Slotbeschouwing over het “ik”

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 10) – juli 1957

Wanneer wij het “ik” bezien van uit ons eigen standpunt, lijkt het ons gescheiden van de wereld. Door deze scheiding van de wereld, van de kosmos, ontstaan voor ons verschijnselen als ruimte en tijd. Zonder deze scheiding zouden noch ruimte, noch tijd voor ons denkbaar zijn. Om ons te realiseren hoe onze werkelijke toestand is, zullen wij dus moeten trachten onze eenheid met het Goddelijke te realiseren onafhankelijk van de begeleidende verschijnselen, die ons ik als de wereld geliefd te beschouwen.

In elke mens, elke geest, ja, in elk levend wezen is er een geheimzinnige kracht, die niet gelooft aan ondergang; die het “ik” voortdurend toch weer in verband brengt met ongezienen, met capaciteiten, die het “ik” zelf niet denkt te bezitten, enz. Deze band is de zwakke weerkaatsing van ons oorspronkelijk bestaan. Wij leven in onmiddellijk contact met God, ook wanneer wij dat niet weten.

Wanneer ik u mag herinneren aan hetgeen wij in voorgaande lezingen hebben gedoceerd, dan zult u zich misschien herinneren, dat wij God hebben gezien als een volmaaktheid, waarin alle dingen bevat zijn. Gelijktijdig echter als een volmaaktheid, die niet groeit of verandert, doch slechts is. Deze stelling wordt niet door een ieder gelijkelijk aangenomen. Toch hebben de ervaringen van velen in de geest, zowel als enkelen in de stof, ons geleerd dat dit de werkelijkheid is. Wij zijn één met dit Al-bestaande.

Beheerst als wij worden door delen van die Godheid (de kleine en uiteindelijk ook de grote goden) staan wij als ik‑heid niet in direct contact met die grote Kracht volgens ons bewustzijn, maar wel volgens ons wezen. Er is geen enkel stukje van uw leven, geen enkel deeltje van uw lichaam, geen enkel partikel van al hetgeen u omringt, dat niet God is. Wanneer die verbinding ik en God gerealiseerd wordt, betekent zij gelijktijdig een realisatie van God in alle dingen. Een realisatie van God in alle dingen betekent een vereenzelviging van het “ik” met het Goddelijke, waarbij het “ik” als een bewust deel van het Goddelijke in het Goddelijke bestaat, volmaakt volgens zijn eigen wezen, volgens zijn eigen capaciteiten, zoals bepaald in het Goddelijke.

Deze punten werden reeds eerder naar voren gebracht. Wanneer wij echter afgezonderd staan van het Goddelijke in ons ik‑bewustzijn, dan blijkt ons dit een koude, een kale theorie. Daarom wil ik aan het eind van deze reeks van tien lezingen trachten u te beschrijven, hoe men zich dit Goddelijke kan realiseren, hoe men voor zichzelf ‑ zij het misschien voor een korte flits ‑ tijd en ruimte kan uitschakelen en het zijn tot zijn grootste intensiteit in zichzelf ervaren.

Weten dat je niets bent en alles bent is moeilijk, maar mogelijk. Ge zijt niets, omdat ge niet kunt bestaan zonder het bestaande. Gij zijt alles omdat de Kracht, die in u bestaat, in alle dingen bestaat. Zo zijt gij rechtens één met alle dingen en zijt ge rechtens verbonden met alle krachten. De realisatie van dit recht maakt het u mogelijk soms het ik te vergeten. In plaats van de voorstelling, die men zich maakt van eigen wezen en eigen omstandigheden, begint men dan te beleven zonder definitie. Dit beleven zonder definitie gaat gepaard met een zichzelf verliezen in wat dan vaak later wordt beschreven als licht of een lichtende wereld.

In feite is dit alleen een voorstelling, die geboren is uit de beperktheid van uw voorstellingsvermogen. U hebt uw ervaring aangepast en gerationaliseerd volgens stoffelijke omstandigheden. Een werkelijke begrenzing echter bestaat er niet, zoals gij hebt gezien. Op het ogenblik dat men nu in dit licht opgaat, dus het gevoel in het licht werkzaam is, is dit “ik” één met het Goddelijke. Of dit nu via vele schakels gebeurt of onmiddellijk is iets waarmee wij ons niet behoeven te vermoeien. Wanneer de eenheid wordt bereikt, is dit voldoende. Wij moeten daarom leren elke gedachte, die een omschrijving betekent, opzij te zetten, alleen het gevoel te ervaren en alle rede te doen zwijgen.

