Steravond 1960

image_pdf

16 december 1960

Deze avond is dan weer onze Steravond. Een avond, ietwat anders dan u van ons gewend bent en voor ons juist ook deze keer een avond van buitengewoon belang. Vanavond zullen wij in de eerste plaats een celebrant kunnen ontmoeten, die niet direct behoort tot de lagere standen in de geest. Integendeel, ik geloof wel, dat hij op aarde zijnde, geestelijk een plaats onder de allerhoogsten waardig is. Toch is het zeker niet de celebrant alleen, die deze dag voor ons een dag van grote betekenis maakt. Wij zijn nu eenmaal gewend eens per jaar krachten op te roepen en krachten in te stralen, gebruik te maken a.h.w. van het Goddelijke Licht en de geest, zoals die voor ons te bereiken is.

Er is een einde gekomen aan een periode. Er is een lange tijd geweest dat de mensheid na de ondergang van Atlantis, opwaarts heeft geworsteld naar een nieuw begrip en een nieuw bewustzijn. Zoals dat zelfs in de Bijbel gevonden wordt – de droomuitlegging van Daniël – bestaat elke era, elke kosmische maand, uit een periode van goud, zilver, van ijzer en van leem. De kosmos kunnen wij indelen in kosmische jaren, van 22.000 jaren ongeveer, in kosmische maanden van min of meer 2100 jaar, en u zult begrijpen, dat deze periodiek voor ons belangrijk is. De periodiciteit bepaalt wat er op aarde gebeurt. U bent vrij, u hebt een vrije wil te komen en te gaan, zoals u wilt, maar de grote gebeurtenissen, de grote lijnen, zijn voor een doel vastgelegd.

In een tijd, die het einde betekent van ondergang en neergang, hebben wij ons werk mogen beginnen. Ongeveer iets meer dan 2.000 jaren bestaat onze groep en voortdurend moesten wij worstelen met het aangroeiend materialisme. Nu verandert de Heerser. Wij krijgen de periode van Aquarius. Ons werk was in een tijd, die zuiver materialistisch was, gebaseerd op de mens zelf. U vindt dit weergegeven in de vijfpuntige Ster, die ons symbool is.
Er is uiteindelijk alleen de mens, die voor zichzelf moet zoeken zich boven de maatschappij, boven de geestelijke krachten, die de wereld beheersen, uit te worstelen. Rond een dergelijke wereld bevindt zich in zo een periode een haast ondoordringbare laag van astrale materialisaties, astrale trillingen. Deze materialisaties en trillingen zijn over het algemeen voor de geest minder aangenaam. Zij zijn aan de stof gebonden, maar dragen in zich de aspecten van het demonische.

Reeds vanaf ongeveer 1900 mochten wij de strijd tegen deze sfeer beginnen, maar nu komt de tijd, dat grotere krachten, grotere heersers en grotere Meesters zelf, het werk in handen gaan nemen. Het is nu onze taak het pad verder voor te bereiden, maar, waar eens sprake was van de mens, die, alleen wortelend met twee voeten in de aarde, de armen uitspreidend naar het bewustzijn, het hoofd trachtte te verheffen tot in het kosmisch begrip, zo brengt de nieuwe periode, de nieuwe tijd, een vervolmaking, die ook in onze Orde haar weerspiegeling vindt. Voor de vijfpuntige ster komt eigenlijk de zespuntige niet als verenigingssymbool, dat zou misschien wat lastig zijn. Zij komt als het geestelijk symbool van ons nieuwe werk, voor de krachten, die zich nu openbaren.

