Tegenover de schepping hebben wij verplichtingen van de eeuwigheid

image_pdf

20 december 1955

Wij hebben nu een paar keer zware eisen gesteld aan u. Ik wil u nu eerst de gelegenheid geven u al vragende te realiseren, of u nu bestaat, of dat dat ook waan is. Ik zou u dus willen verzoeken om allereerst datgene, wat u niet heeft begrepen in de vorige lezingen, naar voren te brengen.

  • Er staat hier: In werkelijkheid gaat onze verplichting heel wat verder tegenover de schepping en heel wat minder ver tegenover onze medemens, maar onze medemensen behoren toch ook tot de schepping?

Deze zijn slechts een deel van de schepping. Waar zij deel zijn van de Schepping, moeten wij ons dus eerder richten op het geheel dan op het individu. Want tegenover de Schepping hebben wij verplichtingen van de eeuwigheid. Omdat wij als wezen eeuwig – dit is zolang zij bestaat, dit kan beperkt zijn – deel zullen blijven van de Schepping. Mens echter zijn wij maar voor een korte tijd, zodat onze periode van menszijn in het geheel onbelangrijk is en wij te allen tijde eerst onze verplichtingen tegenover de eeuwigheid en de Schepping na moeten komen en daarna pas tegenover onze medemensen. Ik geloof, dat dit nu duidelijk is.

  • Ja, dan stelt u dus Schepping tegenover de mensheid en vormt het niet een geheel?

U ziet dat fout, u heeft niet goed geluisterd. Ik heb u gezegd, dat het mens-zijn slechts een korte fase is van de eeuwigheid voor ons. Ik stel deze waarden dus niet tegenover elkaar, maar stel vast, dat de mensheid, die zo groot en belangrijk lijkt in uw ogen, in de schepping slechts een klein onbetekenend deeltje is, misschien een enkel glinsterend puntje in het weefsel van de oneindigheid. Zodat wij eerst tegenover het geheel van de Schepping en alles wat daarin bestaat, als eeuwigheidswaarde moeten handelen, daarna pas tegenover de – tijdelijke – medemens. Dit is eigenlijk een manier om te zeggen, dat wij eerst onze plichten tegenover God en dan pas tegenover de mensen moeten volbrengen. Maar zeg ik: tegenover God, dan wordt dit een persoonlijke relatie en – zo u weet – is dat iets, wat wij hier trachten te vermijden. Maar zo kunt u dan toch misschien begrijpen, hoe het in elkaar zit.

  • Maar de mens ziet de ster als een lichtpuntje en de zon als een licht, die alleen voor hem bestaan, denkt er eenvoudig niet aan, dat ook zij hun wegen gaan en naar bewustzijn streven. Wilt u dat laatste eens verder toedichten?

Denkt u, dat er een wezen met levensvoortgang en functie kan bestaan binnen de Schepping, zonder dat het bezield is? (Neen). Is het dan niet logisch aan te nemen, dat grote lichamen als de sterren en de zon persoonlijkheden zijn? Aangenomen, dat het persoonlijkheden zijn, zullen zij zeker evenzeer als wij verlangen naar een persoonlijk en volmaakt bewustzijn van de ware kracht van het leven en hieruit het doel van het leven en de Schepper zelf te leren kennen? Zij zoeken dus op dezelfde wijze, als wij naar bewustwording vanuit hun wereld.

De mens echter begrijpt dit niet. Hij kan zich haast niet voorstellen dat er een aardgeest is, die iets anders is dan een aardmannetje. Toch is er een geest van de aarde. Een denkend vermogen, dat alleen veel langzamer leeft dan de mens. Wat voor de mens een dag is, is voor de aarde misschien een miljoen jaren. Het feit, dat de mens deze dingen niet inziet, is al te bewijzen door die simpele of dichterlijke zielen, die spreken over Gods lieve zon. “Waar Gods lieve zon weer voor ons schijnt”. Schijnt die zon wel voor u? Schijnt zij niet eerder, omdat ook zij leven moet? Dat probleem zat daarin besloten.

  • Hier staat: Wij trachten niet de organische functie te herkennen, die wij in de schepping hebben. Dit “organische functie” zegt mij niets. Hebben allen dezelfde functie, of bestaan er individuele verschillen?

Denkt u, dat elke cel bv. in het hart dezelfde functie heeft? (Neen). Dan zouden wij ook kunnen zeggen, dat alle functie en doel van alle mensen ook enigszins verschillend zijn.

Maar de term “organisch” wordt hier gebruikt om aan te geven, dat er een levend verband bestaat, waarbij andere wezens en delen van de schepping afhankelijk zijn van het leven van de mens, zoals leven en bewustzijn van de mens en de geest weer afhankelijk zijn van het bestaan van deze dingen. Het is één geheel. Een soort lichaam eigenlijk, waarvan de velen zijn.

  • Een deel van het Goddelijke dus?

 In diepste consequentie: Ja. Wij staan met de schepping in een organisch en functioneel verband. Er is niet zomaar een willekeurige binding, maar een band, waarin het wezen van God tot uitdrukking komt. Men zou kunnen zeggen, dat het wezen van God bevoertuigd is in zijn schepping en zijn schepselen.

  • U zegt: wij zien stukjes van de waarheid, maar legt er de nadruk op, dat dit onbelangrijk is.

Wij zien stukjes van de waarheid. Want indien de mens geen stukjes van de waarheid zou zien, wanneer de geest de waarheid niet gedeeltelijk zou kunnen kennen, zouden wij een droom zijn in God. Zouden wij dan het woord “bewustwording” kennen, of uit kunnen spreken?

Zouden wij dan van bewustwording kunnen spreken? Wij zien hele kleine fragmenten van de waarheid. Maar het eigenaardige is, dat, waar de waarheid zich aan ons voor een ogenblik openbaart, wij zo een enorme oneindigheid verkrijgen – wat in het begrip besloten ligt – dat wij zelf daarbij vergeleken nietig en klein worden. Naarmate wij dus verder ‘doordringen’ in de waarheid, zullen wij ook beter in gaan zien, dat wijzelf minder zijn dan wij eerst dachten. Veel minder. Dan komen wij uiteindelijk terug tot het zien van onszelf als een punt in een heel grote plaat, die geheel uit punten is opgebouwd.

  • Alle impressies die er bestaan kunnen worden teruggebracht tot overwegend waan. Het verdwijnen van de waan zou echter voor het bewustzijn de ondergang betekenen. Waarom?

Omdat in de waan alleen het veranderlijke kan bestaan. God is eeuwig. God is waarheid. De waarheid is eeuwig en onveranderlijk, zoals de Schepper ze voortbrengt. Maar het voortdurend wisselen van ons eigen gezichtspunt temidden van deze waarheid, schept voor ons een waan, waarbij bepaalde dingen ten onder en teniet schijnen te gaan, terwijl andere waarden plotseling schijnen op te duiken, te herleven enz. Denk maar aan uw mensenwereld, als er iemand sterft. Die mens leeft voort, gaat alleen over naar een andere wereld, bestaat verder in een andere toestand. Maar voor de mens is het een ondergang. Daar heeft u – zou ik zeggen – het meest zuivere beeld van wat er hier bedoeld is.

  • Kan het ook opgang zijn?

Het kan een opgang zijn in die andere wereld, maar voor het bewustzijn van hen, die zelf deze verandering niet doormaken is dit toch nog de ondergang, het verdwijnen uit de wereld. Zolang als wij beperkt leven zal zelfs de bewustwording voor ons nog de ondergang betekenen van vele dingen. Wanneer wij de wereld verlaten, dan gaat deze wereld voor ons ten onder. Zij bestaat niet meer, zoals zij bestaan heeft. Het feit, dat wij weten, dat zij nog voort bestaat maakt, dat wij dit niet zo uitdrukkelijk als een verlies zien. Maar degenen, die zich dit niet realiseren, in de duistere sferen, die lijden nog steeds onder het verlies van de wereld, die zij verlaten hebben. Dit is het zuiverste beeld, dat ik u hiervan geven kan.

  • Waar wij ons verzetten, althans vaak, tegen impulsen die uit de schepping tot ons komen, kunnen wij toch aannemen, dat hier Goddelijke krachten werken. Wat zegt mij dat?

U zult iets doen, wat goed is in uw eigen ogen, maar nu laat u zich hiervan weerhouden door overwegingen, die niet gebaseerd zijn op: wat is goed en wat is kwaad, maar bv. op: wat is op het ogenblik voor mij beter? Het feit, dat wij dit verzet kennen en deze waarden in ons bestaan en voortdurend weer naar voren komen, wijst erop, dat de krachten, die buiten ons onmiddellijk bewustzijn liggen, op ons inwerken. Onverschillig, of wij nu stof-mens of geest zijn.

  • Dan is het dus de rede, die het goede onderdrukt?

Het is de rede, die het goede onderdrukt, maar het is evenzeer de rede, die ons de goede impuls doet kennen, voor wat zij is. Aan die rede zullen wij ook nog wel eens een keer een beschouwing moeten wijden, vrees ik.

  • U poneert de stelling, dat al wat onwaar is, waan is. Toch wordt de gedachte geboren uit waan.

Inderdaad. Uit hetgeen, dat niet is, komt het zijnde tot aanzijn. Dit is het raadsel van de Goddelijke Schepping. U ziet, het antwoord is eenvoudig.

  • Toch is de Schepping uit God en nemen wij die waar. (Vraag werd niet verder verstaan).

Maar het ware Goddelijke, dat wij, vanuit ons eigen standpunt onvolmaakt waarnemende, zodanig verwarren met wat het zou kunnen zijn, dat het ons gaat als de boer, die een kat een leeuw noemde. Het is niet mijn taak om u hier verhalen te gaan vertellen. Maar misschien is dit leerzaam. Er was een boer, een fellah, die hoorde, dat er leeuwen bestonden.

