Stoffelijke strijd menselijke bewustwording

14 oktober 1955

Het is mij een eer en een genoegen deze avond voor u te mogen spreken over: De strijd gezien i.v.m. de menselijke bewustwording. Zoals u allen ongetwijfeld reeds lang bemerkt zult hebben, is zowel de strijd om het bestaan als de lijfelijke strijd de sterkst bepalende van alle factoren, die tezamen de achtergrond van het menselijk leven vormen. Waar milieu en bewustwording reeds van vele zijden belicht werden, zou ik gaarne op mijn wijze de strijd met u willen gaan beschouwen als deel van het milieu.

Strijden betekent in de eerste plaats: Vechten voor jezelf en je zelfbehoud. Natuurlijk heeft men in de loop der tijden voor die strijd vele regels opgesteld.

Wanneer wij bv. de oorlogvoering bezien, valt het ons op, dat de krijgskunde een zo grote omvang heeft gekregen, dat zij werd tot een wetenschap omtrent aanval en verdediging. Een dergelijk wetenschappelijk aspect heeft de strijd echter slechts voor hen, die leiden, niet voor degenen, die persoonlijk aan de strijd deel nemen. Dit geldt voor alle strijd. De strijd wekt in de mens, die er direct deel aan neemt, aan de ene kant een versterkte drang tot zelfbehoud, aan de andere kant sterkere banden van kameraadschap, groter eerzucht en in vele gevallen een soort van roes. De strijd met wapens heeft Europa de laatste 5-eeuwen praktisch niet verlaten. Voor die tijd kunnen wij spreken over strijd tussen stammen op een wijze, die te vergelijken is met een bijzonder gevaarlijke soort jacht. De kruistochten doen de georganiseerde strijd sterker ontbranden, maar richt deze vooral op het nabije Oosten. Daarna zien wij oorlogen tussen steeds groter wordende eenheden.

Eerst zien wij oorlogen van buitengewoon lange duur in Duitsland en Nederland. Daarna de oorlogen tussen landen, waarvan de wereldoorlogen, die u heeft meegemaakt, tot nu toe het hoogtepunt vormen. Alle strijd betekende echter een voldoen aan bepaalde lusten in de mens; natuurlijke eisen, terwijl aan de andere zijde steeds hogere eisen werden gesteld, aan lichaam en denken. Strijd op deze wijze is een beproeving. In de oude tijd betekende oorlogen een korte veldslag en riskante gevechten van man tegen man. Daarna echter maanden van trekken en zwerven, van roven en plunderen. Uitspattingen vandaag, armoede en gebrek morgen. Een leger in de oude tijd was dan ook haast altijd omringd door z.g. maradeurs. Dit waren gedeserteerde soldaten van beide partijen, versterkt met boeren uit de omgeving. Zij overvielen en plunderden zowel kleinere groepen soldaten, als dorpen en soms zelfs steden. Plunderen was vaak de reden, waarom men ten strijde trok. Langzaamaan is dit aspect van de strijd echter grondig veranderd.

Wij zien, dat in de moderne oorlogen het comfort en de vergoeding der soldaten door hen steeds minder persoonlijk ten koste van anderen wordt verworven. wel worden de zorgen der overheid voor het welzijn der soldaten steeds groter.

Verder zien wij, dat de krijg vroeger slechts enkele landstreken en steden tegelijk beroerde. Zelfs dit vaak nog slechts ten dele. Over het beleg van Neurenberg, dat eindigde met een slag tussen Gustaaf Adolf en Tilly en ruim zes maanden duurde, weten wij bv. dat handel en nijverheid verder gingen, behalve in de laatste maand. Wel moesten de burgers zware belastingen opbrengen en hadden zij overlast van de militairen, die in de stad werden gelegerd. Verder ging het leven gewoon door. Dit is tegenwoordig wel geheel anders geworden. Nu draagt de burger alle lasten en gevaren van de krijg ten allen tijde mee. Op grond hiervan zouden wij dus kunnen zeggen, dat de strijd veel intenser is geworden, terwijl de mogelijkheden tot persoonlijke verrijking voor strijders en buitenstaanders veel kleiner is geworden. Dit betekent dat de zelfzuchtige motieven, die vroeger in hoofdzaak het ten strijde trekken beïnvloedde, meer en meer verdwijnen. Daarvoor in de plaats komen, andere drijfveren. Deze worden grotendeel door de overheid geschapen.