In den beginnen schiep God. Maar welke God schiep? Er was een Godheid, Die Zich openbaarde in tegendelen. Zo ontstond, wat wij wel noemen, de mannelijke of geestelijke driehoek, de vrouwelijke of materiële driehoek. Beiden tezamen vormen de zespuntige ster, die buitengewoon belangrijk wordt, zodra de mens in staat is te beseffen, dat geestelijk en stoffelijk bewustzijn samen moeten gaan, dat hij, uit eigen wil en beheersing, de innerlijke vrede en kosmische harmonie moet herwinnen. Dit is, vrienden, op een avond als deze, misschien een wat te zakelijke mededeling.
Maar stel u voor, wat de gevolgen daarvan zijn. Eens was er zeker de eenheid van kracht uit de geest. Er was het werken met hoog geestelijk Licht met hoog geestelijke entiteiten. Maar nu is de grens weggevallen. De krachten van de geest en van de materie, terugstromende in de richting van de absolute harmonie, volgens de Goddelijke wet, komen – ook in onze arbeid – zelfs reeds op deze avond in beperkte mate tot uiting. Geen grens meer tussen hoogste sfeer en laagste sfeer. Geen grens meer tussen mens en geest. Perfecte en absolute eenheid, uitgedrukt in het meest volmaakte, wat u zich denken kunt, de directe openbaring van die kracht, die men in de Christenheid noemt: De Heilige Geest.

Een wonderlijk iets. Wat hopen wij dan op deze avond te bereiken? Ook dat moet ik u natuurlijk vertellen. In de eerste plaats – ik weet niet, of er helderzienden zijn, die al een kijkje rond zich hebben genomen – zult u ontdekken, dat de sfeer, de uitstraling, die stof en geest tezamen hebben voortgebracht, sterker en zwaarder is dan u tot nog toe hebt waargenomen. U zult hebben gezien, dat zich steeds meer entiteiten massaal hier hebben gevoegd bij de gemeenschap. U zult ook ontdekt hebben, dat zelfs nu nog die krachten zich opstapelen.

Wij hebben allen, in onszelf, een door God gegeven kracht. Die kracht bezitten wij, of wij nu mens zijn of geest. Alles in de Schepping draagt Goddelijk leven in zich, Goddelijke kracht. In zich is normalerwijze die kracht een beetje afhankelijk geworden van de instelling. U kunt zich voorstellen, dat een dier, dat niet eens zelf weet, hoe het in de wereld leeft en staat, aan de natuur onderdanig is. U kunt zich voorstellen, dat een mens die zich wel het Ik voor kan stellen in de wereld, daar gemakkelijk een eigen wending en richting aan kan geven. U kunt gaan zeggen: “Kijk, ik wil dit doel bereiken”, maar is het doel niet juist gekozen, dan bestaat er een onevenwichtigheid, een verschuiving. De geesten – degenen, die rond mij zijn, zullen dat zelfs kunnen bevestigen – hebben ook hun eigen mogelijkheden. De geest kiest namelijk een bepaalde weg van ontwikkeling. Een innerlijke inwijding als het ware. Daarbij blijft zij vaak gebonden aan materie. Zij blijft sterke verschillen zien tussen zich, de werelden, die onder, en de werelden, die boven haar liggen. Al deze punten zijn een verstoring van de Goddelijke harmonie, waar wij allen gelijkelijk en volkomen gelijk deel van uitmaken.

Als u dit nu goed kunt beseffen: wij leven normalerwijze, de hoogste geest in de minste mate, de aarde, de lagere geest, in veel grotere mate, in een toestand van onevenwichtigheid. Wij zijn niet in staat om de kosmos zelf tot ons door te laten dringen. Wij kunnen niet voor een ogenblik één zijn met alle krachten tegelijk, de uitstraling van de hoogste geestelijke waarde, de uitstraling van de aarde, de uitstraling van de sterren en alle kosmische wezens, die rond u zijn in stoffelijke vorm. Maar wanneer wij voor een kort ogenblik nu eens vergeten, wie en wat wij zijn, gewoon maar vergeten, één ogenblik eens niet denken aan ons eigen belang, maar aan onze eigen weg, aan onze eigen inwijding, aan de krachten, waarmee wij hopen te werken, maar alleen proberen op te gaan in het hoogste. Wij doen dit allen gelijk. Zowel de kracht, die in de geest ligt, als de kracht, die in u ligt. Wat gebeurt er dan?

