloten hebt om die kracht in u te bevorderen, is het belangrijk dat u regelmatig oefent. Niet een week oefenen en dan een maand niet, maar desnoods elke week één dag oefenen; maar dan ook geregeld. Voor deze oefeningen kunt u wederom gebruikmaken van al datgene wat u bevorderlijk lijkt. Sommigen zullen yoga‑ademhaling toepassen. Anderen zullen alleen een bepaalde sfeer gebruiken, een bepaalde grammofoonplaat draaien of iets anders doen. Dat moet ieder voor zichzelf weten. Naar wel is zeker dat als u ermee begint, deze dingen, totdat u het volle bewustzijn van die kracht hebt verworven, van het grootste belang zijn. Maak dus ook van het hanteren van die kracht een gewoonte.
  4. Probeer nimmer uw krachten met anderen te meten. Dit vergroot het element van onzekerheid en maakt het voor uzelf zeer moeilijk resultaten te behalen. Tracht liever uw krachten in samenwerking met anderen te gebruiken. Als u hiervan een voorbeeld wilt hebben: Iemand heeft hoofdpijn en een ander gaat hem instralen. Probeer uw eigen kracht daarbij te geven. Op deze wijze krijgt u, vooral in het begin, een gevoel van verbondenheid, een zekerheid, waardoor die krachtuitstraling wordt bevorderd.
  5. Denk niet, dat dit gebruik van krachten alleen kan worden geleerd in gezelschap van anderen. Zowel met anderen tezamen als al­leen kunt u, mits u zich houdt aan de gegeven regels, komen tot het gevoel van: er gaat van mij een kracht uit. Als u eenmaal dat gevoel regelmatig weet te bereiken, is het zeer belangrijk dat u de eerste tijd voor die kracht zodanige doelen kiest, dat resulta­ten kunnen worden geconstateerd. Juist degene die zijn kracht tot resultaat ziet leiden, zál daarin steeds meer gaan vertrouwen en daardoor van uiterlijkheden steeds meer afstand kunnen doen, vertrouwend op zijn innerlijke waarde.

Nu wij zo over die krachten zitten te praten, is het misschien wel aardig hier nog te vermelden, dat heel veel mensen onbewust wel van die kracht gebruik maken. Zij doen dit vaak ten nadele van anderen, zonder het te beseffen. Juist het bewust gebruik echter sluit op den duur ook het onbewust gebruik van die kracht uit. Je zou a.h.w. iets uit het onbewuste van je wezen moeten overbrengen naar het bewuste; van de onbeheerste reacties naar de beheerste actie. Wij komen dan op een punt, waar voor ons oorzaak‑en‑gevolg, niet noodzakelijkerwijs op elkaar volgen. Wij kunnen de wet van oorzaak‑en‑gevolg voor een groot deel a.h.w. ongedaan maken, omdat de geestelijke oorzaak, die niet kan worden gewaardeerd, in de plaats kan treden van elke stoffelijke oorzakelijkheid. Het gebruik van deze kracht, dat kan ik u wel verzekeren, is voor iedereen, die zich met praktisch occultisme wil bezighouden, belangrijk. De eenvoudigste proeven om die kracht bij uzelf te constateren kent u misschien. Ik zal ze kort even omschrijven voor degenen die hiermee willen beginnen,

  1. Breng de handen tezamen. Concentreer u een ogenblik. Maak de handpalmen los tot alleen de vingertoppen tegen elkaar steunen. Verwijder vervolgens deze een zeer kleine afstand van elkaar. Als u dan een gevoel krijgt van doorstraling (dus dat er iets tus­sen de vingertoppen leeft), dan gaat u langzaam die afstand ver­groten. Indien u in staat bent dit gevoel vast te houden geduren­de ongeveer 30 seconden en over een afstand van ongeveer 40 c.m. dan kunt u ervan verzekerd zijn dat u een zeer grote pulsatie in uzelf hebt; dat de kracht dus werkelijk uitstroomt en in de hand kan worden geconcentreerd.
    Later kunt u proberen die kracht bv. in de ogen te leggen en vanuit de ogen te doen uittreden. Maar dat komt later.
  2. Een algemeen bekende proef is: voor uzelf het lopen van de energie vaststellen. De meest eenvoudige methode.
    Breng op een scherp voorwerp (bv. een speld) een zeer licht en in evenwicht zijnd draaibaar stukje papier of plastic aan, dat door de beide handen kan worden omvat. Men brengt nu beide handen naar elkaar toe waarbij de vingertoppen van de ene hand steeds wijzen naar de handwortel of aanzet van de pols van de andere hand.
    Wanneer men de handen enige tijd zo houdt, dan begint het stukje papier te draaien. Neemt  men daarna de handen weg, en brengt men ze op dezelfde wijze, maar nu omgekeerd (dus een  andere hand aan de voorkant en de andere aan de achterkant) weer samen, dan zal het lichte stukje materiaal in een andere richting gaan draaien. Hierdoor kunt u zich dus overtuigen dat er een zekere stroming is. Het niet‑bewegen van dit stukje materiaal wil niet zeggen dat u geen  kracht hebt. Het wil alleen maar zeggen, dat uw concentratie nog niet goed genoeg is om die kracht in grote mate te doen stromen.
    Iemand, die goed heeft geoefend met de eerste oefening, zou in staat moeten zijn over een  afstand van ongeveer 15 cm. aan beide kanten tussen handpalm en draaibaar voorwerpje, zonder contact van vingertop en pols, de draaiing in een behoorlijk tempo te volbrengen. Het is een mogelijkheid om te controleren dat de krachtstroom beheerst in u pulseert.
  3. Neem een bloem of een plant. Zet daarnaast een bloem of plant van dezelfde soort en in dezelfde situatie. Straal de ene in, de andere niet. Bij snijbloemen kan de duurzaamheid van de ingestraalde bloem bv. twee‑ tot driemaal zo groot zijn dan van de niet ingestraalde. Bij planten zal vooral het tempo van groei en bloei ken­baar en aanmerkelijk worden beïnvloed. Hierdoor kan men zien, dat men levenskracht kan overdragen.
  4. Heeft men deze proeven met instraling via de handen genomen, dan is het goed een soortgelijke proef nog eens te herhalen, nadat men met die kracht meer door concentratie heeft gewerkt, waarbij men als uitgangspunt voor de kracht de ogen neemt. Men kijkt dus geconcentreerd met de wil tot geven van kracht en leven, naar de ene bloem of plant; de ander beschouwt men op deze wijze niet. Hetzelfde resultaat zou hiermede moeten worden behaald.