Denk aan de conscriptie, zoals bv. Napoleon ook in de Nederlanden invoerde. Wat later zien wij zelfs idealisten, die vrijwillig in de strijd gaan voor een politiek ideaal. Een voorbeeld daarvan was de burgeroorlog in Spanje. Nu mogen wij de strijd in deze vorm verwerpen. De strijd is altijd een minderwaardig iets. Maar de achtergrond, die de strijd schept voor de mens, is zeer belangrijk voor zijn bewustwording. Zij is veranderd. Intenser, maar ook in vele opzichten edeler geworden. Wanneer strijd wordt gevoerd om uit te buiten, dan is dat een verwerpelijk iets. In geval van oorlog wordt het; roverij met officiële goedkeuring bedreven. Ook waar politieke moord op de voorgrond komt, moeten wij dat verwerpen. Hetzelfde geldt voor het merendeel der spionagenetten. De soldaat,die vecht voor, zijn vaderland, moet echter worden gerespecteerd. Hij offert zich op voor het welzijn van anderen. Hij offert zijn positie, gemak en zelfs vaak zijn leven. Dit wordt nog verder doorgevoerd, wanneer idealisten gaan vechten voor de wereldvrede. Ik wil u graag toe geven, dat dergelijke personen soms in de burgermaatschappij slecht passen. Dat bij velen onder hen het avontuur en de vlucht uit het normale mede bepalend is voor hun handelwijze. Desondanks blijft er in hen een gemeenschapszin, een verantwoordelijkheidsgevoel tegenover anderen, dat niet te verachten is.

Jammer genoeg bestaat er ook heden nog tussen militairen en burgermaatschappij een zekere grens, die soms wel op pijnlijke wijze heel scherp getrokken wordt. Zij leidt tot verachting van de militairen door de burgers “Zij zullen wel voor niets anders deugen”. Terwijl anderzijds de militair voor de niet-getrainde, ongedisciplineerd voortsjokkende burger wederkerig weinig respect toont. Dergelijke conflicten zijn echter praktisch betrekkelijk bijkomstig. Want door gedachtegang en idealen neemt praktisch een ieder deel aan de strijd.

Oorlog en oorlogsdreigingen overspoelen de wereld. Het gevaar van grote explosies, van steden, die verwoest worden door bombardementen en brand, is niet aan de mensheid voorbij gegaan, zonder diepe sporen na te laten. Een verlangen haar vrede en naar zekerheid. Wij moeten des te meer respecteren de beslotenheid terwille van ideeën al deze dingen en meer nog te dragen. Hier zien wij, dat de mens begint te zoeken en de gedachten, wat hij stoffelijk niet vinden kan, of zo eenvoudig niet meer kan verwerven; vredige welvaart. Vrede op zichzelf kan goed zijn, Het is echter niet de strijd, maar hetgeen, waartoe de strijd de mens drijft, wat werkelijk kwaad is. wanneer men de strijd op een edele wijze zou voeren, de vijand onschadelijk maken om hem daarna te verzorgen, alsof hij deel ware van eigen volk en leger, dan zou de oorlog althans voor mij nog enigszins acceptabel zijn.

Ook dan blijven pijn en nood een grote waarde ten nadele van de strijd, maar wij zouden in ieder geval kunnen zeggen; “Ziet, dit is een edele en rechtvaardige strijd. Zij, die haar uitvoeren, weten waarom zij dit doen”. Deze strijd is in het huidige stadium der menselijke ontwikkeling niet te vermijden, maar de vijandschap mag niet worden tot een vijandschap tegen de mensen. Is dit niet het geval, dan zien wij hoogte-, zowel als dieptepunten in de menselijke cultuur, die wel beslissend mogen worden geacht voor de volgende ontwikkeling der menselijke beschaving. Want wij zien dan het volgende: Aan de ene kant haat men de vijand. Dit is praktisch niet te vermijden. Maar aan de andere kant heeft men al het mogelijk gedaan om de vijanden in het leven te houden en hen het levenswaard te maken. Wij moeten goed begrijpen, wat dit eigenlijk betekent. Elke mens, die op deze wijze, ondanks zijn haat tegen de idee voor alle mensen, ook al behoren zij tot de vijand, een verantwoordelijkheid gevoelt, verwerft door een delen van problemen en ideeën een uitbreiding van bewustzijn, waardoor hij gelijktijdig leert de vijand en zichzelf te zien en te begrijpen. Hoe meer de mensen hun vijanden leren begrijpen, hoe beter zij de wereld en zichzelf zullen kennen. In het begin is dat moeilijk, maar op de duur zal men dan toe kunnen geven, dat ook de andere partij bepaalde punten in haar voordeel kan hebben.

Onbegrip en zelfverheffing leiden tot verblinding. Processen die gevoerd werden na de laatste wereldoorlog, zowel in Rusland als in Duitsland hebben dat voldoende aangetoond. Hier zijn dingen gebeurd, die m.i. niet meer menswaardig waren. Men heeft de verantwoording voor alle misdaden op anderen willen schuiven en daarbij vergeten, dat men zelf evenzeer, vaak aan hetzelfde, schuldig was. Maar goed. Dat is dan misschien voor het gezicht van de grote massa gebeurd.

