Systeem, of persoonlijkheid en inspiratie

25 maart 1966

Allereerst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, zodat wij ernstig hopen, dat u ook zelf wilt nadenken. Ons onderwerp voor heden past zoals u wel zult weten, in een cyclus en heeft als titel: Systeem, of persoonlijkheid en inspiratie.

Bij esoterie, geloofsbeleving, maar ook bij politiek, wetenschap en alles, wat u zich verder denken kunt, bestaat altijd weer de mogelijkheid uit te gaan van een systeem, van een vaste formule, terwijl daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan van het persoonlijk experiment. De waarde en mogelijkheden van de persoonlijke beleving en bestreving wordt over het algemeen wat op de achtergrond geschoven, omdat, zoals men zegt, de mens toch een zeker houvast moet hebben.

Men moet profiteren van degenen, die eens eerder dezelfde weg hebben gegaan, zich met dezelfde problemen bezighielden, enzovoort. In de nieuwe leer echter, waarover wij al meerdere malen spraken, valt de nadruk wel bijzonder sterk op het zuiver persoonlijke, op inspiratie, eigen verantwoordelijkheid, eigen gevoelens van harmonie. Ik kan mij echter zeer wel voorstellen, dat velen zullen zeggen: “Het is mooi, maar wat is het systeem? Wij hebben niets aan geloofsbelijdenissen en formuleringen, die algemeen blijven. Wij willen voorschriften hebben, wij willen weten, wat wij moeten doen.” Juist in verband hiermee wil ik vanavond het systeem plaatsen tegenover wat wij wel de zuiver persoonlijke beleving en het persoonlijk experiment kunnen noemen. Wij beginnen dan met een argument, dat in zeer vele gevallen herhaald zal worden: Wanneer wij in wetenschappelijke zin een onderzoek op willen zetten, is het ons niet mogelijk om alle ter zake dienende gegevens zelf te ontdekken of te controleren. Door uit te gaan van hetgeen onze voorgangers hebben ontdekt, kunnen wij in kortere tijd en op redelijk verantwoorde wijze de experimenten volbrengen, die tot het beoogde resultaat schijnen te kunnen voeren.

Dit is een mooie en – zij het in verschillende vormen, – ook vaak gehoorde formule. Maar nu komt de man, die voorstander is van het zuiver persoonlijk werken en denken en stelt daar tegenover zijn argumenten. Dit is misschien wel enigszins waar. Maar in handboeken die door de wetenschap worden gebruikt – en waaruit zelfs nu nog in vele landen gedoceerd wordt – schuilen vaak fouten.

Ik neem als voorbeeld fouten in historisch opzicht en wel binnen het kader van de geschiedkunde enkele feiten uit de regering van Napoleon III. Vooropgesteld zij, dat degenen, die deze boeken schrijven en deze fouten maken, dit doen in de oprechte overtuiging, dat hetgeen zij citeren en neerschrijven, geheel juist is. Maar bij nader onderzoek blijkt in het genoemde geval, dat een schimppamflet, een schotschrift, dat tegen bepaalde avonturen, en de neiging daarvoor, de verering voor Bonaparte te exploiteren, gericht was, of per ongeluk als een feitelijke weergave van feiten werd genomen. Dit gebeurde in 1892. De schrijver, een Engelsman, had een grote naam als deskundige. De fout werd dan ook steeds weer door anderen zonder kritiek overgenomen als een bestaand feit.

Nu is het genoemde geval natuurlijk niet zo erg belangrijk. Het geldt alleen een beeld van het verleden. Stel echter het een fout zou zijn t.a.v. exacte wetenschappen als bijvoorbeeld natuurkunde – ik zou voorbeelden kunnen geven, maar zie daarvan af, omdat hierbij vele grote namen betrokken zijn – zo zouden proeven, op basis van dergelijke berekeningen en stellingen genomen, tot geheel verkeerde of onverwachte resultaten voeren, bepaalde mogelijke ontdekkingen zouden niet gedaan worden, omdat men al à priori aanneemt, dat een ander gelijk heeft, wanneer hij stelt, dat iets bv. onmogelijk is. Dit is misschien nog niet zo erg. Maar degene, die het systeem aanhangt, zal geneigd zijn te stellen: Wij bewijzen, dat ons systeem bruikbaar en goed is. Daardoor is eenieder, die buiten het gestelde van het systeem om handelt of denkt, iemand, die het niet goed doet.

Ja. U weet het alweer, wij hebben het nu over mensen als Koch, Pasteur, Diesel en andere. – tot zelfs Edison toe in het begin -, die het slachtoffer werden van deze “wetenschappelijke” mentaliteit. Je kunt tegenover de stelling: “Het is bewezen, daarom is al het andere onmogelijk en verkeerd”, echter argumenten tegenoverstellen en bv. aanvoeren dat alle mensen, die in het verleden grote ontdekkingen hebben gedaan – of wij nu spreken van een Christiaan Huygens, de Curie’s of anderen, – altijd weer mensen waren, die naast het als juist en als gangbaar erkende hebben gewerkt en gezocht. Zij deden hun ontdekkingen, omdat zij zich niet door de “geldende waarheid” lieten leiden, maar afgingen op eigen waarnemingen, inspiratie, gevoelens voor belangrijkheid en mogelijkheid. Zij hebben de basis gelegd, waarop de erkende wetenschap dan later voortbouwt…

Wat is nu belangrijker: Iemand, die, wanneer er eenmaal een basis is en hij zijn verzet daartegen heeft opgegeven, daarop verder weet te bouwen, of iemand, die in staat is zelf een basis van iets geheel nieuws te leggen? Volgens mij moet het antwoord zijn: Wanneer je een basis nodig hebt, om op te bouwen, is het de grote vraag of je, bij gebrek aan een basis, iets kunt bereiken. Maar degene, die zelf de basis voor iets nieuws kan leggen, zal in noodgevallen dit ook wel verder kunnen ontwikkelen. Hierin treffen wij dus, zij het in “a nutshell” al belangrijke argumenten voor het verwerpen van het systeem.

Er is echter veel meer, wat tegen het boven alles stellen van een systeem pleit: Zodra er een systeem is, ontstaat er een gezag. Nu ben ik niet tegen alle gezag, evenmin als u dat bent. Maar ik acht het toch wel verkeerd, wanneer er een leergezag ontstaat, dat alles van bovenaf wil doen en zichzelf als enig beslissende autoriteit wil etaleren. Om voorbeelden te vinden voor de gevolgen, die dit hebben kan, hoeven wij waarlijk niet ver te gaan. Ik noemde reeds de politiek als een van de waarden, waarin dit alles tot uiting komt. Welnu, in Nederland bestaat op het ogenblik de neiging alles van boven af te doen. Zoals men bv. in het oostelijke blok ook al alles van bovenaf wil doen. Uiterlijk lijkt het misschien wel aardig, maar de feitelijke ontwikkelingen beantwoorden niet aan de voorspellingen en beloften van de “regeerders”. Denk ook eens aan het fascisme, waar men alles van bovenaf wilde doen en regelen. In de praktijk voert dit alles tot een: Alles wat goed is, wordt van bovenaf als dwingend voorgeschreven, alles wat niet uitdrukkelijk is voorgeschreven, mag niet.

Dit geldt niet alleen in de politiek, maar evengoed zien wij deze houding bij de gezaghebbende figuren van bepaalde wetenschappen. Voorbeeld: Het is nog niet zo lang geleden, dat men zich van gezaghebbende zijde sterk verzette tegen experimenten als operaties bij onderkoeling. Een van de “experts” schreef een artikel, waarin hij beoogde duidelijk te maken, dat dit niets zou uithalen omdat nergens in de vakliteratuur ook maar een aanduiding te vinden was, dat hierdoor nieuwe mogelijkheden bereikt zouden kunnen worden, terwijl men niet het recht had het leven van zijn patiënten en hun welbehagen aan een dergelijk experiment te wagen. Chirurgen die zich niet alle denken wilden laten voorschrijven, gingen echter verder met het ontwikkelen van deze technieken, die nu wel overal op de wereld aanvaard worden. In “Lancet” publiceerde dezelfde “expert” een artikel, waarin hij verklaarde, waarom deze techniek zo waardevol was en welke mogelijkheden zij gaf.

