Suggestie in het dagelijks leven

9 december 1962

Wanneer we de mensenwereld zo bezien, dan geloof ik dat het dagelijks leven voor 9/10 uit suggestie bestaat. Autosuggestie, suggestie van buitenaf, suggestie van uit een maatschappelijk patroon, suggestie van uit een geformuleerd religieus beleven. U denkt misschien, dat u zelfstandig bent en zelfstandig denkt, maar om dat te doen moet u zich elke keer vrijmaken van de invloed van de buitenwereld; en dat is moeilijk. Laten we even een eenvoudig voorbeeld nemen van suggestie in het dagelijks leven. De rechterhand is de goede hand. Waarom? Is er iemand, die kan vertellen, waarom het rechter handje het mooie handje is? Is dat dan beter uitgevoerd? Neen. Ja, ergens in een ver verleden waren er gebruiken, waardoor de rechterhand als wapenhand belangrijk is geweest, zeker.

Maar voor die tijd was het de gewoonte om beide handen omhoog te heffen. We vinden nu nog bij heel veel volkeren een groet, waarbij ze beide handen laten zien of beide handen tezamen tonen, alleen maar om te laten zien dat ze geen wapens in de handen hebben. En moet daaruit hu de illusie voortkomen dat iemand, die zijn linkerhand gebruikt, onbeleefd is of minderwaardig of anders dan een ander? Toch wordt die suggestie steeds weer uitgeoefend.

Pas in de laatste 20 jaar is er enige vermindering van dit wan oordeel op te merken; dat is te zeggen bij degenen, die proberen vorm te geven aan het gemeenschappelijk denken, maar bij het volk leeft het nog steeds. Om een ander voorbeeld te geven; Waarom is het eigenlijk onhoffelijk of onjuist, wanneer mensen elkaar de waarheid zeggen? Moet je tegen elkaar liegen? Als ik u steeds vertel dat u mooi bent, wordt u dan mooi? Neen. Maar u voelt zich mooier; en dat is de suggestie. U vindt dat gevoel zo verduveld prettig, dat u het erg onbeschoft vindt, als ik u zeg dat u er vandaag wat minder mooi uitziet. En zo zou ik kunnen doorgaan. U leest bv. laten we eens iets nemen doperwten. Dan staat er niet “grove, melige doperwten” op zo’n blik. Neen, dan staat erop “middel fijn”. En als ze dan iets minder melig zijn maar ook nog groot, dan heet het “middel middel fijn”.

Wanneer u iets hebt dat doodgewoon is, bv. doodgewone koelhuisboter, dan staat erop “kwaliteits-roomboter”. We zeggen: melk, bloem, patent (hier wordt tiptop gefluisterd; dat is nog erger vergiftigd) en men gelooft dan dat het beter is. Men vertelt u niet de waarheid, en u vertelt anderen de waarheid niet. Wie van u heeft de moed bij anderen binnen te komen en te zeggen: “Nou hoor, ik heb slecht geslapen vannacht. Blijf in godsnaam van me af, want anders sla ik erop. Ik vind jullie op het ogenblik zulke rotgezichten hebben.” Dat durft u niet. Neen, je moet doen alsof; je moet een zekere schijn bewaren. En wanneer wij een schijn bewaren, die niet is gebaseerd op de werkelijkheid, dan suggereren wij onszelf en anderen, dat de situatie niet zo is als ze is.

Kijk, dit is dus het element suggestie dat alles bedekt. Het idee, dat alles beter, mooier en verstandiger is, of wanneer het van de tegenpartij is; lelijker, hatelijker, afzichtelijker, slechter en demonischer dan het is. Die suggestie kan bij u een heel grote rol spelen.  We zullen nog even een voorbeeld nemen uit de gewone menselijke wereld, voordat wij gaan spreken over de meer geestelijke waarden, die ermee verbonden zijn. U weet misschien ongeveer wat u tegenwoordig verdient? Een mooi bedrag, hé? Vroeger was het veel minder. Laten we zeggen, dat u nu tien mille hebt. Een beetje hoog aangeslagen; maar goed, laten we u de suggestie geven dat ik u voor rijker en beter houd dan u bent en ook dat is een zekere beleefdheid. Dan bent u dus nu als u rekent dat u misschien in 1936 zo iets van f 1200. of f 1500. per jaar had toch eigenlijk wel rijker! Ja, dan hebt u theoretisch dat bedrag, ik wil niet zeggen vertienvoudigd maar zeker verzesvoudigd. Dan moet u toch wel veel rijker zijn. Het moet u veel beter gaan, Kijk naar uw inkomen en zeg dan nog, dat u arm bent. U bent natuurlijk veel rijker geworden dan in 1936. O, dacht u dat?

Wanneer we de devaluatie van de gulden door inflatoire invloeden nagaan en zijn vermindering van koopkracht, dan mogen we de gulden op het ogenblik stellen en dan schatten we nog niet eens zo erg negatief op een kwartje t.o.v. de gulden, zoals hij indertijd in 1936 was. We hebben dus maar 5. Dan verdient u dus nu f 2500. Dat is theoretisch erg mooi. Maar van uw f 1500. betaalde u zullen we zeggen 5 % belasting; maar er was een progressief tarief, herinnert u het zich nog? Toen was u maar 5 f kwijt van uw inkomen 5 tegenwoordig bent u van dit veel grotere bedrag gemiddeld 30 % kwijt. Uw inkomen wordt alweer kleiner. Vroeger had u de gelegenheid om goedkope producten te kopen. Als u dat nodig had, dan zocht u ergens iemand op, die concurreerde; u kocht dan goedkoop. Als iemand bv. suiker verkocht voor twee dubbeltjes het kilo, dan wist u er altijd nog een te vinden, die het voor 16 centen gaf j dat was dan weer verdiend. En als de sigaretten ergens 15 cent kostten, dan kon u altijd nog wel een bokser vinden, die ze voor 12 verkocht. Tegenwoordig mag dat niet meer.

