Strijd tussen licht en duister

12 februari 1979

De gastspreker van vanavond is iemand die sterk is in symboliek. Hij behoort op dit ogenblik tot de sfeer van het witte – nog niet het verblindende – maar het witte licht en houdt zich bezig met wat we globaal zouden kunnen noemen: de strijd tussen licht en duister of goed en kwaad.

Wat daar allemaal over te zeggen is, weet ik ook niet. Ik heb trouwens opgemerkt dat de onwetendheid onder de inleiders schijnt toe te slaan. Ik kan alleen een klein beetje zeggen waar het om gaat.

Er zijn mensen die denken dat licht en duister dingen zijn die absoluut zijn. Dat is natuurlijk niet waar. Anderen zeggen: er is geen licht en geen duister. Er is alleen een eenheid. En dat is zeer beperkt waar.

Wanneer wij spreken over duister dan spreken we over isolement, over chaos. Over gebondenheden zoals dat dan met een mooi woord heet. En wanneer wij spreken over licht dan spreken we over de innerlijke harmonie waaruit een vrije ordening voortkomt, waaruit een eigen in­nerlijke kracht voortkomt en waarbij in plaats van isolement een abso­lute verbondenheid met het Al voortvloeit. Dit zijn zijnstoestanden. Je kunt niet vertellen dat het bij de één zus en bij de ander zo moet zijn. Ieder beleeft dat een beetje op zijn eigen manier.

De geesten die tot de chaotische ontwikkeling behoren, worden weleens met een deftig woord duivels genoemd. Anderen spreken over demo­nen; ook dat is niet helemaal waar. Een demon is over het algemeen ie­mand die hetzij hier, hetzij elders ooit geïncarneerd is geweest. Het zijn allemaal wezens die sterk egocentrisch zijn. Het zijn wezens die zich daarom richten op het binden van anderen en die door hun eigen situatie eigenlijk niet anders meer kunnen. Laten we maar gewoon een voorbeeld nemen.

Iemand wil kunstenaar zijn. Dat is zijn innerlijk. Maar die kunste­naar wordt door omstandigheden ambtenaar. In die hiërarchie klimt hij steeds wat verder op, langzaam maar gestaag. Hij huwt, krijgt wat kinderen, maar naarmate hij meer in aanzien komt wordt het voor hem moei­lijker om te zeggen: “Nu laat ik alles liggen en wijd ik mij aan mijn kunst.” Hij kan proberen het er tussendoor te doen, maar hij moet voor de kinderen zorgen en de vrouw wil ook haar aandacht. Je hebt je rela­ties en je moet toch ook op het departement een beetje goede vrienden hebben. Op die manier gaat dat. Dan komt er een ogenblik dat je zegt: “Later zal ik het gaan doen.” En zo blijf je eigenlijk tegen wil en dank doorgaan.

Dit is een voorbeeld, dat is duidelijk. Maar u kunt begrijpen dat iemand die in dat duister terecht komt eigenlijk begint met te zeggen: “Ach, ik wil wel naar dat licht toe, ik voel er niet zoveel voor.” Maar ja, als je een beetje wil bestaan zal je toch op anderen moeten reageren. Dan zal je terug moeten vechten. En dan heb je op een gegeven ogenblik een zeker aanzien en ga je op jouw manier proberen je eigen rijk te vergroten. Hoe groter dat rijk wordt hoe minder kans je hebt om je nog vrij te maken en naar dat licht toe te gaan, ook al verlang je ernaar.

Het omgekeerde heb je natuurlijk in het licht. Iemand die bij dat licht behoort heeft ongetwijfeld ook wel zijn gebondenheden als hij op aarde leeft. 0f wanneer hij in een sfeer leeft. Maar die gebondenheden zijn bijkomstig. Hij vraagt zich eerst af: Wat leeft er in mij? Pas daarna: Wat betekent dat? Misschien zou je het kunnen vergelijken: duistere sfeer – materialisme en het andere: noem het een esoterisch gerichte uiting. Dat zijn twee verschillen. Tussen die twee bestaat altijd een soort strijd. Dat is onvermijdelijk. Dat kunt u ook wel nagaan. Want zij die weten wat het is om vrij te zijn in directe ver­binding, in directe harmonie hebben altijd weer de behoefte om ook een ander die mogelijkheid te geven.

Wanneer zij een noodkreet uit de diepte horen gaan ze er heus wel heen. Ze zeggen dan: “Laat dat isolement maar eens even voor wat het is en vergeet nou alles wat je denkt bereikt te hebben of te zijn en ga mee.” Maar al die anderen die er in die duistere wereld omheen zitten, zeggen dan natuurlijk: “Wat doe je? Waarom laat je ons in de steek? Denk eens aan wat we voor je kunnen doen en als je blijft, zul­len we je nog een beetje meer macht of een beetje meer gebied geven.” En dan moeten zij vanuit die lichte sfeer proberen zo iemand te helpen desondanks alles achter te laten.

Maar in die lichte wereld speelt natuurlijk veel meer; want het egoïsme, de egoïstische gebondenheden die ook op hun wereld vaak een heel grote rol spelen, moeten eigenlijk een beetje op de achtergrond worden gedrongen. Het gaat niet om wat je hebt of om wat je in de ogen van de anderen bent. Het gaat erom dat je leert zoveel mogelijk jezelf waar te maken. Dat wat je innerlijk bent. Je moet niet meer bang zijn voor de waarheid omtrent jezelf. Zo zou je het misschien moeten uitdrukken. En dat betekent dat we ook op uw wereld proberen mensen op die manier te benaderen.

Op deze manier heb ik naar ik hoop het strijdtoneel enigszins geschetst. Er zijn mensen die denken dat duivels en engelen met zwaar­den op mekaar in hakken, maar dat is meer voor de film. In werkelijk­heid is dat niet zo. En zelfs wanneer iets, wat je een zwaard zou kunnen noemen, gebruikt wordt dan is het toch alleen maar een symbool. Het symbool van het licht dat de ander niet kan verdragen.