Met deze eenvoudige proeven kunt u dus voor uzelf constateren dat die kracht er is en dat ze kan worden ontwikkeld.

De droom en het droomleven

Wij hebben ons al vele malen beziggehouden met de droom en het droomleven. Ik zou daaraan ook vandaag nog enige opmerkingen willen wijden.

Degene, die in het occultisme binnentreedt, leeft in een wereld die altijd maar half werkelijk is. Er is altijd wel iets wat in uw eigen wereld niet helemaal past, wat de schijn heeft van fantasie of onwerkelijkheid en waarbij u onwillekeurig de neiging krijgt eventuele ware gebeurtenissen weg te verklaren.

Als wij te maken krijgen met dromen, dagdromen, fantasiebeelden, dan moeten wij heel goed begrijpen dat deze soms waarheid bevatten. Alleen kunnen wij nooit zeggen hoe groot het deel werkelijkheid is dat er in verscholen is. Aan de hand van allerhande psychologische ontledingen kan men natuurlijk uit dromen heel wat halen, evengoed als uit fantasiebeelden. Maar ik geloof toch dat u verstandiger doet om daarop voorlopig niet al te veel de nadruk te leggen.

De droom heeft misschien zijn betekenis, maar als wij te zeer proberen hem te verklaren, zullen wij heel vaak die betekenis vernietigen en daarbij een zelfsuggestie scheppen, waardoor in een volgend droombeeld of fantasiebeeld de waarden anders worden gesteld of onjuist zijn.
Daarom: tracht nimmer en krampachtig uw eigen dromen, visioenen e.d. te vertalen. Wacht tot zij zichzelf vertalen. In vele gevallen zal een droombeeld, evenals een visioen, zelfs een bepaalde geïnspireerde fantasie, uit zichzelf groeien. Indien wij daarmee te maken hebben, zien wij de volgende fasen optreden:

In de eerste plaats een paar begrippen, die worden herhaald. Als het gaat over een voertuig, dan kan er evengoed sprake zijn van een draagstoel, een auto, een vliegtuig, als van een paard, een ezel, een kano of iets anders. Als het begrip “voertuig” zich herhaald, dan kunnen wij zeggen: Deze dromen of beelden behoren tot een reeks.

In de tweede plaats letten wij erop of deze beelden meer gedefinieerd zijn. In het begin heb ik alleen het idee: ik zit in een auto, of ik zit op een paard en ik kan het niet goed besturen. Maar in een vol­gend beeld heb ik het idee, dat ik op het nippertje een gevaar kan voorkomen. Ik kan nog net ingrijpen. In het derde beeld hanteer ik de zaak zelf en begeef mij in gevaarlijke omstandigheden. In het vierde beeld ben ik in mijn voertuig a.h.w. onafhankelijk. Ik zie alleen de omgeving. Uit de opbouw van die dromen, die dus als een reeks kunnen worden beschouwd, kunnen wij dan het volgende concluderen:

Ik heb mijn persoonlijke mogelijkheid tot beheersing van iets (of dat nu een stoffelijke voertuig of een geestelijk voertuig of misschien alleen ervaring, die voertuiglijk is voor onze bewustwording, dat weten we dus niet) verkregen. Door die beheersing verandert het doel. In het begin was het voor mij belangrijk om het voertuig te kennen; daarna om het te beheersen. Maar nu is het doel: het voertuig juist te gebruiken. Als ik daarbij voortdurend het idee heb: ik rijd uit het licht het donker in, dan rijd ik de verkeerde kant uit. Ik kan dan wel zeggen: Ik heb krachten, ik heb gaven, maar ik gebruik ze op het ogenblik verkeerd. Ik moet proberen mijn doel, mijn wijze van werken beter te realiseren en eventueel het tegengestelde te doen.

