Spreken over de Geest

27 april 1958

Ik bedoel  daar niet mee ons bescheiden wezen, maar die grote kracht, die in het heelal toch schijnbaar als bewustzijn en als weten een zeer grote invloed heeft. Wij spreken wel van de H. Geest en weten meestal niet eens wat wij daarmee bedoelen. Maar voor ons leven kan het erg belangrijk zijn, dat we toch een klein beetje thuis raken juist in de werkingen van het grote bewustzijn, dat ons overal omringt.

Wat ik u hier voorleg is niet hoofdzakelijk uit aardse bronnen geput, dat wil ik u er wel meteen bij vertellen. Wijzelf zoeken natuurlijk in onze werelden ook naar de oplossingen van levensraadsels, naar de oplossing van zoveel, dat ons beroert en dat we toch niet begrijpen. Wanneer mijn conclusies en mijn stellingen misschien voor u niet geheel duidelijk zijn, ach, dan kan ik dat best begrijpen. En dan zullen we bij de eerste gelegenheid, die zich voordoet, dat onderwerp nog wel aan de hand van vragen verder behandelen. Maar luistert u in ieder geval eens eventjes naar hetgeen wij menen geleerd te hebben omtrent datgene, wat wij dan de H. Geest noemen.

In de eerste plaats moeten wij natuurlijk aannemen, dat God alomtegenwoordig is – dat weten we – en dat God bewust is. Dit impliceert, dat het goddelijk bewustzijn ook overal aanwezig is. En dit bewustzijn moet noodzakelijkerwijze groter zijn dan al hetgeen wij als bewustzijn in verschillende vormen kennen, het moet ook al, wat in elke vorm van bewustzijn aanwezig kan zijn, in Zich bevatten. Nu leven wij in een zeer beperkt deel van het Al. Of we nu geest zijn of stof, onze wereld blijft betrekkelijk klein, blijft betrekkelijk beperkt. En in deze beperking kunnen wij soms uitreiken naar iets van die oneindigheid. Het gebeurt zo wel eens een keer, dat je zit te dromen en dat je ineens een klaar en helder inzicht hebt in het hele Al. Het lijkt je, of je elk probleem zo maar zonder meer kunt oplossen, tot het ogenblik dat je weer bewust gaat nadenken; en dan blijkt het ineens, dat het allemaal naar een droom is, een waan. Verschillenden onder ons, die deze toestanden meermalen hebben doorgemaakt, hebben voor zichzelf gezocht naar de bron ervan, naar de oorsprong. En zij kwamen tot de conclusie, dat mens en geest een enkele keer met dit grote bewustzijn in voldoende harmonie kunnen zijn. Wat wij kunnen ervaren, wat wij kunnen overzien is op dat ogenblik praktisch al het heelal. Er is geen enkel puntje, dat wij niet kunnen begrijpen, wanneer ons bewustzijn maar in staat is zich er een beeld van te vormen. Gelijktijdig echter strekt die bewustwording zich uit over een veel groter gebied, dan wijzelf kunnen bevatten.

Om nu een heel eenvoudig voorbeeld te geven; Wanneer wij nadenken over de herrezen Jezus, zijn leven op aarde gedurende die bekende periode, die tot hemelvaart duurt, dan zijn we zo geneigd om te zeggen; “Nu ja, goed, hij leefde.” En we begrijpen niet, welke consequenties daaraan verbonden zijn. Komen wij echter in zo’n toestand van tijdelijk in harmonie zijn, dan lijkt het ons plotseling, of we die Jezus overal zien, of hij a.h.w. meespreekt in het denken van de sterren en de werelden evengoed als in de gedachten van de kleine mensen. Wij weten niet goed, hoe dat komt, of hoe we dat moeten vertalen. Want Jezus was toen op aarde tegenwoordig en toch was hij klaarblijkelijk in elke sfeer kenbaar. In zo’n droom, zo’n toestand van een ogenblik niet redelijk zijn, is het heel natuurlijk, dat die Jezus overal tegelijk is. Op het ogenblik echter, dat je erover nadenkt, vraag je je af: “Ja, maar hoe kan het?” En dan kom je hoogstens tot een geloofspunt, dat dan meestal de zaak nog weer verkeerd omschrijft.

