Stoffelijke omstandigheden

Inhoudstafel

uit de cursus ‘De menselijke psyche 2’ (hoofdstuk 3) – april 1957

Wanneer de mens op de wereld leeft, zal zijn denken ‑ juist door de tweeledigheid daarvan, n.l. enerzijds het geestelijk bewustzijn, dat zich op stof tracht te uiten, anderzijds het stoffelijk bewustzijn, dat zich wil vasthouden aan de zuiver stoffelijke drang tot beleving ‑ heel vaak in tweestrijd zijn. Wanneer die tweestrijd ontstaat, zijn de voornaamste verschijnselen daarbij wel de strijd tussen stof en geest en de schijnbare waarden die men accepteert om te ontkomen aan de consequenties van deze strijd tussen stoffelijke en geestelijke waarden. Zuiver psychisch gezien zou je kunnen zeggen, dat de doorsneemens voor een gedeelte zich onttrekt aan de werkelijkheid door te vluchten in voorstellingen, die onwerkelijk of slechts ten dele werkelijk zijn.

Deze illusies ‑ want dat zijn ze uiteindelijk ‑ zullen soms binnen het redelijke blijven, want we vinden ze praktisch bij iedere mens. Maar in enkele gevallen worden ze onredelijk. En zodra een uiting in de stof onredelijk wordt en gelijktijdig niet voor de geest als werkelijkheid aanvaardbaar is, ontstaat daardoor een strijd van de geest, die zoekt naar een bevestiging van hetgeen dan stoffelijk wordt geuit, die zij in haar eigen wereld niet kan vinden. Het resultaat is een verschijnsel, dat men wel exhibitionisme noemt. U zoudt het ook kunnen omschrijven met een soort “tentoonstellingsdrang” van eigen innerlijke waarden. Hierdoor wordt de mens gedreven werkelijke en niet‑werkelijke innerlijke belevingen voor te leggen aan andere mensen, in de hoop van hen een bevestiging te ontvangen. En wordt deze bevestiging ontvangen, dan betekent dit een versteviging van eigen innerlijk evenwicht; maar gelijktijdig een versterking van de waan waarin men leeft.

De stoffelijke invloeden mogen zeker niet worden onderschat. In de eerste plaats hebben we invloeden van zuiver dierlijke aard, waaronder liggen: machtscomplex, (dat dierlijk is), begeertecomplexen (daarbij inbegrepen het seksuele, dat ook dierlijk is) en het angstcomplex. Al deze complexen treden op vanuit het stoffelijke en vinden hun waardering en bevestiging in het stoffelijke. Om te beginnen bij het begin: het machtscomplex.

Geestelijk weten wij, dat we geen macht hebben over anderen. Maar wij weten ook gelijktijdig, dat anderen, die hoger staan dan wijzelf, dingen kunnen volbrengen, die wijzelf niet kunnen volvoeren. Worden wij ons nu bewust van het feit, dat wijzelf machteloos zijn tegenover deze anderen zo zij willen ingrijpen in ons leven, dan ontstaat de drang om zelf macht uit te oefenen. Deze drang is eigenlijk niets anders dan een poging om door eigen heersen over anderen een mogelijke beheersing door hogeren te voorkomen.

Dit machtscomplex brengt ons o.a. tot onredelijke stoffelijke handelingen, waarbij wij zonder enige reden (redenen, die dus zelfs voor onszelf niet geldig zijn, gebruikende als uitvlucht) anderen onze wil opleggen. Verder in een naar voren treden op alle plaatsen, waarbij we een schijnbaar of werkelijk gezag over anderen kunnen verwerken.

Stoffelijk is dit al zeer onaangenaam. Want aan de ene kant krijg je daardoor een verantwoording te dragen, die je meestal niet aankunt of aandurft, wanneer het er werkelijk op aan komt. Aan de andere kant word je vaak juist door het machtscomplex tot een vernietiging gedrongen van hetgeen je beheerst, waar je juist hierdoor je eigen macht nog sterker tot uitdrukking wilt brengen.

