Tempelgeheimen

image_pdf

6 mei 1960

Aan het begin van deze avond herinner ik u er aan, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik ben een minnaar van het verleden en meen dat de moderne mens veel nut zou kunnen hebben van kennis die de wereld reeds vergeten heeft. Vandaar dat ik mijn onderwerp heb genoemd: Tempelgeheimen.

In Egypte lopen op het ogenblik reeds enige oude tempels langzaam en traag onder water. Zij zullen worden verzwolgen door een stuwmeer. Laboratoria, waarin eens de ingewijden hun proeven namen, heiligdommen, waarheen eens de edelsten van het land hun bedevaarten maakten, zullen langzaam maar zeker verloren raken. Zo zijn er in de loop der tijden vele tempels teloor gegaan. In het oerwoud van Brazilië vindt soms een rubbertapper of orchideeënzoeker opeens een ruïne. Enkele stenen zonder meer, waarvan enkelen nog fraai behouwen. Rondom wemelt het meestal van slangen en ander ongedierte. Dan trekt de mens weer weg en laat de relieken van een vergeten tijd over aan de krachten de natuur.

In de jungle van India, in Pakistan, in de verborgen dalen van de Karakorum, begraven in het zand der woestijn, in de Gobi en de Sahara, rusten lang vergeten tempels. De mensheid heeft deze tempels vergeten en de namen van de eens grote Goden, die men er vereerde, zijn ten hoogste nog namen in de mythologie. Toch hebben vele van deze tempels beschikt over krachten, machten en wetenschappen, die de moderne mens wel niet zonder wantrouwen zou beschouwen, maar die toch zijn bewondering en verwondering zouden wekken.

Het klinkt voor de meeste mensen vreemd, wanneer je vertelt dat een telegraafsysteem kan worden vervangen door een stelsel van telepaten. Toch beschikte men in Egypte een tijd over dergelijke verbindingen. Even vreemd klinkt het de mens van heden in de oren het verhaal over de z.g. slapende boden. Deze mensen gaan in trance en leveren dan door het projecteren van een dubbel hun berichten in zeer korte tijd over grote afstanden af. In Azië is deze methode langere tijd gebruikt door tempels en zelfs vorsten. Overigens heeft dit systeem lang stand weten te houden, zodat – zover mij bekend – de laatste boden hun taak volbrachten rond 1500 na Chr. Ook deze systemen en begaafdheden behoorden tot de tempelgeheimen.

In de oude tempels werd onderwezen: geneeskunde, primitieve chemie, kruidenkunde en ook astrologie. Er bestonden geheimen, waarin een leek of lagere priester slechts zeer moeizaam door zou kunnen dringen. Het geheim van deze krachten en leerstellingen is dan ook teloor gegaan. U moet wel begrijpen, dat een dergelijk geheim in de oudheid niet werd opgeschreven, maar het werd van ingewijde tot ingewijde doorgegeven. De laatste sleutel die het gebruik van de kracht mogelijk maakte, werd daarbij vaak pas op het sterfbed doorgegeven van de ingewijde naar zijn uitverkoren leerling. Enkele van deze geheimen zou ik op deze avond nader willen omschrijven, al klinken zij het nuchtere heden wat onwaarschijnlijk in de oren. Naar ik meen, zal de mens, die zelf enige geestelijke ervaring heeft en misschien iets weet van de achtergronden der geestelijke gaven, hieruit conclusies kunnen trekken en zelfs iets kunnen leren.

In de eerste plaats was er dan in de oudheid haast geen tempel die niet het z.g. contact met de Goden kende. Daarbij werd gebruik gemaakt – vooral in het openbaar – van gevoelige mensen die onder de invloed stonden van reukstoffen, vluchtige verdovende middelen dus. In de kleine kring van ingewijden kende men een beter en juister systeem, dat berustte op de methode van concentratie. Dit mag dus niet verward worden met wat wij op het ogenblik kennen onder de naam “spiritisme”. Er was geen sprake van een in bezit nemen, of zelfs maar van uittreding. Er was sprake van een opwekken van bepaalde trillingen, die de krachten verhogen door die gevoeligheid. Hoe dit precies gebeurde, kan ik u in dit korte bestek niet zeggen. In een kleine kring werd deze kracht ongeveer als volgt opgewekt. Men begon met een bepaald ritmisch mediteren. Hierbij werden gedachten volgens een bepaald patroon met elkaar afgewisseld. In sommige oude friezen zien wij nog dansende figuren afgebeeld, die door hun symbolische houdingen als zinnebeeld kunnen gelden voor de geestelijke beweging van deze meditaties. Onder meer zien wij hierbij een afwisselend zich concentreren op het licht van de zon en de maan, afwisselende concentratie op verschillende kleuren.

Ook kende men een systeem, waarbij elk der aanwezigen een eigen en afzonderlijk opgegeven meditatie- en concentratiepunt had. Op deze wijze werd een zeer grote scala van trillingen opgewekt. Het woord “trillingen” is overigens haast onvoldoende om het geheel van elektrische, magnetische, laag- en hoogfrequente of kosmische fluctuaties weer te geven. Degene, die zich in het centrum van een dergelijke kring bevond, kon zich, dank zij zijn scholing, ook gans bewust in contact stellen met vele verschillende sferen en kon inzicht verkrijgen in de drijvende factoren van verschillende tijden – het heden zowel als het verleden – en was zelfs in staat een verplaatsing van gedachten naar andere werelden te bewerkstelligen, zonder dat een bewustzijn van zijn feitelijke verblijf en de daar bestaande mogelijkheden hierdoor beperkt werden.

Indien men dit op het ogenblik nog zou kunnen, zou het ongetwijfeld nuttig zijn. Men droomt immers in deze dagen van de geheimen die verborgen liggen achter de nevelschichten van Venus en de mogelijke overblijfselen van oude beschavingen, die op Mars nog te vinden zouden kunnen zijn? De mens, die de omschreven kracht nu weet te hanteren, kan daar in de geest heen gaan, kan zien, wat daar gebeurt. Hij kan deze dingen beschrijven en over het algemeen bediscussiëren. Wanneer zijn concentratie sterk genoeg is, zal hij zelfs in deze toestand omtrent hetgeen elders wordt waargenomen, van zijn woorden enige schetsen kunnen vervaardigen. In de Oudheid gebeurde dit ook wel en hiervoor gebruikte men platen van natte klei, waarin de lijnen en omtrekken met de vinger werden aangeduid.

Men heeft zich waarschijnlijk wel eens afgevraagd, hoe die oude priesters zo een groot inzicht hadden omtrent de wereld en hetgeen er op gebeurde. Verbluffend is bijvoorbeeld hun kennis omtrent de bolvorm van de aarde, terwijl uit oude geschriften blijkt, dat zij in staat waren de onderlinge relatie tussen aarde, zon en maan juist te berekenen, ja, zelfs hun berekeningen vervolledigden door de sterren en hun invloeden mede te bezien. De bekende dooddoeners als: astrologisch bijgeloof, of zoeken naar de krachten der Goden, kunnen wij – gezien de feitelijke kennis, die de Ouden vertoonden – wel terzijde laten. Zelfs de oudste astrologie en astronomie heeft immers – in China vinden wij daar nog overblijfselen van – niet alleen de planeten en enkele sterren maar zelfs het wezen van enkele sterrennevels gans juist beschreven. Tegenwoordig protesteert men tegen de invloed, die – volgens de Ouden – van deze nevels, sterren en planeten uit zou gaan. De signalen die men in het heden door radioscopen op tracht te vangen, werden in de Oudheid reeds geconstateerd, dank zij de grote gevoeligheid, die, volgens het vooromschreven systeem, kon worden gebruikt. Laat ons dit niet vergeten. Dat daarnaast de interpretatie van deze feiten voor de massa anders waren dan heden, hoeft ons niet te verwonderen. De tijd en dus ook de mentaliteit van de massa was immers anders. Voor de werkelijk ingewijden was een zeer grote kennis te bereiken. Het werkelijke geheim van de tempel was in dit geval het systeem van het zich concentreren op een bepaald brandpunt, het van vele ingewijden opnemen van krachten – die steeds op een ander gebied zijn afgestemd – om een zo volledig en kosmisch mogelijk beeld te verkrijgen van hetgeen men onderzoeken wil.