De personen zelf echter hebben een betere ontwikkeling door gemaakt. Zij hebben elkaar leren begrijpen zij hebben een verbroedering doorgemaakt, en contact met elkaar gekregen. Zij zijn, ook nu nog, bereid om elkaar te bij te staan en te helpen. Een dergelijk resultaat leidt ons naar grotere eenwording en broederschap.

Dit is noodzakelijk. Want in deze wereld zal rap het ogenblik komen, dat ideeën en niet meer stoffelijke factoren over het lot van deze wereld gaan beslissen. Op het ogenblik is de wereld nog halfslachtig. Gedeeltelijk gaat het al om de idee, gedeeltelijk nog om de baten, die meer stoffelijk niet de strijd te verenigen zijn. Toch gaat het hier om macht, aanzien en gezag reeds, veel meer dan om goederen en grondstoffen. Maar in de toekomst zal de strijd gaan om de idee zelf zonder meer. Het terrein van menselijke geschillen verplaatst zich. Beginnende te strijden om zichzelf te bevoordelen is men uiteindelijk gekomen tot het strijden voor een ideaal, een idee. Elk aspect van de strijd zal dan ook de nadruk gaan leggen op de goede punten, zowel als op de fouten, die in de idee schuilen.

Dit geldt ook voor de burger, die niet meer rustig in zijn stoel kan gaan zitten afwachten, hoe het oorlogje wel zal aflopen. De burger, die nu wel zeker weet, dat hij mede in het oorlogsrumoer zal worden betrokken, waar en wanneer de strijd ook losbrandt. Krijger en burger worden gesteld tegenover dezelfde verantwoording: verantwoording ten opzichte van de politiek, die zal worden gevoerd en ten opzichte van de idee, waarvoor men zal gaan strijden. Langzaam maar zeker zal in de mens dit bewustzijn gaan ontwaken en naarmate de mens meer en meer in staat zal zijn de idee als een reële waarde te zien, zal hij ook gaan begrijpen, dat de gedachte vaak groter waarde heeft, dan alle stoffelijke bijkomstigheden. Dit is een staat van bewustzijn, die wij niet hoog genoeg kunnen aanslaan.

Wanneer alle strijd op deze wereld en alle ellende, die daar het gevolg van was, geleid heeft tot begrip voor de waarde van een bepaalde gedachte, van een bepaalde levenshouding, in plaats van het zich hechten aan een bepaalde levensstandaard, dan is er reeds zoveel gewonnen, dat wij de betaalde prijs daarvoor niet te hoog moeten achten. Ik heb ook de strijd om het bestaan als aspect van “Strijd” aangegeven.  Ik zou daarover echter toch nog het volgende willen zeggen; Ook in deze strijd begint men te beseffen, dat men tegenover de naaste een grote verantwoording draagt. Hoe groter dit besef wordt, hoe eerlijker en minder voorwaarden voor zich stellend de mens, die verantwoording aanvaardt, hoe groter de bewustwording van de mens zal zijn. De mens komt los uit het denken in nauwere kring en gaat mee denken met de wereld. Deze mens zal dan vele problemen ontmoeten en vele antwoorden vinden op vragen, die hem anders vreemd gebleven zouden zijn. Zo brengt het denken met de wereld een sterke vergroting van bewustzijn.

Een derde punt in ons betoog over de strijd, is de strijd tegen het “ik”. Het is echter moeilijk om te weten, wanneer de strijd tegen het “ik” begint. Meestal is het eerste verschijnsel, dat men datgene, wat men in zichzelf niet goed of juist acht, gaat trachten te corrigeren bij anderen. Men begint zich er bij anderen tegen te verzetten en het voor zichzelf goed te praten, maar elke mens komt in het leven tegenover een situatie te staan, waarbij een dergelijk zelfbedrog onmogelijk wordt. Een situatie, waarbij hij tegen zichzelf moet zeggen: “Nu moet ik kiezen, of wel hetgeen doen, dat voor mij het makkelijkste en het aangenaamste is, of ik moet iets in het leven accepteren, dat niet aangenaam is, omdat dit in overeenstemming is met mijn geestelijk streven, met mijn geestelijke achtergrond”. Vaak is het heel moeilijk op zo’n punt in het leven te komen tot een beslissing, die voor het “ik” aanvaardbaar is. Toch is het juist deze strijd, die de mens dwingt niet slechts met de wereld, maar ook met zijn eigen innerlijk contact te zoeken. De oplossing van alle problemen der mensheid ligt in de mens. Zoals alle problemen van de geest in de geest opgelost moet worden.

