Sociale achtergronden als bronnen van esoterie

3 februari 1961

Aan het begin van deze avond wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp is: Sociale achtergronden als bronnen van esoterie.

Wanneer wij over esoterie spreken, menen de meeste mensen wel dat dit woord de innerlijke weg aanduidt, doch slechts weinige beseffen, dat deze esoterie niet altijd heeft bestaan. De esoterie vindt haar ontstaan en vorm in directe samenhang met de meer stoffelijke verhoudingen en de sociale systemen van de mens.

Dit is aan te tonen. Bij het geven van voorbeelden zal ik de geschiedenis van Atlantis buiten beschouwing laten en bij Babylon beginnen. In Babylon – tijdens de eerste periode van de staat – vinden wij veel landbouw. De stad is klein. Er is enige handel. Later wordt de welvaart groter en breidt de stad zich uit. Uit de eenvoudige godendiensten ontstaan systemen van Goden. Onder invloed van het sterrenbeeld de Stier treedt ook hier de vruchtbaarheidscultus steeds sterker op de voorgrond. In de eerstgenoemde periode spreekt men in de godsdienst alleen over de verhouding tussen hemel en aarde. De mens zelf heeft met dit alles betrekkelijk weinig te maken. Een geloof aan voortbestaan is er niet of nauwelijks. Naarmate de welvaart groter wordt, groeit het priesterdom, maar ook de waardering voor de mens zelf in de schepping. Wij horen voor het eerst over mogelijkheden van voortbestaan na de dood. Ook wanneer men niet aan iedereen en aan elke stand zonder meer de mogelijkheid toekent van een bewustwording en een perfect leven na de dood, zo neemt men deze dingen toch aan voor alle priesters, vorsten en hogergeplaatsten.

In deze tijd spreken de priesters als volgt: “Zeven zijn de Goden. Zeven zijn de gewijden. Wie gewijd is, zal niet sterven, maar gaat in tot de God. Wie in God gaat, kent zichzelf in de God en is oneindig”. De oplossing van deze raadselspreuk is wel eenvoudig. In dit rijk sprak men over zeven Goden, die tezamen het heelal vormen. Men kende verder de hemelse raad, die door deze Goden samen gevormd wordt. Daarachter gaat volgens de geheime leer nog een grote en onbekende Godheid schuil. Het gegeven beeld, waarbij een mens kan behoren tot een van de Goden of geestelijke meesters, is niet zo dwaas. Ook de gedachte aan een vereenzelviging met de God of meester herinnert aan de overleveringen omtrent het pad der inwijding en alles, wat daartoe behoort. Zelferkenning in de God wordt, zij het niet voor allen, reeds dan het doel van het leven genoemd. De werkelijke nadruk op het kennen van het Ik zal eerst volgen, wanneer de mens zichzelf moet kennen om zich sociaal en economisch te kunnen handhaven in een Rijk, dat zijn hoogtepunt reeds heeft overschreden.

In Perzië vinden wij de leer van Zoroaster. Hierin kennen wij soortgelijke elementen. De vereenzelviging van het Ik met de God van Licht, om zo aan het einde der dagen tot de overwinnende partij te kunnen behoren. Tevens wordt gesteld, dat hij, die met het Licht één wil zijn, uit het Licht, doch door zichzelf, zijn wezen boven alle dingen zal moeten kennen. Een esoterisch concept dus. Een dergelijk beeld is eerst mogelijk, wanneer er bij de mens een groot zelfbewustzijn is ontstaan, zelfs indien dit slechts voor enkele klassen werkelijk bestaat. Het lijkt mij dan ook geen toeval, dat tussen de maatschappelijke verhoudingen, de economische ontwikkelingen van de wereld en de esoterische inzichten op de wereld bepaalde parallellen aan te tonen zijn.

Vreemd doet het wel aan wanneer wij ontdekken, dat, wanneer de priesterperiode van een beschaving ten einde loopt en de welvaart haar hoogtepunt al heeft overschreden, van een duidelijk en voor allen bruikbaar esoterisch concept kan Worden gesproken. Zelfs de vaak geciteerde filosofen der oudheid kwamen niet op de voorgrond in perioden van stoffelijke ontwikkeling en groei, maar waren de boden van een tijd, waarin stoffelijk verval optrad. Het geconstateerde wordt nog duidelijker bevestigd door een beschouwen van de historie. Ondanks alle vervormingen van het verleden is daarin nog duidelijk af te lezen, dat voor alle volkeren kan worden gesproken van een afwisselend, hoofdzakelijk materieel en een hoofdzakelijk geestelijk leven. Wanneer men het materialisme ten top gaat voeren, iets, wat voort schijnt te komen uit een redelijke beschaving, maar vooral een van boven af geheel geregelde economie, begint reeds een nieuwe geestelijke ontwikkeling zich aan te kondigen. De esoterie is dan ook, zolang zij voor enkelen bestemd blijft, een kenteken van de komende tijden.

Dat profetieën, bij het ontstaan van dergelijke abstracte denkwijzen, een rol spelen, is niet verwonderlijk. De inhoud ervan is vaak onrustbarend voor de mens, die zich vooral hecht aan uiterlijke waarden. Voorbeeld: in de Bijbel vinden wij verschillende aankondigingen van een ondergang van het volk, of de wereld. De God Israëls zal zijn volk verlaten, de wereld zal verduisterd zijn. De Joden zullen als slaven in den vreemde hun zonden bewenen. In Indië vinden wij een soortgelijke reeks voorspellingen, waarvan de somberste spreekt over de duisternis, die om de wereld zal trekken en alle mensen het werkelijke leven nemen. Het apocalyptisch karakter van dergelijke voorspellingen stamt dan ook niet uit christelijke tijden, maar beheerst haast alle volkeren op zijn tijd. Verschillende groepen Grieken werden door een reeks van dergelijke voorspellingen er toe gebracht zich uit Griekenland terug te trekken en elders een kolonie te vormen. Wanneer in de nabloei van Griekenland, doch voor de onderwerping aan Rome, vele kleine Griekse koloniën opeens buiten het rijk en bij voorkeur zelfs in Afrika worden gevestigd, zo is dit wel zeker een gevolg van dergelijke onheilsprofeten. In de publicaties wordt dit niet of slechts spottend vastgelegd. Over de werkelijke toestanden hoort u even weinig, als de toekomst zal weten over de angsten van deze tijd voor het dreigende atoomgevaar. De ondergangsgedachte kondigt eveneens een verandering in economische en politieke verhoudingen aan.

In Europa kennen wij een dergelijke gedachtegang in Noord-Afrika, Italië en Frankrijk. Rond 1600 vreest men in bijna geheel Europa en grote delen van Azië eveneens een gehele wereldondergang. De onheilsprofeten herinneren ons aan mensen, die men ook in uw dagen kan vinden. Zij klimmen wel niet op de Mont Blanc, maar hun stem klinkt even onheilspellend; een wegvluchten naar geheime of heilige plaatsen om daar de ondergang van de wereld af te wachten, komt steeds weer voor. In 1870 trekken vanuit Finland rond 200 mensen met boten de Oostzee op, na al hun bezittingen te hebben weggegeven. Zij hopen zo te ontkomen aan een “gericht door vuur”, dat op het land zou nederdalen. In 1503 zien wij een dergelijke ondergangsgedachte in de buurt van Lemberg: Polen. Degenen, die hier wegvluchten naar het zuiden, belanden uiteindelijk in de Turkse gebieden. Deze vluchten uit een vrees voor het laatste oordeel en trekken weg, ofschoon zij volgens hun eigen leer aan het oordeel niet kunnen ontkomen. In de tijd van de Katharen vinden wij een dergelijke vlucht, die enkelen van hen tot bij Nederland voert. In Egypte tracht een groep van gezeten burgers een tijdlang het zuiden van Afrika te bereiken – 1200 v. Chr. – om aan een uitdrogen van het Nijldal door de toorn der Goden te ontsnappen. Ook de eerste christenen menen, dat de brand van Rome het begin is van het laatste oordeel.

De kentekenen van de perioden, waarin dergelijke ondergangsgedachten optreden, zijn: Er is pas een nieuwe leer, of een vernieuwing van een oude leer geweest. Er zijn de eerste tekenen van een nieuwe esoterische leer. Binnen de periode is de top van beschaving en welvaart reeds  bereikt. Er is sprake van een meer dan normale ordening in de wereld, die de vrijheid der mensen beperkt, terwijl de macht, die dit tot stand brengt, slechts in wankel evenwicht verkeert.

