Sprookjes en hun achtergronden

8 juni 1959

Er bestaat geen land ter wereld waar geen sprookjes worden verteld. Er bestaat geen enkel volk dat niet zijn zeer eigen en speciale overleve­ringen heeft, die voor ons ‑ in een meer Westers standpunt ‑ tot sprookjes worden. Het is natuurlijk heel erg moeilijk ons te realiseren, hoe die sprookjes ontstaan zijn. Men wil ze maar al te graag toeschrijven aan fan­tasierijke verhalenvertellers of misschien ook wel aan overleveringen en openbaringen. Mag ik dus allereerst beginnen met te wijzen op de feitelijke achtergrond van het sprookje? Want het is geen toeval dat in het sprookje dezelfde figuren een rol spelen, die wij soms in een of ander pantheon kunnen vinden. En het is zeker ook niet toevallig dat vele gebeurtenissen, die op aarde mogelijk waren ‑ zij het in een heel ver verleden ‑ op een vreemde wijze verweven zijn met het meer moderne leven van de mensheid.

Om dit verschijnsel te verklaren, zullen we ons allereerst moeten realiseren dat er een groot verschil is tussen dat wat de mens denkt, wat hij onthoudt en wat hij verder geeft aan anderen en zijn eigenlijk ervaren. Er kan bv. een vertraging van jaren bestaan tussen twee gebeurtenissen die door de mensen later in een overlevering als één geheel worden gezien. Dit brengt bij het sprookje heel vaak het wonderbaarlijke effect tot stand. En dat wordt zoveel te wonderlijker, wanneer we gaan begrijpen hoeveel parallellen er eigenlijk bestaan.

U kent allemaal het sprookje van de Sneeuwkoningin en van het Glazen Hart misschien. Maar wist u dat heel veel van de Trollen‑verhalen, die bv. in Noorwegen vaak worden verteld, ook spreken over een Sneeuwkoning en een Sneeuwkoningin? Wist u dat de Romeinen geloofden dat er bij de Hyperboreeërs een Sneeuwkoningin leefde? En om een ander voorbeeld te nemen: We horen heel vaak van de dood als een symbolische figuur in het sprookje. Maar realiseert u zich wel dat deze figuur heel vaak wederom uit oude godsdienstige overleveringen zijn eigenschappen heeft geput? Om dan maar niet te spreken over de zon, die in duizend verschillende vormen ons voorbijdraaft, vooral in Slavische en Russische sprookjes maar ook in Chinese verhalen en enkele Indiaanse overleveringen en we kunnen ze ook terugvinden vooral bij de Bantoe stammen. Een uitzondering in Afrika maakt hier alleen de Massai, die een ietwat ander genre van sprookjes hebben, waarbij die zon de rol speelt van een niet‑persoonlijk wezen. Overal zien we die zon voorgesteld als een ruiter en we horen verder dat die ruiter op een gegeven moment valt of een ogenblik stilhoudt. Denkt u nu eens aan de Bijbel. Daarin lezen we dat bij een bepaalde veldslag de zon stil stond. Denkt u verder eens aan verhalen bv. over de grote strijd van Odin, die toen óók de zon deed stil staan. Al deze verhalen tezamen brengen ons toch wel tot de overtuiging dat er ergens een feitelijke achtergrond moet zijn. En ik geloof dat we die feiten dan allereerst zo mogen stellen:

De mensheid is opgegroeid uit kleine stammen. Die stammen hadden een eigen stamoverlevering en het werd langzaam maar zeker een gebruik, de oudsten van de stam die overleveringen aan de jongeren te laten vertellen. We hebben dus te maken met een mondelinge overlevering over een zeer groot aantal geslachten. (Als we dat klein willen houden, dan moeten we zeggen: 800 ‑ 900 minstens, maar het zullen er waarschijnlijk veel meer geweest zijn.) In die tijd zullen natuurlijk de interpretaties van de vertellers aan bepaalde veranderingen onderhevig zijn geweest. Wanneer ze in contact kwamen met andere stammen en daarvan de verhalen hoorden, werden ook deze verhalen vaak mee verwerkt in het stameigen verhaal. Dit zijn legendevormingen, het is het begin van een godsdienstige en sociale beschouwing. Maar het neemt niet weg, dat wat er uit geboren wordt vaak op een sprookje lijkt.

In de oudheid zijn er inderdaad reuzen geweest. Nu hielden de ouden altijd erg van overdrijven. Wanneer iets 5 cm groter was en ze schrokken ervan, dan was het al gauw 5 meter groot. Maar die reuzen vinden we in een bepaald gewaad, we vinden ze verder met een bepaald uiterlijk. En dat verschilt plaatselijk. Wanneer we te maken hebben met de reuzen in de sprookjes van rond de Mediterranee dan horen we heel vaak van éénogige reuzen. Hebben we echter te maken met sprookjes van Zuid‑Duitsland en ook bv. het Oosten van Nederland, dan horen we dat deze reuzen twee ogen hebben. Ook één‑ogigen komen echter nog voor. Gaan we bv. kijken naar de reuzen, waarover verteld wordt in China, dan blijkt dat deze het gelaats-uiterlijk hebben van de Kaukasische rassen. Luisteren we naar de verhalen over reuzen in Zuid‑Duitsland en ook Zwitserland, dan is de beschrijving van een dergelijke reus heel vaak er een van een Tartaar.

Wanneer we nu ons verder eens voor ogen stellen dat vooral tijdens de grote volksverhuizingen en die meerdere malen zijn voorgekomen en die het gehele Euraziatisch continent eigenlijk in beroering brachten, stammen soms bliksemsnel zijn binnengevallen en bijna hele stammen wisten uit te roeien of te verdrijven, dan kunnen we ons voorstellen dat men – zijn eigen minderwaardigheid niet toegevende kwam tot de interpretatie: Dezen waren veel groter, veel sterker als wij één steen konden opnemen, dan namen zij een hele berg op. Een normaal verschijnsel: men verontschuldigt zich door overdrijving. Dat doen de kinderen van vandaag nog. En in vele gevallen waren de mensen vroeger kinderlijker dan vandaag.

Een ander punt, waarmee we ook rekening moeten houder: We horen in verschillende gevallen van overleveringen van reuzen. En nu is het bv. typisch, dat de Masai, die zelf groot zijn, geen reuzenoverleveringen kennen. Maar bij de omringende stammen vinden we wel sprookjes met reuzen. Wat is nu logischer dan aan te nemen dat hier het verhaal van de reus een teruggrijpen is naar een oorspronkelijk historisch feit waarin waarschijnlijk de voorvaderen van de Masai een rol gespeeld hebben? Er is ergens een feitelijk verband. Alle sprookjes met al hun zinnebeelden grijpen m.i. terug op werkelijke feiten. Feiten echter, die samengevoegd met elkaar, totdat een onlogisch en niet meer goed herkenbaar geheel ontstond, dat word gebruikt om een bepaalde moraal uit te drukken.

Want waar we ook gaan, het sprookje heeft altijd een zekere moraal. Moraal is primitief en door die primitiviteit heel vaak bloeddorstig. Maar ongeacht dit feit is een door de tijd veranderde impressie van iets wat reëel bestond. Bv. Blauwbaard. We weten allemaal dat de eigenlijke figuur waarschijnlijk Gilles de Laval is geweest, eerst eer zeer bekend ridder, o.a. betrokken in het leven van Jeanne d’Arc, later een zwart‑magiër. We kunnen bv. om een ander sprookje te noemen, Jack and the beanstake (Jaapje en de bonenstaak) ook eens gaan nazien. En wat blijkt nu? Er bestaan in sommige landen inderdaad planten die haast explosief groeien. Vooral wanneer we gaan kijken in Zuid‑Amerika komen die planten daar inderdaad voor. Verder vinden we in dat land verhalen omtrent een wereld, die boven de wolken ligt, een soort eeuwige jachtvel­den naar Manitou die goede krijgers onderbrengen en de eeuwige vreugd in jacht en strijd geven. Een wereld waar bovendien vele wonderbaarlijke voorwerpen zijn. In de overleveringen van de Delewaren, de Sioux, de Comanche ‑ om een paar bekende te noemen ‑ vinden we sprook­jes van een land boven de wolken. En in die landen vinden we aangeduid: huizen. Maar ze worden bewoond door Manitous. En soms ook door boze tovenaars, want er zijn tovenaars die de macht hebben om zich in deze wereld van geesten te bewegen. En kinderen, die daar soms door bijzondere verdiensten komen, keren terug of ‑ en hier is een overeenstemming tus­sen de Indiaanse sprookjes, bepaalde Griekse sprookjes en overleveringen en zekere Europese sprookjes ‑ zij worden sterren. Men vertelt bv. van een Indiaans meisje dat in de Kleine Beer terecht kwam. Elders vertelt men over een maagd die ontstolen werd aan de mensheid, door een boze geest bevrijd werd, niet terug wilde keren na haar schande en nu in de Plejaden leeft. Dus de gedachtegang was er. Stel je nu eens voor, dat een zeeman die planten heeft gezien, iets van die overleveringen heeft gehoord en deze gaat vertellen. Duurt het dan nog lang voordat men er een sprookje van maakt, dat past in de eigen omgeving? Een sprookje waarin de eigen historische figuren, de reuzen, een rol spelen? Een sprookje waarin verder dat geheimzinnige “never‑never‑land” boven de wolken wordt uitgebeeld als een Europese versie van de eeuwige jachtvelden? Typisch, vindt u niet?

En als we nog verder gaan wordt het nog veel wonderbaarlijker. Want we weten dat zekere geloofswaarden in de oudheid werden uitgedrukt door de symbolen van een Godenleer. Of we nu gaan kijken naar de Maangodin van Ur, of we de Isis‑Mysteriën willen nagaan, of we zien naar de eenvoudige overleveringen van de Germanen en de Druïden, altijd weer hebben we te maken met het symboolverhaal. De God en Zijn helden zijn niet zozeer feitelijke wezens waarop je rekent, maar zij zijn een uitdrukking van een innerlijke toestand en een innerlijke gedachtegang.

Het ideaal van het volk, het ideaal vooral van de denker van het volk, wordt uitgedrukt in de Godenwereld. En wanneer die Godenleer dan enigszins gegroeid is, komt er over het algemeen de Bard, de dichter of de schrijver. Bij de Grieken bv. waren het schrijvers en vreemd genoeg vooral toneelschrijvers. Bij de Druïden zijn het de Barden, de heldenzangers geworden, die de Godenwereld samen schiepen tot één onverbrekelijk geheel, waardoor wij daar werkelijk ook een gestaffelde Godenwereld te zien krijgen. Maar al die dingen worden dan weer verknoopt met avonturen die ‑ de Goden toegeschreven ‑ in feite wel eens op aarde bestaan zouden kunnen hebben. Wanneer we bv. denken aan het verhaal van Amphitreën, die ‑ zij het met enig protest ‑ als dubbelganger een van de hoogste Goden zag optreden, dan is dit niet zo ver weg van de geschiedenis van een veldheer van Alexander de Grote, die ‑ toen hij een vrouw zeer begeerde – zich hulde in het uniform van de echtgenoot, die hij in burger op een verkenning had uitgestuurd en zo probeerde dat te halen, wat hij op een andere manier niet krijgen kon. De overeenstemming is te groot.