Integendeel, heel veel prijzen zijn vastgesteld en worden zelfs opgeschroefd. Het resultaat is, dat voor bepaalde producten ook voor de producten, die in het dagelijks leven worden gebruikt (nu denk ik dus niet alleen aan suiker, maar ik denk bv. aan brandstoffen en aan woningtextiel) meer dan viermaal, zelfs meer dan zesmaal de vroegere prijs wordt betaald en bovendien heeft u minder kans om nog eens ergens een werkelijk koopje te halen. Als u dat nu eens narekent, dan heeft u eigenlijk minder dan in 1936, maar dat wordt u niet gezegd. U denkt er niet over na. U denkt, dat het u steeds beter gaat.

Kijk, daar hebben we nu het beeld van de suggestie, zoals dat uit de omgeving voortkomt. Het gaat ons goed. We leven in een welvaartsstaat. Neen,we leven om de dode dood niet in een welvaartsstaat. In feite is door de verandering van geldswaarde e.d. de mens langzaam maar zeker geëgaliseerd, zonder dat hij het zelf weet. Nu kunnen we wel zeggen, dat er minder ellende is dan vroeger. Ook dat zou ik willen bestrijden. Er wordt evenveel ellende geleden als vroeger. Alleen, vroeger kon men dit openlijk tonen. Wanneer men tegenwoordig openlijk ellende durft tonen, dan wordt men sociaal zodanig beperkt, dat men of in een inrichting terecht komt of onder staatstoezicht (o, pardon, geen staatstoezicht, dat mag ik niet zeggen) onder de liefderijke zorgen van sociale werkers wordt bedolven en heropgevoed, totdat men althans uiterlijk enigszins aan de normen beantwoordt.

In 1936 kon zelfs de armste arbeider, als hij het geld ervoor over had (en de meeste verdienden het; zelfs van de steun kon je het zo nu en dan doen), een behoorlijk huis bewonen. Op het ogenblik zijn er mensen, die in krotten wonen, omdat er geen huizen zijn. Toch is er een reuze welvaart, vindt u niet? Maar dat mag niet gezegd worden. Neen, de suggestie is, het gaat ons steeds beter. Deze regering is weer veel beter dan de vorige en die zal komen, zal nog veel beter zijn. En zo wordt alles in de wereld steeds beter, tot het geatomiseerd uiteenpulvert. De vrede wordt steeds volkomener. We hebben nu al bommen, waarmee je een heel werelddeel tegelijk kunt aantasten en vergiftigen, en per slot, van rekening, zeg eens dat dat geen vooruitgang is? Nietwaar, met zo’n wapen zal men minder de vrede durven schenden; en dus is de vrede dichterbij. Ja, maar de ondergang ook.

Bij de godsdienst ontdekken we ook al hetzelfde. Vroeger was de suggestie van de godsdienst: Wij weten het alleen. Wij spreken met God, de Heer. De Vader heeft Zijn geest tot ons gezonden. Wij zullen u zeggen, hoe te leven, te denken en te sterven. Nou, dat was misschien een beetje dwaas, maar men nam er genoegen mee en degene, die verstand had, zei; “Hoor die lui eens kletsen.” Op het ogenblik gaat het veel beter: “Ja, maar nu moet je toch eens begrijpen. Er is toch een God. En nu kun je natuurlijk denken, zoals je wilt, want wij zijn ruimdenkend, maar kun jij Christus verloochenen? Kun je nu werkelijk zeggen, dat dat niet deugt? Man, kom er toch eens een keertje bij. Kom eens met ons praten.” Dan denk je: o wat ruimdenkend. Suggestie! Want als het erop aankomt, dan zijn het dezelfde dogma’s, dezelfde bekrompen gedachten, is het dezelfde heerszucht, die de mensen in ketenen en boeien wil slaan, totdat hij bewegingloos de dood moet afwachten, omdat hij zo tenminste niet kan zondigen. Dacht u dat het zoveel beter was tegenwoordig? Het geloof is veel veranderd? Suggestie!