De onderzoekers, die zich daarmee hebben beziggehouden in onze werelden – en dat zijn heel vaak wat wij noemen “de grote jongens,” de luitjes, die vergevorderd zijn – die komen nu met de volgende verklaring: Het bewustzijn van het Goddelijke is overal rond ons. Wanneer een bepaald deel van het bewustzijn harmonie met dit grote geheel bereikt, dan is overal in dit bewustzijn dit geheel uitgedrukt ook in dit ene deel. (Een beetje onduidelijke zin. Ik weet het. Goed. Misschien kan ik het anders zeggen,) Laten we zeggen, dat wij nu eens zelf een keer zo’n toestand zouden bereiken, dan zijn wij ons van alle dingen bewust. Maar omdat wij alle dingen kunnen erkennen, omdat we ervan weten, erin doordringen, zijn alle dingen op zichzelf ook in staat ons te erkennen. Want wij zijn maar een klein deel van dat heelal, een klein deel van dit grote kosmische vermogen. En omdat wij zo klein zijn en dan toch nog een zekere vorm, een zekere begrenzing kennen, zijn wij voor al datgene, wat aan ons gelijk komt of groter is, volledig duidelijk zichtbaar, kenbaar, beleefbaar. Het wordt niet meer uitgedrukt in onze persoonlijkheid, maar als een aspect van het Goddelijke.

De mensen gaan zich nu op het ogenblik al weer bezig houden met hemelvaart en met Pinksteren.  In feite zouden de mensen dit niet alleen moeten doen van uit een standpunt van feesten of van een religieus vieren, maar eerder van uit een poging om het bewustzijn te ondergaan. Wanneer wij nu werkelijk eens een heel grote behoefte hebben aan steun en aan licht, dan kunnen we dat krijgen, wanneer we onszelf een ogenblik kunnen vergeten. Klaarblijkelijk is zelfvergetelheid (dus vergeten van je eigen begrenzing) een eerste noodzaak. Maar dan kun je in dat grote bewustzijn aanvoelen. En dat aanvoelen kan zover in je tot werkelijkheid worden, dat daarin tijdelijk een oplossing wordt gegeven van de problemen, die je dan later weer niet helemaal begrijpt, maar waarvan je dan toch innerlijk de zekerheid hebt gekregen, dat ze op te lessen zijn. Ja, dat ze als probleem eigenlijk niet bestaan, hoogstens als een levensvoorwaarde binnen het Al.

De wijsgeren onder de mensen hebben natuurlijk ook naar dat probleem gezocht. Ze hebben de oplossing willen vinden en zijn er meestal niet in geslaagd. Ze hebben voor zichzelf stellingen opgebouwd van een persoonlijkheid, die neerdaalt. Nu vraag ik u: Hoe kan God neerdalen? Of hoe kan een deel van God tot ons neerdalen? God is altijd rond ons aanwezig. God is in ons. Er kan geen sprake zijn van een uitzonderingstoestand, waarbij God tot de mens wil spreken in de vorm van de Geest. Er moet eerder sprake zijn van een toestand, waarin de mens voor een kort ogenblik in beroering, in contact komt met die Geest.

Dan wordt er heel vaak naar voren gebracht, dat die Geest dan toch wel bijzondere kwaliteiten geeft. Want – zo zegt men – een ieder spreekt in vele talen, wanneer dat nodig is. Natuurlijk, een verschijnsel; dat kunnen wij uit de geest soms ook veroorzaken. Dus iemand kan spreken in talen, die hij niet kent. Maar er is dan toch bij ons wel heel wat werk, ik zou haast zeggen “menige zweetdruppel” voor: nodig. Bij die Geest is dat klaarblijkelijk niet het geval, wanneer je de mensen mag geloven. Maar als wij het verschil gaan zien, dan blijkt het toch wel heel erg groot te zijn. Want die Geest is in zijn uitdrukking, in zijn wezen, in zijn weten universeel. Waar God spreekt of een goddelijk bewustzijn tot uiting komt, vindt het weerklank in alle dingen. Die weerklank is erg belangrijk. Want waar een weerklank is, is een verstaan mogelijk. Anders gezegd: Wanneer de Geest over ons vaardig is, dan hoeven we niet in een vreemde taal te spreken, dan wordt door iedereen en alles eenvoudig begrepen, wat wij zeggen, wat wij willen aanduiden. Of het nu een dier is, een plant, een steen, een mens of een engel, iedereen voelt dit aan. We hebben geen aparte taal nodig.

Dat is voor ons misschien erg prettig. Want we hebben wel eens het idee, dat we niet kunnen doordringen in sommige geheimen of raadselen. Er worden vaak heel veel woorden vuil gemaakt over dingen, die dan ten slotte vaak toch nog maar vaag en onbegrijpelijk blijven. Neem nu bv. onze eigen lezing. Wanneer wij proberen om een uitdrukking te geven aan kosmische waarden, dan – excuseert u het woord – lijkt het soms wel eens wat op “gezwam in de ruimte,” omdat de woorden eenvoudig niet het concept kunnen weergeven, dat er achter ligt. Wat een groot voordeel zou het zijn, wanneer we alleen een concept zouden kunnen mededelen en het woord terzijde stellen; wanneer we alles, wat onredelijk is, kunnen sublimeren tot het kosmische en datgene, wat de rede is, kunnen maken tot een instrument, waarmee we notities maken omtrent de oneindigheid maar nooit het geheel kunnen omschrijven. Dat gaat helaas niet.