Nu zult u zich misschien afvragen waarom die zogenaamde duisterlingen – laten we ze zo maar noemen – zo bang zijn voor het licht. Kijk, wanneer je altijd in een hol leeft worden je ogen overgevoelig; als je dan ineens in het zonlicht komt doet het pijn en ben je ver­blind. En nu is wat zij doen vaak een ongetelde tijd in isolement, in duisternis zijn. Worden ze dan blootgesteld aan het licht – wat in feite de verbondenheid is – dan is dat een belasting waar ze niet tegen kunnen. Dat dreigt hun hele wereld, hun hele wereldbeeld uiteen te doen vallen. Ze sterven er bijna aan.

Dat is de reden dat er bij de strijd eigenlijk helemaal geen sprake is van werkelijke wapens. De wapens van het duister kunnen het werkelijke licht niet deren, ook wanneer het onderling misschien wel wapens gebruikt. De wapens van het licht zijn geen wapens, maar zijn de essentie van het bestaan in verbondenheid, in harmonie.

Als je te maken krijgt met iemand die daar zo’n beetje een levens­werk van begint te maken dan zie je ook onwillekeurig, dat zo iemand niet alles kan zeggen. Hij probeert het dan te zeggen in wat men symbolen noemt. Maar de symboliek van een duiveltje en een engeltje die met elkaar in strijd zijn is natuurlijk niet voldoende. Je moet proberen om de hele kringloop, de eeuwigheid vast te leggen.

Er zijn verschillende manieren waarop je dat kunt doen. Om b.v. maar iets te noemen de gnostische draak. Er zijn meer van die dingen.

Al die symbolen zijn verhalen. Achter de verhalen ligt weer de betekenis van de werkelijkheid die je beperkt kunt uitdrukken. Ik wilde dat ik in symbolen met u kon praten, dan kon ik heel vlug heel veel vertellen, terwijl ik nu voor de inhoud van misschien één symbool toch wel een uur of twee nodig zou hebben.

Dat is – om even duidelijk te maken – het belang van het symbool; maar er is meer bij. Met symbolen kun je dingen zeggen die niet meer redelijk zijn. Die eigenlijk eerder emotioneel worden. Die, als je het heel goed bekijkt, eigenlijk een taal spreken die de geest wel, maar de stof niet kan verstaan.

Dan kom je tot de conclusie dat b.v. de draak van de gnostici een voorstelling is. Dat die voorstelling een weergave betekent van een eeuwigheidsbeginsel, maar dat ze daarnaast – en dat ligt in de groepering, wanneer ze juist is getekend van o.m. schubben en nog wat versierselen – ook nog iets zegt over de grens tussen licht en duis­ter. En dat is weer een geestelijk iets, wat je als mens niet kunt definiëren, maar wat je wel ergens diep in jezelf kunt beleven.

Iemand die met symbolen werkt probeert natuurlijk ook symbolen aan te passen, maar dat is erg moeilijk. Het is natuurlijk zo dat je bepaalde dingen kunt symboliseren. Neem nu maar gewoon een cartoonist. Als een cartoonist een waterhoofd met een bisschopsmijter en een pijp tekent, wat heeft hij dan gezegd? “Leve monseigneur Gijsen” nietwaar? Dat zijn dus eigenlijk ook symbolen, net als uw schip van Staat, u weet wel, met de roerganger die naar het wiel staat te kijken terwijl de zaak stuurloos is. Wanneer je goed kijkt, waar die vent op lijkt dan is dat een heel verhaal, een hele kritiek.

De mensen begrijpen dat omdat ze thuis zijn in de eigenschappen van al die dingen. Ze weten waar dat schip van Staat voor staat. Ze zien wat die zeilen betekenen. Er staan een paar lettertjes op en ze zien de bemanning, die karikaturen zijn van mensen die ze ook kennen. En daarom vertelt die tekening een heel verhaal.

Wanneer je symboliek wilt hanteren moet je dat doen in termen van datgene wat de mensen kennen. Er zijn zeer oude en kostelijke symbolen die de mensen allemaal vergeten zijn. Als ik u een wieltje teken met een kruis erin, waar denkt u dan aan? Sommigen denken aan de Christus. Anderen denken aan de zon. Het is inderdaad ook een zonne-symbool geweest. Maar in feite – en dat is het wonderlijke – is het eigenlijk het symbool van de Grote Moeder. Daar komt het vandaan. De Grote Moeder is de aarde zelf. De aarde zelf met de levenskracht die zij mede voortbrengt. De Grote Moeder was het beginsel van het leven in een tijd dat men over de rest van de hemelen niets wist en volkomen geocentrisch dacht.

Als ik met dit symbool aankom zetten, moet ik het eerst gaan ver­klaren, maar dan heb ik het symbool niet meer nodig. Begrijpt u wat ik bedoel? Dus moet ik iets zoeken wat nu een goed symbool is. Wan­neer ik b.v. een raket teken zou u er vroeger niets achter gezocht hebben. Maar een raket die in de hemel zweeft zegt: “andere wereld.” Begrijpt u wat ik bedoel? Op deze manier moet je dus eigenlijk zoeken naar een vertaling van allerhande geestelijke en andere begrippen in de termen die een tijd kan begrijpen.

Hoe moderner die symbolen nu zijn, hoe gemakkelijker je daarmee bereikt dat die mens zich verstandelijk zozeer daarop richt, dat hij gevangen wordt door de emotionele achtergrond daarvan en daardoor de geestelijke inhoud ervan mee verwerkt, ook al zal hij die nooit be­wust kunnen terugbrengen.

Dat is één van de dingen waar onze gastspreker van vanavond zich mee bezig houdt. Het is een beetje een wonderlijke zaak. We hebben al heel wat verschillende experts, technici en deskundigen gebracht. Maar iemand die zozeer gewend is op verschillende niveaus te opereren als deze gast, daarvan weet je eigenlijk niet wat hij tot stand gaat brengen. Zal hij proberen om tot uw verstand te spreken of zal hij pro­beren verstand en geest te combineren. Zal hij misschien verstand, emotie en geest mengen tot iets waardoor zich voor uzelf een bepaald gevoel en begrip uitkristalliseert dat niet redelijk is, maar wat toch gelijktijdig iets is – modern gezegd – als een kwartskristal dat een zender stuurt, waardoor je op dezelfde golflengte kunt komen.