U zult zeggen: “Dat is allemaal wel mooi, maar waar komt dan bv. Roodkapje vandaan. In de eerste plaats: Roodkapje is een Maan‑symbool en als zodanig geeft ze niet alleen de onschuld weer, maar ook de jeugd en de dwaasheid, de onbezonnenheid. Zij gaat naar de grootmoeder, naar de Bron (de Maan gaat naar de Zon). Wanneer we de wolf zien optreden, dan is dit een wezen des kwaads. Wolven bv. zien we ook wel eens optreden als helpers van Loki. De wolf zou het duister kunnen zijn. En dan is Roodkapje oorspronkelijk waarschijnlijk de verklaring geweest van een zonsverduistering, waarbij de religieuze gronden moesten worden weggewerkt en in de plaats daarvan een verhaal moest komen, dat duidelijk maakt hoe de natuurkrachten ten opzichte van elkaar werken, maar dat wordt genoten om zijn bloeddorstig effect. En natuurlijk krijgen we aan het einde de houtvester. Die houtvester zal misschien in een vroegere versie een krijger geweest zijn. Maar één ding is zeker: hij weet Roodkapje en haar grootmoeder uit de buik van de wolf te bevrijden, beiden. De zon‑ of maansverduistering wordt opgeheven en beide zijn weer normaal zichtbaar, elk op haar tijd en haar beurt. En de kracht die dit doet is de afgezant van een hogere kracht. Ofwel hij is de houtvester (de verzorger van het terrein, danwel hij is de krijger, die door zijn veldheer ter verkenning werd uitgezonden en toevallig het geval ziet. Hiermede wordt misschien haast onbewust het geloof aan een almachtige God en Zijn uitgezonden dienaren kenbaar gemaakt. Het is dan ook opvallend dat elk sprookje zijn eigen hoofdfiguur heeft en dat er haast niemand aan denkt een bijfiguur eens een keer een kans te geven. We horen bv. de geschiedenis van de Gelaarsde Kat en de Markies van Carabas. Maar wie heeft er nu wel eens aan gedacht om eens te vertellen hoe de Markies het eigenlijk gevonden heeft die als tovenaar van zijn kasteel en goederen werd beroofd? Of hoe de Koning het heeft gevonden toen hij erachter kwam dat de gelaarsde Kat eigenlijk zo’n grote en listige leugenaar was? Het is duidelijk dat men dat niet doet, want het sprookje is ‑ bewust of onbewust ‑ een overlevering van heilige zaken.

Ik spreek nu zo van die Markies van Carabas en de Gelaarsde Kat. Het was heus niet alleen De la Fontaine die in zijn fabels de sprekende dieren invoerde. Integendeel, we horen overal van sprekende dieren en steeds van sprekende dieren in samenhang met goddelijke werkingen en bovennatuurlijke gebeurtenissen. Voorbeelden kan ik u te over geven. In India kunt u bv. vele sprookjes horen over dieren die plotseling spraken, tot zelfs tijgers toe. Wij kunnen daar een sprookje horen over een kat die heilig werd en een kat die dan ook inderdaad tot de hofhouding sprak, totdat ze eens ten hemel steeg. Die ze overigens weer verloor – dat mag ik er misschien bij vertellen, want het is heel leuk. Die kat had nl. gewed met een fakir, wie van hen het heiligst was. De fakir klom naar de hemel langs een touw en kwam na enige tijd terug met een geschenk van de vorst der hemelen. Maar de kat sprong alleen omhoog en verdween. Het duurde maanden voordat ze weer terug kwam. Ineens: Plons ‑ uit de hemel en daar lag ze. Toen vroegen ze aan die kat. “Waar ben je geweest”?

De kat zei: “Ach. ik was in de hemel en het was er zo aangenaam. Maar weet je, ik zag ineens een muis voorbijkomen en toen ben ik mezelf even vergeten.” Dat is werkelijk nog geestig ook. Maar waar het om gaat hier, dat is het sprekende dier. De os en de ezel zouden gesproken hebben. In de overleveringen vastgeknoopt aan Karel de Grote (grote vorsten en helden zijn nu eenmaal graag een middelpunt van sprookjes en legendevorming; behouden ze hun eigen naam dan heten het legenden, gaat die naam teloor dan noemt men het een sprookje), maar ook daarin horen we van sprekende dieren. Als u de 1001‑nacht sprookjes leest, komt u veelal sprekende dieren tegen, overal. En er is zelfs een overlevering die zegt ‑ afgeleid waarschijnlijk van het Bijbelverhaal – dat vroeger alle dieren met de mens konden spreken.

Is die gedachtegang vreemd? Misschien niet. Wanneer we weten hoe in een tegenwoordige wereld dieren hun behoeften aan mensen kenbaar kunnen maken, dan zullen we ons ook kunnen voorstellen dat een wereld met veel beperkter taal, met een veel kleiner woordenschat, de begaafdheid van de dieren en hun verlangen kenbaar te maken, hoger stelde. Dat bv. een hond, die een prooi wist aan te wijzen en wist te apporteren, die ook kon vechten en in het gevecht kenbaar maakte wat hij zou doen, die alleen door zijn verschil in blaffen kon aangeven waar hij zich bevond en wat hij op het spoor was, toch wel de indruk moet hebben gemaakt van een wezen dat spreken kon. Hij is een bondgenoot van de mens en zo komt het sprekende dier al direct uit de oergeschiedenis mee in de verhalen. Ik wil overigens opmerken, dat er zelfs een Romeins keizer is geweest die zijn lievelingspaard zo verstandig achtte dat hij het tot consul verhief; ja, met een eigen paleis en wat daarbij hoorde. En dat is geen sprookje, want dat kunt u in de historie terugvinden.

Dan krijgen we het tweede aspect: een geloof aan zielsverhuizingen. Zielsverhuizing in dieren is in Azië nog zeer algemeen; maar het bestond ‑ zij het enigszins weifelend ‑ ook in het westen. De verbintenis “mensenziel ‑ dierenlichaam” brengt de noodzaak tot mededeelzaamheid, maar ook gelijktijdig tot intentie, overleg en handelen als van een mens. Vandaar dat in vele sprookjes het dier een menselijke rol speelt en in feite het symbool is geworden van menselijke eigenschappen.

Misschien mag ik hier even afwijken van het eigenlijke thema om u duidelijk te maken hoe dat komt. Er zijn – zoals u misschien weet – een aantal dieren in de dierenriem. Er zijn maar een paar tekens die zuiver menselijk zijn. De krachten uit het heelal worden dus met dierachtige tekens vereenzelvigd, die van land tot land kunnen verschillen, maar waaruit de heiligheid van dergelijke dieren voortvloeit. Het is niet voor niets dat we bv. de stier of het rund een lange tijd als heilig dier zien, want het is de periode van de regendans ‑ een van de regerende tekens moet ik eigenlijk zeggen ‑ van de wereld. Later blijft dat een tijd voortbestaan omdat de mens conservatief is. De India­nen geloven er ook aan en halen bv. hun totems naar voren. Zij hebben dus een stam‑dier, dat voor hen spreekt, dat hen helpt, hen bijstaat. De negers doen het een beetje anders: zij maken zichzelf tot dieren en wor­den dan alligator‑mannen, luipaard‑mannen, leeuw‑mannen en dergelijke. Geheime genootschappen met schijnbaar zeer wrede gebruiken maar ook weer associatie ‑ vreemd genoeg ‑ met bepaalde dieren, die in hun hemelgeloof ook voorkomen, die ze dus als tekens ’s avonds aan de hemel zien. Dat daarbij de oude tijd ook nog wel een rol speelt, is zeker. Men houdt zich niet aan de moderne tijd. Maar waarom bv. de Visser, als symbool van Jezus? Of het lammetje? Misschien omdat de Ram de regeerder was? Ik wil maar dit zeggen: de sterrenbeelden en hun dierlijke interpretatie hebben een rol gespeeld bij het toekennen van juist deze kwaliteiten en eigenschappen aan mensen. En die mensen werden vaak genoemd bij de naam van het dier. In de loop der tijden valt de mens weg en blijft het dier over en zien we zo het sprekend optreden van bv. de Gelaarsde Kat, die zich volkomen als mens gedraagt onder invloed van het testament van de vader. We vinden ook heel vaak paarden die iets dergelijks doen. Een jongste zoon krijgt een oud paard nagelaten; het paard spreekt tot hem, verschaft hem al wat hij nodig heeft als een soort tovenaar of fee, waar­na hij ten slotte met de prinses huwt. Een sprookje, dat in Slavische termen een twintig keer voorkomt. Er zijn 4 of 5 versies van in Engeland en in Nederland bekend, (Duitsland inbegrepen) en we vinden ook in zuidelijke landen soortgelijke interpretaties.

We zien in de sprookjes ook heel vaak twee dieren tegen elkaar op­treden, zoals in het dierensprookje van Reinaert de Vos, dat op de duur een schone legende is geworden, maar dat oorspronkelijk bestond uit reeksen van kleine vertellingen in de vorm,‑ zoals we die vinden in Suri­name over Meneer Spin; in de landen van Kentucky e.d. over Brown‑rabbit; in de woestijn over de fennec, de woestijnvos. Die dieren zijn op de duur ‑ dat geef ik graag toe ‑ sprookjesfiguren geworden, maar oorspron­kelijk zijn ze het symbool geweest van een kracht. De Spin bv. heeft een lange tijd in de Voodoo een buitengewoon krachtige rol gespeeld. Het is dus geen wonder dat de bosnegers zowel als de Tahitianen e.d., die dus veel met de Voodoo te maken hadden, op de duur Meneer Spin zagen als een belangrijke figuur. En de leringen, die eerst in de Voodoo-zin daaraan werden vastgeknoopt, zijn ze gaan overzetten in kleine en vaak buitengewoon geestige vertellingen.  Om terug te keren tot mijn eerste stelling: In vele gevallen zal dus het sprookje een samenvatting zijn van oorspronkelijke feiten, echter vereenzelvigd met ideeën en idealen en aangevuld met de behoeften van de mens, met zijn opvatting van de noodzakelijke zeden, de mores van de tijd. Het sprookje varieert naargelang de tijd varieert. Het blijft echter in zijn personen en intrige toch praktisch gelijk. En daar is een reden voor te vinden. Want achter het sprookje schuilt niet alleen het volks­geheugen en de overlevering van ontelbare geslachten; er schuilt ook achter een zeker esoterisch kennen, een bepaalde vorm van inwijding en ge­loof. Ik vertelde u reeds dat vele van de sprookjes ontstaan zijn door schrijvers, maar schrijvers waren vaak filosofen. Barden behoorden in de oude tijd vaak tot de wijzen en de wijzen waren meestal Druïden, dus le­den van een priesterkaste. Het is logisch dat deze denkers hun eigen symboliek, hun eigen denksysteem, hun eigen esoterie mee trachtten te ver­weven in de verhalen die ze verteld hebben. En we kunnen een willekeurig sprookje nemen en dat gaan ontleden. Heeft u een voorkeur?

  • De Sneeuwkoningin.

