Spreekwoorden

14 augustus 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar.  Spreekwoorden: dit is de zogezegde volkswijsheid, die ten dele gebaseerd is op waarneming, maar ook heel vaak op misvatting en bijgeloof. Wat zou u bv. zeggen van “jong geleerd, oud gedaan”? Dat zou impliceren, dat een hele hoop jongelui op hun 80ste jaar rock-‘n-roll dansen. Want dat hebben zij jong geleerd. Met andere woorden: een spreekwoord is alleen onder bepaalde omstandigheden toepasselijk. Het is een gemeenplaats, waarin heel vaak ook het onderbewustzijn van de mens tot uiting komt.

Hoe komt een spreekwoord tot stand? Het is een gevatte uitdrukking die door iemand wordt gelanceerd op een gegeven ogenblik. Wanneer onze vriend Henri dus zegt: “geen minister zo groot, of er zit wel een zwart plekje aan” dan zou daar op den duur dus uit kunnen groeien: “niets is zo beurs als een minister”. Het is een grap, maar het zou kunnen. Op het ogenblik dat ik van Tijl Uilenspiegelgrappen houd, kan ik bv. lanceren: “veel onverstand gaat verborgen achter het geraas van een bromfiets”. Dan gaat de menigte proberen daaruit een slagzin te maken. Wanneer zij lang niet meer weten wat een bromfiets is, dan zeggen zij nog steeds: dwaasheid rijdt op twee knallende wieltjes. Dat is dan overdreven. Men generaliseert. Wij moeten dat uit de aard der zaak ook vaak doen. Het spreekwoord is een generalisatie, die zichzelf uitgeeft voor enige algemene en altijd toepasselijke waarheid. Zij kan dit nooit zijn.

“De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens.” Nu benijd ik zeker de mens zijn goede voornemens niet, en ik zou ook de duivel een goed plaveisel toe willen wensen. Maar ik ben bang dat een goed voornemen voor het demonische in de wereld heel wat schadelijker is, dan voor de mens. Men heeft wel eens opgemerkt, dat alle mensen zwak zijn. Dit zelfde spreekwoord vinden wij kerkelijk terug in de haast befaamd geworden uitdrukking: “want wij allen zijn zondaars”. Ook wel zondaren. Dat zijn zondaars die harder opschieten, vandaar die “-ren”. Wij begrijpen heel goed dat dit dwaasheid is. Het zondige ligt in de eerste plaats in het innerlijk concept. Onwetenden kunnen niet zondigen. Het is dwaasheid bv. te gaan spreken over de bevlekte zielen van de pasgeboren kinderen die eerst door de doop gereinigd worden. Kerkelijk is er natuurlijk iets voor te zeggen, wanneer, je zegt: maar zij moeten allemaal gedoopt worden… Akkoord, maar moeten wij dan daarvoor een erfzonde hebben? Kan er een erfzonde bestaan, een erfelijke fout? Zou God fouten scheppen? Kan een ziel die deel is van het Goddelijk Licht, van de Goddelijke Kracht, zondig zijn? Kan God kwaad zijn als bezielende kracht van Zijn schepselen?

Wij voor ons moeten een dergelijke vraag met “neen” beantwoorden. Dat brengt mij dan weer terug tot die plaveisel kwestie, waarbij mij de opmerking van het hart moet, dat de stratenmakers van de volksmoraal hier wel een buitengewoon dwaas gezegde de menigte ter beschikking hebben gesteld. Als ik een goed voornemen heb, dan ben ik dus, krachtens dit gezegde, praktisch bezig om een weg naar de hel te plaveien, tenzij ik het in de praktijk breng. Het gaat hier dus niet om de bewustwording, het gaat niet om de innerlijke kracht, het inzicht in het Licht, het is niet het groeien van de mens naar God, waar het om gaat. Neen, een soort loterij: als je nu toevallig het goede doet en je maakt maar voldoende goede voornemens die je ook uitvoert, dan kom je in de hemel terecht. Als je groot inzicht hebt in wat goed is, maar je houdt je er niet aan, dan kom je vast en zeker in de hel terecht. Er wordt niet gesproken over omstandigheden of mildere omstandigheden, verzwarende omstandigheden, neen, het is zo. Tenminste…… in het spreekwoord.