Men vertelde hem hoe zij er uitzagen. De beschrijving bleef tamelijk schetsmatig, maar er werd grote nadruk op het gevaarlijke van het dier gelegd. Wat later kwam de boer ’s avonds in het dorp. Er kwam een kat op hem toe. De man stierf toen aan een hartverlamming. Hij dacht, dat een leeuw zich rovend tot in het dorp had gewaagd en hem zo dadelijk het leven zou nemen.

Op zich waren de feiten niet zo heel dwaas. Want de beschrijving, die hij gekregen had, deed inderdaad de kat in zijn ogen op een leeuw lijken.

Maar de angst, die hij had voor het gedachtebeeld “leeuw” vergrootte het in zich onschadelijke diertje zozeer in zijn ogen, dat het een monster werd. Hij kon daardoor niet meer logisch reageren. Vanuit zijn standpunt was zijn beleven zeker waar: hij was door een leeuw aangevallen. Hij had dat beeld ongetwijfeld, indien hij geleefd had, kunnen verdedigen en met redenen omkleden. Toch was het waan. Waan is alles, wat niet waar is. Maar iets, wat niet waar is, veronderstelt het bestaan van een waarheid, waarop het onwaar-zijn gebaseerd is. Zó leven wij en voelen wij de waarden van de eeuwigheid aan. Wij voelen de wetten aan, die nu eenmaal in ons leven bestaan. De eeuwigheid, of het leven, fluisteren ons deze dingen toe naarmate ons bewustzijn groter wordt. Maar wij zijn niet in staat de grotere van de kleinere waarden te scheiden. Zo krijgen wij een totaal verwrongen beeld van de werkelijkheid.

  • Dus dat is ook een kwestie van aanvoelen, van intensiteit?

Het is eigenlijk een kwestie van interpretatie. De mens interpreteert de waarheid, die zich aan hem voordoet en maakt daaruit waan. Maar voor de mens wordt uit de veelheid van waan, die hij zo ondergaat op den duur de waarheid weer geboren.

In het leven zijn wij altijd gebonden aan waarden, die in de kosmos niet geheel waar zijn. Ons leven beperkt ons tot een sterk eenzijdig beleven van slechts een deel van de werkelijkheid. Het is begrijpelijk, dat juist door de wijze waarop wij beleven in ons een reeks van voorstellingen groeit en bloeit. Wij kunnen logisch redenerende en filosofisch de mogelijkheden nagaande, komen tot de conclusie, dat deze, onze waarheid, dus niet waar is. Toch geloof ik, dat het belangrijkste punt, dat wij op deze avond na deze vragen kunnen bespreken is: Hoe moet ik leven met de waan die nu eenmaal mijn levenservaren uitmaakt? In de eerste plaats: zo ik mij bewust ben, dat al hetgeen ik ervaar waan is, is het toch voor mij niet minder waar en echt. Ik kan u wel zeggen, dat er zoveel waarden zijn, die belangrijker zijn. Ik kan u gaan vertellen, dat u heeft geen honger. Dit is slechts een waan. Men voedt zich voortdurend uit de levende kracht.

Maar ondanks dat: U heeft die honger, u kunt die niet zomaar wegpraten. Wanneer ik ze wegpraat, is de mogelijkheid, dat u voor u bent ingesteld op het verwerken van deze geestelijke kracht – ook voor het lichaam – het lichaam reeds ten onder is gegaan. Men moet dus met de waan, die rond ons is, werken. Wanneer men zich daaraan geheel overgeeft, wordt men sterk belemmerd in het werkelijk geestelijk vooruitgaan en beleven. Geheel kan men de waan dus beter niet ontgaan. Men moet a.h.w. leren om deze waan te gebruiken als middel. De wijze waarop kan kort als volgt omschreven worden: Uitgaande van het feit, dat alle waarden rond mij voor mij reëel zijn, handel ik te allen tijde als levende in een werkelijkheid, mij baserende op datgene, wat ik ken in mijn bestaan, wereld en sfeer. Ik zal echter te allen tijde mijzelf voor ogen houden, dat deze waarheid, zoals ik ze zie, niet waar hoeft te zijn voor anderen. Dat mijn openbaring de leugen van een ander kan zijn en omgekeerd. Hiermee rekening houdende zal ik mij nooit mee laten sleuren door hartstocht, of door begeerte. Ik leer op den duur al deze dingen als onbelangrijk terzijde te stellen. Ik geloof, dat dit een van de belangrijkste dingen is, die je in het leven kunt vinden. Wanneer wij dit in de praktijk willen gaan brengen, stuiten wij op moeilijkheden. Ik wil trachten dit zo veel mogelijk te behandelen uit het standpunt van iemand, die reeds een zekere esoterische ondergrond heeft, maar verder nog een volkomen normaal mens is.

Pijn. Pijn bestaat niet werkelijk. Die pijn is geen pijn van mij, maar alleen een kwestie van het niet georganiseerd zijn van cellen, die mij hierop wijzen. Ik kan dus pijn het beste omschrijven als een gewoonte-verstoring in mijn weefsels. Door mij dit te realiseren zou ik dus de pijn terug kunnen brengen tot haar eigenlijke functie: het waarschuwen van de regerende persoonlijkheid in de staat: het lichaam, dat er een fout is op een bepaald punt van het organisme. Zou ik dat kunnen doen, dan zou ik tevens mij de oorzaak van deze waarschuwing kunnen realiseren en alle krachten kunnen richten naar het bedreigde punt. Zo niet alleen de pijn, maar ook haar oorzaak zeer snel uit de weg ruimend.

Dat klinkt een beetje in de richting van Christian Sience. U zult zien, dat bepaalde esoterische waarheden altijd en overal weer naar voren komen. Maar wij zijn niet in staat dit te doen, wanneer wij doorsnee-mensen zijn. Het is goed, dat wij deze dingen weten, maar kunnen ze nog niet in de praktijk brengen. Ik kan mij echter wel reeds zonder vrees tegenover de pijn gaan stellen. Ik kan gaan zeggen: Deze pijn heeft voor mij niets te betekenen in verhouding tot de andere belangen, die met deze pijn samengaan. Ik ga dus een andere waardering toepassen, ik gebruik deze wetenschap natuurlijk niet alleen voor pijn, maar voor elke toestand, of emotie, die voor mijzelf onaangenaam of gevaarlijk kan worden. Ik ga steeds weer, wanneer ik weerstanden ervaar in het leven en mijn streven goed na, waar die weerstand is. Deze gevonden hebbende tracht ik mij te realiseren, hoeveel daarvan waan is. Ik weet, dat een waanwaarde werkelijk en in waarheid nooit invloed op mij kan hebben, tenzij ik haar zelf als een werkelijkheid beleef. Tenzij ik ze als werkelijkheid neem.

Ik kan mij dus gaan bevrijden niet alleen van pijn, maar van haat, hartstocht enz. Ik kan het stoffelijke terugbrengen tot het zuiver stoffelijke, het geestelijke tot het zuiver geestelijke. Dan blijft mijn wereld nog wel steeds mijn werkelijkheid, maar doordat ik begrijp dat die werkelijkheid er in de ogen van een ander heel anders uit kan zien, zal ik op den duur in staat zijn die ander te begrijpen. Mij te realiseren, hoe deze dan wel de wereld ongeveer waardeert en daaruit diens reacties op alle voor ons beiden gelijk optredende omstandigheden, af te leiden. Dit is belangrijker dan u misschien denkt, het bezitten van deze kennis. Want indien u in staat bent vooruit de richting van handelen, die uw naaste in zal slaan te bepalen, kunt u voor uzelf niet slechts onaangenaamheden, maar ook geschillen, die u het slechte brengen, voortdurend vermijden. Ik meen dat dit eenvoudig genoeg is, zodat hierover verder niet hoeft gesproken te worden. Nu ga ik met mijn beschouwen van de waan echter verder, want ik weet, dat ik mij baseren moet op al hetgeen voor mij werkelijkheid is.

De dingen, waaraan ik dus twijfel mogen voor mij dus nooit als werkelijkheid fungeren in het leven. Belangrijk punt: Er is een oud gezegde, dat zegt: Bij twijfel onthoude men zich. Ik zou verder willen gaan. In het geval van twijfel zoeke men eerst in zich de definitieve ontkenning of bevestiging, voordat men ook maar enigerlei handeling bindend onderneemt, zelfs een zich onthouden. Ik ga verder en zoek: wat is er in mij zekerheid? Dit is over het algemeen minder dan u zo op het eerste gezicht zou denken. Ik ga dus zoeken naar de dingen, die in mij en voor mij vaststaan. Dat kan voor mij niet anders. Op deze dingen baseer ik dan mijn leven volledig.

Door deze delen van mijn bestaan laat ik het doel, waarnaar ik zal streven, bepalen. Wij mogen niet dobbelen met de toekomst, met onszelf of met ons leven, omdat wij het zelfbedrog zo schoon vinden…

Het beeld, dat wij van onszelf hebben, ook bij het meest eerlijke zelfonderzoek, is en blijft waan.

Maar het zal dichter bij de werkelijkheid zijn en daarom minder gevaarlijke waan dan een accepteren van ons wensdenken omtrent onszelf. Welke conclusies trekt u zelf hieruit?

  • Dat wij dan maar heel langzaam en heel weinig vooruitkomen.

Gelooft u dat werkelijk? Wees voorzichtig. Gelooft u dat werkelijk?

  • Wanneer wij van waan tot waan gaan en de werkelijkheid, die wij vinden door onszelf te beschouwen is ook nog weer waan, dan wordt het ons toch wel heel erg moeilijk.