Dit systeem wordt nog hier en daar bewaard in wat ik de reservaten van de Witte Broederschap zou willen noemen. Verder kent men dit niet meer en maakt men er ook geen gebruik meer van. Een ander tempelgeheim, dat gans teloor is gegaan, is voor de moderne mens al even eigenaardig en onwaarschijnlijk. Men had in de Oudheid de mogelijkheid tot het regenereren en hernieuwd doen ontstaan van weefsels ontdekt. In de periode van Atlantis en de tijd van de grote steden rond de Middellandse Zee waren bepaalde priesters in staat weefsels, die vervallen waren, opnieuw tot kracht en normaliteit te brengen, terwijl enkelen zelfs in staat waren ledematen, die – bijvoorbeeld door amputatie – teloor waren gegaan, terug te doen groeien. Dit kan niet vergeleken worden met de methode van grafting, die men tegenwoordig al aardig beheerst. Ook hier blijkt het geheim eenvoudig, wanneer men uitgaat van het oude geloof en weten.

Wanneer een mens geboren wordt, ontvangt hij in de eerste plaats een vaste hoeveelheid levenskracht. Deze ontvangt van buitenaf weer grote reeksen van trillingen en stimulansen. Naarmate de wordende mens zich meer gaat specialiseren en dus meer cellen ontstaan, blijkt, dat de cellen op zich gaan functioneren als ontvanger voor zeer bepaalde soorten van krachten en stimuli. Wij hebben hier dus niet alleen te maken met lichamelijke omzettingsprocessen, maar ook met stralingen en potentialen. Zo goed als u vanuit uw omgeving geestelijk velerlei krachten op kunt nemen, kunnen ook uw weefsels bepaalde krachten aan de omgeving onttrekken. Elk weefsel kan enkel één bepaald soort kracht in zich opnemen. Dit houdt in, dat een spierweefsel anders zal reageren en andere krachten nodig zal hebben als bv. een long, een nier, een hartspier. De hersencellen vergen geheel andere stimulansen en stralingen als het beenderstelsel, enz. De oude priesters hadden dit uitgevonden. Zij wisten volgens de huidige ideeën misschien betrekkelijk weinig van het lichaam. Zij wisten er genoeg van om, door geestelijk zich in te stellen, om de verschillen te ontdekken en de juiste stralingen en andere stimulansen op te wekken. Oorspronkelijk geschiedde dit geestelijk, dus alleen door concentratie, veel later zien wij dit proces voor een deel overgaan in een mechanisch proces.

Het eerste en grootste geheim van de tempels was het herkennen van de werkelijke oorzaken, lichamelijk en geestelijk, die de aanleiding waren tot de fout. Men deed dit door het aflezen van de aura en het zo vaststellen van de ontbrekende trillingen. De geneeswijze begon altijd en bestond geheel uit het in zeer sterke concentratie aan geheel het lichaam toevoegen van deze trillingen. Het gevolg hiervan is, dat alle celbouw kan worden gericht op de punten waar een tekort is vastgesteld. Weefselbouw en vernieuwing van weefsel vinden onder deze druk in versterkte mate plaats. Zelfs gaat dit vaak ten koste van de zwakkere cellen elders, in de niet met de fout verwante weefsels. De mechanische stimuli, die gebruikt werden, bestonden in het begin van dit proces hoofdzakelijk uit geluiden. De bekende klokkentortuur van de Chinezen is afgeleid van een geneesmethode, waarbij men de mensen onder een klok bracht, die op een bepaalde toon zeer nauwkeurig was afgestemd en in een regelmatig ritme werd aangeslagen. Toen men ontdekte, dat vooral lage tonen niet alleen het gevoelsleven beïnvloeden, maar bloedvaten kunnen doen springen en de mens tot waanzin kunnen drijven, heeft de leek al snel het principe overgenomen, zonder de achtergronden te begrijpen. Vandaar de martelmethode, die veel langer dan het tempelgeheim in de geschiedenis is bewaard gebleven.

Een overblijfsel van deze mechanische methode vinden wij in deze dagen nog terug in het systeem der acupunctuur. Hierbij worden stimuli aan het zenuwstelsel toegediend met zilveren of gouden naalden. Beide metalen worden alleen voor bepaalde zenuwpunten gebruikt. De impulsen, die zo worden opgewekt, zijn ongeveer gelijk aan de vroeger gebruikte, maar zijn veelal zwakker. Bovendien ontbreekt in het huidige systeem de aanvulling van de prikkels met het uitschakelen van voor de zieke delen belangrijke trillingen. Hieruit kunt u wel de conclusie trekken, dat niet alleen een primitieve geneeskunde, maar wel eigenlijk ook een meer bovennatuurlijk genezen door de ingewijden in de tempels beheerst werd.

Ook een ander tempelgeheim is nu nog wel bekend. Schrijvers als Ovidius, Homerus enz. vertellen ons in hun verhandelingen en heldendichten, hoe de priesters van sommige landen in staat waren hun gelovigen de meest fantastische beelden te laten zien. Uit het werk van deze schrijvers vernemen wij bijvoorbeeld, hoe sommige priesters zich bij grote feesten geheel weten te omgeven met een stralenkrans – zichtbare aura – slangen uit het niet doen ontstaan en weer laten verdwijnen, rond zich zwermen van vogels – vaak duiven – rond zich doen ontstaan en weer doen verdwijnen, enz. Overigens is het aardig op te merken, dat de duif veelal als een Venussymbool werd gebruikt en zelfs in Griekenland en Rome – in Rome de laatste in het jaar 163 na Chr. – priesteressen bestonden, die de kunst van het roepen der vogels verstonden en zo met levende vogels soortgelijke effecten wisten te bereiken. De kunst vogels als uit het niet te doen ontstaan en weer te doen verdwijnen, was toen reeds teloor gegaan.

Hierbij gaat men uit van de idee, dat elk levend wezen aan een bepaalde geestelijke kracht – zeg groepsgeest – onderdanig is. Elke instelling op die groepsgeest met voldoende intensiteit en kracht zal dan volgens deze leer de wezens scheppen, waarvoor die groepsgeest verantwoordelijk is. Neemt men de kracht terug, dan zullen ook deze wezens snel weer verdwijnen. Op deze wijze was het niet enkel mogelijk duiven en slangen, maar ook krokodillen, leeuwen e.d. als een soort chimaera bij klaarlichte dag te doen ontstaan en weer te doen verdwijnen. Zover mij bekend, werd het scheppen van tijdelijke dieren het laatst door bepaalde zwart-magische ingestelde priesters van Osiris gedaan in enige Griekse kustplaatsen. Men beheerste niet alleen de kunst van de massahypnose, maar wist beelden te scheppen, die niet afhankelijk waren van de suggestibiliteit en goedgelovigheid van de massa. Men kon onder elke conditie zo zeer eigenaardige schouwspelen uit de eigen gedachten naar de werkelijkheid projecteren en – zij het tijdelijk – als een realiteit voor anderen verwerkelijken. Dit berustte op een kennen van natuurkrachten, die voor de levende wezens bezielend werkten en het gebruik van de verhouding tussen de mens en deze wezens. Het zichtbaar maken van de aura berustte op een gebruik maken van krachten, die men aan de luchtgeesten toeschreef. Ook wanneer wij niet in het bestaan van luchtgeesten wensen te geloven, zal het nog duidelijk blijken, dat wij door de omstandigheden in de atmosfeer rond ons te veranderen, wij verschijnselen die op het noorderlicht gelijken, zullen kunnen opwekken. Statische elektriciteit e.d. kan men bij deze wijze van verklaren dan mede aanhalen.