Het zoeken naar een gezag, dat alles van bovenaf regelt, impliceert verder gelijktijdig een afwijzen van eigen verantwoordelijkheid. Een voorbeeld hiervan vinden wij in Duitsland, dat Duitsland, waaraan men hier en elders nog zo vaak zovele verwijten richt. Men zegt hier namelijk: “Dat gehele Duitsland heeft kunnen, had moeten weten omtrent de concentratiekampen, en heeft moeten beseffen, wat Hitler deed…” – “Dacht u? – Dit gehele Duitsland heeft zich onmenselijk gedragen…” Vanuit uw standpunt, is dit alles misschien nog volledig juist. Maar waar ligt de oorzaak?

Deze schuilt ook wel in de andere staten en niet alleen in Duitsland, omdat men daar wel degelijk al rond 1927 had kunnen ontdekken en weten, wat zich in Duitsland ontwikkelde. Men wilde echter niets zien. De oorzaak voor alle verwerpelijke ontwikkelingen lag in een stelling, die wij in de nationaalsocialistische leer vinden, maar die wij ook in andere staten en zelfs nu nog vaak aantreffen. De stelling omtrent de “heersende groep”, “das Herrenvolk”, het “uitverkoren ras”.

Daarmee begon alle ellende in Duitsland: Wie tot de heersende groep behoorde, had alle rechten, de anderen waren minderwaardig en hadden genoegen te nemen met hetgeen de heersende en natuurlijk veel betere stand – of ras – hen wilde geven. Men stelde: Wij, uitgaande van de Führer, die alles is, zullen Duitsland groot maken. En men heeft inderdaad vanuit het standpunt van de gewone Duitser vele positieve dingen gedaan.

Daarnaast stelde men: De leider weet alles, u heeft zich alleen maar te bemoeien met uw eigen zaken. Die gaan u aan. Wanneer u iets bemerkt, wat minder mooi is, mag u daarover niet spreken, want daarmee zou u het vaderland en de partij benadelen. Voor alles is immers een reden en de leider weet alles. In 1935, het jaar voor de olympische spelen, werd zelfs een actie, gevoerd, waarin eenieder werd ingehamerd: Doe niets, spreek over niets, wat het aanzien van Duitsland kan schaden. Iets doen of zeggen, dat het aanzien van de staat schaadde, was dus een zondigen tegen de staat en het gehele volk. De meeste mensen keken al de andere kant op, wanneer zij maar meenden, dat er iets aan de hand was, wat buiten de regels viel. Want het kennis nemen alleen reeds was een schuld – en werd, als het uitkwam – ook zwaar gestraft. Want men mocht immers niet ingaan tegen het systeem, de kracht, die alles voor eenieder in orde zou maken.

Iedereen in de beschaafde wereld had dit kunnen weten en de meesten hebben het ook wel geweten. Maar men heeft daarop niet of zeer onvoldoende gereageerd “om de internationale betrekkingen niet te schaden”. Toch zullen velen onder u zeggen, dat alle Duitsers, die de oorlog hebben meegemaakt, ook schuldig zijn. Ik zeg echter: Neen. Zoals u het bedoelt, zijn zij niet schuldig. Zij liepen eenvoudig in een van de gemeenste vallen, die er in de moderne tijd bestaan: De aanbidding van het systeem, dat boven alles gaat en moet prevaleren boven alle persoonlijke denkwijzen, behoeften en erkenningen.

U meent misschien, dat dit alleen geldt in de politiek? Er zijn echter kerken geweest, – noem ze zelf maar, want u weet het wel – die de meest eigenaardige praktijken kenden om hun gezag te handhaven en “zielen te redden”. Kerken, die daarvoor gemoord, gemarteld en geroofd hebben, die zelfs in deze dagen soms nog zeer vreemde manoeuvres uithalen, waarvoor de gelovige geacht wordt blind te zijn, ja zich zelfs blind moet houden op straffe van een eeuwige verdoeming. Kritiek is niet geoorloofd, want dit is het werk van de Heer, het werk van de kerk, waartegen men niet in opstand mag komen. Men mag niet kritiseren en, wanneer men het maar zou kunnen doorzetten, zou men in vele gevallen liefst de gelovigen zelfs willen verbieden om te denken. Wanneer in de bijbel staat, dat Jonas getoerd heeft over zee in de maag van een walvis, dan mag men geen vragen stellen, dan heeft men het maar aan te nemen. “Want het is het woord van God”. Vraag dus niet, welke walvissoort een keelgat heeft, waar een mens zonder schade doorheen kan en vraag niet, of er wel walvissen voorkomen in die contreien. Want men moet geloven, niet bekritiseren.

In bepaalde esoterische richtingen zien wij een soortgelijke mentaliteit. Ik geef maar weer een voorbeeld. Een bepaalde esoterische richting zegt: “Om uzelf te leren kennen, moet gij u in uw sanctum zetten voor een spiegel, waarvoor twee kaarsen branden. Staar naar jezelf, tot je de waarheid ziet.” Wanneer je toevallig niet gevoelig bent voor deze vorm van auto-hypnose, zit je natuurlijk voor gek. Maar dat mag je niet zeggen, want dan deug je niet. De proef is nu eenmaal deel van een systeem, dit systeem is goed en dus onaantastbaar.

Je kunt zelfs niet zeggen, dat het niet gaat zonder je eigenwaarde naar beneden te halen. Elke andere interpretatie zou immers een aantasten van het “onfeilbare” systeem inhouden? Ook wanneer de nieuwe wereldleer meer bekend is, zullen er mensen zijn, die op deze wijze iets kunnen bereiken en beleven. Maar op het ogenblik, dat men daarom zou gaan zeggen: “Dit is de juiste weg, gij hebt hiermee resultaat, dus moogt u geen andere wegen gaan”, dan zou er geen ruimte meer zijn voor het persoonlijke experiment. De nieuwe leer verwerpt alle systemen, niet omdat zij waardeloos zouden zijn, maar omdat zij een afgesloten zijn van de werkelijkheid kunnen veroorzaken. Wanneer God tot u spreekt en iets zegt, wat niet voorkomt in de voorschriften en stellingen van het systeem, zou u immers niet eens mogen luisteren? Dan zal, wanneer God iets zegt wat niet past in de aanvaarde waarden van het systeem of de sociale ordeningen, de mens moeten zwijgen, zal hij niet mogen luisteren of reageren. Dan moet hij in die God opeens een duivel zien. En dat is niet aanvaardbaar.

Dit alles maakt, dat de nieuwe leer ergens vaag zal blijven. Deze vaagheid is zeker niet gelegen in de voor eenieder begrijpelijke grondslagen van de leer – die zijn gezond en duidelijk. De vaagheid schuilt in het feit, dat er geen geboden en verboden zijn. Dat kan het voor menigeen erg moeilijk maken, dat ben ik wel met u eens. De voorstander van het systeemprincipe zal hier zeggen: “Regels zijn onvermijdelijk. Wanneer wij het verkeer nu eens geheel niet zouden regelen, zou het een chaos worden, nietwaar?” De man voor de algehele vrijheid zal antwoorden: “Op het ogenblik is dit zeker waar, maar wanneer wij eenieder geheel voor de gevolgen van zijn eigen fouten aansprakelijk stellen en hem dwingen alle consequenties van dien te aanvaarden, zal er op den duur een beleefdheid in het verkeer ontstaan, een voorzichtigheid en wederzijdse achting, waardoor alle regels en alle dwang werkelijk achterwege kunnen blijven. Er zal een overgang nodig zijn in dit geval. Maar dan zal men ook vele eigenschappen bij de weggebruikers zien ontstaan, die nu, juist door de vele regels onderdrukt worden en plaats maken voor een “maar ik ben in mijn recht”.

U ziet dat beiden enig gelijk schijnen te hebben. Het zal echter nooit komen tot een experiment op dit gebied, al is het alleen maar, omdat men zich tegenwoordig een verkeer zonder steeds meer regels eenvoudigweg niet kan voorstellen – en het dus onmogelijk acht. Daarbij vergeet men dan dat dergelijke regels, evenals vele wetten, niets te maken hebben met werkelijke wetmatigheden, maar eenvoudig berusten op overeenkomsten, die men eens en onder geheel andere omstandigheden heeft gemaakt. Opvallend is hierbij het reageren van de theoretici en de gevolgen van hun denkwijzen. In het ene land wil men van linkshoudend verkeer naar rechtshoudend verkeer toe en in andere landen overweegt men juist links verkeer in te voeren.