Dat ogenblik van ademloze beleving is voldoende om ons allen op te nemen in een veel grotere band van eenheid. Je gevoelt jezelf meer één met de kosmos en je weet niet, hoe je het uit moet drukken, een enkeling misschien ondergaat het niet, een enkeling blijft teveel zichzelf om meegesleurd te worden. Maar het merendeel laat dus krachten van emotie, van denken, van geestelijk bewustzijn los, harmonisch nu in de kosmos, maar die kracht blijft van u. Die kracht blijft van ons. Dat is ons leven, dat is ons deel in de Schepping zelf. Dan wordt de oplossing eenvoudiger. Wanneer wij allen gezamenlijk deze eenheid met de kosmos bereiken, zou er dan op dat ogenblik niets onmogelijk zijn! Niets! Want voor een zeer kort moment, een bliksemflits van beleven, kun je één zijn met de kosmos zelf, met Gods openbaring, met de volmaakte uiting van de Goddelijke liefde, met de Christusgeest, Gods liefde, zoals deze Zich manifesteert in de wereld, vandaag en in alle sferen.

Dan, vrienden, hebben wij een enorme potentie. Wij willen natuurlijk in de eerste plaats trachten een soortgelijke kracht uit te doen gaan over de wereld. Deze wereld móét gereinigd worden. De disharmonie, de onevenwichtigheid, de krampachtige strijd, waarin de mensheid op het ogenblik gehaakt, geknoopt, vastzit, moeten wij verminderen, wanneer het mogelijk is. Zo gaan onze krachten en gedachten allereerst uit over de wereld naar allen, die onevenwichtig zijn. Wij kunnen de as van de aarde niet recht zetten. Wij kunnen de hele mensheid niet in één moment bekeren, ofschoon misschien dat zelfs mogelijk zou zijn, maar daaraan durven wij niet te geloven, en ook u bent niet zo innig en intens met dit geloof, dit aanvaarden, verbonden, dat wij dit kunnen bewerkstelligen, of misschien toch?

Zo groot is de macht, die wij uitzenden, dat wij daar werkelijk wondertekenen van zouden mogen verwachten. Niet wonderen, zoals wij ze zouden willen zien, zwevende tafels en stoelen misschien, of plotseling genezen ziekten en alles, wat daarbij hoort. Neen, wonderen, doordat plotseling ineens iets verandert, een ogenblik de vrede iets dichterbij komt, een ogenblik de gedachte van “vrede op aarde” in mensenharten wordt geopenbaard. Dát is het grootste wonder dat op het ogenblik bestaat.

Wanneer dit gebeurd is, dan zult u wel merken, dat het tweede gedeelte een pogen is die kracht op u te werpen. U bent hier aanwezig. U hebt uw eigen problemen en eigen zorgen, uw eigen wijze van zoeken naar wijsheid. De kracht, die hier is, gelouterd, gereinigd, evenwichtig, kerende tot u, kan van een buitengewoon groot belang zijn voor u en uw verdere leven. Wij moeten evenwichtig blijven. Wij moeten verdraagzaamheid en naastenliefde in ons wezen dragen. Wij moeten als het ware de Goddelijke vrijheid beseffen, die in ons leeft en gelijktijdig deze kosmische vrijheid niet misbruikend, de Goddelijke harmonische wet tot uiting brengen.

Wij zijn gewend om de draagtekens die ik in bakken voor mij zie, in te stralen. Dat klinkt misschien een beetje bijgelovig, maar: dit is gewijd, dit is ingestraald. Ook hier moet ik u even voorlichten. Hetgeen, wat gebeurt, is betrekkelijk eenvoudig. Normalerwijze bestaat in elk molecuul – in elk atoom, wat dat betreft – een innerlijke veldspanning, die over het algemeen niet volkomen evenwichtig is. Er is een zodanig evenwicht bereikt, dat de materie zich handhaaft. Wanneer wij in die materie extra iets vastleggen, dat niet thuis in (….? sies), die u kent, dan kan dit – molecuul – in het atoom, bestaan blijven. Maar het vervluchtigt, het kan afgegeven worden naar die andere ruimte, waarin het thuishoort, of het kan zich langzaam als kracht ontbinden naar u toe. Nu is onze bedoeling natuurlijk niet, dat het zich vervluchtigt ergens in een andere wereld, een andere ruimte.