Een ander geheim leeft op het ogenblik nog in N. Afrika. De Kafirs, Bantoes, hebben in hun midden ook nu nog mensen, die deze kunst beheersen. Het is het in harmonie zijn met krachten of plaatsen elders op de wereld. Je kunt zelf dienen als een soort zoeker naar bepaalde verschijnselen, wanneer je je eenmaal daar op hebt afgestemd. Ook wanneer je niet je van die afstemming meer bewust zou zijn, zal toch, zolang de geschapen voorwaarde, omstandigheid in het ik blijft voortbestaan, elke toestand die met de afstemming overeenkomt – waar ook ter wereld – als een beleving of visioen in het Ik weerkaatst worden. In dit geval kan ik zelfs enige voorbeelden uit de laatste tijd aanhalen: in 1897 werd een aantal onderzoekers, die in het binnenland van Afrika op trek waren, zeer getroffen door de beschrijving van een oorlog, die hen door een eenvoudige neger werd beschreven. Deze oorlog zou volgens de beschrijving worden uitgevochten in het noorden van Afrika tussen een stam van negers en Arabieren. Door dezelfde man werd verteld over het leger van een geestelijk hoofd, zeer waarschijnlijk de Mahdi. Men maakte hiervan aantekeningen en men moest tot hun verbazing vaststellen, dat de beschreven gevechten inderdaad en wel op de tijd van beschrijven, plaats hadden gevonden. Een ander voorbeeld: een paar boeren waren op zoek naar goud en mineralen. Zij hadden als bedienden een paar Kafirs bij zich. Een van dezen maakte op een avond een boer wakker en zei hem: “Baas, uw huis brandt”. De afstand bedroeg rond 200 mijl. Bij terugkeer bleek, dat het tijdstip van de brand en al, wat de Kafir daaromtrent had medegedeeld, letterlijk klopte.

In deze tijd golden dergelijke gevallen als uitzondering. In de Oudheid kwam dit alles veel meer voor. Wanneer men de oude ingewijden van bepaalde tempels kon bereiken, was het voor hen heel normaal om op een vraag mede te delen: de vorst van dit land doet op het ogenblik dat….

Er zijn meerdere gevallen bekend, waarbij een deputatie van de tempel een vorst kwam verzoeken zijn stad in staat van verdediging te brengen, omdat een aangeduide vijand voorbereidselen trof tot een aanval. In vele gevallen noemde men daarbij ook de tijd waarop een dergelijke aanval verwacht zou kunnen worden. Hierbij was geen sprake van gewone helderziendheid, maar van een tussen tempels en voor de tempel belangrijk zijnde plaatsen bestaand contact op de vooromschreven wijze.

Ook voor de doorsnee mens is het na enige tijd mogelijk op deze wijze contacten over de gehele wereld te leggen, die men van persoon tot persoon kan leggen. Ook de sluimerende telepathische vermogens van de mens kunnen op deze wijze geactiveerd worden. Op het ogenblik bestaat er bv. een telepathisch netwerk, dat bijna geheel de wereld omspant. Ook blijkt het mogelijk zich in te stellen op een bepaalde groep of plaats, waarbij de concentratie wordt gevolgd door een bevel, dat een wekprikkel veroorzaakt op het ogenblik, dat daar een bepaald besluit valt, of een bepaalde handeling wordt gepleegd. Op deze wijze kan men voortdurend in voeling blijven met alles, wat belangrijk voor je is.

In de oude tijden betekende deze wijze van contact en communicatie voor de tempels een groot deel van hun macht en bezorgde hen vele voordelen. Niet alleen dat zij door de – vaak vervalste – openbare orakels, indien hen dit nuttig scheen veel te zeggen omtrent de te verwachten ontwikkelingen en gebeurtenissen, maar zij konden ook speculeren. Bepaalde Indische kloosters pleegden bv. te speculeren door sommige handelswaren op te kopen. Altijd placht op dergelijke aankopen een schaarste te volgen, zodat dergelijke speculaties praktisch nooit misliepen.

Egyptische tempels hadden de gewoonte te speculeren met bepaalde oogstproducten. Wanneer de tempels buiten hun schatting, nog graan kochten, kon men er zeker van zijn, dat graan in de komende tijd schaars zou zijn. Wanneer de tempels bier begonnen te brouwen, het bier in kruiken begonnen op te slaan, kon men er wel zeker van zijn, dat bv. door een expeditie van de Farao het in de omgeving aanwezige bier zou worden opgevorderd. Op deze wijze kon men grote winsten maken. Nu zou ik u nooit de raad geven een dergelijke gave voor de handel te gebruiken, maar deze krachten bestaan heden nog. Het tempelgeheim was hier de methode, waardoor men het Ik zo kon afstemmen, dat het geheel harmonisch was met mens, plaats, of toestand. Ook voor het langer in stand houden van deze harmonie kende men bepaalde methoden.

Het volgende tempelgeheim dient tevens als sluitstuk voor de kleine reeks van tempelgeheimen, die ik u wilde voorleggen. In de verre Oudheid aanbaden de toen nog niet in vorm geheel mens zijnde denkende wezens vurige zuilen, die uit gestampte aarde of uit klei vervaardigde verhogingen pleegden te verschijnen. Later werden soortgelijke vurige zuilen opgewekt door de magiërs van Atlantis. De kracht van deze zuilen bevatte gelijktijdig bescherming en openbaring. Van bepaalde Egyptische magiërs, priesters, weten wij, dat zij onder omstandigheden op bepaalde terreinen dergelijke vurige zuilen wisten te stellen. Vijanden, die binnen de getrokken cirkel traden, werden geslagen met tijdelijke of blijvende blindheid, duizelingen enz. In de Bijbel lezen wij, hoe Jahweh aan het volk van Israël voorgaat in de gestalte van een vlammende zuil bij nacht en een rookkolom bij dag. Er zijn nog meer van deze voorbeelden aan te halen. Het aantal tempels, dat op gelijksoortige verschijnselen is gebaseerd, of daarvan gebruik maakt, blijkt zeer groot. Wij vinden dit verschijnsel nog tot 300 v. Chr. Het opwekken van deze zuil wordt nog gepraktiseerd door de hoogste groep der Phytagoreën Phytagorean en zelfs rond het begin van uw jaartelling nog gebruikt bij bepaalde Griekse inwijdingsmysteriën.

Men beschrijft de zuil vaak als een vuur, dat niet brandt. Verder horen wij, dat het een tintelend vuur is, dat het gebruikt kan worden om zieken in te baden en te genezen, dat men het gebruikt als een soort Godsoordeel, terwijl dergelijke zuilen bovendien nog in staat blijken vurige pijlen op vijanden af te schieten.

Het wezen van deze zuilen toont een grote overeenkomst in wezen, werking en frequentie met het door de bewuste mens wel opgewekte slangenvuur. Het wordt buiten de mens geschapen door een concentratie van kosmische krachten, plus een werveling van plaatselijke krachten of gedachtekracht. Wat ontstaat, doet ons denken aan een windduiveltje, het vuur schijnt in een voortdurende werveling te zijn. De bescherming is klaarblijkelijk niet gericht op bepaalde mensen. Het is dan ook onmogelijk te stellen: Door de zuil moet deze of gene mens worden gedood. Sterk reageert de zuil op gedachten. Iemand, die met gedachten van aanval een gebied betreedt dat door een zuil beschermd is, krijgt een reeks van krachten te verwerken, die een hartcollaps tot stand kunnen brengen.

Het geheim van deze zuilen is eenvoudig. In elke mens schuilen Goddelijke krachten. Deze zijn de kern van zijn bestaan. Indien men zich bewust is van de ziel, kan men deze innerlijke kracht in harmonie brengen met elke plaats op de wereld. Men kan door sterke concentratie daar een kracht doen ontstaan, die gelijk is aan het totaal der zendbare krachten, die in u berusten. Deze kracht blijft op die plaats aanwezig, ook wanneer men eigen denken terug neemt. Daarna kan, na een korte onderbreking, hetzelfde proces worden herhaald, waarbij de kracht wordt verdubbeld enz. Zo ontstaat een lichtende zuil, die vaak een soort paarlemoereffect vertoont. In het begin, in de eerste fase, is een dergelijke zuil alleen te zien voor helderzienden. Wanneer het proces enkele malen herhaald is, ontstaat een zuil die voor elk wezen zichtbaar is. Wanneer deze zuil door een tegengerichte kracht wordt aangetast, geeft zij een deel van haar kracht af.