Wanneer de mens voortdurend in de levensstrijd met zichzelf wordt geconfronteerd, gedwongen wordt de dingen met zichzelf uit te vechten, dan zal de mens in deze strijd een steeds groter kennis omtrent de goede, zowel als de slechte factoren in het eigen leven kunnen verwerven. Zo is vergroting van bewustzijn en zelfkennis het uiteindelijke resultaat van elke strijd. Een spreekwoord, dat in het oude Perzië populair was, tekent de toestand; “Zolang de vijand niet te zien is, wemelt de stad van helden”. Wij zouden hetzelfde op de mensheid toe kunnen passen. Iedere mens denkt zich een held, zolang de problemen des levens niet op hem aanstormen; het is o zo gemakkelijk om vanaf uw veilig standpunt anderen te veroordelen, te bluffen over hetgeen gij in een dergelijke situatie zoudt doen. Het is o zo gemakkelijk jezelf op een voetstuk te plaatsen en misprijzend als een standbeeld over de menigte weg te staren in een versteende rust, denkende; “Ik ben goed. Jullie anderen zijn mij niet gelijk, dus jullie zijn plebs”. Wanneer ook voor u de vijand komt, wanneer gij ontdekt, dat gij even snel voor die vijand vlucht als ieder ander mens, wanneer gij ontdekt, dat gij zelf evenmin de strijd vol kunt houden als die anderen, dan eerst gaat men nadenken over anderen. Men begrijpt dan pas, wat die strijd ook voor anderen betekent. Dan voelt men met anderen mee. Dat wil ook zeggen, dat,wanneer de strijd in het “ik” is opgehouden, omdat men daar een overwinning heeft behaald, men in staat zal zijn een ander in zijn strijd bij te staan op een wijze, die volkomen verantwoord en juist is. Strijd brengt ons grote wijsheid. Het is een les, die geleerd moet worden, altijd weer. De les;”Heb uw naasten lief, gelijk uzelf!.”

Hoe kun je echter je naaste liefhebben, wanneer je hem niet kent? Er moet een band zijn. De strijd, zo verwerpelijk als zij misschien lijkt, is een band. Zij is een band, die de mensen uiteindelijk nader tot elkaar brengt en hen doet begrijpen, hoezeer zij – elkaar gelijk zijnde – in staat zijn elkaar te helpen. Wanneer deze dingen worden bereikt, wanneer de mens door eigen strijd leert begrijpen, hoe groot het lijden van andere is, begrijpt hoezeer de ander behoefte heeft aan de bemoedigingen, die zoeven ook het “ik” zo zeer van node had, zal bereid zijn voor anderen te strijden, om anderen te helpen, waar hij maar kan. Die zal door zijn onzelfzuchtig leven en ervaren zich voor een streven naar werkelijke vrede en harmonie op de wereld zich voortdurend beschikbaar stellen. Hij zal zelf een punt van vrede en harmonie worden en zo helpen de gevaren, die de mensen en de wereld bedreigen, te bezweren, want er dreigen deze wereld gevaren.

Gevaren van stoffelijke aard zijn er natuurlijk altijd. Die zullen er wel blijven bestaan, zolang er een stoffelijke ontwikkeling is. Maar de geestelijke gevaren, die er voor en ons bestaan, zijn veel groter. De vormen van eigengereidheid en zelfgerechtigheid. Het andere mensen verwerpen, omdat zij een andere taal streven, een andere huidskleur hebben, of een andere idee volgen; Het verwerpen van andere mensen, omdat zij naar een andere kerk gaan, of misschien zelfs, omdat zij een andere bakker hebben, of een andere kruiden. Soms lijkt het, of de mensheid en de menselijkheid in dergelijke kleine vooroordelen dreigen te verzinken. Maar wanneer er een strijd om grotere waarden kent, dan vallen dergelijke kleine geschillen weg. Zo zij later ook weer naar voren zullen komen, zij zullen niet meer zo diep geworteld zijn als eens. Zo zal de strijd een betere realisatie van menselijkheid en van een goede, redelijke wereld, mogelijk maken.

Wat is er nodig voor een volledige stoffelijke bereiking? Een wereld, waarin stof en geest volledig met elkaar in evenwicht zijn, zodat beiden in elke uiting volledig kunnen delen. Deze toestand kan echter alleen geschapen worden, wanneer wij door de strijd leren komen tot het overwinnen van de strijd. Deze laatste strijd voor de vrede zal een strijd zijn, die meer tegen het eigen “ik” is gericht dan tegen de wereld. Het betekent, dat wij het leven moeten accepteren aan de ene kant en aan de andere kant toch ook zullen moeten weten verantwoording te dragen voor anderen, ook zonder dat dit ons wordt verzocht of opgelegd.