Wat wij wel verlangen is, dat deze kracht zich zal ontladen op u, wanneer u ze nodig hebt. Daarom wordt die kracht met die mensen gebonden op een zeer bijzondere wijze. Er wordt namelijk een directe band gelegd tussen de kracht, die ingestraald is, in het voorwerp aanwezig dus, en de instelling van de mens. Zodra die instelling een bepaalde onevenwichtigheid overschrijdt, blijkt, dat die kracht zich gaat losmaken. Zij stroomt naar de drager/draagster van zo een talisman toe. Daardoor ontstaat gedurende enige tijd een correctie op uw innerlijke onevenwichtigheid. U zult zich gemakkelijker beheersen. U zult zich gemakkelijker herstellen, ook lichamelijk kunt u daar enige kracht uit putten, maar niet onbeperkt. Zolang uzelf meer dan de norm van uw omgeving verdraagt, harmonisch of evenwichtig bent, versterkt u de kracht, die daar – vierdimensionaal – eigenlijk ligt. U vergroot de bron van kracht, die in de tekens is gelegd. Het gaat er dus voor u om niet alleen deze avond mee te maken, maar volkomen bewust van de kracht, die daar in zit, ook al weet u niet precies hoe het in elkaar zit, deze kracht a.h.w. op u in te laten werken, wanneer het nodig is, maar ook door extra verdraagzaamheid, extra harmonisch leven deze naar buiten toe uit te dragen. Daardoor vult u zo een accumulator weer op.

Wij gaan dus instralen. U zult daarbij bepaalde manualen zien. Het zijn handgebaren. Eigenlijk zijn deze gebaren mudra’s. D.w.z.: zij geven uitdrukking aan een zeer bijzondere instelling van het wezen. Het is een poging om in de stof alles zo duidelijk mogelijk uit te drukken. Want wij kunnen nooit geestelijk iets bereiken, wat blijvend is in de materie, wanneer dit niet een materiële uitdrukking vindt. Vandaar de aanroeping, of incantatie, die u horen zult – ik weet niet welke. De tijd, die werkt, is te groot om die zijn werken na te gaan. Ik vermoed, dat het zeer eenvoudig zal zijn, maar daarom niet minder krachtig. Al die dingen zijn niet belangrijk. U hoeft ze niet te zien, als die spreker – wat zeer waarschijnlijk is – zijn gebaar van smeking maakt, dan is dat niet om te zien. Dat is iets om innerlijk mee te maken.

Dat gebaar geeft aan: “Ik smeek God om kracht”. Dan smeekt u in uzelf a.h.w., één geheel geworden met de celebrant en alles, wat daar geestelijk rond u is, om kracht. Wanneer die entiteit, die voorganger, die celebrant, die kracht uiteindelijk heeft, dan bent u stil, want hij zit aan het stuur, maar u merkt, dat die kracht er is, u voelt ze a.h.w. stijgen. Ieder op zijn eigen manier. De een op zijn hoofdhuid, de ander als een koelte, de derde weer wat anders. Het hindert niet, wat u ziet, of wat u voelt op dat ogenblik. Het is niet belangrijk. Belangrijk is, dat wij op dit ogenblik dus, dat de celebrant bezig is, één werkelijke grote eenheid vormen. Die eenheid willen wij graag uitdrukken op een zo goed en zo prettig mogelijke wijze. Daarom is het erg belangrijk, dat niemand van u afgeleid wordt. Wij zullen het daarom erg prettig vinden, wanneer die instraling bezig is, dat u probeert om niet te hoesten, geen neuzen te snuiten, niet te gaan verzitten. Op dat ogenblik moet u alleen maar denken aan de persoon, die voor u staat, meer niet.