Laat ons nu even de zaak omkeren. Op het ogenblik dat ik een goed voornemen maak, moet ik mij eerst afvragen: “Is dit goed volgens mij? Of is het goed volgens de menigte?” Wat goed is volgens de menigte, kan – volgens mij – volledig strijdig zijn met elke werkelijkheid, met elk streven naar God. Als de menigte zegt: “Wij moeten optrekken om de tiran te verdrijven, wij moeten optrekken om die boerenstand eens even uit te roeien” – dat is niet hier geweest, maar in Rusland is dat gebeurd – “Dan is het dus goed wanneer die wij mensen gaan neerschieten”. Wanneer wij die voornemens daartoe maken, dan zijn het goede voornemens. Alleen wanneer wij ze niet uitvoeren, dan zijn wij op weg naar de hel?

Of is het zo, dat ik mijzelf voor moet nemen geen mens te schaden, geen mens onrecht toe te voegen en mijn innerlijk begrip van de Goddelijke Wil zo duidelijk mogelijk tot uitdrukking te brengen? Als wij die tweede soort het goede voornemen noemen, dan kan dat moeilijk een weg naar de hel zijn, of u zou moeten aannemen, dat de hel de plaats is waar men het meest over God spreekt. Hoe dichter je komt bij God en het erkennen van de Goddelijke waarheid, hoe gemakkelijker je op kunt gaan in God.

“Al te goed is buurmans gek”. Daar bent u het mee eens, hé? De meesten zijn het er mee eens. Maar is mijn goedheid dan afhankelijk van mijzelf? Ben ik goed om mijzelf te uiten, of ben ik alleen maar goed om in de maatschappij een aangename verhouding te scheppen? Kan ik “buurmans gek” worden, wanneer ik goed ben door in mijzelf de Goddelijke harmonie steeds verder tot uitdrukking te brengen? Goed-zijn, werkelijk goed zijn, is proberen de Goddelijke Kracht, zo je ze erkent, uit te leven. Zal een ander dan zeggen dat je gek bent? Neen. “Al te goed is buurmans gek” geldt alleen, wanneer je te lui bent om er over na te denken, of je iemand een bepaalde gunst moet bewijzen, of niet. “Al te goed is buurmans gek” is die man, die zegt: “O, ja zeker, neem de maaimachine maar”. “Mag ik uw auto even hebben?” “O, natuurlijk kerel”. “Ja, ik wou graag je avondkostuum hebben, want ik wil naar een bal toe”. “Goed, ik zal het je even geven”. “Wil je even tegen je vrouw zeggen dat ze zich klaar maakt en maai jij dan even het gras”. Dat is nu: “Al te goed is buurmans gek”. Dat is niet normaal. Ik weet dat ik een buurman heb die misschien eens al te graag leent en graag diensten van een ander accepteert. Ben ik nu al te goed, wanneer ik deze buurman die diensten bewijs, omdat ik weet dat ik alleen daardoor bij hem in zijn huiselijke sfeer dragelijke condities kan scheppen, ook al maakt hij er misbruik van? Het ligt er maar aan, wat het doel is. Bovendien wist u, dat iemand die gunsten van u los krijgt, u nooit gek zal noemen, voordat u begint ze hem te weigeren?

“De lamme leidt de blinde”. Men wil daarmee zeggen: twee verschillende gebreken proberen samen op weg te gaan en kunnen elkaar helpen. Maar als men dat op aarde zegt, dan citeert men deze volkswijsheid als een soort verwijzing naar de legende, waarbij de kreupele in elkaar zakt en de blinde in de put kwakt. Maar is het eigenlijk niet zo dat de lamme en de blinde elkaar altijd helpen? Er zijn hier op aarde zoveel mensen die geestelijk niet bewust zijn, er zijn hier op aarde ook mensen die geestelijk wel bewust zijn, ofschoon het hen weer mankeert aan een zekere vitaliteit, of een zekere mogelijkheid tot uitvoering. Wanneer zij samen werken, dan bouwen zij dingen op, die haast onverwoestbaar zijn. De lamme en de blinde hebben gezamenlijk de kathedraal van Milaan gebouwd, en de Sacré Coeur, en de Dom van Keulen. De lamme en de blinde samen hebben van Engeland langzaam maar zeker de meest royalistische democratie gemaakt die er bestaat, zonder daarbij de democratie ook maar iets te kort te doen. De lamme en de blinde tezamen in Nederland zorgen dat Nederland voldoende realistische politiek kan blijven voeren om in de wereld mee te tellen. Want er is altijd wel een lamme en er is altijd wel een blinde. Er zijn vorsten geweest die blind waren voor innerlijke waarde en innerlijke schoonheid. Toch deden zij aan een Michelangelo, aan een Rafaël opdrachten verschaffen, niet om de schoonheid die zij misschien niet konden zien, maar om de behoefte aan steun en aan leiding. Wij weten dat heel vaak de kunstenaar of de hofnar die in de kunst stond, beslissen kon, of een werk begonnen, of nooit voleindigd zou worden. Het is allemaal zo gemakkelijk om even je schouders op te halen en te zeggen: “Daar leidt de lamme de blinde”. Laten wij niet vergeten dat die lamme en die blinde op kunnen schieten, omdat zij elkaar helpen. Terwijl mensen die volkomen goede ogen en benen hebben, maar niet uitkijken, in tegenstelling tot het spreekwoord: “wel in 7 sloten tegelijk lopen”.