Ik zou zeggen, dat men dan juist betrekkelijk snel vooruitgaat. Want elke waan is uiteindelijk een deel van de waarheid, die wij op deze wijze zoeken. Ik geef u een voorbeeld: Stel u voor, dat het leven een grote legpuzzel is. Elk stukje in zich is waan. Het is niet het geheel. Zolang wij dit stukje niet geplaatst hebben op de juiste wijze binnen het geheel, blijft de waan.

Wij kunnen er niets mee doen. Maar lukt het ons het te plaatsen in de samenhang van het geheel, dan verandert dat en wordt van een gehele waan tot een deel van de werkelijkheid.

Duidelijk? Het is dus nog lang niet zo zeker, dat u maar langzaam vooruitgaat. Wanneer u dit echter gelooft dan zal het voor u zeker zo zijn. Heeft er nog iemand een andere conclusie getrokken?

  • Maar is het niet zo, dat wij meerdere stukjes gemakkelijker in hun juiste samenhang kunnen zien, en dus al snel waarheid vinden in onze legpuzzel?

Ja, maar dan vergroten wij toch nog eerst onze waan. Wij passen een aantal stukjes aan elkaar, en maken hen tot een geheel, zonder te weten, waar zij binnen het grote geheel eigenlijk behoren. Het resultaat is dus, dat wij nog steeds zoeken en veelal geneigd zijn het reeds gelegde gedeelte te beschouwen als het kernpunt van het geheel. Dat is dan meestal meteen de grofste waan, die wij kunnen hebben.

  • Kunnen wij dan ons beleven gelijkstellen met het kernpunt van die waan? Ik dacht van niet.

Maar men doet het wel. Het inzicht is het kernpunt van de waan, wanneer zij van ons eigen wezen uitgaan. Maar ook alleen dan. Want het inzicht, dat wij verwerven toont ons zuiverder de lijnen en aspecten van het stukje legkaart, dat ons leven, of ons beleven betekent.

  • Dus dat beleven is eigenlijk een uitvinding van onszelf?

Inderdaad. Het is een uitvinding van uzelf, waarmee u, meestal zonder u zelf daarvan bewust te zijn, een deel van de waarheid binnen uzelf aan uzelf openbaart. Deze openbaring op zichzelf is echter niet voldoende, want zij krijgt pas haar waarde in verband met het geheel van de verdere waarheid. Vandaar mijn legkaartbeeld.

  • Is het dus zo, dat de mens de delen moet leren herkennen? Dat wij dus eerst iets leren kennen en dan moeten leren het te herkennen? Alle stukken van de legkaart?

Alle delen vind ik wel wat veel gezegd. Te veel. Maar wij moeten wel in staat zijn een stuk, wat wij beleefd hebben en dus als leven erkend hebben, ook te herkennen later. Want wij kunnen eerst op den duur uit onze ervaringen het beeld van de waarheid trachten op te bouwen. Denkt u maar weer aan zo iemand, die met een puzzel bezig is. Men zal een stukje vaak 10 of 20 keer opnemen en toch weer neerleggen, omdat er geen plaats voor te vinden is. Zo gaat het ook in het leven. Maar wanneer je weet, dat dat stukje met zijn bijzondere eigenschappen daar ligt, dan zie je op een gegeven moment een gaping in je bestaan en leven enz. en zegt: Kijk, daar hoort nu die ervaring, dat beleven thuis. Zo vergroot ik steeds het deel van de waarheid in mij, dat alleen doordat het als deel door mij reeds als geheel wordt gezien, nog waan is.

  • Als ik u goed begrijp is het dus eerst zaak de dingen te leren kennen en dan te herkennen?

 Juist, maar kennen en herkennen gaat meestal gepaard. Van het kennen is het innerlijk herkennen en van uiterlijke vormen. Wanneer wij iets in ons beleefd hebben en het bestaat dan later buiten ons, zullen wij het kunnen associëren met wat in ons eigen wezen reeds bestond en zojuist kunnen herkennen. Ik geloof, dat dat wel een aardige samenvatting is.

  • Is het mogelijk om dit kennen en herkennen geheel in een leven samen te vatten?

Theoretisch, ja. Dan is het zelfs mogelijk om het niet in één leven, maar in één moment te leren. Maar daarachter zeg ik u gelijk: Zoals wij menen onze weg te moeten nemen en te gaan, zal het proces van waan tot waarheid meestal een ongeteld aantal bestaansvormen in zich sluiten.

Ik zou u voor willen stellen om thans over te gaan – tenzij u daar bezwaren tegen heeft – tot een beschouwing meer in overeenstemming met het lopende tijd. Een kerstbeschouwing, maar dan voor deze groep. (Graag). Ik ben zo vrij geweest om met deze mogelijkheid rekening te houden en heb gezorgd, dat een spreker hiervoor tot beschikking staat. Ik trek mij dus terug en geef u over aan een spreker, die niet behoort tot onze eigen school van denken, maar die u ongetwijfeld van de inhoud van het kerstfeest zeer veel zal kunnen vertellen, ofschoon hij uitgaat van de symboliek in het kerstverhaal. Ik dank u dan en wens u een vergroting van bewustzijn en waarheid binnen uzelf toe.

HET KERSTGEBEUREN

Wanneer men over het kerstfeest na gaat denken en alle grondslagen beschouwt, die het heeft in het menselijk bestaan, is het ons haast niet mogelijk te ontkomen aan de illusie van het werkelijke gebeuren, van het wonder en onbegrijpelijke waarde. Ik zou gaarne allereerst vaststellen, dat ik niet betwijfel dat Jezus op aarde is geboren. Dat ik zo vrij ben een groot deel van de in het kerstverhaal vermelde omstandigheden als geromantiseerd en gedramatiseerd te beschouwen. Het is echter opvallend, dat in dit verhaal van het kerstgebeuren een symboliek is vastgelegd, die ons een scherp inzicht kan verschaffen, in ons eigen leven, bewustzijn en bestaan.

Het Kind werd geboren in de nacht. Dit op zichzelf reeds is opmerkelijk: Zijn wij ook niet geboren in het duister? Nagaande hoe wij gegroeid zijn van fase tot fase, van bewustzijn tot bewustzijn, van sfeer tot sfeer en bestaan tot bestaan, kunnen wij terugziende zeggen: “Ziet, toen wij geboren werden en voor het eerst een bewustzijn zich afvroeg: Ben ik? En daarmee het “IK” accepteerde, was het toch nog wel duister. De duisternis werd verdreven door de ster, die boven Bethlehem scheen. “En het was zo helder als de dag”.

Het wezen, dat in zichzelf nog niet het vermogen tot oordelen draagt, wordt opgenomen in de eenheid met de Schepper. En in deze eenheid kent het ’t licht van de waarheid intenser en scherper dan ooit tevoren of ooit-later voor de laatste fase heeft plaats gehad. Sterker dan het “IK” verder ooit nog deel zal hebben aan de lichtende kracht tot de eenwording er mee. “Het Kind werd in doeken gewikkeld en men legde Het in een kribbe”. Doeken. Geen passend gewaad.

Ook wij hebben geen passend gewaad. Zelfs niet, wanneer wij op de wereld incarneren. Dan krijgen wij niet een passend gewaad, maar moeten nemen, wat er toevallig voorradig is. Wat er te vinden is en nog voor ons doel geschikt lijkt. Wanneer wij leven in een vorm, die vast is, in de materie, dan zijn ook wij in doeken gewikkeld. Volgens de legende werd het kindeke Jezus verwarmd door de adem van een os en een ezel. De dierenwereld is het geweest, die langzaam uit zich de krachten voor ons ontwikkelde, die wij nodig hadden om voort te bestaan. De driftige jacht naar zelfbehoud. Het vermogen om een prooi te zoeken en te nemen, het vaak zonder enig terugdeinzen plegen van geweld ter verdediging van onszelf en onze denkbeelden. Zij zijn uit deze toestand “de hulp van het dier” ons geboren. Toen de menselijke ziel geboren werd stond naast haar het dierenrijk en gaf haar gezelschap, gaf haar de stimulans, de drijfveer, die noodzakelijk was om ons te dwingen verder te gaan dan een onbewust beleven van het Goddelijke licht zonder meer.

En de herders kwamen van de velden, want zij hoorden een stem, die hen zei: “Vreest niet”. Wanneer wij schouwen in het Al, zo zien wij, dat keer op keer een planeet ten onder gaat, omdat een ster dooft, of een laaiend vuur alle ontwikkeld leven daarvan wegbant. Wij zien hoe de bewuste geesten daarvan niet meer incarneren. Zij leven in de grote sterrenvelden van de hemel, de sferen. Maar wanneer er ergens op een wereld een wordend bewustzijn geboren wordt en vorm aanneemt, dan zien ook zij plotseling weer het scheppende licht en weten, evenals de herders, dat zij moeten gaan. Gaan tot deze wereld om haar te ontwikkelen en de gaven van hun bewustzijn te geven.

In vergelijking met de drie Koningen brachten de herders slechts schamele geschenken. Toch waren hun gaven groot. Want door hun gaven konden, dat leest men zo tussen de regels door, de Vader, de Moeder en het Kind bestaan in deze moeizame eerste dagen. Wanneer er een wereld geboren wordt, dan komen deze geesten, vrij geworden in een vroeger bestaan en leiden het dierlijke leven en het wordende bewustzijn tot het in staat is de gaven van de Vorsten van de Geestenwereld, de Openbarende Krachten van de hogere Sferen, te aanvaarden. De drie Koningen gaven nu goud, wierook en myrrhe. De grote geesten, die uit de ruimte tot u komen, die hun hoogste sferen verlaten om zich te openbaren op een wereld, geven aan de mensheid deze drie gaven: Goud: Bewustzijn en vermogen om de materie te gebruiken en te beheersen.

