Spiritualiteit bij de Noord-Amerikaanse indianen

image_pdf

4 november 2002

Alvorens aan de bijeenkomst te beginnen, wens ik jullie erop attent te maken dat wij, sprekers van de Orde der Verdraagzamen, niet alwetend noch onfeilbaar zijn en dat u dient na te denken over wat gebracht wordt.

Wanneer we spreken over spiritualiteit en we gaan dat bekijken bij een bepaalde bevolkingsgroep, dan moeten we er rekening mee houden dat we in een totaal andere wereld terechtkomen dan de wereld waarin u leeft. Ieder die hier aanwezig is, heeft een bepaald idee over indianen. De West-Europese mens is met bepaalde ideeën groot gebracht, ideeën die meestal helemaal niet met de werkelijkheid overeenkomen. Als u iets wil leren kennen over deze mensen of iets wil begrijpen, dan vraag ik jullie voor een avond als deze: vergeet even alles wat u erover weet. Daarmee wil ik zeggen: vergeet even wat de geschiedenisboeken schrijven, vergeet even wat de media u heeft wijsgemaakt. Want anders zal u heel moeilijk kunnen doorgronden wie deze mensen waren en waarvoor zij stonden.

Wanneer wij spreken over spiritualiteit, dan moet u eerst en vooral ervan vertrekken dat de indiaan – en dan spreek ik toch over de periode voordat hij in contact kwam met de blanke – dat deze mensen zich volledig geïntegreerd hadden in de natuur. Dat zij volledig één waren en deel uitmaakten van de wereld waarin zij leefden. Zij zagen zich zeker niet als superieur, als de meerdere aan hun omgeving, maar zij zagen zich als een onafscheidelijk deel van de wereld, van de natuur, van de ganse omgeving. En de omgeving gaat verder dan alleen het bos of de bergen, het gaat ook zo ver als de atmosfeer, de planeten enz.

De indiaan werd vanaf zijn geboorte tot aan zijn volwassenheid opgevoed met het idee dat hij of zij volledig respect moest hebben voor alles wat rondom hem of haar aanwezig was. Het is heel belangrijk dat u dat begrijpt. Voor de westerse mens is dit bijna niet te vatten. Maar, de indiaan zou nooit iets uit de natuur  genomen hebben zonder daarvoor iets terug te geven, zonder daarvoor de natuur te danken. Het is heel belangrijk dat u dat begrijpt. De blanken die ooit Noord-Amerika hebben gekolonialiseerd, hebben dit nooit begrepen. Zij hebben nooit kunnen verstaan waarom deze mensen bomen, bergen, dieren belangrijk vonden. Zij hebben nooit het geheel gezien.

Veel ideeën die jullie over deze mensen hebben, zijn op de westerse gedachtebeelden geschoeid. Wanneer ik bv. spreek over wat jullie hier de ‘oorlogsdansen’ noemen, dan denken jullie direct dat zij zeer moorddadig waren, dat zij deze dansen uitvoerden om bv. in een trance te komen waardoor zij zich sterker voelden en zo hun vijand zouden kunnen verslaan. Dit is een totaal verkeerd gegeven. De oorlogsdans, zoals jullie die noemen, werd in de eerste plaats uitgevoerd  om de krijger ervan te voorzien dat hij volledig, maar dan ook volledig, in harmonie was met zijn omgeving. Dat hij volledig integreerde in de natuur, zo goed in het plantenrijk als in het dierenrijk. Dat hij door die eenheid die door deze dans gecreëerd werd, hij zich zo kon verplaatsen dat hij kon optreden als beschermheer voor zijn stam.

Deze krijgsdansen hadden nooit tot doel om de anderen te vernietigen, integendeel. De idee die daar achter stak, was ook dat zij, door zich zo in harmonie te stellen met de natuur, dat zij ook gewoon de kracht van degene die hun vijandig gezind was konden overnemen en van daaruit sturend konden optreden t.o.v. de vijand. Wat meestal bij deze stammen zeer goed lukte.

Het is heus niet zo, en dat wil ik toch ook nog even benadrukken, dat de rode broeders heel moorddadige volkeren waren. Integendeel. Zij hadden een enorm respect voor elkander en wanneer een vijand verslagen was, werd deze a.h.w. met alle respect behandeld. De wrede verhalen die u kent van indianen die bv. het hart van hun vijand eruit sneden en opaten, daar kan ik van zeggen dat wanneer de vijand verslagen was, het ritueel soms gebeurde. En dan kan het misschien gek klinken wanneer ik zeg dat dit ritueel volledig in harmonie met het slachtoffer gebeurde. Want de indiaan ging er van uit dat wanneer de vijand dodelijk gekwetst was, hij zich zeer moedig had gedragen, een zeer waardevol persoon was waardoor wanneer hij stierf, door zijn hart eruit te halen en dit op te eten, hoe cru dit voor uw maatschappij ook klinkt, zij deel waren aan de kracht, aan de edelmoedigheid enz. van deze krijger. Dit ganse gebeuren was in wezen een eerbetuiging aan diegenen die zij op dat moment verslagen hadden.

Ook zouden zij t.o.v. deze krijger voor hem offers gebracht hebben. Omdat wanneer men iemand wegneemt, men daarvoor ook weer de goden a.h.w. dank moet zeggen. De indiaan werd opgevoed met een beeld dat hij moest zorgen dat hij in harmonie was met alle krachten die rondom hem waren. Daarom was een van de belangrijke rituelen die iedere indiaan bijna dagelijks deed: het groeten van de windstreken, of het groeten van de winden. De winden van het Noorden, het Zuiden, het Oosten en het Westen. Ook dit was door deze groet, dat deze mensen zich volledig in harmonie zetten met de krachten die vanuit de kosmos naar hen toe kwamen.