Wanneer een haatgedachte een zuil, die op harmonie is gesteld, beroert, zal het afgeven van kracht dan de “vurige pijl” veroorzaken. Om dit te kunnen doen, moet je over zekere kennis en zekere beheersing beschikken. Je moet dus een soort ingewijde zijn. Laat ons daarom eens nagaan, wat die oude priesters eigenlijk waren en wat zij eigenlijk wisten. Gezien vanuit het standpunt van een gemiddelde schooljongen waren zij zeker geen geleerden, of zelfs maar knappe koppen. Zij konden meestal lezen en schrijven. Zij deden dit met minder snelheid en juistheid dan een kind, dat de eerste twee klassen van de lagere school doorlopen heeft. Sommigen onder hen waren misschien goede schrijvers, rekenaars, of wiskundigen. Ook waren er ingewijde priesters, die het zelfs moeilijk viel verder dan tot tien te tellen. Er waren kenners van kruiden en natuurverschijnselen onder hen, maar ook mensen, die van kruiden en natuur niets afwisten. Zij allen hadden slechts één ding gemeen. Daardoor waren zij gezamenlijk de ingewijden van hun tijd. De gemeenschappelijk waarde was niets meer of minder dan de zeer sterke en intense wil om te bereiken op dit gebied. Zonder deze sterke en intense wilsinspanning kon klaarblijkelijk op dit gebied weinig of niets tot stand worden gebracht.

De oude ingewijden beschikken over grote reeksen van geheimen. Een groot deel van deze geheimen is niet uit te drukken in redelijke termen. Misschien dat de moderne wetenschap met veel moeite een deel van deze geheimen en de daarbij behorende verschijnselen zou kunnen gaan verklaren, maar dan zou zij waarschijnlijk toch eerst enkele stappen vooruit moeten gaan en zeker niet meer zo beperkt moeten denken. De ingewijden wisten niet “hoe” en slechts zeer weinig van het “waarom”, maar zij wisten, dat deze krachten bestonden en leerden ze te gebruiken. Zoals er op het ogenblik veel mensen, die wel een auto hebben, maar niet in staat zijn een foutje in de motor te vinden, of zelfs het proces in de motor geheel te begrijpen. Toch kunnen zij heel goede chauffeurs zijn. Ongeveer zo moeten wij de priesters van de Oudheid zien. De priesters waren eenvoudige mensen, die in de meeste gevallen een bepaalde kracht als vehiculum voor hun wezen gebruiken, zonder zich van die kracht, haar wezen en haar werking gans bewust te zijn. Door hun wil waren zij in staat die kracht zó te richten, dat zij de verlangde resultaten konden bereiken.

Natuurlijk zijn er ontelbaar veel geheimen geweest in de oude tempels, want elke tempel kende nog wel eigen procedures. Door alle tijden heen vinden wij nog wel mensen die zich gespecialiseerd hebben op het bereiken van een bepaalde kracht, een bepaalde bereiking, of  werking. Het is dus niet aan ons de verschillen verder te omschrijven. Laten wij het zo stellen: De huidige aardse wetenschap heeft weinig of niets te doen met de hantering van deze krachten. Het zijn hoofdzakelijk een innerlijk beleven en een innerlijke kracht, die verantwoordelijk moeten worden gesteld voor hetgeen bereikt werd. De wil, een sterke wil, is daarbij noodzakelijk om de krachten op de juiste wijze te richten.

Dan is er nog een punt. Overal, waar wij bij ons onderzoek in het verleden dergelijke ingewijden – of wonderdoeners – aantreffen, vinden wij, dat zij ofwel het zwarte, dan wel het witte Licht kenden. Dit zijn omschrijvende termen. Onder het zwarte licht verstaat men een soort duisternis, waarin je toch kunt zien. Het is een innerlijk beleven en zou wel het licht van de afgrond, of de duistere sferen kunnen heten. Het witte licht daartegen is een miljoenvoudige intensifiëring van eigen beleven, waardoor kosmische krachten kunnen worden beseft en voor een kort ogenblik een kosmische beleven mogelijk blijkt. Deze beide factoren blijken steeds weer een zeer grote rol te spelen bij de bereikingen van de machtige ingewijden en wonderdoeners, die, vanuit het huidige standpunt, wetenschappelijk vaak kinderen waren, maar toch hun oude tempelgeheimen wisten te gebruiken op een wijze, die veel van hetgeen nu de moderne techniek met veel moeite mogelijk maakt, ook langs geestelijke weg binnen hun bereik bracht.

  • Bij Inayat Khan vinden wij beschrijvingen die aan het door u vertelde herinneren. Hij spreekt van wijze mannen, die in het dorp op een plaats blijven zitten, daar nooit vandaan gaan, maar toch wonderlijke dingen weten te doen.

Hetgeen waar Inayat Khan op zinspeelt, is eigenlijk niets meer of minder dan de overblijfselen van de oude priesterorden. Nu u dit punt ter sprake brengt, is het misschien wel aardig er op te wijzen, dat ook in Nederlands Indië wijze mannen waren, die hetzelfde deden. Op Madoera kon men ze vooral nog aantreffen. Zij gaven onderricht aan de jeugd, zaten onder de dorpsboom en hielpen de mensen beslissingen te nemen. Daarnaast geven zij voorspellingen, raad bij genezingen, etc. Men moet overigens deze wijzen niet met de doekoens verwarren. Een dergelijk soort mensen vinden wij in geheel Azië. Het is nog niet zo lang geleden, dat dergelijke begaafde zwervers ook in Europa voorkwamen. Misschien dat de laatste onder hen nu onder de Seinebruggen huist, vermomd als een clochard, want enkelen zijn ook in Europa nog ontkomen aan de steeds worgende greep van de om zich grijpende normalisatie.

  • De Metamorfosen van Apulcius beschrijft de ervaringen bij de inwijding. Hij beschrijft enkele dingen om dan te zeggen: “Van het verdere, wat ik heb ervaren, begrijpt u toch niets”. Ook zegt hij:” Ik ging door het rijk van Proserpina, ik zag de Goden van aangezicht tot aangezicht” enz. Ik neem aan, dat hij hier op de door u beschreven krachten zinspeelt?

Hij beschrijft hier de normale inwijdingsgang, die inhoudt: Het kennen van de dood, het aanvaarden van de dood, het overwinnen van de dood, met daardoor een erkennen van het leven, waardoor een erkennen van het Goddelijke mogelijk wordt. Uit het erkennen van het Goddelijke keert men dan weer naar zijn wereld met een nieuwe gestalte, een nieuwe taak en een nieuwe levensinhoud. Bij het beschreven geheel kunnen de verschillende tempelgeheimen wel tot uiting komen, maar ook zonder de inwijdingsgang zijn die krachten in de Oudheid veel gebruikt. Zij waren een erfdeel van de tempel. Zij waren in de eerste plaats het gevolg van een scholing die weliswaar ook inwijding wordt genoemd, maar toch niet in de eerste plaats op de grote geestelijke inwijding berust. In elke tempel waren er slechts enkelen die een geheim bezaten. Dit werd steeds van mond tot mond overgeleverd. Een uitbreiding van het aantal ingewijden vond nooit plaats. Wanneer er een mens was, die bv. een lichtende zuil kon vormen, dan gaf hij dit geheim niet aan meerderen over, doch slechts aan één enkele uitverkoren leerling. Deze overgave vond na rijp beraad plaats en werd meestal volbracht kort voor de overgang van degene, die het geheim kende, dan wel kort voor deze zich in de eenzaamheid terugtrok, van waaruit hij op dit gebied niet meer werkzaam zou zijn. Er zijn dus wel verschillen.

Overigens dank ik u voor uw opmerkingen, waaruit blijkt, dat in de geschriften uit de Oudheid, die men nog heden kent, over de besproken tempelgeheimen en soortgelijke verschijnselen nog veel vernomen kan worden.