Goed, we zullen ze allebei even nemen. Het gaat er toch maar om kort te bewijzen, wat er eigenlijk gaande is. De Sneeuwkoningin is gehuis­vest ergens bij de Noordpool ‑ zoals de Sneeuwkoning ook in vele geval­len ‑ in een paleis van ijs. Alles verstart daarin. De overlevering van de komst in de ijstijd van de grote gletsjer speelt hierbij ongetwijfeld een rol. Het was bekend dat vaak in gletsjers de lijken werden gevonden van mensen, die lange tijd tevoren teloor waren gegaan. Er moest dus iets gaande zijn. En het geloof dat dit niet zonder zin kan zijn, dat ze niet alleen voor de dood geboren zijn, leefde in die oude tijd evenzeer als heden. De Sneeuwkoningin werd het symbool van een dodelijk begeren, een onderwereldfiguur, die in de glinstering in de plaats treedt van vorsten en krijgslieden, die weigert zich te onderwerpen aan de wijsheid van de esoterici, de denkers en de magiërs. Ze ontvoert een kind. Het is heel logisch dat een kind ontvoerd wordt, omdat het kind het gemakkelijkst sujet is daarvoor; zoals ongetwijfeld vroeger de strijd sterk is geweest tussen de kloosters en de verschillende vorsten en potentaten, die elk voor zich trachtten de jeugd op te eisen. Stel u nu voor dat dit kind het symbool wordt van de zich nog niet‑bewuste‑mensheid; de zich‑nog‑niet‑bewuste‑mensheid, die een keuze moet gaan doen tussen het geestelijk goed van het thuis (dus de ware leer, de ware instelling, de juiste moraal) en de glanzende vrijheid van de sneeuwpaleizen, waarin echter het hart verstart: het materialisme. Dan wordt ons al heel gauw duidelijk waarom het meisje (het zusje ‑ in andere gevallen – het vriendinnetje achter hem aan jaagt, zij maakt de tocht van het offer, zoals we dat duizenden malen in verschillende sprookjes vinden. Want de inwijding is noodzakelijk om tot een bevrijding te komen. En die bevrijding kan alleen bereikt worden doordat men zichzelf offert. Men moet niet alleen maar zichzelf zijn als mens, maar men moet een stap verder gaan zoals het kleine meisje, dat door haar vele beproevingen en haar vasthoudendheid uiteindelijk in dat paleis komt. En dan is het probleem nog niet opgelost, want dat jongetje zal daar moeten blijven, tenzij hij het raadsel oplost van een legpuzzel, uit stukken ijs gemaakt. Het meisje lost deze op en dan is hij bevrijd. Wanneer de liefde voor de mensheid zo groot is en het begrip van de goddelijke Kracht zo sterk, dat men in staat is het wezen van de materie te doorschouwen, kan de mensenziel hieruit worden bevrijd en kan de ware leer, de ware gedachte, de ware beleving beginnen.

U ziet, het verhaal is helemaal niet zo vreemd en het is des te minder vreemd, wanneer we ons realiseren dat de Sneeuwkoningin ‑ ofschoon in de optekening waarschijnlijk van Noord Duitse origine een sprookje is dat ook in Ierland voorkomt en zelfs in Wales. Het heeft samengehangen met de gedachte van de Druïden, die zich baseerden op onder­scheid van licht en duister, dus van goed en van kwaad. Het goede offert zich steeds. Zoals men aannam dat de zon zich elke avond offerde om terugkerende, de mensheid leven te kunnen geven. Men zei dus: de mens­heid leeft van het bloed van de zon. Men stelde daarnaast dat de maan ‑ niet zelfstandig zijnde ‑ het vrouwelijk element was, dat door haar liefde de zon weer tot leven kon wekken, omdat de maan zich offert wanneer ze de zon gaat zoeken. Merkt, u dat hier ook enige overeenkomst is met bv. Egyptische sagen en overleveringen? Uit deze gedachtegang plus het geloof ‑ zeer waarschijnlijk later gestimuleerd door de komst van de Romeinen, die immers geloofden aan de volkeren, die leefden in het ijs achter de Noordenwind en achter de Westenwind is de figuur van kwaad gekristalliseerd in een Sneeuwkoningin: iets van schoonheid, iets dat alles heeft behalve “leven”. En zo kan de strijd van goed en kwaad hier worden uitgevochten op eenzelfde wijze als misschien bij een Apollo, die doordringt in een Hades, de lier slaande, op zoek naar datgene wat teloor is gegaan. Of de wijze waarop men strijdt om Balder te bevrijden uit de duistere kelders van de onderwereld. Hier is in het sprookje dus de gedachte van terugkeer tot licht door inwijding en bewustwording wel sterk naar voren gebracht.

En nu had u daar “Sneeuwwitje”. Ja, het is het gemakkelijkst om een stelling met voorbeelden te bewijzen. En dus gaan we kijken wat ons Sneeuwwitje in de eerste plaats doet. Nu moet u me niet kwalijk nemen dat ik enigszins moet afwijken van de versie van Walt Disney. Die was filmisch zeer goed, maar ze is niet volledig “volks” meer, ze is niet de ware overlevering meer. In Sneeuwwitje is het eerste opvallende element: de 7 dwergen, die wonen achter de bergen. Gelijksoortige figuren vinden we overal, dwergen zijn nl. aardgeesten of natuurgeesten. De natuur is bezield. Wie goed is zal in die natuur geborgenheid vinden. Sneeuwwitje wekt afgunst op. Want na haar geboorte is er een fout begaan. Zij heeft te veel zegeningen gekregen. Het volmaakte past niet in een on­volmaakte wereld. Het dient zich eigenlijk te vermommen. God laat het onrecht niet direct toe ‑ of zo ge wilt onrechtvaardigheid. Er is een goddelijke beschermer, maar die slaapt wel eens. (De vader gaat op reis). Het kwaad tracht dan door middel van zijn werktuigen het goede, het edele te vernietigen. De geschiedenis van de jager, die wij overigens in meerdere verhalen tegenkomen, de man, die door medelijden bewogen, bedrog pleegt. Het kwaad wordt verlaten door zijn eigen dienaren, zo­ lang zij niet het kwaad zelf zijn. (Een poging om duidelijk te maken dat het demonische, dat in de mens leeft, nooit volledig is.) Sneeuw­witje vlucht weg in het bos en wordt gevonden door de dwergen. De dwergen brengen haar in hun woning. Dus de mens, volledig goed zijnde wordt één met de natuur. Eigenaardige overeenstemming in tendens met o.a. de Genoveva‑legende.) In de eenheid met de natuur echter moet zij aan de natuur gebonden blijven. Zij doet dit niet. Zij aanvaardt van het oude vrouwtje een kam: ijdelheid. De ijdelheid verleidt de mens zich van de natuur en de bescherming daarvan los te maken en vanaf dat ogenblik is hij wederom, slachtoffer van het kwaad.

Een stap verder: Wanneer die ijdelheid niet uit het “ik” geboren is maar uit nieuwsgierigheid, dan zal de natuur de fout herstellen: de dwergen trekken de kam uit het haar en Sneeuwwitje herleeft. Niet omdat de dwergen wisten dat ze haar daardoor konden doen herleven, maar om de doodeenvoudige reden dat zij vonden dat Sneeuwwitje paste bij de natuur en dat het onnatuurlijke verwijderd moest worden. Hier zien we de gedachtegang van vroeger, dat de natuur heilig is, in het sprookje wel zeer nadrukkelijk uitgedrukt. De zwartmagische toverkol van een stiefmoeder met haar “spiegeltje aar de wand” toont ons de eerbied, die men heeft voor de zwart‑magiër. Maar boven haar staat een rechtvaardige macht. Want zelfs wanneer zij de gulzigheid (de bezitzucht) weet aan te moedigen ‑ het meest dodelijke voor de menselijke geest in de stof ‑ Sneeuwwitje de appel neemt (Adam en Eva‑legende!) en in de eerste beet daarvan stikt, dan is daar nog de natuur, die haar goedheid erkent en haar bewaart (de glazen kist waarin de dwergen haar leggen.) En dan zal het goede eens tot ontmoeting komen met het goede: de Prins komt. Wanneer hij kust is er een toevalligheid ‑ ofschoon in de eerste verhalen de Prins gedreven door wanhoop het deksel verbrijzelt en Sneeuwwitje daardoor ontwaakt ‑ waarna ze beiden gelukkig leven en de boze stiefmoeder alles krijgt, wat haar dan volgens de gedachten van het volk wel toekomt.

Omgezet in de gedachtegang van vooral de meer Duitse‑ en de Duits Zwitserse gedachte tot de Franse Jura toe is hier sprake van de eeuwige strijd tussen licht en duister. De bergen zijn voor die mensen bewoond. Niet alleen door de dwergen, maar ook door demonen, geheimzinnige reuzen en spotgeesten. Zij leven in een voortdurende vrees voor de natuur en toch weer in een eenheid met de natuur en ze worden door die natuur soms erg stiefmoederlijk bedeeld. Wanneer ze echter goede mensen zijn, dan komen daar verschillende geheimzinnige figuren (soms is het een soort Hannes, de berggeest Hannes; en dan zijn er nog zo’n stelletje, Kasper is er ook nog), die dan met gaven het onrecht vergoeden, zodat de mens toch weer aan z’n trekken komt. De natuur is corrigerend voor de mens, indien hij niet zondigt tegen de natuur. Een oud geloof. Omgezet inde zin van de esoterie: Wanneer de mens niet zondigt tegen God, dan zal hij misschien veel belevingen doormaken waarvan hij zich afvraagt: waarvoor? Maar het einde is altijd de glorierijke apotheose. Want wat hij verliest word hem duizendvoudig weergegeven; en de natuur zelf beschut en helpt hem totdat hij rijp geworden is om ‑ laat ons zeggen ‑ de Prins te ontmoeten, om het Licht te ontmoeten en tot bewustwording te komen.

U ziet hoe die sprookjes allemaal hun eigen inhoud, hun eigen zin hebben. Ze zijn niet “alleen maar” verhaaltjes voor kinderen. Ik weet dat veel opvoeders van de moderne tijd verontrust zeggen dat het slecht is de kinderen die bloeddorstige sprookjes te vertellen van wolven die zo maar opengesneden worden; van reuzen die zo maar een kopje kleiner worden gemaakt; van mensen die elkaar doodslaan, of van opscheppers die ondanks alles slagen, zoals het snijdertje dat er 7 in een klap doodsloeg. Maar ik geloof dat ze zich één ding niet realiseren; die sprookjes zo vreemd als het klinkt ‑ zijn verwant aan de origine van het volk. Zij stammen voort niet alleen uit een oude tijd, maar ook uit een geestelijk bezit, dat geslacht na geslacht is opgebouwd en dat mede in de erfelijke patronen van de mensen is afgedrukt. Menig sprookje kan tot u spreken, maar veelal zal het juist het u eigene sprookje zijn, de intrige, die het meest past bij uw eigen land en aard, dat u werkelijk ontroert en dat u ernaar terug doet grijpen. En wanneer u géén van die sprookjes kent, dan vindt u in de sprookjes van alle landen steeds hetzelfde beeld terug. Niet omdat het zo bedoeld is, maar omdat er iets van het oerpatroon van de persoonlijkheid wordt uitgedrukt in dit denken; omdat het wezen van de mensheid zelf er in ligt. En het wezen van de mensheid is niet zoetelijk. Dat stort soms bloed, dat brengt soms offers en weet zich soms alleen te handhaven ten koste van een grandioze bluf. Is het een wonder dat het sprookje de wereld weerkaatst en niet slechts de zoetelijke theorieën van mensen, die menen dat het kind behoed en beschut moet worden, grootgebracht in een wereld waarin het zich dan later waarschijnlijk niet kan bewegen?