Wanneer het indianenkind bv. naar zijn volwassenheid ging – en voor de mannelijke indiaan lag dat meestal rond de 11 à 12 jaar; voor de vrouwelijke indiaan nam men dat iets later, dat was meestal 14 tot 16 jaar – werden deze mensen aan proeven onderhevig gesteld. Voor de mannelijke indiaan was dat meestal dat hij van alle zaken werd ontdaan en dat hij enkel een jachtmes kreeg. Het kind werd dan gewoon de natuur ingezonden. En daar moest het zijn ‘manitoe’ vinden, zijn god of zichzelf. Het moest ook daar leren ontdekken wat, in uw taal uitgedrukt, ‘zijn totem’ was.

Het kind zwierf dan gewoonlijk gedurende enkele dagen in de wouden en in de bergen rond. Het had geen eten bij. Het moest zorgen dat het eten vond. Maar door de ontbering en de pijn die het kind toen leed, kreeg het beelden. Dikwijls waren dat in de eerste plaats waanvoorstellingen, maar ze waren er. En vanuit die beelden ontdekte het kind wat voor hem a.h.w. zijn kracht was. En voor de ene zal dat een buffel geweest zijn, voor de andere een arend, voor nog een andere misschien een kever, voor nog een ander misschien gewoon een vogel. Het maakt niet uit, maar het kind vond iets, waarmee het zich harmonieerde. Op het ogenblik dat het kind dat ontdekte, met alle andere invloeden van de natuur die hij dan onderging, vond het zijn krachttotem a.h.w. die hij voor de rest van zijn leven als heilig zou aanzien.

Dit hield ook in dat het kind, zelfs wanneer het later een krachtig volwassen mens was, wanneer bv. zijn krachtbron een buffel was, nooit of nooit buffelvlees zou eten of iets van het dier zou nemen. Want hij was het dier op dat moment. Ditzelfde geldt wanneer het dier een arend zou geweest zijn of een slang, of eender wat. Dat was zijn dier, hij was het dier. En u moet u goed voorstellen dat die mensen erin slaagden zich volledig te gaan gedragen als dit dier, hun dier. Zo krijgen we de verhalen die overgeleverd zijn, dat indianen konden ‘kijken’, over bergen en wouden heen, omdat hun dier de arend was. Dat anderen ervoor konden zorgen dat er voedsel voor de stam was omdat hun dier de slang was, enz. Want ieder van deze mensen afzonderlijk vormde een kracht, en samen was dit de ganse kracht die de stam de mogelijkheid gaf om gedurende eeuwen en eeuwen te overleven, dankzij deze harmonie.

En nadat het kind deze eerste inwijding, want zo mogen we het wel noemen, had ondergaan en terugkwam in de stam, werd het natuurlijk geëerd. Het was geslaagd in zijn proef. Eén van de volgende proeven in het opgroeien was dan: het kind de relativiteit van alles te laten erkennen. En bij sommige stammen ging dat zeer ver. Daar gebruikte men de factor ‘pijn’ waardoor het kind, of soms al de aankomende volwassene, de pijn onderging en tegelijkertijd leerde die pijn van zich af te zetten. Men veroorzaakte dikwijls ook voor u onbegrijpelijke situaties dat men kinderen of aankomende volwassenen op een heel pijnlijke manier behandelde. Maar doordat men deze mensen daarop voorbereidde, konden zij deze pijn verdragen. Konden zij gewoon voor zichzelf stellen: Ik erken de pijn maar zij deert mij niet. Dat is heel belangrijk.

En zo zien we dat langzaam maar zeker het kind opgroeit in een milieu met het besef dat hij deel is van een geheel, dat hij alles in dat geheel kan en mag gebruiken wanneer dit nodig is, maar ook alleen wanneer de noodzaak zich voordoet. Het zou bij deze mensen nooit opgekomen zijn een plant of een dier te doden wanneer het niet noodzakelijk was. En telkens weer, wanneer zij iets namen, hebben zij er iets tegenover gezet om zo de evenwichten van de natuur in stand te houden. Zij waren er ook van overtuigd in hun denken dat de aarde voor hen de moeder was. De moeder die hen gebaard had en die voor het ganse stoffelijke bestaan voor hen zorgde. Zij waren ervan overtuigd dat de zon de vader was die ervoor zorgde dat er steeds nieuw leven kon ontstaan.

En wat nog belangrijker was: zij maakten geen verschil wanneer iemand stierf, want voor de indiaan ging het bestaan gewoon verder. De indiaan leefde verder in zijn wereld. De blanke is dat dan gaan vertalen dat de indiaan zei: “Hij is naar de eeuwige jachtvelden.” De kern was anders. De kern was dat de indiaan het stoffelijke leven maar zag als een klein stukje van de totaliteit van het bestaan. En dat wanneer het stoffelijk voertuig voor hem niet meer bruikbaar was, dat de geest waar hij gans zijn leven rekening mee had gehouden, waar hij a.h.w. mee had samengeleefd, gewoon dit stoffelijk lichaam aflegde en verder leefde zonder enig probleem. Het was vooral belangrijk dat men in zijn stoffelijk leven de harmonieën niet ontrouw was. Het was vooral belangrijk dat men de eenheid met de natuur, met de kosmos a.h.w. dagelijks ervaarde.

We zien dan ook dat de indiaan regelmatig zich terugtrok in eenzaamheid. Dat hij bv. naar een bergtop ging en daar gedurende verschillende dagen soms gewoon ging zitten. Hij overschouwde. Hij zag dan alles en voelde zich deel met zijn wereld. Regen noch wind zouden hem storen, want hij was in harmonie met de krachten. We zien zelfs dat zij in sommige gevallen vuur, water enz. zeer goed konden beheersen. Dat zij zeer goed konden aanvoelen wat voor hen gunstig ging zijn en waar zij zich terzijde moesten stellen. Zij kenden ook de ritmen van de natuur door en door. Zij waren a.h.w. één met alles wat gebeurde.