Wierook: het bewustzijn van een God, die bestaat en de drang die God te vereren. Myrrhe: Het leed, dat verdooft en het mogelijk maakt van het stoffelijk leven te scheiden. Wanneer deze gaven gegeven zijn, dan is het ontstane leven, de zich ontwikkelende mens nog gelijk aan vele andere zich ontwikkelende vormen. Maar de natuur grijpt, zoals een Herodes. Het zwaard van de natuurkrachten brengt alles om, wat het Kind, de ontwakende geest, gelijkt. Maar het Kind, de mens zelf, is dan reeds in veiligheid.

Het zó beziende, vinden wij in het Kerstverhaal ook de geschiedenis van een bewustzijn, dat geboren wordt en een menselijk stadium bereikt. Wij zien in dit verhaal symbolisch uitgedrukt, hoe de Goddelijke wil te allen tijde weer ingrijpt en creërende het totaal van het zijnde beheert.

Echter is er een gevolg aan het verhaal, dat ook het vervolg is van het verhaal van de mens.

Het verhaal van Bethlehem eindigt in Gethsémané. Daarna spelen de krachten van buitenaf hun spel. Met de gaven van de Koningen zoekt men als het kind Jezus naar wijsheid. De mens zal geconfronteerd worden met de ouderlingen van zijn wereld: degenen, die een vaste overtuiging hebben en een geloof en zelfs vaak een diepe wetenschap omtrent de geheimen van het leven.

Hij zal hen antwoorden op hun vragen, zoals het Kind, dat eens spelenderwijs heeft gedaan in de tempel te Jeruzalem.

De mens gaat verder, zoals ook Jezus verder ging. Hij werkt en zwoegt en leert en zwerft. Het leven is voor ons altijd weer een zoeken en een zwerven. Een pogen om te vinden de waarheid, die al het andere in ons zal overtreffen. Een bewustzijn, dat ons eindelijk zal verheffen boven de sterk gedrongen geestelijke persoonlijkheid, die thans nog onze eigene is. Jezus besloot te gaan tot zijn neef Johannes, die reeds lang predikte in de woestijn. Hij liet zich dopen, zoals de geest van eenieder, die gebonden in de stof haar bewustwording doormaakt, een ogenblik vindt, dat zij ook uiterlijk een teken van haar innerlijke toestand wil aanvaarden, dat zij wil uitdrukken, wat zij is en zich daaraan geheel verder geven. Dan wordt zo’n mens tot leraar, die mens kan verder gaan en de wereld beheersen. Of hij kan gaan tot in de tuin van een Gethsémané, wanneer het gehele leven hem aanziet als een mislukking. Dan gaat zo’n mens zich af vragen: Ben ik wel verstaan, begrepen? Heeft mijn leven wel doel gehad? Heef het doel, dat ik verder ga? Wanneer die mens dat heeft doorgemaakt en hij kan het offer aanvaarden, dan heeft hij hierop geen invloed meer. Tot het laatste ogenblik van bespiegeling, wanneer hij nog vrij is, kan hij beslissen, daarna niet meer. Dan gaat zo’n geest van de kruisiging. Ook zal het niet altijd een kruis zijn, waardoor de mens zal lijden. Toch zal de geest nog bloedige tranen moeten wenen. Vandaar komt de herrijzenis en de verlossing. Zo is het gehele leven, dat ons beschreven wordt van Jezus eigenlijk niets anders, dan de levensweg, die wij allen – geest en stof – gaan.

Maar wij zullen er langer, veel langere tijd voor nodig hebben om die af te leggen. Ook wij gaan, of wij dit nu willen of niet, naar een punt, waarop wij moeten beslissen. Naar een ogenblik, dat ook wij, eens geboren uit de duistere nacht van een ontwakend Al, zullen zeggen: ’’Ziet, deze beker aanvaard ik”, Ofwel tot wij zullen zeggen: ’’Ziet, ik verzet mij tegen de wil van de scheppende macht”.

Hebben wij aanvaard, dan zullen wij zijn: evenzeer sterk als de Geest, die eens nederdaalde in een Kind in die vreemde periode, die begon in het dorp Bethlehem. De symboliek van het Kerstfeest geeft ons de esoterische noodzakelijkheden van onze eigen ontwikkelingen weer. Wij kunnen niet bestaan zonder leiding en hulp. Hoe kleiner wij zijn, hoe eenvoudiger de hulp, die voor ons passend en noodzakelijk is. Hoe grootser echter de gaven, die wij aanvaarden, hoe groter de gevaren, die rond ons dreigen, vanuit het stoffelijk en geestelijk lager gebied. Maar: hoe meer men ons zal achtervolgen en wij in deze achtervolging eenzaam zullen worden, hoe verder wij kunnen komen. De mens, die naar esoterische bewustwording streeft, zal altijd eenzaam zijn. Hieraan kan niemand iets doen. Ongetwijfeld komt er een tijd, dat men u zal eren om hetgeen u geestelijk hebt bereikt, maar juist dan, wanneer u eindelijk de aanvaarding van uw werelden hebt afgedwongen, staat u wederom voor de keuze: zult u dan wederom, strevende naar het Goddelijke zeggen: Ik laat mij dopen? Waarmee u zelf dan wederom geheel vrijwillig scheidt van de mensheid…. Zo zult u verder gaan. Eenzaam, gevende wat anderen wonderen noemen, maar wat werkelijk is uw eigen levenskracht en de krachten, die u kunt putten uit het Goddelijke rond u.

De Broeders van het Kruis, waartoe ik behoor, geloven, dat het kruis de verlossing van ons allen betekent, want voor ons is het kruis niet alleen het symbool van Jezus, die gestorven is voor de mensheid, maar ook van ons eigen lot vóór wij kunnen komen tot een volle aanvaarding van ons lot en de Goddelijke Kracht. Wanneer wij een mens zien, die zoekt naar geestelijke bewustwording, voelen wij ons als de herders in de Kerstnacht: eenvoudigen, die eenvoudige gaven bieden. U kent onze groep niet. U hebt uw eigen groep en uw eigen leermeesters. Maar de herders hebben niet gevraagd: Wat voor een Kind is er geboren? Zij hebben kennisgenomen van het feit, dat er een Kind geboren was. Zij hebben aangevoeld, dat het Kind een wonderlijk Kind moest zijn. Zoals zij kwamen met hun eenvoudige gaven, kom ik tot u met een – zeer – simpele gave: Een kleine beschouwing over een Kerstfeest, meer kan ik u niet geven.

Maar wel durf ik u te zeggen, dat zij, die dit simpele en eenvoudige niet verwerpen, daardoor de kracht zullen vinden om niet te vluchten, wanneer het geweld hen dreigt, daardoor het vermogen zullen vinden om later verder te gaan. Wanneer Vorsten van licht u hun gaven geven, verwerp ook deze, onze kleine gaven niet. Want Bethlehem is het begin van alle leven geweest. Wij vinden op ons levenspad weer een nieuw Bethlehem, doordat wij uit ons hoger bewustzijn weer terug keren tot lagere sfeer, daar geboren wordende om de lagere wereld te verlossen en zo ons eigen doel van bestaan te vervullen. Meer dan dit heb ik u niet te zeggen. Ik ben u dankbaar, dat u mij hebt aangehoord. Ik kan niet heengaan zonder ook de Broeders van de Orde te danken, die mij hebben toegestaan, juist in een beperkte kring als deze, bij u aanwezig te zijn.

————————————————–

MAGIE

Ik hoop, dat het u geen teleurstelling is, maar hier ben ik dan. De vorige keren, dat ik bij deze kring aanwezig was, heb ik ook al eens een paar minder aangename waarheden uit elkaar moeten zetten. Maar deze keer heb ik dan de vraag voor u, of u soms een voorkeur voor bepaalde onderwerpen heeft?

  • In verband met de vergelijking van communicerende vaten, bij de vorige verhandeling over magie, zou ik wel graag willen horen of er nog andere wetten van de natuurkunde zijn, die ook in de magie gelden.

0 ja, plenty. U zult u misschien verbazen, als u hoort hoeveel er wel zijn. Zo hebben wij in de mechanica bv. vermogen van plaats. Daar heeft u zeker wel van gehoord? Energie van plaats heeft bv. een vaas die tamelijk hoog staat. Wanneer u wilt weten, of dat inderdaad zo is, gaat u er maar eens onder staan, wanneer het ding valt. Dan bemerkt u het wel vanzelf. Die energie van plaats heb je natuurlijk ook, wanneer je je bevindt op een plaats, die gunstiger is dan die van de meest andere plaatsen. Het komt voor dat een magiër daar ook gebruik van maakt.

Stelt u zich nu eens voor, dat u zich vrij kunt maken, zoals de mensen wel eens doen. U gaat naar buiten en zit daar heerlijk aan de bosrand te rusten. Uit de bomen komt de verse lucht naar je toe en je ademt zo heerlijk diep. Weet u, wat u dan heeft? Een zeker vermogen van plaats.

Want doordat u zich op deze plaats bevindt, bent u in staat om veel meer kracht per tijdseenheid tot u te nemen, en dus ook te zenden, indien u dat wilt, dan een ander, die bv. hier in de stad zit. Waarbij zowel levenskracht, lucht, elektriciteit en zelfs de zuurstof een schaarser verschijnsel in de steden zijn. Een magiër weet dit zo goed, dat, wanneer wij in de Oudheid gaan kijken bv., heel veel van die mensen gebruik maakten van een toren en dat nog weer bij voorkeur, wanneer het wat winderig was, om daar krachten op te doen. Zij konden daardoor dan iets sterker zijn dan een ander, die verder dezelfde concentratievermogens had. Vandaar overigens, dat een magiër zich op een bezwering ook zolang voorbereidt.