Kort geleden was er een jonge man die op de fiets reed, terwijl het achterlicht niet in orde was. De jonge man werd daarop attent gemaakt door iemand die in rijksdienst was. De jongeman verklaarde dat de rijksveldwachter veel te pietepeuterig was. De rijksveldwachter meende dat dit niet behoorde tot de bevoegdheid van de knaap, een dergelijke beoordeling achtte hij beledigend, waarop de jongen de belediging ondersteunde met enkele vuistslagen die met een halve Nelson en nog wat worstelgebaren van de kant van de veldwachters beantwoord werden. De jongeman kwam met gezonde benen en met gezonde ogen in een cachotje terecht en ook al is de veroordeling uiteindelijk ƒ 40 en voorwaardelijk 14 dagen, dan moeten wij nog zeggen: hier was iemand die alles kon weten en die er precies een verkeerd gebruik van heeft gemaakt. Dat vind je overal. Het gaat er niet om dat u volledig sterk en lichamelijk gezond bent, met een hoog geestelijk weten tegelijk, het gaat erom, dat u van de capaciteit die u gegeven is, zo goed mogelijk gebruik maakt, dat u met anderen samen werkt om uw eigen tekorten op die manier aan te vullen.

In deze zin kun je eigenlijk de hele geschiedenis der spreekwoorden wel nagaan. Sommige hebben een religieuze achtergrond, andere blijken eigenlijk dooddoeners te zijn. Zo zal men u ook wel eens verteld hebben dat u oud en wijs genoeg bent, ofschoon ik niet weet waarom oud en wijs hier als normaal elkaar aanvullend worden gebruikt. Ik heb heel vaak gezien dat de dwaasheid eerder met de ouderdom komt, omdat men gevangen raakt in een zodanige kring van conventionele begrippen, dat men niet meer in staat is een ding te bedenken, wat men nu werkelijk eens uit zichzelf heeft. Dus over “oud en wijs genoeg” zou over te redetwisten zijn. Het kan zijn, maar het is lang niet noodzakelijk. Dan zult u heus niet in zeven sloten tegelijk lopen. Als je één lichaam hebt, kan je maar in één sloot tegelijk lopen. Men bedoelt echter dat je aan de verschillende gevaren zult ontkomen. Uit het voorbeeld hebt u gezien hoe men “van kwaad tot erger” komt. Wanneer men een goede opinie van zichzelf heeft, loopt men makkelijk in die zeven sloten, al is het ook niet tegelijk, omdat het “ene woord het andere haalt”. En heel vaak de eerste dwaasheid bevestigd wordt door de volgende dwaasheden, omdat men eigen ongelijk niet, of zo moeilijk, kan erkennen.

Het is precies zo als de opmerking: “Nu, die is lelijk verkouden”. Dan bedoelt men helemaal niet de verkoudheid als zodanig, maar alleen dat hij “lelijk zijn trekken thuis heeft gekregen”. Toch noemt men juist iemand lelijk verkouden, wanneer men precies weet wat hem mankeert. Mag ik opmerken dat niemand weet wat een verkoudheid is en dat niemand het ooit geweten heeft?  Zo spreekt men over “een lelijke bloedzuiger”. Die zienswijze stamt juist uit de tijd dat de meeste doktoren hun inkomen kregen uit “het koppen zetten”, het zetten van bloedzuigers, om zo de bloedcongesties te verminderen. Je zou moeten zeggen: “lelijke doktoren” en niet lelijke bloedzuigers. Die dingen deden alleen wat hun natuur was. De dokter meende over het algemeen dat hij met veel water, veel lavement en veel aftappen van bloed zijn patiënt kon helpen. Wat hij ook deed, maar dan in de richting van een mooi kruisje, een steentje, of zelfs een monumentje.