En dan kunnen we misschien nog een interessant deelgebied naar voor brengen: de medicijnman. De medicijnman was altijd bij deze volkeren een zeer speciaal figuur. Het was degene die, dankzij de geheime overleveringen van medicijnman naar medicijnman, juist ietsje meer wist dan al de anderen. Het was degene die in vele gevallen een aangeboren helderziendheid of heldervoelendheid had. Het was degene die door zijn opleiding in vele gevallen de kennis kreeg over de giffen en de krachten die bepaalde kruiden en bepaalde planten bezaten. Het was degene die kon kijken hoe bv. steentjes geworpen werden of beentjes vielen. Die rechtstreeks a.h.w. met de goden in contact stond. En in dit geval kunnen we zeggen dat deze goden meestal wel entiteiten waren die trachtten een zo harmonisch mogelijke inspiratie door te geven om te zorgen dat de spirituele ontwikkeling binnen deze stammen naar zeer grote hoogten kon gaan. Want de westerse mens denkt wel: de arme indiaan, hij was bijgelovig. Maar ik kan u garanderen dat de arme indiaan die bijgelovig was op veel terreinen meer resultaten kon behalen dan wat deze ongelovige westerling denkt te kunnen behalen op dezelfde terreinen.

De medicijnman was dikwijls in staat om zeer zware medische ingrepen te doen waar u op het ogenblik als een ongelovige zou bijstaan. Zij waren in staat om wonden te helen op een minimum van tijd. Zij waren in staat om operaties door te voeren zonder dat zij nog maar één incisie in het lichaam moesten maken en toch konden weghalen en wegnemen wat in het lichaam niet thuishoorde. Op hun wijze kenden zij de krachten. Op hun wijze wisten zij dat een menselijk lichaam uit meer bestond dan alleen de stof. Dat er gebruik gemaakt werd van roesverwekkende middelen, is evident, maar het werd steeds zo gemanipuleerd dat dit voor de patiënt, voor een broeder of een zuster, want zo moet ik het zeggen, steeds een positief resultaat zou geven. En dat men dan bepaalde trancetoestanden opriep om resultaten te behalen, dat men op bepaalde momenten met tromgeroffel een situatie creëerde dat een ganse stam a.h.w. in één gedachtetrance kwam om iemand te helpen, moet u niet verbazen. Maar dat zij dankzij dat tromgeroffel èn de trance èn het gedachtebeeld naar de patiënt toe a.h.w. in uw ogen een mirakel lieten geschiedden, gebeurde regelmatig.

Daarmee wil ik niet zeggen dat u hier in uw omgeving hetzelfde moet proberen, want ik vrees dat u zeer snel de politie aan uw deur voor geluidsoverlast zou hebben. En stel dat u erin zou slagen hetzelfde te realiseren, zou u beschuldigd worden van het onwettig uitoefenen van geneeskunde. Maar wat ik hiermee wil gezegd hebben, is dat dankzij de spiritualiteit van deze mensen, dankzij hetgeen waarvan zij heilig overtuigd waren, zij in de eeuwen voordat de blanke kolonisatie begon, een zeer maar zeer hoogstaande cultuur hadden. Dat zij het niet nodig hadden om heel grote bouwwerken te maken, is evident want zij waren één met de wereld waarin zij leefden. Dat is ook het grote verschil tussen wat de Zuid-Amerikaanse indiaan betekende t.o.v. de Noord-Amerikaanse indiaan. Het zijn twee verschillende volkeren. Ze hebben beiden een enorme waarde gehad voor deze wereld.

En we kunnen zeggen dat, wanneer we nu in deze tijd langzaam maar zeker weer zo overal interesse zien opduiken voor de indianen, dat dit te maken heeft met het feit dat de mens ook hier in het westen langzaam maar zeker tot het besef moet komen, zoals de indiaan dat duizenden jaren geleden al had. Ja, ik zeg het goed. Sommigen hier denken: Hij zegt ‘duizenden jaren’. Het is duizenden jaren. Duizenden jaren geleden het besef al had dat de natuur een gift aan ons is die wij a.h.w. moeten behandelen met alle voorzichtigheid van dien. We hebben het recht als mens om de natuur aan te wenden, te gebruiken. Maar wij hebben niet het recht, zoals de laatste decennia gebeurde, te denken dat we de natuur kunnen onderwerpen, dat we zelfs zonder deze natuur als superieur wezen kunnen leven.

Dat de indianen ten onder zijn gegaan, is gewoon gekomen omdat op een bepaalde moment zij gewoon hun eigen oorsprong vergaten. Dat zij, door wat rond hen gebeurde, verblind werden, aangetrokken werden a.h.w. door het materiële, het gevoelige punt in de mens. Wanneer dit niet was gebeurd, dan was bij wijze van spreken nu nog de indiaan over dit continent meester geweest, in een aangepaste versie wel te verstaan. Maar dan was de blanke er nooit in geslaagd het Amerikaanse continent te brengen tot wat het nu is. De vraag zal alleen zijn naar de toekomst toe: Wat zal overleven? Overleven zal alleen dat wat beseft dat harmonie, niet alleen onder de mens maar zo goed naar de natuur in al zijn facetten belangrijk is. Dat we niet het recht hebben deze aarde a.h.w. leeg te roven, onevenwichten te creëren. Want zoals de oude indiaan zou stellen: Wanneer moeder aarde boos wordt, is het niet meer in te schatten wat de gevolgen zijn.

