Taoïstische magie.

Taoïstische magie.

De wetten van Tao zijn eigenlijk levenswetten, het is een filosofie. Gelijktijdig is de basis daarvan toch wel de indeling, de vaste waarde van alle zaken t.a.v. elkaar. Het is duidelijk dat een dergelijke visie invloed zal hebben op de manier waarop men magisch te werk gaat. Dat is zo bij het christendom. Alle magie in de streken waar het christendom overheerst, worden mede bepaald door christelijke begrippen.

Als u de hedendaagse magie bekijkt, dan ziet u dat er allerlei namen in voorkomen zoals Messias, Jezus Christus, namen van engelen die gewoon uit het christendom zijn overgenomen. Het zal u duidelijk zijn dat het begrip van die indeling en de vaste verhouding dus ook in de taoïstische magie volgens de daar geldende filosofie plaatsvond.

Nu geloof ik dat alles ergens zijn brandpunt heeft. Misschien denkt u aan yang en yin waar een van beiden de aarde is en niet alleen het mannelijke en het vrouwelijke principe zoals men wel denkt. Het geheel moet altijd uiteenvallen in brandpunten die tegenover elkaar staan. In de taoïstische magie was dit de rode of hemeldraak en de zwarte, ook wel de aarde- of hellendraak genoemd.

Het ontmoeten van de Draak is eigenlijk het summa summarum van het magisch werken. Het is tevens deel van inwijdingsprocedures die de magiërs in China ook hebben gekend. In de tijd van de Tsjoe-dynastie en de Han-dynastie was het gebruikelijk dat men naar een magiër ging, naar zijn buitenhuis. Daar ging men dan via verschillende riten in een soort trance en daarna trad men de zwarte Draak in de vurige holen tegemoet. Hier ging het om het hanteren van o.a. twee wapens die wij overal elders in de magie aantreffen, n.l. de dolk en het zwaard. Het zwaard is de verdediger. De dolk is de aanval.

Als je tegenover de zwarte Draak staat (1e fase), dan kun je met het zwaard voorkomen dat hij je aanvalt. Door hem te dreigen met de dolk kun je gedaan krijgen dat hij je voortaan met rust zal laten. Dat is iets heel belangrijks. Een magiër, die ten goede wil werken, zal nooit met de duistere machten een verbond mogen aangaan. Dat is ook begrijpelijk want dan is het negatief en dominant in alles wat hij doet. Daarom moet hij zich eerst beveiligen tegen de ingreep van het duister voordat hij naar het licht kan gaan.

De tweede fase van de inwijding was dan de ontmoeting met de rode Draak. Rood is, zoals u weet, de kleur van vreugde of geluk. De rode Draak wordt in sommige sekten ook de gouden Draak genoemd. Hij is de beschermer van verbondenheid. Hij is het die zorgt voor het hemelse Paleis (er is ook een verboden stad, zoals men in die dagen dacht) en de tuinen daarvan regeert en de winden (de windrichtingen zijn ook weer godenfiguren) a.h.w. ten opzichte van elkaar verdeeld houdt op de juiste wijze. Wie opstijgt, gaat door tuinen.

In die tuinen mag hij niet blijven stilstaan. Hij stijgt en hij ziet de schoonheid van de hemelwerelden maar hij moet verder gaan totdat hij, zoals het in een der geschriften daarover stond, de bronnen van de Gele Rivier en het hemels Paleis kan aanschouwen. Daarna zal hij vrijuit gaan in de richting van het noorden en daar zal de rode Draak hem tegemoet komen.

Hij zal zich tegen deze Draak moeten verdedigen met het zwaard, maar hij mag de dolk niet gebruiken. Hij zal daardoor de rode Draak ertoe brengen, stil te staan en te vragen wat de sterveling wil. Hij kan dan vragen om de bescherming van één van de hemelgoden. Één daarvan is een zekere Sjoei die, naar men zegt, ook als een soort meteoor door de hemelruimte heen zweeft. Hij werd heel vaak aangeroepen omdat hij krachten kon geven en daarnaast stoffelijk in verschijning trad.