Spreekwoorden zijn aardige dingen, maar zij geven ons een generalisatie die zonder zin is. Een generalisatie die alleen dan zin krijgen kan, wanneer een spreekwoord telkenmale anders wordt geïnterpreteerd. Anders zou zeer zeker het gebruik van spreekwoorden “het paard achter de wagen spannen” betekenen. Men kan natuurlijk ook opmerken dat “de waarheid achteraan hinkt” en dat degenen die “de haver werkelijk verdienen, ze nooit krijgen”. Laten wij eens gaan kijken, wat de achtergrond van het menselijk leven is. Dan kunnen wij misschien ook zegswijzen vinden, die evenmin generaal gebruikt kunnen worden als de andere en die klaarblijkelijk kolder zijn voor de doorsneemens, desondanks volledig waar.

“Geschapen uit God, levend uit en in God, is de mens een wezen dat in zijn eigen ervaren afhankelijk is van de mate van harmonie, die bereikt wordt.” Ik zeg niet harmonie met God. Ik zeg alleen: harmonie. Elke overeenstemming die bereikt wordt met de omgeving, vergroot het geluk. Elke strijd tegen de omgeving, of God, Goddelijke wil, schept ongeluk. Hieruit zou dus de eerste conclusie worden getrokken, dat het degene die het meest denkt aan het zijnde en het minst aan zich, het meest voor zich doet. Hoe minder u aan uzelf denkt, hoe meer u probeert anderen vreugde te geven, hoe meer u probeert in harmonie te zijn met uw omgeving, hoe meer u probeert de Goddelijke Waarde die in u leeft, sterker uit te drukken, hoe beter het u gaat. Laat u niet misleiden. U hoort zo vaak: “Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt ze wel.” Waarmee je dus zou kunnen zeggen dat de waarheid een soort verkeersagent is, die alle ongelukken op zijn motor trotseert om een automobilist, die iets harder rijdt dan toegelaten is, tot stilstand te brengen.

Waarheid is datgene wat in ons leeft en wat in ons een bevestiging kan vinden. Voor ons kan alleen datgene waar zijn, wat ons dichter brengt bij het Goddelijke, al het andere is onwaar en leugen. Veel van wat “waar” genoemd wordt, is in feite begoocheling. Het feit dat de begoocheling nu al zolang bestaat als de mensheid en nog niet één van haar sluiers heeft afgeworpen voor het geheel van het menselijk ras, bewijst wel, dat het de waarheid wel zeer moeilijk valt de leugen te achterhalen. Wanneer wij kijken naar de conventionaliteit, waarin de maatschappij gevangen raakt, wanneer wij zien hoe opvattingen van anderen langzaam maar zeker de innerlijke waarden kunnen verdringen, dan is de leugen zo snel, dat als de waarheid haar al moet achterhalen, dit hoogstens gebeurt op de dag van het Laatste Oordeel.  De waarheid is niet iets dat de leugen achterhaalt. Laat ons eerder zeggen, dat de waarheid het licht is, waarin de leugen erkend wordt. Dat het licht van de waarheid het innerlijk Licht is, dat ons alweer brengt tot de juiste instelling t.o.v. de medemens en van Goddelijke waarden.

“Wanneer je over de duivel praat, dan rammelen zijn ketenen”. Wanneer je praat over hetgeen je niet moet doen, dan ben je je zo bewust van het plezier dat je zou hebben, wanneer je het wel zou doen, dat je er niet toe komt om je mooie voornemens te volbrengen. Elke negativistisch denken en streven leidt tot negatieve handelingen en daden. Positiviteit is noodzakelijk, omdat alleen de mens die geestelijk en stoffelijk positief is, steeds Goddelijke kracht uit de ruimte tot zich trekt, in deze kracht zijn eigen kracht versterkt en verzekerd vindt en daardoor onaantastbaarheid voor de wereld kan bereiken. Op het ogenblik dat ik “ja” zeg tegen het leven en de consequenties aanvaard, kom ik dichter bij God. Op het ogenblik dat ik aarzel om “ja” te zeggen, doe ik de duivel in mijzelf ontwaken. Het is nu net zo’n soort aanbeveling om maar “ja” te roepen tegen alle dingen, maar zo is het ook weer niet. U kunt werkelijk en van harte “ja” zeggen tegen dingen die vreugde geven, want u zult geen gevolgen willen en kunnen aanvaarden van iets wat uw innerlijk helemaal overhoop gooit, wat u dicht bij de waanzin brengt. De mens die dat doet, bewust en willens in “positieve” zin, bevindt zich op het pad van de demonische ontwikkeling. Hij streeft niet naar Licht, maar naar duister. De mens die zoekt naar geluk, vrede en naar harmonie, zal altijd weer vragen, dat zijn daden als consequentie hebben een verdere bewustwording, een vergroting van vrede, een grotere intensiteit van leven. In die zin moet u bovenstaande spreuk begrijpen.