  • Zoudt U ons iets kunnen vertellen over het gevoelsleven van de mens?

Dat zouden wij over dit onderwerp zeker kunnen doen, ofschoon het een onderwerp is, dat wel heel veel facetten heeft. Wanneer ik moet beginnen met het menselijke gevoelsleven te omschrijven, ben ik eigenlijk bang, dat ik menigeen een beetje kwets. Ik zal echter ook de andere waarden aansnijden. Verontrust u dus niet te zeer. Maar allereerst moeten wij zien naar de meer stoffelijke aspecten hiervan. Het gevoelsleven van de mens is gebaseerd op zijn stoffelijke levensdrang en op zijn stoffelijk karakter. De geest ook wel, maar de geest is voor de gevoelsuitingen meestal niet zo sterk, tenzij een hoog geestelijk bewustzijn reeds werd bereikt. Dus: stoffelijk karakter.

Het stoffelijk karakter wordt in hoofdzaak bepaald door interne evenwichten. U weet wel! de interne secreties, zenuwspanningen. Het kan worden gewijzigd door prikkelstoffen, injecties, enz. De manier, waarop iemand tegenover het leven staat, kan dus vaak wel zeer sterk in verband worden gebracht met zijn stoffelijk leven, wat het voor hem of haar betekent, welke bezigheden het hem oplegt enz. Dan is er nog iets, dat het gevoelsleven wel heel sterk mede bepaalt. Ik wil niet hatelijk zijn, maar er is één ding, dat elke mens liefheeft boven al het andere: Zichzelf. U kunt natuurlijk zeggen; “Ja, maar er zijn dingen, die ik meer liefheb dan mijzelf”, maar dat is niet geheel waar. U heeft deze dingen zo zeer lief, omdat u zo ziet als een onontbeerlijk deel van uzelf. U heeft deze dingen dan lief gelijk uzelf, want u kunt uw wezen zonder deze dingen niet als eenheid voorstellen.

Verder zijn er de gedachten van eer en aanzien. D.w.z., dat u tegenover de wereld graag een bepaalde plaats in wilt nemen. Ook dit heeft op uw gevoelsleven mede een grote invloed. Verder is er dan bezitsdrang. Dus het hebben der dingen. Dat kan ook al sterk op je gevoelsleven inwerken. Het kan de emoties vaak in een bepaalde richting dringen. Dan als laatste, maar niet het minste punt, het beroerde feit, dat de mens nu eenmaal is opgegroeid in een maatschappij, die bepaalde dingen hoogacht en andere mogelijkheden daarentegen verwerpt. Wanneer wij dat zo hebben bekeken, zullen wij wel begrijpen, dat het gevoelsleven van de mens betrekkelijk complex is. Het wordt stoffelijk geregeerd door het “hebben”, dus de verwervingsdrang.

De bezitstrots. Dus het:”Ik ben rijker dan een ander”, dat eigenlijk weer een zelfverheffing is tegenover de wereld. Verder aanziens-kwesties enz. Nu is het duidelijk, dat de één een gevoeliger gevoelsleven heeft, dan de ander. De een belooft alle lesjes over eergevoel en plicht, die hij op school en in de kerk heeft geleerd. Een ander neemt het daarmee niet zo nauw, is daar niet zo gevoelig voor. Maar die is dan vaak weer op andere punten kwetsbaar. Maar hoe dan ook, het gevoelsleven ligt voor het grootste gedeelte in deze richtingen. Daardoor wordt ons begrijpelijk, dat de gevoelsreacties van een mens vaak onverklaarbaar zijn. Men durft er de ware verklaring niet van te geven of te geloven. De mens is dan ook de meest compacte bundel tegenstrijdigheden, die er op deze wereld bestaat. De mens is voortdurend in conflict met zichzelf. In de mens leeft de gedachte. Wanneer er nu van buiten uit een prikkel komt, gaat de mens, die niet op zijn waarde buiten het “ik” beoordelen; hij reageert, alsof die prikkel in onmiddellijke relatie staat met alles, wat er reeds aan de gang is in dat “ik”. Zo zien wij dan, dat de innerlijke onzekerheid op het leven van een mens, zowel als zijn gevoelsleven van zeer grote invloed kan zijn. Dat te grote zelfverzekerdheid al evenzeer leven en gevoelsleven toetakelt. Nu zult u natuurlijk gaan zeggen, dat ik een factor buiten beschouwing heb gelaten, die volgens de menselijke opvattingen wel een zeer grote rol speelt bij het gevoelsleven: n.l. het contact tussen de seksen met alle resultaten daarvan. Dit is echter een kwestie van zuiver natuurlijke begeerten. Dit klinkt u misschien niet erg prettig. Maar; u vult elkaar aan en voldoet zo aan elkaars behoeften van aanzien en zelfwaardering. Verder is het van belang, dat men ten opzichte van de andere partij een zekere invloed of macht uitoefent, of meent uit te oefenen. Alweer; verheffing van het “ik”. Helemaal achteraan komt dan: Ik heb samen met die persoon iets bereikt. Of, wat belangrijker is: Wij verstaan elkaar. Juist waar dat begrip in het gevoelsleven als belangrijk naar voren komt, gaan wij pas afstappen van de zuiver stoffelijke dingen.