Ik dacht dat het op zijn minst genomen interessant is om te kijken wat er gaat gebeuren. We hebben te maken met iemand die normalerwijze leeft in een praktisch absolute vrijheid. Alle verschillen die voor u belangrijk zijn, zijn voor hem allang uitgevlakt. Om zich te kunnen ma­nifesteren moet hij zich terugvormen. Hij moet zich terug concentreren. Wij hebben hem gevraagd hoe hij dat wil doen en hij zei: “Ik wil zo­veel mogelijk persoonlijk doorkomen. Ik zal proberen te werken met een zo direct mogelijke oversluiering.”

Een oversluiering is zoals u weet een vorm van werken waarbij je niet bij het lichaam van het medium met alle ervaringen betrokken wordt, maar waarbij je de zaak van buitenaf als het ware bedient. Het is een soort marionettenspel waarbij de handen van de marionettenspeler vlak boven de pop hangen. (Dit is ook symboliek, maar het wordt wel begrepen.)

Ik heb onze gast ook gevraagd of hij nog afscherming nodig had. Volgens hem was dat van onze kant niet zo nodig. Daar zou hij zelf wel voor zorgen. Dat kan interessant worden want dat betekent dat hij pro­beert te werken met krachten die heel waarschijnlijk tot zijn eigen sfeer of één sfeertje lager behoren.

We hebben hem gewaarschuwd dat het medium er geen nadeel van mag hebben, waarop hij antwoordde: “Dat verzorg ik wel. Dat komt voor elkaar.” Je moet dus aannemen dat hij werkt met krachten uit zijn eigen omgeving, uit zijn eigen wereld of zijn eigen wezen. Alles bij elkaar dacht ik eigenlijk een soort experiment. En daarmee heb ik alles wat ik over deze spreker kan zeggen wel naar voren gebracht.

Nu zijn er hier die zich afvragen wat zijn aardse voorgeschiede­nis is. Hij heeft er wel één maar die is hij zelf allang vergeten. Ik ook. M.a.w.: dat is niet van belang. En nu wil ik even gewoon voor mezelf praten.

U leeft op het ogenblik in een tijd waarin het z.g. lawine-effect een grote rol speelt. Er zijn kleine zaken die een lange tijd in evenwicht blijven en die op een gegeven ogenblik iets van plaats ver­anderen. Het gevolg is dat al het andere wordt meegesleurd zoals bij een lawine een betrekkelijk kleine brok sneeuw zo’n grote waterval van sneeuw, ijs en rotsen los kan maken, dat er een heel dorp mee wordt bedolven.

In dat lawine-effect zie ik voor mij persoonlijk wel degelijk ook iets wat te maken heeft met de strijd tussen goed en kwaad. Ik denk dat de wereld – ik kan mij vergissen – op het ogenblik in een stadium is gekomen waarin ze in betrekkelijke korte tijd een keuze zal moeten maken tussen de wijze waarop ze nu het bestaan benadert, dus materieel – je hebt te eten, te drinken, je hebt je amusement en je mag dus niet klagen – of: de geestelijke benadering waarbij je zegt: wat je hebt is eigenlijk niet zo belangrijk, maar of je geluk­kig bent is wel belangrijk. Begrijpt u wat ik bedoel?

Wanneer dat waar is – en het lijkt er wel sterk op – dan is natuur­lijk de hele belangrijke vraag: wat voor lawines er gaan vallen. Nu zien we op het ogenblik in allerlei dingen een versnelde ommekeer. Wan­neer ik probeer om een parallel te trekken met deze tijd dan moet ik zeer ver teruggaan. Het dichtstbijzijnde is de inval van de Hyksos. Die hebben een grote verandering in denken, beleven en zelfs in gods­dienstige reacties teweeggebracht.

Maar als ik verder terug wil gaan kom ik bijna bij de tweede uit­tocht uit Atlantis terecht. Het is dus wel een zeer kritieke tijd en hetzelfde effect dat toen speelde speelt nu eveneens alleen op een andere manier.

Wat is licht? Licht is naar ik meen al datgene waarbij de mens een innerlijke vrede vindt. Daarom geloof ik dat elke golf die een mate van mystieke beleving, van innerlijke vrede met zich brengt wel tot het licht gerekend kan worden.

Als datgene wat in de richting gaat van materiële uitwassen – laat ik het zo maar noemen – daarvan denk ik dat dat niet zo goed is.

Ik probeerde na te gaan wat er in zo’n strijd kon gebeuren. Ik kwam tot de conclusie dat de chaos eigenlijk voortkomt uit het egoïsme, misschien nog beter het egocentrisme.

Wanneer een mens denkt dat hij het criterium is waarmee hij het Al moet meten, dat zijn belangen de enige werkelijke belangen zijn die er bestaan, dat het handhaven van wat hij heeft of het uitbreiden ervan het enige belangrijke in de kosmos is, dan denk ik: dat is duister. Ik kan het mis hebben, maar naar mijn mening is dat een punt – je kunt erover vechten, je kunt erover praten – dat zou voeren tot dit duis­tere bestaan.

Mensen die elkaar steeds minder begrijpen, die alleen nog maar uiterlijke kontakten hebben met een innerlijke leegte; die in die uiterlijke kontakten ook geen oprechtheid meer kennen maar alleen een soort onderlinge machtsstrijd uitvechten.

Kijk ik naar het licht, naar dit bijna mystieke denken en leven, dan zie ik dat de mens zo’n mystieke beleving alleen waar kan maken wanneer hij er iets van in anderen terug kan vinden. Dus de neiging om verbondenheid, eenheid en broederschap te zoeken wordt veel groter.