“Vader is het hoofd van het gezin, maar moeder is het nekkie”. Als de nek niet wil, kan het hoofd niet draaien. Dat zou misschien op de concepten van de oude maatschappij kunnen slaan. Maar is het in feite niet zo dat op het ogenblik dat wij een onderscheid maken tussen hoofd en nek, wij gaan spreken over delen. Wij hebben het niet over delen, wij moeten het hebben over het geheel. Zolang als men in het gezin de romp buiten beschouwing laat, heeft het geen zin over nek en over hoofd te spreken, want als er geen romp is, zou ik het nekkie willen zien, dat tegen het hoofd zegt: “Je moet niet draaien”. Of het hoofd dat op het idee komt, dat het in zijn eentje wél kan draaien. Hier heeft de volkszegswijze wederom een vast bestanddeel van ’t leven buiten beschouwing gelaten. Het gaat er niet om, wie beslist wat gebeurt. Het gaat er zelfs niet om of moeder de vrouw nu pa instrueert en pa zegt wat ma goed vindt, of omgekeerd. Het gaat erom, dat mensen alleen een werkelijk gezin kunnen vormen, wanneer zij elkaar aanvullen en volledig in elkaar opgaan.

Dit opgaan is vreemd genoeg niet: “Nu zijn wij voor eeuwig en altijd aan elkaar gebonden”. Het is juist: ik voor mij erken dat dit mijn vervulling is en ik laat die vervulling verder vrij. Die wederkerigheid brengt dan de grote oplossing. In de juiste verhouding is – vreemd genoeg – God te vinden. God spreekt niet over hoofden en over nekjes. God spreekt zelfs niet – wat de mens zo graag doet – over tweelingzielen. God spreekt alleen over volmaaktheid, over harmonie, over evenwicht. Dat is een wet die Hij in de schepping legt en die Hij in duizend verschillende termen ons kenbaar maakt. Die maakt Hij ons zowel kenbaar in de onmetelijke verten der sterrennevels, als in de innerlijke wereld van onze gedachten, de kleine wereld rond ons.

God spreekt over harmonie en iets anders niet. Als deze wereld van u zo belangrijk zou zijn, als de zegswijzen u doen vermoeden, dan zouden wij beter hier kunnen gaan zitten om onmiddellijk met een zitting van wederzijds zelfbeklag te constateren, dat wij maar weinig kans hebben om ergens goed terecht te komen. Wie in één leven alles moet doen, bereikt niets. Maar als je door verschillende levens gaat, dan is het mogelijk dat je in verschillende seksen waarneemt, dat je in verschillende soorten van werelden leeft, dat je langzaam maar zeker groeit, steeds nieuwe aspecten van je eigen wezen kennende en zo bereikende het nieuw bewustzijn. Wat hebben wij aan al die spreekwoorden wanneer zij alleen maar een poging zijn om iets te definiëren dat ondefinieerbaar is, namelijk de levensgang van het stoffelijk leven. Zo’n klein fragment betekent, dat elke beoordeling van het leven en het levende aan de hand van dit ene fragment, steeds een misvatting is.