Heel het dagelijks leven hangt van suggestie aan elkaar. Wanneer ze een rotstraatje hebben, waar niemand meer wil wonen, dan bestraten ze het een keer opnieuw en ze hangen er een nieuw naambordje op, zo iets van Liduino Kampertlaan. En dan is het ineens deftig en gaat iedereen er wonen, want het is chic om in de Liduino Kampertlaan te wonen! En eindelijk faalt de suggestie dan hier en daar. Er komen ogenblikken dat alles, wat je van buitenaf wordt gesuggereerd, het moet afleggen tegen de ervaringen, die je zelf opdoet. Wanneer iemand voortdurend zegt: “Ik heb u lief, ik heb u lief,” en je merkt dat hij je ondertussen alleen maar plukt en beduvelt, dan komt er een ogenblik dat je zegt: “Ja, misschien heb ik u lief, maar gij hebt mij niet lief.” Zo gaan die dingen. In het geestelijk leven is dat erg vervelend. Wij bouwen waan op. Ik geloof, dat de doorsneemens eigenlijk een wereld opbouwt van waan, omdat hij zonder dit niet leven kan. In die waan maakt hij alle dingen anders.  Hij gaat zeggen dat de noodzakelijke samenwerking tussen hem en anderen in feite de edelmoedige vriendschap is. Hij zegt dat zijn lichamelijke behoeften in feite de laaiende liefde zijn, die zijn ziel in brand zet. Hij zegt dat zijn angst voor de dood in feite is; de stem Gods, die hem roept tot het hiernamaals. Hij zegt dat eerlijkheid niet iets is, dat wordt afgedwongen door de maatschappij en door je eigen angsten maar een integrerend bestanddeel van de moderne mens, die zoekend naar de waarheid eerlijkheid stelt boven gemanierdheid.

Men roept uit, dat men alles zo goed weet, en gelijktijdig moet men toegeven, dat de zaak steeds meer in het honderd loopt. Maar dat kun je niet zeggen. Je kunt niet je idee van mens en van verhevene prijs geven en daarom bouw je een waanwereld op: Ik ben een uitverkorene van de geest. Mijn geestelijke Meesters geleiden mij. En als ik enige schreden moet verzetten, zo vraag ik: “Meester, hoe moet ik gaan?” En zij zeggen mij, hoe ik moet gaan. Illusie, waan! Je bent bang om de verantwoordelijkheid, zelfs voor een enkel stap, zelf te nemen. Je bent in feite zo bang voor het leven, dat je je stort op iets anders. Maar wat je je voorstelt, kan niet bestaan, het is irreëel en je weet voor jezelf dat het niet waar is, maar je kunt het niet toegeven.

Zelfsuggestie! Dan zal zo iemand in het openbaar optreden en hij of zij zal zeggen: “Zie, de geest, de Meester, die mij beweegt, zegt mij dat gij op deze wijze dient te handelen. Hij heeft me gezegd: Ge moet daarheen gaan en dat doen.” En de ander, die ook blij is zijn verantwoordelijkheid kwijt te zijn, zegt: “Ja, want de Meester moet toch wel in zo iemand wonen.” Hij kan natuurlijk ook zeggen dat hij de kluit beduvelt, maar dan zou ons mooie sfeertje gebroken zijn. Suggestie! Zelfsuggestie, autosuggestie, wederkerige suggestie, het opbouwen van een wereld, waarin de begoocheling langzaam maar zeker zo topzwaar wordt dat ze is als een zware smog, een mist vol vuile neerslag, waarin je dreigt te stikken. Dat is uw suggestie in het dagelijks leven.

De suggestie….. dat de minister wel weet, wat hij doet en u niet. De suggestie, dat een koningin meer is dan een gewoon mens, vooral wanneer ze sterft. De suggestie, dat een agent altijd aan de goede kant van de wet staat. De suggestie, dat een rechter altijd onpartijdig is. De suggestie, dat de esoterie voor elke mens een bewustwording en een waarheid betekent en dat er velen zijn, die zich verdrinken in een zee van zelfbedrog, liever dan de eerlijke werkelijkheid omtrent zichzelf te erkennen. Suggestie, suggestie, suggestie, waan, begoocheling! Waarom, vraag je je af, waarom zou de mens niet eerlijk zijn en toegeven wat voor hem werkelijk belangrijk is? Heeft je leven zin, wanneer je voortdurend naar het redmiddel grijpt van de onwerkelijkheid? U weet allemaal, dat wanneer u dood gaat, overgaat naar onze wereld, dat het op een gegeven ogenblik afgelopen is met al deze suggestie en begoocheling. Dan blijft er alleen het eigen “ik” over. En het eigen “ik” kan eindeloos dezelfde zang van onwerkelijkheid blijven herhalen, maar dan is er eenzaamheid, dan is er duister.

Of u kunt erkennen wat waar is; en dan staat u in een wereld, die helemaal vreemd is en waaraan u nooit geloofd of gedacht hebt. Waarom waan? Waarom geen eerlijkheid?  We weten dat suggestie de mens vervreemdt van de werkelijkheid, maar hij behoeft zich niet van die werkelijkheid te laten vervreemden. Als u kunt rekenen en u ziet wat u vandaag voor een gulden krijgt en wat u 10 jaar geleden daarvoor kreeg, dan kunt u zien dat die gulden minstens 10, misschien zelfs 15 % in waarde is gedaald.

Als u in een kerk komt en men zalft u de wil Gods voor met brullende donderstem, dan hoort ge toch zelf wel, dat er ergens een onoprechtheid is. Ge voelt toch zelf wel, dat er een groot verschil is tussen een eerlijk oprecht: “Dat de Heer u zegene en een “Dat de Heer u in Zijn genade verheft tot de Heilige Geest.” De huichelarij proef je eruit. Maar het is een dominee, het is een heilige man, dat moet goed zijn. En dan gaan we zelf ook zalven, dan gaan we onze psalmen zingen langzaam en traag en getrokken; en dat is wijding! We weten het en we zien het. We zien, dat het brood van vandaag niet zo goed is als dat van een jaar of tien geleden. We zien dat het slechter is dan van vijftig jaar geleden.