Het vreemde is, dat dan in ons soms voorstellingen worden geboren die hele tijdsruimten in zich bevatten. Het lijkt ons, of we alle leven van de wereld gelijktijdig kennen. Of we staan bij de oude Farao’s en de bouw der piramiden en gelijktijdig met Napoleon voor de sfinx. Het lijkt ons, of wij gelijktijdig begraven zijn in de aarde en leven in een lichte wereld, vanwaar wij nog vaag de schim zien van de materie. Deze flitsen zijn een uitschakeling van ruimte en tijd of ‑ beter gezegd ‑ een terugbrengen van ruimte en tijd tot hun ware inhoud en betekenis. Een niet persoonlijk ervaren, maar een zijnstoestand, die normaal door ons niet wordt bevat. Hoe meer wij kunnen omvatten in zo’n enkel moment van ontrukt zijn van leven en schepping en hoe minder wij daarbij geneigd zijn na te denken, te rationaliseren, hoe intenser de eenheid tussen ons en God tot stand komt.

Deze eenheid kunnen wij niet blijvend voor onszelf tot werkelijkheid maken in de vorm, waarin wij thans vertoeven. Dat geldt zowel voor geest als voor stof. Wij kunnen echter wel voor onszelf het bewustzijn van deze werkelijke toestand aankweken en het voortdurend sterker doen meewerken in de beperking van ruimte en tijd, waarin wij tijdelijk nog handelend moeten optreden. Hierdoor krijgen wij een onmiddellijk contact met het Goddelijke. Denk niet, dat gij dan wonderen kunt doen; maar wel kunt ge in deze Kracht alle krachten manifesteren. Dit wil zeggen, dat elke schepping en herschepping ‑ evenals in God ‑ in u uitbaar wordt, waarbij de enige begrenzing is, het deel van het Goddelijke, dat gij tijdelijk verwerkelijkt. Op deze wijze kan uit een totaliteit van krachtsbeleven een actieve verwerkelijking van de goddelijke schepping en de kosmos op aarde plaatsvinden.

Het is echter niet mogelijk aan de verschijnselen, daardoor veroorzaakt, ruimtelijke limieten dan wel een tijdslimiet te stellen. Zij ont­staan als natuurlijk, zij zijn deel van de natuur die wij beleven. Zij blij­ven niet staan voor de grens binnen welke de werking ons wenselijk voor­kwam, maar gaan verder tot een grens, waarvan wij reden, oorzaak noch be­staan weten.

Weten wat werkelijk is betekent evenzeer ruimte en tijd uitschakelen. De werkelijkheid van God is geen wereld van verschijnselen. Het is een wereld van toestanden die ‑ zichzelf volkomen gelijkblijvende ‑ bepaalde emoties en stemmingen binnen ons wezen kunnen oproepen. Onze verplaatsing binnen God bij een ontrukt zijn aan eigen omgeving betekent dan ook, het doormaken van reeksen emoties, die achtereenvolgens in ons worden gewekt. Nu is dat “achtereenvolgens” een illusie van tijd. Maar dit kan duidelijker worden verklaard, wanneer ik u zegt dat elk ego op zichzelf een hoeveelheid goddelijke kracht is, een deel van het goddelijk Wezen, in zichzelf tijdloos, oneindig en ruimtelijk niet bepaalbaar en toch ‑ dit is het moeilijke ‑ niet in staat zonder meer en onmiddellijk het geheel van eigen mogelijkheden te activeren. Elke stemming die wordt geactiveerd, is eigenlijk niets anders dan een verrijking van ons wezen, waardoor het daarin bestaande uit God nu ook tot een bestaand iets voor ons wordt.