Beiden menen, dat de wijziging aan de verkeersveiligheid zeer ten goede zal komen. In de praktijk zullen beide systemen evenveel voor en nadelen hebben. De keuze is er daarom geen van de “betere” mogelijkheid, maar zal eenvoudig berusten op de eigen zienswijze van de “deskundige”, die echter als een soort evangelie wordt aanvaard en opgevolgd.

Wanneer wij in geloof, politiek of elders uitgaan van bepaalde regels en stellingen, dan zijn deze niet bindend en onveranderlijk, al zal men het vaak zo voor doen komen. Deze regels zijn het gevolg van een mode. Zij zijn modus, een aan tijd en begrip gebonden middel, waardoor de mensen tot een samenwerken kunnen komen. Ik kan mij niet voorstellen, dat de nieuwe leer geheel buiten het menselijk pogen tot formuleren en regelen zal vallen. Er zullen regels enz. zijn.

Maar deze zullen slechts als overeenkomsten tussen mensen worden gezien en de leer zal, op grond van haar grondslagen, deze regels voor een enkeling nooit bindend kunnen stellen.

Nu ga ik een paar aanvallen doen, die velen onder u onaangenaam aan zullen doen. Ik acht ze echter noodzakelijk, om u tot denken te brengen over de huidige waarden en het huidige geloof. “Ik ben de Heer uw God. Gij zult geen vreemde goden voor Mijn ogen stellen. Mij zult gij liefhebben boven alle dingen.” Menig geloof bevat dergelijke stellingen en bevelen. Maar neem mij nu niet kwalijk, vrienden. Hebt u uw God inderdaad zo lief, dat u alles – alles – achter wilt laten voor Hem? Een dergelijk gebod is, uitgezonderd voor een paar hysterici en misschien enkele zeer grote wijzen, onuitvoerbaar. De mensen lopen eenvoudig over een dergelijk gebod weg. Zij zeggen: “Het is natuurlijk wel zo, maar het is veel belangrijker, dat wij onze vader en moeder eren, dat wij geen onkuisheid plegen enzovoort. Natuurlijk, wij willen God wel liefhebben, maar wij moeten toch ook als mensen leven. Wanneer wij tijd overhouden, zullen wij wel eens over Hem nadenken.” Maar ligt de essentie van de geboden nu in de in wezen sociale regelingen, of in de liefde tot God? Een gemene vraag natuurlijk. Maar men heeft in alle kerken, die op dergelijke geboden gebaseerd zijn, in de praktijk alleen maar lippendienst aan de ware Liefde tot en zelfs eerbied voor God bewezen, terwijl men zich in de praktijk bezig heeft gehouden met de menselijke waarden en inzichten.

Ik zal aannemen, dat dit onvermijdelijk is. Maar dan moeten wij de wetten van deze kerken ook zien als menselijke wetten, niet als een goddelijke wet. Dan moeten wij niet ergens een vaag ideaal vooropstellen en zeggen, dat dit de onveranderlijkheid van de wetten bepaalt en ons verder met het al dan niet logisch, aanvaardbaar en volgbaar zijn van de wetten niet meer bezighouden. Toch doet men juist dit, zowel in de godsdienst, de politiek als elders. Slechts de wetenschap maakt hier vaak een gunstige uitzondering. De gekste dingen worden denkbaar via deze neiging, oude wetten steeds maar te handhaven, zonder zich af te vragen, of zij nog wel passen bij de omstandigheden en mogelijkheden van het heden. Ik geef een wat absurd voorbeeld. Stel voor, dat men in een oude godsdienst de gelovigen de wet had gegeven om elke mens met een carnavalssaluut te begroeten. Een dergelijk voorschrift zou niet lang blijven bestaan, wanneer degene die dit geeft, het zonder meer stelt. Maar nu zet hij daarvoor: “Ik ben de heer uw god, mij zult gij eren en gehoorzamen. Gij zult uw naasten steeds groeten met de linkerhand voor de rechterkant van de kop.” Dan zou de zaak anders liggen. Men zou zich niet meer afvragen, of dit nu wel zin heeft, men zou zich niet meer afvragen, of iemand in het verleden misschien een grote practical joke heeft willen uithalen, of dat er misschien andere redenen geweest zijn voor een dergelijk vreemd voorschrift. De arme systeemdwazen zouden zich zondig voelen, wanneer zij de wet niet zouden gehoorzamen, en dus allen op deze vreemde wijze hun naasten groeten.

Wij kunnen nimmer een gebod stellen als uitgangspunt, wanneer het niet zeker is, dat dit gebod ook werkelijk te verwezenlijken is. Wij kunnen een richting van streven aangeven. Maar dat is iets anders. Wij kunnen en mogen niet zeggen: “Zo zult gij doen”, wanneer dit voor velen onmogelijk is. De kracht van vele geloven is zelfs gelegen in het feit, dat zij wel allerhande – vaak niet controleerbare – beloften doen, maar daaraan voorwaarden verbinden, die niemand geheel goed ten uitvoer kan brengen. Maar hoe onmogelijk de opdracht ook is, hoe wereldvreemd het gebod ook moge zijn, wanneer het maar lang geleden is gesteld, zijn er altijd wel weer mensen te vinden, die het zonder kritiek aanvaarden en aan het vervullen van de daarmee gepaard gaande dreigingen of geloften vast geloven. Zouden dergelijke eisen echter in deze dagen gesteld worden, dan zouden dezelfde mensen veel kritiek hebben en op de onuitvoerbaarheid of zelfs de onredelijkheid ervan wijzen. M.a.w., een gebod moet logisch zijn. Maar wanneer het gebod logisch en vervulbaar zal zijn, vloeit het al voort uit het streven zelf en zal het bovendien voor elke mens die werkelijk wil, vervulbaar zijn. Nu is de mens een veranderlijk – sommigen gebruiken hier liever “evoluerend” – wezen.

De wereld van vandaag en de wereld van morgen zijn dus niet gelijk. Dan zal dat, wat vandaag nog een logische en vervulbare wet is, dit morgen misschien niet meer zijn. Juist daarom stelt de nieuwe leer, dat men zelf en uit zich de wetten en regels moet vinden, omdat er geen algemene wet bestaat die in menselijke termen en voor mensen vervulbaar kan worden geformuleerd. De enige wetten in deze nieuwe leer zijn dan ook bepalingen, die, zeer algemeen, de juiste verhouding tot de naaste weergeven en daarnaast een weg om te zoeken naar een zo groot mogelijke verbondenheid met datgene, wat voor ieder het hoogste is. Gemakshalve noemen wij dit hoogste nu wel onderling “God”, maar zelfs dit wordt niet eens vastgelegd op dwingende wijze in de leer zelf.

In dit verband nog een tweede punt. Wanneer ik uitga van de superioriteit van mijzelf – en dit doet het systeem, dat gebaseerd is op het onaantastbaar stellen van bepaalde waarden en regels – zal ik niet alleen maar de onaantastbaarheid van het systeem zelf, maar ook de onaantastbaarheid van de interpreterende waarden in het systeem moeten aanvaarden. Er is een tijd geweest, dat het stalinisme voor velen de enig juiste interpretatie scheen te zijn van het marxisme, tot Stalin stierf. Degene, die interpreteerde, kon het systeem zelfs wijzigen, zonder dat iemand zich daarvan bewust durfde zijn. Nu heeft men een interpretatie, die men het leninisme noemt, welke echter niet geheel op de interpretaties van Lenin berust, maar deze naam draagt, omdat degene, die interpreteerde, hier in naam een overledene is, zodat men de interpretatie voort kan zetten, ook al zal de werkelijke interpretator sterven. Zo wordt een schijn van continuïteit bereikt. In feite gaat het hier echter om een enkele persoon of enkele personen, die een bestaande leer nemen, deze ombuigen en veranderen tot zij voor de verkondiger onkenbaar geworden is om dan op grond van de juistheid van de oorspronkelijke stellingen een aanvaarden van hun interpretaties en veranderingen te eisen.