Tijdens de ondergangswaan in Lemberg treden daar tevens verschillende joodse leraren op, die een nieuwe vorm van magie prediken. De magie wordt meestal verhuld achter de beelden der kabbala en verkeerdelijk aangezien voor kabbalistiek. Vele legenden uit deze periode bestaan nu nog, waarvan een van de bekendste wel is, het verhaal over de Rabbi van Wilna. Opvallend is daarbij een gedachtegang, die uiteindelijk alleen geestelijk betekenend is: de mens kan door het Goddelijke teken, in zich God ontmoetend, door de God de materie herscheppen en macht verwerven. Van deze gedachtegang spreekt ook het bekende verhaal van de Golem. De interpretatie verschilt nog al eens. Dit, uit aarde gemaakte monster, dat leeft krachtens het teken van de Heilige Naam, dat een magiër en leraar op het voorhoofd heeft gegrift, wordt in enkele verhalen tot een losgebroken en bijna helse macht. In andere gevallen is het de verdediger van het getto van Warschau.

De gedachte, dat de mens de dode materie kan bezielen, is overigens ook in vroegere perioden reeds aan te treffen. Pogingen om materie te bezielen vinden wij ook in de vroege alchemie. In de periode van 1200 – 1300 n. Chr. horen wij al van alchemistische recepten, waardoor het mogelijk zou zijn homunculi te scheppen. Dit zijn levende mannetjes, die uit chemische werkingen en binnen een retort zouden ontstaan. In Goethe’s “Faust” vindt u dergelijk wezens omschreven en wel in het tweede deel, tijdens de tocht naar de Griekse heksensabbat. De gedachten op de achtergrond kunnen wij steeds betrekkelijk eenvoudig uitdrukken.

Nu wil ik u eens een beeld geven, dat stelt: economische verhouding, de leerstellingen die in die periode ontstaan, en de inwijdingsleer, die daaruit ontstaat.  Ik begin rond 6.000 v. Chr. Indië. In de vlakten: vorstenrijken, klein, maar rijk. Vrede door de vorstenbonden, die weliswaar elkaar bestrijden, maar voor grote delen van het land toch een langdurige vrede weten te waarborgen. De krijgsmankaste is rijk en machtig. De priesterkaste brengt – tezamen met de krijgslieden – een aantal denkers en filosofen voort. Kunst bereikt een hoogtepunt door vervaardiging van grote stenen beelden en het bouwen van tempels uit de rotsen. De leer rond het hoogtepunt van de cultuur in ons is het leven. Het leven wordt gekarnd als een zee. Door de goedheid der Goden ontwaakt in ons de wereld. Denk hierbij aan de latere beelden van het karnen der wereldzee en het wereldgif. Dit is reeds zuivere esoterie. Uit de woorden: “In ons ontwaakt de wereld” ontstaat een inwijdingsleer die lang voort blijft bestaan.

In de termen van de Hindoeleer luidt deze als volgt:   “Het lijden van de mens is als het karnen van de wereldzee. Door het lijden en de strijd wordt het wezen van de mens in beroering gebracht. Zo zuivert hij zichzelf en brengt uit zichzelf het Lichtende en waardevolle voort. In het Lichtende en waardevolle kan de mens zichzelf leren kennen. Deze kennis wordt een macht, waardoor hij zich verheft en wordt tot gelijke der Goden.”

Deze vertaling is bijna letterlijk. Deze gedachte ontstaat eerst, wanneer toenemende strijd de vorstenbonden uiteen doet vallen en de oorlog de vlakten teistert. De leer troost de mens en toont hem aan, dat ook dit alles een doel heeft: de mens te veredelen en tot hogere bestemmingen te brengen. De gedachte, dat beproevingen en loutering noodzakelijk zijn voor bewustwording zullen wij later nog vele malen ontmoeten.

Wij zullen eens gaan zien naar het Chinese rijk rond 3.000 v. Chr. Het rijk zelf is nog betrekkelijk klein. Het kent al heersende standen als krijgers en ambtenaren. Er is sprake van een gezonde economische samenhang. Transporten van begeerde artikelen als aardewerk en primitief porselein vinden over geheel het land reeds plaats. Er is ook al sprake van in- en uitvoer van producten. Uitvoer: weefsels. Invoer: houtsoorten, vlees en huiden. In die dagen is er sprake van scherp gescheiden standen, waarin grote nadruk op onderscheid in rang wordt gelegd. Men is geheel georiënteerd op het centrale gezag, de vorst en het land, zoals men later alles onder- danig zal maken aan de Goddelijke keizer en het keizerrijk. De gebruiken uit die dagen blijven haast onveranderd bewaard, daar nieuwe heersers en veroveraars de instellingen, zonder belangrijke wijzigingen over plegen te nemen. Dit rijk, dat kleiner is dan het Cathay van de middeleeuwen, wordt aan alle zijden door barbaarse horden bedreigd. Vanuit het noorden invallen van Mongolen. Ook vanuit Tibet en het zuiden worden aanvallen op de rijkere gebieden met steeds groter ferociteit gedaan. Stelling in deze dagen: slechts wanneer een ieder zijn taak verricht binnen de gemeenschap, zal zijn leven doel hebben. Slechts door het erkennen van de band, die bestaat tussen elke mens en het rijk, kan de juiste weg gevonden worden voor de mens en het rijk, waartoe hij behoort. Dit is kennelijk een voorloper van de latere taoïstische gedachtegang. Overigens zal het rijk, na enkele perioden van grote verwarringen, zich weer stabiliseren.

Later horen wij, gebaseerd op het geciteerde, de volgende stellingen:  “Er is een band, die reikt van begin tot einde. Wij, die leven, zijn niet meer dan een schakel in de keten van leven. Elke schakel dient zichzelf te kennen en zijn taak te beseffen. Indien één schakel faalt, heeft de keten geen zin. Slechts door onszelf te beproeven op kracht en wezen, onze taak te beseffen en de weg, die voor ons is uitgetekend, geheel te volgen, zullen wij verder kunnen komen. Daartoe dienen wij onze plichten te erkennen, zowel als de rechten van andere mensen en de heerser. In onszelf zullen wij zó de band met het eeuwige rijk verwerven en daar in welvaart leven.”

Overigens is opvallend, dat een groot deel van deze gedachtegangen buiten de klassieken snel teloor gaat, maar het: “in welvaart in een eeuwig rijk leven”, bewaard blijft. Over het hiernamaals wordt overigens bij de grote leraren der Chinezen later niet meer of niet veel meer gesproken. De waarheid van deze regels is nog heden geldend.

Indien wij onszelf beschouwen – als geslacht, zoals de Chinezen, of in een meer kosmische zin – zijn wij inderdaad een schakel. De mens is deel van het heden. Het heden is altijd de schakel tussen verleden en toekomst. Het heden is deel van de Goddelijke Schepping, deel van de Volmaaktheid. Indien wij onszelf kennen en op onze krachten beproeven, zo sterken wij niet alleen onszelf, maar versterken wij tevens de band tussen verleden en toekomst. Wij maken dus vanuit ons standpunt de scheppingsdaad concreter en voeren haar tot een verdere voor allen kenbare verwerkelijking. Zuivere esoterie dus.

In Egypte treffen wij – naast alle bekende magische leerstellingen – al vroeg ook esoterische gedachten aan. In de dagen, dat het Benedenrijk in verval is en strijd tussen de beide rijken dreigt, horen wij: “de Goden openbaren zich in symbolen”. Waarschijnlijk is dit tevens de verklaring voor het aanvaarden van zovele dierengoden door de geestelijk rijperen in dit gebied.

De stelling gaat verder: “Indien wij in onszelf de kracht vinden ons als een vogel boven het land te verheffen – hierbij is het mogelijk, dat men op bepaalde vormen van helderziendheid doelt – zullen wij een eenheid van land en wezen in onszelf kennen. De Goden zullen hun maskers laten vallen en zo, ziende de waarheid, zullen wij achter de Rechters staan”.

Ik zal deze gedachte trachten te verklaren. In een tijd, dat er een zekere handelswelvaart bestaat, maar tevens macht en samenhang van het rijk bedreigd worden, terwijl de steden een last voor het land worden, denken de mensen over het leven na. Men zegt zichzelf nu: ik moet verder komen dan een zuiver stoffelijke macht. Met stoffelijke machten alleen kunnen wij het niet meer redden. Daarom moeten wij onze geest vrij maken en leren de dingen te overzien. Zodra ik alles overzie, zal ik de Goden zonder masker zien. De Goden zijn verpersoonlijkte Goddelijke wetten. Het Ik dient de kosmische waarheid te beseffen. Maar daardoor zal ik achter de Rechters staan. Deze rechters zijn de dodenrechters. Zij moeten het leven van de mens beoordelen. Degene, die achter de rechters staat, is machtiger dan de rechters, of tenminste hun gelijke. Hij heeft het recht tot ingrijpen. Er is hier sprake van een deelhebben aan een be- paalde scheppende en oordelende werking. Het is eveneens duidelijk, dat de mens slechts achter de rechter kan staan, wanneer hij zich geheel bewust is, dat hij tenminste de gelijke van de rechters is.

Wij zouden in moderne taal kunnen zeggen: de mens, die in zich opgaat, komt tot een zelfopenbaring en is zo de gelijke van vele hogere geesten en machten. Het is duidelijk, dat de mens zichzelf moet leren kennen, daar hij zonder deze zelfkennis de moed niet zal hebben tot het uiterste van zijn mogelijkheden te gaan. Weer een aanduiding van de esoterische weg. De weg in het ik.