Het klinkt alles zo nuchter en zo dood, wanneer ik dit zo zeg. Maar er zijn natuurlijk wel andere mogelijkheden. Want al kunnen wij wel zeggen, dat elke basis van het gevoel, van de emotie, ligt in het stoffelijke, de aanleiding tot deze beroering kan wel degelijk geestelijk zijn. Wij mogen n.l. één ding vooral niet vergeten; Elke mens heeft buiten de algemeen geldende code om een eigen geestelijke codex. Een geestelijke wet, soms in vele levens vergaard. Waarschijnlijk ook reeds mee ingeschapen in den beginne. Iets, wat in de mens de geestelijke drang legt tot een bepaalde bereiking. Juist hier krijgen wij dan het moeilijkste punt. Want die geest wil bv. met een ander samen tot een geestelijk contact komen. Nu is dat natuurlijk op zichzelf zeer begeerlijk. Zou die geest dat contact niet kunnen vinden, dan is het zeer begrijpelijk, dat het verdere emotionele leven op meer stoffelijke normen gebaseerd door zou gaan. Maar voor de geest is het dan, alsof er niets gebeurt.

Een liefde, gebaseerd op allerlei stoffelijke factoren, kan echter juist verloren gaan, omdat de geest niet het antwoord vindt, dat zij zoekt. Een groep, waarvoor men zich heeft opgeofferd, een land, waarvoor men heeft gestreden, waar men alles voor over heeft gehad en waarmee men zich sterk verbonden gevoelt, beantwoordt uw geestelijke nood op een gegeven ogenblik niet. het beantwoordt niet aan uw geestelijke instelling en belevingen.

Wat is dan het resultaat? Plotseling is de liefde dood. Plotseling heeft men ten opzichte van die dingen geen emoties meer, tenzij in direct verband met het “ik”. Daaruit blijkt wel, dat bij het gevoelsleven van de mens de wijze, waarop de emotie optreedt en in het “ik” zich openbaart, weliswaar grotendeels stoffelijk kan worden geacht, maar dat daarnaast een tweede factor zit, die wij geestelijk kunnen noemen. Deze factor is bepalend, voor het al of niet aanwezig zijn der emoties, voor hun richting. Zodat in het menselijk gevoelsleven kan worden gezegd; de gevoelens worden bepaald door het lichaam. Maar zij worden gericht of teruggenomen door de geest.

Ik geloof, dat dit laatste op zichzelf al een zeer interessant puntje voor u is, de moeite waard om eens te overdenken. Maar als wij nog iets verder gaan, dan komen wij tot de conclusie, dat heel veel van het menselijke gevoelsleven niet gebaseerd is op realiteiten, dus werkelijk bestaande waarden, maar op ficties; slechts in het voorstellingsleven bestaande waarden.

Er zijn bv. mensen, die een voor anderen waardeloos vod om de een of andere reden, waardevol of heilig achten. Het is hen een reliek. Zij willen het nooit van zich laten, wanneer, zij het zouden verliezen, zouden zij daarover zeer bedroefd zijn. Is die droefenis stoffelijk gezien reëel? Neen, het is onzin. Het is een emotie, waarvoor geen stoffelijke aanleiding bestaat. Maar er is wel een aanleiding, die in het gedachteleven bestaat. Een innerlijke waardebepaling is hier de werkelijke invloed geweest.

Zo kennen wij ook het “sentimenteel” zijn. Meestal gebruikt men het woord in een wat minachtende of nadelige zin. Maar sentimenteel zijn betekent: overgevoelig zijn voor bepaalde dingen. Het was vroeger erger dan nu. Zo erg, dat, wanneer een toneelstuk een droevige situatie naar voren bracht, er altijd wel enkele dames in de zaal flauw vielen. Ook nu nog is men vaak zonder enige reden vertederd, omdat een hondje er zo lief uit ziet. Men weer dan ook niet natuurlijk, dat het arme lieve diertje dat muilkorfje draagt, omdat het al een 20-keer iemand heeft gebeten, zonder enige reden. Dat is dan ook sentimentaliteit. Maar waarom is men dan sentimenteel? In de eerste plaats, doordat men zich in de plaats stelt van een ander.