  • U spreekt over deze tempelgeheimen, maar hebben deze voor ons nog betekenis, of krijgen zij dit?

Ik ben ervan overtuigd, dat, wanneer de huidige fase van technologie en technocratie ten einde gaat, de mens terug zal moeten grijpen op vele van de vroegere geheimen. Niet zozeer omdat de techniek hem geheel in de steek laat, dan wel, omdat hierdoor de mogelijkheid bestaat een beschaving te vormen, die groter is, beter is en verder in de geestelijke waarden doordringt dan een beschaving die alleen op techniek en technische bereikingen gebaseerd is.

Wij voorzien dan ook, dat de genoemde begaafdheden ook in het heden steeds meer ontwikkeld zullen worden en zijn ervan overtuigd, dat reeds nu zo hier en daar individuen bestaan, die deze krachten weer leren beheersen, verwerken en gebruiken.

  • Rhino bv. De kennis van deze krachten is toch praktisch verloren gegaan?

Rhino tracht het bestaan van deze en soortgelijke krachten wetenschappelijk te bewijzen. De oude geheimen en het gebruik van deze krachten is inderdaad voor de gemeenschap verloren gegaan. Natuurlijk worden dergelijke geheimen op den duur wel weer aan enkelingen medegedeeld, hoofdzakelijk door inspiratie, maar dit alles is afhankelijk van de geestelijke instelling van de persoon, diens wijze van leven, enz. Bovendien dienen dergelijke krachten en hun wezen in deze tijden, evenals vroeger, geheim te worden gehouden, zodat iemand, die deze krachten kent, daarover niet vrijelijk met anderen zal kunnen spreken, of zonder meer de toepassing daarvan aan anderen zal mogen vertonen. Daarvoor zijn de tijden nog niet rijp.

  • Begrijp ik goed, dat de tempels in Egypte al onder water staan?

Ja, naast de tempels van Abu Simbel en Philae zijn er nog andere geweest. De overblijfselen daarvan zijn reeds nu door de wateren verzwolgen. Overigens is het water al zo hoog, dat een breken van de dijk, die de grote en kleine tempel van Abu Simbel beschermt, inhoudt, dat deze tempels reeds voor een groot deel onder water staan. Men wil trachten enkele van de oude heiligdommen nog te redden, maar dit zijn vaak niet de tempels en heiligdommen, die vroeger geestelijk het meest belangrijk waren. Het zijn de heiligdommen die het beste geconserveerd zijn en dus tegenwoordig het meest spectaculair zijn. Er zijn van de vroeger voor het geestelijk leven zeer belangrijke kleinere tempels al ettelijke verzwolgen.

  • Jonge kinderen kunnen de door u genoemde krachten normalerwijze allen voelen. Ik heb vele kinderen getest, maar de volwassen mens blijkt niet gevoelig meer te zijn.

Dat is logisch. Het proces van beschaving en aanpassing aan de maatschappij betekent tevens een specialisatie van de mens, zijn waarnemen en denken. Elke specialisatie die te ver wordt doorgevoerd, betekent tevens een wegvallen van andere mogelijkheden en vaak een absoluut onbegrip voor waarden, die niet binnen het kader van deze specialisatie vallen. De scholing, die de mens doormaakt binnen de maatschappij, is dan ook voor hem veelal een grote belemmering, die het haast onmogelijk maakt bepaalde geestelijke krachten en kosmische krachten nog waar te nemen, of aan te voelen.

  • Maar dit veroorzaakt dan vele en grote conflicten, omdat de mens toch de gevolgen van die krachten ervaart en deze niet zonder meer in zijn normale denken weet onder te brengen.

Op het gevaar af, dat u mijn uitspraak cynisch vindt, wil ik hier toch allereerst opmerken, dat de kunst, die de mens het beste geperfectioneerd heeft, de kunst is verschijnselen niet op te merken als zij niet passen in het systeem, dat hij heeft uitgedacht. Het aanvaarden van onzichtbare en in het menselijk denksysteem niet onder te brengen krachten zou het leven van de mens gemakkelijk en redelijker kunnen maken. Wij doen natuurlijk wel moeite dit zo nu en dan onze toehoorders onder het oog te brengen, maar degenen, die hier komen, zullen à priori niet afwijzend tegen deze krachten staan. Degenen, die dit vooral zouden moeten horen, zullen voor onze wijze van werken en betogen reeds bij voorbaat oren en ogen sluiten. Zij vluchten dan ook weg met kreten als: “Dit is demonisch, dit is oplichterij, zelfbedrog, hysterie”, e.d. Het wegpraten van ongewenste verschijnselen is iets, wat niet alleen in godsdienst en politiek, maar ook bij de wetenschap op het ogenblik hoogtij viert. U hoeft dit niet zo van mij aan te nemen. Denkt u maar eens na over de kwestie van het kankervirus. Wij hebben hier reeds 5 – 10 jaren geleden uitvoerig over gesproken. Door wetenschapsmensen is de mogelijkheid en de noodzaak deze verder te onderzoeken vele malen naar voren gebracht. Maar bij de meeste mensen was de houding: het kan niet gevonden worden, dus bestaat het niet. Op het ogenblik werkt men bv. in Rusland al met een antiserum, waardoor het tot stilstand brengen en zelfs genezen van kanker in bepaalde gevallen mogelijk is. Maar in het westen wil men er nog niet geheel aan. Men zou dan immers, wat men tot nu toe over kanker geleerd heeft, terzijde dienen te stellen en nieuwe behandelingsmethoden dienen te aanvaarden.

  • Men is hier in Nederland dan ook vaak 50 jaar ten achter.

Laat ons over de tijd, die men hier achter is, niet twisten. Men noemt de Nederlander vaak “de Chinees van Europa”. Ik zou hem “de fakir van Europa” willen noemen, want de Nederlander is wetenschappelijk soms in staat jarenlang onbeweeglijk onder de levensboom te blijven zitten, steeds maar starende naar een kat, die het vertikt uit zichzelf naar beneden te komen.

Radiësthesie.

Eenvoudig vertaald is radiësthesie niets anders dan pendelen. Men maakt hierbij gebruik van een slinger die op een bepaalde wijze is opgehangen. Het ophangen geschiedt onder meer aan een zijden koord, aan een mensenhaar, of aan een snaar. Die snaar is dan meestal van een dierlijke stof gemaakt. De pendel zelf, het slingergewichtje, kan bestaan uit glas of kristal, vooral uit loodglas, uit lood, koper, koperbronslegeringen, hout en vuursteen. Men zou er over kunnen redetwisten, welke pendelsoort de voorkeur verdient. Zij hebben allen één ding gemeen: Zij moeten geleider zijn voor krachten, die de mens uitstraalt en dienen onder invloed van deze menselijke uitstraling gevoelig te zijn voor andere uitstralingen. In de meeste gevallen zal de mens het pendel met de hand vasthouden. De vrije slingeringen van de pendel kunnen dan aangeven, waar bv. een ziekte schuilt, waar iets verborgen is, waar een bepaalde ontwikkeling te verwachten is. Het moest gebruikt wordt het pendelprincipe voor iets, wat op een spelletje lijkt. Men bindt dan meestal een trouwring aan een mensenhaar en bepaalt op deze wijze het overheersende geslacht van planten, dieren enz. Hierbij geldt dan dat mannelijk slingert, vrouwelijk draait. Op deze wijze kan de pendel zelfs gebruikt worden als een soort ouiabord. Men pendelt dan letters uit, waardoor een spiritistische boodschap zou worden overgebracht. Wanneer men spreekt over radiësthesie, komt het voornamelijk aan op het vaststellen van ziekten en daarmede in verband staande zaken. Ook zoekt men wel naar verloren voorwerpen of personen, maar dat komt – zolang men deze benaming gebruikt – toch wel op de tweede plaats.