We zien, dat alles slechter en duurder en ellendiger wordt. Dat de kaas, die tegenwoordig als superieur wordt verkocht, vroeger door de boer aan de varkens werd gevoerd, omdat hij geen klanten ervoor kon vinden. En dat de halve kip aan het spit van vandaag, vroeger alleen maar een piepkuiken heette. We zien het en we weten het, maar we willen het niet weten. We durven niet toe te geven, dat de zaak verkeerd loopt. We durven niet toe te geven, dat het anders gaat dan we zouden willen. Suggestie van buitenaf! We kunnen het zien, we kunnen het steeds weer herkennen.

En we kunnen ons steeds weer afvragen; Wat is de waarheid? Wat is datgene, wat met de feiten kenbaar wordt? Wat is mijn geloof? Wat is hetgeen er in mij leeft? Wat ben ik, wanneer ik eerlijk ben en niet probeer een manteltje van zoetsappige beschaving en hooggeestelijke goedheid aan te trekken? Men doet het niet en daardoor komt men na het leven, heel vaak in een moeilijk parket te verkeren. Dan moet men ineens af stand doen van heel veel dingen, die zo dierbaar waren geworden, juist omdat je wist dat ze niet waar waren. Dit is dan het beeld van de suggestie en wat ze direct voor de mens betekent. Laat me nu proberen om daaraan een andere beschouwing vast te knopen; en dan hoop ik alweer, dat u niet schrikt. Eens leefde de mens in de natuur. Hij was daarin zichzelf. Maar naarmate hij verder van de natuur kwam af te staan, begon hij zich meer te hullen in gewaden en nam hij zelfs de stank van slakkenverf voor lief om daarmee van de uitzonderlijkheid van zijn kleding en van zichzelf kond te geven. Steeds meer hulde hij zich in wat hij verkeerdelijk noemde zijn kuisheid. Steeds meer noemde hij het afzichtelijk, wanneer iemand zich in het openbaar zou ontkleden en al die dingen meer. Tot hij zover kwam, dat hij de kleding zag als het integrerend bestanddeel van de mens, en heel vaak de mens naar zijn kleding en niet naar hemzelf beoordeelde, ja, in zeer vele gevallen de kleding belangrijker vond dan de mens.

Er was een tijd, dat de mens misschien niet beschaafd maar eerlijk tegenover zichzelf stond en eerlijk tegenover zijn God. Dan noemde hij het onverklaarbare misschien God, iets, dat wij tegenwoordig met onze kennis natuurlijk simpel bijgeloof vinden, maar hij wist wat het betekende. Hij wist hoe sterk hij was en wat hij kon doen, en hij moest het weten, want zo leefde hij. En zo leerde die mens ook zichzelf kennen. Hij leerde observeren. De schetstekeningen van de holenmens geven met een enkele lijn vaak meer weer over de geaardheid van een dier en diens bewegingen dan een modern schilderstuk. De mens zag de werkelijkheid en vooral die van zichzelf. Maar naarmate de beschaving toenam, vond men het noodzakelijk de werkelijkheid omtrent het “ik” voor anderen te verbergen. Zo bouwde men illusie na illusie op en heeft de mens om zichzelf een kleed van waan geschapen; en dat heeft hij mens genoemd. Maar hij vergeet de kracht, die erin leeft, de ziel die hij is, dat deel van de goddelijke kracht, dat hij is. Hij heeft aan alles namen gegeven, die klinken als klokken. Wij spreken over christelijke naastenliefde, maar we bedoelen, helaas, vaak eigenbelang. We spreken over kosmische harmonie en we bedoelen alleen, dat we niet het vermogen hebben om op ons eigen vlak voldoende harmonie te vinden.

De woorden hebben wel zin en betekenis, maar we verdraaien ze, totdat ze passen in het kostuum van geestelijkheid, dat men zich heeft aangemeten. Nu is esoterie bewustwording, de erkenning van een werkelijkheid en vooral realiteitszin. Alle esoterici horen: Ken uzelf. En zij zeggen: “Het is moeilijk om onszelf te kennen.” Maar dat is niet waar. Het is moeilijk voor een mens om naakt en zonder de beschutting van allerhande ideeën, uitvluchten, illusies en stellingen zichzelf te bezien, want hij vindt zichzelf dan geen mens meer, omdat hij gewend is de suggesties, de illusies, de waan te identificeren met zichzelf. Men durft en men kan niet meer eerlijk zijn tegenover de medemensen.