Dan is er de kwestie van sfeer en stemming. Wanneer ik zo dadelijk uitgesproken ben, dan komt een andere spreker aan het woord. Hij gaat met u praten. Hij gaat u misschien iets vertellen, een gedicht of zoiets. Wat hij ook wil, het gaat dan namelijk niet meer om de woorden, maar het is noodzakelijk, dat u die eenheid zo sterk mogelijk opbouwt. Uw aandacht, onze aandacht, moet in één brandpunt samen worden gebracht. Eén klein vlekje in de kosmos, dat daardoor in staat is het Goddelijk Licht op te vangen en te reflecteren. U zult zich ongetwijfeld afvragen, waarom wij eerst zo een betoog gaan houden. Er was hier toch al sfeer. Er is méér nodig. Ik kan mij helaas niet beroepen op de helderzienden, dan zou u weer zeggen: “Het is suggestief geweest”. Maar enkelen onder u hebben dat misschien al waargenomen. In ieder geval, de kwestie is zo:

Een dergelijke grote kracht moet absoluut beveiligd worden. Er mag in ons gezelschap niemand zijn, die zwart is, of duister. Degene, die dat is, moet ingekapseld worden. Ingesponnen in een web, waardoor hij op dat ogenblik niet actief kan zijn. En de entiteiten, die misschien lager zijn dan de norm, haast demonisch zijnde, die hier kracht zouden willen vatten, zullen in dat verblindende Licht misschien omkomen. Ook dat mag niet gebeuren. Zij mogen u niet aantasten in het ogenblik van overgave. Er moet een cordon worden gezet in alle dimensies rond deze plaats. Wij moeten zorgen voor absolute veiligheid. Wij moeten zorgen voor de zuivere en juiste voorbereiding. Het is daarvoor, dat u ook deze inleiding te horen krijgt. Het is daarom, dat ik het woord nog niet heb overgegeven aan de andere spreker.

Op deze avond zijn woorden misschien belangrijk voor u, maar zij zijn bijzaak. Er zijn dagen, dat, wat wij zeggen, het belangrijkst is. Dan moet u daarmee werken, dan moet u daarmee worstelen, zoeken om ergens iets te vinden, waardoor uzelf innerlijk bewust wordt, opgaat, zodat het Licht in u stijgt en a.h.w. naar buiten barst. Maar op deze avond zijn woorden bijzaak. Zij worden gebruikt als middel, een instrument, meer niet, om daarmee een ogenblik dit kosmisch beleven mogelijk te maken. U weet, wat er van u verwacht wordt: rust en stilte, maar ook niet zelf denken, een volledig één zijn met de kracht in en rond u. Probeert u dat te doen. Ik ga nu het woord overgeven aan de tweede spreker. Hij zal ongetwijfeld ook nog enige tijd nodig hebben, voordat hij alles heeft opgebouwd, wat noodzakelijk lijkt.

Doet u mij een genoegen. Wanneer u nu meent, dat u zo graag een hoestbonbon wilt eten, doet u dat nu even. Wanneer u meent, dat u de keel nog eens duchtig moet schrapen, doet u dat, terwijl ik wegga. Ontspan uzelf, maakt het u gemakkelijk. Ik weet, dat die stoelen makkelijker zouden kunnen zijn. Maak het u gemakkelijk. Ja, neus snuiten, alles, wat er bij hoort, zorg, dat je niet dadelijk zit: “O, als ik maar niet hoest, of zo. Het klinkt misschien een beetje vreemd, als je allemaal zo zit te hoesten en te proesten en te grabbelen; maar het is zo, vrienden, nu kunnen wij het nog doen, nu schaadt het niet, maar zo dadelijk gaat het wel iets betekenen. Dadelijk kan het voor u of voor een ander betekenen, dat er niet voldoende kracht doorkomt. Dadelijk kan het voor u betekenen, dat deze avond meer of minder slaagt, zover het u betreft. Juist voor u allen zouden wij gaarne deze avond willen zien, werkelijk, als de grootste gebeurtenis van dit verenigingsjaar, als het grootste beleven, wat u in lange tijd hebt meegemaakt.

Vrienden, gaat u rustig verder uw gang, maar als zo dadelijk de tweede spreker komt, probeert u dan alvast langzaam die rust te vinden. Ik dank u voor uw aandacht. Ik ga niet heen, ik maak alleen plaats voor een ander, die via het medium tot u spreekt. Als zo dadelijk het hoogtepunt komt, hoop ik in de geest met u allen één en verenigd te zijn. Een zeer zegenrijke avond gewenst, vrienden.

Tweede spreker

Er is een tijd geweest, dat mensen en Goden, mensen en God Zelf, op aarde wandelden.