Wanneer de rode Draak goedgunstig beschikte, kreeg je een symbool. Van dat symbool zul je later een ring laten maken. Het symbool was een steen met daarin het teken gegraveerd. Dat moest je bij je dragen want het was jouw teken van macht. Daarmee is dan reeds verklaard hoe het eigenlijk in elkaar zat.

De ontmoeting met de centrale krachten van goed en kwaad, die elke magiër moet doorstaan, brengen hem ertoe een keuze te doen. De goede keuze is die van de rode of gouden Draak. Het teken daarvan is een machtsteken. Het is een soort zegel van Salomo. Hiermee kun je natuurgeesten beheersen en je kunt de draken, die in mensengedaante vaak op aarde rondwandelen, eveneens ertoe dwingen om je te aanvaarden en eventueel zelfs in hun schatten te laten delen.

Van een van die draken wordt zelfs verteld dat hij drie dochters had. Hij ontmoette een magiër die heel veel goeds had kunnen doen, maar deze wilde graag de schatten van de Draak en wel in het bijzonder de drie dochters. Het gevolg was dat de Draak zo nijdig werd dat hij, toen het huwelijk was voltrokken, in een rivier ging liggen waardoor het hele huis werd overstroomd. De magiër verdronk en de drie dochters gingen naar papa terug. Het verhaal vertelt niet hoe.

De situatie van een magiër is er een waarin hij de krachten van de natuur moet beheersen. Dit is zijn eerste noodzaak. Daarom moet hij de bron van die krachten natuurlijk kennen. Zijn zegel stelt hem in staat om inderdaad de hogere kracht tegen de lagere en soms kwaadaardige krachten te stellen. Alles beweegt zich in een vast patroon. Dit patroon moet je leren kennen.

Er zijn in het taoïsme magische patronen bij die liefst 422 punten bevatten. Elk van die punten representeert een bepaalde werking en een bepaalde macht. De goede magiër zal nooit het evenwicht van krachten verstoren. Hij zal het alleen herstellen waar het voor een bepaalde mens verstoord is. Hij zal dus nooit iemand helpen om boven zijn stand te gaan leven of een hoge positie te bereiken. Hij zal zo iemand alleen helpen zich te handhaven op die plaats waar hij eigenlijk thuishoort.

Er zijn ook ziekten waaraan je weinig kunt doen. De mensen kunnen door demonen achtervolgd worden. Dan ga je hen beschermen. Bij die bescherming zien we weer de impedimenta die je overal aantreft, zoals reukwerk, geluid (in dit geval meestal bekkens en trom) en de bezwering, de incantatie.

Een geest, die wordt bezworen, wordt gebonden met het zegel van de rode Draak en dan a.h.w. gedoemd om zo en zo lang (er moet altijd een vaste tijd worden genoemd) te vertoeven in een bepaald, ook met name genoemd en omschreven) gebied. Zolang nu maar de zieke of bezetene wegblijft uit die buurt, kan hem niets gebeuren. Woont hij wel in die buurt of is de tijd, die de magiër heeft genoemd, te kort, dan brengt hij een ‘geestenpoort’ aan. Geesten kunnen alleen rechtuit gaan en niet een hoek om. Vandaar de tussenmuur, die we ook bij menige tuin vinden en ook bij menig huis. Daar is een poort. Achter die poort staat weer een muur, zodat iemand die binnengaat wel de poort kan doorgaan, maar dan een hoek moet omslaan om verder te gaan. Op die manier heeft men al heel veel zekerheid gekregen.

Maar er is meer nodig. Er zijn mensen die beschermd moeten worden. Nu kun je bescherming tot stand brengen door zowel een z.g. demon of boze geest of een spook te binden als om een goede geest om bescherming te vragen. En aangezien de magiërs in China (ook de taoïsten) toch meer geloofden in gezag dan in het resultaat van welwillende smeekbeden, werd over het algemeen ook een demon weer bezworen. Daarvoor golden o.a. deze regels: in de eerste plaats de demon moet worden opgeroepen en men moet hem dreigen met verbanning. In de tweede plaats moet men hem een loon aanbieden. Dit kan bestaan uit symbolen, geld, meubels e.d., al dan niet echt. Het kan ook bestaan uit een bloedoffer. Het kan ook nog bestaan, en dat schijnt voor sommige demonen heel erg kostbaar te zijn, uit een klein stukje grond. In deze grond kunnen ze dan rusten. Zolang die grond onberoerd blijft, zijn ze vrij van elke oproep en elke kwelling. De beloning wordt verbonden aan de vervulling van enkele voorwaarden.