Natuurlijk regeert het recht van de sterkste nog steeds, en nog steeds is de macht van de angst en de begeerte datgene, wat werkelijk de wereld regeert. Maar we kunnen en we mogen het niet meer zeggen, want dat is niet menselijk meer. Dan gebruiken we hoogdravende termen en willen voor onszelf niet meer weten dat we in feite met onze macht spelen, dat we in feite spelen en speculeren met de angsten, met de begeerten, met de vrees van anderen. En zo komt het, dat de mens zichzelf moeilijker leert kennen dan vroeger. De mens tekent en droomt zijn idealen. Dat komt voort uit het Goddelijke en is deel van de goddelijke kracht, want als scheppend deel van de Schepper zijn we geboren. Maar dat betekent nog niet. dat we iets moeten scheppen, dat niet waar is. We scheppen onszelf een ideaal, een illusie, een droomwereld. En die illusie, die droomwereld gaan we dan uitgeven: voor de werkelijkheid; de werkelijkheid zelf ontkennen we, omdat ze niet meer past bij onze ideeën. Laat me nu zeggen, dat juist dit een vorm van zelfsuggestie en ook van sociale suggestie is geworden, die wel eens verderfelijk zou kunnen zijn. De ontkenning van de waarheid (vooral de waarheid omtrent jezelf), het niet willen inzien wie en wat je werkelijk bent en het weigeren de wereld toe te staan dat ze iets van je werkelijk wezen aanduidt, zijn de oorzaken van het heldendom van sommigen, die in feite alleen de wereld en zichzelf haten, of verliefd zijn op het gezag dat zij in zich dragen. Maar dat mag niet worden gezegd. En de geestelijke dood van de mensheid, die op het ogenblik marchandeert net Christus, met Jezus, met de onfeilbare waarheid Gods en de goddelijke openbaring om zo haar eigen macht, haar eigen begrip van meerwaardigheid te manifesteren, dat is ook weer een groep, die het goede in zich draagt maar bekleed met het idee van macht en verantwoordelijkheid de werkelijkheid niet beseft.

Laat ons dan al die suggestie en al die werkelijkheid opzij zetten. Laten we toegeven wat de werkelijkheid van vandaag is. De wereld is nog dezelfde jungle als gisteren. Gisteren was het de tijger, het grote roofdier, dat regeerde; nu is het misschien de horde van de rode mieren. Maar het is een macht; een macht, die alles verscheurt wat op haar weg komt, als zij de kans krijgt. Er is een werkelijke haat en oen werkelijke strijd; een poging om elkander te vernietigen, zelfs onder de mantel van schijnbare samenwerking. Er is een behoefte aan geloof, aan innerlijke zekerheid bij alle mensen. En er is een steeds groeiende behoefte om dit bij anderen uit te buiten. En vooral degenen, die grote groepen hebben en daardoor macht en gezag kunnen verwerven, proberen de menigte te winnen. Maar ze zeggen, dat ze het doen voor God. Kijk naar uw eigen geestelijk leven. Bent u zonder zonden? Wanneer u het bekijkt van uit het orthodoxe standpunt, dan bent u allemaal beerputten vol zonde, neem me niet kwalijk. En als u het bekijkt van uit uzelf en u gooit eens even alle opvattingen opzij, die men u heeft geleerd en u vraagt zich af: Hoe heb ik geleefd? Dan zult u moeten toegeven: Ik heb heel vaak dierlijk gedacht en geleefd. Ik ben heel vaak tekort geschoten in dat hooggeestelijke, dat suprême menselijke. Ik heb me vaak laten beheersen door allerhande tendensen en ik ben humeurig geweest of onplezierig tegen de mensen. Mijn goedheid is in sommige gevallen alleen maar geweest het laten zien, dat ik goed ben; dus een bewijs van mijn eigen meerwaardigheid, een soort opschepperij. Niet prettig om het zo te zeggen, maar het is waar. Maar denk dan eens een keer verder en gooi de terminologie, die men gebruikt als “de Christusgeest in ons” e.d., eens opzij en laat ons zelfs ook termen als “inwijding” en “bewustwording” voor een ogenblik vergeten, ze worden zo vaak met waan verbonden, dat men een suggestieve werking aan de woorden zelf niet kan ontzeggen.

Wanneer u nu werkelijk al die fouten hebt opgesomd, die u officieel hebt gemaakt, vraag u dan eens af, hoeveel ervan u werkelijk berouwt? Dat wil zeggen: hoeveel ervan u werkelijk zou willen missen? O, niet uit angst voor een hiernamaals. Neen. Maar als u ervoor stond en u had dezelfde mogelijkheid weer, wat zou u dan doen? Vraag u eens af, of dat dierlijk element in uw wezen niet net zo sterk of zelfs nog sterker is dan vroeger, al hoort dat niet meer vanwege uw leeftijd of vanwege net fatsoen of de status, die u hebt. En vraag dan verder en zeg tegen uzelf: Honger ik niet ergens naar een God? Waarom zoek ik die God? Zoek ik die God nu werkelijk om meer te zijn dan een ander, of omdat ik denk dat die God alles voor me zal doen?

Neen, ergens in mij is deze hunkering. Ik ben een dier. Zeg het rustig tegen uzelf en schaam u er nu eens niet voor. “Ik ben een dier, maar een dier, dat in zich God kent.” Dat is waar, dat is geen suggestie, dat is een feit. En zeg dan tot uzelf: “Die God in mij, die hunkering, die honger naar dat onbestemde, dat vage, dat krijgt steeds een wisselende vorm, alsof de trillende fata morgana’s in de woestijn elkaar voortdurend zouden afwisselen. Nu lijkt mijn God dan hier, dan daar te leven en te werken. Wanneer ik mij alleen door die denkbeelden laat leiden, zal ik God nooit bereiken, dan zal ik verdorsten in de woestijn. Maar als ik besef, dat de honger plus mijn stoffelijk bestaan de weg is, die ik ga en dat die honger datgene, wat ik uit het Goddelijke, uit het onbekende verlang, tot mij zou willen trekken, zou willen doorleven als kracht en als mogelijkheid, dat dat ook gelijktijdig datgene is, wat ik moet creëren, omdat ik voor mijzelf altijd de behoefte heb alles te imiteren wat ik bewonder (dat is de aap in de mens), dan kan ik zeggen: Ik heb dus een weg. Ik moet niet ontkennen wat ik ben, maar ik moet met wat ik ben, dat wat ik in mij zoek en bewonder a.h.w. imiteren en ik moet het herscheppen voor mijzelf.