U dient goed te beseffen, dat, zolang een mens de pendel hanteert, diens gedachten en impulsen onbeheerste en niet bemerkte bewegingen zullen veroorzaken. Dit brengt met zich, dat de mens, die niet voldoende beheerst is, te veel onbewuste bewegingen aan de pendel mede zal delen, om betrouwbare gegevens door middel daarvan te kunnen verkrijgen. Bij de z.g. standaardmethode wordt de pendel, om onbewuste beïnvloeding van de pendel te voorkomen, vast gemaakt in een standaardje, dat meestal van hout gemaakt is. De hand van de pendelaar zal dan licht op de standaard rusten. De resultaten, die zo worden verkregen, zijn al veel betrouwbaarder. Het bezwaar is vaak, dat de standaard niet voldoende wordt vastgezet, zodat via de standaard toch onwillekeurige bewegingen zullen worden overgebracht op de slinger.

Heeft men de standaard goed vastgezet, dan blijkt, dat, ondanks alles de pendel toch gaat bewegen. Dit geschiedt weliswaar niet zo snel en met zo felle reactie als vanuit de mensenhand, maar de bewegingen zijn onloochenbaar. Dat de bewegingen niet zo snel en krachtig zijn, is overigens wel te begrijpen. Er moet immers meer afstand en weerstand overwonnen worden.

Dit mag menigeen een nadeel schijnen. Toch is het belangrijk op deze wijze de onwillekeurige bewegingen als invloed uit te schakelen, vooral bij ongeschoolden.

Door middel van radiësthesie kunnen wij onder meer vaststellen aan welke stoffen de mens gebrek heeft. Wij groeperen dan een aantal voor het menselijke leven gewichtige stoffen rond een ronde plaat. Om de indicatie te vereenvoudigen hebben wij de ronde plaat dan in vakken verdeeld, zoals men een taart in punten verdeelt. De pendel zal dan slingeren in de richting van de vakken, waarin de stoffen liggen waaraan een tekort bestaat. Op deze wijze kan de pendel ons helpen een juiste medicatie voor te schrijven. Het zou zelfs mogelijk zijn, door middel van een pendel, een bepaalde therapie voor te schrijven. Indien u geneigd bent dit te doen, dient u wel te bedenken, dat u zich hiermede op het terrein der geneeskunde begeeft. Het toepassen van een dergelijke methode is dus verboden. Ofschoon niet openlijk, wordt door sommigen die bij uitoefening van de geneeskunde bevoegd zijn, wel van de pendel gebruik gemaakt, om, als aan de hand der indices meerdere diagnosen mogelijk zouden zijn, te kunnen bepalen welke de juiste diagnose is.

Verder kennen wij het zogenaamd kaartpendelen. Wij doen dit om een mens of een voorwerp te vinden, dat verdwenen is. Terwijl men de pendel over de kaart beweegt – of bij het gebruik van een standaard de kaart onder de pendel beweegt – begint deze uitslag te vertonen. Dit geschiedt, zodra wij in de omgeving komen van de plaats, waar de persoon of het voorwerp zich bevinden. Men zoekt dan nog even rond de plek, waarop de eerste uitslag werd verkregen, tot de pendel fel begint uit te slaan en zo aanduidt, dat hier een contact met de betrokken persoon of het gezochte voorwerp aangevoeld wordt.

Voor een goed begrip wijs ik er op, dat de resultaten bij radiësthesie niet afhankelijk zijn van de pendel of het inductie voorwerp, doch alleen van de pendelaar. Degene, die deze methode gebruikt, moet over kracht en een dosis sensitiviteit beschikken. Hoe beheerster de persoon daarbij is, hoe beter, hoe minder hij weet van het geval, dat wordt uitgependeld, hoe beter.

Beïnvloeding wordt hierdoor aanmerkelijk beperkt. Een werkelijk goede pendelaar is verder niet enkel in staat om stoffelijke waarden uit te pendelen, maar kan zelfs geestelijke frequenties onderscheiden en aanduiden. Daardoor is het mogelijk vast te stellen, wat voor trillingen er in de omgeving zijn, aanduidingen te geven omtrent het al dan niet optreden van astrale krachten, de gerichtheid van aanwezige geestelijke krachten enz.

Wanneer wij deze zaak nu nader bezien, blijkt ons, dat pendelen voor ongeveer 70% niet betrouwbaar is. De oorzaken kunnen liggen in de onbetrouwbaarheid van de pendelaar, doch ook in onwillekeurige beïnvloedingen, of het afwezig zijn van de juiste objecten, waardoor wel een benadering wordt verkregen, maar de aanwijzing niet helemaal juist kan zijn.

Het zogenaamd ja-neen spelletje is altijd onbetrouwbaar. Dit spelletje bestaat uit het stellen van vragen aan de pendel. Wanneer de pendel slingert is het ja, wanneer hij ronddraait is het neen. In de gunstigste gevallen is er sprake van een gesprek met het onderbewustzijn. Zelfs hierbij treden afwijkingen op. Ik kan u niet aanraden deze orakelmethode toe te passen.

Nu vraagt u, welke kracht voor het fenomeen aansprakelijk is. Ik zou dit een weerkaatsing van gedachten willen noemen. De concentratie van de pendelaar zal op het voorwerp of de patiënt gericht zijn, waarover hij raad zoekt. Ook wanneer hij daarvan weinig afweet. Hetgeen hij onder de pendel heeft, is in feite een contactpunt, dat even belangrijk is voor de pendelaar als voor de psychometrist het inductievoorwerp, vanwaar hij zijn impressies af schijnt te lezen. In feite dient het voorwerp in beide gevallen allereerst om de juiste instelling van het ik te bereiken.

Wanneer nu een contact wordt gemaakt volgens deze instelling, ontstaat een pulsatie van het veld, dat zich rond de pendel heeft gevormd. Dit veld bestaat uit het eigen magnetisme van de pendelaar. Sommigen verkiezen het hier over fluïde te spreken. Deze pulsaties kunnen wervelend, maar ook in een vlak tot uiting komen. Dit veroorzaakt dan de draaiende of slingerende beweging. Bij de wervelende beweging is sprake van aan absorptie, bij slingering van een weerkaatsing. Zuiver positieve slingering treedt altijd in een enkele lijn en één enkel vlak op. Soms kunnen positieve en negatieve krachten gecombineerd worden. Dan krijgen wij te maken met een pendel, die wel kenbaar slingert, doch bij elke slingering in een nieuw vlak ligt. Hierbij wordt dan op den duur een cirkel met 360° doorslingerd. In een dergelijk geval dient men te zoeken naar een positievere inductiewaarde, tot de slingering in één vlak is bereikt.

De techniek van het pendelen is moeilijk te beschrijven. In feite is het zo, dat men tot goed pendelaar alleen door een goed pendelaar kan worden opgeleid. Het is namelijk voor het bereiken van optimale resultaten noodzakelijk, dat de eigen techniek, eigen instelling en zelfs wijze van pendeling en zitting bij elke persoon afzonderlijk worden gecorrigeerd.

Vergelijkenderwijs: Het is zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – heilgymnastiek voor de radio te geven. Ook hier is het immers niet mogelijk voor elke deelnemer de juiste correcties aan te brengen. Daardoor zal het resultaat eerder schadelijk dan goed zijn. Pendel, waar het uzelf betreft en betrouw, zodra het uzelf betreft, niet te veel op deze radiësthesie. Wanneer u gebruik wilt maken van dit orakel, dient u iemand te zoeken die gevoelig is met het hanteren van de pendel en die u wil helpen. Mogelijk kunt u zo iemand er toe brengen u op te leiden en uw fouten te corrigeren. Een training van enkele maanden zal dan vaak voldoende zijn om zelfstandig verder te kunnen werken. Alleen op deze wijze zal het u gelukken een redelijk percentage van juiste indicaties te verkrijgen.

  • Ik heb het pendelen onderzocht. Zodra de man of vrouw het touwtje vasthoudt, gaat vandaar naar het apparaatje dat daarvan afhangt, een stroom van fluïde. Dat fluïde is gemoduleerd met de vraag die wij stellen. Wij brengen dit in contact met het beeld, de vraag, hetgeen wij weten willen. Dan ontstaan die bewegingen. Wanneer wij beseffen dat het fluïde door onze gedachten gemoduleerd wordt, zullen wij begrijpen dat wij enkel de vraag in gedachten mogen houden. Verder dienen wij aan niets te denken en alle mogelijke wensdromen achterwege te laten. Dit is de moeilijkheid. Wanneer men zich hieraan weet te houden, is m.i. de pendel buitengewoon betrouwbaar.