Het feit, dat we niet gelijktijdig alle aspecten van het Goddelijke in ons onvolmaakte wezen kunnen bergen ‑ want ons bewustzijn is voor ons on­volmaakt, niet voor God ‑ brengt met zich mede, dat achtereenvolgens verschillende fasen van het goddelijke bestaan worden gerealiseerd in emotie en dat deze emoties op zichzelf een steeds grotere beheersing van elke verschijningsvorm betekenen, waardoor de onbelangrijkheid hier­van sterker tot ons is doorgedrongen.

Hieruit vloeit voort, dat voor ons nooit en te nimmer iets geoorloofd of verboden kan zijn. Hieruit volgt, dat voor ons niets bereikbaar maar ook niets onbereikbaar is. Dat houdt tevens in, dat goed en kwaad voor ons niet bestaan, zodra wij gerealiseerd zijn binnen het Goddelijke. Het totaal van ons leven en alle levensmogelijkheden is vastgelegd in de schepping. Het is een direct deel van de grote God, Die te allen tijde onbeperkt deze mogelijkheden in Zichzelf in stand houdt.

De keuze van beleving die wij doen (dus de realisatie binnen de beperking van een bepaald leven) is voor ons een ontwikkeling van ons eigen bestaan. Hoe evenwichtiger dit gebeurt, hoe beter dit voor ons persoonlijk is, gezien het feit, dat een logische en geleidelijke ontwikkeling van ons eigen wezen mogelijk wordt. Maar dit geldt slechts voor ons bewustzijn. Van uit God bestaat hierover geen enkel oordeel, noch enige voorkeur.

Wij mogen dan ook verder stellen, dat geen enkele mens of geen enkel wezen, dat begaafd werd met rede en persoonlijkheid binnen het Goddelijke als deel van het Goddelijke, in werkelijkheid ergens of te enigerlei tijd beperkt is. Alle beperking komt uit ons voort.

Dan is de conclusie duidelijk, dat alle beperkingen, die in ons leven, die wij beleven of aan onszelf opleggen, deel uitmaken van de illusie: tijd en ruimte. Die beperking kan niet verbroken worden, indien ons bewustzijn deze niet volkomen aanvaardt als niet‑bestaand. Wij zijn dus gebonden binnen onze eigen wereld steeds weer beperkingen te aanvaarden, te reageren volgens een onvolkomenheid, die uit ons bewustzijn is gesproten.

Wij zullen echter leren dat ‑ naarmate wij verder gaan ‑ de betekenis der dingen voor ons anders wordt. Op het ogenblik dat het “ik” inderdaad in het Goddelijke bestaat en ruimte en tijd achter zich laat, zijn wij alle dingen; zijn onze daden alle daden ‑ ook de daden, die wijzelf nooit gesteld hebben; zijn onze gedachten alle gedachten en is er van uit menselijk standpunt geen enkele reële band meer tussen werelden en het bestaan van het “ik”. Er is verder geen enkel redelijk verband meer tussen schuld en verdienste. Er is geen enkele redelijke verhouding meer te kennen, die een beoordeling van het “ik” nog mogelijk maakt.

Dit vloeit voort uit het feit, dat God ‑ volmaakt zijnde ‑ in Zich niet te beoordelen is. Het volmaakte verdraagt geen oordeel, omdat een oordeel een afwegen vergt en het volmaakte kan alleen met het volmaakte vergeleken worden, zodat er geen mogelijkheid is onderscheid te maken. Het is echter eerst hier, dat onze mogelijkheid tot oordelen en verschil ophoudt. Tot die tijd zullen wij alle verschillen persoonlijk steeds ervaren en kennen en realiseren wij ons niet, hoe het “ik” in het Goddelijke bestaat.

Kunnen wij voor onszelf gebruik maken van alle krachten, die in het Goddelijke gelegen zijn als normaal deel van ons eigen wezen, dan zal ons blijken dat onze eigen tijd en ruimte verlaten kan worden voor een tijdloosheid. Steeds daaruit terugkerende verwerft het leven zelf (en de wereld zelf) steeds minder betekenis. Langzaam maar zeker sterft het uit, tot het wordt als een holle droom, waarin wij nog acteren, omdat ons bewustzijn zich niet bevrijden kan van de waan, zodat deze actie nog noodzakelijk is.