De achtergrond van het sprookje is een veelzijdige. Geboren uit het volk weerspiegelt het de geaardheid van het volk. Geboren uit het oude volksgeloof toont het ons aan hoe het bijgeloof van heden gegrondvest is in het verleden; gebaseerd op de inwijdingsleren, de filosofieën en gedachtegangen van het verleden, toont het ons aan hoe weinig de mens in dat opzicht vooruit is gegaan. Want de leringen van vroeger zijn ook vandaag nog goed. En misschien is het belangrijkste van het sprookje wel dat het de kinderen onbewust vertrouwd maakt met werelden, die het als een volwassene. toch weer zal moeten verwerpen, maar waar het innerlijk behoefte aan heeft. Daar liggen dan de paleizen van de feeën ergens in de bergen. Daar zijn ze, de natuurgeesten die overal spelen en spotten en schateren. Daar zijn de feeën, die helpen ingrijpen op het ogenblik dat het nodig is. Daar zijn de heksen en tovenaars, die met vreemde en buitengewone middelen hun eigen weg weten te gaan. Maar bovenal is daar steeds weer de vuurproef, het offer dat moet worden gebracht, de vrees, die moet worden overwonnen. Of die vrees nu is de geheimzinnige heks Kabaja, die de dood zelf regeert en die rond haar hut een reeks van spitse palen heeft, waarop lichtende geraamten zijn vastgepend; of dat het de boze tovenaar is of Blauwbaard; of dat het misschien het offer is van een meisje dat de vrouw wil worden van de sultan zelfs voor één nacht, wanneer ze daardoor het volk misschien kan redden (1001 nacht!), dat blijft eigenlijk gelijk. Het sprookje leert het kind te offeren, leert het kind te denken. En het leert het kind méér dan u beseft, een beroep doende op de oerpatronen die in dit kind bestaan ‑ in zijn eigen wereld zich te realiseren hoe de wereld is. De wereld misschien niet van de tinnen soldaat, want Andersen is te veel kunstenaar geweest om zijn sprookjes geheel aan te passen aan het volk; maar dan toch zeker wel als de verhalen van de ooievaar, zoals u die bij Grimm vindt; de verhalen over al die wonderlijke gebeurtenissen als de sprekende beren, die overigens klaarblijkelijk een soortgelijke rol in het bijbelse verhaal hebben gespeeld (de profeet, die zijn bespotting als kaalkop gewroken zag worden door een beer).

De hele kwestie is eigenlijk dit: Wanneer wij beseffen, hoezeer wij zelf hunkeren naar een waarheid van een sprookjesland, dan zullen we niet meer zo gek tegen een sprookje aankijken als iets, wat alleen maar voor vermaak is geschreven. Wanneer wij beseffen hoe wijzelf hunkeren naar de fee, die ons de middelen geeft om als een Assepoes toch in weelde uit te gaan om ons doel te bereiken, dan zullen we niet zo vreemd meer kijken, wanneer er mensen zijn, die een beroep doen op hun geestelijke meester of hun engelbewaarder, of God zelf bidden en smeken om in te grijpen en eigenlijk hetzelfde te doen wat de fee deed, die uit een kalebas en een paar muizen een karos maakte met paarden ervoor, een koetsier en alles wat daarbij hoort.

Wij verlangen naar het wonder. En het wonder bestaat. Dat is juist het vreemde. Want doordat Assepoester goed was, haar plicht deed, had zij de bescherming van haar moeder ten allen tijde en daardoor kon de fee haar helpen. Vooral in de oorspronkelijke versies komt dit sterk naar voren. Hetzelfde zien we steeds in de zgn. ruilsprookjes als bv. Hans met de eend, “Zwaan kleef aan” en dergelijke. Hierin zien we hoe de schijnbare dwaasheid kan leiden tot een groot geluk, omdat gehechtheid aan de directe waarden nóóit tot geluk voert. We zien duizenden malen dat het slachtoffer van de slechtheid der mensen gered wordt. Of dat nu is door een paar raven die in een boom zitten te praten en zo vertellen dat hier een wonderdadige bron ligt; of dat hij misschien door een geheimzinnig dier wordt gered ‑ zoals in het verhaal van die jongen die een leeuw, een hond, een wolf en nog iets bij zich had. En zo heb je het in alle sprookjes steeds weer. De mens verlangt er eigenlijk ook wel naar om­ zo’n “redder” achter de hand te hebben. En er bestaat er een. In de in­wijdingsleer bestaat die. Want op het ogenblik dat wij zelf in harmonie zijn met de natuur, kan niets wat tegennatuurlijk is ons schaden en zal elke schade, die voor een ogenblik is ontstaan, teniet worden gedaan in­ dien wij onze parallel met de natuur weten te behouden.

Het sprookje vertelt u niet dat u een heilige moet zijn. Integendeel, het laat zijn helden dwaasheden uithalen, zoals u ze zelf uithaalt. Het laat zijn helden in contact komen met figuren die even vreemd zijn als de droomgestalten die u soms opbouwt om uw dagdromen te verwerkelij­ken. Het laat heel rustig zijn helden en heldinnen zich te buiten gaan aan roof en aan plundering desnoods, maar altijd met één voorwaarde ze doen het nooit voor zichzelf. Klein Duimpje steelt, maar hij brengt het mee voor zijn ouders. Hans en Grietje hetzelfde: de schat van de heks nemen ze mee voor hun ouders. Klein Duimpje keert terug, rij­ker dan hij was, voor zijn ouders. En zo kun je verder gaan. Ga het maar overal na. Steeds weer zit erin: het principe van de zelfverloochening plus de eenheid met de natuur. En ik geloof niet dat u één sprookje kunt noemen waarin dat niet het geval is, ongeacht de origine. Want of we nu gaan denken over Indonesië, met het verhaal van de maagd, die ge­huwd zou worden ‑ ik meen aan de Bromo, in ieder geval aan een be­paalde vulkaan, wanneer we denken aan degenen die als slachtoffer vielen­ van de verschrikkelijke zeegodin, dan ontdekken we nog steeds hetzelfde: Zij, die goed, eerlijk en edel zijn, kunnen wel eens dwaze dingen doen maar door hun harmonie met de omgeving, door hun eerlijkheid t.o.v. het werkelijke levensprincipe komen ze er. Het sprookje, mijne vrienden, is in zijn achtergrond in feite een zedenleer. Een zedenleer, die realis­tischer is dan menige plechtige psychologische of psychologische beschou­wing. Het is een zedenleer, die gegroeid is uit het volk, die verrijkt werd met de geestelijke elementen van vele reeksen van denkers en zo de mens van heden nog geeft de mogelijkheid om in het sprookje zichzelf te herkennen en lezende tussen de regels door ‑ de uitweg te vinden die ook voor hem bestaat.

Vrienden, dit is mijn inleiding. Het is de bedoeling dat u naar voren gaat komen met uw visie op het sprookje, met uw protesten misschien tegen wat ik gezegd heb; dat u mijnentwege alle sagen en legenden erbij haalt, die u zich maar herinneren kunt. Want, ik hoop dat we toch met elkaar tot een eindconclusie zullen kunnen komen, die voor ons allen gelijkelijk aanvaardbaar is, juist omtrent het sprookje.

Vragen

  • Zouden de sprookjes ook ingegeven kunnen zijn door de werkelijke leraren der mensheid of door hen geïnspireerden? Kunt u iets ver­klaren over Tristan en Isolde?

Moeten we Tristan en Isolde een sprookje noemen? Goed, ik wil dat misschien ook nog wel toegeven en wat dat betreft kunnen we alle verhalen, die samenhangen met deze dingen misschien ook sprookjes noemen. Wanneer een oer‑these wordt gevonden van een bepaald volk of een bepaald ras, dan is het duidelijk dat ‑ juist de meer ingewijden ‑ hiervan gebruik zullen maken als voertuig voor hun eigen lering en stelling. U zou het waarschijnlijk het best zo kunnen uitdruk­ken: De ingewijde neemt het bekende en maakt uit het bekende een vergelijking of een verhaal, dat gelijktijdig inzicht geeft in een werkelijkheid. Het verhaal bv. van de verloren zoon, dat we bij Jezus vinden, is eigenlijk ook iets wat het midden houdt tussen een gelijkenis en een sprookje. Het heeft althans vele elementen, die aan een sprookje doen denker. Nu zou u zeggen: “Ja, maar dat is iets, wat van Jezus komt.” Dit is niet geheel juist, want een  soortgelijk verhaal vinden we in bepaalde delen van het Gilgamesj­-epos en we vinden het daarnaast in enkele Babylonische en Assyrische varianten en overleveringen. Ook bij de Phoeniciërs is een soortgelijk verhaal bekend en daarnaast vinden wij het ook bij de zeer vroege Hellenen; daar bestaat dus ook een dergelijk verhaal. Het is elke keer iets gewijzigd in verband met de volksaard, maar de les die Jezus daaruit trekt, de inhoud die hij er in legt door a.h.w. de bekering, de terugkeer waardevoller te maken, de clou, die is van hem. En zo gaat het meestal met ingewijden. Men neemt een verhaal ‑ of dat nu een Tristan en Isolde is, een Lohengrin, Siegfried‑sage of iets anders  dat reeds bestaat. Maar men werkt het juist zover om, dat het voor het volk nog aanvaardbaar blijft en gelijktijdig eigen impuls en eigen gedachtegang toch weer openbaren. In deze zin wil ik dus accepteren dat ingewijden en Meesters ‑ als we hen zo mogen noemer‑ in sommige gevallen dus gebruik zullen maken van bestaande oer‑waarden om door een bijzon­dere interpretatie hun eigen lering daarmee te verduidelijken of  voor het nageslacht vast te leggen.

  • Is dat hetzelfde met uw esoterische sprookjes?

Ja. Maar wist u dat de sprookjes, die wij vertellen, over het alge­meen montage‑werk zijn? Het lijkt net een bouwsysteem. We nemen de voor ons passende elementen uit bestaande sprookjes, voegen daar onze esoterische stelling in en komen zo tot een gelijkenisje of een sprookje, dat voor degenen onder u, die willen luisteren naar hetgeen we tussen de regels door zeggen, zeer waardevol kan zijn. Dat hebben anderen ook gedaan.

  • Hangt het ook met de Graal samen?

Ja en neen. De Graal‑mythos is weer terug te brengen tot veel vroege­re mythen, die later verchristelijkt zijn. Dus in de plaats van bv. de Steen der Wijzen of ook wel de Put der Wijsheid of de Bron van het Eeuwige Leven is in dit geval de Graal gekomen, de Avondmaals­beker. Maar de gedachtegang blijft steeds hetzelfde.

  • Tristan is toch één van de ridders van de Ronde Tafel, nietwaar?

Ja, inderdaad. En om nu te spreken met Mark Twain, die daar een aar­dige parodie op heeft geschreven: Wanneer deze ridders zich verveel­den, dan trokken ze uit op een expeditie naar de Graal, die ze natuur­lijk niet vonden, maar die anderen weer de gelegenheid gaf om na een jaartje een hernieuwde expeditie uit te rusten, om degenen die ver­loren waren gegaan bij het zoeken naar de Graal, terug te vinden! Dus we moeten die Ronde Tafel en alle mystiek die men ermee verknoopt heeft, toch hier en daar ook weer zien als een samenvlechten van ver­schillende volkssagen, dus ridderverhalen. Wanneer we bv. in de le­gende Sir Galahad zien met zijn wijze van optreden, dan is dit toch wel in de eerste plaats een ridderheld. En de verhalen daarover in omloop zijnde waren de aanleiding o.a. tot het ontstaan van Don Qui­chot als een remedie tegen de overdreven ridderromantiek. Dus laten we niet vergeten, dat men hier zuiver een beroep heeft gedaan op de sensatielust e.d. van de bevolking.