Een tijd, dat de mens, die zijn eigen Ik werkelijk aan zijn God schonk, die God als een kenbaar, middellijk wezen zag. Een tijd, dat God Zijn grootheid op de wereld openbaarde in grote wetgevers, in grote profeten, in wezens, die de wereld openbaring gaven, Licht en inwijding. Die dagen zijn voorbij gegaan. De bossen hebben zich aarzelend teruggetrokken voor het stadsgewoel, voor de drukte van de mensen. Mensen en dieren verstaan elkaar haast niet meer. En God? God is zo ver weg in deze dagen. Niet omdat wij zo slecht zijn en noch omdat God zo groot is, maar omdat wij de Goddelijke werkelijkheid, de Goddelijke liefde en de volle openbaring niet meer kunnen verstaan.

Toch is er in ons allen een eeuwig durende honger naar steeds meer Licht, naar lichtheid en  vreugde, naar een bevrijd zijn, de vrijheid, die de mens eens kende, wanneer hij zijn God ontmoette in zijn eigen wereld. Vele eeuwen zijn voorbij gegaan. Bijna één en twintig eeuwen lang is de mensheid steeds meer gegaan naar de materie. Zij heeft steeds meer God vergeten. Zij heeft Hem abstract gemaakt. Maar God Zelf leeft nog. Hij is nog overal aanwezig. Hij is nog degelijk een kracht, Die je kunt ontmoeten. Hij is wezen en werken van deze tijd, zo goed als van het verleden.

Deze God heeft ons voortgebracht uit Zijn wezen. Deze God heeft ons een pad gegeven, waarop Hij ons steeds wacht. Hij heeft ons de openbaring gegeven in onszelf, die sterker is dan alle menselijke theorie en alle menselijke openbaringen en woordenspel.

Deze God van liefde heeft met het verloop van de tijd, in sferen, die Hem beter kennen dan de wereld nu, gesproken en gezegd: “Ik, Licht van Licht en Liefde van Liefde, zeg u: ga en breng Mijn Wezen aan de mensen”.

Gedragen door die liefde zijn wij uitgegaan, hebben ons best gedaan en hebben soms gefaald, soms hebben wij een mens werkelijk Licht, werkelijke vrede, of een innerlijk geluk kunnen geven.

De tijden zijn verder gegaan. En nu heeft de Schepper in de hoge kracht, die Hem bewust kent en eert, zijn bevel gelegd: “Ga tot de kinderen op aarde, die Ik lief heb. Leer hen opnieuw Mijn wezen kennen, opdat Ik op aarde gekend moge zijn”. “Ga”, zo heeft Hij gezegd, “bereid mij voor de Tuin der Wereld, waar Mijn gezondenen treden, waarin Mijn liefde geopenbaard is en Mijn Wezen gekend is en spreken kan tot een ieder, die Mij behoeft”.

En daar uit het hoogste Licht, daar, waar zelfs de Seraphim neerzien en opzien met verbazing, uit het allerhoogste Licht, waar geen heerschappij, waar geen troon durft te komen, uit dat Licht zijn vonken uitgegaan als lichtende sterren. De oude kracht, de fierheid van het Goddelijke element, die eens zo belangrijk scheen, is vervangen door de veelheid van Licht, die Gods liefde openbarend zendt, ook naar deze aarde en naar deze wereld.

Hij heeft symbolen gewekt in andere werelden en gezegd: “Behoed Mij dit, Mijn volk, en reinig hen. De tijd is nabij, dat Ik mens als mens zal kennen en één zal zijn met alle dingen, die Mij aanvaarden”.

Dit, mijn lieve vrienden, is niet een mystiek verhaal. Dit is waarlijk gebeurd. Dit gebeurt nú, op dit ogenblik. Lichtende sterren uit ongekend hoogten en uit ongekende verten komen naar de aarde om Licht te brengen, de mensheid te reinigen van zichzelf en wetend, dat God ons lief heeft bovenal en in ons wezen liefde kennende voor al, wat geschapen is, willen wij één zijn met die krachten.