Wanneer dat gebeurt is er een wisselwerking van geestelijke aard, ook tussen mensen op aarde. En dit betekent dat steeds meer geeste­lijke elementen daar een rol bij kunnen spelen. Hoe groter het aantal geestelijke elementen dat geïntroduceerd kan worden in het stoffe­lijk bestaan, hoe groter de bewustwording, maar gelijktijdig ook hoe sterker de overwinning van het licht.

Ik denk verder: Wat is dan eigenlijk belangrijk? Waarbij ik tot de conclusie kom dat er zoveel dingen zijn waar je eigenlijk niets aan hebt. Laat mij een voorbeeld geven: Stel dat er een sterk ethisch stelsel is. Allemaal normen. Daarvan kun je zeggen: dat is erg mooi. Ja, dat is het misschien wel. Maar wanneer dit stelsel een opgelegd geheel is betekent het net zoiets als een snelheidsbeperking op de autowegen. Iedereen zegt dat het er is en iedereen ontduikt het. Be­grijpt u wat ik bedoel?

Wanneer je daarentegen nu eens niet een ethisch stelsel hebt, geen opgelegde moraal, maar een innerlijk gegroeide moraliteit dan ont­staat ook een soort ethiek, maar die is niet genormd. Die zegt niet: Dit moet, dat mag en dat mag niet. Die zegt: “ik ben, en volgens mijn wezen kan ik dit wel en kan ik dat niet aanvaarden. Daartussen ligt een gebied waarin ik een vrijheid van handelen heb, maar waarbij ik tendeer naar datgene, wat voor mij aanvaardbaar is.”

Een grote moeilijkheid in een wereld die alles tot de perfectie wil regelen. Misschien zou je het kunnen verklaren met de wet van Parkinson. Je begint met een wet die op zichzelf goed is. Maar die wet kan op vele wijzen geïnterpreteerd worden en dat gebeurt in de loop der tijden. Nu moet je zorgen dat dat allemaal terugkomt naar de juis­te interpretatie. Je hebt dus meer wetjes nodig. Maar dan heb je ook meer mensen nodig om die wetjes te controleren, dat is duidelijk. Dan blijkt dat die mensen ook weer niet helemaal zeker zijn van hun zaak, waardoor er weer nieuwe mazen zijn bijgekomen in plaats dat de oude alleen maar gestopt zijn. Dus heb je weer nieuwe wetten nodig en daarbij weer een nieuw apparaat, dat, omdat het gróter is, weer meer verschillen van mening kent en zo ga je maar door. Dat is het oneindigheidsbeginsel uitgedrukt in een bureaucratische gang van zaken.

Wanneer je dat zo bekijkt concludeer je: eigenlijk is er maar één fout. We hadden die ene wet, maar we hebben allemaal geprobeerd ze naar onszelf toe uit te leggen. Wanneer we dat nou eens niet zouden doen zou die ene wet voldoende zijn. Die zou alles omvatten en die zou geen mazen hebben. Maar ja, waar vind je die?

De enige wet in ons die geen mazen heeft, is de Goddelijke Wet die in ons bestaat. De ellende daarbij is dat wij die wet wel kennen maar dat we zeggen: “God kan het ook anders bedoeld hebben.”

“Hebt uw naasten lief”, zei Jezus. “Ja, zeggen de mensen, “dat is zo. Maar wie is mijn naaste? Mijn naaste is degene die mij nodig heeft. En wie heeft mij nodig? Degene die mijn leiding volgt. Daaruit komt voort dat degene die mij niet volgt niet mijn naaste is en daar mag ik dus mee doen wat ik wil.

Ja, u lacht er een beetje om, maar met dit soort kromme redenerin­gen, deze sofismen, is de wereld vergeven. Er zijn mensen die zeggen: “Wij zijn voor vermindering van het drankgebruik. In een ander land hoor, niet in Nederland.” Degenen die dat zeggen, zuipen zichzelf bijna het graf in. Maar voor de arbeidsmoraliteit van het volk is het niet goed, voor henzelf wel. En dat kan natuurlijk niet.

We proberen dit nu even om te zetten geestelijke zaken. In mij is een Goddelijke Wet. Wanneer ik stel, dat die wet en alleen die wet onaantastbaar is dan heb ik een beginsel, waardoor mijn hele leven gericht wordt. Op het ogenblik dat ik een compromis sluit – hoe dan ook – kom ik in die wet van Parkinson terecht.

Eén leugentje, is niet zo erg, zeg ik. Maar een volgende keer komt er iemand die vraagt: “Was dat nou wel waar?” Dan moet je er weer een leugen bij vertellen om te bewijzen dat de leugen die je verteld hebt waar was, ofschoon je weet dat ze niet waar was.

Je zegt: “Ik strijd voor het goede. Maar ik mag toch ook wel aan mijzelf denken?” Maar als je werkelijk goed bent denk je niet aan je­zelf. Dan denk je alleen aan jezelf als deel van het geheel en niet als een afzonderlijke factor, die voorrechten moet hebben boven het geheel.

Wanneer je die innerlijke wet gaat aanvaarden en je gaat ze vol­ledig waar maken, zoals je ze zelf beleeft, dan is er geen tegenstel­ling tussen jou en het licht, de kracht van het licht. Maar dat is heel erg moeilijk, want in vele gevallen heb je steun nodig en je kunt niet altijd de steun krijgen zoals jij denkt dat je ze nodig hebt.

Ik heb iemand in mijn tijd gekend die zei: “Weet je, ik ben nu al enige tijd getrouwd en ik wil mijn vrouw niet teleurstellen. Daarom ga ik ’s avonds met mijn vrienden uit, maar dan gebruik ik wel de juiste drank en ik eet veel oesters.” Dat was geloof ik een bijgeloof; tenminste volgens de vrouw van die man wel. Hij probeerde dus eigen­lijk te doen alsof. Nou dat kun je niet.