Ik zeg “helaas”, want als wij zouden kunnen doordringen in die Geest, die H. Geest, wanneer we Die werkelijk tot ons eigen zouden kunnen maken, ach, wat zou er dan nog voor een probleem overblijven? Vergeet niet, deze Geest is in feite het goddelijk of het kosmisch bewustzijn, dat al omvat, dat alle krachten beheerst, dat alle wezen creëert. Als je daar eenmaal één mee bent, dan kun je herscheppen, zoals je wilt. Dan is er niets meer, waarvoor je aarzelt of stilstaat. Zo goed als ons bewustzijn in staat is tegen een hand te zeggen; “Grijp, pak dat vast,” zo kan dit kosmisch bewustzijn zeggen; “Hier moet een ster zijn.” Dan is er een, dan kun je nog zeggen, hoe groot zij is, wat voor kleur licht zij uitstraalt, enz., als je dit wilt en het je interesseert.

Kijk eens, datzelfde kunnen wij toch wel in beperkte mate doen. En dat is eigenlijk het punt, waarover ik vandaag wil spreken. Ja, ik had een lange aanloop nodig, maar dat moet u me dan maar vergeven.

In ons eigen “ik” hebben we de beschikking over veel meer krachten, dan we normalerwijze gebruiken. Wij spreken dan over die goddelijke vonk. We noemen het inspiratie, geestelijke kracht en wat dies meer zij. Maar wij hebben evengoed als al het geschapene deel aan het goddelijk bewustzijn. En wanneer we nu maar onze gedachten en krachten een kunnen doen worden met dat goddelijk bewustzijn – al is het maar voor een kort ogenblik – dan kunnen wij scheppen, kunnen wij creëren. Dan zijn wij voor een ogenblik .a.h.w. deel van de goddelijke wetmatigheid, die het heelal schept en in stand houdt. Om dit te kunnen beleven moeten we dan in onze sfeer althans a.h.w. inslapen. Dat wil zeggen, dat je je eigen wereld voor een ogenblik vergeet en dat je, zelfs wanneer je actief blijft in die wereld je activiteiten maakt tot het brandpunt van een hoger beleven. Je handelt nog wel, maar eerder als een soort automaat, iets dat op afstand wordt bediend en bestuurd. Je kunt nog afdalen tot een lagere sfeer en daar lering geven, maar je bent het niet meer zelf. Je staat er zo ver van af. En gelijktijdig realiseer je je, hoe alles, wat er gebeurt, toch weer een uiting is van dat grote bewustzijn. Je ziet jezelf als deel ervan. En op die manier word je dan voor een ogenblik als een soort lichtflits deelachtig aan die kracht.

Dat gaat langzaam. Voor ons is dat niet – zoals dat voor  misschien wel eens het geval is – een plotseling overvallen worden door een lichtend geweld, een voortgestuwd worden zonder te weten waarheen, maar eerder zo iets als een zonsopgang. Het licht dat komt, dat steeds intenser wordt en waarin eerst vage kleuren zijn, tot ook deze wegtrekken. En dan kijk je eigenlijk in een soort ledig. Een ruimte, die geen ruimte meer is.

Ik hoop, dat u kunt begrijpen, wat ik ermee wil zeggen. Iets waar je geen grens aan kunt zien, waar je de kwaliteit en het wezen niet van kunt bepalen. En in dat Licht, in deze Kracht, daar spelen dan je eigen gedachten. Ze verdwijnen in die oneindigheid en ze keren weer terug. Maar ze zijn dan veranderd. Als het niet een erg oneerbiedig voorbeeld is: Ze lijken op een klein jongetje, dat buiten heeft. gespeeld tijdens regenweer. Zoals hij binnenkomt is hij de gedachte, zoals u haar uitzendt. Als ze dan terugkomt, dan is dat hetzelfde ventje, maar nadat hij grondig door moeder is geschrobd en blinkt van helderheid en zuiverheid. Dan zie je ineens alle details, die eerst onder de modder en het vuil begraven waren. Je zou dus kunnen zeggen; die Geest is dan voor ons een sublimatie van ons eigen denken. Een wegvallen van de bijkomstigheden en een reinheid, die je normalerwijze niet bezit. En dan blijkt, dat al ons denken eigenlijk toch wel kosmisch is. Alleen we weten het zelf niet. Er zit te veel aan vast. We hebben het te veel omhuld. Ja, ik wil niet zeggen; “het is te vuil,” maar er zitten te Veel dingen aan, die er niet bij horen. Modder op zichzelf kan heel goed zijn. Het jongetje op zichzelf is ook heel aardig. Maar als die twee samenkomen, dan is het product een misvorming van allebei. De modder wordt tot vuil en het engeltje van een jongetje wordt tot een onplezierig iets, dat je kleden vuil maakt. En dat moet je dan toch maar gauw schoonmaken, want anders gaat je hele huishouden eraan.