Dan is er nog een ander wetje. Je zou haast zeggen, dat het een soort geestelijke wet van de zwaartekracht is. Het zit ook weer in direct verband met wat ik vertelde over die plaats. Alles wordt tot het middelpunt van de aarde aangetrokken, maar het is ook zo, dat alles wordt aangetrokken tot een grote geestelijke kracht, die binnen zichzelf besloten blijft. Wanneer een mens een geest – of vele geesten – op wil roepen, dan zal hij het verstandigste doen, zoveel mogelijk geestelijke kracht bij elkaar te brengen in een besloten ruimte. Hoe sterker die beslotenheid nu wordt, uitgedrukt symbolisch zowel als feitelijk, hoe meer kans er is, dat deze mens vele krachten tot zich trekt. De magiër gebruikt deze concentratie gecombineerd met een afscherming, om uit bepaalde richtingen invloeden tot zich te lokken. Wat hebben wij dan nog meer?

O ja, inductie. Ook heel aardig. Wat inductie is, weten wij ook allemaal wel? Wanneer een magiër denkt aan een ander en er is geen middenstof, geen moment van geleiding, dan kost het hem veel moeite om door te dringen, maar is er een middenstof, zoals bv. in een transformator, een goed geleidende middenstof, dan kun je die krachten haast zonder enige moeite overbrengen.

De magiër maakt daar zowel stoffelijk als geestelijk gebruik van. Geestelijk in vele gevallen door voor zijn kracht een stof, die onmiddellijk binnen zijn bereik is, tot drager te maken van de kracht, die hij een ander toestuurt. Een simpel voorbeeld vindt u bij de magnetiseur, die een glas water magnetiseert en dit dan door een ander laat drinken. Het water fungeert dan als de tussenstof. Wat hebben wij verder dan nog meer?

0, vermogen van beweging. En middelpuntvliedende kracht ook. Wanneer er een snelheid van bewegen bestaat en deze beweging is cirkelvormige gericht, dan zal elk zwaarder voorwerp, dat zich daarin waagt, eerst mee rond worden geslingerd in de ruimte en uiteindelijk naar buiten weg worden geworpen. Denkt u maar eens, wat bv. een tyfoon doet. Die zuigt alleen door de luchtverplaatsing de dingen omhoog. Soms zelfs een heel dak. Wanneer het ogenblik komt, dat dat dak niet meer door de wind of door een wervelstorm wordt gedragen binnen de eigen beweging, dan vliegt het met een heel aardige vaart weer weg. Zo maakt de magiër van deze eigenschappen geestelijk gebruik voor zijn verdediging.

Wanneer ik in mijzelf een zeer hoge en snelle trilling rond een idee tot stand weet te brengen, dan ben ik praktisch onkwetsbaar. Dat kunt u wel allemaal. Het is eigenlijk heel eenvoudig.

Wanneer u zich bedreigd voelt door geestelijke krachten van buitenaf, weet u, wat u dan eens moet doen? Ga heel rustig zitten en laat die krachten die krachten. Ga alleen maar zo intens mogelijk aan iets denken. Bv. aan God. Wanneer u aan God denkt, dan verhoogt u nl. uw eigen trillingsvermogen aanmerkelijk. Dat weet u dus toch, hè? Dan vergroot u ook de intensiteit, waarmee uw eigen wezen deelneemt aan de Goddelijke Kracht. Gelijktijdig dringt u echter elke gedachte, die buiten deze gedachte aan God gaat zoveel mogelijk opzij.

Wat hebben wij dan? Een wervelende kracht, die in zichzelf besloten is. Want God bestaat bij u in uw wezen uit een reeks van associatieve denkbeelden, die gezamenlijk het gehele beeld vormen. Waar echter de ene gedachte logisch uit de ander volgt en zij een gesloten ring vormen, vormen zij tezamen een kringloop. Dus denk ik aan God, dan wisselen deze verschillende aspecten en voorstellingen bij mij af. Elke kracht, al is die ook met de grootst mogelijke intensiviteit op mij af geslingerd, al is het ook nog zo’n groot gewicht van zwart-magische kracht, zij wordt door deze gedachtereeksen meegenomen, zonder dat het mij schaden kan.

Het wordt even binnen mij meegenomen, maar er dan weer met een heel grote vaart uitgegooid.

Alleen met één verschil: Wanneer een wervelstorm, bv. zo’n Amerikaanse wervelstorm met sex-apeal, bv. de wervelstorm Mabel of Annie, een dak opnemen, dan zetten zij het nooit weer daar neer, waar zij het vandaan hebben gehaald. Maar de magische kracht, die u uitwerpt, bleef altijd verbonden met de zender. Met als resultaat, dat de persoon in kwestie zijn eigen zwart-magische krachten op zijn kop krijgt. Dan laat hij het meestal wel uit zijn hoofd om u verder nog lastig te vallen. Dit is erg simpel. U moet het maar eens onthouden.

Dan bestaat er nog iets. Een van de meest eenvoudige dingetjes op magisch gebied. U heeft wel eens gezien, dat als je een steen in de vijver werpt, dat er een golf bestaat, die zich gelijkmatig in alle richtingen voortplant. Wanneer ik mijn hele leven wil doen beheersen door een enkel denkbeeld, dan moet ik proberen dat denkbeeld zo te vatten, dat het al mijn handelingen en denkwijzen op bepaald gebied gedurende een zekere tijd zal beheersen. Nl. tot deze gedachte geheel weer in mijn wezen is weggestorven. Waar praat ik eigenlijk over. Ik geef eigenlijk helemaal geen lezing. Ik praat zo een beetje.

  • Denkt u, dat grote staatslieden dat ook weten. Bv. de UNO?

 Dan kom ik in de politiek terecht en daar zullen wij maar niet te veel over praten.

Maar om de UNO kort te omschrijven: De UNO is een instituut, dat op zeer kostbare wijze en met heel veel publiciteit de gelegenheid biedt aan staatslieden uit verschillende landen om tegenover hun eigen landslieden een goed figuur te slaan en tevens zoveel mogelijk het initiatief van anderen de nek om te draaien. Daar komt het op neer. U begrijpt wel, dat ik daar niet veel goeds van verwacht.

  • Zo ziet, geloof ik, haast niemand deze dingen.

 Ach, het is heel simpel. De mensen zien in de UNO, in de Europese samenwerking en zo meer allemaal een soort van politieke Sinterklazen of kerstmannetjes. Nu, ik kan u wel vertellen, dat niet mantel enz. maar ja zelfs de sik en de baard vals zijn. Daarachter zit altijd weer het gladgeschoren gezicht van de zakenman. Maar u brengt mij hiermee wel weer op een ander chapiter, en dat is wel een beetje meer magisch en misschien ook wel een beetje meer esoterisch. Een kwestie van mimi-cri. Er zit een magische klank aan het gezegde: “Huilen met de wolven in het bos”. Een magiër, die leeft tussen anderen, ofwel een esoterisch-bewuste, of een ingewijde gaan altijd van het standpunt uit: Hoe meer ik verschil van anderen, hoe meer ik de aanvallen van anderen uitlok. Mijn beste zelfverdediging is dus: niet op te vallen. Het is wel geen natuurwet, maar toch wel een natuurlijk verschijnsel, waar ik het hier over heb. Stelt u zich nu eens even voor: u zit hier bij elkaar en u heeft een buitengewoon geestelijke beleving.

Wat zult u dan doen? Zult u dat overal van de daken af gaan roepen? Dan wekt u maar verzet. U moet datgene, wat u ervaren heeft en wat u in u draagt, zoveel mogelijk verwerken in handelingen en daden, die uiting geven aan wat in u leeft, terwijl zij u anderzijds zoveel mogelijk doen gelijken op de gewone, normale mens.

Dat is heel belangrijk, wanneer je hiermee bezig bent. Er zijn er hierbij, die beginnen eigenlijk pas, anderen zijn hier al jarenlang mee bezig. Er zijn er ook bij, die zijn er al hun hele leven mee bezig. Maar als je al die geestelijke en esoterische lessen krijgt en voortdurend verder doordringt in de geestelijke geheimen, groter wordt a.h.w., dan krijg je op een gegeven ogenblik de neiging om dat nu ook maar te laten zien. Je denkt dat je daarmee goed doet. Je zult de mensen gaan helpen, je wilt iemand een riem onder het hart steken, kortom, je wilt jezelf zijn. Maar op het ogenblik, dat je dat gaat doen op een al te opzichtige manier, weet je wat je dan krijgt?

Reuze veel last met haast al je medemensen. Dan wordt daardoor voor u het hele leven zozeer een trachten aan de aanvallen van anderen te ontkomen dat u voor geestelijk werk en bewustwording geen tijd meer overblijft. Dus: probeer zo normaal mogelijk te zijn. Juist in de schijnbare normaalheid en dan liever wat nederig dan hoog, vind je de grootste zekerheid, dat je je eigen geestelijke toestand zult kunnen bewaren, zoals zij is en haar verder zult kunnen ontwikkelen en uitbreiden.

Een heel werkelijk ingewijde zul je maar heel zelden als vorst zien optreden, of als een mens uit de grote wereld. Degenen die dat doen zijn uitzonderingen. 0, er zijn wel geweest. Denkt u alleen maar eens aan de Graaf de Saint-Germain. Maar dat zijn degenen, die eigenlijk vaak nog te veel geestelijke exhibitionisten zijn en daardoor vaak heel veel van hun eigenlijke mogelijkheden verprutsen – neem mij het woord niet kwalijk – aan allerhande bijkomstigheden. De ware ingewijde leeft eerder als putjesschepper, of als bakker of kruidenier, want al die stoffelijke bezigheden vragen niet zoveel van hem, dat hij zijn geestelijk werk daardoor stil moet zetten, maar hij is zo heel erg opgenomen in de massa. Hij is een structureel deel ervan en vaak zelfs een zeer nederig deel, zodat iedereen hem met rust laat. Juist omdat hij met rust wordt gelaten, kan die ingewijde dan veel meer doen dan iemand, die zij er van tevoren op aan kijken.