Er zijn natuurlijk wel mythische figuren aan te wijzen, die eigenlijk in een sprookje passen, bv. Merlijn.. Merlin of Merlijn (het ligt eraan welke versie u prefereert: de Frans‑Bretonse, of de Brits‑Normandische) is eigenlijk het principe van de goede magiër. Hij is dus de helpende factor van het gezag en duidt zo aan dat het boven­natuurlijke altijd ook weer de gezagsdrager bijstaat, wanneer andere magie tegen hem wordt aangewend. Als ik daarop moet doorgaan, dan kan ik nog een heel eind vertellen, want dan moet ik u vertellen waarom die magie in die ridderromans zo’n rol speelde. En dat is nu weer, omdat het een zeer gemakkelijke Deus‑ex‑machina was, dus aanleiding was tot een oplossing volgens elke wens van de schrijver of verteller, met daarnaast ook weer het spectaculaire. Laten we niet vergeten dat net alle feeën, tovenaars enz, een mystieke achtergrond hebben, maar dat velen van hen een achtergrond hebben die eerder bedoeld is voor het effect. Het sterkst bv. bij Hans en Grietje, wat ook heel gemakkelijk anders zou kunnen worden uitgebeeld en eigenlijk dus gruwelijker wordt gemaakt dan noodzakelijk is. Dat vinden we zelfs bij die Graal-legenden en ‑mythen weer terug. Daar is ook hier en daar de sensatiedrang, de drang naar romantiek sterker geworden dan het begrip voor de eigenlijke achtergrond van de legende. Wat u van die overleveringen kent, is over het algemeen de ridderroman of de balladevorm, maar slechts heel zelden het werkelijke volksverhaal.

  • U had het in het begin van de avond erover dat er legenden zijn, waarin de zon plotseling stilstond. Hoe kan dit, waar de natuur aan goddelijke wetten ondergeschikt is? Als de zon stilstond zou toch het hele firmament in elkaar storten. Daarom begrijp ik dit niet.

Ja, ik kan me voorstellen dat u dat een moeilijk punt vindt. Maar misschien heeft u wel eens opgemerkt , dat wanneer je ergens heel druk mee bezig bent, en zeer geconcentreerd, je zoveel doet in zo’n korte tijd, dat het lijkt alsof je al een hele tijd bezig bent geweest. Bij veldslagen kan dat ook gebeuren; dat dus zoveel ontwikkelingen in een korte tijd plaats vinden, dat men dit ziet als een “stilstaan van de tijd”. Daar komt bovendien bij, dat sommige dagen lang zijn en ande­re niet. Hetzelfde geldt rond Kerstmis of rond het hoogtepunt, de langste dag, dat is toch wel een verschil van uren. En wanneer je dat nu overeen brengt met het geloof, de tendens om iets spectaculairs, iets bijzonders van de zaak te maken, dan kunt u dus begrijpen hoe men komt aan het stilstaan van de zon.

Nu moet ik hier toch even iets bij vertellen: Er zijn heel veel spectaculaire gebeurtenissen geweest, waarbij natuurlijke oorzaken plus hun interpretatie het wonderlijke effect hebben bezorgd. We horen op een gegeven ogenblik in de Maori‑overlevering, dat een eiland oversluierd wordt met duisternis. Hetzelfde horen we in Egypte. Die ongeveer gelijke oversluiering is voorgekomen o.a. bij de uitbarsting van de Krakatau. Een volkomen natuurlijke kwestie: stof in de bovenste luchtlagen en daardoor een zodanige dikke wolk, dat de zon er niet meer doorheen kon schijnen. Maar stel je nu voor dat zoiets gebeurt net op het ogenblik dat er een profetie is geweest of een tweegevecht, dat er iemand vermoord is of iemand geboren. Dan maakt men daar iets van wat heel wonderbaarlijk lijkt. Stel dat er een komeet komt, dat er ergens een meteoor inslaat ‑ noem maar een willekeurig gebeuren, dat buiten het normale ligt, een windhoos bv., een buitengewoon zonnige dag tussen een periode van bedekte dagen en dat dit dan juist valt op een dag of gelijk valt met een dag, waarvan men aanneemt dat er iets bijzonders is gebeurd. En dan mag er later ‑ als dat verhaal later wordt gevormd ‑ gerust een jaar tussen liggen. Laten we zeggen: U bent geboren op 19 Juni. En nu is er een jaar vóór u geboren werd een 19e Juni geweest, die zo buitengewoon stralend was en zo buitengewoon windstil, dat het leek of de hele natuur aarzelend ergens op wachtte …. Dat kwam ook in die avond: dat was een onweer. En nu is er een oude heer of dame, die herinnert zich dat wel, maar die weet niet precies meer wanneer. En die praat dan tegen je en zegt: “Ja, ik heb het altijd wel gezegd: dat wordt wat bijzonders. Want toen jij geboren werd op die dag, toen was het zo windstil‑ en de zon was zo fel! En ik dacht: nu moet er een wonder gebeuren…. En toen kwam jij!” Zo gaat dat dus. Maar nu gelooft u dat, u vertelt het verder, uw kinderen gaan het nog een beetje opsieren en u wordt later een nationale held…. Dergelijke dwaze, of schijnbaar dwaze verhalen ontstaan vaak door het samentrekken van  gebeurtenissen. Dus daar moet u rel rekening mee houden.

  • Er staat toch ergens in de Bijbel dat er gebeden werd tot God, dat God de zon niet zou laten ondergaan voordat een overwinning behaald was. Is dat ook iets dergelijks?

Dat is ook iets dergelijks. Dat gebed kan dus uitgesproken zijn en de overwinning zal vóór zonsondergang behaald zijn. Maar men heeft later dit gevecht waarschijnlijk ontzettend versierd. Dat is een oude mode, hoor. Wanneer vroeger 3 soldaten 10 soldaten ontmoeten en ze had­den een gevecht en die 10 werden verslagen, dan vertelde de overle­vende die wegvluchtte dat hij 3000 man had ontmoet, zeventien uren manmoedig had gevochten (terwijl hij het maar een kwartier had uitge­houden) en dat engelen uit de hemel waren gekomen om hem te assiste­ren bv. Dan krijg je dus een verontschuldiging van eigen falen door een schijnbaar mirakel of door een sterke overdrijving. En dat is on­getwijfeld in die oude tijden het geval geweest. En wanneer we de Bijbel goed lezen, zullen we ons realiseren dat hier in vele geval­len wel degelijk sprake is van een door mensen geschreven kroniek zodat de eigen versie, die daar wordt neergelegd, de overdrijving van de tijd kent. Dat wil nu helemaal niet zeg­gen dat ik de Bijbel voor een sprookje uitmaak. Integendeel. Maar we kwamen even op het onderwerp en daarom heb ik mijn mening daarover gezegd.

      Hoe ziet u het sprookje van de 4 Bremer stadsmuzikanten in verband met zijn esoterische achtergrond?

Dat lijkt me wel aardig, ja. De ezel, de hond, de kat en de haan. In de eerste plaats zouden we die figuren kunnen omzetten in ongeveer gelijke astrologische beelden. M.a.w. het verhaal kan oorspronkelijk wel eens ontstaan zijn, doordat een aantal gewone bedelaars met el­kaar dus een dergelijk avontuur begonnen. En nemen we nu aan dat de een dom was en een weggelopen boerenknecht, dan hebben we daar de ezel. De tweede was een assistent‑jachtopziener en dat was een hondse kerel volgens de stropers, dat was dus de hond. De kat was een weesmeisje dat niet veel van doen had en zich er ook bijvoegde. En dan was er nog een kleine Fransman, die ook in de buurt van Bremen verzeild was en dat was het haantje. Dus op die manier kun je dat al gaan verklaren. Maar er is één typisch verschijnsel in dit sprookje, dat ons juist op eso­terische basis tot nadenken noopt. En dat is dit: De ezel en de hond kunnen misschien wel met elkaar opschieten, maar als de kat en de haan er nu ook bijkomen en deze gaan in vrede samenwerken, dan hebben we toch wel te maken met oorspronkelijk geheel strijdige typen. Verder: ze vinden gezamenlijk een interesse, die voor de wereld helemaal niet verrassend is. Want ze willen muziek maken, maar wanneer ze samen bezig zin, is het alleen maar een heidens lawaai. Toch hindert dat niet, want door hun samenwerking hebben ze iets bereikt, wat veel meer waard is dan hun eigen plan. Het gaat er niet om ‑ esoterisch gezien ‑ waar­om wij met elkaar samenwerken en wat we voor een droom hebben, die we zoeken te verwerkelijken. Wij moeten de eenheid vinden, waardoor we ongeacht rang, stand en ras elkaar helpen; niet trachtend elkaar te ver­anderen, maar elkaar accepterend zoals we zijn. Op deze manier kunnen we een band bouwen die kosmische werking heeft. En wanneer we dan komen te staan tegenover contrast ‑ tegenover de rovers bv.‑ dan zullen we in de eerste plaats elkaar kunnen helpen om te zien wat er gaande is. In de tweede plaats zullen wij juist door onze verschillen, alle demonische invloeden, alle misvattingen uit de weg kunnen ruimen, want we vormen een evenwicht. Wanneer het ezels waren geweest, dan hadden ze al heel gauw pakken gedragen voor de rovers. Wanneer het 4 hanen waren geweest, dan hadden de rovers zeker hun nekken omgedraaid en dan was er heerlijke kippensoep gegeten. En een stelletje katten? Ja, Misschien hadden ze mogen muizen en dan waren ze de deur uitgegooid. En wat oude houden betreft, ik geloof niet dat de rovers daarvoor belang­stelling hadden gehad. Maar de combinatie van deze 4 wordt, gezamenlijk tot een machtig spookbeeld, waarbij hun eenheid en samenwerking veel machtiger is dan al het andere. En daardoor gewinnen ze een welvaart, die ze door hun leven verdiend hebben, maar die ze alleen door de eenheid met anderen voor zich konden realiseren. Geestelijk is het duidelijk: Wanneer we geen verschillen willen erkennen tussen de mensen maar alleen een modus van samenwerking, wanneer je gezamenlijk willen streven naar één doel en elkaar zo goed wij kunnen terzijde staan, dan mogen we ons misschien wat vergissen in het doel waarnaar we streven, maar in onze eenheid zullen, wij te sterk zijn voor elke demonische kracht. We zullen door ons onbevooroordeeld zijn ons de schatten van werkelijk weten (het ware doel ) kunnen veroveren en zo de innerlijke vrede en waarheid kun­nen ondergaan en beleven, die zonder die eenheid nooit voor ons toegan­kelijk zou zijn geweest in dit bestaan.

  • Ik dank u voor uw verklaring, die voor mij een openbaring is geweest. Ik stelde deze vraag en vroeg om uw esoterische beschouwing daarover, want ik vond dit sprookje zo aardig om de eigenaardige bevoertuiging, die erin werd gegeven.