Op deze manier kan een droom, een visioen of een fantasie u eigenlijk dus veel leren. Maar dat kan alleen na verloop van tijd. En daarom is elke droomuitlegging, elke poging om door te dringen in beelden van uittreding e.d. vooral een zaak van geduld. Wanneer dromen niet als in een serie verbonden zijn, dan blijkt dit doordat het hoofdmotief daarin ‑ al blijft de actie misschien gelijk – niet een binding in de betekenis heeft. Als ik dus het ene ogenblik droom dat ik met een zwaard naar het duister toeloop, op een andere keer dat ik op een ezel gezeten het doe en een volgende keer dat ik helemaal niet naar het duister ga, maar dat ik erheen drijf als een soort wolk, dan kan ik zeggen: Hier is het duister hoogstens de bindende factor; mijn eigen acties zijn het niet. Er zijn rond mij invloeden, waardoor ik zou kunnen worden beheerst. U moet dus werkelijk proberen te begrijpen: Wat is de verbindende factor.

Heb ik dromen, waarin ik de ene keer naar de dierentuin ga en de volgende keer bij oom Piet op visite ben en een keer daarop mijzelf ontmoet in een drukke straat, dan hebben die dingen waarschijnlijk geen samenhang. Ik zal er dan niet over nadenken, want alleen dromen, visioenen e.d., die door steeds meer details een bepaalde ontwikkeling aanduiden, zijn voor mij belangrijk.

De ontwikkeling die ik zo vanuit het onbewuste misschien voor mijzelf kan constateren en gadeslaan, maakt het mij mogelijk op die ontwikkeling bewust te reageren en eveneens bewust gebruik te maken van die ontwikkelingen. Maar al die andere beelden ‑ hoe voorspellend waar ze mogen zijn of die misschien ook andere sferen weergeven ‑ zijn voor de werkelijke occultist van geen betekenis. Zij vergroten nl. niet zijn mogelijkheid om bewust en actief met de verborgen waarden te werken, zij vergroten ook niet zijn werkelijke kennis omtrent zijn eigen leven, zijn werkelijke persoonlijkheid en zijn mogelijkheden. Iemand, die zich met de droomwereld bezighoudt, zal dus op de utiliteitsnorm daarin bijzonder moeten letten.

Wilt u uit een visioen iets aflezen, dan moet u het niet gaan verklaren. Dan moet u afwachten totdat het visioen zich in alle duidelijkheid heeft geformuleerd. En dat het “ik” daarbij vaak niet alle uitgezonden krachten en alle ontvangen beelden ineens kan verwerken, is niet meer dan logisch. Laat deze dingen dus in uzelf groeien.

Het is vaak als een plant, die een lange tijd nodig heeft om van zaad tot een kenbaar levend wezen te worden boven de grond; en die dan toch heus nog enige tijd nodig heeft, voordat zij bloesem draagt en vruchten voortbrengt. Door met geduld ook dit innerlijk leven te ontwikkelen en te volgen krijgt u goede, blijvende en belangrijke resultaten.

Hou u niet bezig met voorspellende droomuitleggingen, tenzij de droom zelf zo duidelijk in verscheidene ontwikkelingen een toekomstmogelijkheid schetst, dat u daaraan wel enige aandacht moet schenken. Beschouw zelfs dan het droombeeld alleen als een mogelijkheid, niet als een onveranderlijke noodzakelijkheid of waarheid.

In uw droomleven, in uw fantasie, in uw visioenen speelt het eigen “ik” een heel grote rol, dat moet u wel begrijpen. De herinneringsbeelden, waaruit u put, uw gevoelsreacties, die u mede tot uiting brengt, zullen daarin zo sterk bepalend worden voor de inhoud, dat wij aan de beelden alleen nimmer genoeg hebben. Ook niet wanneer dit algemeen gangbare symbolen zijn voor de mensheid. We bouwen de droom, het visioen zelf op. Wij bouwen zelfs in de fantasie een eigen wereld op. Datgene wat wij bouwen, is van geen belang. Datgene wat erin gebeurt zonder dat wij het beïnvloeden (dus de herhalingsfactor, waarop wij geen invloed hebben), is belangrijk; en daarbij geldt altijd, dat de steeds weerkerende begripsassociatie het sterkst bepalend is voor de betekenis van het beeld, van de droom enz.

Dan wil ik besluiten met een paar zeer eenvoudige regels, waarvan u de meeste misschien wel zult kennen.