Waar de oude indiaan kon aanvoelen wanneer de aarde zich ging schudden en hij zich dan terugtrok op een veilige plaats en de aardbeving gewoon liet voorbijgaan, zonder daar enige schade van te lijden, integendeel, door er dikwijls nog voordeel van te hebben, zo kent de moderne mens dit verschijnsel niet meer en schudt de aarde zich en klaagt de mens achteraf over welke ellende hem is aangedaan. Zo wist de indiaan heel goed wanneer de winden zouden komen, wanneer de winden ervoor zouden zorgen dat er vernieuwing kon ontstaan, dat het oude en het dode werden opgeruimd. En de indiaan bracht hulde aan deze tornado, bracht hulde aan deze orkaan. Hij dankte de goden van de wind omdat zij hielpen de evenwichten te herstellen. Nu schreit de mens om alles wat hij telkens verliest wanneer de wind zijn rechten opeist.

Hetzelfde kunnen we stellen: wanneer het vuur raast, zag de indiaan dit als een dank van de goden. Zo werd de grond vruchtbaar, zo wist hij dat er nieuw leven kon ontstaan en dat veel oude zaken die toch al verdwenen waren qua levenskracht, terugkeerden naar de Bron waardoor ze, door de omzetting, door de alchemie a.h.w. van de natuur, terug de kracht gaven om zich te herstellen. Zo dankte de indiaan het water wanneer het door de canyons met kracht vloeide, wanneer het rotsen afsloeg, wanneer het modderlagen over de aarde bracht. Ook hier weer zag de indiaan dit niet als negatief maar als positief, en past hij zich telkens aan. Telkens weer dankte hij – en die dank werd dikwijls met grote feesten a.h.w. gegeven – moeder natuur, moeder aarde, vader zon om hetgeen wat hij kreeg.

En wanneer we ditzelfde nu bekijken, dan zien we dat de mens van heden bij dezelfde fenomenen telkens verder in leed en in miserie zich dompelt. Telkens meer klaagt en niet beseft wat er gebeurt en door dit niet beseffen, zich steeds verder in moeilijkheden brengt. Dit, lieve vrienden, is de les die we zeker kunnen leren uit de spirituele wereld van onze broeders indianen. Zij hebben gedurende gans het hoogtepunt van hun bestaan steeds van uit de natuur aanvaard wat zij kregen. Zij hebben steeds dank gezegd aan de goden, wat er ook gebeurde. Wat voor jullie onaanvaardbaar is of onaannemelijk, was voor hen een erkennen van de eenheid, van de harmonie in het bestaan. Daardoor hebben zij ook zo lang kunnen overleven met het weinige, in uw ogen, dat ze hadden.

En op het ogenblik dat de blanke kwam en vond dat het allemaal anders moest gaan, is daar het begin voor hen van hun eindpunt begonnen. En wanneer we nu zien in de nieuwe tijd dat we zijn, met de nieuwe tendensen, kan je ervan op aan dat langzaam maar zeker veel van de oude waarden die tot nu toe eigenlijk rustende waren, langzaamaan terug naar boven zullen komen. We zien nu al in Noord-Amerika meer en meer groepen ontstaan waarvan de mensen nog indiaans bloed in hun aderen hebben, die terug trachten te herstellen of te vinden de spirituele wereld van hun voorvaders. En zij zullen er langzaam maar zeker in slagen.

En wees ervan overtuigd dat deze groepen naar de toekomst toe een zeer belangrijke rol in dit continent gaan spelen. Want de blanke die op het ogenblik dit continent beheert, is aan het voorbereiden dat het continent zijn eigen ondergang tekent. En dat kunnen de oorspronkelijke bewoners, wanneer zij hun eigenheid terugvinden, wanneer zij terug kunnen gaan naar de bronnen die nog in hen leven, dan kunnen zij terug hun continent de oude glorie geven, de evenwichten herstellen en zo voor toekomende generaties een waardevolle plaats zijn waar het goed is om als entiteit te kunnen incarneren en zo uw weg naar bewustwording verder te kunnen zetten. Dit is een zeer belangrijk aspect dat we niet uit het oog mogen verliezen.

Ik hoop met wat ik hier vanavond gebracht heb, dat ik voor u een klein beetje de sluier heb kunnen oplichten van wat de echte indiaan was, niet de indiaan die u kende uit de boekjes, uit de cowboyverhalen, maar een mens die trachtte in een volledige harmonie te leven met de natuur. En wat dat betreft, moet ik zeggen, stond de Noord-Amerikaanse indiaan veel verder dan eender welk volk op aarde gedurende deze zelfde periode.

Lieve vrienden, indien u nog vragen hebt over het gebrachte deze avond, kan u ze nu rustig stellen.

Vragen.

  • Broeder, wat was de rol van de vrouw in de indiaanse spirituele samenleving?

De rol van de vrouw kan je niet vergelijken met de rol van de vrouw zoals jullie ze hier kennen. Om te beginnen, was de vrouw gelijk aan de man; zeer belangrijk. De vrouw was degene die ervoor zorgde dat de stam a.h.w. kon blijven voortbestaan. Zij had een zeer belangrijke functie aangaande de opvoeding van de kinderen. Men kende een raad van ouderen. Deze raad van ouderen bestond uit mannelijke leden van de stam, maar zou nooit een beslissing genomen hebben tegen het advies van de vrouwelijke leden in. Dit weten weinigen. De vrouw hield zich zogezegd een beetje op de achtergrond, zeker wat het krijgsgebeuren enz. aanging. Maar de vrouw bij de indianen was ook diegene die meestal zeer gevoelig was. Men hield rekening met visioenen, met gevoeligheden, met helderziendheid.