Vanuit het kosmisch licht kun je niet doen alsof. Je kunt alleen zijn. En dat bij dat “zijn” de relatie niet altijd is uitgedrukt volgens jouw normen of de normen van anderen, dat doet minder ter zake. Het is belangrijk dit je met dat licht verbonden bent. Niet op welke manier dat wordt gezegd of gedaan.

Op het ogenblik dat je zegt: “Ik mag voor mezelf toch ook wel wat hebben,” u kent dat, ga je eigenlijk zeggen: “Die wet in mij is een kosmische wet, maar ik wil toch ook wel wat anders.” Met deze overbe­kende leuze stort je je dan in feite in een steeds meer egocentrisch wordende beschouwing. Want wat zeg je eigenlijk? “In mij is de wet en die mag ik toepassen zoals ik wil. Voor anderen geldt de wet natuur­lijk volledig, maar ik weet wat ik doe.”

Op deze manier isoleer je je. Dan ben je niet meteen duister. Er zijn mensen die denken dat je dan meteen in het diepste duister zit. Neen, maar je zakt een stukje. Het is net geestelijk drijfzand. Naar­mate je meer denkt: Voor mij komt het er. Of, ik kan dat toch wel. Of, ik moet dat toch maar een keer; zak je iets verder.

Wanneer je pas op drijfzand loopt kun je er door je zo snel moge­lijk en gelijkmatig mogelijk te bewegen, vaak nog uitkomen. Wanneer je dat niet kan kun je altijd nog een zo groot mogelijk oppervlak vormen. Dus languit gaan liggen en dan langzaam bewegen, dan kun je ook op het droge komen.

Wanneer je er voor een stukje in zit, kan een ander je er heus nog wel uithalen. Maar wanneer je er tot de helft in zit dan heb je al een paar krachtpatsers nodig om je eruit te halen. Zit je er zover in dat alleen het koppie eruit komt, dan ben je al half gestikt. En voor je het weet zit je koppie onder.

Nou is dat in drijfzand nog niet zo erg; dan kom je aan onze kant en ben je ervan af. Maar wanneer dit geestelijk gebeurt zak je in feite weg in een wereld die steeds duisterder wordt. Een wereld waarvan je kunt zeggen, dat ze bijna bodemloos is. Er is wel een bodem, maar voordat je die bereikt duurt het een tijd.

En dan zit je natuurlijk met de grote moeilijkheid dat je naar­mate je minder mogelijkheden hebt, meer aan jezelf probeert te ver­klaren, dat wat je doet goed is. Trouwens, als ik de duivel was – ik ben het niet gelukkig en ik zal hét ook nooit worden hoop ik, het ziet er niet naar uit, ik zit op het ogenblik op een goed plekje – zou ik nooit tegen de mensen zeggen: dit is demonisch. Dan zou ik zeggen: “Dat kun je best doen en dan zorg ik dat je kunt voelen dat je een goed mens bent.” Dat is het meest verleidelijke: het idee heb­ben dat je zelf goed bent. Dat je gelijk hebt. Dat helpt je a.h.w. om te verstarren, al is het een verdwazing. Maar die verstarring be­tekent steeds sterkere verbondenheid met het duister, met chaos. Wan­neer je dus naar het licht wilt moet je proberen om je los te maken.

Nu zult u zeggen: maar waar haal ik de kracht vandaan? Wel, die kracht heb je eerst in jezelf nodig. De wil om naar het licht te gaan betekent altijd tenminste het stopzetten van de daling. Je wordt niet sterker in dat egocentrisme betrokken omdat je gaat zien dat er iets anders is. En dat is al belangrijk. De krachten die belangrijk zijn, worden daardoor ook veel meer in je gewekt. En naarmate je meer van die kracht hebt, zal je ook meer gekend en gezien worden bij hen, die in dat licht leven. Wanneer je zegt: “Ik wil dat licht kennen” dan zeg je in wezen: “Ik wil in dat licht leven. Ik ben met jullie verbonden.” Je erkent dan die eenheid met de anderen en daardoor zullen de anderen bereid zijn om jou te helpen.

Je moet dan zelf natuurlijk hard meewerken. Het is geen eierkoek eten, maar dan kun je langzaam naar boven toe komen.

Het is altijd een traag proces. Het is een proces waarbij de beste voornemens meestal in de kortst mogelijke tijd ongedaan worden gemaakt. Naarmate je meer afstand doet van je zelfzucht, je idee van verbonden zijn, erkend worden, wordt het moeilijker. Want hoe meer je afstand doet hoe meer je denkt aan wat het voor je betekende. Je probeert een eenheid te vinden tussen wat je bent en wat je in die verbondenheid vertegenwoordigt, bezit én dat licht wat je wilt. Maar die mogelijk­heid bestaat niet. Je moet altijd steeds meer prijsgeven om steeds meer één te worden met het licht. Je moet steeds meer je egocentrische en misschien ook egoïstische denken terzijde schuiven om te komen tot de erkenning van die volheid die daarboven is.

Het is natuurlijk heel wat maar als ik het zo bekijk staat uw hele wereld in deze tijd voor een dergelijke keuze. Het is de keuze van: “zullen we alles tot in de perfectie regelen”, of “zullen we meer op elkaar vertrouwen en zelf meer voor anderen doen.”

Het is de vraag van: Is het nu zo belangrijk om sociaal of anders­zins een plaats van aanzien te bekleden of is het misschien belangrijker om te weten, dat je betekenis hebt in het leven van anderen. Dat soort vragen moeten in deze tijd opgelost worden. En als u het mij vraagt is het half om half.

Er zijn veel mensen die proberen los te breken. Maar als je losbreekt, kan er altijd nog iemand komen die zegt: “Maar het ware licht is niet daar, maar dan moet je daar zijn.” Die verwijst je dan naar een illusie. Dan moet je die illusie erkennen. Je moet begrijpen dat die illusie een te grote hoeveelheid verplichting en zelfbevrediging met zich brengt bij wijze van spreken. Dat je daarom dus toch die andere weg moet gaan.