  1. Maak u geen zorgen, als u denkt nooit te dromen. U doet het wel, maar voor u zijn ze kennelijk nog niet belangrijk.
  2. Wanneer u vaak droomt en het niet onthoudt, maak u daarover niet al te druk. Dromen, die werkelijk belangrijk zijn, worden wel onthouden.
  3. Indien u een droom onthoudt, is het misschien wel aardig er enige aantekeningen van te maken. Laat ze verder rusten. Pas als u ontdekt dat er een dromenreeks is ontstaan, wordt het tijd er eens over na te denken of hier misschien een bepaalde ontwikkeling wordt aangegeven, of een indicatie in een bepaalde richting er voor u in is vastgelegd.
  4. Visioenen en dromen van anderen kunt u natuurlijk wel verklaren, maar u kunt slechts zelden tot de ander doordringen.
  5. Probeer vooral niet de dromen van anderen uit te leggen. Laat hen hun eigen vergissingen maken.
  6. Zelfs wanneer uw droom een weergave is van een uittreding, bent u daardoor als mens nog niets meer of minder geworden. Maak u er niet zo druk over of het uittredingen zijn of niet. Het kan mooi zijn, maar verder hebt u er niets aan. Vraag u alleen af, of de droom u iets leert. Alleen daar, waar u zelf kunt leren, waar u zelf uw kracht, uw wezen, uw gaven kunt vergroten of uw inzicht in eigen wereld en leven aanmerkelijk kunt verbeteren, heeft de droom waarde.

En daarmee ben ik aan het eind van de les van vandaag gekomen. Zoals u ziet, hebben wij weer verschillende onderwerpen onder de loupe genomen. Op deze manier hopen wij een overzicht op te bouwen van alles wat er in het occultisme is gelegen. Er zijn natuurlijk nog andere en meer praktische conclusies te trekken, maar ik meen beter te doen daarmee te wachten, tot wij over het terrein van het occulte en de daarin gelegen mogelijkheden een groter overzicht bezitten.

Occultisme in het heden

Wanneer wij zo terugdenken aan het verleden, zien we allerlei ingewikkelde systemen en stelsels. Kijken wij daarentegen naar het heden, dan zien wij dat de stelsels over het algemeen zijn teruggebracht tot een ritueel en dat de rede, althans uiterlijk, regeert. En dat is ook begrij­pelijk.

Langzaam maar zeker heeft de wereld zich ontwikkeld naar een zuiver materialistische cultuur, waarin de idee, het ideaal, ja, zelfs het geloof in eigen wezen en kracht zijn gebaseerd op de materiële kennis en de stoffelijke mogelijkheden.

Voor de occultist brengt dat hier en daar wel moeilijkheden met zich mee, want hij wil graag buiten dit materiële om iets bereiken. Hij zal dan in sommige gevallen eenvoudig teruggrijpen naar een niet goed begrepen herhaling van oude riten, oude gebruiken en krijgt daardoor voor zichzelf teleurstellingen te verwerken of raakt verdoold in een soort zelfgenoegzaamheid, waarvoor weinig reden bestaat. Wat zijn nu zo’n beetje de meest eigenaardige vormen van oocultisme, die wij in deze dagen kennen?

Ik wil dan allereerst graag met u naar Engeland gaan. In Engeland hebben wij de Convent of the White Witches. Dat is om het nu eens netjes te zeggen: De groepering van de Witte Heksen. Deze zijn opgebouwd in de z.g. “coveys”, groepen van 9 personen. Bij deze heksen zijn er velen die nog de oude rituelen van de zwarte Mis proberen na te volgen. Zij begrijpen niet wat die zwarte Mis oorspronkelijk was en daarom zien wij dat ze kapellen hebben, waarin een altaar staat waarop een doorstoken wassen pop ligt. Wij zien bij hen naast bepaalde gebruiken, die misschien niet helemaal passen in de moderne maatschappij, ontzettend veel bijgelovigheden.

Er zijn echter uitzonderingen, gelukkig; en één ervan is vooral de z.g. Welsh Convent of Witches. De naam zegt het al: ze komt hoofdzakelijk voor in Wales, maar ook wel hier en daar op de eilanden en zelfs in het noorden. Bij deze groeperingen heeft men de oude rituelen van de Heksensabbath, de zwarte Mis e.d. aanmerkelijk vervormd, maar men is daarbij teruggekeerd tot het oude denkbeeld van de hekserij. De filosofie – overigens verscheidene leerboeken bevattend en door mij dus maar heel oppervlakkig hier samengevat – komt hierop neer:

Alle op aarde gangbare verhoudingen en riten zijn een fixeren van onze mogelijkheden en contacten. Wanneer wij dus riten opbouwen, die ingaan tegen het gangbare (het omkeringsprincipe), maken wij de binding ongedaan.

Om ons heen is er een wereld vol geestelijke krachten, bezielde wezens, die wij niet allen kunnen zien. Door de normale riten zijn wij van hen afgesloten. Wanneer wij dus de riten a.h.w. afbreken, komen wij in een situatie, waarin contacten hernieuwd mogelijk zijn.
Hun terugkeer is er inderdaad één naar het paradijs. Zij proberen dus zonder enig gevoel van schuld, van verantwoordelijkheid en zonder enige religieuze binding of gedachte, behalve de erkenning van God,­ te komen tot een innerlijke aanvaarding van vrijheid. En dit z.g. Welsh Convent heeft het daarin betrekkelijk ver gebracht.