Wanneer later de twee rijken tot verval komen, is een dergelijke periode nogmaals te constateren. De piramiden zijn dan gebouwd, het rijk is bezaaid met grote tempels. Cultuur, beschaving, weelde en ambtenarij heersen alom. De maatschappij is een van de meest geregelde die ooit bestaan hebben. Haar vorm is een theocratie, waarin de priesters een belangrijke rol spelen, doch de vorst de verpersoonlijking van de Godheid zelf is. De macht van het rijk neemt echter af. Onder de Amonpriesters klinkt een stem, die uitroept: “Weet, dat, wie de Goden slechts dient met woorden, ten onder zal gaan. Want het Licht der hemelen rijst niet als een valk – aanspeling op Horus – zonder zich bevrijd te hebben uit het duister. Zo bevrijdt men zichzelf.”

De bedoeling is hier, dat de mens zich zal bevrijden van bijkomstigheden als macht, pracht en praal. De oproep eindigt met de woorden: “wees innerlijk – of werkelijk – priester”.

Hieruit komt later een esoterische richting voort, die wij zullen terug vinden in Griekenland. Zij luidt: “niet uiterlijk” – bedoeld wordt: niet door onderricht – maar door het innerlijk aanvaarden, treedt men voor de Godheid. Wie voor de Godheid treedt, beschouwt zichzelf wel, opdat hij/zij niet onwaardig zij. Treden voor de God betekent: innerlijk waardig zijn, waardigheid kennen en neerknielen voor het niet-onthulde – zo u wilt – kunt u hier ook lezen: “het gesluierde”. Hierbij treedt de opvatting naar voren, dat men wel voor de Godheid kan treden, maar dan toch eerst deze Godheid waardig zal moeten zijn. Wij moeten ons vormen, opdat wij eenmaal waardig zullen zijn de Godheid te ontmoeten. Een parallel met een vroegere Egyptische ontwikkeling, maar toch niet geheel zonder verschillen? Men stelt hier niet de leer, maar de gevoelsinhoud primair voor het bereiken.

Dit wordt weerkaatst in Griekenland bij de Eleusische Mysteriën. De bijeenkomsten vinden in Eleusis plaats in zeer grote getale. Meerdere honderden mannen van allerlei rang en stand komen samen om het mysterie te beleven. Het is duidelijk, dat hier niet een zeer bijzondere kennis, maar ten hoogste een ritueel en de daaruit voortkomende gevoelseenheid een rol kunnen spelen. Naast de grote bijeenkomsten bestaat ook in Eleusis een groep van filosofen. Dezen zijn niet als “bijzondere ingewijden” aan anderen bekend. Onderling bewaren zij het geheim van de beste inwijding en kennen een bepaald geheim. Toch zijn er spreuken weer te geven, die zeker niet zonder zin zijn en een achtergrond van mensenkennis en kosmische begrip weergeven.

“Door mijzelf te wijden aan het goede zal ik één zijn met het goede. Uit mijzelf vrij-zijn betekent ín mijzelf vrij-zijn. Slechts wie in zichzelf vrij is, vormt zichzelf tot volmaaktheid.”

Dit principe komt overigens ook in de Tocht naar Eleusis en het mysteriespel aldaar tot uiting. Gezien de inhoud van dit laatste ben ik geneigd aan de voorgaande spreuk een bepaling toe te voegen en te spreken van een volmaaktheid volgens geloof. Opvallend is het, dat er hier schijn- baar een vaste relatie tussen vrijheid en vorming gesteld wordt.

De meer filosofische inwijding, die uit dit alles voortkomt, gaat deze gedachten verder omschrijven en stelt dat het Al is gebouwd, en sferen – sferen waarschijnlijk in de Aristoteliaanse zin gebruikt – en wijzelf even zo gebouwd dienen te zijn; om ons wezen op de juiste te bouwen, zullen wij het Al binnen onszelf moeten verwerkelijken. Om dit Al in onszelf te verwerkelijken is het noodzakelijk onszelf van het overbodige te ontdoen, het ware in onszelf te ontdekken en te versterken, doch slechts in harmonie met het gekende. De harmonie wordt hier gezocht met de sferen en elementen van het Al. Het belangrijkste van deze gedachtegang is wel het beeld, dat de mens zichzelf moet vormen. Ook wanneer binnen de christelijke wereld beschaving en leven in gevaar komen, toont zich hetzelfde verschijnsel. Laat ons de eerste machtsperiode van het christendom eens bezien, aan het einde van Rome’s macht.

In deze tijd heerst in Rome en andere grote steden een haast alomvattende welvaart. In die steden worden net zoals nu flatwoningen gebouwd. Men kent kinderbijslag, ondersteuning van armen, ziekendiensten enz. De vorm is misschien wat anders dan u gewend bent, maar de essentie ervan is ongeveer gelijk. Voor het volk is ontspanning belangrijk, die gevonden wordt in de nu meer bloedeloze circussen, grote theaters, juist zoals in uw dagen. Maar het volk is ook onzeker, juist zoals u, want de barbaren zijn reeds enkele malen tot aan de Tiber doorgedrongen.

De eerste stellingen, die zich hier ontwikkelen, kunnen wij beschouwen als een erfdeel van de eerste kerkvaders in Noord-Afrika.

“Wij mogen het kwade niet ontkennen of bestrijden, want ook het kwade komt uit God voort, evenals het goede. Slechts door het aanvaarden van goed en kwaad kunnen wij komen tot een juist leven en werken.”

Deze leerstelling wordt overigens al snel tot ketterij gemaakt, want ook in die dagen sprak men reeds veel en graag over de macht van satan, die bestreden moet worden. Uit deze stellingen komen later de met vuur en zwaard vervolgde ketterijen voort. Deze stellingen worden ook door een aantal wijzere mensen opgenomen. Zij zullen deze gedachten in zich verder gaan ontwikkelen. Hun stelling wordt dan als volgt:  “Zoals er een hemel en aarde is – de voorstelling hiervan is een platte aarde, waarover de hemel staat als een soort bovennatuurlijke kaasstolp – bestaan in ons het goede en het kwade. Zoals hemel en aarde uit God voortkomen, zijn ook het goede en het kwade in ons door de Schepper voortgebracht. De aarde moet beantwoorden aan de hemelen en de hemelen moeten hun wil op aarde kenbaar maken. Zo moet het kwaad in ons beantwoorden aan het goede dat in ons leeft en het goede het kwade in ons vormen, tot het aan de wetten van de Schepper beantwoordt.”

Deze stelling ontwikkelt zich verder en neemt dan de volgende vorm aan:  “Wanneer wij leven in deze wereld, is het voor ons belangrijk, dat in ons goed en kwaad gelijkelijk bestaan. Al hetgeen goed in ons is, zal het kwaad, dat wij in onszelf kennen, vormen en richten. Omgekeerd zal al hetgeen wij in onszelf als onjuist erkennen, slechts door een beroep op het goede, dat wij in onszelf erkennen, zijn werkelijke betekenis verwerven, want voor ons allen is bovenal een innerlijke eenheid noodzakelijk.”

Zo dit laatste al enige zelfkennis impliceert, wordt het begrip van zelfkennis zelf in deze stellingen veel minder naar voren gebracht dan in de voorgaande geciteerde leringen.

Een tweede crisis meldt zich aan in de dagen van de Orsini’s en Borgia’s. In deze dagen is de welvaart groot. Venetië heerst tot in het verre oosten toe en de macht van de doges is bepalend voor veel van hetgeen rond de Middellandse Zee gebeurd. Er is ook een grote geestelijke nood, terwijl ook vele volkeren door armoede en onzekerheid worden gekweld. In deze dagen ontstaat de filosofische alchemie. Nu heeft de praktische alchemist met zijn geknoei en zijn vreemde proeven ongetwijfeld aan de wereld vele vruchten van zijn arbeid nagelaten. Vele stoffen en elementen worden door alchemisten het eerst ontdekt en gebruikt. Al snel ontstaat een richting, die stelt:  “De Steen der Wijzen kan niet buiten de mens bestaan, want de Steen der Wijzen is de kracht van God. Daarom zal de Steen der Wijzen in de mens bestaan en alleen uit de mens zelf kunnen worden voortgebracht”.

Wanneer men zover komt, dat men de mens gaat beschouwen als het Goddelijk retort, ontwikkelt men ook deze reeks van gedachten verder:  “Wanneer wij ons zelf leren kennen en in ons zelf de verschillende krachten van ons wezen bewust weten te gebruiken – daarbij speelt ook astrologie een bepaalde rol – zullen wij door het juist gebruiken der krachten ons eigen wezen leren kennen en in onszelf de Steen der Wijsheid ontdekken. Zo wij onszelf kennen en in onszelf de Steen der Wijzen dragen, zullen wij deze uit onszelf voort kunnen brengen en de invloed daarvan scheppend doen inwerken op al het zijnde. Wanneer het geestelijke goud eenmaal gemaakt is – dit is het Licht – zullen wij als gevolg zo nodig ook stoffelijk goud voort kunnen brengen.”