Ik heb gesproken over medicijnmannen, maar ik moet daar dadelijk dan aan toevoegen dat veel medicijnmannen vrouwen waren. Dat is ook heel belangrijk. Dat er dikwijls een samenwerking was tussen mannelijke medicijnmannen die, in samenwerking met een vrouwelijke collega, soms tot zeer spectaculaire effecten kwamen. Omdat in vele gevallen de gevoeligheid van de vrouw dankzij de kennis van bv. geestverruimende middelen die de medicijnman kende en had, dat samenbrengende kon leiden tot visioenen van wat de toekomst voor de stam was. Hoe zij zich best konden opstellen enz. En wanneer dan deze medicijndame, om het dan zo te zeggen, in trance was, kan ik u garanderen dat niemand van de stam er nog maar zou aan gedacht hebben om wat deze vrouw naar voor bracht, ook maar enigszins in twijfel te trekken. Omdat men ervan uitging dat de vrouw – en dat is toch een belangrijk gedachtepatroon – de rechtstreekse verbinding was met ‘de god Moeder Aarde’. Want Moeder Aarde was voor hen goddelijk, de aarde was goddelijk. En de vrouw was daar de rechtstreekse verbinding mee. Zoals de mannelijke medicijnman een rechtstreekse verbinding had met Vader Zon.

  • Broeder, het vuur kan opruimend werken, kan energie geven en opbouwend werken. De feniks die verbrandt en uit zijn eigen as herrijst, hoe zou u dat vertalen?

De feniks die uit zijn eigen as herrijst, wil zeggen dat een persoon die een bepaalde leerschool is doorgegaan, afsluit wat het verleden is. ‘De feniks herrijst uit zijn as’ betekent dat de nieuwe persoon, volledig gezuiverd van het oude, opstaat en verder kan gaan met de nieuwe inzichten en met de nieuwe inzichten zijn werk a.h.w. kan voltooien. Dit is nu niet direct aan de indianen gelieerd, alhoewel ik hier kan zeggen dat bij de indianen wel het gebruik was dat met het vuur oude zaken a.h.w. werden verkoold, lieten verdwijnen om – en dat was dan de truc die de medicijnman dikwijls gebruikte tijdens riten – van al deze zaken terug het nieuwe te laten opstaan uit deze as en daarmee verder te werken. Maar dit wordt niet alleen bij indianen gebruikt, vele volkeren hebben deze gewoonte. Het herrijzen van de feniks is eigenlijk niet meer dan gewoon het oude van u afleggen en met de nieuwe krachten, die u door de goden geschonken zijn – want dat is wel essentieel in deze gedachtegang, de goden hebben u dat geschonken, of de kosmos, mij gelijk, hebben u deze nieuwe zaken laten inzien, hebben u dit gegeven, en zo kan u weer verder in uw leven.

  • De cultuur waarin de indianen leefden, zoals u ze beschreven heeft, kende die cultuur handel en kende die cultuur veeteelt of landbouw?

Wanneer u handel beschrijft zoals u deze hier kent: neen. Wanneer u ervan uitgaat dat stam A iets nodig had wat stam B had, kon er over onderhandeld worden. Op die wijze kan je van handel spreken. Van veeteelt zoals u ze kent: neen. Zij kenden dit niet. Want, vergeet niet, en ik wil even opmerken wat ik in het begin gezegd heb, de dieren waren voor hen onafscheidelijk deel van hun leefmilieu. Zij gingen wel op jacht en zij zouden wel a.h.w. een dier gedood hebben om voedsel te voorzien voor de stam. Maar zij zouden ook nooit meer nemen dan wat nodig was. Dat is heel belangrijk. Tegelijkertijd zullen zij steeds de natuur iets teruggeven. In vele gevallen was het teruggeven via bepaalde feestelijkheden enz. Er zijn zelfs stammen gekend en geweest – en dit klinkt zeker brutaal in jullie oren – die overgingen tot menselijke offers. Dit is ook een gekend gegeven.

Wanneer u wilt vragen: hielden zij huisdieren, zoals u ze beziet? Dan zeggen wij: ja, er waren bepaalde diersoorten, maar de meeste van deze soorten zijn niet meer op dit moment gekend, die zij a.h.w. in de nabijheid van hun woonplaats hielden. Rekening houdend met het feit dat de indiaan nooit lang op dezelfde plaats verbleef, dat zij steeds verder trokken. Zij leefden met de ritmen van de natuur. D.w.z. dat wanneer de dieren van het Noorden naar het Zuiden trokken, zou de indiaan in vele gevallen zeer ver meegegaan zijn. Wat dan wel soms tot gevolg had dat strijd tussen stammen ontstond enz. Zij waren, en dat moet u toch trachten heel goed te vatten, volledig met de ritmen van de natuur mee. D.w.z. zij leefden ook volgens lente, zomer, herfst, winter. Al die zaken waren voor hen het normale; dat is heel belangrijk. Er is veel veranderd nadat de blanken a.h.w. zich daar zijn komen vestigen. Maar dan spreekt u al niet meer over de zuivere indiaanse cultuur en al zeker niet meer over het zuivere spirituele denken.

  • Broeder, u sprak daarstraks over de manier waarop de jongens hun kracht vonden, hun totemdier ontdekten. Hoe ging dat dan eigenlijk bij de meisjes?

U kunt bij wijze van spreken stellen dat wat de meisjes aanging, dit op een zachtere manier gebeurde. De meisjes werden ook in afzondering gebracht, je zou kunnen zeggen dat men hen, maar dan binnen de bescherming, dat is wel belangrijk, van de stam in afzondering bracht en hen daar gedurende een langere periode a.h.w. voor zichzelf liet zorgen. Het is een mildere vorm dan voor de jongen het geval was. Nochtans kennen we bij zeer vele stammen dat naar proeven toe de meisjes zeker niet moesten onderdoen voor de jongens. Dat wil zeker zeggen wat betreft pijnproeven, en dat is heel belangrijk in de indianencultuur: de indiaan werd geleerd met pijn om te gaan. En het ging heel ver. Ook voor de meisjes ging dit heel ver. Maar het grote voordeel was dat zij daardoor, wanneer zij deze proeven allemaal hadden doorlopen, zij in het dagelijkse leven bij wijze van spreken veel meer aankonden.