Ik weet niet of u het kunt begrijpen, maar zo gaat het met gedachten ook. Een gedachte kan soms zozeer omvangen zijn met allerhande bijkomstigheden, die op zichzelf goed kunnen zijn maar die met die gedachte niet harmoniëren, dat daardoor het hele beeld vertroebelt. In dat Licht wordt die vertroebeling ongedaan gemaakt. Je ziet niet het denken van God, maar je ziet je eigen denken, zoals het binnen het Goddelijke kan bestaan. En dan lossen de problemen zich vanzelf op.

Nu heeft men op aarde daar natuurlijk ook over geschreven. En een van de leringen, die het meest van belang zijn, zijn neergeschreven door Johannes. (Het behoort niet tot de Evangeliën. Ze hebben wel opgepast, dat ze dergelijke leringen daar niet in opnamen.) Die Johannes schreef neer, als een soort weerslag van wat hij met Jezus ervaren had: “De Vader is in ons als een kracht, een licht en een weten. Wanneer wij ons eigen weten en oordeel terzijde kunnen zetten, zal Zijn weten ons beheersen. Wij mogen dan niet vragen, wij mogen ons niet verzetten. Wij moeten Zijn kracht en Zijn weten in ons weten te aanvaarden.” En daar had hij groot gelijk in. Want als ik me goed herinner, heeft Jezus juist tegen deze zelfde Johannes eens dit gezegd: “Broeder, wanneer ik spreek en je denkt over mijn woorden, dan begrijp je ze niet. Maar op het ogenblik, dat je verzonken bent in die woorden en niet denkt, begrijp je ze. Je zou ze niet kunnen herhalen, maar de Vader, Die in ons leeft, geeft ons het bewustzijn.” Het bewustzijn op zichzelf is het belangrijkste. Het gaat er niet om, dat wij de wijsheid van de Oneindige uitspreken, of al Zijn wetten omschrijven in woorden. Het gaat erom, dat wij ze voor ons zelf beleven. En deze beleving is onze kracht, Jezus heeft dat natuurlijk ook nog wel eens anders gezegd, want dit was een gesprek van – je zou kunnen zeggen – twee zeer intieme vrienden onder elkaar, twee broeders werkelijk. Twee mensen, die dag in dag uit met elkaar optrokken, die eenzelfde doel en streven hadden, die elkaar verstonden. En dan kun je het wel eens zo wat minder vormelijk zeggen. Maar hij heeft toch ook geprobeerd om dat aan zijn andere discipelen te leren; en een van de ogenblikken, waarop dat is gebeurd, was wel toen Jezus hen ontmoette aan het strand, nadat zij waren wezen vissen. Dat was dus al na zijn dood. Hij ontmoette hen toen en er werd een heel gesprek gevoerd, waaruit men alleen nog maar heeft overgehouden in de Evangeliën; “Want zo zeg ik u, gij zijt Petrus, de steenrots en op u zal ik mijn kerk bouwen.”

Ho, wacht eens even? wat heeft Jezus eigenlijk tegen die Petrus werkelijk gezegd en tegen de anderen? Hij zegde: “Ziet, zoals ik ben, zo is de Vader in mij. En zoals de Vader in mij is, zo is het weten van de Vader in mij en kan het in u geopenbaard worden. Doch zo gij zegt: Dit is mijn oordeel en mijn wens, zo spreekt de stem van de Vader in u niet, doch zijt gij overgeleverd aan Zijnen waan. En indien gij niet begrijpt, wat leeft in mij en in mijn leer, zo zeg ik u: Gij zijt als de rots.” En daarop is dan die répeté gevolgd, waarbij Petrus voor een steenrots werd uitgemaakt. Dat was niet de vaste basis van een kerk, maar dat was het domme onverstand, dat niet in staat was door te dringen achter de uiterlijke waarden en mogelijkheden van Jezus leer. Hij heeft geprobeerd om hem dat nog meer te laten voelen door te zeggen: “Hier ben ik met u en gij hebt mij gezien. Ik ben gestorven en toch leef ik in de kracht van de Vader en niets kan mij vernietigen. Want ziet, het is de Geest in mij, die leeft.” Hij bedoelde te zeggen: Kijk eens, de mens Jezus, die geleefd heeft, die is eigenlijk teloor gegaan. (U kunt rustig zeggen: voor de aarde is hij uitgeblust.) Maar het bewustzijn van de Schepper, waarmee ik een ben geworden, dat bestaat altijd voort, dat kan niet teloor gaan. Elk moment, elke uitspraak, elke gedachte, elke ervaring ligt erin vast. En daarom leef ik altijd. Daarom kan ik niet sterven,

