Stervensmoed

Ik voel mij stervensmoe en heb geen moed te sterven,

Want is het leven mij een kwaal, ik weet niet, wat ik zal erven,

Wanneer ik uit de stof naar andere oorden daal.

De wereld schijnt te zwijgen en spreekt geen enkel woord,

Maar ik durf niet te stijgen, ik wacht op een akkoord,

Dat mij hier zal bevrijden,

Lijden, lijden was de weg, die ik heb moeten gaan,

Strijden, strijden was de kracht, die heerste in het bestaan.

En nu nadert de nacht,

Maar ik weet, dat ik altijd mijn plicht heb gedaan, Ik weet, dat ik nooit heb gefaald

Waar mijn weten, mijn denken, mijn lijden, mijn zijn tot slagen mij hadden gestaald,

Ik heb niet gefaald door eigen schuld en heb er het falen van anderen geduld.

Waarom zou ik dan weigeren om uit het stille bestaan,

Zachtkens dromend de nacht in te gaan.

Ik zink in de slaap en de wereld wordt kil,

Het zien, dat verstart, het gevoel wordt zo stil,

Dat het lijkt, of heel de wereld sterft,

En toch, een nieuwe taal klinkt reeds door de sluiers heen.

Door de wazig witte dwaal, die scheidt mij, mij nu nog alleen

Van nieuw bestaan en ander rijk.

Ik schud mij, ik zou mij tegelijk willen verwijderen van die dwaal.

En gaan weer in het leven, ik zou aan de andere kant zo graag

Door deze nevel willen streven tot ander, beter, hoger zijn.

Ik word mij bewust van de stekende pijn van de dood.

Plotseling ontwaak ik als uit een droom,

Zie rond mij een wereld ofschoon nog vol schroom,

Beduusd en ontdaan door al wat gebeurt,,

Maar heb ik de wereld dan stille gekeurd,

Dan weet ik: Na pas ben ik opgestaan,

Het leven begint pas, de dag vangt pas aan.

Ik slaap weer in en ontwaak uit mijn droom,

Maar komt er de dood; ik zal hem aanvaarden zonder schroom,

Want uit de droom, die waarheid was, ken ik der werkelijkheid waarde,

Daarom heb ik stervensmoe,

Het is mij goed te sterven,

Waaruit de droom ik dan eerst weer de waarheid kan beërven.

Zo droomt gij nog voort in stoffelijk bestaan,

Laat u niet vangen in bittere waan, om de nood van de dood,

Aanvaard hem, al lijkt hij verschrikkelijk en groot, zo kil,

Want lijkt u de dood ook zo koud en zo stil,

Wanneer de ogen u open gaan,

De droom van het aardse bestaan, is gedaan,

Dan zult gij een tevreden zucht eerst geven

En zeggen: Nu kan ik pas leven.