Het enige dat waar is in het menselijk leven en het leven van de geest, is God. Het typische is, dat je God niet in een spreekwoord kan vangen, dat je de waarheid die in je leeft, niet uit kunt drukken door een gemeenplaats. Daarom zou ik zeggen: gebruik zo weinig mogelijk zegswijzen en spreekwoorden, indien u duidelijk wilt zijn. Om duidelijk te zijn, zul je moeten trachten, dat, wat in je leeft, aan anderen kenbaar te maken. Er zijn woorden genoeg voor te vinden.  Wie werkelijk uit zich spreekt, ook uit de kracht die in hem woont en zo beschikking zal hebben over het totaal geheugen, niet alleen van de mensheid, maar van alle sferen, hij zal uit kunnen drukken met een perfectie wat in hem leeft. Maar dan moet het ook gaan om het innerlijke en niet om de rest. Maar het feit dat wij erkennen, dat juist de gemeenplaats verwarrend en belemmerend kan zijn in het ware contact met andere mensen, is op zichzelf al een constatering die ons ertoe brengt onszelf steeds meer te beperken in het misbruik van gezegden en gemeen- plaatsen en daarvoor in de plaats ongetwijfeld stelt een grotere innerlijke harmonie, die kan worden uitgedrukt in de wereld op een voor die wereld op een aanvaardbare en begrijpelijke wijze.

  • Er is één gezegde dat volkomen waar is: “Er kan maar één grote mast op een schip zijn.

Ja, dat is natuurlijk volkomen waar, daarom heeft men viermasters gebouwd een tijdlang met masten die onderling praktisch geen verschil vertoonden. Om te weten naar welke mast je moest, moest je elke mast een andere naam geven. In dit spreekwoord wordt oorspronkelijk uitgedrukt, dat de benoeming, de definitie, noodzakelijk is om een menselijke samenwerking mogelijk te maken. Wat hebben zij er van gemaakt? Dat er maar één man de baas kan zijn. U weet natuurlijk, dat dit systeem inderdaad het enige is, dat wij kunnen gebruiken: Prochaj Chroesjtsjov, Viva il Duce, Heil Hitler. Er kan toch maar één mast op een schip zijn? Eén grote mast, op het schip van Staat. Zo kunnen wij ook zeggen, dat er maar één kapitein op een schip kan zijn. Maar een kapitein op een boot is helemaal, wat functie betreft en zijn werk, afhankelijk van het soort boot waar hij op vaart. Heeft hij een grote luxury liner, dan is het meer zijn taak om charmante gastheer te zijn en verantwoording te dragen, dan wat anders. Zit hij op een coaster, dan heeft hij een grote verantwoording en gelijktijdig veel zwaarder werk. Grote masten en grote masten verschillen, in de scheepvaart en op het land.

Ik geloof, dat dit gezegde beter kan worden uitgedrukt. “Alleen hij die verantwoordelijkheid wenst te dragen, heeft recht op aanzien en kan tot innerlijke en uiterlijke blootheid komen”. Laten wij niet vergeten dat er soms heel veel masten zijn op het schip die allemaal denken dat zij de grootste zijn. Laten wij meteen constateren dat men vaak door de masten het schip niet meer ziet. Zoals in Frankrijk, waar men door de politiek de staat niet meer ziet. Laten wij het ook geestelijk interpreteren: Er kan maar één grote mast op een schip zijn, wanneer er inderdaad een schip is, dat die mast kan dragen. Wanneer de mast grootheid moet bepalen en de mast beslissend moet zijn, dan zou het schip voor de mast en niet de mast voor het schip gebouwd moeten zijn. Geestelijk gezien kan er geen meer- of minderwaardigheid in de werkelijke zin des woords bestaan, geen groter en geen kleiner. Er zijn hoogstens verschillen van intensiteit, waardoor de een meer de waarheid kan uiten die in hem leeft, dan de ander. Maar in allen leeft dezelfde waarheid en dezelfde kracht. Er is nooit een gezag. De gedachte dat er gezag moet zijn, is een erkennen van het onvermogen van de mens om zichzelf te regeren; en toch zal eerst de mens, die geestelijk en stoffelijk voldoende gezag over zich zal winnen en zichzelf in de juiste richting dwingen, zoals hij deze ziet, een werkelijk mens genoemd mogen worden. Voor de geest geldt hetzelfde: de geest die in staat is zichzelf te regeren en eigen doel te overzien en na te streven, bereikt de Lichte sferen van waarheid. Wie zich alleen door anderen laat leiden, komt in een schijnhemel terecht, in een schijnwereld waaruit hij uiteindelijk toch wordt uitgeworpen, waarna hij dezelfde gang moet volbrengen. Al geef ik toe, dat men met recht kan zeggen, dat er maar één grote mast op een schip kan zijn, geloof ik toch niet dat wij dit beeld mogen gebruiken om menselijke verhoudingen aan te geven en zelfs niet om de noodzaak van zonder meer van waardigheden te verdedigen, die, al is zij op het ogenblik in de menselijke maatschappij veel voorkomend, zeker niet de enige weg betekent voor de mens tot werkelijke beschaving, bewustwording en geestelijke winst.