De occultisten daarvan zijn niet alleen dames. In het z.g. Convent of the White Witches wordt er maar één man per “covey” toegelaten, maar bij de Welsh Witches is het mogelijk dat een hele “covey” bestaat uit mannen of uit vrouwen. Precies zoals dat uitkomt. Er is geen vaste verhouding.

In dit Welsh Convent heeft men een inwijdingsweg gevonden, die ook vandaag de dag nog de moeite waard is:

Wanneer wij gefixeerd zijn in ons huidig leven, ons huidig denken en onze huidige vorm en daardoor beperkt in onze mogelijkheden, zo moet het mogelijk zijn langs de een of andere weg deze bindingen ongedaan te maken. Niet om daarmede aan de chaos ten prooi te vallen (iets wat men bij de zwarte heksen vindt), maar eenvoudig om de bindingen ongedaan te maken, die ons door de maatschappij worden opgelegd, die uit opvoeding en geloof nu eenmaal naar ons grijpen, zodra wij in de stoffelijke wereld komen. Wij staan dan geestelijk zo vrij als op het ogenblik van de geboorte, maar wij hebben het grote voordeel dat wij ‑ wat de boreling niet kan ‑ in contact kunnen treden met elkaar, met de buitenwereld zowel als met die wezens van de geestelijke wereld en de innerlijke wereld.

Het is eigenlijk wel jammer dat wij van deze heksengroeperingen zo weinig horen. Maar zoals elke groepering, die een doel nastreeft dat in de maatschappij bedenkingen pleegt op te roepen, zullen juist de meer bewusten onder hen voorkomen dat ze ook maar iets tentoonstellen, waaraan een ander zich zou kunnen stoten.

Wanneer een Convent of White Witches, zo hier en daar nog weleens wat laat doorklinken en daarnaast ook vaak deelneemt aan andere groepen (de “coveys of the White Witches bv. zijn heel vaak aangesloten bij de Ancient Order of Druids, de z.g. Druïden van deze tijd), dan moeten wij wel zeggen: Hoe minder ze weten, hoe meer ze etaleren.

Een andere richting ‑ en al even eigenaardig ‑ vinden wij in deze dagen in de z.g. Loges. De geschiedenis van de Maçonnerie is op zichzelf al zeer interessant en boeiend. Ik kan er helaas niet veel tijd aan besteden, maar het is wel zeker, dat de z.g. “rechte”, geheime Loges waren en dat vele van de huidige Loges, zelfs die van Le Grand Orient, zoals ze op het ogenblik bestaat, oorspronkelijk dissenters‑Loges waren. Het waren dus “splijtings”‑Loges; het waren geen echte Loges. Ze hadden een doel van de geheimen meegenomen, maar lang niet alles. Nu heeft zich in deze dagen een situatie gevormd, waarbij de vroeger eigenlijk niet erkende, niet volledig juiste Loges de algemeen erkende zijn, terwijl van de vroegere geheime Loges er maar betrekkelijk kleine delen zijn overgebleven en de werkelijke Vrijmetselarij dus veel kleiner is dan aan de Maçonnerie van deze dagen ooit zou kunnen worden afgemeten. Wat is het verschil tussen de normale maçonnieke verbonden en deze z.g rechte geheime Loges?
De normale verbanden van de Maçonnerie kunnen van elkaar verschillen als de dag van de nacht. Er zijn er bij, die uiterst rechtzinnig zijn, die voor rassengelijkheid zijn. Er zijn er die tegen rassengelijkheid zijn. En er zijn er die alle godsdiensten en alle rassen tezamen willen zien, of die juist een scherpe scheiding beogen enz.. Er is dus een diversiteit tot en met. Hun grote eenheid danken ze over het algemeen aan de mythe van de grote bouwmeester Hiram Abiff en aan de bekende waarheden van de grote Zuilen en de Levensboom.

De rechte en geheime Loges echter hadden weliswaar de symbolen van de Tempelbouw, en ook van de grote Zuilen, ze hadden daarnaast bovendien het geheim van de Arke, dat tegenwoordig bij de meeste Maçonneriën of niet openbaarbaar is of zelfs niet bestaat. Zij hadden daar echter een andere praxis. Bij hen was het element van de Levensboom niet een studie of een programma of zelfs maar een persoonlijke instelling, het was een aantal geestelijke stellingen, thesen, die op het eerste gezicht misschien zinloos waren, maar die gezamenlijk een soort alchemistisch geheim spelden. Ze maakten het de mens mogelijk in zichzelf bepaalde veranderingen tot stand te brengen en gaven hem daarnaast de mogelijkheid veel in de wereld te zien.