Deze onplezierige uiting in de stof loopt echter parallel aan een al even onplezierig iets in de geest. Want de geest is zich volledig bewust van hetgeen hier gebeurt. De geest weet dat macht, die wordt uitgeoefend, een schijnbare is. Zij weet, dat onze beheersing van anderen eigenlijk voortkomt uit onze angst om beheerst te worden. Zij weet ook, dat hoe meer wij trachten anderen te beheersen, hoe meer wij vatbaar worden voor invloeden die buiten ons staan. Het resultaat is, dat de geest bij een dergelijke machtsdrang buitengewoon ongelukkig is. Zij wordt bevangen door een angst voor spoken. Want alles, werkelijk en niet‑werkelijk, wat op haar eigen vlak kenbaar is, begint ze te zien als een bedreiging van haar bestaan. Zij kan echter niet reageren met een macht uitoefenen over anderen. Zo trekt zij zich uit haar geestelijk bewustzijn terug en projecteert zich zo volledig mogelijk in de stof.

Hierbij heeft zij dan een zodanige beperking, dat zij voortdurend onvrede heeft. Zij kan niet tevreden zijn zonder een beleven van haar eigen geestelijke waarden en ze moet ‑ zelfs in zichzelf ‑ die geestelijke waarden gelijktijdig onderdrukken, wil ze haar huidig bestaan kunnen accepteren. Het resultaat is, dat de vernietigingsdrang, die stoffelijk wordt uitgedrukt, ook geestelijk voorkomt, waarbij de eigen geestelijke waarden, de eigen idealen en dergelijke langzaam maar zeker worden geperverteerd en omgevormd tot idealen, waarvan men zelf walgt en die men in praktijk brengt omwille van de walging die ze in het ik wekken. Een dergelijke geest brengt zichzelf een aardig eind ten onder.

Dan een van de andere dierlijke complexen, die ook nogal belangrijk is: begeerte, waaronder ‑ zoals reeds gezegd ‑ het seksuele. Het eigenaardige is, dat bezitslust niet alleen gebaseerd kan worden op zuiver stoffelijke omstandigheden en waarden. Wanneer je iets wil hebben, dan kan het voorkomen dat je aan hetgeen je begeert in feite niets hebt, dat het je niets zegt. Het is het bezitten dat belangrijk wordt, niet het bezit. Het resultaat is dan, dat een dergelijk iemand voortgaat ten koste van zichzelf en zijn eigen krachten met dingen te verwerven, die hij in feite niet begeert, ja, liever zou verwerpen.

Een dergelijk begeren leidt ons op alle terreinen tot een ernstige strijd tussen innerlijk en uiterlijk. Het uiterlijk met onze stoffelijke waarden zegt ons, dat elk veroveren en elk bezitten een bevestiging van onszelf is. Gelijktijdig weten we geestelijk, dat elk veroveren en bezitten, dat strijdt tegen ons eigen begeren en verlangen, dat strijdt tegen onze eigen uitdrukking in het leven, een vernietiging van onszelf is. Vandaar dat, waar machtswellust vernietigingsdrang baart, bezitslust gelijktijdig een onvermogen baart om werkelijk te bezitten.

Dit laatste klinkt misschien heel eigenaardig. Toch is het verklaarbaar. Elk bezit, dat stoffelijk wordt verworven onder de begeertedrang, wordt gelijktijdig geestelijk verworpen. Hierdoor ontstaat een strijd tussen geestelijke en stoffelijke waarden, soms uitgedrukt in wroeging, soms in een verwerping, waarbij het bezit op zichzelf tot een teleurstelling wordt, een voortdurend verwijt, dat het verliezen van het bezit begeerlijk maakt. Kun je daaraan stoffelijk dan niet toegeven, dan wordt de zaak nog veel erger. Dan ben je gedwongen om een bezit te houden dat je haat. Dit wordt omgezet in een zelfhaat. En ‑ zo de macht kan leiden tot een vernietiging van de wereld ‑ zo leidt het bezit tot een vernietiging van het ik.