Op het ogenblik dat wij als mens of als geest in een beperkte wereld ons de eenheid buiten ruimte en tijd met het Goddelijke realiseren en zo de grote Werkelijkheid ‑ een bestaande toestand in ons ik ‑ begrijpen, wordt de betekenis van de vormen, die buiten ons leven, steeds minder. Men kan niet zeggen dat men deze toestand kan nastreven; wel, dat deze toestand het logisch gevolg is van een voortdurend opgaan in God. Wij kunnen dus de stelling opwerpen:

Naarmate een mens in zijn gedachten intenser één is met God en dit als gevoel ‑ zonder de rede hierbij beschrijvend te gebruiken ‑ intenser kan ondergaan, zal hij vervreemden van zijn eigen wereld, voor zover het zijn werkelijk bewustzijn betreft; ook wanneer het leven zelg nog verder wordt gespeeld, alsof het precies gelijk ware.

De leegte aan betekenis die ons leven krijgt, wordt groter naarmate ons bestaan meer inhoud verwerft. Want leven is een opeenvolgende reeks van vormen. Wij zullen door ons contact met het Goddelijke leren zien, dat dit niet het ware “ik” is. Als zodanig blijkt dan ook, dat het onbelangrijk is wat wij stoffelijk al dan niet volbrengen, wat wij geestelijk al dan niet volbrengen en hoe onze wereld is. Wij worden in onze stofvorm tot een zuiver instrument van hogere Kracht, waarbij de vormen die wij doorlopen, een logisch deel zijn van een volmaaktheid; een volmaaktheid die wij kennen. Een deel echter is voor anderen realiseerbaar en draagt bij tot de bewustwording van anderen. Zo is het mogelijk om gelijktijdig als ego buiten ruimte en tijd onmiddellijk in het Goddelijke te bestaan, terwijl gelijktijdig daarnaast in onverschillig welke wereldfase of in welke vorm geleefd wordt en dit leven voor anderen zijn volle betekenis behoudt.

Dit laatste wil ik nog iets verder verklaren. Wanneer ik zeg: “Wat u doet, is niet van belang,” dan bedoel ik daarmede: Wanneer u één bent met God, kan er geen daad bestaan die ongoddelijk is ofwel u verwijdert van God en waarheid. Voor uzelf heeft daad of daadloosheid geen enkele betekenis meer. Elke daad, die nog gesteld wordt, wordt gesteld omdat zij binnen het scheppings patroon past en voor de nog niet bewuste delen der schepping a.h.w. een rol speelt in de tijdruimtelijke ervaring, waaraan gij uzelf ontworsteld hebt. Degene, die leert langs deze wetten te leven, zal zich dus nooit emotioneel gebonden voelen aan bepaalde mensen, bepaalde dieren. Hij zal zich niet door bepaalde begeerten gedreven zien, noch een afkeer hebben van een andere bestaande toestand. Het “ik” is volkomen neutraal geworden. Het “ik”, voor zover de mensheid dit ziet. Gelijktijdig is het ware “ik” ‑ het grote ego ‑ in zijn eenheid met God tot een volmaaktheid geworden, die alle dingen kent en dus positief en negatief tegelijk is, aan beide zijden werkzaam en in beide uitingen van het Goddelijke voortdurend zichzelf gelijk, zoals God Zelf.

Dit houdt in, dat men op aarde levende in deze toestand ‑ voor een korte wijle of steeds meer bereikend ‑ zich zal regelen naar hetgeen men erkent als goddelijke kracht en wil en zo zijn rol spelen in het leven van anderen zonder zich af te vragen, of dit volgens de geldende opvattingen goed of kwaad is; noch zich af te vragen, of dit voor het “ik” of voor anderen een moeilijke of zelfs kostbare zaak wordt. Wanneer wij één zijn met God en ruimte en tijd voor ons zijn weggevallen, zijn wij één met al hetgeen wij rond ons kennen, dus met het geheel van de schepping, voor zover voor ons bereikbaar. In deze eenheid kunnen wij niets doen, dat wij niet voor onszelf doen, noch kunnen wij iets laten, dat wij niet voor onszelf laten. Het overzicht van de totale mogelijkheden in de goddelijke schepping vastgelegd, maakt het ons verder mogelijk om zo te kiezen, dat wij voor onszelf zo goed mogelijk zijn; d.w.z. voor al hetgeen waarmee wij ons identificeren en wat wij zien als deel van ons wezen binnen God.