Dit komt steeds meer voor. De misleiding is de wereld niet uit. Wij worden vaak geconfronteerd met zegswijzen, die niet in feite geheel onwaar zijn, maar toch bij hoorders of lezers een illusie scheppen, die van de waarheid sterk afwijkt. Ik geef een voorbeeld. Bericht: “Gisteren reed de heer H.F. met zijn auto in de vaart te …. Hij kwam om. De oorzaak van het ongeval dient gezocht te worden in een fout van het besturingsmechanisme.” Dit is een gewoon krantenbericht, zoals u er tientallen per jaar kunt lezen. Nu was deze heer H.F. een gezagsdrager. Hij was dronken als een uil. Door bepaalde omstandigheden zou het echter onaangenaam zijn, wanneer men zou moeten zeggen: Deze heer gezagsdrager is in absolute dronkenschap met zijn wagen te water gereden en omgekomen. Daarom geven wij de schuld aan het besturingsmechanisme. Zo wij aannemen, dat het besturingsmechanisme het verlengstuk van de bestuurder is, liegen wij hierin. Maar wij kunnen ook heel handig stellen, dat de bestuurder het verlengstuk is van het besturingsmechanisme. In dit laatste geval kunnen wij zelfs nog verklaren, dat wij alleen de waarheid spraken. Waarmee ik maar wil zeggen, dat men met de waarheid vele vreemde dingen kan doen, zonder dat men werkelijk “liegt”.

Op het ogenblik, dat men een aanzien gaat scheppen voor mensen, een hiërarchie die uit het geloof of systeem voortvloeit, zal men de uiterlijkheden moeten aanpassen aan de waarde, die men het systeem geeft en zullen dergelijke verdraaiingen van de waarheid eenvoudig niet meer uit kunnen blijven. Wat men niet beseft – of waarvan men zich niets aantrekt – is het feit, dat een dergelijke “verandering” van waarden niet alleen tot het feit zelf beperkt zal blijven, maar invloed zal hebben op het gehele systeem en de werkwijze in het geheel daarvan zal gaan beïnvloeden.

Eenvoudig geloof, eenvoudige aanvaarding voeren verder tot zeer vreemde kronkels. Mijn voorbeeld is misschien minder fijn, maar zal in ieder geval duidelijk maken, waar ik op doel. Het katholieke geloof stelt, dat de paus onfeilbaar is in zaken van geloof. Velen vergaten, vooral vroeger, dit laatste. Stel nu dat een paus uit is geweest met zijn huishoudster. De eenvoudigen geloven, dat de paus overal en voortdurend door de heilige geest wordt geleid. Dan is het voor hen dus niet de paus geweest, die met de huishoudster uitging, het was de heilige geest. Dit klinkt belachelijk en het voorbeeld is in de ogen van sommigen misschien wel wat gemeen gekozen. Maar hoe vreemd en onmogelijk u dit ook klinkt, er zijn gevallen aan te geven, waarbij men op een dergelijke wijze heeft geredeneerd, om op zich oneerbare praktijken voor gelovigen aanvaardbaar te maken. In de tijd van de Borgia’s bijvoorbeeld werd de heilige geest ten tonele gevoerd om de misdragingen van de paus en zijn ruime kindertal aan de gelovigen op aanvaardbare wijze kenbaar te maken. En toen was de pauselijke onfeilbaarheid nog niet eens een leerstuk.

Ik ga nog even met mijn absurde voorbeeld verder. Wanneer de heilige geest een paus kan bewegen tot bv. een uitgaan met zijn huishoudster – het is natuurlijk maar een voorbeeld en zal in werkelijkheid tegenwoordig niet meer voorkomen – kan men dan niet met evenveel reden zeggen, dat een meisje, dat op straat iemand oppikt, door de heilige geest wordt bewogen? Erg, nietwaar, dat iemand zoiets durft te zeggen. Dat is schandalig. Ik ben het met u eens. Maar wanneer ik een systeem heb en bepaalde feiten poneer, moet ik deze feiten ook logisch op kunnen volgen en zal ik mijn systeem niet op mogen bouwen op een voortdurende reeks van uitzonderingstoestanden. De feiten liggen zo, dat men nimmer een enkele mens zal kunnen zien als algehele representant van een systeem, maar dat gelijktijdig de toepassing van het systeem aan een mens of enkele mensen gebonden is. Als wij het gezag, dat aan het systeem wordt ontleend, aanvaarden, aanvaarden wij gelijktijdig de verwording aan het systeem zelf door de verschillende interpretaties, die niet het systeem zelf, maar de handhaving van het daaraan ontleende gezag onder alle omstandigheden ten doel hebben. Ik wil hierop niet al te ver meer ingaan. Binnenkort hebben jullie hier verkiezingen, zodat je dan zelf kunt zien, hoezeer praktijk en systeem, beloften en werkelijkheid van elkander plegen te verschillen, zonder dat men daarom zich van het systeem durft afwenden. Keren wij dus tot het onderwerp terug.

Er is een bepaalde vorm van geloven en denken, die voor de mens noodzakelijk is. Zonder een geloof, waarin zijn leven voor hem een betekenis verwerft, welke uitgaat boven de duur van eigen bestaan op aarde, zal de mens namelijk geen prikkels tot vooruitgang kennen en niet tot bewustzijn komen. Dit geldt, ongeacht de vraag of hetgeen waarin men gelooft nu waar is of niet.

Het geloof is een stimulans tot het zien over de jaren. Of de kern van het geloof zich nu baseert op een god, de toekomst, of het voorgeslacht, doet verder weinig ter zake. Maar wanneer een mens een geloof heeft, zal dit geloof door die mens alleen volledig beleefd kunnen worden, wanneer hij het ook voor zich als een waarheid persoonlijk ervaren kan. Zolang het bij een klakkeloze aanname blijft, beleeft de mens zijn geloof niet en zal hij daaraan slechts uiterlijk beantwoorden, terwijl de werkelijke waarden ervan aan hem voorbij zullen gaan. Het zou dus wenselijk zijn, een vorm van geloof te vinden, waarbij de mens eerst gelooft, wanneer hij voor eigen besef geheel deel is van hetgeen, waaraan hij gelooft. Om dit voor eenieder gelijkelijk mogelijk te maken, moeten wij dan een dergelijk geloof wel vaag en uitermate onpersoonlijk formuleren. Dan moeten wij de mens de kans geven alle kanten uit te gaan zonder zich van het geloof los te voelen.

Nu kan men zeggen, dat de een het meeste houdt van tv, een tweede van film, de derde van voetbal en de vierde van roomijs. Het is mogelijk, deze verschillende voorkeuren wel eens te combineren, maar voor de mogelijkheden tot intense beleving zal de persoonlijke voorkeur toch wel bepalend blijven. Vergelijkend gesproken zal de mens de eeuwige zaligheid evengoed kunnen vinden in ijs, een wedstrijd, een film of de t.v. De waarde van de “zaligheid” is immers niet objectief, maar ontstaat door eigen beleving ervan. Daardoor is het absoluut niet verantwoord, iemand in het leven te zeggen: “Zo moet je gaan en al het andere moet je terzijde stellen”. Je zou zo iemand de voor hem meest waardevolle beleving en ervaring eenvoudig onmogelijk maken.

Daar de wereld nu in ieders ogen er bovendien nog enigszins anders uitziet, terwijl men bovendien de waarden van het leven steeds voor zich en van de waarderingen van anderen niet verschillend pleegt te stellen, is het zelfs niet mogelijk een systeem van waarden te stellen, dat exact en algemeen geldend geformuleerd wordt en toch door een ieder waarlijk en volledig beleefd kan worden.

Dan is er dus geen systeem te geven. Wij kunnen alleen proberen de mens duidelijk te maken, dat hij in zichzelf een waarde, een geloof, zal kunnen vinden, waardoor zijn betekenis als ego voor hem een waarde wordt, die ook onafhankelijk van de wereld naast hem blijft vaststaan, waarbij zijn belevingen en waarderingen voor hem juist en belangrijk kunnen zijn, – ongeacht de waardering, die men in de wereld rond hem predikt, – terwijl hij hierdoor kan komen tot een persoonlijk experiment, dat gedragen wordt door eigen innerlijk besef, intuïtie, eigen kennis en eigen verantwoordelijkheid en arbeid.