Dat is zeer treurig, waar ook hierdoor een geestelijke afgeslotenheid kan ontstaan. De geest n.l., die tot een zelfvernietiging komt, stoffelijk zowel als geestelijk, omdat zij enerzijds het bezitten niet kan beheersen en de begeerte tot bezitten niet kan beheersen, anderzijds niet in staat is hetgeen zij in bezit neemt te beschouwen als deel van zichzelf, zal hierdoor – zichzelf afsluitende van de wereld ‑ komen tot een waanbeeld, waarin een voortdurende herhaling van de meest stuitende bezig­heden, van de meest stuitende verwervingen, een voortdurend grotere beënging en benauwing van eigen geestelijk beleven betekent. Een dergelijk iets kan op de duur leiden tot een afzakken naar wat wij noemen de lagere sferen.

Nu kan een dergelijke bezitsdrang, een machtsdrang, enz. evenzeer als een angst leiden tot wat men op aarde een neurotisch verschijnsel noemt. Dat wil zeggen, dat de strijd, die stoffelijk en geestelijk ontstaan is in het innerlijk, geuit wordt in een vervorming van denkbeelden, zowel als eventueel een misvorming of aantasting van bepaalde lichamelijke capaciteiten of organen. Het is erg treurig voor de mens, wanneer hij hieronder moet lijden, maar hij heeft dit lijden zelf veroorzaakt en kan – indien hij komt tot een verwerpen van het bezit, een aanvaarden van eigen machteloosheid of een overwinnen van eigen angst ‑ alle verschijnselen daarvan, geestelijk zowel als stoffelijk, in zeer korte tijd te niet doen.

Dan hebben we nog een angstcomplex. Angst is eigenaardig genoeg niet een uiting van eigen minderwaardigheid. Velen menen dat vrees een uiting is van onverstand en een soort gebrek kan worden genoemd. Het tegendeel is waar. De angsten, die gerechtvaardigd zijn, ontstaan meestal uit een te scherp inzicht van mogelijkheden. Naarmate men meer de mogelijkheden overziet van het stoffelijk leven of van bepaalde geestelijke belevingen, zal men eerder genoopt worden te vrezen, dat niet‑gewenste verschijnselen als resultaat hiervan naar voren zullen treden. Deze vrees, voortgekomen uit een groot bewustzijn, brengt vaak met zich mee, dat men niet in staat is zelf te kiezen. De besluiteloosheid is dan het resultaat van een voortdurend vrezen, voor datgene wat niet werkelijk wordt, terwijl men anderzijds datgene wat men vreest, soms zelf verwerkelijkt, alleen om hierdoor de angst hiervoor te verliezen.

In al deze gevallen zal op aarde een oplossing moeten worden gezocht, die past in het kader van de wereld waarin men leeft. En dat laatste brengt ons soms tot zeer curieuze verschijnselen. In de eerste plaats zien wij soms de machtsbegeerte uitgedrukt als een religieus of politiek ijveren. Men voelt zichzelf zozeer onwaardig om van uit zichzelf macht uit te oefenen, dat men iets anders ‑ vaak zeer willekeurig ‑ zoekt, om daarop de noodzaak te baseren zelf macht uit te oefenen. Deze ontvluchting brengt met zich mede, dat men juist daardoor de kwade gevolgen van het macht‑uitoefenen a.h.w. in het kwadraat verveelvoudigt.