Ik moet niet trachten aan de wereld, aan God of aan een ander kracht toe te kennen, die hij niet bezit, maar ik moet proberen datgene, wat in mij waar is, vol te houden, ongeacht de schijnbeelden van mijn rede en mijn begeerten, die al heel gauw alles God willen noemen. Dat is waarheid. Dan valt de suggestie weg, dan besef je dat je niet ter kerke kunt gaan in de zekerheid dat Gods genade met je is en de geest zweeft over de mens. Dan weet je dat je het alleen innerlijk kunt vinden door je leven en door je daden. En als je niet meer zegt: “Ik ben een mens, ik ben meer dan een dier,” maar als je zegt: “Ik ben een dier,” dan kun je je eigen impulsen beter begrijpen. Dan kun je beter begrijpen, waarom je bent, zoals je bent. En dan behoef je dat niet weg te verklaren en het mooier of lelijker te maken dan het is. Dan kun je het aanvaarden en kun je ook aanvaarden dat je juist in dit dier-zijn gebonden bent aan de wetten van de horde, aan de wetten van de mensheid, waarin je leeft, en dat het noodzakelijk voor je is en dat je verzet ertegen alleen maar een schijnverzet is, omdat je als mens zelfstandiger wilt zijn dan je in feite ooit zou willen of durven zijn. Besef de werkelijkheid van jezelf.

Begrijp, hoezeer je jezelf tot speelbal maakt van allerhande ongekende invloeden en krachten of van waan-toestanden, als je jezelf in werkelijkheid verwerpt en daarvoor in de plaats de gerationaliseerde droom gaat stellen. Als je dat alles hebt erkend, dan is er misschien een ogenblik tijd om je te realiseren wat de bewegende kracht is van het Al. En dan komen we natuurlijk toch weer terecht bij de alomvattende liefde Gods, maar nu als een natuurkracht, als iets, dat niet wordt bepaald door ons wezen en waarop wij ons niet hebben te beroepen, maar iets, dat ons leven geeft. En dan ontdekken wij de liefdegeest van Christus, de Christusgeest, die vaardig wordt over ons allen, maar nu niet meer als een uitverkiezing maar als een eenvoudig gevolg van je bestaan. Dan ontdekken we God, niet God als een mannetje in de maan of als een abstract licht ergens achter het duister verborgen, niet als het verblindende vlak, waarin ik mijzelf verliezende schijn onder te gaan. Neen, dan wordt God voor mij ook de adem, de lucht, waarin ik leef, als ik op aarde ben. Iets, dat ik automatisch tot me neem, waarvan ik het bestaan erken, maar waarmee ik me niet in het bijzonder bezig houd; het bestanddeel van mijn leven.

Als je de suggestie, het zelfbedrog, uitschakelt, dan blijft er vaak minder over dan je als mens en wat dat betreft ook als geest prettig zou vinden, dat is waar. Maar wat er overblijft, is echt, geen klatergoud. Als er goud is, is het massief, het is echt. Het is geen spiegelbeeld, geen bedrog, geen valse façade, maar het is een wezen dat eeuwig is; d.w.z. het is een wezen dat je je niet anders kunt denken vanaf het begin tot aan het einde der tijden. En daar, ligt de werkelijkheid van onze bewustwording of ontwikkeling, als ik dat woord dan nu tóch gebruik. We kunnen ook zeggen, dat het de inwijding is, omdat je ten slotte steeds meer opgaat in je milieu, in je omgeving, in het zijn. Het is niet een groeien van ons wezen. We worden niet groter en niet machtiger. En we klimmen niet moeizaam langs allerhande laddertjes tot de zolder van de schepping, waar God pleegt te tronen, naar wij geloven. Maar wij worden meer een net onszelf. Een mens, die het dierlijke in zich ontkent en eenvoudig niet wil weten dat het bestaat, zal nooit met zichzelf werkelijk een kunnen worden. Een mens, die zich alleen op het dierlijke concentreert en al het andere terzijde legt, zal nooit een werkelijke mens kunnen zijn, hij blijft een dier en hij zal dierlijker zijn dan het dier, omdat hij dier wil zijn en zo het dierlijke in zich a.h.w. onderstreept.

We moeten begrijpen wat we zijn en we moeten het aanvaarden. Ben je op aarde, goed, dan ben je dier plus geest; en dat tezamen vormt de mens. Dan moet je de geest en het dier erkennen. Je moet begrijpen, dat die twee gezamenlijk voortgaan en dat ze elk hun rechten en elk hun taak hebben. Je moet begrijpen, dat idealen en woorden alleen dan zin hebben, als ze ook in feite bestaan. Als ik spreek over gelijkheid en broederschap onder de mensen, dan is dat kolder. Op het ogenblik, dat mensen gelijk zijn, zijn ze geen mensen meer. En de broederschap der mensen in de zin van een verwantschap als onder familieleden is eveneens dwaas, want de mens mint en haat; dat is een deel van zijn leven. Hij zoekt datgene, wat aan hen beantwoordt en hij stoot het andere af. En of hij dat nu wil toegeven of niet, hij zal een deel van de schepping niet als broeder erkennen. We kunnen zeggen, dat alle mensen onze naasten zijn, maar dan moeten we onmiddellijk gaan modifiëren en dan moeten we zeggen, dat sommigen meer onze naasten zijn dan anderen. Begrijpt u wat ik bedoel? We moeten reëel zijn, eerlijk zijn; en dan kunnen we de gangbare termen van een uit menselijke illusie opgebouwde wereld begrijpen, zonder daarmede onszelf te schaden.