Die leerlingen hebben dat anders begrepen, natuurlijk. Zoals de mensen heel vaak de bewustwording van de geest, van de kosmos eerder zien als een flits van eigen slimheid of als een dagdroom, die geen zin heeft. Je kunt het hun eigenlijk niet eens kwalijk nemen, want het lijkt soms een jagen op schimmen. Je hebt het begrip, zelfs voor de grondoorzaken van de kosmos in zo’n ogenblik. En je jaagt er achteraan, omdat je het vast wilt leggen, wilt bewaren als iets kostbaars. En je kunt het niet. Dan is het begrijpelijk, dat ook de leerlingen deze gedachtegang opzij hebben gezet en rustig zijn begonnen met het stichten van een christengemeente en wat dies meer zij. Maar zo hun onbegrip dan al in staat is hen weg te drijven van de waarheid, zo hoeft het toch niet bij ons gelijk te.zijn? Wij hoeven toch zo niet te denken? En als we dan eens voor onszelf dit stellen:

De Geest, het kosmisch weten, is rond ons. Wanneer wij die oplossing aanvoelen, is het niet nodig dat zij wordt vastgelegd. Wij hebben geen behoefte aan een rationele uiteenzetting omtrent het begin van de kosmos en het Al, omtrent alles wat erin bevat is. Wat we nodig hebben is een begrip. Een begrip, dat desnoods geloof genoemd mag worden, omdat het veel verder gaat dan alles, wat je je zo indenkt. Dat geloof alleen, dit vreemde begrip, dat zich aan de rede onttrekt, is ons voldoende. Want onze wereld is niet zo klein als we denken: Ons bestaan is niet zo eindig en zo beperkt als het ons soms lijkt. Onze krachten zijn veel groter dan we ons kunnen voorstellen. Alleen… ze kunnen werken volgens deze goddelijke rede, volgens dit, wat in de H. Geest – we zullen het maar weer zo noemen – is vastgelegd. Indien wij dit kunnen aanvaarden, dan bestaan er voor ons geen kwaad en geen goed meer. Dan bestaat er voor ons niets meer, behalve het leven zelf.

Dat leven zelf laat ons volledig vrij. Vrij vooral in geestelijk opzicht. Wanneer wij maar deze kern, dit aanvoelen, aanvaarden als een leidraad, dan zullen wij overal het aangevoelde beleven in elk ding, in elk punt. Dan kunnen wij dit beleven van God evengoed vinden bij een voetbalmatch of in een bioscoop als in een kerk, en dan spreekt de rumoerigheid van de volksmassa even duidelijk tot ons van de oneindigheid als bv. de stilte van de eeuwig ruisende zee. Als we dat nu maar even kunnen begrijpen, dan zullen we ons misschien meer gaan instellen niet op het “gebruiken” van het Licht, dat ons wordt gegeven, maar op het leven ín het Licht, dat ons wordt gegeven. Dan zullen we ons niet meer gaan richten op het voor ons beperken en begrenzen in bewustzijn van hetgeen God ons openbaart, maar in het aanvaarden van dit grote. Want kijk eens, als we dat aanvaarden, kunnen we onze denkbeelden daarin a.h.w. louteren. Deze Geest, dit kosmisch bewustzijn op zichzelf is voor ons niet te vatten, maar wat wij denken, kunnen wij daarin projecteren. En dan wordt het veredeld.

Om maar weer een vergelijking te nemen: Ons eigen denken en reageren is vaak als erts. Het goud zit in de steen verborgen. Het is niet rein, het is niet zuiver, het is niet bruikbaar en niet verwerkbaar. Pas wanneer het door de smeltoven is heengegaan, hebben we te maken met zuiver goud. En dan is het kostbaar. Heel erg kostbaar. Zo gaat het nu met u ook, met uw gedachten. Wat u normalerwijze denkt en doet, dat is erts. Daar zit wel het goud van de bewustwording in, maar men moet het eruit weten te halen. En indien wij a.h.w. in geloof, in innerlijk weten zonder redenering verder, deze goddelijke Kracht begrijpen, dan kunnen we onze gedachten a.h.w. daarin uitzenden. Dan gaan we er niet zelf over napiekeren, maar we gooien die gedachte van ons af in die ruimte, in dat bewustzijn. En dan komt het tot ons terug, gereinigd, zuiver, helder, bruikbaar.