Rond 1800, wanneer grote revoluties overal zich aankondigen en het koninkrijk Frankrijk tot Republiek wordt, weerklinkt een nieuw geluid. De eerste stem is de door velen enigszins verachte Leer van de Rede. Denkers als Voltaire zijn de eerste vertolkers van de nieuwe boodschap. Zij stellen: wij moeten meer weten. Kennis is belangrijk. Niet het onbewezene, maar het bewijsbare behoort in de eerste plaats tot ons wezen en onze taak. Terwijl de Republiek overgaat in een Keizerrijk en de Encyclopedisten langzaamaan vergeten worden, werkt de leer voort en wordt nu als volgt uitgedrukt:  “Uit hetgeen wij weten, zowel als uit hetgeen wij geloven, vinden wij de ware gestalte van ons eigen wezen en door deze kennis kunnen wij ingaan tot de tempel.”

Zo u deze stelling misschien wat primitief aandoet, zult u toe moeten geven, dat zij niet alleen aardig is, maar ook kentekenend voor de gedachtegang van de hedendaagse esoterie. Ook hier zijn welvaart, een bepaalde en onaantastbare orde, plus hun ondergang, aansprakelijk voor het tot stand komen van een nieuwe leer, die alle fasen uit de oudheid zal kunnen omvatten, zonder een eigen karakter daarbij te verliezen.

Ook uw eigen dagen brengen vele culten en leringen naar voren. De tijd rond de eerste wereldoorlog brengt de Graalcultus naar voren. Ook al is de betekenis van deze groepen niet zo groot, toch brengen zij de gedachte: dat wij het Heilige moeten zoeken en eerst, wanneer wij dit in ons gevonden hebben, zullen wij dit ook buiten ons kunnen aanschouwen. Toch zal deze gedachtegang zich niet geheel kunnen ontwikkelen, vóór een tweede wereldoorlog ingrijpt. Verder vinden wij in deze tijd een steeds verder gaande verbreiding van Theosofie, Rozenkruiserleer en andere inwijdingssystemen. Dezen nemen tussen beide grote oorlogen in belangrijkheid en omvang zeer sterk toe. De leringen op zich zijn nog niet volledig en blijven beperkt. Voorbeelden daarvan vinden wij bv. in de Sterkampen als in Ommen. Dezen waren interessant en leerrijk, maar er ontbrak nog iets.

Tegen 1935 ontstaat er een ommekeer. Haast alle genoemde richtingen, plus vele niet genoemden, splitsen zich in dogmatische groepen en groepjes, die na gaan denken. Deze laatsten komen tot het inzicht: wij kunnen alleen vanuit onszelf en door onszelf iets tot stand brengen. Alle leer van karma, reïncarnatie, enz. is eigenlijk onbelangrijk. Belangrijk is alleen, dat wij iets tot stand brengen. Niet het Licht, dat wij eventueel eens zullen zijn, maar het Licht, dat wij nu reeds kunnen brengen, is het voornaamste. Al snel voegt men hieraan een verdere conclusie toe, die al tijdens de tweede wereldoorlog aan de westkust van Amerika grote openbaarheid verkrijgt. Wij moeten voor alles het geheim van eigen wezen en Zijn ontdekken, maar eerst door Licht te brengen in de wereld buiten ons en een begrip voor de wereld buiten ons te verwerken, zullen wij onszelf in waarheid kunnen aanschouwen. Eerst de mens, die zichzelf aanschouwen kan – en dus weet, wie en wat hij is – zal werkelijk kunnen produceren. Deze zal dan eerst werkelijk aan zichzelf kunnen werken en ook geestelijk grote resultaten bereiken.

In deze dagen is de stelling al weer iets uitgebreid: in de esoterie voert dit tot een soort leer van uitverkiezing. Maar vooral treft ons toch wel de gedachte: wij moeten juist aan deze welvaart – een gevaarlijke welvaart – perken weten te stellen. Wij kunnen alleen werkelijk vrij zijn, wanneer wij onszelf geestelijk, zo wel als stoffelijk juist weten te richten. Door in onszelf na te gaan, wat voor ons belangrijk is en alle stoffelijke waarden daaraan ondergeschikt te maken, zullen wij op aarde de juiste weg kunnen gaan en in onszelf de juiste krachten kunnen ontvangen en daardoor ook de juiste openbaring van het eigen wezen kunnen vinden. Daarmee zijn wij dan werkelijk tot de huidige dag gevorderd, want dezelfde leer wordt nog steeds als kern door vele groepen en met vele onbelangrijke varianten op deze wereld uitgedragen.

Wat zal uit deze ontwikkelingen verder voortkomen? De situatie is in deze dagen – zij het, dat hierbij meer mensen gelijktijdig betrokken zijn en meerdere standen dan tevoren er belang bij hebben – ongeveer gelijk aan de situatie, die wij ook in het verleden reeds beschreven. Economisch staat men er redelijk goed voor. Men wenst niet aan een mogelijke crisis of vermindering van welvaart te geloven. Men verzet zich zelfs tegen de mogelijkheid ervan en gaat uit van het denkbeeld, dat hetgeen men nu aan welvaart en materiële mogelijkheden bezit, oneindig voort zal duren. Dit was in alle genoemde perioden ongeveer gelijk. Wel beseft men op het ogenblik in feite, dat er een verandering noodzakelijk zal zijn, maar men kan zich niet voorstellen, hoe dit zal dienen te geschieden. De paniek, die in vroegere tijden door invallen van barbaren, opstanden e.d. tot stand werd gebracht, bestaat in deze dagen eerder als een steeds dreigende vrees voor een conflict tussen Oost en West. De vroegere angst voor plunderingen wordt vervangen door de angst voor de atoombom.

Wat zal hieruit voortkomen? De stem, die wij in deze dagen horen, kan volgens alle gegevens uit het verleden in geen geval een voltooide leer vormen. Eerder zal alles wat op geestelijk gebied in deze dagen merkbaar wordt, een inleiding vormen tot een nieuwe leer en een nieuwe esoterische weg in de toekomst. Zo wij willen trachten de toekomst nader te bezien, zullen wij daarbij een beroep kunnen doen op de leerstellingen, die de nieuwe wereldleraar reeds naar voren heeft gebracht en de wijzigingen, die de nieuwe tijd reeds op geestelijk niveau met zich bracht. Volgens mij zal er in de toekomst dan het volgende ongeveer plaats vinden: De mens zal beseffen, dat de innerlijke weg gaan betekent, dat de uiterlijke weg ten dele verzaakt moet worden. Innerlijk resultaat en uiterlijk resultaat kunnen, afgaande op de huidige waarderingen, immers nooit geheel parallel lopen. Stof en geest zijn natuurlijk niet geheel van elkaar te vervreemden. Maar de mens, die tot besef komt van innerlijke waarheid, juist leven en juiste levenstaak, de mens met de juiste geestelijke houding, kan hiermee alleen iets bereiken, wanneer hij alle stoffelijke mogelijkheden en resultaten geheel aan dit geestelijke werk ondergeschikt maakt.

Verder zal de mens in de komende dagen vooral uit moeten gaan van het standpunt, dat de kosmische gedachte in eigen bewustwording geheel dient te worden uitgedrukt. De bedoeling zal in de komende dagen niet in de eerste plaats zijn alleen bewust te worden en alleen t.o. zijn God te kunnen staan, dan wel eigen betekenis in het Al en de samenhang tussen eigen bestaan en dat van anderen te leren kennen. Daarom meen ik, dat de esoterie van de komende tijd en de daaruit voortkomende inwijdingen sterker dan ooit tevoren uit zullen gaan van een proberen, de eenheid en de samenhang stoffelijk zowel als geestelijk, zowel in verband met incarnatie, karma, geestelijke en stoffelijke contacten juist tot uitdrukking te brengen. Eerst wanneer je weet, wat je plaats is in de Schepping, zo zal de nieuwe leer wel luiden, kun je ingaan tot het rijk van de geestelijke krachten, deel uitmaken van het Koninkrijk Gods. Alleen door de gemeenschap – niet alleen – is het mogelijk de openbaring van het Goddelijke geheel te ondergaan. Deze weg zal ongetwijfeld grotere geestelijke en materiële eisen stellen, dan de wegen van het verleden. Maar het is ook een weg, die, gezien de omstandigheden op aarde, voor zeer velen begaanbaar zal blijken.