De leer van naastenliefde benadert dit slechts oppervlakkig. Maar de werkelijke beleving van deze leer brengt ons tot de reële betekenis van naastenliefde: niet zijnde een erkennen van de naaste, maar een erkennen van de eenheid, die de naaste met u vormt binnen God. Op deze wijze hebt u een grondregel gevonden, die voor uw eigen leven de mogelijkheid schept u steeds meer te onttrekken aan de beïnvloeding van uw omgeving. Dit is zeer belangrijk.

Ik kan mij voorstellen, dat zeer velen onder degenen die dit lezen dan wel horen, menen dat hier bovenmenselijke eisen worden gesteld; dat dit een vage toekomstdroom is die niet realiseerbaar is in de materie. Ik wil daarom de volgende argumenten nog aanhalen.

  1. U bent te allen tijde deel van God. Zodra ge dit kunt doorvoelen – zelfs indien ge dit niet begrijpt ‑ zijt ge reeds in deze toestand gekomen, voor zolang die eenheid duurt. Het eenmaal ‑ zelfs in het gevoel alleen ‑ bereiken van die eenheid betekent een voortdurend begeren naar een herhaling van die eenheid en een streven daarnaar. Zo wordt de steeds meer bewuste en grotere eenheid met God buiten ruimte en tijd bevorderd door elke in de tijd liggende ervaring van het “ik”, het individu.
  2. De wereld waarin wij leven, de daden die wij stellen, zijn niet meer belangrijk van uit het Goddelijke. Daar zijn ze slechts deel van een volmaaktheid. Op het ogenblik, dat wij een gevoel van deze volmaaktheid in ons dragen, zijn alle andere omstandigheden voor ons teruggevallen tot krachten van nul en generlei waarde. Ook wanneer wij ze beleven, zijn ze voor ons geen problemen meer. Het probleem kan slechts bestaan voor degenen, die – deze toestand nog niet bereikt hebbende – proberen haar te beschouwen.
  3. Ik heb al deze dingen moeten uitdrukken in woorden. Het woord is een zeer gebrekkig middel om deze waarden over te dragen, aan u over te brengen. Wanneer u het gevoel heeft van volkomen rust en volkomen geluk, dan weet u bij benadering wat de waarde is waarover ik spreek. Er is geen geluk in de kosmos, in de werkelijke wereld, dat overeenkomt met de menselijke opvatting daarvan. Kosmisch geluk (of zo ge wilt: het ervaren van de volmaaktheid door het in‑God‑zijn) is een volkomen harmo­nie in het eigen wezen. Deze harmonie, dit harmonisch gevoel, kan het best benaderd worden door te zeggen: volmaakt geluk. In de voorstelling is een verschil. Wie gelukkig is kan veel verdragen; wie een volmaakt geluk bezit, kan alles verdragen. Daarom is deze les niet bestemd alleen voor hogere werelden, niet alleen voor groter bewustzijn, maar kan zij worden aanvaard door een ieder, die het “ik” zozeer kan vergeten in zijn be­perkte en begrensde vorm, dat een flits van de waarheid in die persoon geboren wordt.

Hiermede, vrienden, is dan onze reeks van toespraken voor dit jaar ten einde. Wij zullen een volgend jaar met andere onderwerpen, misschien ook wel met andere methoden, trachten verder te gaan steeds ook op dit terrein, steeds meer en steeds sterker. Want slechts de mens, die zich bevrijden kan van de te nauwe gebondenheid aan de stof en stoffelijke gebeurtenissen, is in staat voor zichzelf de kracht te gewinnen om de waarheid Gods te benaderen en daarin zichzelf weer te vinden.

Nabeschouwing

Ik wil nog eens erop wijzen: Alles wat ik hier zeg is reëel. Er is helemaal geen vraag of dit alleen in een andere wereld bereikbaar wordt of niet. Er is geen vraag of dat ergens aan tijd gebonden is of aan bewustwording. Wat ik hier beschrijf en noem is een bestaande toestand, die slechts gerealiseerd behoeft te worden, om ook voor het ik werkelijk te zijn.