Wanneer we nu nog maar kijken als een vrouw van heden ten dage gewoon ergens maar een kleine kwetsuur heeft, vindt men dat een drama, en het is pijnlijk, en het is dit en het is dat. De indiaanse vrouw mocht bij wijze van spreken een breuk oplopen, de pijn was er wel maar zij plaatste zich daarnaast. Zij had die pijn leren relativeren. Daardoor werd het ook mogelijk dat zo’n breuk en alles wat daarbij te pas kwam, veel sneller terug kon geheeld worden.

Een heel belangrijk facet naar de vrouw toe was ook dat de vrouw haar ruimte, de plaats waar zij verbleef, dat deze voor de indiaan in vele gevallen heilig was. D.w.z. dat wanneer de vrouw zich terugtrok, bv. in haar tent of tussen de bomen waar zij zegde: “Kijk, dit is van mij”, dat geen van de mannelijke leden zich gewaagd zou hebben die ruimte te betreden. Men respecteerde dat, men wist dat die vrouw, wanneer zij zei: “Ik trek mij in mijn ruimte terug”, dat zij daar een reden voor had, dat zij ging trachten zich open te stellen voor de krachten van de natuur – in een moderne vorm gezegd: mediteren. De indiaan heeft nooit zo’n woord gebruikt, maar het komt daar op neer. Zij trachtte zich ook volledig één te voelen.

Vergeet niet, en dat is toch belangrijk, de vrouw werd in de oorspronkelijke indianencultuur zeer sterk gerespecteerd. Dat wil ik nog eens benadrukken. De vrouw had, en spijtig voor de aanwezigen hier, maar naar ons oordeel bij de indiaan een beter leven dan in de huidige westerse maatschappij. En, sorry voor de heren, de mannelijke indiaan had ook een totaal ander oog naar de vrouw toe. De vrouw was voor de mannelijke indiaan zeker geen lustobject, wat ze in deze maatschappij maar al te veel is. Het is ook zo dat wat betreft de samenleving, en dat is toch ook belangrijk in gans dat denken, men respect had wanneer bv. een vrouw een man koos – hebt u goed gehoord wat ik zei: de vrouw koos de man, niet omgekeerd – men had daar alle respect voor. Men zou deze twee personen hun gang laten gaan, om het zo te zeggen, maar wanneer het nodig was, stonden zij niet als twee personen alleen maar waren zij volledig deel van de stam, werd ook alles voor hen opgevangen. D.w.z. dat wanneer de man bv. een ongeluk zou gehad hebben tijdens de jacht, dat er voor die vrouw gezorgd werd. Die vrouw kwam nooit alleen te staan.

Men had ook totaal andere denkbeelden over, wat jullie met een mooi woord hier noemen ‘geslachtsgemeenschap’ enz. Dat heeft in de indiaanse cultuur nooit de betekenis gehad zoals het in de westerse cultuur betekenis had. Maar wat wel heel belangrijk was, is dat het nageslacht niet behoorde tot die man en vrouw, maar dat het nageslacht steeds behoorde tot de stam. Dat de moeder wel voor het kind zorgde, maar dat het kind deel was van de stam. Dat is heel belangrijk. Ook hier weer komt naar voor: deze volledige harmonie.

  • Hoe komt het, als het stoffelijk deel van het leven van de indiaan maar zo’n klein deel betekende, dat ze de begraafplaatsen zo heilig vonden?

De indiaan vind de begraafplaats heilig omdat de indiaan het stoffelijk overschot a.h.w. ziet als deel van het geheel. Maar de indiaan als dusdanig had geen problemen met deze overgang. Op bepaalde momenten in deze ontwikkeling vinden we dat zij begraafplaatsen hebben waarvan zij zegden: “Kijk, op deze plaatsen hebben we rechtstreekse verbindingen met onze voorouders.” Dat is wat de blanke nooit begrepen heeft. De blanke heeft altijd gedacht dat de indiaan de begraafplaats om het lijk, of het stoffelijk overschot dat daar aanwezig was, belangrijk vond. Dat was de essentie niet. De essentie was dat begraafplaatsen dikwijls gebruikt werden om wisselwerkingen te hebben met gene zijde, met de goden, of zoals het misschien in een meer juiste indiaanse terminologie uitgedrukt kan worden: met de voorvaderen. En dat was belangrijk. En om die reden waren die plaatsen heilig.

Zoals er bepaalde bergtoppen heilig waren omdat men daar op ging zitten en zich volledig in eenheid stelde met de ganse kosmos, zoals er bepaalde wouden heilig waren, omdat men in die wouden samenkwam en daar rituelen uitvoerde om de goden te danken, om de voorvaderen te danken enz. De blanke heeft dit nooit begrepen. Zij hebben het altijd vanuit hun visie gaan bekijken en konden dan natuurlijk geen begrip opbrengen voor de waarde die de indiaan daaraan hechtte.

Maar u mag het niet bekijken alsof u zou zeggen: wij, hier in dit land, hebben een kerkhof en dat kerkhof is heilig omdat daar mensen begraven liggen. De indiaan keek niet, of had geen behoefte aan het stoffelijk overschot. De indiaan had de rechtstreekse verbinding met zijn voorvaderen. Dat was belangrijk. En vanuit die optiek was de plaats waar het stoffelijk overschot eventueel nog was – want bij vele culturen werd het ook verbrand, dat wordt nogal eens dikwijls over het hoofd gezien. Er zijn ook culturen bij indianen, wat de blanke ook over het hoofd ziet, waar het stoffelijk overschot aan de dieren werd geschonken enz.

En, ik moet dan compleet zijn als ik het allemaal zeg: er zijn stammen geweest waar het stoffelijk overschot geconsumeerd werd. Klinkt cru, maar het is zo. En ook weer vanuit het oogpunt of vanuit het oogmerk dat de vader, de moeder, al die goede capaciteiten, door ze te vereren door het lichaam op te eten, dat zij dit konden overnemen. Dit behoort allemaal tot deze wereld. Ik moet er wel bij zeggen: veel van die zaken zijn gewoon in de doofpot geraakt of in de vergeethoek omdat de blanke wereld er niet akkoord kon mee gaan en ook nooit begrepen heeft waarom dit plaatshad.