Hier is dus het voorstellingsleven wel van zeer grote invloed. Niet de manier, waarop u de dingen ziet, maar de manier, waarop u ze zich voorstelt, bepaalt de manier, waarop u reageert. Evenals op alle omstandigheden, die zich rond dat punt van uw belangstelling afspelen. Wanneer u dus weer eens naar een film of toneelstuk gaat en u zit zo heerlijk mee te huilen, zeg dan rustig tegen uzelf: Ik ben sentimenteel, doordat ik mij met mijn gedachten te veel verplaats, in toestanden; die voor mij als werkelijkheid niet bestaan. Dingen, die ik in werkelijkheid dus ook niet beoordelen kan. wij hebben dan hier dus de derde factor gevonden. Wij hadden de stof, die de uiting heeft, de gedachte, die haar richt. Nu krijgen wij daarbij het voorstellingsvermogen, dat de waardering en de intensiteit van het gevoelsleven bepaalt. Dus: het gedachteleven bepaalt in hoeverre u hier gevoelsmatig meeleeft.

Het gedachteleven van de mens is een zeer belangrijk instrument voor de bewustwording. Er is veel over bewustwording gesproken hier de laatste tijd. Indien je iets met je gevoel beleeft, dat herinnert u zich nog wel, kun je er zeker van zijn, dat je geest er deel aan heeft. Iets, dat koud en nuchter gebeurt, of beleefd wordt, betekent voor die geest niets. Noch goed, noch kwaad. Datgene, waarin je geheel opgaat en waar je werkelijk in leeft, is juist hetgeen, wat ook in je geestelijk bewustzijn en ervaringsvermogen wordt vastgelegd. Dat op zijn beurt bepaalt dan wel weer, hoe u uzelf zult zien, wanneer u later met uzelf geconfronteerd wordt in de lichte wereld. Het gevoelsleven is dus de taal, die wij spreken van uit de stoffelijke rede, zowel als van uit het stoffelijk onderbewustzijn tot de geest en het geestelijk bewustzijn. Wij kunnen dus zeggen. Er kan geen mens zijn, die niet een gevoelsleven heeft. Zou dat het geval zijn, dan ontbreekt de verbindende factor tussen geest en stof.

Wij kunnen echter ook zeggen; een onbeheerst gevoelsleven zal een volkomen onregelmatige beïnvloeding van de geest betekenen en als zodanig een storing voor vrede en harmonie betekenen ook in die geest. Het zou dus redelijk moeten worden geacht, wanneer wij de mens raden zijn gevoelens te beheersen. Men kan deze nu eenmaal niet maar zo de vrije loop laten. Wanneer je dat doet, schep je voor jezelf een geestelijke verwarring. Daarbij veroorzaak je dan zo vaak bovendien ook stoffelijk een wantoestand. Het is natuurlijk heel mooi om vol menselijk medegevoel je laatste kwartje te geven aan een bedelaar. Maar als je dan zelf geen tramgeld meer hebt en naar huis moet lopen, waardoor er schade ontstaat: je bent te laat en je gezin moet daar de last van dragen, dan is dat niet verantwoord. Je zoudt dus eerst moeten overleggen: kan ik dat kwartje wel geven? Zo gaat het met alle dingen. Je gevoel is heel erg belangrijk. Natuurlijk. Maar geestelijk wordt pas een geestelijk wapen, wanneer het stoffelijk gezien door de rede wordt beheerst. Terwijl het vanuit de geest, dus geestelijk gezien, wordt gestimuleerd in de juiste richting.

Soms lijkt het menselijke gevoelsleven een atoombom; Je raakt één zeer puntje, er komt een kettingreactie en meteen is de hele boel van de kook. Ik weet niet, of u zoiets wel eens hebt meegemaakt. Misschien kent u wel zo iemand. Van die mensen, die een teen stoten en dan uiteindelijk eindigen met heel de wereld te haten en zichzelf te verachten. Zij zijn niet beheerst. Zij denken niet na. Zij draven door. Zij gooien alles, wat er in hen rijst maar meteen naar buiten en staan dan vol verwondering te kijken naar de verwarring, die gij buiten zich in de wereld hebben geschapen. Dan zeggen zij; “Waar heb ik dat nu aan verdiend? O, wat is dat verschrikkelijk.” Zij gaan zichzelf dan nog beklagen bovendien. Dat is ook gevoelsleven. Niet redelijk. Weet u wat het is, wanneer je jezelf zo laat gaan? De grootste dwaasheid, die je uit kunt halen. Niet zo, dat een warboel geen enkel doel heeft. Want later kun je zeggen: Dat heb ik er in ieder geval uit geleerd. Ik wil het aanvaarden, nog eens redelijk en ook geestelijk overdenken. Ook dan heeft het gevoel hier wel degelijk deel aan, er zijn bepaalde gevoelens in je, die deze gedachtegang dragen. Dan is het water weer binnen de dijken. Er is geen vernietiging sneer door het onbeheerste van de menselijke gevoelens. Dit geldt in elk opzicht: onbeheerst medelijden kan zover gaan, dat het uiteindelijk het voorwerp van het medelijden doodt. Beheerst medelijden daarentegen schept voor alles, waar het mede in aanraking komt, een gezondere toestand.