En nu het wonderlijke: in de meeste vormen van magie wordt de opdracht zonder meer gegeven. Dat wil zeggen, de vervulling ervan is dus een automatisme, daarna verdwijnt de geest weer.

In de taoïstische magie is dat niet zo. Want op het ogenblik dat de bezwering resultaat heeft gehad, is de magiër gehouden om diezelfde demon op precies dezelfde wijze als hij dat eerst heeft gedaan, zo mogelijk ook bij dezelfde sterrenstand, op te roepen. Indien de oproep met resultaat is beloond, zo zal hij de beloning officieel schenken en gelijktijdig de geest de vrijheid geven om zich daarmee bezig te houden.

Is het een bloedoffer, dan moet dat bloedoffer dus worden gebracht. Is het een stukje grond, dan moet die grond worden voorzien van een schildje, een spaander waarop tekens staan waaruit blijkt dat hij aan de demon is gewijd. Pas nadat dit is geschied, kan de demon of de boze geest weer vertrekken. Voor die tijd, zo gelooft men, zal hij een beetje kregelig worden als hij geen beloning krijgt en zal geneigd zijn om alles weer ongedaan te gaan maken. Hij heeft namelijk de macht gekregen om een bepaalde dienst te verrichten, maar dan heeft hij daarmee ook de macht om het tegenovergestelde te doen. Is hij aan een bepaalde persoon gebonden, dan kan hij hem heil brengen, maar gelijktijdig ook vernietigen.

Die hele magische opzet is zover gegaan dat ze langzaam maar zeker, zelfs op de z.g. bonden of broederschappen (de T’ongs) van invloed waren. Vaak waren dit oorspronkelijk vakbonden; een bond van bedelaars, van porseleinhandelaren, van smeden enz. Maar om nu de zaak bindend te maken, werd er een soort bezweringsceremonie gehouden. Je kon pas tot de T’ong toetreden indien je beantwoordde aan de bezweringsvoorwaarden.

Bij de bezwering werd meestal wat bloed genomen of op een andere wijze iets van de persoonlijkheid gebruikt om een zegel te vervaardigen. Degene die het offer brengt, verklaart, tijdens of voordat het wordt gebracht, dat hij zich daarmee aan alle regels van de gemeenschap zal onderwerpen.

Nu klinkt dat eigenaardig als ik dat zo te berde breng. Maar realiseert u zich wel dat de grote opstanden eigenlijk tot stand zijn gekomen vanuit dergelijke broederschappen? Dat de macht in het oude China voor een groot gedeelte eigenlijk is voortgekomen wederom uit dergelijke broederschappen en dat zelfs in deze tijd de z.g. Chinese gangsters, want zo heten ze dan, verbonden plegen te zijn met soortgelijke gemeenschappen? 0, het magische aspect is misschien wat minder belangrijk geworden, maar op de achtergrond speelt het mee, zo goed als bij de Mafiosi de christelijke religie op de achtergrond ook een grote rol speelt, b.v. heel sterk de Mariaverering.

Wat ik u probeer te vertellen, is dat in de taoïstische magie de binding van mens met mens en van mensen met geest of geesten een voorname rol speelt. Natuurlijk dacht men aan allerlei vrij lopende geesten, demonen en spoken die allerhande dingen deden. Het is b.v. bekend dat er in de buurt van Peking een ruïne was die ’s nachts bevolkt zou zijn door een aantal spoken. Die spoken deden zich dan voor als bijzonder mooie en gulle vrouwen. Maar wie daar in trapte, kon dat met zijn leven bekopen. Je kon het ook wel bemerken want als je keek naar de voetafdruk van de dames, dan zag je dat de voet achterstevoren stond, de tenen wezen altijd in de richting van waaruit ze kwamen. Dat is ook te begrijpen want de weg van een geest in het duister is altijd tegengesteld aan zijn werkelijke wil.