  • Broeder, er werd wel eens gezegd dat men de ouderen achterliet om alleen te sterven. Klopt dit of is dit een fabel?

Men liet de ouderen niet achter, de ouderen beslisten zelf om achter te blijven. Dat is een groot verschil. Het is zo dat, wanneer in perioden dat bepaalde stammen het moeilijk hadden, op een ogenblik dat er bv. tekorten zouden zijn qua voedsel, door welke omstandigheid ook, en de oudere die echt voor de stam niet meer ten dienste kon zijn dan alleen maar een ballast, besloot die oudere zelf om uit het leven te stappen. D.w.z., deze oudere trok zich terug op een heilige plaats – dit kon in een woud zijn, dit kon bij een rivier zijn, dit kon op de top van een berg zijn – die ging zich daar instellen op de voorvaderen en op korte tijd liet de geest het lichaam los. Dat klopt. Het is niet zo, zoals de blanke het stelde, dat de indianen wreed waren en de ouderen zomaar uitstootten. Dit is niet zo. Het is de oudere zelf die beslist. Mag ik u opmerken dat in uw maatschappij op het ogenblik de discussie gaande is: Mag euthanasie of niet? Het komt op hetzelfde neer in feite.

Wanneer we bv. kijken bij de Eskimo, zien we dat fenomeen ook. De Eskimo heeft nog veel meer behoefte om wanneer iemand oud is en niet mee kan, om deze los te laten. Ook hier is het de persoon in kwestie die zelf beslist. En wat zien we dan? Dat deze man of vrouw zich ergens op het poolijs neerzet, blijft zitten, en ik garandeer u: die zit daar geen 24 uur of een poolbeer heeft deze persoon gedood. En dan kan u weer zeggen: “Dit is wreed.” Nee, want de Eskimo ziet in deze poolbeer zijn vriend. En het is de poolbeer die dan de persoon komt halen, die voor de stam een ballast is geworden. Zo gaat de poolbeer de persoon naar onze zijde helpen, waarvoor de stam de poolbeer dan weer dankbaar is.

Dit klinkt jullie allemaal zeer wreed in de oren. Maar u moet zich trachten voor te stellen wat het leven van een indiaan is, in welke omstandigheden hij leeft, hoe hij ziet en welke harmonieën hij aanvoelt. En dan zal u opmerken dat degene die vrijwillig kiest voor de dood, omdat men geen last wil zijn voor de rest van de stam, een perfecte daad heeft gesteld. Ook naar geestelijk bewustzijn is dit zeer, zeer waardig. Dit is niet te vergelijken met iemand die zelfmoord pleegt, dat wil ik er toch aan toevoegen.

  • Wat betreft ziekten, broeder, ik kan mij voorstellen dat zij geen ziekten kenden zoals wij heden ten dage?

Ziekten zijn een onderdeel van leven. Zij kenden ook ziekten, maar zij aanvaardden veel zaken meer. Zij hadden hun medicijnmannen en deze waren toch zeer kundig wat betreft het herstellen van disharmonieën. Wanneer u de ziekte beschouwt zoals in uw maatschappij hier die voor 90 % zijn gebaseerd op het niet vervullen van begeerte waardoor het lichaam in onevenwicht komt en alle mogelijke stoornissen optreden, dan kunnen we zeggen dat dit bij de indiaan niet het geval was. Zij kenden deze soort ziekten niet. Zij hadden meer last a.h.w. van wonden en verwondingen en sommige infectieziekten. Maar meestal werd dat door de rituelen van de medicijnman redelijk snel opgelost.

Het grote probleem voor de indiaan is gekomen op het ogenblik van inwijking van de blanke. Deze heeft alle mogelijke ziekten meegebracht, en dan moet ik er dadelijk bij stellen: door ook de denkwereld en de afwijkingen die dan zijn gaan ontstaan, werd het mogelijk dat er epidemieën uitbraken waardoor grote gedeelten van de indianenpopulatie is gedecimeerd. Dat klopt. Maar zolang de blanke er niet was, zolang de indiaan a.h.w. de harmonie heeft kunnen handhaven tussen zichzelf en de natuur, kwamen daar niet de ziekten voor zoals jullie ze kennen.

  • De ziekten die wij hier kennen, komen grotendeels uit het feit dat wij in disharmonie leven met de natuur. Maar dan blijft mijn vraag: waarom dan die erfelijke kinderziekten?

Ik denk dat u ver afwijkt van het onderwerp, maar ik wil hier kort op antwoorden. Het klopt dat u in disharmonie leeft met de natuur, maar vergeet niet dat u niet alleen in disharmonie leeft, maar dat u ook zeer veel zaken gecreëerd hebt die helemaal niet thuishoren in deze wereld. Dat is punt 1.

Wat erfelijkheid aangaat, daar hebt u door toedoen van uw moderne scheikunde, zonder het te beseffen, vele zaken genetisch gaan wijzigen. Mag ik u erop wijzen dat dankzij de atoomproeven die in de jaren ’50, ’60 gedaan zijn, op dit ogenblik nog veel kinderen geboren worden met genetische afwijkingen. De bron ligt daar.

Wanneer we nu zien hoe uw maatschappij omspringt met bepaalde velden, met bepaalde trillingen, moet u er niet van versteld staan dat er nog een toename zal zijn van zeer vele afwijkingen, van zeer vele ziekten.