Wanneer u deze stellingen eens wilt overdenken, moet u het leven van Florence Nightingale maar eens nagaan. Juist door haar beheerst optreden en leven kon deze vrouw zoveel goed doen.

Ik kan er zo wel meer noemen. Allen waren het mensen, die zeker een diep gevoelsleven hadden. Het gevoelsleven was voor hen één van de belangrijkste punten van het bestaan. Maar doordat zij het beheersten, doordat zij wisten, hoe deze gevoelens te gebruiken, om redelijke resultaten te krijgen en een voortdurende uitwisseling van emotie tussen stof en geest kenden, hadden zij een veel grotere kracht dan iemand anders. Veel meer dan de wereld ooit had kunnen vermoeden. Zij hebben lasten gedragen, bergen werk verzet, zodat je moet zeggen; “Hoe is het mogelijk, dat een mens het zover heeft gebracht”. Zij hebben op deze wijze op de wereld veel goeds geschapen en geestelijk een groot bewustzijn bereikt. Zij begrepen, dat het menselijk gevoel, wanneer het zuiver stoffelijk wordt bezien, voor de geest van geen belang is. Maar dat, wanneer de geest die gevoelens stimuleert, door ze stoffelijk en redelijk in toom te houden, voor de geest een zuiver stoffelijke ervaring mogelijk wordt, die voor de geest een vergroting van haar bewustzijn betekent en dus ook een vergroting van haar lichtende waarde, wanneer zij weer van de stof bevrijd, in de wereld van de geest haar verdere ontwikkelingsgang doormaakt.

Zo, dat was dan een verhaal over het menselijk gevoelsleven. Ik wil er nog één ding aan toevoegen; Misschien, dat u persoonlijk uw gevoelens weet te beheersen, een ander kan het misschien niet. Probeer dus de gevoelens van anderen te sparen, waar u maar kunt.

Het is één van de stelregels der verdraagzaamheid! Anderen sparen, waar het maar enigszins mogelijk is. Waarom? Omdat je op die manier in de ander geen krachten wekt, die voor hem zelf nadelig zijn, waarden, die het u misschien ook zouden beletten en de samenwerking tussen stof en geest op de juiste wijze voort te zetten. Dan zouden uw gevoelens er met u misschien stoffelijk, of verstandelijk vandoor gaan. Zo zou uw geest ontbloot blijven van bepaalde waarden, als de geest van degenen, die u – onnadenkend misschien – gekwetst hebt.

Mag ik dan met dit kleine probleem der verdraagzaamheid gaan besluiten?

Of neen. Ik mag dat nog niet doen. Er bereikt mij hier nog een gedachte, die beantwoord moet worden. Natuurlijk bedoel ik hiermede niet, dat men ten koste van alles een ander in vrede moet laten. Men moet er zorg voor dragen, dat waar het niet nodig is de gevoelens van anderen niet gekwetst worden. En, dat waar dit nu eenmaal noodzakelijk is, dit niet geschiedt op een wijze, die niet door de ander begrepen kan worden. Men moet, wanneer het nodig is, redelijk, eerlijk en vooral oprecht zijn. Men zal de gevoelens van de ander dan misschien wel heel erg verstoren, maar door het beroep op de rede door de verklaring, die wordt gegeven, komt u dan misschien tot een begrip, ook in de persoon zelve, zodat ook degene, die de storing ondervond, het ook begrijpt. Daardoor zoudt u dan misschien juist kunnen bereiken dat het gevoelsleven bij beiden gezond blijft of wordt. Dit, terwijl bij een ander sparen, ook ten koste van het “ik”, zowel het “ik” als de ander soms ten onder kunnen gaan. Het “ik” door de onderdrukking van gevoelens, waarbij op de duur een gevoelloosheid optreedt en men verder maar voort sjokt, zonder iets geestelijk te beleven. Bij de anderen zou een ongerechtvaardigd sparen der gevoelens, op de duur misschien een valse voorstelling van zaken kunnen wekken. Iemand, die op een valse gevoelsbasis leeft, krijgt vandaag, of morgen toch zijn klappen. Wanneer u de slag toebrengt in een geest van werkelijke verdraagzaamheid, kunt u echter misschien ook helpen de schok te overwinnen, die deze noodzakelijk klap heeft veroorzaakt.