U zult nu wel zeggen, dat zo leven in de moderne maatschappij onmogelijk is. Zuiver maatschappelijk heeft u zelfs gelijk, naar ik meen. Maar godsdienstig is een dergelijke wijze van geloven en leven toch wel noodzakelijk geworden. De absolute verwildering van zeden – ik ben niet ouderwets, maar die is er in deze dagen inderdaad – is zeker niet gelegen in de vrijere wijze, waarop men bepaalde delen van het menselijke bestaan op het ogenblik beschouwt en handelt daarmee. Zij is gelegen in het feit, dat men de halve waarheid, de misleiding, de leugen dus, ergens een aanvaardbaar en zelfs noodzakelijk deel van het maatschappelijke bestel heeft gemaakt. Wat meer is, men vergt van anderen steeds meer de bevestiging van een bestaande leugen. Hieruit stamt de werkelijke amoraliteit van deze dagen. Het gaat dus niet om het feit, dat men atoombommen maakt, maar om het feit, dat men over deze bommen, hun gevaren en mogelijkheden, liegt. De amoraliteit is niet gelegen in het feit, dat er politiek bedreven wordt, maar in het feit, dat men in die politiek de waarheid niet meer wil of durft uit te spreken. De amoraliteit van deze dagen schuilt niet in het feit, dat er kerkelijke organisaties zijn, die armoede als het meest begeerlijke en juiste verkondigen, terwijl zij gelijktijdig steenrijk zijn, maar in het feit, dat men probeert dat tweede feit ergens te bemantelen. De onechtheid van deze dagen is het grote gevaar. Wanneer wij een systeem brengen, dan zal deze onechtheid daarin voort blijven leven. Wanneer God op aarde een nieuw systeem zou geven, een geheel nieuwe openbaring desnoods, zo zal de mens daar onmiddellijk weer een stelsel van halve waarheden en kronkelweggetjes van maken. Want een dergelijke openbaring wordt dan weer een gemeenschappelijke waarde, waarbij persoonlijk aanzien een rol gaat spelen en het niet meer gaat om wat je werkelijk en innerlijk bent, maar om wat anderen denken dat je bent. Hoeveel mensen zitten de dominee met een vroom gezicht niet te vervloeken, omdat hij te lang spreekt, terwijl zij toch luidkeels het gezang zingen om te laten zien hoe vroom zij wel zijn en hoe zeer zij getrouw zijn aan de “enig ware kerk”.

Dat is de reden van het zedenverval in deze dagen. Dit zedenverval komt voort uit het systeem. Het systeem, dat geen objectieve waarden meer in het menselijke leven wil erkennen, hoe beperkt deze ook verder mogen zijn, maar alles subjectief maakt, gebonden aan het systeem en de daardoor gewilde denkwijzen, gebonden ook aan de door het systeem verkondigde stellingen, zelfs als deze niet eens bewezen zijn of bewezen kunnen worden. Wanneer je tegen zoiets een tegengif moet geven, kun je niet volstaan met regels, wetten of een systeem. Je kunt zelfs niet volstaan met een aanmoedigen van het persoonlijk experiment zonder meer. Wat nodig is om iets te bereiken, zal de persoonlijke ervaring zijn. Deze kun je voorbereiden, maar een systeem, om deze waarde te doen stijgen, zal niet gewonnen kunnen worden, daar ieder nu eenmaal op een geheel eigen wijze tot geheel eigen ervaringen en ondervindingen zal moeten worden voorbereid.

Het antwoord op deze moeilijkheid is: leer de mensen via suggestieve en andere methoden de waarde van bepaalde mogelijkheden beseffen. Maak hen desnoods nieuwsgierig, prikkel hun begeerte om daarmee te experimenteren, maar zeg hen nimmer, wat wel en niet mag of kan.

Geef hen wat algemene mogelijkheden aan en zeg:” Zoek het nu vooral verder zelf uit”. Dan krijgen wij de ontwikkeling van onderaf, in tegenstelling tot de projectie van bovenaf, die aan het systeem altijd weer eigen is. Om een vergelijk te treffen, u kunt zich het systeem voorstellen als een pyramide, waarvan de top steeds zwaarder wordt, terwijl de basis gelijktijdig verzwakt en steeds minder eigen draagkracht krijgt. Het gevolg is, dat de pyramide te enigerlei tijd ineen zal storten. Bij een bevorderen van persoonlijke ontwikkeling zien wij het beeld van de pyramide eveneens ontstaan; er zijn nu eenmaal altijd minder-, meer-, en hoger bewusten. Er zijn mensen, die minder, meer, of zeer veel kunnen doen met hun innerlijke waarden. De top komt echter voort uit en wordt voortdurend gedragen door de kracht, die schuilt in de basis. Naarmate de basis sterker wordt, zal ook de top zwaarder worden. Zou de top te zwaar worden, dan zou zij niet meer drukken op de basis, maar haar contact daarmee geheel verliezen. Dit laatste is echter haast niet denkbaar, omdat eenieder binnen het systeem zich boven de onderlaag meent te weten, terwijl bij persoonlijke bewustwording het gevoel van persoonlijke aansprakelijkheid en het respect voor de onderlaag – dat bij het systeem snel verloren pleegt te gaan – een binding met de onderlaag en zelfs een voortdurend beseffen van de waarden in de onderlaag garandeert.

Het beeld van twee verschillende benaderingen maakt de conclusie eenvoudig: De wereld van heden laboreert een langere tijd aan een steeds zwaarder wordende top, die steeds minder respect heeft voor de onderlaag. Dit voert soms tot eigenaardige ontwikkelingen, niet alleen in de politiek, maar ook op godsdienstig gebied, blijkt bv. dat bepaalde kloosters steeds meer leeg blijven. Nu wil men het kloosterleven voor de novicen aanvaardbaarder maken, door hen nieuwe en meer bij de mode passende kostuumpjes aan te bieden. Met als het ware de belofte van de hemelse zaligheid alleen is niet voldoende, daarom modieuze kostuums. U zult hierom stilletjes lachen Maar het is een feit. Is dit in wezen geen krankzinnige benadering? Dat heeft ergens niets meer met de goddelijke of zelfs de menselijke werkelijkheid meer te maken. Of toch? Ook hier is de nadruk op de “orderegels” veel te zwaar en het besef van persoonlijke ontwikkelingsnoodzaak ergens te klein, en te veel binnen een vooropgezet kader ondergebracht. Wanneer er in de onderlaag, waaruit de novicen zouden moeten komen, een voldoende beleven van de waarheden van het geloof bestaat, is het attractief maken van het kloosterleven door nieuwe klederdrachten en mildere regels niet noodzakelijk. Het geestelijke belang van de gemeenschap zal dan prevaleren. Men zal dan alle regels af kunnen schaffen en alleen in onderlinge overeenstemming tot een indeling van werk en gebed kunnen komen, terwijl eenieder zich geheel volgens eigen smaak kan kleden, terwijl de leden van de gemeenschap God desondanks in zich voelen als een werkelijkheid. Op het ogenblik, dat men naar een uniform grijpt, om hierdoor de mensen te ontvreemden aan zichzelf, geeft men al blijk van een voorkeur voor een wijze van leven en denken, die ik bij gebrek aan beter kadaverdiscipline moet noemen.

Ik heb niet veel meer te zeggen, maar wil op dit laatste nog even ingaan: Er is een eigenaardig verschijnsel op te merken; wanneer je 1000 jongelui neemt en hen laat exerceren, zo zal het wel gaan. Trek hen nu een uniform aan, schakel hen dus uiterlijk gelijk, en wat gebeurt er? Zij gaan opeens anders reageren. Tegenover de buitenwereld blijkt het gevoel van verantwoordelijkheid aanmerkelijk kleiner te zijn geworden. In hun eigen gemeenschap blijkt het gevoel van verbondenheid opeens onredelijk veel groter geworden. Hoe komt dit? Komt deze invloed van buitenaf? Dezelfde vijandschappen en vriendschappen bestaan voort en toch krijgt het geheel een ander karakter. Overigens geldt dit niet alleen, zoals u misschien denkt, door het militaire pakje. Dat geldt ook voor het uniform, dat men de jongens van bv. een harmonie pleegt aan te trekken. Hier geldt zelfs: Hoe mooier het uniform is, hoe meer zij hun best gaan doen. Hoe minder zij zich ook met de wereld, die geen uniform draagt, op dat ogenblik nog waarlijk verbonden voelen. Dit is het sterke punt geweest en is het nog van vele jeugdverenigingen. De Rode Jeugd ontleent bv. een groot deel van haar invloed aan het uniform. De Hitler-jugend was zo belangrijk door het uniform, dat dit een afzondering van de rest van de wereld bevorderde. De padvinderij heeft op het ogenblik geen zeer aantrekkelijk uniform meer, omdat het niet meer past bij de eisen en opvattingen, die nu gelden. Zou men echter een ander uniform ontwerpen, dan zou deze beweging onmiddellijk in belangrijkheid toe gaan nemen, zodat men ook hier kan stellen, dat deze beweging een groot deel van haar belangrijkheid en kracht aan het uniform zal ontlenen.