Dan pas kun je met je leven eigenlijk doen, wat noodzakelijk is om een bewust deel van de Oneindigheid te worden. Want dan zijn die gedachten en die concepten plotseling verwerkbaar geworden in kosmische zin. Dan is er geen strijd meer om harmonie, dan is er harmonie. Dan zijn er geen tegenstrijdigheden meer en dan is er geen inzinking en geen zwakheid, dan is er geen leed meer, omdat de zuivere gedachte, zoals ze in de kosmos bestaat, nu in jou is en elke uiting van je leven onmiddellijk daarmee in verband wordt gebracht. Dan vallen de beperkingen van een stoffelijk of een beperkt geestelijk bestaan weg. Begrijpt u, dat is eigenlijk het belangrijke.

Wanneer je nu vandaag of morgen  gaat nadenken dan zou ik zeggen; Let u daar nu eens op. Probeer het u dus niet voor te stellen als een verheerlijking uit deze wereld, maar eerder als een vergroeien met de kosmische zin, met het goddelijk bewustzijn omtrent deze wereld. Dan heb je n.l. veel meer van de waarheid begrepen dan alle anderen, die zich bezighouden met fantastische omschrijvingen. Natuurlijk, wanneer die dagen komen, zullen wij die omschrijvingen ook geven. Dat hoort er nu eenmaal bij. Maar de zin ervan. De zin ervan, dat is wat men noemt de H. Geest, het bewustzijn van God, het weten van God, waarin wij voor al wat in ons leeft een echo kunnen vinden, als wij haar maar accepteren. Een echo, die ons zuiver, duidelijk en kenbaar het goddelijk Wezen in onszelf doet erkennen en daarmee een einde maakt aan alle eindigheid.

Ja, dan ga ik het daar maar eens bij laten. Ik hoop, dat ik u niet verveeld heb. Ik weet het, ik ben niet een van de vlotste sprekers, maar aan de andere kant heb ik u misschien toch iets….nu ja, een ogenblik aan het denken kunnen zetten. Als u dit denken nu doorvoert tot de praktijk, dan zal het ons allemaal heel erg prettig, heel erg goed zijn. Maar ik weet uit ervaring, gemakkelijk is het niet. Dus stel u niet voor, dat u dit als een handleiding kunt nemen en eventjes in het kosmisch bewustzijn kunt onderduiken. We moeten eerst a.h.w. leren om ervan te dromen. Pas als je ervan droomt, kun je het verwerkelijken.

o-o-o-o-o

Wanneer wij zo horen over de H. Geest en al wat erbij is, dan komt nog wel eens de vraag op: Hoe moet je je die dingen voorstellen? En juist met deze voorstelling zou ik me dan vandaag even willen bezighouden. Natuurlijk moet ik daarvoor de dingen een klein beetje dramatiseren. Maar dat is niet erg, wanneer u mij toestaat dat in een meer verhalende vorm te doen, zodat ik beschrijving en verhaal een ogenblik met elkaar kan laten afwisselen.

Wanneer wij willen uittrekken in het kosmische weten, dan zijn ze net als Domme Hans. U weet wel, Domme Hans, die na zeven jaren werken een grote, prachtige koe had gekregen en die inruilde voor een paard, omdat hij daarop kon rijden. Toen ruilde hij het paard voor een schaap, omdat dat zoveel kleiner was en ten slotte eindigde hij met een steen, die hij gekregen had in ruil voor een stukje boter, nadat hij ook weer twintig keer iets had geruild voor wat anders. Nu is het eigenaardige ervan, dat we dan menen, dat Domme Hans dom was, want hij werd zo arm. Maar dat is eigenlijk niet waar. Want als we het verhaaltje verder bezien, dan blijkt juist, dat Hans krachtens al deze ruilingen een gelukkig mens is en onverwachte rijkdommen door een schijnbaar toeval weet te verwerven. Wij moeten de moed hebben om het goede, wanneer het nodig is, te ruilen voor iets anders, wat begeerlijker lijkt op dat ogenblik. Wij moeten niet letten op de reële waarde van geestelijke en stoffelijke dingen, maar we moeten proberen om het geluk erin te vinden. U zult zeggen; Wat heeft geluk nu te maken met kosmisch weten? Wel, ik zal trachten het u te beschrijven.