Wat begeerte betreft, zien we een omgekeerd verschijnsel. Daar, waar de ergste begeerten aanwezig zijn, zal over het algemeen ofwel een verwerpen van elk begeren optreden, dan wel een volledige bandeloosheid, waarbij elk begeren om onmiddellijke vervulling vraagt. Beide normen zijn voor deze wereld niet acceptabel. Het resultaat is, dat degene die in zijn begeren tot een ontkenning komt, in de plaats van een werkelijk bezit een illusoir bezit gaat stellen. Een voorbeeld: Iemand begeert geestelijke rijkdom en weet deze niet te kunnen verwerven. Hij gaat in een klooster of wordt heremiet en zegt nu geestelijke rijkdommen te bezitten, waarvan hijzelf wel weet, dat ze in werkelijkheid toch nog niet zo bestaan. Hierbij wordt de schijn i.p.v. de werkelijkheid gesteld. Het resultaat is een in de wereld schijnbaar vredig bestaan met een grote innerlijke strijd, die op de duur een afwijking van denken veroorzaakt en reeksen van hande­lingen kan origineren, die niet meer passen in het normale bestel van de wereld. Op seksueel gebied gaat dit soms nog verder en wordt het tot een veroordelen van iets bij anderen, waar het gewraakte begeren in het ik tot deze ontkenningen leidt. Men maakt dan uit deze ontkenning op zichzelf een bezitten, zodat de sensuele gevoelens, die bij een ander in een seksueel contact geborgen kunnen zijn, voor dergelijke personen juist in een wraken van een seksueel contact, een ontkennen van de waarde daar­van, een bestrijden van elke uiting, daarmee in verband staande, kan optreden. Het is natuurlijk erg vervelend dat dergelijke dingen voorkomen.

Ook met angsten. Angsten brengen ook al dergelijke verschijnselen in de wereld en deze zijn al even onaanvaardbaar als al het voorgaande. Iemand die iets vreest, zal juist daarom vaak voorgeven niet te vrezen. Dit niet‑vrezen echter gaat gepaard met een zoeken naar eigen veiligheid, want de angst blijft innerlijk bestaan. Dergelijke personen zijn het, die over het algemeen zeer gevaarlijke ondernemingen of toestanden doen ontstaan, zonder dat zijzelf de consequenties daarvan nemen. Zij schuiven deze consequenties op anderen af. Het resultaat is, dat anderen lijden onder de angsten en de poging deze angsten te verdringen.

Kort gezien zou je het als volgt kunnen uitdrukken: Al degenen, die streven naar een plaats, waar zij uiterlijke macht bezitten, zijn over het algemeen innerlijk mensen, overtuigd van hun eigen minderwaardigheid. Naarmate zij een groter minderwaardigheidscomplex zullen hebben, zullen zij hun machtslust sterker uitdrukken en dus komen tot een meer dictatoriaal optreden.

Degenen, die door begeerten worden gekweld, zijn over het algemeen degenen, die er een vreugde in stellen anderen van bezit te ontdoen, zelfs wanneer zij voor zichzelf zeggen geen bezit te willen aanvaarden. Zij worden daardoor tot verzamelaars van goederen als in de dode hand, die voor niemand een direct nut hebben, maar die toch daardoor ontnomen kunnen worden aan de mogelijkheid tot gebruik door anderen.

Angsten leiden vaak tot z.g. verweerstellingen. Vandaar dat we juist degenen, die de grootste angstcomplexen hebben, zien optreden als de redders en helden der mensheid, o.a. als militairen. Het komt heel vaak voor, dat degenen die de grootste angsten hebben, het brengen tot de hoogste militaire posities en vanuit deze militaire posities trachten zoveel mogelijk strijd voor anderen te scheppen om hierin hun eigen angsten te verliezen, terwijl zij zichzelf onttrekken aan de consequenties van die strijd. Dat zijn zo een paar voorbeelden, die u misschien duidelijk maken, wat hier allemaal kan meespelen.