Daarin heeft u gelijk. Esoterisch gezien kunnen we het misschien ook wel zo stellen. Maar ik ben daar een beetje huiverig van, omdat wij nl. ‑ onverschillig welk voertuig wij hebben ‑ uiteindelijk door een gelijk bewustzijn worden bestuurd. En dat is juist wat bij het sprookje van de Stadsmuzikanten ontbreekt. M.a.w. ik geloof dat de morele kant, die uiteindelijk de esoterische bereiking toch mogelijk maakt, hier voor mij wat sterker in het oog springt dan de andere. Met één uitzondering en dat is wanneer ze voor het venster staan: de hond en de ezel, de kat op de hond en de haan bovenop alle. Hier is de enige plaats waar, iets wordt aangegeven van het verschil in voertuigen. Maar de symbolen zijn dan slecht gekozen, tenzij we teruggrijpen naar bv. de Egyptische interpretatie van de kat en de Romeinse of beter nog de Perzische interpretatie van de haan, nl. als heilige dieren. Houden we ons echter bij de gewone beschouwing van het Westen, dan wordt het heel moeilijk om ons voor te stellen dat we in ons hoogste voertuig een haantje zijn en in een iets minder hoog voertuig een kat, enz. De eenheid echter, waarom het gaat, die blijft.

En dan mag ik ook nog wel wat anders opmerken. Wanneer wij esote­risch gezien tot innerlijke harmonie komen, dan zijn onze voertuigen harmonisch met de kosmos. De 4 dieren van de Bremer Stadmuzikanten bren­gen tenslotte ‑ wanneer u het mij vraagt – een kakofonie te berde, een soort muzikale nachtmerrie, die voor ieder behalve de uitvoerenden, een verschrikking is. Ik zie hier dus niet de uitdrukking in van de kos­mische harmonie, die bereikt wordt, wanneer alle wezens één zijn. Maar ik wil ook deze interpretatie gaarne accepteren, niet omdat ik ze passend vind bij het sprookje, maar omdat ze zo’n mooie les geven.. nl. de mens moet in zichzelf één zijn en hij moet dus trachten tussen stof en geest een zodanige band te leggen, dat elk van hen zijn eigen wegen kan gaan en toch alle gezamenlijk als eenheid handelen wanneer de noodzaak daartoe bestaat. In die zin vind ik de uitleg zo mooi gevonden, zo mooi geïnterpreteerd, dat ik alle bezwaren wil laten vallen vanwege de juistheid van de interpretatie ten opzichte van het werkelijk geestelijk gebeuren.

  • Om nog even terug te komen op het vertellen van sprookjes aan kleine kinderen: verschillende moeders hebben de ervaring dat kinderen zich be­paald verzetten tegen heksensprookjes. “Alles is goed, maar niet over heksen vertellen”. Zou het moderne kind een andere instelling hebben ten opzichte van het oude sprookje?

Ik geloof niet dat dat waar is. Er komt nl. een tijd dat de interesse wel op de heksen valt. Maar mag ik een opmerking maken? Het vertellen van sprookjes is in zekere zin het beantwoorden, aan de droomwereld van het kind, dus aan het oerinstinct. Wanneer het kind niet over heksen wil horen, is het natuurlijk dwaas om toch over heksen te gaan vertel­len, tenzij het nu toevallig noodzakelijk is. Maar wanneer die heks geen hoofdrol speelt en alleen een bepaalde organische plaats in de handeling van het sprookje inneemt, kunt u ze rustig noemen, indien u het niet te gruwelijk maakt. Het kind zelf vult het heus wel aan. Het is voor een kind niet noodzakelijk om een sprookje literair te vertellen; dat is alleen noodzakelijk voor grote mensen, die geen fantasie meer hebben om de details voor zichzelf visueel a.h.w. op te bouwen. Mijn commentaar hierop is echter verder dat het sprookje niettemin waardevol is en dat, omdat één of meerdere kinderen dus de heksen verwerpen, er nog geen reden is om te zeggen dat alle kinderen dit zul­len doen of dat het dus voor “de” kinderen slecht is. Verder wil ik op­merken dat vele kinderen een bijzondere voorkeur tonen voor bepaalde sprookjes; zij zoeken hierin dus een echo van hun eigen wezen: dit is hun eigen droombeeld, hun eigen beleven; en dat betekent bij het kind over het algemeen een weerkaatsing van de eigen geestelijke instelling. 0nthoud dan dit: dat wat het kind absoluut vreest en verwerpt, heeft waarschijnlijk een belangrijk deel in een vorige fase van bestaan uitge­maakt. Het is juist de ervaring hiervan, die nog verwerkt moet worden in dit leven, die tot een terughouden van dergelijke onderwerpen leidt. Ik geef graag toe dat de oude sprookjes niet pedagogisch zijn, maar het vreemde is dat de pedagogische sprookjes er over het algemeen nog minder ingaan. Verder wil ik er op wijzen dat de grote mens heel vaak de fout maakt om het kind te willen opvoeden in een wereldbeeld dat niet werke­lijk bestaat. En wat mij betreft: geef mij dan maar liever die heks van Hans en Grietje dan de atoombom. En toch zal het kind moeten leven met de atoombom, zodat de heks van Hans en Grietje op de duur toch zeker aanvaardbaar moet zijn. En ik geef graag toe dat slachtpartijen, zoals sommige sprookjeshelden aanrichten, wat bloeddorstig zijn. Maar per slot van rekening is een bombardement in een wereldoorlog niet veel er­ger? Zou u die dingen ook voor de kinderen willen verzwijgen, zodat ze dezelfde fouten kunnen maken als hun ouders? Ik wil hiermee alleen dit beweren: wanneer kinderen al voor de sprookjes een zekere weerzin hebben, goed, overdrijf het niet; maar laat hen er toch ‑ zo u kunt ‑ regelmatig kennis van nemen. Probeer a.h.w. naarmate het kind groter wordt en een beter begrip krijgt, ook de rol van het kwade in het sprookje wat duide­lijker te stellen. Opdat het kind het verschil tussen goed en kwaad leert begrijpen, want helaas daaraan ontbreekt het bij de moderne jeugd zo hier en daar. Ze weten niet meer wat goed en kwaad is. En hoe moet een wereld worden, waarin de mensen zichzelf geen beperking opleggen en dus het natuurlijk gegroeid menselijk wezen geweld gaan aandoen? Mij lijkt het dat het sprookje in de jeugd soms zelfs een zeer dankbare factor is, die kan worden gebruikt om het kind te brengen tot een reëler begrip van de werkelijke wereld, de moraal en ook de conflicten die daarin bestaan.

  • Hoe ziet u de legende van Hiram Abiff, de bouwmeester van Koning Salomo, die door 3 boze gezellen vermoord werd, in de tempel begraven en weerge­vonden in een nieuw graf met groene tak, welk verhaal voor zover mij be­kend niet in de Bijbel voorkomt. Waar komt het dan wel vandaan?

Het verhaal van Hiram Abiff komt eigenlijk van een bepaalde tak van kab­balisten en maakt deel uit van een kabbalistische overlevering, die in enigszins andere zin, bv. ook bij de Rozenkruisers terugkomt, waar de figuur van Lazarus opstaat voor een bepaalde functie. Ik meen dat der­gelijke legenden ‑ ongeacht hun vaak schone en zeer ingewikkelde symbo­liek ‑ niet veel verschillen van de slapers, die in de berg wachten op het ogenblik van hun bevrijding, en van de vorsten die wachten op het ogenblik van grote nood om hun land te bevrijden. Men wil hiermee uit­drukken dat de geestelijke krachten, die werken en bouwen op de wereld, niet te allen tijde wegblijven. Zij rusten, zij slapen, zij zijn mis­schien niet kenbaar voor de mensheid op dit ogenblik, maar er komt een ogenblik dat zij levend zullen opstaan. Zoals de bouwmeester op een dag dat zal zijn, wat hij werkelijk is: de uitdrukking van een ‑ zij het eenzijdig ‑ aspect van de goddelijke en ‑ om dan even op deze legende in te gaan ‑ stof en geest gezamenlijk de bouw hervatten, waardoor in de perfectie de eenheid van wijsheid der aarde en van wijs­heid der geest de volmaking mogelijk maakt voor eenieder. Dan wordt nl. uit hen de spiegel der waarheid geboren. Dus ik meen dat deze le­gende‑vorm, die wij op duizenderlei manier ook weer kunnen aanwijzen, geboren wordt uit het in de mens liggend besef dat eens de volmaakt­heid bereikt wordt en dat het goede dat schijnt te sterven op de wereld herleven zal.

Het is moeilijk om hier commentaar te geven. Want dit behoort bij de 3de graads‑ritus van de vrijmetselarij; en om hierover in het publiek te discussiëren lijkt mij minder geschikt.

Ja, het is dan ook, als ik me niet vergis, voldoende duidelijk uitge­drukt, dat iedereen er iets van begrijpen kan; en ik hoop ook duidelijk genoeg geweest te zijn, dat men de essence van mijn betoog ‑ zelfs bij een derde graad ‑ zou kunnen vatten, zonder dat we daarmee op glad ijs komen. We hebben nl. ook wel de gewoonte om dergelijke dingen enigs­zins te respecteren. Maar als u even achter de regels leest, dan zult u misschien zien wat ik heb willen zeggen.

  • Hebben mythen soortgelijke achtergronden als sprookjes? Welke is de achtergrond van de Griekse Olympusmythe?

De mythen hebben niet precies een gelijke achtergrond als het sprookje. Het sprookje baseert zich op de mens; en deze mens en zijn milieu zijn steeds het onderwerp van het sprookje, dat op de duur zich baserend op een vroeger feitelijk gebeuren ‑ daarvan een overlevering en een be­lering maakt. Bij de mythologie echter ontdekken we wat anders. Over­leveringen ‑ ook vaak door beïnvloedingen van buitenaf ‑ eenmaal ont­staan, brengen bepaalde geschapen Godsgestalten naar voren, die beant­woorden aan de behoeften van de mensen. De Olympus‑mythe is niet zo vreemd, wanneer u zich realiseert dat de berg altijd de tempelplaats is geweest in de oudheid. Men is zelfs zo ver gegaan dat waar geen ber­gen waren men tempeltorens heeft gebouwd. En of dit nu de ziggoerats zijn geweest van het Oosten of de trap‑piramiden van het Westen; men heeft die bergen gebouwd, zodat op een berg het heilige kan leven. Nu waren er veel Goden‑gestalten ontstaan, grotendeels plaatselijk. Men had dus een reeks van overleveringen (vaak in verband staande menselijke gebeurtenissen en afkomstig van een soort fetisjisme), die in Griekenland op de duur zozeer bekend werden, dat men zocht daaraan een uitdrukking te geven. En de Olympus was dan de berg, die het meest in aanmerking kwam, men begon daar eerst alle goden te verzamelen. (dus daar het Godenrijk te projecteren), zoals andere volkeren dat op het ogenblik nog doen (het geestenrijk op de Mount Everest en de rum‑toppen). Het gevolg was, dat toen die goden bij elkaar bracht een onderlinge verhouding moest worden vastgesteld door de houding van de steden t.o.v. elkaar, zodat elk hunner met de eigen Goden deel begon te krijgen in die Olympus. Toen heeft men de eigenschappen gebruikt om verhalen te maken, dus uit de verschillende Goden ontstond de mythos door “het verhaal”. Het verhaal was vaak ook tevens een uit­drukking van politieke verhoudingen. De grote steden zelf echter voelden zich enigszins beëngd door deze vaak dichterlijke en politieke interpretatie van hun eigen Goden en wendden zich op de duur tot andere Goden. Vandaar dat we op de Olympos bv. Pallas Athene wel tegenkomen, maar eigenlijk pas als één van de lagere machtigen. Zij werd nl. tot Godin van Athene gekozen toen men andere Goden terzijde had gesteld. De zeegod zwaar vereerd in Athene, was ook een God die op d e Olympus praktisch niet thuis hoorde toen in het begin de overlevering een kleine rol speelde en die pas later ingeschakeld werd.