Stel u voor een heel grote watervlakte, een soort zee. Nu komt er een ogenblik, dat die zee erg aan het golven is, erg stormachtig is. En dat is voor een schip, dat zich erdoorheen moet worstelen, erg moeilijk. Wat doet het nu? Het brengt een olievat aan op de boeg, er wordt met een priem een gat in gestoken, de olie loopt voor de boeg uit, en het schip wordt niet meer gekweld door die grote overslaande golven. Het kan rustiger zijn weg vervolgen en zelfs in de omgeving gemakkelijker opereren, bv. bij een redding.

Het geluk, dat de mens kent – en dat is natuurlijk niet het meevallertje van buitenaf maar het innerlijke gevoel, dat je het leven ineens het leven waard maakt – is voor ons eigenlijk zoiets als olie op de levenszee. Normalerwijze zijn we veel te veel aan het worstelen met ons bestaan. We proberen het aan alle kanten te forceren en wat dat betreft heeft menig schip in de storm het gemakkelijker dan een mens of een geest, die probeert om zijn eigen richting nu maar eens te midden van dit schijnbaar wat chaotische bestaan te vervolgen. Op het ogenblik, dat we gelukkig zijn, valt ineens die moeilijkheid weg. Het is het verschil tussen een orkaan (voor het normale leven) en de gladde zee, waarin je voor je plezier voortglijdt. De voorstelling, die je je dan ook moet maken van deze Geest en dit doordringen in de Geest, moet niet in de eerste plaats zijn, dat je het Al kent, maar eerder dat het Al voor jou bereikbaar wordt. Misschien helpt een aardige vergelijking.

Er was eens – het is al een heel lange tijd geleden natuurlijk – een heel groot tovenaar. Zoals tovenaars plachten te de en in de oudheid, droeg hij een mantel met vreemde kabbalistische tekens beschilderd, een puntmuts en een lange witte baard. En deze tovenaar word eens zeer woedend, omdat een kleine jongen het gewaagd had midden door één van zijn magische diagrammen heen te lopen. Hij besloot dus die kleine jongen in een kikker te veranderen. Ik weet niet waarom die oude tovenaars zoveel voorkeur voor kikkers vertoonden, maar waarschijnlijk vonden ze dan een kikker gruwelijk genoeg en springerig genoeg om een beeld te zijn van een mens, zoals die zich aan hun ogen voordeed. Hij begon dus een bezwering, hij zwaaide zijn toverstok en er gebeurde niets. Hij probeerde het nog eens, het ging weer niet. Toen lokte hij het jongetje mee en ging hem onderzoeken op alle mogelijke manieren. Hij testte zijn kennis, hij keek of hij lichamelijk perfect was, hij vroeg uit wie hij was voortgekomen, enz. enz. En toen dacht hij: Nu weet ik alles. Hij wijzigde zijn toverspreuk wat, zwaaide zijn staf en daar stond het jongetje te kijken naar wat die gekke meneer toch eigenlijk deed.

Het was voor die tovenaar natuurlijk een hele slag in het gezicht, want hij voelde zich erg machtig. En toen werd hij zo boos, dat hij zijn toverstaf zwaaide en zichzelf onmiddellijk verplaatste naar een plaatsje in de buurt van Mombasa, waar een andere, nog machtiger tovenaar resideerde, die eens zijn leermeester was geweest. Toen zei hij tegen hem: “Waarom kan ik dat ventje nu niets aandoen?” “Ach,” zei die andere tovenaar, “dat is heel begrijpelijk. Dat kind was gelukkig. En een gelukkig mens valt niet onder de machten van de natuur of van het bovennatuurlijke. Want wie gelukkig is, staat hoger dan een tovenaar.”

Toen ging die tovenaar terug en begon te proberen het kind ongelukkig te maken. Het beroerde was, dat het hem niet lukte. Hij toverde een hele zee van slangen rond het kind en het ging er rustig mee spelen in plaats van bang te worden. Hij gaf het kind eerst onnoemlijk veel mooi speelgoed en lekker eten en nam toen ineens alles weg. Het kind lachte er alleen maar om. Toen dacht die tovenaar: Nu moet ik er toch iets aan doen, dus laat ik nu slim zijn. Hij begon met het kind te praten en zei tegen hem: “Jongetje, zo pas had je zoveel speelgoed, zoveel lekker eten en nu heb je niets meer. Waarom vind je dat nu zo leuk?” “Nou meneer,” zei hij, “als u niet zo boos op me was geweest, had ik dat allemaal niet gehad.” Ja, daar zat de tovenaar. Klaarblijkelijk vond het kind het belangrijker, dat het iets gehad had, dan dat het niets bezat op dat ogenblik.