Nu zou het al voldoende zijn om deze dingen zo te uiten, maar naast deze onmiddellijke verbinding tussen stof en geest zitten voor de geest zelf hieraan nog andere consequenties vast. Ik zou ook deze even willen noemen.
In de eerste plaats de geest, die door haar begeren gedreven tot de ontkenning van bezit komt, stelt voor zich geestelijk de waan van bezit sterk vast. Deze waan betekent een vervreemding van het eigen ik en doet haar heel vaak terugkeren tot hetzij astrale sfeer, hetzij duistere sferen, om zich in een schijnbaar bezit te verlustigen, dat zij voortdurend verliest en tracht te herwinnen. Daardoor wordt haar verdere bewustwording geremd en zal een vertekening van de persoonlijkheid ontstaan, die bij een eventuele terugkeer op aarde sterk tot uiting komt en daarbij een ongelukkig leven praktisch garandeert.

Naarmate de begeerte sterker is in meer dierlijk opzicht, zal dit betekenen een onvermogen om hoge geestelijke waarden te accepteren. Het is n.l. zo, dat naarmate de geest hoger stijgt de verdeling in seksen en de tegenstellingen tussen bepaalde soorten van mensen steeds verder wegvalt. Daarvoor komt een steeds grotere eenheid. Deze eenheid is, voor degene die het dierlijk begeren kent, niet aanvaardbaar en gedreven door het dierlijk begeren zal hij vaak zijn mogelijkheid tot hogere geestelijke waarden te stijgen eenvoudig verwerpen, om terug te kunnen keren tot werelden waar dit onderscheid wel bestaat. Hierbij wordt ook de geestelijke vooruitgang sterk geremd.

En dan de kwestie van angsten. Dat is misschien de meest tragische kwestie, die we ‑ geestelijk gezien ‑ kunnen krijgen. Want degene, die zijn angsten onderdrukt door anderen als wapen tegen angst te gebruiken, zal in zichzelf een totaal van voorstellingen verzamelen, waarin de angsten van al degenen, die hij tot afweer heeft gebruikt en die daarvan misschien het slachtoffer zijn geworden, zichzelf realiseren. Deze realisatie van angsten betekent een heel leger van bedreigingen, dat geestelijk sterk wordt ervaren, vaak reeds onmiddellijk na de overgang. Zo iemand wordt gejaagd door demonen en kan niet tot rust komen, voor hij zichzelf aan elk van die demonen afzonderlijk geofferd heeft. Iets, wat voor een dergelijke geest zeer moeilijk is en vaak zeer lange tijd vraagt.

Zuiver psychologisch, en dus mij een ogenblik stellende buiten de gebruikelijke kwestie van moraal, zeden, enz., zou ik daarom t.o.v. deze drie complexen nog een paar opmerkingen willen maken.

In de eerste plaats: Elk machtsbegeren kan worden omgezet in een zelfbeheersing. Een zelfbeheersing, die eventueel zelfs getoond kan worden en waarbij de zelfbeheersing belangrijker is, dan de gelegenheid waarbij zij getoond zal worden. Een streven naar zelfbeheersing doet de machtsdrang langzaam maar zeker ondergaan en brengt daarvoor in de plaats ‑ indien men deze zelfbeheersing stelt als de werkelijke macht op aarde ‑ een voortdurend groter bewustzijn omtrent eigen mogelijkheden. Dit bewustzijn omtrent verdere mogelijkheden, eigen verdere mogelijkheden, betekent geestelijk een opbouw van voertuigen, van toestanden en bewustzijnsvormen, waarin men zich later zal kunnen bewegen en zo de stoffelijke fout zal kunnen overwinnen.