Die geheime rechte Loges, voor zover ze nog bestaan, zou men op het ogenblik voor het geheel van haar stellingen misschien kunnen kenschetsen met de volgende woorden:

Het geheel van het leven is de sluier, die hangt voor de werkelijke structuur van het levende. Wanneer ik het werkelijk levende begrijp, zal ik de wijze, waarop de sluier is gedrapeerd, kunnen bepalen. Daar anderen zich echter baseren op de sluier, is het mijn taak die veranderingen zo voorzichtig aan te brengen, dat men zich daarvan niet bewust wordt. Ik heb een deel van het beeld aan hun eigen terminologie ontleend.

Ook hier weer bepaalde inwijdingsmogelijkheden, maar vooral ook een verwerpen van uiterlijkheden. Dat is eigenlijk het kenmerk van elke occulte groepering, elke esoterische groep in deze dagen, die nog iets tot stand brengt.

Wel zijn er bepaalde verschillen. Wij kennen de z.g. oude Orde van Kreta, later Les crétiens Cretens, die op christelijke basis voor zich een soort ridder‑mythologie hadden opgebouwd en op het ogenblik voor een deel zijn ondergedoken in de z.g. Graal‑groepen, die meestal in Zwitserland hun hoofdkwartier hebben en daarnaast ook wel voorkomen bij sommige Rozenkruisers‑genootschappen en de z.g. Goldkreuzer, een Duitse groepering. De kern van hun denken was, dat het mystieke lichaam van Christus (een term die wij ook in de kerk van Rome tegenkomen) wordt gevormd door gelovigen. De eenheid van de gelovigen tezamen doet het verband ontstaan tussen het lichaam en het hoofd, dus de Christus. Door een juiste wijze van samenkomen, waarbij de identiteit teloor ging (vandaar het dragen van kappen, wij vinden dat bij boeteling‑genootschappen nog terug o.m. in Italië en Spanje), was men één met allen. De maaltijden worden weleens gezamenlijk gebruikt, er werd gezamenlijk gezongen en gesproken, maar niemand had een rang. Het was dus heel goed mogelijk dat een ieder afzonderlijk als priester ging fungeren, als dat zo uitkwam. Wij vinden nog iets van die manier van werken terug bv. bij de Quakers. Zij gingen uit van het standpunt dat zij als lichaam geen verschil meer kenden t.o.v. elkaar. Het hoofd zou het brengen tot de mededeling. De mededeling is dus visionair, dus openbarend, inspiratief.

In de tegenwoordige groepen spreekt die oude gedachte misschien nog wel het sterkst in de Graal‑groeperingen, omdat deze de overlevering van het Verborgen Paleis en ook van de Beker des Heils hebben bewaard. Hier geldt in deze dagen ongeveer de volgende formulering:

Het totaal van de goddelijke Kracht (of Bloed des Heils, een vermommende uitdrukking) wordt ontladen in de Beker, dus in de aarde, die zich daartoe uitstrekt. Door deze goddelijke Kracht is zij gewijd. Indien wij deze goddelijke Kracht erkennen, worden wij deel van deze Kracht en vervullen wij de werken die in deze Kracht zijn gelegen en niet de werken die ons eigen zijn.

De oefeningen zijn daarbij soms wat eigenaardig. Wij treffen bv. zending aan, waarbij het religieuze op de achtergrond staat. Men gaat eenvoudig elders hulp verlenen.

Wij zien in deze groeperingen ook wetenschappelijk onderzoek, sociologische bestrevingen. Uiterlijk vaak zelfs een zeer sterke erkenning van de christelijke moraliteit, van de christelijke leerstellingen en dogmata. Maar zij zien deze alweer als het Kasteel. Zij zijn bestemd om de buitenwereld uit de burcht te houden, zodat alleen de dwaas (degene, die de dingen aanvaardt en ze rustig aanvaard hebbende weer verwerpt) binnen kan gaan. Dat is dus een heel eigenaardige situatie. Ook hier kunnen wij weer zeggen: Een in het eind verwerpen van de bestaande opvattingen, de bestaande stellingen.

Het aanvaarden van de eenheid met het goddelijk Licht, zonder dat er sprake is van personen of aanzien des persoons of van rang, brengt ons eveneens terug tot dat eerste punt in het menselijk bestaan, waarin een goddelijke waarheid, zonder begrenzingen van de rede, zich volledig aan ons kan openbaren.

Dan moet ik ook nog even naar de verdreven Tibetaanse wijzen gaan, die op het ogenblik nog wel ergens in de Karakorum zitten, al zijn het er niet veel meer, maar die voor een groot gedeelte hun scholingen juist hebben verplaatst in de richting van het hedendaagse India. Ook in het z.g. Oost‑ Pakistan vinden wij hen. Deze mensen passen zich uiterlijk aan bij de heersende godsdiensten. Zij zijn dus niet als de Tibetanen zelf uitgesproken anders. Hun arsenaal bestaat uit magische scholing. De oude scholing van bepaalde kloosters wordt op het ogenblik weer voortgezet in India en Pakistan en in nog enkele andere staten en hierdoor wordt het bewijs geleverd voor de krachten van het bovennatuurlijke. Wij vinden bij hen ook een zekere dosis fakirisme, ofschoon dat nooit tot een blijvende zelfkwelling wordt doorgevoerd. Zij gaan uit van het standpunt dat de mens, als hij eenmaal heeft geleerd om de krachten van het demonische (dat vinden wij nu eenmaal sterk in die wereld) te regeren, voldoende gezag en moed heeft vergaard om zichzelf te offeren; de oude offersgedachte, die wij bij de Tibetanen vinden. De beschrijving daarvan kunt u vinden in de boeken van Alexandra David Neel.