Ik zou zo wel door kunnen gaan van eeuwigheid tot amen. Maar dat ben ik niet van plan. Ik ben ook niet van plan, zoals in de inwijdingsschool gebeurde een rede over bepaalde waanwaarden van de mens af te gaan steken. Ik geloof dat ik mij het verstandigste maar houd bij een klein beetje magisch-esoterisch denken. Magisch denken. Dan herhalen wij maar eerst weer het oude lesje, dat u dat vooral niet vergete: Magie is het gebruik maken van natuurlijke wetten en omstandigheden, die aan anderen niet, of zo niet bekend zijn. Esoterie is het kennen van geheimen, waardoor men – buiten zijn eigen wereld uittredende – belevende in, of ervarende met andere werelden, komt tot een grotere levenservaring als normalerwijze als mens mogelijk was. Men bereikt dit aan de hand van oude openbaringen evenals door de persoonlijke leiding van meesters.

Magisch-esoterisch denken zal dus betekenen, dat ik mijn kennis van wetten koppel aan mijn esoterisch bewustzijn en mijn drang tot bewustwording. Denkende aan het helpen van een medemens bv., – dit kan een verlangen zijn, dat gebaseerd is op een esoterisch eenheidsgevoel met de mensheid – dan zal ik magisch trachten dit te bereiken. Maar ik kan het alleen doen door mijn esoterische gedachtegang aan te passen aan de natuurwet, die voor bv. de genezing van groot belang is. Deze, dat elke levenskracht volledig aangevuld een voortdurend stimulerende kracht moet zijn voor elk stoffelijk organisme, zodat de mensen, verzadigd met levenskracht zelf tot de genezing van hun kwalen over kunnen gaan. Mijn esoterisch denken en beleven moet ik dan om gaan zetten in een verzamelen van levenskracht. Om leven te scheppen kun je dat in de stof zeker nooit voldoende doen en ook niet in de geestelijke sferen, waarin ik verkeer. Je kunt een hele hoop doen, maar niet alles.

Ik ga dus grijpen naar de hoogste sferen, die ik maar bereiken kan. Hoe kan ik dit esoterisch verantwoord tot stand brengen? Magisch kan ik dat niet zo eenvoudig. Door mij zo in te stellen, dat ik een contact voel met de hoogste sfeer, die voor mij nog voorstelbaar en bereikbaar is. Bij het zoeken naar dit doel laat ik mij echter drijven door mijn streven naar genezende kracht. Ik zal daar dan deze krachten in mij opnemen en deze bewust werkzaam weer uitstralen. Er is een verschil tussen gebedsgenezing bv. door handoplegging en het bewust genezen, dat ik u hier omschrijf. Ik kan echter nog veel verder gaan met mijn denken, want mijn zoeken naar esoterische waarheid leidt mij er vaak toe andere werelden te willen bezoeken, de oudheid te willen beleven enz. In kan ik dat alleen niet zo heel erg gemakkelijk. Ik begin dan magisch eerst een eenheid tot stand te brengen tussen mij en andere wezens. Bij sommige mensen bestaat dat al voortdurend, dan hebben zij een meester of geleider. Maar zelfs dan is het gewenst deze toestand van eenheid intens op te wekken. Door dit contact kan dan de wens worden uitgedrukt.

Mijn eerste handeling hiertoe is magisch. Ik heb een geest opgeroepen, al heb ik dat dan ook niet in een bezwerende vorm gedaan. Ik heb die geest medegedeeld, wat ik van haar verlang en haar om haar steun verzocht. Daarna ga ik verder met de magische procedure door mijzelf af te sluiten binnen mijzelf en geheel te concentreren op hetgeen ik wens te beleven. Hiermee plus de hulp, die mij geestelijk wordt gegeven, kom ik dan tot bereiking. De beheersing van mijn wezen binnen die andere wereld, of tijd. Ik beleef daarin en keer terug. Terugkerende zal ik de hoofdwaarden, het beleefde, of waargenomene – en dat is ook weer een magische procedure – vastleggen in een zo beperkt mogelijk beeld.

Dit zo beperkt mogelijke beeld zal ik mijn stoffelijk wezen inleggen door bepaalde blokken op te zetten in het menselijk lichaam. Ik zet vooral blokken op in het bewustzijn, die de normale waakreacties haast onmogelijk maken. Wordt u dan wakker, dan heeft u geen lust of tijd om te geeuwen, maar bv. om te schrijven, of om te tekenen, of om te spreken. U doet dat dan half automatisch. Maar dan een suggestie, die wordt opgelegd tijdens de slaap, de lichamelijke rust of uittreding, niet van tevoren. Als resultaat krijg ik een aantal beelden in handen hetzij in woorden, hetzij in een tekening, die ik nu weer moet gaan verwerken. Hierbij komt mijn esoterisch denken weer van pas. Want door mijzelf in harmonie te brengen met de beelden die ik uit mijn onbewuste of halfbewuste uittreding heb meegebracht kan ik nu komen tot een volledige interpretatie van al wat ik heb meegebracht. Daardoor heb ik dan de mogelijkheid geschapen tot een nog meer bewustzijn met een andere wereld of tijd.

Nu is er in het denken altijd één ding, esoterisch gezien, de hoofdzaak. Dat is mijn “IK” te kennen. De werkelijkheid van mijn “IK”. Een magiër werkt uit de aard van de zaak met vele effecten, die schijn zijn, of althans schijnbaar zijn. Zij zijn dus iets anders, dan zij lijken. Wanneer ik magisch-esoterisch ga denken, bestaat er voor mij het grote gevaar, dat in mijn magisch handelen mijn esoterisch bewustzijn tijdelijk teloorgaat. Begrijpelijk? Om dit te voorkomen bij een magische handeling moet ik dus allereerst beginnen met een esoterische zelfrealisatie. Vanuit deze zelfrealisatie kan ik dan met minder gevaar magisch handelen. Ik heb zelf dan geen geheel bewust deel meer aan de magische effecten van de handeling en zal onbewust de daarin ware waarden selecteren en wel aanvaarden.

  • Kun je iemand geestelijk niet zover brengen? Of is het magisch dwingen van iemand schadelijk en het oproepen van geesten?

Ook wanneer er geen directe schade ontstaat heb je toch al een onrechtvaardige handeling gepleegd. Je hebt iemand gedwongen af te wijken van zijn zelfgekozen pad. In een dergelijke zin is het oproepen dus bepaald verkeerd. Het is mogelijk. U kunt het hier in deze kamer zelfs doen. U heeft daarvoor een paar pentagrammen nodig, een paar letters, liefst gegraveerd op een marmeren of kalkstenen plaat. Op het pentagram moet je voor een bepaalde bezwering een hoopje gloeiende kolen leggen en een papiertje of perkament verbranden tezamen met bepaalde kruiden. Wat precies zal ik u maar liever toch niet vertellen. Niet dat ik bang ben, dat u hier brand zult gaan stichten midden in de kamer, maar zeker is zeker. Je kunt nooit weten.

Dan kunt u zelfs nu nog bepaalde natuurgeesten onmiddellijk oproepen, tot zelfs de Wachters van de Poorten. Tot de Wachter van de vierde Poort kunt u hier zo bezweren zonder meer.

Daarvoor heeft u niet veel nodig en niet eens veel voorbereiding, alleen moet u zien, wat u er mee zult doen, wanneer u ze eenmaal ongeroepen hebt. Ik denk, dat juist dat u erg tegen zou vallen. Dit oproepen is echter een dwang, die je uitoefent en dwang is nooit goed. Of u die dwang nu uitoefent met het magische middel van het machtswoord, of uitoefent door de krachten van uw eigen wezen te stellen tegenover de krachten van een minder ontwikkelde bv., ofwel door u zelf in een zodanige situatie te plaatsen, dat men u wel helpen móét, het is alles al even…laten wij zeggen…. Een beetje onplezierig. Deze wijze van oproepen zou ik dus nooit goed kunnen keuren. Maar u kunt ook op een andere manier geesten oproepen. Maar dan meer…kinderlijk eigenlijk. U heeft het misschien wel eens gezien. De kinderen komen bij een huis en roepen: “Hé, Jan, ga je mee spelen?” Zij wachten dan even en als Jan dan niet komt, gaan zij weer verder. Kijk, dat, wat u op avonden als deze doet is eigenlijk ook een oproepen van geesten. U roept misschien wel om een bepaalde geest, maar u dwingt niet. Neen. Wij proberen ons af te stemmen. Wij stellen ons in op die geest en de sfeer, waarin die geest leeft. Dan zeggen wij: “Wil je komen, graag. Wil je niet komen, erg jammer”. Maar dan gaan wij weer verder. Naarmate u zich meer op sferen gaat richten en minder op persoonlijkheden, zult u meer en meer in contact komen met geestelijke stromingen elders, u weet, hoe dat is. Als hier bij u iemand een overtuiging heeft, dan praat hij er graag over. Wanneer iemand gelooft, dat dit de waarheid is, dan wil hij er graag een ander in onderrichten. Dat is eigenlijk zelfs een gunst, die men dan die ander bewijst.

Ik hoop niet, dat ik iemand kwets, maar er bestaat tegenwoordig zoiets als Jehova’s getuigen. Die mensen praten ontzettend graag. Het is voor sommigen van hen zozeer een behoefte te praten over deze dingen, dat het eigenlijk een grote gunst is, wanneer je hen eens de gelegenheid geeft hier eens over te praten. Zo is het vaak met de geest ook. Ik wil niet zeggen, dat het hier nu precies zo gaat, maar wanneer men vraagt om deze dingen, is men blij het u te geven, dat is niet meer een bepaalde geest oproepen, maar een bepaalde sfeer, of een bepaalde groep.

Deze soort van oproepen is m.i. juist, want zo stelt u verschillende werelden in staat met elkaar in contact te treden en zich ten opzichte van elkaar te openbaren en te uiten.