In het geval van begeerten is het verstandiger om zich deze begeerten niet geheel te ontzeggen, maar te limiteren. Elke limitering van begeerte geeft n.l. aan de geest, door het stellen van de limiet bij een verwerven van het begeren op zichzelf, een zekere vrede en een zekere bevrediging. Een evenwicht van stoffelijke en geestelijke zaken kan zo bereikt worden. Wie in zich de drang heeft om veel te verwerven, wenne zich aan om veel weg te geven. Naarmate men meer weggeeft wat men verwerft, wordt het feitelijke bezit minder deel van het begeren en blijft ons over het verwerven. Het verwerven kan dan worden omgebogen naar een ook geestelijk verwerven, waarbij een aparte kracht en drijfveer voor de geest wordt gevonden, die uit dit op zichzelf dierlijk begeren dan een mogelijkheid schept tot vergrote prestatie op geestelijk terrein.

En dan wat de angst betreft: Iemand die angsten heeft en zich aanwent deze zelf te overwinnen, dus elke angst voor zichzelf eerst redelijk te beschouwen en dan voor zichzelf op de proef te stellen, zal ofschoon dit vaak onaangename stoffelijke ervaringen teweegbrengt, geestelijk hierdoor de bevrediging krijgen van “ik kan alles aan.” Zouden dan eventueel de demonische schijngestalten, die na de overgang voorkomen, een dergelijke persoon benaderen, dan zal zijn houding van deze tegemoet te treden over het algemeen de spookachtige verschijningen zeer snel doen verdwijnen en een normaal voortgaan in de geest mogelijk maken. Waarbij bovendien zijn gewoonte, om op het gevreesde probleem juist af te gaan, het hem mogelijk zal maken vele raadselen te ontsluieren, die door anderen voorlopig worden gemeden, waar zij menen, dat hierdoor hun wereldbewustzijn te veel gestoord zal worden.

Inwijding

Kan iemand u inwijden in een geheim? Om een geheim te kunnen bevatten moet men twee eigenschappen hebben. Men moet de inhoud ervan weten en men moet de kracht hebben het als geheim te bewaren. Deze beide waarden komen voort uit het innerlijk van de mens en zijn innerlijk beleven.

Een inwijding kan nooit bestaan uit het werkelijk weergeven van geheimen of het meedelen van krachten zonder meer. Elke inwijding moet uit de aard der zaak gebaseerd zijn op de eigen werkzaamheid van degene die inwijding zoekt. Door het geven van leiding aan degene die de inwijding zoekt, kan men bereiken dat hij op de proef wordt gesteld en voor zichzelf bepaalde dingen al dan niet volbrengt, bepaalde punten al dan niet aanvaardt.

Naarmate iemand verder komt in zijn eigen aanvaarding, zal het mogelijk zijn hem weer nieuwe punten tot overweging en overdenking te geven, hem wederom nieuwe krachten te tonen (niet te geven, te tonen) en ook hem te onderwerpen aan nieuwe beproevingen. Zo moet inwijding worden gezien als een soort van opvoeding, waarbij degene, die vrijwillig de lasten en de verplichtingen daarvan wil aanvaarden, op de duur ‑ indien hij voor zichzelf ijverig streeft ‑ kan komen tot het verwerven van krachten en vermogens, een geluk maar ook een verantwoording, ver uitgaande boven hetgeen normale mensen bezitten.

Dat deze inwijding niet alleen bestaat vanuit de stof maar ook vanuit de geest, zal duidelijk zijn. Vanuit de geest gezien is inwijding nu als volgt:
Een zoeken in een mensenleven en een vliedende gedachte. Het leiden van de stap van een mens door hem een mogelijkheid te bieden. Het voor diezelfde mens onmogelijk maken soms om voort te gaan, opdat hij leert op zichzelf te betrouwen en niet op anderen. Het geven van grote hindernissen, maar ook van grote krachten.

Wanneer geestelijk een inwijding wordt gegeven, dan lijkt het soms degene die ze ondergaat, of hij moet sterven, of de wereld leeg is en of in een laatste ogenblik van kramp zijn hele bestaan ineen zal vallen.