Maar, spijtig genoeg moet ik hierop zeggen dat dit nu eenmaal behoort tot de chaos die de overgang betekent naar de nieuwe tijd. Het moet niet, maar de mens heeft het zelf gecreëerd. En door de nieuwe kosmische tendensen die er zijn, zullen deze zaken zich versterkt uiten. De nieuwe ziekten die nu opduiken, zijn ziekten die de mens zelf gecreëerd heeft, zijn geen ziekten die de natuur gecreëerd heeft. Dat wil ik toch duidelijk stellen. We hebben dat hier vroeger ook meermaals gezegd en we herhalen het nog: het is de mens zelf die, wat dit betreft, de zaken gecreëerd heeft. En hij zal ze ook terug moeten oplossen.

Als er geen vragen meer zijn, dan wens ik deze avond af te sluiten, naar gewoonte met een meditatie. Ik zal voor jullie proberen jullie te laten aanvoelen wat het is de harmonie met Moeder Aarde te ervaren zoals de indiaan dat gedurende zeer vele jaren heeft gedaan. Let niet op wat ik zeg, let niet op de woorden die ik zal uitspreken, maar tracht gewoon te voelen. Tracht gewoon te ervaren. En wanneer u dan in uw diepste binnenste even beroerd wordt, hou dan dat gevoel, koester dan dat gevoel als een waardevol geschenk. En telkens wanneer u behoefte hebt om maar even u terug te trekken, om maar even de harmonie met de aarde te ervaren, dan kan u daar terug aan denken, kan u dat terug oproepen en kan u, lijk de indiaan voor uzelf één worden met al wat u gegeven is op deze aarde, in deze natuur.

Meditatie: Voel u één met de kracht van de adelaar.

Lieve vrienden, tracht jullie voor te stellen dat je helemaal alleen op de top van een berg zit. U zit op de hoogste top van een ganse keten. U overschouwt. U ziet onder u de wouden, u ziet de loop van de rivieren. U ziet voor u in de verte de besneeuwde bergtoppen en u hoort boven u de adelaar roepen. De adelaar spreekt u aan en zegt tot u: Wees welkom. Wees welkom in dit rijk van kracht. Tracht u dan één te voelen met deze adelaar. Tracht even de ogen van de adelaar te zijn. Tracht even uw armen als de vleugels van de adelaar te zien en te voelen. Voel a.h.w. de krachten van de winden onder uw vleugels.

En wanneer u zo de kracht van de adelaar in u voelt, zeg dan in uzelf: Wind van het Noorden, uw streling doortrilt mijn lichaam. Gij geeft mij wijsheid. Wind van het Zuiden, gij warmt mijn lichaam op. Gij geeft mij de warmte van het leven. Wind van het Oosten, gij zijt voor mij het ochtendgloren. Gij schenkt mij Vader Zon. Gij maakt dat ik de kracht die ik in mij voel, kan delen met deze wereld. Wind van het Zuiden, wind van het Noorden, wind van het Oosten: verzamel u in het Westen en geef mij zo de nieuwe kracht. De kracht, de eenheid met de voorvaderen.

Anai, unai, godai. Unai, unai, godai, una ana ga guia, gaia. Dat de adelaar gesproken heeft. Neia otar tsjala. Kracht vloeit in ons. De winden zijn gebundeld. De vleugels worden gedragen, de kracht en de kennis zijn in ons aanwezig.

Aum, aum, aum, bevestig deze waarden. Moeder Aarde zegene u, Vader Zon geeft u de nieuwe kracht, de nieuwe vruchtbaarheid, de nieuwe mogelijkheid.

Dat de grote Manitoe die dit leidt, hier u het goud van het leven, van het inzicht van de overkoepelende kracht van de geest, van de groepsgeest van de indiaan in uw hart neergelegd worden. Voel deze krachten in u stromen, voel u één, volledig één met de groepsgeest. Geen individueel denken. Eenheid. U bent de adelaar. U bent het symbool van kracht. U bent het symbool van het scherpe zicht. U bent het symbool van de snelheid. U bent gedragen door de winden. En terwijl u zich één voelt met deze adelaar, daar hoog op die bergtop, komt in u de rust, de kracht en de rust van deze eenheid.

En laat ons dan zoals het gebruikelijk is, Moeder Aarde danken, Vader Zon danken. Danken we de adelaar die zich terug hoog boven ons door het enorme luchtruim, door de enorme hemel klieft en met zijn roep de eenheid bevestigt.

Deze krachten dragen wij nu in ons hart, deze krachten kunnen wij nu gebruiken om onze medemens lief te hebben. Om een duidelijk voorbeeld te zijn van wat de harmonische mens in deze wereld kan betekenen.

Lieve vrienden, wat hier nu gebeurd is, is gestoeld op een oud ritueel. Ik heb zoveel mogelijk getracht dit in de u gekende taal te doen. Dit ritueel zal voor ieder van u die zich voldoende ermee kan verenigen, een mogelijk anker zijn in de moeilijke perioden die er komen kunnen. U kan steeds wat we hier vanavond gedaan hebben, op een rustige plaats voor uzelf herhalen, u terug trachten één te voelen, terug trachten het gevoel op te wekken wat we hier even hebben laten ontplooien. En dan zal u zien, door dit gevoel, door deze harmonie zal u de mogelijkheid hebben wat voor een ander een onoverkomelijk probleem lijkt, het voor uzelf te aanvaarden en zo te behandelen dat u in het leven steeds verder kan.

Dit is wat ik u na een voordracht over een volk dat sinds lang tot het verleden behoort, maar waarvan de waarden nooit verloren zijn gegaan, en waarvan we kunnen zeggen dat in de komende jaren we deze waarden terug meer naar voor zullen zien komen, daarvan hebt u vanavond nu een heel klein deeltje geproefd. Laat het misschien de aanzet zijn om voor ieder van u zelf op zoek te gaan naar de harmonie die eruit kan voortkomen. Niet alleen tussen mens en mens, maar tussen mens en de ganse schepping. En wanneer u beseft dat u als mens een onafscheidelijk deeltje bent van de grote puzzel die de ganse schepping is, dan heb ik vanavond een zeer goed resultaat bereikt.

image_pdf