  • Dus je zou geesten kunnen dwingen om te komen?

Een hoge geest komt natuurlijk niet. Die zegt zoiets van: “Commandeer je hond en blaf zelf maar”. Maar wanneer je aan het oproepen gaat, kom je meestal bij de lagere sferen terecht. U weet wel, dan krijg je allemaal demonische krachten meestal. Dan zit u hier misschien heel ijverig Alexander de Grote op te roepen. Dan komt er iets, dat lijkt precies, het klopt allemaal, behalve dan, dat het Alexander de Grote niet is. Op die manier wordt u dan vaak zo heerlijk bij de neus genomen, dat u er zelf ook nog schade van heeft. Aangenomen, dat u sterk genoeg zou zijn, – want daar gaat het om – zou u naarmate u zelf meer bewust bent, ook meer bewuste geesten kunnen dwingen.

Onthoudt nu maar één ding: Wanneer 2 krachten aan elkaar tegen gericht zijn, zal de sterkste kracht altijd winnen. En wel met die hoeveelheid energie, die zij meer heeft dan de andere kracht. Wanneer u een hogere geest aanroept, dan bent u de kleinere kracht. U kunt misschien die hoge geestelijke kracht misschien wel even uit het evenwicht brengen, maar zolang u niet met die kracht in dezelfde richting gaat, kunt u haar nooit ergens naar toe dwingen. U kunt hoogstens een hinderpaal voor haar zijn?

Dat is geen magie. Zelfs geen esoterie. Dat is gewoon huis-, tuin- en keukenspiritualisme. Wanneer u dat niet mooi vindt, wat ik zeg, heeft u het aan uzelf te wijten. Wij geloven natuurlijk allemaal in mogelijkheden van magische en esoterische geaardheid. Maar kunnen wij deze esoterische en magische dingen ook als waarheid stellen? Ik hoor er hier één denken: 0, heertje, gaat het alweer die kant uit?

  • Zegt u dat wel.

 Kan magie waarheid zijn? Neen. Kosmisch gezien kan het nooit waarheid zijn, omdat de magie een schijnbaar wonderdadige en tegennatuurlijke waarde betekent. Zo kan de magie als Goddelijke werkelijkheid nooit bestaan. Zij kan echter wel bestaan in het voorstellingsvermogen van de mens. Alle krachten, die de magiër oproept, zijn natuurlijke krachten, want andere krachten kan men niet wekken. Hij kan nooit krachten dwingen tot een voor hen tegennatuurlijk gedrag. Hij kan ze zelfs nooit dwingen tot een zodanig ingrijpen, dat hier iets mee wordt bereikt, dat niet meer harmonisch is met het totale wezen van de kosmos. Wat echter harmonisch is met het kosmische, zal echter te allen tijde tot uiting komen.

Het enige wat de de magiër dus kan doen is bepaalde reeds hangende resultaten te precipiteren.

Doen neerslaan. Wanneer wij dit weten, zullen wij voor de magiër nooit bang kunnen zijn. Want de magiër zal in ons leven alleen datgene tot stand kunnen brengen, wat wij zelf eigenlijk reeds veroorzaakt hebben, maar wat voor ons nog niet tot uiting is gekomen. Hij kan voor ons het bewustzijn van bepaalde resultaten van ons leven versnellen, maar meer ook niet. Esoterie? Is dat waarheid, of is het ook waan? Ik geloof, dat de esoterie ook waan is, want de esoterie, ondanks de wijsheid, die zij in zich draagt, heeft een speculatief karakter. Kan er kosmisch gezien een speculatie mogelijk zijn omtrent God of het Goddelijke? Dit zijn toch, zover ik kan vaststellen, vastliggende waarden. Wij kunnen dus nooit beweren, dat wij iets hebben aan magie of esoterie, vanuit een Goddelijk standpunt. Vanuit deze richting van zien zijn zij absoluut nutteloos en onbelangrijk.

Waaraan ontlenen zij dan hun waarde? Aan onszelf. Want de geest is ook gevangen in een waan.

Een waan, die betekent een slechts gedeeltelijk waarnemen van de dingen, die rond ons zijn.

Zij betekent een onvolledig begrijpen van de werkingen, die zich daarin afspelen. En daardoor in zichzelf een foutieve voorstelling van waarden schept, die met zich brengen een verkeerdelijk beleven van de werkelijkheid.  Wanneer ik dus magie ga gebruiken, kan ik de magie eigenlijk nooit gebruiken om die wereld bewust te wijzigen. Ik zal haar slechts kunnen en mogen gebruiken om in mijzelf de verkeerde stromingen aan te passen aan de wereld buiten mij, omdat ik door het magisch gebeuren meer één wordt met de wereld rond mij.

Is die eenwording dan ook waan? Als magisch gebeuren zeker, want het is geen magie, het is alleen een versnellen van de ontwikkeling, die zich reeds binnen ons afspeelt. Met de esoterie is het al precies hetzelfde. Wat kan ik doen met esoterische wijsheden, wanneer ik die niet reeds als een zekere ervaring in mij heb vast gelegd? Hoe kan ik iets geestelijk begrijpen, wanneer het niet al in mij leeft? Wanneer ik dus esoterische studies bedrijf, wanneer ik waarheid zoek in esoterische scholen enz., dan zoek ik alleen een bevestiging van datgene, wat reeds onbewust in mijzelf leeft. De verrijking, die ik dus toeschrijf aan mijn studies, of aan mijn school, is waan.

Ik heb alleen maar een realisatie, van wat ik reeds zelf ben. Noem ik dit een bereiking, die buiten mij ligt, dan is dit wederom een waan, want de dingen, die buiten ons liggen, zoals deze lessen, scholingen enz., brengen ons geen cent verder. Maar door ons daarop te richten, richten wij ons indirect op onszelf. Zo komt uit deze lering voort een zelfbeschouwing, die een zelfrealisatie meebrengt, waaruit een vergroting van zelfkennis voortspruit.

  • Dus het doel is zelfrealisatie?

Ja. Maar is een zelfrealisatie mogelijk? Deze zelfrealisatie is ook weer een waan in die zin, dat zij u de illusie geeft een volledig beeld te hebben verworven, terwijl u in werkelijkheid alleen maar een onvolledig beeld hebt. Maar de zelfrealisatie moet voor ons noodzakelijk zijn, omdat in ons een bewustzijn aanwezig is en het enige kenbare voor ons eigen wezen is, dat wordt vastgelegd door een vergelijking van hetgeen wij in onszelf vinden met hetgeen wij buiten ons vinden. Het totaal van de waarden, die wij in de wereld buiten ons vinden afgedrukt, is gelijk aan de totale bewustzijns-mogelijkheid, die in ons bestaat op dit ogenblik. Zelfrealisatie is dus inderdaad mogelijk en zuiver een deel van de waarheid. Maar zij wordt onmiddellijk tot waan, omdat wij een groot aantal van de waarden, die in ons leven, meestal buiten beschouwing laten.

Ja, bij die waangeschiedenis moet je wel uitkijken, hoor. Want daar zitten een hele hoop haken en ogen in. Dat zit zo: waan is een onwaarheid. Dat weet u, nietwaar? Een begoocheling is een valse voorstelling van zaken. Wanneer je die twee dingen naast elkaar zet op het ogenblik, dan lijkt het wel, dat ik alweer te veel van de waan en te weinig van begoocheling heb gesproken.

Want mijn zelf-erkenning is slechts waan in zoverre ik haar een volledige zelf-erkenning acht.

Maar in de waarde, die zij voor mij veelal betekent, is zij eerder een zelfbegoocheling.

Dan heb ik hier dus de kern waar het eigenlijk, om gaat. Al ons zoeken naar waarheid en al ons streven naar verbetering, onze noodzaak tot verder gaan, komt voort uit het zelfbedrog, waar wij onszelf niet willen of durven zien, zoals wij op het ogenblik zijn, volgens ons eigen wezen.

Wanneer wij in staat zijn om onszelf te realiseren, zoals wij zijn, dan zal de wereld zonder enige verdere activiteit onzerzijds, door ons te confronteren met nieuwe waarden, voortdurend het beeld, dat wij van onszelf hebben, aanvullen en zo een gedeeltelijke en dus onware waarneming maken tot een steeds grotere waarneming, waarbij de onwaarheid kleiner en de waarheid groter wordt. Het gehele bewustzijn is een spel van twee evenwichten. Aan de ene kant de onwaarheid, de waan. Aan de andere kant de waarheid. In al wat wij doen en beleven zijn deze beiden vertegenwoordigd. Naarmate wij dichter bij de waarheid komen aan deze kant, zullen onze uitingen verder in de waan liggen aan die kant. Het eigenaardige is, dat ik de waarheid niet als een gewicht aan de weegschaal kan verschuiven. Ik kan haar slechts uitbreiden. Wanneer ik dus begin met aan twee kanten gelijkelijk waan en waarheid en ik vergroot de waarheid hier, dan zal ik mijn waan ook moeten vergroten. Dat kan ik doen met een kleine vergroting naar buiten toe, of met een grote vergroting naar binnen.

De mensen, die menen, dat zij een volledige zelf-bereiking hebben, vergroten over het algemeen hun waan naar binnen toe. D.w.z. tegenover elke waarheid, die zij erkennen, stellen zij een groter zelfbedrog. Zodat zij eigenlijk een groter hoeveelheid onjuiste vaststellingen van eigen verhouding tegenover de wereld in hun persoon brengen. Degenen, die dat voortzetten tot het uiterste, zijn de volledig dogmatische figuren, die hun eigen waarheid en hun eigen persoonlijkheid samensmelten tot één geheel en zo ook aan hun medemensen trachten op te leggen. Degene, die alleen en eerlijk de waarheid zoekt, zal de waan steeds verder zien verschuiven naar de buitenwereld toe. D.w.z., dat de waarheid, waarin zij leven ten opzichte van de waan steeds toeneemt. Wanneer de waarheid het middelpunt heeft op de weegschaal van het bewustzijn, dan zal echter, waar niet de weerstand van de naar binnen gerichte leugen aanwezig is, het kennen van de waarheid zich ook uit gaan breiden over het negatieve deel van het bestaan.