Mij dunkt, dat de sociaaleconomische spanningen – die immers altijd bij dergelijke ontwikkelingen mede een grote rol hebben gespeeld – in deze dagen, in zo grote mate aanwezig blijken, en zich nog zover zullen verscherpen, dat er een onvoorstelbaar grote sprong op het terrein der esoterie kan worden verwacht. Ik meen, dat deze esoterie in vele opzichten meer redelijk en verstandelijk zal blijken te zijn dan in het verleden, zodat zij zeker niet alleen, of in hoofdzaak van het geloof, zal uitgaan. Zij zal haar inwijding m.i. niet alleen meer zoeken in het doordringen tot de kosmische geheimen en het hanteren van magische machten. Eerder zal zij haar weg zoeken in eenvoudige hulpvaardigheid, een harmonisch leven, zodat er van een opleggen van een bepaalde richting door het gebruik van krachten enz. niet of bijna niet gesproken zal kunnen worden.

De nieuwe wereldleraar leert hierover, dat alle krachten in zijn tijd krachten van reiniging en zuivering zullen zijn. Wie zich aan die krachten zal onderwerpen, blijft dan ook door het gebeuren in de wereld niet onberoerd of onbeproefd, maar herrijst gelouterd tot grotere kracht, in grotere eenheid en een meeromvattend harmonisch contact met de hoogste waarden. Dit zal verder gaan dan ooit tevoren in de bekende geschiedenis der mensen. De nieuwe wereldmeester voegt daar op zijn beurt aan toe:   “Ik ben een stem, die spreekt van vele dingen, maar ik spreek u slechts van de dingen, die gij reeds kent, doch vergeten hebt, want uit het vele, dat gij in het leven vergeet, is de grote betekenis gelegen van God en het contact met God. Eenheid met het hoogste, contact met God is alleen mogelijk, wanneer wij geheel van onszelf bewust worden en volgens dit bewustzijn leven zonder delen van onszelf te onderdrukken, te verwerpen, of terzijde te stellen.”

In deze schets heb ik, zoals ik achteraf bemerk, de nadruk meer gelegd op de inwijdingen dan op de economie en de sociale verhoudingen. Ik wil niet eindigen, zonder u nog op enkele mogelijkheden op dit gebied, die m.i. deel uit zullen maken van de toekomst, te wijzen. Zoals u zelf hebt kunnen nagaan in deze lezing, is de huidige sociale structuur praktisch niet meer houdbaar. De gedachtegang, dat alle mensen geheel gelijk in wezen en rechten kunnen zijn, blijkt niet doorvoerbaar. Alles, wat zich hierop baseert, zal uiteindelijk een slag in de ruimte blijken te zijn, waardoor ten hoogste een ieder wordt geschaad. Elke gedachtegang, die uitgaat van een meerwaardigheid voor een minderheid op grond van erfelijkheid of bezit, blijkt eveneens niet meer te handhaven onder de huidige omstandigheden. Dit voert tot een revolutie, waarbij alleen eigen prestatie bepalend zal blijken voor inkomen, status enz. De economie is gebaseerd op roofbouw. Zij produceert meer dan noodzakelijk is, werpt meer weg dan noodzakelijk, en presteert dus in feite veel meer dan voor een verzadigen van de werkelijke behoeften op deze wereld noodzakelijk zou zijn. Desondanks bestaat er in een groot deel van de wereld gebrek aan alle levensbehoeften. Een dergelijke toestand zal evenmin houdbaar blijken. Er zal een ogenblik komen, dat de consument zich niet meer tot aanschaffingen en vernieuwingen laat dwingen, terwijl men ook geen genoegen meer zal nemen met een product, dat er op vervaardigd is binnen een bepaalde tijd zijn bruikbaarheid te verliezen.

Hoe lang nog zullen degenen, die gebrek lijden en volgens de huidige verhoudingen niet in staat zijn iets te verwerven, nog genoegen nemen met hun ontberingen? Economisch zal er een verandering moeten komen, waarbij alle productie en zelfs handel niet meer gebaseerd is op de nu algemeen als geldend aangenomen wet van vraag en aanbod, maar eerder de bepaling van productie enz. zich zal baseren op aanwezig productievermogen en aanwezige werkelijke behoefte. Een totale nieuwe balans van waarden. Dit brengt met zich, dat grote, machtige en waarschijnlijk gewelddadige omwentelingen op de wereld onvermijdelijk zijn. Een dergelijke strijd heeft altijd, ook in het verleden, rampen veroorzaakt. Wij worden, waar de mens gaat en strijd kent, geconfronteerd met natuurrampen, het ingrijpen van bovennatuurlijke krachten, het ontstaan van nieuwe ziektekiemen enz. Of dezen zich in de moderne tijd geheel onbeperkt zullen uiten, waag ik te betwijfelen. Onmogelijk is dit niet.

Hiermede is dan elke conditie geschapen voor een praktisch geheel de wereld omvattende noodtoestand, waarin de mens zich gedwongen zal voelen een esoterisch pad te gaan en met alle andere samen te werken zonder daarbij eigen belangen te achten, dan wel terug te keren tot een volkomen egomaan denken en egoïstisch leven. Waar nu al een groter deel van de wereld ontwaakt en in staat is nieuwe geestelijke krachten en inhouden te aanvaarden, meen ik te mogen stellen, dat de nieuwe richting der esoterie snel kenbaar zal worden, terwijl de samenwerking der meer bewusten de ondergang van alle egomaan handelende en denkende mensen betekent. Verder mag op grond hiervan een sterke en misschien plotselinge toename van mensen onder het nieuwe esoterische systeem worden verwacht. Het aantal inwijdingen zal daarom in de komende tijden wel zeer sterk toenemen, waardoor de wereld de beschikking zal krijgen over een aantal, in de stof levende en bewuste geestelijke krachten, die de mensheid kunnen behouden.

  • Wat is het verschil tussen vraag en aanbod en capaciteitsbehoefte?

Vraag is gebaseerd op betaling. Behoefte bepaalt alleen de werkelijke noodzaak. Aanbod wordt niet bepaald door productiemogelijkheden, maar door hetgeen economisch –  winstgevend dus – het meest verantwoord wordt geacht. Het zal u misschien bekend zijn, dat vele producenten op het ogenblik hun productie afremmen om zo de prijswaarde van hun artikelen op de markt op hetzelfde peil te kunnen handhaven. Dit ondanks het feit, dat er wel degelijk een behoefte aan deze producten bestaat, maar alleen tegen een lagere en meer logische prijs. Voor die lagere prijs kan inderdaad geproduceerd worden.

De tweede formule geeft aan een binding tussen de uitbreiding van het productievermogen en de behoeften van de mensheid, waar het doel van de productie niet meer zal zijn het maken van winsten, maar het voldoen aan de behoeften van de mensheid. Het element winst en daarmee het huidige begrip van rendabiliteit speelt in de nieuwe formule geen werkelijke rol meer. Voor verwerving van goederen zal van de consument een redelijk, maar niet meer een vaak onredelijk offer gevergd worden.

Op het ogenblik worden van de consumenten door staat en industrie onredelijke offers gevraagd. Waar een tabaksmonopolie bestaat, zal de prijs van het product, plus de winst van de fabrikant en handel – ± 35% – verhoogd worden met 60 tot 80% staatslasten. Accijnzen op alcoholhoudende dranken bedragen – eveneens over prijs, plus begeerde winsten – 40 tot 70%. Een televisieapparaat, dat bij het aanhouden van een redelijke marge voor afschrijvingen e.d. kan worden aangeboden voor rond fl. 250, wordt meestal aangeboden voor fl.700 tot fl. 800. Een bepaald soort auto, waarvan de productieprijs, plus redelijke marge rond fl. 3.000 bedraagt, wordt op de markt gebracht voor fl. 5.000 tot fl. 6.000. In vele gevallen weigert men te produceren, wanneer een dergelijke winst niet kan worden behaald. Dit laatste, een eisen van in feite niet redelijke winsten en vergoedingen voor het hanteren van waren, zal het systeem van vraag en aanbod onmogelijk maken. Het gaat niet om de consument en diens werkelijke behoeften, maar om de winstmarge.

Hieruit volgt bij de arbeidende klassen, de agrariërs e.d. de eis van een redelijk inkomen, maar iedereen meent steeds weer, dat zijn inkomen redelijker zou zijn, wanneer het hoger was. Het is duidelijk, dat de huidige maatschappelijke verhoudingen juist aan deze mentaliteit ten onder zullen moeten gaan. Vandaar dat de door mij gegeven formule, redelijker is en meer in overeenstemming met de tendensen van de komende tijd. De verandering van beginsel zal revolutionair werken, omdat grotere winsten bij de tussenhandel uitgesloten zullen worden. Velen, die nu goed verdienen, zullen naar andere en meer productieve arbeid moeten gaan omzien. Veel van het kantoorwerk, dat in deze dagen hiermee samenhangt, zal bij de regering en het bedrijf niet meer noodzakelijk blijken. Een deel van de vrijkomende arbeidskrachten zal kunnen worden ingeschakeld bij een vaststelling van de werkelijke wereldbehoefte en mogelijkheden van moment tot moment. Ook velen, die zich nu bezighouden met de verkoopbaarheid van een artikel, zullen zich genoopt zien: of wel zich op kwaliteitsverbeteringen te werpen, dan wel een ander beroep te kiezen. Een dergelijke omwenteling zal groot genoeg zijn om alle bestaande productiesystemen en daarop gebaseerde regeringssystemen – dictatoriaal zowel als democratisch – omver te werpen. Deze veranderingen zijn onontkoombaar, maar kunnen zich bij een redelijk inzicht van de leidende figuren op de wereld zodanig voltrekken, dat niet van grote noodtoestanden en gewelddadige omwentelingen sprake behoeft te zijn. Deze toelichting lijkt mij voldoende.