Het is tot deze, dat wij deze zullen roepen. Het is uit deze, dat wij hopen op deze avond, de flits van bewustwording, de openbaring van het Oneindig Vermogen te zien. Wij zijn zozeer één, wij allen. De aarde draagt soms nog onze voetsporen en gij trekt uw pad nog in deze materie. Wij allen, wij hebben één ding gemeen. Wij dragen in ons de mogelijkheid van Goddelijk Licht, de waarheid, de openbaring en de inwijding te ontvangen.

Het is niet aan ons te bestemmen, hoe deze dingen zullen zijn, maar wij weten: zij worden ons gegeven uit de grootste en meest rechtvaardige liefde, die denkbaar is. Zij wordt ons gegeven uit de krachten, die de materie beheersen. Door de gestrenge rechters, die genade zullen kennen in hun oordeel voor de mensheid. Wij zullen het vinden uit de kracht van de geest, die uit haar grote liefde rechtsbesef in de mens zal leggen. Aan de grens van dit grote gebeuren zou je eigenlijk stil moeten zijn. Je zou moeten zeggen: ja, God, er zijn zoveel dingen, die ik niet weet. Maar is het nu belangrijk, dat ik ze weet? Openbaar Uw kracht in mij. Dat is voldoende. Als het Uw wil is, laat mij Uw werk volbrengen. Laat mij één zijn in de geestelijke kracht, die is Uw rijk in de hemel en op aarde.

Het is niet vroom. Vroomheid is wat anders. Het is niet sentimenteel, want om dit te kunnen doen en te kunnen zijn, moet je hard zijn. Neen, het is eerder een innerlijke opgang en een kracht, waarin je jezelf ontdekken zult, zijnde een van de gelukkigste, rijkste, schoonste wezens, die de aarde betreden en hun taak vervullen. Het is een innerlijke ontplooiing.

De tijd van de stoffelijke winter is bijna voorbij. De geestelijke armoede maakt al plaats voor de eerste boden van de lente, van waaruit Gods zomer, Gods rijk, geboren wordt. Er is voor ons niets belangrijker dan dit, niets, wat ons beter kan helpen in onze zorgen. Niets, wat ons sterker kan maken de lasten, die het leven ons en anderen geeft te dragen en het weten, dat het Licht komt. Het is dit Licht, dat, zoals soms op een lentedag, al zomer schijnend, de mens verheugt, terwijl eigenlijk de winterkoude nog moest heersen. Het is dit Licht, dat wij u nu willen brengen. Dit Licht, wat u in uzelf zult brengen: Gods zomer in de winter van de materie.

Vrienden, Uw Schepper heeft u lief. Geloof dat en aanvaard dat en heb uw Schepper lief. Laat ons vergeten, wie en wat wij zijn. Laat ons alleen God liefhebben. Laat ons beseffen, dat al, wat stof en geest aan daden kennen kan, slechts de weerspiegeling mag zijn van Zijn wezen, Zijn liefde, Zijn kracht.

Voegt u bij ons naar dit zoeken naar dit smeken om de openbaring. Voegt u bij ons in deze eenheid, de harmonie met het scheppende Zelf, de eenheid met krachten van sferen en werelden, die gij niet kent. Laat ons in dit ogenblik al vergeten buiten die ene belofte:

“Ik zal met u zijn alle dagen. Uw rijk is Mijn rijk, dat ligt in uw hart”.

Nu ga ik al heen. Het is tijd, dat de celebrant, de spreker, die deze avond voor u tot zijn hoogtepunt brengt gaat naderen. Zijn Licht op zichzelf is verblindend, maar zijn macht zal worden uitgedrukt in een menselijk lichaam, in een menselijk woord, omdat alle dingen één zijn, waar de liefde Gods het enige is, wat wij willen beseffen.

Vrienden, vergeet uzelf, laat nu uw wezen openplooien. Ontvouwt u als een knop, wanneer de zon komt. Wees één met de kosmos. Eén met Gods liefde. Gij hebt misschien kwaad gedaan, gezondigd naar uw ideeën. Vergeet het. Denk er niet aan! Gij hebt misschien tekorten of zorgen. Vergeet ze en denk er niet aan. Zij zijn niet belangrijk. Nu niet! Nu is alleen belangrijk de kracht Gods werkelijke, Lichtende kracht, die steeds dichterbij komt.