Daarbij blijkt steeds weer dat het niet voornamelijk de stellingen en de acties die men onderneemt, zijn, die bepalend zijn, maar dat de werkelijke binding grotendeels voortkomt uit het zich door het uniform buiten de gemeenschap stellen, gepaard gaande met een op het dragen van het uniform gebaseerd gevoel van meerderwaardigheid. U zult begrijpen, dat niet alleen uniformen, maar alle vormen van uniformiteit in wezen bestreden moeten worden, daar zij een zich buiten de wet plaatsen plegen te bevorderen. Ook buiten de wet, die de mens ingeschapen is, als die van de menselijkheid, buiten het begrip, dat samenwerking alleen kan bestaan op grond van wederkerig streven naar een doel. Ik kan u vele voorbeelden geven van de vreemde uitwerking, die het uniform op mensen schijnt te hebben. Er is een politieagent. De man heeft thuis een volière, houdt van dieren, is voor vrouw en kinderen een schat, is iedereen behulpzaam, wat verlegen zelfs vaak. Deze man trekt zijn uniform aan, voelt zijn gezag aangetast en is bereid eenieder neer te slaan zonder ook maar even na te denken over het feit, dat die ander toch ook zekere rechten heeft.

Een man, die filosofisch denkt, inzicht heeft in de moderne kunst, innerlijk zeer godsdienstig is, is officier. Er komt bevel voor hem om met zijn onderdeel een opstand neer te slaan. Hij gehoorzaamt zonder zich af te vragen, of de opstand misschien redenen van bestaan heeft en treedt met alle hardheid op. Of, sterker nog, hij krijgt bevel een concentratiekamp te bewaken.

Hij doet het en begaat zelfs wreedheden, die geheel onmenselijk zijn, omdat dit met zijn opdracht schijnt te stroken. Kennelijk heeft deze laatste mens, zodra hij in uniform is, niet meer het besef, dat hij als mens aansprakelijk is. Hij is ook aansprakelijk als militair en dit volgens de wetten van gehoorzaamheid, die het militaire bestaan regeren. Hij is geen mens meer, maar een wezen, dat zonder enige persoonlijke aansprakelijkheid of verantwoordelijkheid ten uitvoer brengt, wat, naar hij meent, zijn opdracht is. Vele wreedheden werden begaan in concentratiekampen, maar ook wreedheden door troepen van de geallieerden in de oorlog begaan, de vreemde dingen, die in Engeland zijn gebeurd en zelfs het vaak vreemde en onmenselijke optreden van de gewapende macht in Zuid-Afrika.

De misdaden, die in Vietnam op het ogenblik niet alleen door de Vietcong, maar ook bv. door Amerikanen worden gedaan, worden begaan door mensen, die zonder dit uniform en de daarmee gepaard gaande afzondering van de normale menselijke wereld, eenvoudige en prettige mensen zouden zijn. Misschien dat in het gewone leven de een wat dommer is dan de ander, de een wat ruwer en de ander wat verfijnder. Dan zijn zij echter mensen, terwijl zij door het ingeschakeld worden in een uniformiteit, het deel worden van een hiërarchie en hun menselijke persoonlijkheid grotendeels verliezen en zelfs indien zij dan niet zeggen: “Befehl ist befehl”, maar alleen, “I will see what i can do”, veel verder gaan dan zij ooit voor eigen aansprakelijkheid zouden durven gaan. Zij denken minder en zij voelen zich minder verbonden met de consequenties van hun daden en vinden het misschien zelfs jammer, dat er mensen gedood moeten worden, waar zij zelf immers niets tegen hebben. Maar zij zeggen: Wij behoren tot deze troep, wij moeten wel…

Vindt u het vreemd, wat ik hier zeg? Maar wat is uw wereld in deze tijd anders dan een grote reeks van dergelijke groepen? Wanneer daarbij uniformen te pas komen, dan kunt u uit eigen ervaring weten, wat voor gevolgen dat kan hebben. Of bent u de zwarte uniformen in de Nederlandse straten al vergeten? Toch waren degenen die ze droegen, in zeer vele gevallen gewone en zelfs prettige mensen… Maar de idee had hen te pakken, de hiërarchie, die doet denken: Niet ik ben verantwoordelijk. Ik krijg bevelen en heb die uit te voeren. Ik streef naar het beste voor allen, ik gehoorzaam alleen anderen, die beter weten dan ik, wat moet en wat goed is.

Dat was daarin het dodelijke element. Dat was de aanleiding tot bv. de gekke dingen, die een landwacht in Nederland heeft gedaan, zoals het de oorzaak was voor de onmenselijkheid van bepaalde Franse groepen en troepen na de bevrijding, ook al was hun enige uniform een wapen, een band om de arm en een baret. Nu bestaan er vele dergelijke groepen, die, wanneer het eropaan komt, even onverantwoordelijk reageren, omdat zij aannemen, dat de “leiders” het beter weten. Dit is de reden, dat de nieuwe leer zo vaag moet zijn en blijven, hij mag immers de mens niet ontroven, wat zijn grootste goed is: De persoonlijke verantwoordelijkheid in het leven, als mens erkend tegenover God en de wereld.

Juist daarom moet deze nieuwe leer de waarden zo vaag bepalen, want ’n ieder moet vrij zijn, zijn eigen weg te gaan. Er moet zorg voor gedragen worden, dat niemand ooit onmenselijk zal kunnen handelen en dan zeggen: Ik deed dit alleen, omdat het goed was volgens de leer. Daarom moet de binding met de naaste gelijktijdig zo concreet worden vastgelegd en in zijn uitwerking gelijktijdig zo vrijgelaten worden. Daarom ook moeten alle zeden, wetten, morele waarden en opvattingen eenvoudig vaag blijven. Want het is niet belangrijk, wat je nu precies doet of laat. Het is alleen belangrijk, dat je steeds handelt uit het innigste bewustzijn, dat je goed handelt en persoonlijk de aansprakelijkheid kunt dragen voor alles, wat het gevolg van je daden kan zijn. Jij moet zelf leven, je moet zelf geloven, je moet zelf streven. Dat is de basis.

Daarom verzet de nieuwe leer zich ergens tegen alle systeem. Niet, omdat alle systemen à priori verwerpelijk zou zijn, maar omdat de gevaren, die een systeem aankleven, in deze dagen zo groot geworden zijn, dat elke vorm van denken en geloven, die daaraan vaste  leefregels en een ontnemen van vrijheid en verantwoordelijkheid toevoegt, de mens wel eens zijn menselijk erfdeel van persoonlijk denken, leven en vrije wil zou kunnen ontnemen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Esoterie volgen Henri.

Ik zou bv. kunnen beginnen met definities van woorden en onderwerpen, die in het eerste deel van de bijeenkomst ter sprake zijn gekomen. Ik zou dan bv. kunnen zeggen: Een kerk is een gebouw, waarin de mensheid uiteenvalt in schuifellaars en teengangers.

  • Schuifellaars?

Schuifellaars zijn mensen, die rolschaatsen zonder rolschaatsen.

Maar ik zou toch liever nog wat op de achtergronden van het geheel in willen gaan. Wanneer ik verschil ga maken tussen systeem en persoonlijke weg, zal ik toch tenminste een idee moeten hebben van al, wat een persoonlijke weg alzo kan zijn. Nu kan ik natuurlijk proberen ook dit met een definitie af te doen. Dan zeg je: “Een persoonlijke weg is een wijze van leven, waarbij het ik eigen intuïties, gevoelens en erkenningen volledig tot uiting brengt en zich daarop ook geheel baseert t.a.v. een hiernamaals, evengoed als t.a.v. eigen wereld.”

Maar dan ben je nog niet veel verder. Daarom probeer ik het als volgt eens te zeggen: “Elke mens heeft in zich vele dromen. Ook wanneer je geestelijk werk doet, zul je in jezelf dromen kennen over alles, wat je misschien zou kunnen bereiken en al wat er dan zou kunnen gaan gebeuren. Maar wanneer het erop aankomt, merk je van al die dromen toch niet veel.”