———————————————-

Esoterie

De mogelijkheden van een geestelijke band

Ik zou een kort ogenblik met u willen spreken over de mogelijkheden van een geestelijke band. Praktisch elke mens en ook elke geest verlangt steeds weer een geestelijke band te vinden, een vast contact, dat over tijd en ruimte heen blijft bestaan. De grote moeilijkheid hierbij blijkt steeds weer het feit te zijn, dat de mens zich een geestelijke band niet weet te realiseren, zich hiervan beelden vormt, die niet juist en waar zijn. Ook de geest is in lagere sferen vaak geneigd hieraan waanideeën en verkeerde voorstellingen te verbinden.

Een geestelijke band moet dan wel in de eerste plaats vanuit het ik voortkomen; zoals in mijzelf het Licht gloort en mijn stralen uitgaan naar de wereld, zo weerkaatst de wereld mijn stralen en erken ik uit het Lichtende, dat ik ben, de wereld, die ik ontmoet. Altijd weer zelf en vanuit jezelf de kracht werpende, lichtgevende aan anderen, een doel zoekende en de inhoud van het leven benaderen, is noodzakelijk, wil er werkelijk sprake kunnen zijn van een tijdloze binding. De geest zal dit, vanuit haar wereld en bewustzijn, t.o.v. de stofwereld, eenvoudiger kunnen doen, dan een stofmens die streeft naar een band vanuit zich met een geestelijke sfeer. Het is over het algemeen voor de mens zelfs gevaarlijk een geestelijke band te zoeken met entiteiten, die hij niet geheel kent, of waarin hij geen volledig vertrouwen heeft. De inhoud van een geest kan nimmer bepaald worden aan de hand van een enkel ogenblik van harmonie. Niet het ogenblik van eenheid geeft de werkelijke binding, doch de eenheid, die uit de volledige doordringing van krachten en gelijkheid van streven gedurende langere tijd kan voortkomen. Daarom zou ik voor de mens die een mogelijkheid zoekt een band met de geest zelf te vinden, enkele raadgevingen hier neer willen leggen:

Indien u, vanuit uzelf, werkelijk begeert door de geest geleid en gesteund te worden, zo bepaal allereerst, wat je feitelijk verlangt van de geest. Niet daadloos, maar alleen door werken en daad ontstaat de noodzakelijke kracht. Zo zult u uit uzelf nauwkeurig dienen te omschrijven, wat er zal moeten geschieden.

U zult uzelf duidelijk een beeld moeten vormen, van alles wat u wilt bereiken. Eerst wanneer dit beeld bestaat en u daaraan geheel uw wezen en denken wijdt, zult u dit alles inderdaad zo kunnen projecteren, dat gelijkgestemden in andere werelden daarop geheel kunnen antwoorden.

Verwacht nimmer, dat de eerste reactie, die u vanuit de geest verkrijgt na het projecteren van een dergelijk denkbeeld, blijvend is. U zult vele malen contact met geesten hebben en vele malen die geest verlaten, vóór u datgene kunt vinden, wat blijvend één kan zijn met u.

De band, die bestaat tussen wezen en wezen is steeds gevlochten uit Goddelijk Licht. Wanneer de eenheid door de band tot stand komt, is er geen scheiding mogelijk, waar alle tijden en alle werelden en alle mogelijkheden door de band van Goddelijk Licht zelf worden omvat. Wezens, die op een dergelijke wijze een geestelijke binding hebben gevonden, zullen elkaar dan ook altijd kennen en aanvullen. Zij zullen elkaar ook steeds kunnen helpen.

Doelbewust zijn is hierbij zeer belangrijk. Zo ik de magische pijl richt en afschiet, zal zij haar doel moeten bereiken, dan wel tot mijzelf terug keren. Indien ik in mijzelf een geestelijk doel nastreef, dat beperkt of egoïstisch is, zal de beperking, die ik daardoor aan de wereld of de sferen op zou willen leggen, tot mij terugkeren. Indien ik niet in staat ben een gelijk gestemde geest te bereiken en een geestelijke band tot stand te brengen, zo zal ik zelf het slachtoffer worden van de beperkingen, die mijn wensen aan anderen zouden hebben opgelegd.

Eis nimmer, dat een geestelijke kracht of meester, waarmee u een geestelijke band kent, uw leven voor u zal leiden en richten in alle details. Er kan nimmer sprake zijn van een superioriteit, zelfs bij de hoogste geest t.o.v. de mens, zodra er een band bestaat. Er kan dan alleen nog sprake zijn van een samengaan, een elkander helpen en steunen.

Zodra een algehele afhankelijkheid van een der beide partners zou ontstaan, is er groot gevaar, dat de band blijvend wordt gebroken. Er ontstaat dan een reeks oorzaken en gevolgen, die beide krachten verder uiteen voert.

Wanneer u met deze regels rekenen wilt, zo zult u ontdekken, dat het vormen van een belangrijke geestelijke band een langere tijd vergt, dan menigeen aangenaam is. Daarnaast zult u ontdekken, dat een geestelijke band nooit de oplossing van uw problemen kan betekenen, maar wel een verrijking van uw wezen en mogelijkheden inhouden. Misschien is dat sommigen, vooral in bepaalde vormen van esoterie, deze leringen minder aanvaardbaar zullen vinden. Indien ik in mijzelf wil stijgen tot de allerhoogste zo zal ik zelfs daarbij gebonden zijn aan eigen mogelijkheden en voor het ik toegankelijke sferen.

Wie dwaalt in de Tuinen der Schepping en de paden gaat, die zijn voeten vinden, zal altijd een doel moeten kennen, anders verdoolt hij en komt om te midden van de Goddelijke volheid van Licht. Wanneer u werkelijk innerlijk streeft, is het niet voldoende, dat u met volle wil u op het innerlijke pad voortbeweegt. U zult tevens een richting moeten vinden, die in haar consequenties veelal verder gaat dan eigen overzicht en kennis toelaten, vast te stellen. De mens, die alleen de innerlijke paden volgt, bevindt zich vaak in een gevaarlijke doolhof. Zoals dit schoon beschreven staat:

“In mij ligt een wildernis vol vers geurende dieren, hinderlagen en dreigende gevaren. Indien ik het pad door deze wildernis ken, zal ik de tempel der vrede bereiken. Doch zo ik het pad niet erken, dreigt weer het gevaar, dat ik in de wildernis van eigen wezen om zal komen.” Het is juist de behoefte het innerlijke pad beter te erkennen, die een geestelijke band met hogere wezens of geesten begerenswaardig zal maken. Degene, die geleid wordt door het weten van een hogere geest en toch bereid is zelf de taak te volvoeren, zonder ook maar enige verplichting of verantwoordelijkheid aan de ander te delegeren, zal ontdekken, dat hij de verwarde paden in het ik gemakkelijk ontwarren kan.

Zoek niet te ver en zoek vooral ook niet te hoog. Indien een bedelaar ook al de vriend van de vorst wil zijn, zo liggen hun werelden te ver uiteen. De geschonken aalmoes kan nooit een blijvende band worden. U, die zoekt naar het contact met de Allerhoogste Geest dient dan ook wel te begrijpen, dat u, als mens, vandaar wel gaven kunt ontvangen, maar daar niet een band en eenheid zult kunnen vormen, die meer blijvend is. Indien u wat lager grijpt, zoekende naar die geest en kracht, waar in u nog begrip voor bestaat, zo zult u daaraan een blijvende steun kunnen verkrijgen, evenals uzelf ook voor een dergelijke geest een blijvende waarde zult kunnen vormen. Gezamenlijk zult u uw pad gaan door de Schepping. Gezamenlijk zult u elkander steunende, hogere krachten voor en in uw wezen kunnen activeren, want weet wel, hij, die invloedrijke vrienden heeft, heeft vaak het oor der vorsten. Wanneer wij alleen staan en in deze eenzaamheid alleen smeken, zo kan ons wel een gave worden geschonken. Wanneer wij enige invloed hebben, een geestelijke band gevormd hebben met het boven ons staande, met geestelijke krachten, is er geen sprake meer van een aalmoes, waarbij wij moeten afwachten, wat de gave zal zijn, maar zullen wij de geaardheid van de gave zelf voor een groot deel mee kunnen bepalen.