Nu is het ogenblik gekomen, dat onze Steravond misschien wordt: een Lichtende Ster voor een wereld, die Licht hoeft en kracht voor u allen.

Vrede zij u, broeders en zusters.

Celebrant

Dit is de tijd van het Licht, dit is de tijd van de kracht, dit is de tijd, dat de Vader Zich openbaart aan hen, die geloven in Zijn wezen en werkelijkheid.

Vader, ik bid U in de naam van deze allen, uw kinderen uit vele werelden…… Wees met ons en geef ons Uw kracht…… Almachtige Vader, in Uw Naam…… uit Uw liefde en uit Uw kracht roep ik U, schepselen, U, wezens van Licht…… U, Zonen van Lichtende werelden……

Ik roep ze, Vader, met de namen van mensenkinderen…… Geef hen last, opdat zij komen in Uwe

Naam en op mijn bevel……

Gabriël…… Bode…… kom en breng ons de tijding van Licht……

Michaël…… Strijder…… geef ons Uw lichtend zwaard.

Gij allen…. Gij, Vogelen des Lichts…. daalt neer en hoort tot de stem van Uw Meester……  gevrijwaard zij dit alles…. door Uw wapen en door Uw tijding…… van haat en demon en duister…… Dit is Mijn bevel…… volvoer dit……

Almachtige God…… Vader en Schepper…… dat Uw Licht zich openbare in deze, Uwe tempel…… waar deze, Uw kinderen vergaderd zijn…… Laat mij de bode zijn van Uwe kracht……

In de Naam van de Allerhoogste……in de naam van allen die kennen het Licht en de kracht van het Licht…… zend ik deze krachten uit…… opdat er Licht zij in de wereld…… opdat er vrede zij in de harten van mensen……

Komt gij, broeders en zusters…… smeek met mij……

Gij Heer van Licht…… Gij, Wiens Naam ik niet mag noemen! Gij, Die ons hebt voortgebracht…… Wij zijn zwak zonder Uw Licht…… Wij zijn zwak zonder Uw kracht……

Laat Uw kracht neerdalen, God…… Geef Uw kracht aan al dezen…… opdat zij mogen zijn…… kinderen van Uw Licht…… wijsheid van Uw wezen…… pad van Uw pad……

Geef hen, wat zij vragen…… Vader…… indien het Uw wil is…… Laat het stil zijn in hun harten…… Laat de jubel der eeuwen klinken in hun leven…… Vader, geef deze Uw merkteken in deze dagen…… en ik geef hun de tekenen in Uwe Naam, opdat wie het aanvaarde…… de sleutels des Lichts moge ontvangen……

Gij, mijne broeders en zusters…… gij, kleingelovigen…… God geeft mij de kracht om uw wezen te versterken…… de taak te vervullen van Zijn liefde…… Wees, Licht op deze wereld…… Wees het zout der aarde…… Breng werkelijkheid voor hen, die sluimeren in waan, en opdat dit bevestigd moge zijn…… uit de kracht en het wezen…… zo leg ik mijn wezen en mijn Licht…… in de werkelijkheid van de Vader…… voor u in deze stoffelijke tekenen…… opdat zij u zijn tot maanteken van Zijn wil…… een baken op Uw pad……

Dit heb ik gedaan…… in de Naam van Hem, Die mij gezonden heeft. Zoals ik waarlijk, kerend tot de wereld…… en vervullend de taak, die komt…… met u zal zijn…… opdat gij zult weten…… gij allen…… Niets is onmogelijk voor het Licht…… Niets is onmogelijk voor hen…… die de kracht des Vaders aanvaarden……

Zo, vrienden, mijn vrede geef ik u…… Mijn vrede laat ik u…… opdat gij moge ingaan…… in de werkelijkheid Gods…… die u nabij is…… Altijd…… wanneer gij handelt ter wille van Gods Liefde…… wanneer gij streeft naar de Liefde Gods…… zo zullen wij met u zijn……

En nu…… Lichtend Zwaard, gij, snelle Bode…… ik dank U…… Gaat…… Uw taak is vervuld…… herneemt Uw vrede en Uw vreugde…… God zij met U……

image_pdf