“Een geest die in het duister vertoeft”, zo zegt het taoïsme, “wil wel het goede, maar als hij zich beweegt om het goede te doen, dan brengt hij het kwade voort. Wie daarentegen het kwade wil, zal het goede tot stand brengen”. En dan zeggen ze erbij: “Dit is dus de doem, het oordeel over eenieder die in het duister leeft.”

De situatie van dergelijke geesten is op zichzelf heel erg prettig. Ze hebben soms zelfs vampierachtige eigenschappen. Maar de magiër heeft daar alweer een middel tegen. Een dergelijke geest behoort tot de nacht, dus tot het duister. Dat wil zeggen dat hij bang is voor alles wat de zon, het licht van de zon of het goud en rood van de hemeldraak weergeeft. Je maakt dus een amulet waar dat symbool van licht op staat en dan blijven de geesten van je af. Of als je ze werkelijk wilt uitbannen, dat kan ook gebeuren, dan zul je alle krachten van het licht aanroe­pen.

Je zult die gedurende de dag vangen. Je zult ze instralen in reuk­werken en ze daarnaast binden aan een of meer wapens. Dan ga je ’s nachts naar een bepaalde plaats toe en je brengt daar het licht van de zon en je brandt reukwerk. Daardoor zit de kracht van het licht of van de zon in alles wat bij die plaats hoort. Het is duidelijk dat iemand, die van het donker houdt, zich daar dan niet meer kan vertonen, dus gaat hij wel ergens anders naartoe. Dit is een heel typisch Chinese opvatting. De hele filosofie van de Chinees is trouwens ook anders geweest dan hier in het Westen denkbaar is. Dat een bandiet een eerbaar mens is, nu ja, er zijn tegenwoordig wel kringen die dat proberen waar te maken, maar het Westen gelooft daar niet erg aan. In China was dat zo. Want wie werd bandiet? Degene die uit zijn vaste plaats in de gemeenschap werd verdreven, om welke reden dan ook. Door bandiet te worden, vergaarde hij de middelen waardoor hij zijn gerechtigde plaats weer kon innemen. Dat was iets wat ­helemaal in overeenstemming was met de wetten van de Tao. De misdadiger was ook geen misdadiger omwille van de misdaad. Integendeel, zijn misdaad was voortdurend gericht op het herstellen van een goede, een aanvaardbare en evenwichtige situatie. Als iemand dat niet deed, dan moest hij geen gewone misdadiger zijn maar was hij bezeten. Hij moest dan vervolgd worden.

U heeft misschien wel eens gehoord over papieren tijgers, een term die vaak wordt gebruikt, ook tegenwoordig nog. Waar komt die vandaan? In de magie geldt namelijk dit: het beeld is gelijk aan de werkelijkheid. Als je dus op een demon ging jagen, dan nam je papieren schilden mee waarop tijgers stonden afgebeeld. Door die nu neer te zetten werd de geest (het spook) bedreigd door echte tijgers. Hij moest zich verdedigen of weglopen. De enige fout die je kon maken, was dat je met zo’n papieren tijger achter een rover aan ging die helemaal niet bezeten was. Die zei dan: ben je nu helemaal gek! Hij nam dan een zwaard of een vechtstok (daar waren ze ook nogal knap mee) en ranselde de hele zaak in elkaar. Al die verhalen zouden weinig zin hebben, als we daar ook niet een paar eenvoudige regels uit zouden kunnen puren. Ik zeg niet dat het regels zijn die voor iedereen en overal gelden maar ze komen direct voort uit het taoïstisch denken (onthoudt u dit) en ze zijn gebaseerd op een werkelijkheid die geestelijk ook wel aanwezig is.