De mensen zijn dan geneigd te gaan zeggen: God blijft in gebreke, de geest blijft in gebreke, het systeem blijft in gebreke. De grote moeilijkheid daarbij is wel, dat de mens nooit zich werkelijk bezig heeft gehouden met die God, die geest en zelfs niet precies beseft, wat het systeem in feite wel is. De mens poneert gewoon in deze waarden een gezag. Of dit daarin ook werkelijk berust of niet, en hoe, interesseert hem in wezen niet veel. Hij zal op grond van het gezag, dat hij in het andere erkent, voor zich eisen gaan stellen. Wanneer ik nu een persoonlijke weg wil gaan, kan ik toch niet beginnen met aan iets anders, dat ik nog niet eens geheel ken, al eisen te gaan stellen.

Je doet het meestal echter wel, want u weet, wat een mens is: een wezen, dat de dingen doet, omdat hij ze leuk vindt, of omdat hij niet anders kan, maar altijd eisen stelt aan alles buiten zich, of deze nu zin hebben of niet.

Ook hier geldt dit. Maar ik heb niets te eisen. Want ik heb alleen eisen te stellen aan datgene, wat voor mij de basis van mijn eigen leven is, en dat ben ik zelf. Wat ik met mijzelf doe, gaat mijzelf aan, niet anderen. Misschien denken die anderen wel, dat het ook hen aangaat, maar wat weten zij eigenlijk van mij? Niets. De anderen weten niet, waarom ik leef, hoe ik leef en hoe en waarom ik sterf. Zij weten niet, wat ik droom en evenmin, hoe ik persoonlijk de wereld en de werkelijkheid beleef. Hoe kunnen die anderen dan iets zeggen, hoe kunnen zij dan een betekenis bezitten, die ik hen niet eerst zelf heb gegeven? Ik moet dus wel beginnen bij mijzelf.

He grote vraag is dan weer: Wanneer ik die persoonlijke weg ga, wat moet ik dan doen? Het antwoord zal luiden: In de eerste plaats steeds uitgaan van alles, wat ik in mij als goed en juist ervaar. Ik heb nu eenmaal altijd een oordeel over de wereld, de waarden en mogelijkheden, die daarin bestaan. Aan die wereld kan ik niets of niet veel veranderen. Maar ik kan in ieder geval ervoor zorgen, dat ik beantwoord aan alles, wat ik zelf juist acht. Daarmee ben ik er natuurlijk nog niet, want dit is alleen maar het begin, de eerste stap. Als ik echter materieel steeds doe, wat ik juist acht, zal ik geneigd zijn innerlijk mijn denken steeds meer te bepalen tot wat ik juist acht.

Aangezien ik niemand ken, waarop ik mij buiten mijzelf kan beroepen, zal ik mijn gedachtewereld ook zelf gaan vormen.

De innerlijke weg begint altijd met de materie: Je begint met een soort opstandigheid tegen het leven, waardoor je van dat leven iets gaat maken. Dit kan geheel persoonlijk zijn en dus volgens de wereld buiten je geheel verkeerd, daar deze eist, dat je aan de normen zult blijven beantwoorden, met denken zowel als met daden. De mens herschept zo zijn uiterlijk bestaan, tot het aan zijn innerlijk wezen beantwoordt. En dit is voor het ik goed en juist, wat de wereld daarover dan ook verder heeft te zeggen. Heeft men dit gedaan, dan heeft men alleen maar een basis gelegd, want de ervaringen zijn nu niet meer belevingen, die door anderen worden opgelegd of voorgespiegeld, maar deel van het ik.

Men heeft dus een geheel eigen kijk op de wereld gekregen, die men zal uitdrukken in de gedachten. Het erkennen van de wereld is voor de mens immers: Denken. Doordat de gedachten zo een geheel eigen ontwikkeling ondergaan, schept men voor zich als het ware een soort kapstok, want aan de innerlijke waarheid kan men dan alles, wat in de wereld, buiten het ik bestaat ophangen, zonder dat het ik zelf aan het andere onderworpen wordt. Men kan zich dus rustig bezighouden met bv. een godsdienst. Deze is nu niet opeens iets verwerpelijks of onbelangrijks geworden, maar vormt nu voor het ik een aanvulling van de eigen persoonlijkheid en is niet een invloed, die deze persoonlijkheid vormt of bepaalt tegen eigen ervaren in.

Leeft men op deze wijze, zo zal men uitgesproken denkbeelden koesteren over alles, wat voor het ik in het leven de moeite waard is en wat niet. Hierbij denk ik ook aan bv. God, een engel of iets dergelijks, niet alleen aan materiële waarden. De namen, die ik aan de dingen geef, tellen nu niet meer. Het gaat alleen om de waarden, die het ik erkent. Elke erkende waarde zal voor het ik een geheel eigen beleving zijn, die echter ook een harmonisch contact met het andere vormt. Door het persoonlijk beleven ontstaat een persoonlijke reactie op alle mogelijkheden en feiten. Deze reactie zal zich vaak uitstrekken op feiten en mogelijkheden, of waarden, die buiten de normale grenzen van eigen waarneming gelegen zijn. De reactie van het ik hou nu een nieuwe vorm van verbondenheid met het Zijn in. Wat betekent, dat de krachten en mogelijkheden van het ik niet meer bepaald kunnen worden aan de hand van de omgeving en zelfs los komen te staan van de denkbeelden, die men oorspronkelijk voor zichzelf koesterde. Voor het ik word het geheel van innerlijk vermogen, bekwaamheid, de weerspiegeling van een contact tussen het ik en de waarden, waarmee tijdelijke harmonie bestaat, zelfs als die harmonie er een met de Allerhoogste is.

Wij kunnen nu gaan zeggen: De individuele bewustwording is het samenvloeien van de innerlijke erkenning, de intuïtief aangevoelde waarden en het totaal van de vermogens, die noodzakelijk schijnen. Hieruit vloeit een kracht voort, waardoor men eigen innerlijk wezen ook in eigen wereld waar kan maken.

Denk nu niet, dat dit een grapje is: Je maakt jezelf waar, omdat je energie kunt putten uit bronnen, die normalerwijze voor de mens gesloten blijven. Ik weet niet, of u wel eens iemand heeft gezien, die per ongeluk last heeft gekregen met een wespennest of met horzels? Wel, zo iemand presteert, zelfs op de lange afstand, snelheden, die de moderne sportmensen met grote bewondering en zelfs soms met enige afgunst gade zouden slaan. Toch denkt zo iemand normaal dat hij niet in staat is tot dergelijke prestatie. Toch blijkt hij ze te kunnen verrichten, wanneer zijn aandacht niet op eigen vermogen, maar op een bestaande noodzaak geconcentreerd blijft.

Wanneer wij onszelf zijn en gelijktijdig een harmonie met het hogere aanboren, zal de aandacht niet op eigen kunnen, maar op een noodzakelijk bereiken gericht worden. Hierdoor zal men meer bereiken, meer tot stand kunnen brengen, meer kunnen betekenen en zijn, dan normaal lijkt.

Hier begint het interessantste van dit alles: naarmate mijn leven meer gebaseerd is op mijn innerlijke erkenningen en ervaring en terwijl ik dit alles in de wereld tot uitdrukking breng zo goed ik dit kan, zal ik beschikken over grote kracht reserves en ook op punten, die voor mijn ego normalerwijze kritiek zouden zijn, grotere prestaties kunnen leveren, sneller kunnen reageren en zelfs sneller kunnen denken. De overprestatie wordt dan voor de mens een normaal verschijnsel, dat bewust kan worden ingeschakeld op elk ogenblik, dat het ik daaraan behoefte voelt.

Dit brengt ons verder: Nu heb je tenminste iets, waaraan je houvast hebt en bovendien vormt dit een aardige toetssteen; je leeft goed, denkt goed, streeft goed, wanneer je daardoor meer kunt volbrengen dan tot nu toe voor jou normaal zou zijn en wel voornamelijk op de ogenblikken, dat hiertoe een werkelijke noodzaak bestaat. Kenmerkend is hierbij het zonder meer aanvaarden van een voor de mens normaal onbekend gebied. Er is geen sprake meer van naamgevingen, bepaling van menselijke sentimenten of zelfs maar het verdelen van het menselijke ik in een theoretisch in zovele sferen bestaand ik met zovele verschillende voertuigen. Men definieert en onderzoekt deze dingen niet meer, maar beseft wel, dat er iets meer bestaat dan de norm.

Wanneer men de noodzaak in zich voelt, komt het geheel zonder meer in actie en ontstaan geen verklaringen, maar feiten.