  • Sommige spreekwoorden zijn bespiegelingen, anderen zijn op feiten gebouwd, zoals bv. “hoge bomen vangen veel wind”.

Dat is natuurlijk waar, wanneer er wind is. Dit spreekwoord betekent in feite niets anders dan: wat hoog is, zal de lasten daarvan dragen. De mens die geestelijk bewust is, zal de lasten van dit bewustzijn dragen door een vergrote mogelijkheid tot schuldigheid en schuldgevoel. De mens die werkelijk vrij is, zal juist in die vrijheid een groter gevaar beleven, waar hij uit zijn eigen vrijheid, de vrijheid van anderen tracht te beperken. De mens die in zich geestelijk licht kent en geestelijke kracht, zal juist daardoor vaak vergeten, dat het voor anderen niet zo vanzelfsprekend is, of zo eenvoudig, en aan anderen duisternis i.p.v. licht brengen. Wanneer wij het op deze manier interpreteren, dan kunnen wij zeggen dat een feitelijke vaststelling, oorspronkelijk toegepast op de hoge heren, in feite eerder kan worden toegepast op de innerlijke waarden, waar – zoals de wet van evenwicht ook zegt – elke grotere erkenning van het goede inhoudt de grotere potentie tot kwaad. Zo zal het erkennen van een groter kwaad inhouden de potentie tot een groter goed, zodat de relatie van eigen groei tot belasting die t.o.v. het Ik optreedt, een voortdurend evenwichtige en gelijkblijvende zal zijn.

  • Ik heb u horen zeggen dat de leugen pas achterhaald zal worden op de dag van het Laatste Oordeel. M. i. is dat Laatste Oordeel ook zo’n gemeenplaats, waarmee wij  voorzichtig moeten zijn.

Ik heb hiermede niets anders bedoeld dan gebruik te maken van de definitie die men geeft bij mensen voor “einde der tijden”. Ik wilde tot uitdrukking brengen dat de leugen – begoocheling – eerst dan ophoudt, wanneer alles in het Al, bewust en harmonisch deel is van het Goddelijke en daarin haar eigen plaats inneemt en volbrengend in volledig bewustzijn van het geheel datgene, dat het Goddelijke als taak erin heeft gelegd. Maar dat was op dat moment iets te esoterisch.

Nog een ding over dat Laatste Oordeel. Wat zou het Laatste Oordeel kunnen zijn in werkelijkheid? Alleen de definitie van ons verder leven met uitschakeling van een fase die wij overwonnen hebben. Op het ogenblik dat de mens zover is gekomen in zijn geestelijk bewustzijn, dat hij niet meer in de stof hoeft terug te keren, is dit het Laatste Oordeel, zover het de wereld betreft. Het betekent niet, dat hij met alle geweld positief moet zijn, want ook degenen die de weg der demonen gaan, kunnen zich aan de stof ontworstelen, daarbij gaande op hun eigen pad. Slechts indien zij tot het goede terug zouden willen keren, zullen zij het evenwicht moeten herstellen door in een stoffelijke gedaante tegenwicht te scheppen tegen hun oorspronkelijke handelingen.

Evenwicht is buitengewoon belangrijk. Het Laatste Oordeel is eigenlijk niets anders dan het wegvallen van de sluiers van de waan. Vandaar dat men van het Laatste Oordeel zegt: “Zo zal de Zoon des Mensen komen, gezeten op een wolk, ter rechterhand des Vaders, er zullen tekenen aan de hemel zijn voor die tijd, dan zal Hij spreken: een oordeel over de levenden en de doden.” Zouden wij niet moeten zeggen: over de stof en geest? Dood is stof. Volgens onze opvatting. Leven is de geest. Als God Zich zo openbaart, wat is er dan eigenlijk gebeurd? Dan is de sluier weggevallen van begoocheling en waan, is de paradijstoestand hersteld, maar nu met een weten omtrent de Schepping. Zo is het Laatste Oordeel altijd: het verdwijnen van de begoocheling en het erkennen van de eeuwige waarheid, waarin alle dingen eeuwig leven, volgens de Goddelijke Wil.