  • Maar uit uw betoog maak ik op, dat dit pas mogelijk is, wanneer wij zijn opgegaan in het Goddelijke.

Pardon, ik ben begonnen met te stellen, dat wij te allen tijde in het Goddelijke zijn; dat elk partikel van ons wezen deel is van het Godde­lijke. Wij behoeven dus niet op te gaan. Wij zijn deel van. Dus de voorstel­ling, die u tot deze opmerking brengt, is in wezen onjuist.

  • Mij dunkt toch dat i.v.m. wat u zegt over naastenliefde, waarbij men zich dus één voelt met zijn naaste, men juist het tegendeel bereikt van wat u zei.

Waarom?

  • Omdat men dan juist niet alleen zichzelf voelt. Men vereenzelvigt zich met de moeilijkheden en zo zal men zich dus niet vrij gaan voelen van ruimte en tijd.

Dat ben ik niet met u eens. Een eenvoudig voorbeeld: Mevrouw A. heeft behoefte aan een dienstmeisje. Dat is haar probleem. Mej. B. zoekt een betrekking als dienstmeisje. Dat is haar probleem. De twee problemen lossen elkaar op. Voor mij bestaat het probleem niet, omdat ik beide problemen in mijzelf ken. Een ander voorbeeld: Bij A. is een a.s. geboorte een grote zorg, bij B. een naderende dood. Dood en geboorte zijn slechts één uiting in deze wereld. Als zodanig heffen beide elkaar op voor mij. Aan alle problemen daarmede verbonden heb ik geen deel, doordat mijn persoonlijkheid in zich een evenwicht schept, dat niet in de delen van de persoonlijkheden A. en B. aanwezig was.

  • Volgens die voorbeelden hebt u gelijk. Maar er zijn misschien andere voorbeelden. Bijvoorbeeld: iemand lijdt aan kanker. Maar daar staat niet ‑ zoals in uw voorbeeld ‑ iets tegenover, dat dit opheft in deze wereld, zoals u bv. dood en geboorte tegenover elkaar hebt gezet.

U neemt kanker. Uitstekend. U maakt u dus één met die persoon, die aan kanker lijdt. Deze kanker betekent een lichamelijke terugval tot primitieve en pijnlijke normen; gelijktijdig een zware, geestelijke belasting. Hierdoor wordt een beroep gedaan op andere krachten tot genezing. Het streven van anderen weegt op tegen het lijden van de patiënt, zodat de positieve uiting, die de bestrijding van de ziekte inhoudt (het medelijden en mede lijden met de patiënt), een onmiddellijke opheffing betekent van het lijden, dat de patiënt in mij veroorzaakt. De beide waarden lossen elkaar bij mij weer op.

U ziet, er zijn overal tegenstellingen. En juist omdat er overal tegenstellingen zijn, is de uitbreiding van onze persoonlijkheid in deze zin niet een onszelf belasten met de schulden en de zorgen van anderen, maar het in ons oplossen van schulden en zorgen van anderen. Ook wil ik hier nog het volgende opmerken:

Wanneer wij nu eens goed kijken naar de voorstelling van de Christusfiguur voor de Christenheid, dan zien wij daar onmiddellijk de grote misvatting. Christus wordt voorgesteld als deel van God of één met God. In de termen van onze rede kunnen wij daarvoor zeggen: het “ik” buiten ruimte en tijd, binnen het Goddelijke. En dit zou dan de zorgen, de schuldenlast van anderen moeten dragen? Dat kan niet eens. Maar binnen dit “ik”, met zijn mogelijkheden, wordt een evenwicht gevormd, dat de individuen als zodanig niet ervaren. En dat gevormde evenwicht kan dan misschien niet als een redelijk begrip in de delen van die ik‑heid worden neergelegd, maar wel als een gevoelskwestie, als een aanvoelen. Zo kan dus een grote geest, een bewuste geest, die buiten ruimte en tijd komt te staan, wel degelijk de delen in ruimte en tijd zijn krachten geven, maar hij kan ze alleen niet het begrip geven voor de overeenkomst. De oplossing van het probleem moeten ze zelf zoeken. Ik hoop, dat hiermede dit gedeelte u duidelijk is geworden.