Het is moeilijk. Voor een wereld als de uwe, waarin de perfectionistische regeling en de superbe macht eigenlijk het enige nog zijn waarnaar de mensen streven, is het misschien nog wel moeilijker dan iets anders. Maar stoffelijk en geestelijk moet je dacht ik toch weer in de richting van dit voor elkaar bestaan zonder dwang. Als solida­riteit een regeltje wordt uit een vakbondsreglement bestaat ze niet meer. Maar als een mens een ander in nood ziet en hij zegt; “Vriend, ik help je”, wanneer je ziet dat een ander voor zijn leven of voor zijn recht vecht en je zegt: “Ik sta naast je” zonder je af te vragen of je wel een vergoeding krijgt en wat het je oplevert, kijk, dan hebben we wel solidariteit.

Wanneer we spreken over naastenliefde en ik heb mijn naaste lief omdat ik hoop daardoor in de hemel te komen, dan ben ik de grootst mogelijke egoïst die er bestaat. Op het ogenblik dat ik zie dat mijn naaste in nood is dan help ik hem zonder mij af te vragen of ik er de hemel mee verdien of de hel, omdat mij dat op dat ogenblik niet inte­resseert. Die ander heeft hulp nodig en daarom help ik naar mijn beste vermogen. En dan beantwoord ik aan het licht, aan de kosmos.

Om te besluiten wil ik jullie een oud verhaaltje vertellen. Ik heb het geloof ik al eens een keer verteld.

Er was een rabbi, een wonderrabbi in het Oosten. Laten we hem Rabbi Jacob noemen, waarom niet. Rabbi Jacob bad voor de mensen en dan ge­nazen ze. Tot op een gegeven ogenblik God zijn engel zond en die zei: “Reb Jacob, vanaf dit ogenblik mag je alleen diegenen helpen die ik als engel Gods u aan zal wijzen. Want zo heeft God beslist. Alleen de waardigen worden geholpen.” Het ging een tijdje goed tot Reb Jacob bij een boer komt die een beetje een rare vent geweest was in zijn leven. Hij had niet veel gedeugd, was gemeen geweest. Maar hij zag die vrouw en de kinderen die in die ellende zaten. Hij zag hoe ze werkelijk van die man hielden en ofschoon de engel nee stond te schudden bad hij tot God en de man werd beter. Reb Jacob ging naar huis. Daar zei hij: “Wat ik gedaan heb, weet ik niet, God moet maar beslissen.” Diezelfde nacht bad Reb Jacob en ineens stond daar weer die lichtende engel voor hem. Hij zei: “Reb Jacob, omdat u tegen de wil van God deze mens genezen hebt zult u nooit in het eeuwige licht binnen treden.” Reb Jacob keek eens een keer en begon te dansen. Hij zei: “Wat ben ik nou blij, wat ben ik blij.” Zegt die engel: “Ben je nou gek geworden?” “Ach neen,” zei Reb Jacob, “maar nou weet ik tenminste dat, wanneer ik iets voor mijn naaste doe, ik het werkelijk doe omdat ik van mijn naaste houd en niet omdat ik denk dat ik er later een plaatsje hoger bij God mee zal verdienen.”

Een verhaaltje waar veel meer in zit dan de meesten erin zoeken. Als u dit nu als voorbeeld neemt hebt u misschien iets van het licht en duister. Wie naar de hemel streeft om de hemel en alles doet om de hemel is een egoïst, is egocentrisch en behoort niet tot het werke­lijke licht. Iemand echter, die leert om dingen te doen om die dingen zelf, omdat ze beantwoorden aan zijn innerlijk wet, leeft in het licht, zelfs wanneer hij het nog niet beseft. Hier wou ik het bij laten.

De Gastspreker

Het zal u duidelijk zijn dat er een strijd tussen goed en kwaad gaande is. Overal, niet alleen in uw wereld.

Wanneer je je bezighoudt met al deze dingen zoek je naar de op­lossing; naar de grens tussen licht en duister en de mogelijkheid om die grens te doen vervagen.

Elke mens in zijn eigen persoonlijkheid kent precies hetzelfde. Je hebt in jezelf een deel, dat je bewust of onbewust als duister erkent en een deel dat je aanvoelt als lichtend. En ook hier gaat het er om eerst de grens te erkennen en daarna een verbinding, een overgang tussen beiden mogelijk te maken.

Leven is een zoeken door vele vormen van bestaan naar een werke­lijkheid, waarin goed en duister niet van elkaar gescheiden zijn; waarin het leven één geheel is geworden en de cirkel van het bestaan zijn vervulling vindt doordat alle krachten van uiting terugkeren tot het middelpunt.

Wij spreken vaak over het rad des levens en we proberen ons voor te stallen hoe – ingedeeld door spaken – de verschillende werelden achtereenvolgens door de ziel doorlopen worden. Maar één ding vergeet men vaak: de naaf ervan is de werkelijke kracht. Is God. Is levende werkelijkheid. Het is niet het rad dat belangrijk is, maar datgene waarom het draait.

Bij ons is het zo dat wij, zeker wanneer wij in stoffelijke vorm moeten leven, geneigd zijn te oordelen en te veroordelen. Te verwer­pen of te aanvaarden en denken dat we daarmee onze wereld en onze werkelijkheid volledig kunnen beseffen. Maar al die dingen zijn alleen uitingen. Het is de spiegeling van de goddelijke werkelijkheid waarin je leeft, maar gebroken in vele delen door het prisma van een onbe­perkt maar ook onvolledig bewustzijn.

Wie in zich de goddelijke kracht beseft kan de kracht vanuit zich voortbrengen.

Een strijder die het licht beseft is als de schede waarin het lichtende zwaard Gods geborgen is.

Een denker die denkt met het licht is als een vuurbaak, die allen die in het duister dolen, de juiste weg kan laten vinden. Want zo is het leven en zo is de werkelijkheid.

Het gaat niet om de uiting en de uiterlijkheden. De uiterlijke banden gaan voorbij en veranderen van geaardheid. De vormen veranderen, leven na leven, sfeer na sfeer. Alle dingen die wij belangrijk achten verdwijnen. De gaven waarop wij ons beroemen zijn in een volgend leven niet meer aanwezig of anders. Alleen het licht in ons blijft hetzelfde. En al wat wij tot uiting kunnen brengen is alleen naar een weerkaatsing van dit licht, van die ene werkelijkheid.