Daarmee, wordt het bewuste leven eerst werkelijk geboren in ons. Wie spreekt over Licht, maar wie slechts de flits van de bliksem kent, zal na het gaan van het Licht in dieper duister leven dan daarvoor, omdat hij even het Licht heeft gezien. Maar wie een blijvend Licht, al is het een enkele lamp of kaars, verwerft, heeft een Licht, dat het hem mogelijk maakt het pad te zien, waarop zijn voeten zijn geplaatst. Dit alles brengt voor u de noodzaak met zich u vrienden te maken onder geest en mens, ongeacht hoe. Zelfs uw Jezus heeft geleerd dat de mens er goed aan doet zich vrienden te maken van de Mammon. Let wel: geen vriendschap met de Mammon, maar vriendschap door de Mammon.

In vele gevallen zal blijken, dat de geest op aarde een zeer bepaalde taak wil volvoeren. Soms is dit een taak, die mediamiek uitgedrukt wordt. Soms is het een ervaring, of zelfs alleen het contact met een bepaalde geest, die in het bijzonder wordt gewenst. In andere gevallen zoekt de geest misschien naar een volledige uitdrukking voor eigen wezen op meer artistieke wijze. Hoe het ook zij, wanneer u de geest daarbij kunt helpen, uw eigen geest, zowel als geest, die nog in de sferen vertoeft, zo zal de geest het stoffelijke, of – in het tweede geval – uw gehele wezen helpen. Zo ontstaat er een band die het u mogelijk maakt binnen de tijd van één leven veel verder te gaan dan de geest, waarmee u gebonden zijt in eigen sferen. Dit betekent, dat op den duur de waarde van een geestelijke band altijd tweeledig is: wie zich bindt met een geest van duister, zal door deze band bv. grotere duisternis leren kennen dan de geest, waarmee hij zich verbonden heeft. Wie zich bindt met een geest van Licht daarentegen, vindt een sterker en hoger Licht, dan de geest kent, waarmee de band werd gesloten.

Deze punten zijn ongetwijfeld uw aandacht waard. Wanneer u hier tezamen komt, is dit immers in een zoeken naar een band met het leven, een band met de geest, een bevrijding van twijfel, een vinden van innerlijke zekerheid, een honger naar geluk, dat u weet, niet in uzelf alleen te kunnen vervullen. Daar u hier komt om deze redenen, lijkt het mij logisch, dat ook u gaat zoeken naar hetgeen voor u het meest belangrijke is in de werelden van stof en geest: de geestelijk band, die superieur is aan alle stoffelijke bindingen, het contact van geest tot geest, dat eigen inhoud verruimt en vergroot. Denk niet, dat een dergelijke geestelijke band alleen tussen twee verschillende werelden of sferen kan bestaan: tussen meester en leerling dient altijd een verschil in bewustzijn te bestaan.

Nu kan een geestelijke band alleen daar worden gevormd, waar een voortdurend verschil van wezen en bewustzijn bestaat. Er is geen enkele definitie, die u zegt, dat een dergelijke band alleen in een bepaalde sfeer of een bepaalde wereld gevonden kan worden. Wanneer in uw eigen wereld iemand leeft van een groot bewustzijn en u kunt leren diens gedachten voor een ogenblik te delen, daaruit te putten, zo kunt u een geestelijke band vormen. Daardoor ontstaat tevens een zekere wederzijdse aansprakelijkheid, maar eveneens een aanvulling van wezen. Onverschillig op welke wijze de binding wordt gevormd, is zij toch – mits zij slechts gaat tot het diepste van eigen willen, beloven, gevoelsleven en wezen – van blijvende waarde en zal zij blijvend zijn, zodra blijkt, dat de uitwisseling van geestelijke krachten en gegevens niet beperkt wordt door verschil in streven.

Er was een leerling, die overal rond ging om de waarheid te vinden. Deze vond vele meesters. Bij elk van hen vertoefde hij enige tijd. Uit elk van hen verwierf hij enig Licht en enige wijsheid. Maar eerst toen hij boven Mara, de Bittere, stelde, verwierf hij het werkelijke inzicht en een band met de kosmos. Laat ons dit niet vergeten. Ook u zult in uw leven vaak contact hebben met de geest of personen in de stof, die op geestelijk niveau staan en zelfs daarin voor u een bijzondere uitdrukking vinden, zonder dat het contact, daarom blijvend is. Uiteindelijk blijkt er toch nog een verschil van mening, doel, of streven te bestaan. Dan verlaat u elkaar en gaat verder. Meen dan niet, dat u daarmee een werkelijke band verbroken hebt. Want van een werkelijke band is dan op geestelijk gebied nooit sprake geweest. Indien u blijkt, dat u met mens of geest een ogenblik van rapport beleeft en dit rapport gedurende jaren – ongeacht het geheel bewust, of misschien niet bewust beleven daarvan – blijft voortbestaan, kunt gij stellen: hier is sprake van een geestelijke binding. Deze band is onverbrekelijk en eeuwig.

Toen de Schepper de Schepping had gemaakt, was hij vol van vreugde. Hij nam een snoer van gouden Lichten en wierp dit uit. Dit snoer liep door alle werelden en bond zo allen vast tezamen. Waar de Schepper nog steeds Zijn levende kracht langs deze gouden band uitademt, is het de adem Gods zelf, die alle werelden en sferen verbindt. Elke wereld heeft zijn Goden, elke sfeer heeft zijn meesters. Maar de grote, bindende kracht is het gouden lint. De grootste bindende kracht, die tussen mens en mens, of mens en geest bestaan kan, is altijd weer een deel van deze band van gouden Licht. Deze band impliceert ook iets anders. Om tot de Schepper te komen, volgt men het gouden koord, dat hij heeft uitgeworpen in het begin der tijden. Dit gouden snoer noemt men ook wel het Pad der Bewustwording. Nu beroert dit snoer alle sferen en werelden, zonder één uitzondering. Wie het pad volgt, zal dus altijd van sfeer tot sfeer en van wereld tot wereld kunnen gaan, zonder dit pad te verliezen.

Wanneer onder mensen een steil pad op een berg moet worden beklommen, zo zien wij, dat de Sherpa’s zich door koorden plegen te verbinden. Zij doen dit vooral, wanneer een van hen de zwakkere is. Daardoor zal de zwakkere het gevaar voor de hoogst staande, degene, die voor gaat dus, verminderen. Omgekeerd zal hij, die het hoogste staat, in staat blijken degene, die het zwakste is, te helpen om verder te komen. De mogelijkheid blijft, ook wanneer het pad zeer moeilijk is. Indien hij die voor gaat, uitgeput raakt en zo de zwakste wordt, kan degene, die eerst de zwakkere was, zijn taak overnemen. Zo komt men snel verder. De band, die bestaat tussen geest en mens, of in een der andere door mij genoemde vormen, is te vergelijken met een dergelijke band. Want wij gaan allen hetzelfde pad. Wij allen gaan van wereld tot wereld en van sfeer tot sfeer. Degene, die het hoogste staat, wordt zekerder op zijn weg door de steun, die hij verkrijgt, de zekering van een zich lager bevindend wezen. Degene, die lager staat, zal – mede dank zij het werken van de hoger staande – gemakkelijker en sneller het levenspad af kunnen leggen. Op deze wijze is de geestelijke binding begrijpelijk en nuttig.

Men heeft eens gezegd: “Alle Lichten in de hemelen zijn werelden, waar op alle werelden Goden heersen. Alle Goden scheppen wezens zoals mensen en dieren. In allen is de wereldziel en de Al-ziel.” Ik zou willen zeggen: in al uw gedachten, al uw dromen en ervaringen zijn werelden geboren. Werelden, die waar zijn, werelden, die kracht zijn. Werelden met eigen wetten, eigen Goden en een eigen band met de Schepper. Hoe vreemd zij u ook mogen lijken, al deze werelden zijn ware werelden. Staat er niet geschreven, dat elke wereld slechts een trede is op de Trap der Eeuwigheid? Zo is elke wereld van droom en beleven, waan en werkelijkheid voor de mensenziel een verder schrijden op het pad. Ook dit zult u moeten beseffen. Het is veelal niet voldoende te blijven staan bij één enkele soort van leven of taak. Maar, alles in uw leven, droom, slaap, het uitgaan van de geest naar de sferen en zelfs dagdromen, dat rond u een gebeuren weeft, heeft zin en moeten gezamenlijk gericht zijn op éénzelfde doel. Dit is noodzakelijk, opdat elk van deze voor u werkelijke werelden u een schrede verder helpen op uw levensweg.

De vraag, of de trap, waarop wij staan, voor ons ook de juiste is, kan altijd bevestigend worden beantwoord. Indien er een God is en deze heeft gezegd: “Ik zend u van Mij, opdat gij Mij kennende, tot Mij zult komen”, zo is er geen enkele uitzondering. Elk gebeuren, élk beleven, Licht en duister, voeren ons uiteindelijk verder tot de Schepper. Ook dit dient u goed te beseffen, opdat u niet meent, dat het u ook maar één enkel ogenblik mogelijk is u van uw Schepper af te wenden. U kunt aan alle krachten in het Al ontkomen, buiten aan deze ene: de kracht, die u heeft voortgebracht.