  1. In de werkelijke kosmos bestaat een voortdurend evenwicht. Dit evenwicht bepaalt uw plaats, uw taak, uw mogelijkheden. Elke ver­storing daarvan moet worden tegengegaan. In gewone termen gezegd: besef wie je bent of wat je bent en probeer dat zo goed mogelijk te zijn. Probeer niet anders te zijn dan je bent want daarmee breng je alleen maar meer onevenwichtigheden tot aanzijn.
  2. Niemand kan de krachten van het witte licht beheersen en daar mee werken, indien hij niet in staat is de krachten van het duister te weerstaan.
  3. Elk teken waarin het licht zichzelf weergeeft, kan in de plaats worden gesteld van het licht. Een symbool kan dus in de plaats treden van de werkelijkheid maar dan moet worden beseft wat de werkelijkheid is die achter het symbool schuilgaat. Dit besef brengt dan zelfs de hoogste waarden onmiddellijk werkzaam in het spel, als je je moet verdedigen tegen duistere krachten.

Magie kan op velerlei manieren worden bedreven. Want eenieder bouwt een magisch denken en werken op vanuit zijn eigen filosofie, vanuit zijn eigen begrip. Deze begrippen zijn de weg om tot die magie te komen, niet de magie zelf. De werkelijkheid van de magie is voelen, beseffen en uitstralen. Elke kracht in de natuur en in de kosmos zal op die drie waarden reageren, niet op incantaties, niet op reukwerken of op welke middelen u dan ook zou willen gebruiken.

Elke mens heeft zijn eigen uitstraling. Die uitstraling is zo sterk dat in alles wat tot die mens behoort, ze aanwezig is. Als wij naar een bepaalde mens een kracht willen richten, zal dit veel beter gaan, indien wij dit kunnen doen op basis van zijn eigen uitstraling. Hierom en om geen enkele andere reden wordt bij het vervaardigen van magische zegels en andere magische middelen in het Verre Oosten vaak gebruik gemaakt van b.v. haren van een persoon, het afsnijdsel van de nagels, een draad van het kleed dat men regelmatig draagt enz. Ook voor u kan het belangrijk zijn. Wanneer u op afstand wilt inwerken op iemand, dan kunt u dit het beste doen als u iets heeft, al is het maar een stukje papier dat de ander enige tijd in zijn bezit heeft gehad, zodat u zich kunt oriënteren op de uitstraling van de persoon die u wilt benaderen.

Dat dit in het taoïsme een grote rol heeft gespeeld, is wel duidelijk. Indirect heeft het taoïsme ook de praktijken van natuurvereerders (de magiërs van Tibet b.v.) beïnvloed en zelfs het magisch denken van de Lama’s, de boeddhistische geestelijkheid, zoals die zich vooral in Tibet heeft beziggehouden met alle vormen van magie: van de dodenbezwering af tot het richten van lichtende krachten en het aanroepen van beschermende geesten.

U heeft enkele beginselen gehoord. Deze zijn belangrijk. Procedures zijn altijd van minder belang dan de innerlijke waarden waaruit het werkelijk magisch gebeuren ontstaat. Alles is gebaseerd op evenwicht, op een harmonisch principe. Daar waar u dit harmonisch principe verstoort, moet u bereid zijn om die harmonie op een andere wijze te herstellen. Daardoor zal veel van uw werken een tweeledigheid vergen. Bijvoorbeeld: genezende krachten uitzenden maar gelijktijdig ook het tekort aan kracht zelf in kosmische zin aanvaarden en ten aanzien van de kosmos de keuze te maken of die onevenwichtigheid bij u zal blijven bestaan, dan wel zal worden verdeeld op een andere wijze in het geheel.

U heeft een eigen plaats. Dat wil zeggen, u heeft een eigen persoonlijkheid, u heeft een eigen mogelijkheid tot functioneren, u heeft uw eigen geestelijke en kosmische verbindingen. Hierop zal alles wat u voortbrengt, moeten zijn gebaseerd. U kunt niet iets doen zoals een ander het doet omdat u niet gelijk bent aan die ander. Een beroep doen op wat je bent, is de enige methode waarmee je kunt werken, wil je magisch werkelijk resultaten behalen. En dat is nu één van de basisregels van de taoïstische magie waarover ik u een paar kleine dingen heb verteld.