Als ik dat offer kan brengen, dan ben ik ook in staat in de Spiegel der Waarheid of de Spiegel der Wereld te schouwen. (Zo’n spiegel bestaat inderdaad nog steeds in een rotstempel.) Deze spiegel wordt meestal gemaakt door in een eenvoudige bak water een druppel donker plantensap te gooien, dat dan wat verkleurt.

Als ik in die spiegel schouw, zie ik mijzelf. Maar door mijzelf zie ik al wat er in mij leeft. Zij zeggen: “Ik kan schouwen in de Spiegel der Waarheid en het totaal van mijn leven zien. Ik zie het hele Rad des Levens. Indien ik daarbij afstand doe van de beperkingen van het heden kan ik het concept krijgen van het geheel; en dit kan ik binnen de beperkin­gen van het heden toepassen.” Alweer, een verloochenen van de waarde der uiterlijkheden aan de ene kant, maar ‑  en dat is typisch voor de Tibetaan ‑ aan de andere kant meteen kijken of je er een slaatje uit kunt slaan.

Daarbij aansluitend vinden we een aantal Indische leraren, wier wijsheid meer uit de Veden stamt, maar die toch ook proberen de mensen het innerlijk schouwen te leren. Hier wordt uiterlijk een heel groot verschil tussen de goeroe en zijn leerlingen in stand gehouden. In feite is de goeroe de wil van zijn leerlingen, maar dat ook maar tot een zekere hoogte. Want hier geldt in bepaalde genootschappen of gees­telijke scholen:

Wanneer ik eenmaal in mijn denken één kan zijn met de meester en daarin een eigen besef verkrijg, zo is mijn wil gelijkwaardig aan die van de meester; dan is mijn macht als die van de meester, want wij putten uit dezelfde bron.

Daar zit uiterlijk vaak een zeer ingewikkeld ritueel aan vast. Er zijn leefwijzen en voorschriften; maar die gelden alleen tot het ogenblik dat ik ga begrijpen wat voor mij goed is. En waar de Tibetaan dan probeert om er een beetje wijzer van te worden, daar zal de Indische wijsgeer heel vaak zeggen. ” …. moet ik dus mijn plaats op de wereld zo innemen, dat ik de grootst mogelijke vrede voor zoveel mogelijk mensen schep.” Hier is het verschil dat men dan optreedt als vredebrenger. Maar de distantiëring van de moderne maatschappij en het moderne denken ligt er weer in, terwijl er gelijktijdig in die Indische scholingen heel moderne concepten van psychologie, van wetenschap, en zelfs van atoom‑chemie worden besproken. Daarover wordt gediscussieerd.

U ziet dus, dat wij in de wereld van vandaag eigenlijk heel wat typische scholen hebben. Er zijn overal richtingen aan te geven. Ik zou hier nog kunnen wijzen op bepaalde culten binnen de Voodoo, waarin ook weer witte krachten worden aangeroepen en vereerd. Maar de kern van de zaak in deze dagen is voor allen toch wel:

Er bestaat een werkelijkheid, die niet kan worden uitgedrukt binnen de beperkingen van het menselijk weten en het menselijk denken. Ik moet terugkeren tot deze werkelijkheid. U moet mij vanuit die werkelijkheid een persoonlijke voorstelling gaan bouwen zowel van mijzelf als van de wereld. Doordat ik dan een persoonlijk contact heb met de Bron van alle dingen, wordt er in mij een bekwaamheid wakker, een inzicht, waardoor ik mijn plaats kan bepalen te midden van wat voor anderen nu de werkelijkheid is en op een wijze, die gelijktijdig beantwoordt aan hetgeen er in mij leeft en aan de noodzaken en behoeften, die er bij anderen bestaan.

Dat deze groepen heel vaak geheim zijn en dat het benaderen van de groepen met veel moeilijkheden gepaard gaat, dat kunt u misschien beter begrijpen als u kijkt naar o.m. het hedendaagse Californië.

In Californië kunt u, als u alleen maar aan de kuststrook blijft, zo’n kleine 190 tempels van verschillende groeperingen en genootschappen vinden;  de één wat groter, de ander wat kleiner. Maar er zijn buitenhuisjes bij, waarvan het kapitaal u, zoals u hier allen bij elkaar zit, zou ontheffen van elke noodzaak nog één slag in uw leven te werken. Wij vinden daar allerhande leraren, vaak heel vreemde kereltjes, en leraressen. Wij vinden culten, die absolute onthouding op allerhande terrein prediken. Er zijn er die absolute losbandigheid op allerhande terrein prediken. Er zijn er die werken met de bijbel, met boeken waarvan nog nooit iemand heeft gehoord en met oude boeken der wijsheid. Maar ze hebben één ding gemeen: ze vragen heel veel, ze geven heel weinig. En daarom adverteren ze. Ze willen graag leden hebben, want voor hen betekent een lid, uitbreiding van hun gezag en hun financiën; en dat vinden zij allebei erg leuk.