Hier,  volgt de grote band, de regel, die altijd, zolang wij leven, voor ons zal gelden. Er is ons een grens gesteld. Noem deze grens “God”, zo u wilt “de natuur”. Geef daaraan elke naam die het u belieft te gebruiken, maar besef wel: de bron van ons bestaan en het einddoel van ons wezen zijn voor ons niet bereikbaar in de werkelijke zin van het woord, zijn ook niet beheersbaar. Indien wij aan deze kracht dienstbaar zijn, zo geldt ook: indien u waarlijk en oprecht u gebonden hebt aan de Schepper, waarin u leeft, zo zult u vrij zijn in alle dingen: zo zult u vrij zijn in alle dingen, zo u deze vrijheid voor uzelf opeist. Deze vrijheid wil zeggen: vrij zijn van begeren, vrij zijn van angsten, vrij van doelloosheid en verveling. Indien u werkelijk de Schepper u als het ene doel stelt, is alles in u en in uw leven vanzelfsprekend en zonder verdere moeiten aan die Schepper dienstig.

U kunt uzelf verloochenen, maar nimmer de Bron, die u heeft voortgebracht. U kunt trachten eigen ideeën, begrip van goed en kwaad, besef van eigen wezen zelfs, terzijde te stellen en het kan u altijd gelukken. Maar u kunt nooit de kracht, die u heeft voortgebracht, terzijde stellen. Waar deze kracht u in waarheid heeft geschapen, zo zult gij in waarheid tot uzelf terugkeren, voor gij tot deze kracht in kunt gaan. Indien u dit zou vergeten, zou uw leven zeer moeilijk zijn. Staat er niet geschreven: de verlichte werd geboren uit Maya. En toch is Maya ons geen waarheid?

Tijdens ons leven geldt voor ons hetzelfde: wij zijn geboren uit waan. Het verleden is een hersenschim, een flits van gedachten. Dit is ons begin: het verleden, waaruit wij menen voort te komen, is altijd een leugen. Wij kunnen dit nooit in waarheid zien. De toekomst, waarheen wij gaan, is – mits wij eerlijk en oprecht ons daarin een doel kiezen – voor ons altijd een waarheid. Wanneer u de paden betreedt, de trap der Eeuwige Bewustwording beklimt, dient u ook te beseffen: wie terug ziet, ziet onwaarheid. Wie vooruit schouwt, ziet waarheid. Wie zich in het verleden begraaft om het heden te vergeten of te verklaren, schept waan. Wie slechts de toekomst zoekt en slechts daarnaar schouwt, zelfs indien het feiten betreft uit het verleden, vindt waarheid. Deze waarheid reikt verder dan de bekende feiten.

Dit is begrijpelijk: Toen God de mens schiep, de eerste mens, lang voor de wereld er was en tot deze mens zeide: “Wandel in mijn tuin van sterren”. Hij gaf hem slechts één bevel: “Ga altijd voort, sluimer niet en zie niet om”. En zie, de eerste mens ging uit. Na enige tijd zag hij om en hij werd door vermoeidheid bevangen, toen hij de eindeloze weg van Lichten zag, die reeds achter hem lag. Hij legde zich neer om te rusten en verloor zo voor een kort ogenblik eigen wezen en bewustzijn. Op dat ogenblik kwam het duister aangeslopen vanuit de sterren als een verscheurend dier. Dit duister nam nu het wezen van de eerste mens, verscheurde het en hij Wierp het uit in de ruimte: één deel naar deze ster, één deel naar gene ster. Toen werden de wachtende werelden bewoond. Het is echter de eerste mens, de gehele eerste mens, die tot zich moet terugkeren en herrijzen, niet slechts een deel van dit wezen, ook al noemt men dit “mensheid”. Het is de waarheid uit alle sterren, die zich samen moet voegen en niet de menselijke geesten van slechts één wereld.

Dit beseffende zult u een samenwerking moeten zoeken met alle leven in het Al. Met alle geest ook en alle sferen. In het zoeken naar een band zult u niet mogen aarzelen en nimmer mogen stellen: “Zie, dit behoort niet tot mijn wereld”. Maar altijd moet de band er een zijn, die berust op een voorwaarts gaan en niet slechts uit herinneringen of verleden bestaat. U mag in de stof rusten, zoveel u wilt. Maar zodra u uw geest in de dromen van het verleden terugzendt zonder doel in de toekomst, zo trachtende misschien iets te hervinden, dat verging met de tijd, zult u moe worden van het leven. U zult dan rusten en als eens de eerste mens in de sterrenlegende, uw eigen wezen verliezen. Zo u werkzaam blijft en steeds voortgaat op uw pad, zo zult u eens ontdekken, dat elke ster, die uw weg heeft getekend en blijvend deel van uw wezen is, dat de Schepping zelf, die u kent, in het eigen wezen werd geabsorbeerd.

De legende van de eerste mens zegt nog meer: Toen deze was uitgegaan, Wendde de Schepper Zich tot Zijn hofhouding en sprak: “Zie, Ik heb de mens uitgezonden in het Al. Zo hij zijn weg gaat, volgens Mijn bevel, zal al hetgeen hij met zijn schreden beroert, in hem leven, tot hij in zich draagt, alles wat leeft in Mij en Ik in hem Mijzelf zal erkennen”. Dan zal hij aan het einde van zijn weg, voor Mij treden en zeggen: “Uw sterren zijn gedoofd, Schepper”. Ik zal hem antwoorden: “Welkom, broeder, bij uw thuiskomst”.

Deze oude legende is – volgens mijn beste weten – een waarheid. Ons zoeken naar bindingen met de geest en de stof, ons zoeken naar zekerheid, die het ons mogelijk zal maken verder voort te schrijden op de weg der bewustwording, is de behoefte om volledig te zijn. Wij mogen niet terug blikken, maar dienen te streven naar de toekomst, opdat alles, wat in het leven ons deel wordt, in ons opgenomen zal worden. Eens komt er een dag, dat de eerste mens zichzelf geheel hervonden heeft. Dan zal hij opstaan uit zijn sluimering, ontwaken uit zijn verdeeldheid. Snel zal hij schrijden tot de laatste, Lichtende sterren en zijn erfdeel aanvaarden. De eerste mens kan pas ontwaken, wanneer wij deze mens hervonden hebben. Dit beeld van leven en mensheid moet hervonden worden, dit wezen, dat niet aan de menselijke vorm, maar aan het bewustzijn gebonden is.

Om dit te bereiken, werken geesten van vele werelden samen, vooral op hoger niveau. Om dit te kunnen bereiken, worden soms de grenzen tussen de sterren overschreden. Om dit te kunnen bereiken spreekt de geest tot de stof en streeft de mens uit zich tot de hoogste kracht in de geest.

Wij allen weten: zonder dit kunnen wij niet verder gaan. Al, wat u zijt en al, wat u beleeft, maar bovenal, al, wat u nastreeft en zult kunnen zijn, vervult het grootse doel: de eenheid met wat wij noemen: de eerste mens, met wat wij noemen: de kosmos, om zo als broeder in te gaan tot de Scheppende Geest.

Wie weet, wat er gebeurt, wanneer het portaal van de nacht voorgoed wordt gesloten en de Schepping is uitgedoofd? Wat gebeurt er, wanneer Schepper en Schepping elkaar erkennen in zichzelf? De legende zegt: dan is de dagtaak volbracht. Dan sluimert Hij, die Licht, dan sluimert hij, die duister was. En in de droom worden zij één. Deze eenheid is hun rust en vreugde. Zij duurt tot de nieuwe dag. Dan delen zij zich. Niet als eens, maar opnieuw gemengd en toch in tegendelen gescheiden. Dan zal de poort van de nacht open worden gezet en een nieuw wezen zal uitgaan op zijn tocht door de sterren. Wederom zal de vraag zijn: zal de nieuwe mens omzien, vermoeid geraken en rusten? Of komt er eens een tijd, dat ook na deze nacht er zoveel bewustzijn is in mens en geest, in alle kracht, dat, wat wordt uitgezonden, bewustzijn, weggaat door de sterren, eeuwig en onveranderlijk, de kosmos in zich opnemende? Dan zal na korte tijd de Schepping ten einde zijn, wanneer de Schepper in de Schepping Zichzelf ontmoet. Dan zal de gouden vrede besloten zijn in de schaduwen van het Niet-Geopenbaarde.

Vergeef mij een taal en een legende, die misschien voor u te bloemrijk is. Maar zo u mij vergeeft, zoek de betekenis van deze woorden, want zij zijn voor mij de enige verklaring van uw en mijn leven, van het doel, dat wij allen hebben. Ook geeft dit verhaal mij de enige rechtmatige verklaring van de band tussen geest en stof, de enige verklaring voor het Licht, dat in ons door kan dringen om ons, ons boven onszelf verheffende, te maken tot uitvoerders van de eenheid in het Al, tijdelijk of blijvend.