Zo was hij een hele tijd bezig. En op de duur, toen wij weer wilde toveren, bleek hem dat hij al zijn toverspreuken verloren had. Hij wist er niets meer van. Hij wist niet eens meer, hoe hij zijn toverstaf moest zwaaien. Hij voelde zich eerst erg ongelukkig, Toen ging het weer. Toen was hij blij, dat hij het weer kon….en het ging niet meer. Die arme man moest nu helemaal te voet van het zuiden van Frankrijk naar Mombasa toe lopen om zijn leermeester te vragen, wat er gaande was. En weet u wat deze zei? “Mijn waarde vriend, je bent een tovenaar geweest, totdat je gelukkig werd. Wie gelukkig is, is geen tovenaar, want voor hem gelden geen wetten meer, behalve de goddelijke wetten. En die wetten kan hij aan niemand opleggen, omdat ze in alles bestaan. Hij kan dus niets meer veranderen. Maar je bent er eigenlijk beter aan toe dan de machtigste tovenaar,”

Ja, zo gaat het ons ook. Wij zoeken natuurlijk naar dat kosmische bewustzijn, al die macht, al dat vermogen. Maar we vergeten één ding: Op het ogenblik dat wij in harmonie zijn met de Schepper, met de scheppende kracht, op het ogenblik dat wij dit goddelijk bewustzijn a.h.w. in ons dragen, is er niets meer, dat we veranderen kunnen. En we willen niets meer veranderen. We zijn wat men noemt gelukkig. Niet gelukkig omdat het redelijk is, dat we gelukkig zijn. Maar omdat boven al het redelijke uit die geheime Kracht in ons het geluk schenkt. En we zijn dan onaantastbaar geworden voor alle dingen.

Op deze manier kun je soms ook als mens over alle rede en alle weten en alle bewustzijn heen dat geluk bewaren. Heb je dat gevonden, dan ben je ook voor rede onaantastbaar. En het is heel simpel zo te zeggen: Een mens, die door de H. Geest bevangen is – een term die men daarvoor zo gaarne gebruikt – is in feite een volledig onredelijk mens. Al wat hij doet onttrekt zich aan de rede. Kijk maar naar die apostelen bv. en die leerlingen van Jezus. Ze zaten daar in de korenmarkt allemaal te treuren. Dan vergeten ze op een gegeven ogenblik, dat ze bang zijn, ze gaan buiten staan prediken – wat op zichzelf al gevaarlijk is – ze spreken vreemde talen, die ze nooit geleerd hebben, kortom ze doen alles, wat niet past bij hun wezen. En ze zijn er gelukkig mee. Ze zijn zo gelukkig, dat ze boven zichzelf verheven zijn in een zekerheid, die ze van af dat ogenblik nooit meer zo bereikt hebben.

Zo is het voor ons ook. Het Goddelijke, het kosmische, is niet redelijk. Daar kun je nooit iets mee bereiken. Maar het brengt met zich mee een innerlijke rust, een geluk, waardoor wij niet de golven teniet kunnen doen maar overwinnen. Denkt u eens aan dat olievat, waar ik het over had. In ons leven is dit geluk iets, wat voor óns het leven egaliseert en kalmeert. En dit geluk geeft ons dan het vermogen veel te doen, wat een ander niet volbrengen kan. Maar die ander zit er nog precies zo voor. Wij kunnen niet de hele zee doen kalmeren door ons bewustzijn, we kunnen alleen voor ons het leven anders van waarde maken. En zo lijkt mij de simpelste raad, die ik geven kan – voor een mens op aarde althans -: Mens, probeer in alles gelukkig te zijn. Niet gelukkig omdat het. redelijk is, maar gelukkig omdat je binnen in je een soort schat erkend hebt, die al het andere onbelangrijk maakt. Dan kun je daardoor in harmonie komen met dat grote en op de duur misschien je vleugels uitslaan en met een zeker weten tot een ervaren van het goddelijk Licht komen.

Ik hoop, dat u zich ook bij mijn betoog niet al te veel geërgerd of verveeld hebt. Wat ik hier gezegd heb, mag natuurlijk nooit worden geïnterpreteerd als: Wees nu maar bandeloos. Want bandeloos zijn brengt op zichzelf weer ongeluk mee. Bandeloosheid brengt zelfverwijt. Zelfverwijt verstoort harmonie. Verstoorde harmonie brengt ongeluk, enz. Maar ik heb U wel gezegd: Probeer gelukkig te zijn zoveel ge kunt in datgene, wat voor u aanvaardbaar en verantwoord is. Gooi Uw zorgen van u af. Ga u niet om redenen van denken of leven of problemen ongelukkig maken. Wees eerst gelukkig; dan vindt u de kracht om de rest van het leven te overwinnen. En dan krijgt u vanzelf ook dat inzicht, waarover mijn voorganger zo mooi heeft gesproken.