Dan kunnen wij de hoogste geestelijke kracht en waarheid juist omdat we reëel zijn erkennen, zelfs in de meest grofstoffelijke uiting. Dan kunnen we ze vinden in alle dingen en zullen we de boeien en ketenen, die we onszelf hebben aangelegd en die ons even vaak beletten om ons stoffelijk “ik” het stoffelijke “ik” te laten zijn als om het geestelijk “ik” zijn God te laten erkennen zoals eerst, kunnen afwerpen. We zijn onszelf; en omdat we onszelf zijn in waarheid spreekt de werkelijkheid van het leven tot ons en wordt voor ons het ogenblik misschien weer geboren, waarin wat nu theorie is volledige werkelijkheid wordt. Dan zien we hoe ras na ras de planeten bevolkt en stervend en vergaand a.h.w. uit zich weer de leiding vormt voor een volgend ras. Dan zien we hoe oude zielen neerdalen tussen jonge zielen om hen te leiden en te helpen. Dan zien wij hoe zij, die achterblijven en aan hun taak niet voldoen, worden herboren. Ja, dat is allemaal waar, maar op het ogenblik is het vaak een uitvlucht of een illusie of een theorie. Niet omdat het onwaar is, maar omdat we er een nadruk op leggen, die het op dit ogenblik volgens ons weten en bestaan niet kan bezitten. En dan erkennen we, dat er een goddelijke liefdekracht is, die alle dingen bindt in volledige harmonie, omdat we dan eindelijk weten wat harmonie betekent.

Met een jezelf a.h.w. ondergeschikt maken aan anderen, maar een jezelf zijn en het erkennen van de overeenstemming met anderen. Dan kunnen we spreken over de goddelijke liefdekracht, de Christusgeest, die al doordrenkt en beseffen we dat juist het offer ook een deel is van ons natuurlijk wezen. Zoals het moederdier zich opoffert om haar jongen te beschermen, zo hebben ook wij ergens banden in onszelf, die weten koste van alles beschermen. Dit offer is deel van ons wezen en zodra we dat erkennen, kunnen we offeren. Zodra we kunnen offeren voor anderen hebben we deel aan de Christusgeest, omdat dan de liefde, de eenheid met het Al sterker en krachtiger is dan alles wat er verder voor ons bestaat. Maar het kan alleen, indien we uitgaan van de waarheid, en de waarheid willen we niet weten. Daarom suggereren we anderen dat het anders is. Daarom scheppen we zelf de begoocheling en grijpen we ons steeds weer vast aan woorden in plaats van aan de feiten. Neemt u me niet kwalijk, dat ik het zeg. Wij grijpen ons vast aan woorden als: “Gods genade en we erkennen niet eens dat in ons zelf deze kracht alleen werkelijk kan zijn. We denken dat ze ergens van buiten komt als een sinterklaaspakketje door de schoorsteen. We willen wel het volmaakte bereiken, naar we willen niet toegeven, dat we nog zo onvolmaakt zijn. We willen misschien toegeven, dat we niet deugen, maar dan deugen we zo helemaal niet, dat alles wat we nog doen de verdienste van een ander is. We ontkennen of de positieve of de negatieve mogelijkheden in onszelf, maar onszelf erkennen, dat weigeren we.

Hoe kunnen wij dan de werkelijkheid, de goddelijke realiteit in onszelf ervaren, vrienden? Het bedrog, dat ik u zo even in het begin schetste, het misschien nog niet eens zo gevaarlijke zelf bedrog dat een gulden nog steeds een gulden is en dat super super witbrood beter is dan gewoon bruinbrood, want dat is maar ordinair e.d., dat is onschuldig. En zo is alles misschien onschuldig. Maar al die onschuldige dingen samen zijn de scheidsmuur, welke bestaat tussen de mens en de werkelijkheid. Zij zijn de band, waarmee de mens gebonden is aan een waanwereld. Zij zijn het scherm, dat het hem onmogelijk maakt om het licht der waarheid dat in hem leeft te erkennen. Zijn menselijke opvattingen, zijn ideeën van wat goed en wat slecht is, zijn bereikingen zijn voor 9/10 illusie, zelfsuggestie, suggestie van anderen of suggestie aan anderen. De feiten zijn, dat je bestaat en dat je in 9/10 van de tijd door de omstandigheden wordt gedreven. Erken dat dan! Erken dat al je handigheid, je zakelijkheid, je kracht, je liefde en je geleerdheid voor 9/10 voortkomen uit een erfelijkheid, die je misschien geestelijk hebt kunnen kiezen, dank zij je voor-ontwikkeling, maar waarop je hier op aarde verder weinig invloed hebt gehad.