Kentekenende advertenties zijn bv. “Weet u geen raad meer met uw leven? Is het hele leven voor u ondraaglijk geworden en hebt u altijd pech? Wendt u tot…” en dan krijg je Swami Ramajana zo en zo, die u de geheimen van het leven geeft.” Of: “Wenst u macht over uw medemensen? Wilt u kennis hebben van hypnose, van de sterren? Wendt u tot de Oude Orde van ……” En zo heeft ieder zijn methode.

Deze mensen dragen dus veel kennis uit, maar die is over het algemeen beperkt. Een enkele keer komt het wel voor dat zo’n leider/ster die kennis inderdaad bezit, maar zij geven die niet uit handen. Ze kunnen hun leerlingen niet verder brengen om de doodeenvoudige reden dat, zouden zij dat doen, daarmede de zin van de gemeenschap zou ophouden te bestaan. Als een bepaald bewustzijnspeil is bereikt, dan zal een gemeenschap, die tot doel heeft de mensheid dat peil te laten bereiken, zich moeten ontbinden. En als al die leden dat peil zouden kunnen bereiken, dan zouden ze ofwel nieuwe leden moeten zoeken, dan wel er zou iemand moeten opdraaien voor de vaak enorme onkostenrekeningen, en die kunnen ze niet vinden.

Terwijl er in deze wereld op dit moment vele groeperingen bestaan, meestal kleinere, die op den duur de mens tot een werkelijke, occulte inwijding kunnen voeren, die hem in staat zou stellen gaven te gebruiken, waar een ander misschien om lacht, maar waarmee je iets kunt doen, zijn er misschien, duizend‑ of tienduizendmaal zoveel groepen, die voorgeven dit te kunnen doen. Want indien ik iemand macht in handen geef, moet ik zeker zijn dat hij die macht ook werkelijk goed gebruikt.

De inwijdingsgeheimen die wij vinden bij de Goldkreuzer, de Graalgroeperingen van deze dagen of bij de z.g. rechte, geheime, Loges zijn en blijven een vermogen, waarmee je op de wereld onnoemelijk veel kunt doen. Die geheimen zijn niet alleen maar aardigheidjes. Het zijn machtsmiddelen, waarmee je  niet alleen maar geesten, maar ook mensen zou kunnen dwingen; en juist dat zou noodlottig kunnen worden voor de mensheid en voor degene die het doet. Daarom moeten die groepen hun geheimen wel bewaren. Ze hebben dan ook een principe dat eigenlijk heel oud is en dat heet:

De kern of de Loge vráágt geen leden, maar zoekt hen uit en voedt hen op, totdat zij in staat zijn naar het lidmaatschap van de groep te vra­gen. Dat is een heel typisch principe. Want je moet dan soms 100 mensen een geestelijke opleiding geven, om er één te krijgen die de waarheid door heeft en zich er zo voor interesseert, dat hij zegt: “Mag ik misschien verdergaan?” En pas als hij die vraag heeft gesteld, komt hij voor een verdere inwijding in aanmerking.

In deze tijd heeft de mens wel een gemiddelde levensduur van ongeveer 50 á 60 jaar, maar hij moet meestal wel wat rijper zijn, voordat hij al die geheimen heeft verwerkt. Daarom kunnen de jongste leden van dergelijke groepen een jaar of 35 ‑ 40 zijn; en dat maakt het ook weer moeilijk. Zij zijn daarom dus de werkelijk geheime groeperingen. Het zijn deze groepen die, overigens samen met de Witte Broederschap, vaak onnoemelijk veel doen om de wereld van morgen voor te bereiden. Want die wereld van morgen moet er een zijn, waarin het occulte, het eens duistere, licht wordt, deel wordt van het dagelijks kennen en weten der mensen. Er moet een aanvulling komen op alle technisch kunnen, op alle theorieën van deze dagen. Er moet een aanvulling komen in de vorm van een inzicht in het wezen der dingen en vooral in het wezen der mensheid. En zo zien wij in deze dagen wel degelijk een grote opbouw van wijsheid, van werkelijke bereiking, van esoterie en macht, maar gelijktijdig moeten wij stellen:

Nog is de werkelijkheid verborgen en niet gemakkelijk te vinden. Nog is de mens niet in staat om vrijelijk de totale beheersing van zijn krachten en gaven te aanvaarden en desondanks getrouw te blijven aan de eenheid met het Hogere, de onbevooroordeeldheid van een a.h.w. nieuwgeborene, wanneer het gaat om streven, werken en handelen in de wereld.