Soms lopen we vast in onze kennis, onze kunde, onze mogelijkheden, onze vermogens of talenten. We zien de uiting en de prestatie als het enig belangrijke en we menen, daardoor een plaats te hebben gevonden die blijvend is. Zo ben ik, zeggen we dan.

Al die dingen verdwijnen. Het talent in dit leven zal in een vol­gend leven niet aanwezig zijn of sterker en groter. De kennis van het ene leven kan volledig teloorgaan in het andere of ze kan zich op­bouwen tot een omvang en een volledigheid die onvoorstelbaar is voor degene die nu leeft.

Je weet niet wat je werkelijk bent wanneer je je afmeet aan de dingen die buiten je bestaan. Dat wat je geprojecteerd ziet kun je tot duisternis maken. Het is het bekende verhaal van een man die voor het vuur zit en wiens schaduw danst op de achtergrond. Die schaduw is het duister, het is de projectie. Maar de werkelijkheid van de man is datgene wat het licht ziet. En hij kan het licht zien. Maar als hij naar zijn schaduw kijkt ziet hij alleen het duister.

Wie kijkt naar uiterlijkheden en uiting, hij ziet de schaduwen. Hij die kijkt naar het vuur van de werkelijkheid, naar het licht, hij wordt niet met zijn vorm geconfronteerd maar met de uitstraling van het licht zelf.

Je kunt niet zeggen: “Zo ben ik” wanneer je naar het vuur staart. Je kunt wel zeggen: “Zo is mijn vorm” wanneer je naar de schaduw staart.

Waarom zouden we staren naar de schaduw, die voorbijgaande vlie­dende vorm vast te leggen en te fixeren, uitroepende dat we nu weten wie we zijn, terwijl het enige wat blijft, het licht, aan ons voorbij gaat. En toch willen we graag weten wat we zijn en wat het licht is. Misschien kunnen we zo gaan zitten tussen rotswand en vuur dat we het vuur zien en blijven beseffen, terwijl we toch iets zien van de schaduw die we zijn.

Dat is een zelfkennis waarbij je volledig beseft: de uiting is niet dat wat ik werkelijk ben. Het is het licht dat mij leven en ge­stalte geeft en het is het licht waardoor ik schaduw werp.

Een beeld dat zeer klassiek is, maar ook een beeld dat iets zegt van de kracht en van de werkelijkheid waarin je leeft.

Als je tot een mens zegt: “Je bent meer dan je denkt”, zegt hij: “Dus ik ben meer.” Als ik zeg: “U bent meer dan u denkt,” dan zeg ik daarmede: “Er is een grotere kracht dan u bent, kunt zijn, in uw wezen aanwezig”. Er is meer werkelijkheid, kracht en licht in de omgeving van uw wezen te constateren dan uw oog zien kan, dan uw geest kan bevatten. Kijk dan niet alleen naar de schaduwen.

O, je kunt niet vergeten wie je bent. Zolang je nog gebonden bent aan die eindeloze, voortdurend windende weg die wij leven en werkelijk­heid noemen, wil je steeds weer weten: wie ben ik? Maar het is beter om te weten: uit wie ben ik?

Mijn zoeken en denken, mijn leven en werken omvat nog steeds iets wat ik “ik” noem. Want “ik ben”. Maar in mij is “Hij die is”. En “Hij zal zijn”, wanneer wat ik “ik” noem niet meer is.

Eens zal ik weten wat het vuur is. Dan zal ik de schaduw kunnen vergeten.

Eens zal mijn wezen de kracht aanvaarden waardoor het niet meer nodig is angstig te zitten in de bescherming van de rotsen die men materie noemt en te zoeken naar mijn eigen gestalte.

Eens zal het niet meer nodig zijn de verschillen te kennen. Om vormen te kneden. Eens zal het Zijn zelf als een tinteling zijn bron kennen en uitdragen zonder enig verschijnsel te willen zijn of voor zichzelf te beseffen. Maar nu leven we op de grens.

We leven op een grens van licht en duister. We leven op de grens van zijn en niet zijn. Van bewustzijn en bewusteloosheid. Half wakker gaan we door werelden heen en zien niet waar we gaan, gedreven door een vreemde kracht als een somnambule onder het bevel van een onzicht­bare hypnotiseur.

We denken dat we zelf zijn, maar wat we zien, zijn de illusies die ons voorgetoverd worden. Wat ons omringt aan vreugde en aan smart is alleen maar het spel van de onwerkelijkheid, de vertekening van wat we zouden kunnen zijn.

We moeten leren de bron te zien waaruit we leven. En zien, betekent beseffen. Als beseffen niet mogelijk is omdat het te verblindend, te sterk is, laten we ons dan tenminste daarin koesteren zoals een mens zich kan koesteren in de zon, voordat hij weer verder gaat door de schaduw van een dicht woud.

U bent meer. U bent niet tijd. U bent eeuwigheid! En wat u zelf noemt is vluchtiger dan de tijd zelf.

U omvat meer. Dg kern van uw wezen is deel van al wat bestaat. Van alle levende kracht. Deel van het eerste begin van het scheppings­woord. Deel van de grote naam der 144 letteren, klank in de klank die alles voortbrengt en alles dooft. Maar uw besef, het is een wind die voorbij gaat waar het woud van de werkelijkheid een enkel blad een ogenblik verschuift.

Maar als je een blad verschuift roep je: “Ik heb wat gepresteerd, ik beteken wat.”

Wanneer je over de toppen van het woud scheert en een paar bomen hebt gezien zeg je: “Ik heb de wereld gezien.” En als je voor een ogenblik in de luchten kunt spelen en beneden iets ziet van de reflexen van groen, de reflexen misschien van een meer of een zee zeg je: “Ik.”