Maar wanneer zo iemand dan toch doorgaat met streven, toch zichzelf voldoende beheerst om niet in paniek zijn streven terzijde te stellen, zijn leven te veranderen, dan komt weer het ogenblik van bevrijding. Een ogenblik van bevrijding, dat alle wonden geneest die geslagen zijn; dat alle krachten, die verbruikt leken, hernieuwd en duizendvoudig weergeeft.

Over het algemeen zal de geestelijke weg bestaan uit negen maal negen treden. Deze treden zijn zeer verschillend van indeling. Maar elk vertegenwoordigt een beleving, een ervaring en een ontdekking. En elke ontdekking moet gevoegd worden bij de vorige, voor men de kracht heeft verder te stijgen. Wanneer de negen hoofdtrappen van de geestelijke inwijding overzien worden, dan blijkt ons, dat elk van de negen trappen, waaruit ze bestaan, op zichzelf als de letters zijn die een woord vormen. En elk woord, dat zo geboren wordt in een mens, is een machtswoord, een sleutel. Heeft hij zo alle trappen van de geestelijke inwijding doorlopen, dan zal hij ‑ geest of stof – de negen machtswoorden bezitten, die gezamenlijk vormen de omschrijving van de schepping, de kracht van de goddelijke Naam, het bewustzijn en het leven van de mens. En hierdoor zal hij ingewijd zijn, gewijd door de goddelijke Kracht, die hij zich heeft gerealiseerd, ingewijd door de geheimen, waarmee hij die goddelijke Kracht kan openbaren voor zichzelf en anderen.

De weg der inwijding is zwaar. Het is niet makkelijk deze te gaan. Hij vraagt om voortdurend streven; een volharding, meer dan normaal gebruikelijk is. Maar wie streeft en wie volhardt, wie het pad van inwijding ten einde toe durft gaan, wie durft betrouwen op hogere krachten, ook al lijkt het dat heel de wereld ten onder gaat, wie zich durft overgeven aan Gods leiding, ook al lijkt het of hij daarmee de grootste dwaasheid van zijn leven, de grootste dwaasheid misschien zelfs van zijn geestelijk bestaan begaat, een dwaasheid die hem bant tussen demonen en duivels, dan zal juist die daaruit verwerven het enige heldere inzicht, dat het mogelijk maakt in elke sfeer en wereld bewust te zijn, bewust te werken.

Inwijding is: Een licht dat je zelf ontsteekt, een keten die je zelf breekt, een bewustzijn dat je zelf verwerft en een deel van je wezen dat in je sterft.

Inwijding, dat is: Geven en streven. Falen, keer op keer. Voortgaan, met pogen, telkens weer. Uiteindelijk toch weer slagen. En dan niet om rust en vrede, maar om nieuwe proeven en nieuwe krachten vragen.

Inwijding is de moeilijkste weg die er bestaat. Maar voor degene die hem gaan kan, de schoonste. Omdat zij ons toont langs vele vreemde wegen, hoe wij te allen tijde één zijn geweest met de Schepper. En hoe de geheimen, die wij ontdekten ten koste van veel lijden, reeds geschreven waren in ons wezen, voor wij ons van het bestaan ervan werkelijk bewust werden.

Daarom moet ik deze avond dan besluiten met een waarschuwing: Zoek geen inwijding, als je niet bereid bent alles te doorstaan en alles te offeren. Maar ook, wanneer je in staat bent te aanvaarden, wanneer je die inwijding werkelijk durft te ondergaan, zie dan niet terug, maar slechts vooruit. En weet dat achter alle schijn verborgen een werkelijkheid ligt, die grotere kracht betekent, dan je u zelfs kunt voorstellen. Grotere waarheid, dan je durft dromen. Weet dan, dat elk falen en elke schijnbare ondergang alleen maar het begin is van een nieuwe openbaring van krachten, een nieuwe vrijheid en een nieuwe wereld.