U zult begrijpen dat de Olympus‑mythos op zichzelf echter een perfect voertuig was voor de esoterische en inwijdingsbegrippen van die tijd. En zo zien we het verhaal van Kronos, de tijd die zijn eigen kinderen eet (een zeer filosofisch beeld zoals u ziet), het ontwaken van het eerst geredde kind (in de plaats waarvan een steen), het bedrog aan de Goden (denkt u eens aan de Lucifer‑mythe van de Christenen, de appel waarover Adam en Eva zo’n ruzie hebben gehad, de eerste fruithandel in de wereld). Dus daar werd het eeuwigheidsconflict tussen licht en duister, dat eenieder erkent, in uitgedrukt. Zo kon men komen tot een uitdrukking van overleveringswaarden, die zich normaal ontwikkelt tot een Godenwereld die voor iedereen aanvaardbaar was. En nu mag ik er wel bij vertellen dat zodra de Goden zo beroemd worden dat eenieder over hen spreekt slechts weinigen respect hebben voor hen hebben. En dat is ook het geval geweest in Griekenland.

  • Was de Olympus niet de zetel van Zeus en de zijnen? En Kronos en Rheia en anderen die daar voor waren, komen toch op de Olympus niet voor?

Neen, die komen niet op de Olympus voor. Die zijn juist de voorvaderen, oerkrachten. En ik haalde dezen dus aan om aan te toren, hoe men de inwijdingsmythos a.h.w., bij de 0lymposmythos heeft aangesloten, zodat het één geheel werd. De 0lympus is dus eigenlijk de plaats van de ver­menselijkte Godheden en zelfs van de halfgoden soms, dus de helden zien dus hier dat men probeert de Olympus te maken, waaruit zich menselijke krachten gespecialiseerd kunnen concentreren bepaalde geestelijke waarden die echter in de inwijdingsmythos volledig beschreven en bekend zijn.

  • Het was hier dus een afstandsbrug tot de Goden, deze Olympus?

Inderdaad. Maar dat is algemeen. Want dat deed men niet alleen met de Olympus. Want om even verder te gaan de regerende Inca was de zoon van de zon; de regerende Farao was zoon van de zon; de regerende vorst van China was zoon des hemels. Daar heeft u een paar voorbeelden van. En het is nog niet zo lang geleden dat de keizers van Rome zich godde­lijke Augustus deden noemen, waarbij dus ook een afstamming van de Go­den werd geaccepteerd. Dit komt voort uit de erkenning van de vroegere heerser, dat hij zijn gezag uitoefent alleen met toelating van de Goden. Hij zag God veel belangrijker dan men dat tegenwoordig doet. Die uitdrukking was vroeger letterlijk. Dat heeft ook geleid tot de machtsstrijd tussen Kerk en Staat, zoals o.a. met Karel de Grote en later met Napoleon. Daar ziet u iets van die machtsstrijd. Die is gebaseerd op het begrip, dat alle macht uit God stamt omdat God de enige werkelijke macht bezit. En dat is in de inwijdings‑idee volledig waar. Maar als je dat gaat uitdrukken in een politiek idee, dan moet je een directe vertegenwoordiger van God hebben. En zo ziet u dat de Paus als stadhouder des Hemels eigenlijk niets nieuws is: hij is zelfs nog een graadje minder dan de Farao’s want die waren direct Goden. Men neemt nl. aan dat God als leidende Kracht op deze wereld op enigerlei wijze incarneert in de Machtsdragers en hen zo ‑ op de ogenblikken dat dit noodzakelijk is ‑ de onfeilbaarheid, het grote gezag, de kracht, het inzicht en het vermogen geeft om voor de wereld en volgens Zijn wil juist te handelen. Daar komt het eigenlijk uit voort.

  • Maar de goden van de Olympus waren toch eigenlijk een stadium verder van het oorspronkelijke begrip, dat God en mens één waren, zoals ook in totems voorkomt: dezelfde kracht die in de God zetelt en in de mens overgaat. Per slot van rekening is met de Olympus een verwijdering ge­komen van de eenheid, die tussen God en mens bestond.

In het volksgeloof wel, maar in de ideële uitdrukking eigenlijk niet, omdat men nl. de Goden allerlei kwaliteiten en eigenschappen toedich­tte en men dus de werking van de God door deze kwaliteiten in zichzelf kon erkennen. Elke mens was dus eigenlijk de Olympus, waarop de kinderen van de tijd ‑ daar komt het dus eigenlijk op neer ‑ gezamenlijk de krachten van de eeuwigheid vertegenwoordigen er waardoor de terugkeer tot de Eeuwige mogelijk wordt. Ik kan u verzekeren dat in bepaalde in­wijdingsriten ook deze idee naar voren werd gebracht. Maar ik geef graag toe: hoe familiairder de mens over God spreekt, hoe minder hij God acht en hoe meer hij zichzelf aan God gelijk acht; niet zichzelf deel van God, maar de gelijke van God. En dáár zit juist de grote fout.

  • Vooral die Olympische goden, want die waren zo ondeugend als het maar­ zijn kon.

Dat is heel betrekkelijk. Want u moet niet vergeten dat in de tijden dat de Goden op de Olympus nog Goden der mensen waren, de mensen zelf dergelijke dingen eigenlijk normaal vonden, omdat ze zelf eigenlijk nog veel ondeugender waren. En wanneer we nog een stap verder willen gaan, dan zou ik haast zeggen: het is helemaal geen wonder, want is er eigenlijk tegenwoordig ook niet menige Zeus of Jupiter‑Tonans die ban­bliksems gooit van zijn directie‑zetel uit naar zijn ondergeschikten? En die toch ondertussen ook nog wel eens een aardige secretaresse zo eens even …? En hoeveel heerszuchtige vrouwen bewaken ook angstvallig de paden hunner echtgenoten?

  • Maar dat zijn geen Goden.

Dat zijn geen Goden. Maar de positie waarin zij zich op de wereld be­vinden is vaak een weerkaatsing van de toestanden ‑ bewustzijnstoestan­den en belevingssituaties ‑ waarvan de Goden het zinnebeeld waren. Daar­om is het helemaal nog niet zo vreemd, dat men in een heerschappij zo­als de Griekse, waar de vrijheid op velerlei gebied veel groter was dan hier ooit kan zijn (als je over democratie spreekt, was die in Athene zeker nog iets werkelijker dan bv. in Nederland op dit ogenblik), dat men daar juist de dichterlijke vrijheid nam om de Goden de eigenschap­pen van de mensen toe te dichten in een beperkte mate, maar vaak op een amusante wijze ‑ daar waren het weer auteurs, die dat deden ‑ op­dat de mensheid de Goden in zichzelf zou kunnen blijven erkennen en men dus zichzelf met de Goden zou kunnen blijven vereenzelvigen. “Wat heb­ben we aan een God” zo zeiden ze “die zover van ons weg staat? God, die nooit een slippertje maakt. Die kunnen wij ons in onze maatschap­pij niet voorstellen” Wat moeten we met zo iemand beginnen? Dat zal wel een saaie kerel zijn. Neen, geef ons dan Zeus maar” Begrijpt u? Op die manier. En… ja, ik wijk een heel eind van het onderwerp af, maar goed, nog één ding: Schept op het ogenblik de mens zijn God ook niet vaak in overeenstemming met zijn eigen angsten en begeerten? Hoeveel mensen zijn er tegenwoordig, die het sprookje hebben van God, die morgen ‑ bij wijze van spreken ‑ op aarde het Koninkrijk Gods zal uitroepen, alleen omdat ze bang zijn, dat ze het zelf op de wereld niet klaar kunnen spelen? Hoeveel mensen zijn er die vandaag de dag vertellen dat God zich helemaal niet met de wereld bemoeit, alleen omdat ze het gevoel hebben dat ze zelf toch niets kunnen doen en zich dus ook zelf van elk daad­werkelijk ingrijpen onthouden? De mens schept zijn God. En omdat er zo­veel mensen zijn, die een ander beeld hebben, ontstaat wanneer ze geza­menlijk en verdraagzaam daarover spreken ongetwijfeld een nieuw Pantheon. Dan vinden we nieuwe Goden en misschien ook een nieuwe Olympus! Maar één ding is zeker: de Goden blijven de schepping van de mensen en de leer, die aan die Goden verbonden blijft, zal ‑ evenals in de sprookjes­ een uitdrukking zijn van de meerwaarde die in de mens leeft, een uitdruk­king van de bewustwordingsgang die hij in de mensheid heeft doorgemaakt, het erfdeel a.h.w. van lange jaren van zoeken en streven, ook wanneer men dat later niet meer begrijpt. Zullen we nu maar weer eens teruggaan naar het sprookje?

  • Het verhaal van de Erlkönig?

“Wer reitet so spät im Nacht und Wind? …..Deze Erlkönig stamt weer uit het begrip dat er een demonenrijk is. En dat demonenrijk is niet zo irreëel als het oppervlakkig lijkt. Want we weten allen dat er be­paalde, zuivere vormkennende sferen bestaan, die duister zijn, maar toch een redelijke replica van de menselijke maatschappij. En wanneer een mens daarin zou afdalen met een astraal lichaam en hij zou daar iets gebruiken, bv. wat drinken of wat eten, zoals dat daar wordt aangeboden, hij zou zich dus verzwaren met iets wat tot die sfeer behoort. Dan is hij de gevangene daarvan. En ander die dat ziet, kan dat vaak niet voorkomen. En in de ballade van Erlkönig vinden we dan uitgedrukte achtervolging ‑ niet alleen door de dood ‑ maar juist door de begeertewereld. En dan eindigt het: “Aber das Kind war tod”. Op een gegeven ogenblik kan je als mens voortjagen zoals je maar wilt en dan kun je menen de kosmos te bestieren, maar je kunt niets doen tegen eeuwige krachten. En of het de Erlkönig is geweest, die het kind heeft meegenomen, zal niemand kunnen zeggen. Want als het kind zuiver en rein is, zal het ontsnappen naar een hemelrijk, naar een rijk van vrede. Maar indien het door de begeerten wordt gekweld uit Erlkönig’s rijk, dat in het laag‑astraal gebied bestaat, dan is hij het slachtoffer daarvan. Als zodanig zien we zelfs hierin weer de symboliek van de dood en van de werelden, die achter de dood verborgen liggen. Wat dat betreft zijn er heel wat meer van die dingen.

  • Dat lied geeft die bekoring in de woorden duidelijk weer.

Inderdaad, waarbij het dus duidelijk is, dat het hier gaat om de begeerte en dat als zodanig het lied een grote achtergrond Leeft. Het is geen direct sprookje, maar in zijn inhoud is het toch wel belangrijk. Het is een zeer mooi lied.

Nu wil ik u eerst leren hoe je een constructie‑sprookje kunt maken. Dat is niet alleen voor de moeders maar ook voor degenen, die het esoterische sprookje aardig vinden. Hierbij heb ik uw medewerking nodig. Ik zou nl. graag van u willen weten welke idee of zinspreuk geïllustreerd moet worden.