Een mens is beweging in de werkelijkheid, maar hij is ook deel van de werkelijkheid.

Uw ziel, uw wezen, uw leven, de banden die belangrijk zijn, de gedachten die u bestormen, ze zijn minder dan het ritselen van een blad aan een boom, zo snel vergaan ze. Maar de kern van uw wezen, of ze geuit is of niet, bestaat.

Wij die nog leven en zoeken, elk in onze wereld en op onze wijze, wij moeten om ons bestaan te beseffen nog zien hoe de bladeren be­wegen wanneer we voorbijgaan. Wij willen nog steeds zien wat we tot stand brengen. Daarom kunnen we nog niet beseffen wat we zijn. Mis­schien is dit het grote dilemma van het zijn.

Wanneer je werkelijk licht wilt worden, volledig licht; wanneer je alle schaduw uit wilt bannen, dan kun je niet meer zijn wat je “ik” noemt. Dan kun je besef zijn dat leeft in een totaliteit, niet meer. Als je “ik” wilt zijn en betekenis wilt hebben dan moet je je afsluiten van de bron waaruit je voortkomt.

Er is een eeuwige strijd tussen licht en duister. Maar het licht is de enige werkelijkheid en het duister is alleen de schaduw die wij veroorzaken totdat we met ons wezen, leven, denken, met onze illusies, staan tussen het licht en bet niet.

Nu lijkt het of ik uw leven onbelangrijk heb gemaakt, maar is dat waar?

Wanneer de wind waait wordt ze bepaald door de atmosfeer. U kunt het registreren. U kunt haar meten, haar sterkte benoemen, maar het is atmosfeer die beweegt. De wind is niet alleen zichzelf.

Wat u tot stand brengt, wat u doet, wat u voortbrengt – of u het licht noemt of duister – is deel van de atmosfeer waaruit we bestaan, van het verblindende, het onvatbare, dat de kern is van ons wezen. Wij vervullen de wil van het hogere door de wijze waarop wij gaan.

Als wij kiezen voor het duister dan is dat voor ons een beproeving. Maar de wind waait in de schaduw net zo goed als in de zon en eens zal de schaduw verdwenen zijn en blijft alleen nog de wind en misschien het licht waarin ze zichzelf voor een ogenblik koesteren wil.

Wat we ook zijn, het is onbelangrijk zolang wij beantwoorden aan wat we zijn en proberen te zien wat het licht is waaruit we voort­komen.

Licht leeft in u. Licht vervult u als een zilverglans getemperd met goud en staal.

Licht is uw kracht. Licht is uw wezen. Sluit het niet op in de beperking van wat u “ik” noemt en laat het uitgaan door de hele wereld die gij kent.

Strijd tussen licht en duister is illusie. Het duister is de ik-beperking, waardoor het licht zichzelf niet kan openbaren. En het licht is de openheid, waarin het licht het ik steeds meer deel maakt, ook in besef van zichzelf. Maar het licht kun je niet doven. Alleen laat het zich nog vangen door gedachten omdat, wanneer het los zou branden, het denken en het besef zou verdwijnen voor het licht sneller dan sneeuw voor de zon.

Strijd tussen licht en duister is de strijd in onszelf. De afgron­den en diepten die wij vrezen leven in onszelf en worden vanuit ons­zelf waar. En het licht wat wij verlangen leeft in ons en kan waar wor­den wanneer wij een ogenblik de grens van ik-zijn, ik doe, ik ben, kun­nen vergeten en in de plaats daarvan het licht worden. Gedreven door het licht, in gestalte misschien, maar werkend als het licht zelve. Dat is de poort die bestaat tussen licht en duister. Dat is de een­heid die niet te niet kan worden gedaan. Dat is de naaf van het rad, die alle wenteling met werelden van hemel en hel herleidt tot een be­wegend niets om een vaste werkelijkheid.

Leer leven met het licht. Herhaal tot uzelve zo nu en dan: “Ik ben licht. In mijn wezen is licht. In mijn wezen is de lichtende hele gang van alle incarnaties, is het licht bevat en beschermd.”

Wanneer de tijd komt, zullen de vormen terzijde worden geworpen. Het zwaard van licht zal spreken van rechtvaardigheid en eenheid. Zal spreken van verbreking van grenzen en banden. Zal spreken van wat ge werkelijk zijt.

Zeg tot uzelf: “In mij is licht, onstuitbaar, onvernietigbaar. Onveranderlijk leeft in mij het licht.”

Breek zo de grens tussen het licht en het duister. Leer te zien waar het licht is en gij zult begrijpen hoe vertekend het schimmen­spel is dat gij werkelijkheid noemt.

Leer kijken naar het licht en je zult beter begrijpen wat je bent. Je zult je – nog denkend als ego, ik weet het uit ervaring – koes­teren in het licht, gesterkt weten door het licht. Je zult zien dat de grenzen van het zijn voor het licht verdwijnen. Dat alleen maar overblijft de zinvolheid, de lichtende koestering, waarin je de wer­kelijkheid gaat bereiken.

Dit is het antwoord op uw wereld, uw werkelijkheid.

Dit is het geheim achter alle geheimen. De werkelijkheid.

Dit is de kracht achter alle krachtsuitingen. De enige werkelijk­heid.

Dit is uw sleutel tot alle werelden. De werkelijkheid die meer is dan de schijnvormen waarin zij soms gehuld schijnt. Maar zover is het voor u nog niet.

Wat je bent en wat je doet moet beantwoorden aan het licht, niet aan de schaduw. Zeg daarom tot jezelve: Ik ben licht. Ik ben deel van licht. Ik ben tijdloos. Mijn kracht is de enige werkelijkheid, al het andere gaat voorbij.

Leef, werkend met die kracht. Dan zult u de werelden kunnen betreden waarin de verschillen wegvallen en waarin alleen nog blijft het besef van de illusie en het besef van de bron.

Moge onze eenheid in het licht door ons allen beseft worden, de verdeeldheid der illusie erkend worden voor wat zij is: het spel van het licht dat voorbij gaat.