De zaak is eigenlijk heel eenvoudig. U leeft op het ogenblik in een wereld waarin u waardering hebt. Door die waarderingen begeert u sommige dingen, verwerpt u andere; durft u soms uw begeren te verwerkelijken, voelt u zich in andere gevallen gedrongen dat begeren officieel te ontkennen. Dat is uw eigen wereld. Maar in die wereld hebben die dingen alleen maar waarde volgens de normen van die wereld. Dus zolang u zich vasthoudt aan dit stoffelijk bestaan zonder meer, zullen deze invloeden u voortdurend van wanhoop tot geluk en omgekeerd brengen. Dan zult u nooit vastheid en harmonie vinden. Maar op het ogenblik, dat u voor dat begeren en voor die angst iets anders in de plaats kunt stellen, een beleven dat binnen in u ligt en dat in verband met God staat en dus niet aan belemmeringen onderhevig is, dan vallen dit begeren, dat lijden, die angst, enz. weg. Dan hebt u daar lang niet zoveel last meer van. Wat meer is, dan leert u binnen uw eigen wereld een oplossing vinden, die volkomen acceptable is. Niet alleen voor die wereld ‑ dat is niet zo erg belangrijk ‑ maar vooral voor uzelf.

Hoe u ook denkt, hoe u ook leeft, u bent werkelijk. Onthoud dat nu. Wat u betreft kan de hele wereld rond u een droom zijn, maar u bestaat. En daarom is het noodzakelijk, dat u voor uzelf de juiste waarden vindt, voor uzelf het juiste geluk, voor uzelf de juiste oplossing. En dat juiste geluk, die juiste oplossing kan nooit liggen in iets tijdelijks. Alles wat aan de buitenkant zit, het is zo vluchtig, zozeer een element van de tijd, dat het, wanneer je het redelijk en logisch beschouwt, geen zin heeft. Heb je echter houvast aan die hogere kracht in je, dan wordt het veel gemakkelijker. Want terwijl je zelf ongetwijfeld geneigd bent om het in de tijd ontstane lijden voor anderen te delgen en hun in de tijd een korte wijle van vreugde te gunnen, zul je voor jezelf ‑ bevrijd van deze dingen ‑ een misschien niet zo uiterlijk groot, maar innerlijk intens geluk hebben, een intense vrede. En dat is het belangrijkste.

Wij hebben nu gesproken over God en alles wat er in de schepping is. Over grote en kleine goden. We hebben de wereld van buiten en van binnen bekeken. Wij hebben getracht a.h.w. de sluiers voor de troon van de Schepper weg te vagen. En wat is de conclusie waartoe we komen? Als altijd weer, wanneer wij al deze dingen weten, dan komt er toch een ogenblik, dat je moet zeggen: “Dit is onbelangrijk.” Het is goed te weten dat het bestaat. Want doordat je het weet, kun je veel begrijpen. Maar het is nog veel noodzakelijker om zelf te ontkomen aan deze dwingende cyclus en voor jezelf een contact te vinden, dat buiten al deze waarden om continu, constant, eeuwig harmonie geeft.

Je kunt alles doen om die wereld te ontvluchten en het lukt je niet. Je kunt alles doen om bepaalde ervaringen te ontgaan, het lukt je niet. Zolang je aan de vorm blijft vastzitten, aan de vormenwereld, zul je ze moeten beleven. Dan blijft er alleen maar één mogelijkheid over: laten wij dan ruimte en tijd beschouwen als factoren van minder belang en laten wij onze aandacht richten op die grote Kracht, die achter ruimte en tijd continu, constant, altijd is. Die Kracht, waar wij met ons bewustzijn doorheen dwalen, maar waarvan wij de inhoud niet overzien. Kunnen we dan God niet overzien, dan kunnen we toch in ieder geval God ervaren en in dat ervaren de kracht vinden om ‑ in Zijn harmonie reeds ‑ het “ik” stellende a.h.w. buiten alle wereld, alleen in God ‑ te komen tot een ervaring van alle wereld als uiting van God, zodat naast het beleven ook het kennen mogelijk wordt.