  • Jezus zegt: “Indien gij niet zijt, zoals de kinderen zult gij niet ingaan tot het Koninkrijk der Hemelen.” Elders wordt gezegd: “Het begin is als het einde, slechts ligt daar een leven tussen.” Maar in het einde zijn de vruchten van het bestaan verwerkt…

Het kind is bereid te leren. Het leert met drift. Jonge kinderen hebben een leer- en weetdrift. Aan de andere kant houden zij zich heel weinig aan conventies. Maar als wij zo weer moeten worden? Wat betekent dat eigenlijk? Dat wij terug moeten keren tot het individuele bestaan, waarmee het kind begint. Het betekent, dat de werkelijke voltooiing van het leven nooit kan zijn een standaardisatie. Je moet zelf zijn, zelf tegenover God staan, zelf in het leven ervaren. Je moet je niet door sentimentaliteiten laten leiden, maar je moet innerlijk reageren op de wereld en op al wat je wordt gegeven. Zo keer je terug tot de Goddelijke status, waarbij de beslissende factor voor je gehele leven is: God, zoals Hij in het ik leeft, en nooit de omgeving, of de eisen die zij stelt. Vandaar….

  • Spreken is zilver, maar zwijgen is goud. (Niet als hatelijkheid bedoeld).

Spreken is zilver en dat is kostbaar. Er is maar één ding, dat kostbaarder is dan zilver in de oude mentaliteit en dat is het goud. Wie vroeger een zilveren munt had, was rijk. Alleen een gouden munt was grotere rijkdom. Spreken betekent een rijkdom, het betekent de uitwisseling van ideeën en gedachten. Maar het zilver is als de maan. Zij weerkaatst, maar licht niet zelf. Het licht van de maan is een weerkaatsing van de zon. Het spreken is de weerkaatsing van het innerlijk leven, van de Goddelijke ervaring. De zon zelf kan niet in woorden worden gevat. Het is het directe licht van de Goddelijke kracht in ons en kan worden uitgestraald, kan worden weerkaatst, maar nooit worden gevat in menselijke denkbeelden.

Het spreken op zich kan zeer nuttig zijn, waar het in sommige gevallen niets anders is dan een gepolariseerde weergave van een innerlijke en Goddelijke waarheid. Maar de waarheid zelf, niet besnoeid en beperkt, staat natuurlijk hoger. Er zijn dingen waarvan wij mogen spreken. Er zijn dingen waarvan wij niet kunnen spreken. Op het ogenblik dat ik mijzelf één gevoel met God, heb ik daar geen woorden voor. Al zou ik een ander die weg kunnen wijzen, dan mag ik dat nog niet eens doen, want er zijn mensen die bv. in een steenbakkerij werken, die kans zien een oven binnen te lopen waar de temperatuur inderdaad ruim 100°C. is, zonder schade. Er zijn mensen die in koelkelders werken en dezen wisselen, vaak met betrekkelijk weinig bijzondere kleding, tussen temperaturen van zeggen 20° boven tot 20° onder nul, zonder schade. Maar een leek die in de hitte loopt, wordt daardoor bevangen en stort neer. De mens die onvoorbereid en ongetraind ineens die koelkelders in loopt, heeft evenveel kans dat hij een aardige ervaring meebrengt, zoals een mooie longontsteking.

Zo is het bij ons ook weer – geest en stof. Er zijn dingen die in ons zozeer Goddelijk zijn, dat wij ze niet eens mogen zeggen. Zoals men vroeger in de primitievere vormen van godsdiensten het woord “God” en de naam Gods voortdurend omschreef, omdat dit te heilig is en te machtig; zo is er in ons iets, soms in ons weten, soms in ons ervaren, dat te groot en te machtig is, om in woorden te worden uitgedrukt. Het zou vernietigend kunnen zijn. Ook daardoor staat het zwijgen vaak hoger dan het spreken. Luister niet naar hen die zeggen: hier spreekt een ingewijde. Dat is misschien geen zilver, alleen maar kwikzilver. Maar luister goed wanneer er één  tot u spreekt en hij laat tussen de woorden de ruimte voor een gedachte, een overpeinzing, als het zaad van een gulden wijsheid die je in jezelf kunt sluiten. Tussen de woorden die op de wereld zoveel uitdrukken, ligt soms de Goddelijke waarheid verborgen, maar nooit in de woorden zelf.