Om het eens anders te zeggen: De zelfverwerkelijking is in wezen een magisch principe. Als ik dit alles nog eens moet formuleren, kies ik de volgende vorm: “Wanneer ik vanuit mijzelf en volgens mijn erkennen van mijzelf juist handel, wek ik in mijzelf zovele krachten en mogelijkheden op, dat ik het schijnbaar onmogelijke voor mijzelf mogelijk maak. Ik zal hierbij krachten kunnen activeren, die op mijn wereld niet algemeen gebruikelijk zijn en zelfs niet algemeen als bestaand erkend zullen worden.

Ik zal mijn invloed overal kunnen doen gelden, waar voor mij een gevaar bestaat, dan wel een harmonie met mijn wezen aanwezig is. Wat weer een stap is: Wanneer je zegt, dat je wilt studeren om magnetiseren te leren, zal het resultaat ten hoogste een vorm  van pseudo-magnetisch zelfbedrog zijn. Word je echter gedreven door de behoefte tot helpen en denk je niet eens na over de vraag, of je iets kunt of niet, maar alleen reageert volgens de erkende noodzaken, dan kun je veel.

Dat klinkt misschien vreemd. Maar hoe vaak komt zoiets ook in het dagelijkse leven niet voor. Neem nu eens die werkstudent, die om te verdienen, voor taxichauffeur speelde. Hij had er nooit op gerekend, dat er een dame in die taxi zou gaan bevallen, terwijl hij aan het stuur zat. Hij trad op als een – zeker niet slechte – accoucheur. Hij kon dit alles, omdat hij er niet over nadacht, wat hij wel of niet kon, maar zich liet leiden door alles wat op dat ogenblik noodzakelijk was. Waarom zou zoiets in het gewone leven nu wel mogelijk zijn onder de drang van de omstandigheden en zouden wij hetzelfde niet op meer bewuste wijze voor onszelf mogelijk kunnen maken? Ik zal dus met het formuleren nog even voortgaan.

Op het ogenblik, dat ik een eigen waarheid ken en ernaar leef, zal ik haar ook aan anderen duidelijk kunnen maken. Ik kan natuurlijk nooit bereiken, dat een ander het zonder meer dan ook met mij eens zal zijn. Maar dat is weer iets anders. Wat ik in mijzelf erken, beleef en waarmaak, zal voor de ander tenminste in waarheid kenbaar zijn. De mens is zo geen levende leugen meer.

Wie een werkelijke eenheid in zich kent en geen leugen meer is door hetgeen hij voorgeeft te zijn, zal ook een harmonisch wezen zijn. Hij zal veel minder energie verspillen en minder tweestrijd kennen.

Een in zich harmonisch wezen zal het overbodige altijd vermijden en daarom al het noodzakelijke ook kunnen volbrengen. Een dergelijk wezen zal steeds een beroep doen op alle mogelijkheden die in het ego schuilen, zonder zich er druk om te maken, hoe en waar vandaan nu de nodige kennis of krachten komen. U kunt zich niet voorstellen, dat iemand, die in de Sahara op verdorsten staat, aan iemand, die hem water komt brengen, eerst zal vragen: “Waar komt het vandaan en is het wel gefluorideerd, want anders moet ik het niet.” Maar wanneer in een mens een opwelling, een intuïtie ontstaat, waardoor ernstige noden in eigen leven of het leven van anderen opgeheven kunnen worden, zal men daarvan geen gebruik durven maken en zich afvragen: “Hoe kan ik nu weten, of dit van God komt of van de duivel?” Als je verdorie bijna dood bent van de dorst en iemand geeft u water, dan drink je. Later kun je er dan desnoods nog eens over gaan praten of het water nu wel goed of eigenlijk bijna giftig was. Eerst moet je leven. Ik meen, dat dit geestelijk precies zo dient te liggen. Want het geestelijk leven is zelfs nog belangrijker dan het stoffelijke bestaan.

De mens, die met zijn innerlijke krachten werkt zonder voorbehoud of beperkingen, zal in harmonie zijn met het Al, daar de wetten hiervan zijn mogelijkheid tot leven en bestaan bepalen. Hij zal dan aan deze krachten vermogens ontlenen en alle daarin bestaande krachten en waarden ook door zich tot uiting kunnen brengen, zover zijn wezen harmonisch is met deze krachten, kennis mogelijkheden enzovoort. De intuïtie wordt nu tot iets heel anders dan alleen maar een impuls, zij wordt de sleutel tot het leven vanuit de kosmische kracht. Mijn voorganger kan spreken over de persoonlijke bewustwording, het zelfstandig leven naar waarheid als de  noodzakelijke tegenhanger van de organisatie en het systeem, maar de persoonlijke bewustwording is ¾ intuïtie! En wat is dan intuïtie eigenlijk? Intuïtie is het volgen van je wezen in zijn geheel, zonder dat je daarvoor onmiddellijk en bewust verklaringen en uitleg van samenhangen kunt geven.

Het is niet noodzakelijk dat een mens zichzelf precies kan ontleden en verklaren, het is alleen maar nodig, dat deze mens zichzelf kent. Men hoeft zichzelf niet te omschrijven, men moet zichzelf in waarheid erkennen. Wie zichzelf naar waarheid erkent en eigen wezen naar buiten toe ook waarmaakt, bereikt het belangrijke punt, waarop je zegt: Ik openbaar door mijzelf de krachten van God op aarde. Een geloofspunt in deze vorm, maar andere omschrijvingen zijn evenzeer mogelijk.

Degene die leeft volgens de innerlijke waarheid van zijn wezen en het besef van het hogere in zich draagt, is hierdoor priester(es), al bestaat er niemand, die je de wijding kan geven en is er geen enkel seminarium, waarop men u de noodzakelijke kennis kan bijbrengen, buiten het eigen ik dan. Priesterschap in deze zin omvat het vermogen de in het ik berustende goddelijke krachten over te dragen aan anderen. Degene, die in zich van zich bewust is en zich waarmaakt, zal eenieder, die voor en door zich de goddelijke krachten nog niet kan oproepen, ervaren en gebruiken, deze kracht kunnen geven, zolang er tussen priester en de ander een harmonie bestaat.

De werking is niet alleen maar een scheppen van het eigen ware ik en desnoods een herscheppen van het goddelijke ego, zoals dit in de goddelijke werkelijkheid bestaat, maar ook een deelnemen aan de creatieve werking van de goddelijke wil, waardoor men deze voor alle wezens die nog aan tijd gebonden zijn en in de schepping bewustzijn bezitten, de werkelijke scheppende wil van God kenbaar kan maken. Indien je tegenover deze mogelijkheden de mogelijkheden van systeem en organisatie stelt, zul je toe moeten geven, dat dit laatste maar een armelijke zaak is, al is het lastiger zelf iets te bereiken en te beleven dan je te baseren op iets, wat anderen zeggen gevonden, ervaren e.d. te hebben. Bovendien zullen velen niet de mogelijkheid en middelen hebben, om de goede waarden van het systeem, de organisatie, voor zich waar te maken, terwijl eenieder voor zich de goede gevolgen van de innerlijke ontwikkeling en weg, waar kan maken.

Laat ons daarom van het volgende uitgaan: Wij kunnen nooit de grote waarheden en wijsheden van anderen werkelijk verwerken, en hebben eenvoudig de middelen niet om de werkelijke inhoud en het werkelijke wezen van bv. een Jezus te begrijpen. Wat in onszelf echter als waarheid bestaat en ervaren wordt, kunnen wij altijd gebruiken. Het zal ons een verwerken van de wijsheden van anderen op een voor ons bruikbare wijze helpen en voorkomt, dat wij vastlopen in de wijsheden van anderen, waarmee wij geen raad meer weten.

Bovendien: De waarden van anderen kun je voor jezelf niet blijvend handhaven, je zult zo nu en dan eens “eruit” moeten trekken. Maar alles, wat van jezelf is, is een werkelijk deel van je leven en als zodanig steeds aanwezig, steeds geldend en nimmer de oorzaak tot strijdigheden in het eigen ik.

Nog wat goede raad:

“Wat ook de uitslag van de stemming is, laat het uw goede stemming niet bederven.”

“Heb je een kater, eet een haring, en ben je neerslachtig, zoek een prikkel tot daden.”

“Laat nooit een ander voor je denken. Als anderen voor je denken, ben jij het, die de rekening moet betalen…”

Print Friendly, PDF & Email