Erken, dat een groot gedeelte van die goede zaken, die je hebt gedaan, eigenlijk mede aan een toeval of aan de gunsten van anderen waren te danken; dingen, die je niet zelf hebt verdiend. Geef toe, dat je succes of je falen in het leven in 9 van de 10 gevallen grotendeels op oncontroleerbare en onbeheersbare factoren berust. Geef toe wat je bent: een wezen, dat zoals dat zo deftig heet op de stormachtige levenszee heen en weer wordt geslingerd, de koers kwijtraakt en toch nog de goede haven bereikt. Geef het eerlijk toe. Geef toe, dat je minder bent dan je denkt te zijn. Geef toe, dat je ergens ook goede mogelijkheden en eigenschappen hebt. Geef toe wat er in je leeft. Geef de waarheid toe omtrent jezelf en je wereld. Niet omdat het bedrog zo verschrikkelijk is, maar omdat het je vervreemdt van de ene Kracht, die voor ons allen van het hoogste belang is: de God, Die in ons leeft; datgene, wat nu nog is een vreemde, ongestilde honger van hoge namen en ideeën voorzien, maar wat zo dadelijk is de adem, die je als vanzelfsprekend. zonder meer moet aanvaarden om te leven.

Ik hoop dat u niet kwaad bent, dat ik zo hier en daar nog wel eens een boog om het onderwerp heen heb gemaakt? We hebben ten slotte de suggestie toch wel behandeld. En nu mag ik de samenkomst wel gaan afsluiten. Ik zou dat willen doen door van mezelf een paar dingen naar voren te brengen. Dit heeft dus niets meer te maken met suggestie enz. en ik gebruik hiervoor weer de gebruikelijke termen. Niet omdat ik oneerlijk ben, maar omdat die termen toch ergens ook een resonans wekken in de mens, die je anders niet bereikt. Het is a.h.w. de klankbodem, waarop je de klank van je eigen ziel beter kunt horen.

Te weten wat je bent is goed. En te geloven in je God is goed. Maar beter is het in jezelf te weten, hoe de schepper in je leeft, hoe Hij kracht is. Met een kracht van alle wereld, alle stof en alle redelijk denken ver verwijderd, maar een kracht, die alles motiveert, vandaag en nu. Het is goed te geloven in het wonder en te geloven in het mirakel, dat voor of na de dood je brengt tot eeuwig zalig zijn, het eeuwig durende geluk. Maar beter is het te beseffen, dat je die kracht van weten en geluk reeds in je draagt; dat je alleen maar antwoord hoeft te geven op dat, wat werkelijk in je leeft, op de kracht van het Hogere, die ook nu reeds in je bestaat, zo goed als de krachten van het lagere, waaruit je thans beleeft om God te vinden, om de kracht van het mirakel in jezelf te voelen opwellen en te worden tot het wonder, dat schijnbaar uit je eigen handen voortvloeit.

Want je bent sterk en je hebt kracht en je hebt vermogen, maar dan moet je eerst jezelf aanvaarden. Het is goed te leven met een voortdurende liefde voor de medemens en een voortdurende zorg voor diens welzijn. Maar het is beter te leven in het besef van je werkelijke persoonlijkheid, wetend hoe je deel bent van alle dingen en jezelf liefhebbend en daarom al het andere dienende. Het is beter, dat je leert jezelf te geven aan het leven, omdat alleen zo dit “ik” in het leven kan voortbestaan dan slechts te putten uit de waan, dat je eigen zoete zorgen ergens de oneindigheid versterken.

Het is goed te dromen van morgen en van de schone steden, die dan gebouwd zullen worden, van de eeuwige rijken, die dan zullen rijzen. Maar beter is het om te beseffen, dat in het heden de krachten van het verleden en van de toekomst samenvloeien in je eigen wezen. Je bent altijd eeuwig, altijd nieuw. De steden, waarvan je droomt voor morgen, zou je heden werkelijk kunnen maken, als je de werkelijkheid van je eigen wezen wilde aanvaarden en erkennen. Het is goed met vele woorden te roepen tot je God en biddende en smekende in urenlange litanie om dat, wat je begeert voor de mens en voor jezelf en uit alle dankbaarheid, die je voor Hen gevoelt. Maar beter is het om in een klank, een woord, een trilling van je ziel te zeggen: “Ziet, Gij Heer, zijt waarlijk God.” Want dat is de werkelijkheid van je wezen.

Wees waar en leef jezelf. Leef jezelf en wees waar, opdat de kracht van de eeuwigheid en van God, Die in je leeft, uit jou worde geopenbaard, in jou kenbaar wordt en de scheidslijnen van tijd, van de opeenvolging van rassen en volkeren en incarnaties plaats maken voor het begrip van een eeuwigheid, waarin de mens alle dingen is en toch zichzelf. Ik hoop, dat ik hiermee mag volstaan en dat u niet ontevreden bent over hetgeen ik u heb gezegd. Ik hoop vooral, dat u de waarheid beseft van hetgeen ik u zei. Want of ge het toegeeft of niet, ge zijt ten dele dier; en een deel van uw geloof is eerder de behoefte aan zekerheid dan een werkelijk geloof. Maar ook heb ik u gezegd: In u leeft het Eeuwige, de werkelijkheid, nu en in dit ogenblik. Erken uzelf in waarheid en ge zult haar bezitten. Ik hoop, dat u ook dit zult onthouden, dat u uitgaande van een zekere ruwheid en eerlijkheid tegenover uzelf zult kunnen beseffen, dat uit alle schijnbaar onsamenhangende, doelloze of dierlijke dingen zowel als uit de hoogste stellingen de waarheid moet bloeien, voordat God Zich werkelijk openbaart.