Naarmate de negatieve waarheid zich nu uitbreidt vanuit het middelpunt naar het uiterste van wat op het ogenblik nog z.g. slecht is, zal de leugen, die buiten de persoonlijkheid werd gesteld en niet in de persoonlijkheid leefde steeds kleiner worden, tot wij uiteindelijk zien, dat de waan volledig door de waarheid vervangen is en de gehele weegschaal van ons wezen de waarheid weegt. Maar het blijft ons nog steeds een weegschaal. In plaats, dat wij nu de echte en de niet echte waarheden tegenover elkaar af gaan wegen, gaan wij nu waarheid tegen waarheid afwegen. Zo kunnen wij, langzaam maar zeker, alle waarden – na ze beschouwd en erkend te hebben plus in tegendelen ervaren te hebben, zowel links dus als rechts – terugbrengen tot het punt van de persoonlijkheid, waarop de gehele waag van het leven balanceert.

Zo komen wij dan tot het ogenblik, waarop er in ons geen tegendeel meer aanwezig is. Wij zijn dan a.h.w. vast gevormd, waar al hetgeen er voor ons mogelijk was aan ervaring, geheel in ons wezen ligt besloten. Dit is dan een stukje esoterie, dat in velen weer een waan wakker kan roepen, waar velen menen, dat inzicht, bewustwording een einddoel is. Op het ogenblik, dat ik alles, ook de waan, in mij gerealiseerd heb via de weg van de waarheid in mijn eigen wezen, heb ik de volmaaktheid van mijn bestaan bereikt en ben ik harmonisch met het Goddelijke, waaruit ik voortkwam. Zo, zegt u daar maar eens wat op. Niets? Wel, hier vloeien verschillende dingen uit voort. Ik hoop, dat u niet denkt, dat dit praatje niet past in deze school.

Nu moet u eens goed luisteren. U denkt, dat dit alles zo moeilijk is om te bereiken. Maar u moet dan maar één ding onthouden: Beter je tien keer te vergissen in de wereld, dan één keer in jezelf. Beter jezelf te bedriegen over al, wat er buiten je bestaat, dan over een waarde, die in je leeft. Als je eerlijk blijft tegenover jezelf, zal de waarheid, die je in jezelf zoekt, uiteindelijk de absolute waarheid in je geboren doen worden en daarmee vanzelf de waan, die buiten je ligt, weg nemen. Maar…… Zoek je de waarheid alleen buiten jezelf en laat je in je wezen waanvoorstellingen regeren, omdat dat zoveel prettiger en gemakkelijker is, dan zul je nooit buiten je de volledige waarheid kunnen vinden. Want naarmate in jezelf de waan toeneemt, zien wij buiten je de begoocheling, het “Maya” toenemen. Zo wordt door de waan een gehele realisatie van de waarheid op den duur onmogelijk gemaakt. Tenzij wij terugkeren tot de diepste sferen waar wij, volledig besloten in onszelf geconfronteerd in voortduring met ons eigen leven en gedachteleven, wel moeten komen tot een althans gedeeltelijke realisatie van waarheden omtrent onszelf. Hebben wij eenmaal een waarheid omtrent onszelf aanvaard, dan kunnen wij weer een graadje hoger stijgen en daar weer verder gaan.

MEDITATIE

ZONNEWENDE

Het licht is bleker en bleker geworden. Korter zijn de dagen geworden. Al het leven en de vruchtbaarheid van de aarde zijn langzaam weggevloeid, tot er alleen maar een koude stilte bleef, voor een ogenblik, gestoord door het bleke licht van de zon.

De zon heeft zich afgewend van een deel van de aarde. Maar men weet dat zij terug zal keren. Want niets is eindeloos in een richting van ontwikkeling in heel het Al. Altijd weer zien wij een terugkeer. Een eb en een vloed van alle licht, van alle kracht, van alle wezen en leven. Door ervaring heeft de mens geleerd, dat op een zekere dag de zon, veraf aan de andere kant van de wereld een aarzelend stilstaan schijnt te vertonen. Men weet, dat de aarde de beweging van haar as langzaam maar zeker wijzigen zal. De helling verandert, terwijl zij draait. Het licht keert terug.

Eerst nog zijn het duistere dagen. Maar er is een nieuwe zekerheid. Van nu af aan gaat de zon weer komen. Nu hoef je niet meer bij te gaan tellen bij al die duistere dagen, maar je kunt af gaan tellen. Nu gaat het licht weer komen, nu komt er nieuw leven en een nieuw ontwaken. Zo’n zonnewende kent haast iedere mens in zijn leven. Er is een tijd, dat het lijkt, of alles vastloopt.

Een tijd, dat de toestanden hopelozer en hopelozer worden. Dat je gebogen in de diepste ellende je afvraagt: “Hoe moet het verder gaan”? Maar dan ineens lijkt het, of er iets verandert. Uiterlijk blijft alles hetzelfde. En toch is er een nieuwe tinteling, een leven. Het is een zonnewende. Heeft het licht van ’s levens gunst en geluk je verlaten, je voelt, dat het terug zal keren. In de diepte van je ellende begin je je alweer voor te bereiden op hetgeen je zult gaan doen, wanneer zo dadelijk het licht van Gods zon, van Gods vrijheid opnieuw in je rijst.

Zoals de aarde viert haar zonnewende, omdat het licht van de zon keert. Zo viert de mensheid een zonnewendefeest, dat symbolisch is: De dag dat het licht eens is geboren, want ook in de wijsheid, die op de wereld verkondigd wordt, is er een komen en gaan. Jezus kwam in de wereld en bracht Licht, Hoop, Kracht en Verlossing voor velen. De dagen van het Christendom werden weer langer. Het Christendom droeg zijn vruchten en werd oud, somber en doods. De dagen werden weer korter. Zeker zal er een ogenblik komen, dat opnieuw een Zoon des mensen geboren wordt op aarde. Dat zal dan zijn een zonnewendepunt in de geestelijke ontwikkeling van de mensheid. Er heeft zich een cyclus afgespeeld van opgang en bloei, van neergang en afstomping, maar er zal weer een stem roepen en zeggen: “Ziet, Ik ben de Weg en de Waarheid!”

Dan zullen de mensen weer durven gaan hopen en gaan rekenen op de betere tijden, die komen. Verwachting! Winterzonnewendefeest is een feest van verwachting. Ook wij kennen allen zo veel verwachting. Wij hopen steeds weer, dat nu het ogenblik gekomen is, dat alles een keer neemt.

Dat nú het ogenblik zal zijn, dat het licht terug gaat komen. Wij hebben meestal de ervaring niet om vast te stellen, of dat wel waar is. Toch is het waar, dat er eens een ogenblik komt in ons bestaan, stoffelijk, zowel als geestelijk, dat de versuffing en verstilling ophoudt. Dat nieuwe rijkdom, leiding en geestelijke kracht ons voeren tot de rijpheid van een nieuw bestaan.

Zonnewende. Het licht keert terug tot ons. Dan juicht men zelfs in het duister. Grote vuren ontsteekt men, om in het licht van de vlammen reeds de voorbode te zien van de komende zon.

Wanneer het duister is in onze harten, duister is in ons leven, mogen wij niet vergeten, dat er ook voor ons een punt bestaat, waarna het niet dieper meer kan gaan. Want ook wij trekken onze banen in de oneindigheid, zoals de aarde dit rond de zon doet. Ook wij hebben een doel, een baan, een beweging. Dit alles tezamen noemen wij ons bewustzijn. Voor ons komt weer het ogenblik, dat ons leven, het stoffelijke of het geestelijke leven, aan de beurt is voor een groeiende zon, voor groter licht. Telkenmale zal het licht ons weer verlaten. Verlaten, opdat wij de rijkdommen, die het geschonken heeft, kunnen verwerken. Het licht is opgegaan in de volheid, die het ons gegeven heeft.

Wanneer die schatten langzaam gaan verbleken, dan klinkt er alweer de vreugdige roep diep in ons wezen: “Nu gaat het licht weer komen!” Dan gebeuren er wonderen. Dan moet je vaak nog een lange tijd wachten voor het licht weer kenbaar, sterk en helder bij je is. De zonnewende valt immers in December? Maar het wordt vaak maart, februari tenminste, voordat de eerste keer weer iets van de zoete balsem van een komend voorjaar in de lucht is te bemerken. Dat duurt lang. Maar wanneer wij die innerlijke zekerheid hebben: Nu gaat er licht komen voor ons en kracht, dan zullen wij geduld hebben om te wachten. Wij moeten geduld hebben om te wachten tot ons licht tot ons terug keert.

Wij allen, stof en geest, wij allen, schepselen uit de oneindigheid geboren zullen eens een tijd kennen, dat er voor ons geen zonnewende meer is, geen geestelijke en geen stoffelijke, omdat er buiten ons geen licht meer is. Dan zijn wij zelf zon. Dan kunnen wij geven uit de volheid van ons zijn zonder minder te worden of te doven. Wanneer die tijd gekomen is, ligt onze baan in God en zijn wij bewust deel van Zijn Kracht. Tot die tijd: Laat ons luisteren naar de stem in ons, die zegt: Nu gaat het beter worden. Nu gaan de dagen lengen. Nu wordt ons het Goddelijk Licht weer helderder en het denken weer zuiverder. Laten wij dan geduldig wachten tot Gods Licht en Wil in ons weer de volheid van hun wezen hebben geopenbaard.

image_pdf