Ik vind uw uiteenzetting zeer interessant en zie daarin grotendeels een bevestiging van wat ik naar voren bracht. Ik ben u voor deze technisch uitgedrukte aanvulling zeer dankbaar. Verder neem ik aan, dat u het met mij eens bent, dat, om met enige zekerheid te pendelen, scholing noodzakelijk is. Juist op dit punt heb ik grote nadruk gelegd, evenals op het vaak en veel falen van de pendel, omdat menigeen meent alleen even met een pendel te moeten spelen om precies te weten, wat de toekomst brengt.

  • Is het zoiets als het gebruiken van kruis en bord?

Neen, kruis en bord wordt alleen gebruikt om woorden te spellen. Daardoor is het al moeilijk hierdoor juiste diagnoses enz. te verkrijgen. Het onderscheiden van frequenties is met kruis en bord haast onmogelijk. Met de pendel kan men, door de juiste mogelijkheden even op een bord of schijf vast te leggen, voor elk voorwerp de eigen frequentie haast onmiddellijk ontdekken. Verder is bij een goed gehanteerd kruis en bord de bewegende kracht de geest.

Bij de pendel komt de bewegende kracht zonder meer uit het ik voort en is de geest dus niet aansprakelijk.

  • Ik meende, dat ook bij kruis en bord het ik van de mens zelf sprak?

Dat komt vaak voor. Maar wanneer men kruis en bord op de juiste wijze gebruikt, is het toch in de eerste plaats een middel, waardoor de geest zijn behoeften en inzichten tot uitdrukking kan brengen.

  • Is het dezelfde invloed als bij de wichelroede?

Men kan het ermee vergelijken. De wichelroede berust wel op enigszins andere principes, maar in beide gevallen is er sprake van eigen kracht die de beweging regeert, terwijl het resultaat wordt bepaald door instelling van het ik en concentratie, waardoor de uitslag in overeenstemming met het gestelde probleem verkregen wordt.

Esoterische verhalen.

Wij komen nu aan het deel van de bijeenkomst, dat zeer gewichtig met de naam esoterie wordt aangeduid. Na al die tempelgeheimen zou ik gaarne met u ingaan op enkele problemen van de mens. Ik zal mijn stellingen trachten te illustreren met enkele kleine vertellingen.

De kat met het vraagteken in zijn staart.

Zoals u weet, is de kat een wat eigenwijs dier. Zij gaat zachtjes, trots en zelfzuchtig haar wegen en beroemt zich nog steeds op haar verwantschap met de oude Goden van Egypte, menige kat voelt zich nog steeds Bubastis, de oude, maar machtige Godin en strijdt nog steeds met de nieuwe krachten van de hemel. Katten zijn ook filosofen. Vandaar, dat er lang voor er van katten sprake was op de wereld, een kater besloot de oplossing van vele raadselen na te gaan zoeken. Op den duur beperkte hij zijn onderzoek tot de vraag, waar de meest belangrijke kracht en grootste waarheid te vinden zou zijn. In die tijd – ook Kipling vertelt er van – sloot de kat een verbond met de mensen. Dat is – vanuit kattenstandpunt – een vergissing geweest. Onze kater sprak nu met alle soortgenoten over licht en kracht en vroeg hen hem bij zijn zoeken te helpen, maar hij was altijd zo in gedachten verdiept, dat hij aan alle licht, kracht en waarheid voorbij liep. Maar steeds weer vroeg hij aan alle katten: “Weten jullie al iets?” Dat wordt natuurlijk erg vervelend. Wanneer vandaag twee katten elkaar ontmoeten en hierover zouden willen spreken, maakt de eerste een vraagteken van zijn staart. De tweede zwaait dan met de staart terug:

“Niets” en informeert met een vraagteken: “En jij?” Maar aangezien katten nog steeds aan licht, kracht en waarheid voorbij lopen, is het heel waarschijnlijk dat de kat tot het einde der dagen een vraagteken in zijn staart zal dragen.

In dit verhaaltje vind ik een mooi punt van aanknoping voor een paar opmerkingen over de vele problemen die de mens voor zichzelf kent. Als mens zoek je naar Licht, kracht en bewustwording. Mooie woorden, die vaak worden gebruikt. Maar wanneer wij eens eerlijk proberen antwoord te geven op de volgende vraag: Zoeken wij nu werkelijk naar Licht, kracht en bewustwording, of zoeken wij misschien naar iets, dat ons gelijk geeft? Zeker, de kat uit het verhaaltje was eigenwijs en in zichzelf verzonken. Ik meen niet, dat ik vele mensen dergelijke eigenschappen in meerdere of mindere mate mag ontzeggen. De doorsnee mens zoekt dan ook naar iets, wat in de eerste plaats zijn mening bevestigt. In de ijver van het zoeken gaat hij dan ook aan de verschijnselen van het leven voorbij en meent, dat zij gewoon en onbelangrijk zijn.

Hij erkent niet, dat juist daarin vaak de gezochte krachten, het gezochte Licht verborgen liggen. Wanneer je als mens zo leeft en steeds weer aan de belangrijke waarden van het leven voorbij gaat, is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat u later een melancholiek spook met een sluierstaart van plasma achter u rond doolt, om, wanneer u een van uw medespoken ontmoet, met die staart een vraagteken te vormen net als de katten nu nog doen. Bedenk dus wel: het Licht en de kracht, die u zoekt, liggen altijd vlak bij.

De hond en het soepbeen.

Er was een spaarzame hond. Die spaarzaamheid was wel begrijpelijk, want in de hond woonde tegen alle regels in, een in dit voertuig geïncarneerde Schot, die in deze gedaante zijn te grote voorliefde voor Sinte Pecunia af moest leren. Nu is de best houdbare en meest gangbare valuta in de hondenwereld wel een soepbeen. Waar onze hond dan ook een soepbeen vond, groef hij een diep gat, legde het soepbeen erin en krabbelde en stampte, tot het been gans verborgen was en niemand meer kon weten, waar deze grote schat begraven was. Honderden soepbenen had onze Schotse herder dan ook begraven, toen hij op een dag voor een groot probleem kwam te staan. De baas begon hem aan de ketting te leggen. Een St. Bernardushond van goede huize en goede manieren bood hem aan, tegen betaling van een soepbeen, een methode te leren, waardoor je aan de halsband, deze vrijheidsbeperking van het hondenleven, kon ontkomen. De schone herder dacht lang en diep na. Waar had hij ook weer de soepbenen geborgen? In zijn eerste vrije ogenblik begon hij ijverig in het gazon te graven. De baas zag het en legde hem vast. Daarna zocht de hond in een volgend vrij ogenblik tussen de viooltjes van de buren.

Gevolg: een koude straal uit de tuinslang, maar geen bot. Hoe de herder ook zocht, geen beentje kon hij meer terugvinden, want hij had zo zorgvuldig alles, wat hij waardevol achtte, begraven om het voor zich te behouden, dat hij – toen hij er behoefte aan had – niets meer kon vinden of gebruiken.

Iets dergelijks is ook menige mens al overkomen. Ik wil niet beweren dat er vele mensen zijn die een incarnatie van een Schotse herder mogen worden genoemd, maar toch zijn er vele mensen, die, wanneer zij een geestelijk geheim, een nieuwe kracht, of een nieuwe wijsheid ontdekken opmerken: Dit is kostbaar. Dan wordt het netjes opgeschreven om te verdwijnen tussen stapels stoffige papieren, of in de hersens als een geheim weggeborgen tussen vele andere begrippen. Maar wanneer er voor hen een ogenblik komt, dat zij behoefte hebben aan een dergelijke wijsheid, waarheid, of kracht, kunnen zij niets meer terug vinden. Je zou kunnen zeggen: De schotse herder had verstandiger gedaan, wanneer hij elk soepbeentje meteen had opgeknabbeld. Hij had er dan in ieder geval genot van gehad en bovendien had hij niet tegenover een St. Bernard van zeer goede huize voor gek gestaan.