  • Eendracht maakt macht

Wel dan hebben we de keus uit de sprookjes over de 7 broeders en de 7 twijgen; we hebben verder wat de macht betreft, de man met de jagershoorn en het hoedje. We kunnen verder voor de entourage een beroep doen op praktisch elke geschiedenis die met legers te doen heeft of die met rovers te doen heeft; en om het een klein beetje te tinten kunnen we bv. gebruik maken van de Zwanenbroeders (de zeven Zwanen is er een variatie van), dus van het kind dat de haren‑hemden vlecht. Goed, dan u dus zo:

Er was eens een vader, die 7 zonen had. En toen de tijd kwam dat hij weer moest gaan naar een andere wereld, riep hij hen samen aan zijn sterfbed en sprak: “Kinderen, bedenk wel dat jullie gezamenlijk mijn erfenis moeten gebruiken, dat jullie gezamenlijk hier moeten werken op het land, dat jullie gezamenlijk m’n molen ‑ want hij was molenaar – zullen drijven.” De broers beloofden dat graag. Maar … toen er enige dagen voorbij waren, sprak de jongste al snel: “Ik wil ook wat te zeggen hebben”. En de oudste zei: “ik ben de baas”. Zo ontstond er strijd en ieder besloot zijn eigen weg te gaan. Maar daarmee ‑ al wisten ze het niet ‑ werden ze het slachtoffer van een magische ban, die eens lang geleden op de molen was gelegd. De eerste had nauwelijks enige schreden buiten het land gezet dat van zijn vader was, of hij veranderde in een klein mekkerend geitje en hij werd al gauw door een oude vrouw gevangen, die hem angstvallig verborg en hem niet al te goed voerde. Hij had dan ook een hard leven. De tweede broer werd tot een ezel gemaakt. De derde, die wat verder was gekomen, werd een leeuw. De vierde een kikker, de vijfde een schildpad, de zesde een huiskat. En de zevende? De zevende werd een vogel, die door de lucht vloog.

Ze voelden zich zeer ongelukkig in hun betovering en ieder zocht op zijn eigen wijze het geheim te vinden van de betovering. Zo gingen zij dan diep het bos in elk voor zich en elk zoekend. Het geitje ontsnapte aan zijn meesteres; en ook de kikker, angstvallig springend, in de hoop dat hij onderweg water zou ontmoeten. En eerst de één, dan de ander, vond een kleine hut, die bekoorlijk was gelegen ergens op een open plek midden in het bos. En toen ze daar kwamen, was er een oude vrouw, die glimlachte en zei: “Kom je? Het is goed, het is goed” Toen greep zij ze beet en wilde ze opsluiten. En ‑ om eerlijk te zijn iedereen werd opgesloten. Behalve één, en dat was de jongste. De jongste vluchtte terug zo snel als hij kon met z’n vogelvlerken en streek neer op de molen. En dáár kreeg hij zijn menselijke gestalte weer. Bovenin de molen zat hij. Hij weende en vroeg zich af: Waar zijn mijn broeders gebleven? En hij dacht dat het alles een droom was geweest.

Toen, stond er opeens een oude man voor hem en die zei:” Bedenk wel, wat je vader je heeft gezegd, was waar. Alleen gezamenlijk kunnen jullie vrij zijn. Nu zijn jullie echter in de macht van een machtige tovenaar gevallen; en die tovenaar zal jullie één voor één doen slach­ten, doen doden, tot spot en tot lust.” Toen zei de jongste; “Hoe kan ik dit voorkomen?” De oude zei: “Zie je daar de biezen, langs de sloot” “Zeker” zei de jongste, “dat zie ik”. “Maak daarvan een net. Wanneer je dat net gemaakt hebt, neem het mee en ga. Je zult weer een vogel worden, zodra je het land verlaat. En zorg dan dat al je broeders gezamenlijk In het net de tovenaar vangen.” Nu, de jongste broer wist er niet veel van maar omdat hij bang was dat zijn lieve oudere broeders zouden sterven, werkte hij tot het bloed van zijn vingers liep. Hij vertrouwde erop, omdat hijzelf geen uitweg vinden kon, dat de oude man hem die gegeven had. Maar toen kwam de grote moeilijkheid. Want hoe moesten ze allen tezamen dit net vast­houden? Het geitje vreesde de leeuw en de vogel de kat; en de pad was bang voor het geweld van de hoeven van de ezel. Het duurde lang voordat ze de moed hadden gekregen om gezamenlijk het net te nemen. En nauwelijks hadden ze het vastgepakt of daar klonk een hevig schelden vanuit de hut en de tovenaar snelde naar buiten. Ze wierpen het net over hem heen. En plotseling was het net van vuur; en naarmate de tovenaar verteerde kre­gen ze hun eigen gestalte terug. Alleen de jongste broeder heeft altijd geschonden handen gehad door het offer dat hij moest brengen. En ze heb­ben nooit elkaar verlaten, want ze hebben geleerd: Eendracht maakt sterk, eendracht maakt macht. Maar zodra je je eigen wegen gaat, ben je zwak en word je het slachtoffer van al het demonische dat op je weg komt.

Dat was dan een constructiesprookje op bestelling waarbij ik u verteld heb uit welke sprookjes ik de delen zou nemen. U kunt het vergelijken. Aardig?

Zo kunt u nu zelf ook sprookjes vertellen. Wanneer u weet wat u illus­treren wilt, dan neemt u voor elk deel dat u illustreren wilt de sprook­jes, die u het beste passen. U voegt ze aaneen tot één geheel en ver­andert dus de personen, zodat zij passen in de situatie van elk vol­gend sprookje dat erbij hoort en u krijgt een schijnbaar nieuw sprookje. Maar dat schijnbaar nieuwe sprookje drukt precies hetzelfde uit, wat in de oude sprookjes al gezegd is. Want ‑ zoals ik reeds gezegd heb – de oerwaarde van die sprookjes kunt u niet veranderen. Wel kunt u door een juiste groepering een bepaalde les uit die oerwaarde zeer sterk naar voren doen komen.

U zult me niet kwalijk nemen, dat ik het laatste sprookje een klein beetje anders inkleed.

Er leefde op de wereld een jonge vrouw, die wijs was en goed boven alle anderen. En in haar leefde een droom van volmaaktheid die zij nastreefde met elke ademtocht. Door enkele landen van haar gescheiden, leefde een jongeman, schoon als de zon, sterk als een held, wijs als een grijsaard. En ook hij droomde. En soms spiegelden zij zich in elkanders dromen, als idealen die voor een korte wijl elkaar ontmoetten. De demonen en duivels, ziende hoezeer deze beiden de volmaaktheid die eens in het paradijs vernietigd werd, benaderden, vreesden dat zij tot elkaar zouden komen. En zo bedachten ze een demonisch spel.

Toen zij elkaar zoekende, eindelijk elkaar ontmoetten, schenen zij elkaar oud toe, lelijk, afstotend. En zo ontsteld hierdoor, gingen zij huns weegs. Maar de wijsheid in hen deed hen nadenken. ” ’t Is onmogelijk” zo zei de één, “dat de droom zozeer gelogen heeft. Wat mijn oog niet ziet moet toch bestaan”. En hij keerde terug. En ook zij sprak. “Wat mijn ogen zagen, wat ik heb gedacht, is niet wat mijn hart gesproken heeft. Het is onjuist, ik moet teruggaan.” Toen, met duivelse kracht” werd zij veranderd in een draak, die vuur spuwde; en hij in een arme mens, die zich bedreigd gevoelde en wegvluchtte. Maar ver vluchtte hij niet. Want hij zei: “Ik weet dat zij nabij is. Dit is de volheid van het leven. Beter te sterven in het vuur van een draak, dan te verloochenen wat in je leeft.” En hij keerde terug.

Nu maakten de demonen van deze beiden twee vijanden in het geloof. Zij scheen hem een Saraceen, gewapend met een kromme kling, die dreigend op hen af kwam en zichzelf voelde  als een held. En hij trok reeds het tweehandig zwaard van de Frankische ridders. Maar toen zij het wapen op elkaar wilden richten, dachten ze na. Want ze zeiden: “Ziet, dit is verleden, dit kan niet zijn, dit is een leugen.” En terwijl ze aarzelden, namen de demonen hen op en brachten hen ver weg, ver van elkaar verwijderd. En de vorst der demonen glimlachte en zei: “Sla hen in kluisters. Boei haar met goud op een eiland temidden van ijzer aan de rotsen, die grenzen aan de oceaan; sla hem met ketenen van ijzer aan de rotsen, aan de woestijn.” Ze stelden wachten, opdat niemand die kluisters zou kunnen verbreken en meenden meester te zijn.

Maar beiden waren wijs. In zich erkenden zij het goede en wetend dat zij niet zelf konden gaan, gebonden door deze krachten, zonden zij hun geesten uit. En ziet twee stralen licht ontmoetten elkaar. Zij spraken tot elkaar daar, waar temidden van de sterren, de sombere ruimte van duisternis lijkt te heersen; en de wereld werd licht, demonen vluchtten weg, verschrikt. De gouden ketenen verbrijzelden en de ijzeren ketenen sprongen open. De twee lichamen verhieven zich en zweefden door de lucht. En zo kwamen ze samen: twee mensen. Uit de verdokenheid van het duister probeerden nog de vorst der demonen zijn laatste leugen. Hij fluisterde tot hem: “Schoon is zij, néém haar, bezit haar” En tot haar fluisterde hij: “Zou het geen genot zijn te rusten in de armen van zo’n man.? Maar ze waren wijs. En toen ze tot elkander kwamen, erkenden ze in elkanders ogen de eeuwigheid. En er werd een licht geboren, waarin alle demonische toverij op de hele aarde werd gedoofd. Want het licht der waarheid doet de leugen sterven. De kracht der waarheid overwint alle dingen.

Zeker, deze twee zijn één geworden. En toen ze één werden, gehuwd door de Oneindigheid Zelve, zongen de sterren een lied en de natuur sidderde in aarzelende verwachting, wetend dat een wonder zou geschieden. En als één stegen zij op: een lichte ster, die staat aan de hemel en haar zegeningen zendt tot de wereld en de ruimte tegelijk. Als deze ster waakt, wordt het licht geboren, dat de leugen doet sterven op alle werelden. Omdat de waarheid die in mensen leeft, de waarheid die leeft in hen die God zoeken, sterker is dan alle bedrog. Wie in zichzelf zoekt, zuiver en edel naar waarheid, die zal waarheid vinden. Wie zich niet laat afschrikken door vormen en schijn, maar de waarheid zoekt, overwint alle dingen. En wie alle dingen overwinnende de eenheid beseft die belangrijk is, de eenheid van geest in het erkennen van de eeuwigheid, bereikt alle dingen en is meester over alle dingen. Want in deze eenheid is Gods waarheid op aarde geopenbaard en is het rijk van het duister uitgeblust.

Dat was een esoterisch sprookje. U ziet, vrienden, dat je met sprookjes ontzettend veel kunt doen. En toch, sta me toe op te merken: geen van de sprookjes die ik vertelde waren geheel origineel. Het is slechts de menging van de elementen, die hun originaliteit geeft; en misschien ook de wijze waarop de woorden naast elkaar worden gezet. Want in alle woorden verbergt zich de waarheid. En wat ik gesproken heb, is een waarheid, die u van binnen kent. Daarom kunt u een ant­woord geven ‑ innerlijk‑ wanneer ik een sprookje vertel. Er daarom boeit u datgene, wat u misschien anders ten hoogste voor kinderen geschikt zoudt vinden.

Daarmee, vrienden, zullen we onze bijeenkomst gaan beëindigen.