Onthoudt u: Wanneer u geestelijke ervaringen opdoet, wanneer u een belangrijke les krijgt, wanneer er woorden zijn die u treffen, dan is het voor uw eigen bewustwording en het verkrijgen van Licht belangrijk, dat u er meteen iets mee doet. Niet opbergen, bewaren, of laten wachten tot morgen, maar meteen gebruiken en dan er aan vasthouden als een hond aan zijn bot. En dan steeds doorgaan, tot er in de les geen mogelijkheden meer schuilen, dan wel je de zekerheid hebt gekregen, die je op deze wijze mocht verzamelen.

De vlieg en de lamp.

“Ik”, zei de vlieg, “ben het belangrijkste wezen in de wereld” en hard zoemende, vloog de dikke, vette bromvlieg over het land. Zelfs tegen de vogels bromde zij: “Blijf van mij af, want ik ben een belangrijk wezen. Ik ben gewichtiger dan jullie”. Overtuigd van eigen belangrijkheid probeerde de vlieg naar de zon te vliegen, want die leek haar wel het belangrijkste wezen in de wereld. Al vlug werd zij moe en sprak: “Dat is toch te ver voor mij”, daarop liet zij zich op een mesthoop neer om eerst eens de innerlijke vlieg te gaan versterken. De avond kwam, opeens zag de bromvlieg een lichtje. Het was een lampje, een heel klein lampje maar. De vlieg sprak: “Zie, hoe belangrijk ben ik. Nu is de zon zelf naar mij toe gekomen. Dat is precies zoals het hoort”. Wanneer een belangrijk wezen als een bromvlieg tot het licht wil gaan, maar het niet bereiken kan, zal het licht wel tot de bromvlieg komen! Daarop vloog zij naar binnen toe, om kort daarop haar vleugels aan de vlam te branden. Met een laatste gezoem bromde de vlieg toen nog: “Van al dat gepraat over licht en kracht, daar is geen steek aan. Nu zie je eens: wat een moeite heb ik mij niet getroost, maar als loon heb ik alleen mijn vleugels maar gebrand”.

Daarop stierf ze. Een ding had zij toch vergeten: Zij was het zelf geweest die naar het verkeerde licht was gegaan. Zij zelf had op een verkeerde wijze gereageerd op het licht, dat haar trok. Zo gaat het de mens ook wel eens. Sommige mensen lijken in hun dagelijkse uitingen al veel op bromvliegen. Het brommen is voor hen een voortdurend gemurmel, een steeds voortbrengen van protesten, met of zonder reden. En evenals onze vlieg hebben zij het altijd druk. Kalme en rustige mensen zijn ook wel eens geneigd te zeggen: “Natuurlijk, ik zoek naar God, naar bewustwording en inwijding. Ik zoek naar de kern van mijn wezen, maar het is alles zo ver. Ik kan er niet gemakkelijk genoeg komen” en daarop werpen zij zich op het leven. Nu lijkt dit in een hygiënische maatschappij niet meer op een mesthoop, maar het verschilt toch wel zeer sterk van het Licht, waarnaar men zegt te zoeken. Pas wanneer deze mensen zich verzadigd hebben aan alles, wat het leven biedt, denken zij er eens over na, hoe men wel verder zou kunnen gaan, maar de weg moet gemakkelijk zijn.

Zij menen, dat het Licht wel naar hen toe zal komen. “Ik kan het zo wel bereiken.” Het eerste dwaallichtje dat zij zien, lokt hen dan aan. Zij gaan op de meest waanzinnige gedachten en stellingen in, alleen omdat dezen hen voorhouden, dat je zonder kennis van het Ik, zonder een voortdurend strijden om verder te komen, de grote inwijding en het grote Licht toch wel kunt bereiken. Dan valt het hen natuurlijk tegen. Voor zij het weten, branden zij dan in deze teleurstelling de vleugels van geloof en hoop, die hen tot op dat ogenblik omhoog konden dragen.

Deze mensen mopperen nog veel harder over de wereld. Hun laatste levensgeluid is dan nog steeds een nutteloos en luid gebrom, een laatste ontkenning. Maar zij danken dit alles toch aan zichzelf. Het was eigen schuld, dat zij niet door vochten om het Licht te leren kennen. Zij hadden kunnen begrijpen, dat je, om het hoogste te bereiken, voortdurend zult moeten blijven zoeken, voortdurend zult moeten blijven pogen, want alleen zo kun je werkelijk op het pad der bewustwording verder komen.

De mug in de spoortreincoupé.

Het verhaal speelt niet in Europa. Het gebeurde in een tropisch land, waar men zelfs ventilatoren heeft aangebracht in de treinen, om de loodzware lucht in beweging te brengen en de deftige reizigers de nodige verkoeling te geven. Nu is, zoals u weet, kloppend bloed en verhit vlees een heerlijke reuk voor een hongerige mug of muskiet. Ook, wanneer die lucht uit de coupé van een trein komt. Toen de mug eens nadacht over de vraag, hoe zij meer van de wereld kon begrijpen, sprak zij tot zichzelf: “Ik ga eens in de trein zitten, een personentrein, dan krijg ik tenminste proviand genoeg. Onderweg kan ik heerlijk souperen van alle reizigers die in slaap vallen en wanneer ik aankom, zal ik de omgeving verkennen. Zo zal ik meer van de wereld kunnen zien, dan ik nu reeds ken”.

Zo zocht zij in het depot een plaatsje en zette zich op de stilstaande ventilator. De trein reed voor, de mensen stapten in, de ventilatoren draaiden. Op het blad van de ventilator zat de mug, trok een geleerd gezicht en sprak: “Een ding heb ik in ieder geval alvast geleerd: de wereld draait”.

Het was warm en drukkend. De reizigers vielen de een na de ander in slaap en de mug ontbeet, lunchte en soupeerde, tot zij op haar ventilator in slaap viel en niet eens meer bemerkte dat de trein het eindpunt bereikte. Zo zwaar sliep de mug, dat zij eerst ontwaakte toen de trein reeds op de terugweg was. “Ik reis nog steeds” zei de mug en ging naar beneden, om, na enig snuit schudden en het verwerpen van een te benige heer, besloot haar ontbijt te nemen bij een zeer gevulde en volbloedige dame. De dag verliep als de vorige. Heel de dag zoemde de mug, stak, at, en zette zich weer peinzend op het blad van de ventilator. De trein stopte weer en ook de laatste reizigers stapten uit. “Nu ben ik op mijn bestemming en zal ik zien, wat de wereld is.”

De trein echter had tussen twee stations heen en weer gereden, zodat de mug weer op het punt van uitgang zich bevond. Daarom zocht zij haar familieleden op, die zongen in de vroege avond en sprak: “Ik ben naar het einde van de wereld gereisd, maar voor ons muggen is er niets belangrijks. Wij weten dat de wereld draait, maar niemand komt daardoor van zijn plaats.

Daarom: Eet, dans en zing. Stoor je niet aan de mensen, denk niet te veel na. Eet, drink, en geniet! Dat is alles, wat er op de wereld bestaat. En ik kan het weten, want ik ben tot het einde van de wereld gereisd.”

Helaas moet ik ook nu stellen, dat vele mensen op dezelfde wijze handelen. “Wij trekken uit om te zoeken naar inwijding, naar nieuwe krachten en nieuw Licht”. Zij stappen in en horen lessen aan, lezen sombere en gewichtige boeken. Ondertussen denken zij voornamelijk na over de vraag, hoe je wel stoffelijk zou moeten leven en toch de lessen in praktijk brengen. Op den duur gaan zij stoffelijk hun normale weg en veranderen niet. Het door hen zo zeer geroemde voedsel bestaat uit een stukje filosofie, een boekje over paranormale verschijnselen en het overzicht van de week, door de heer X, die de wereld ziet door een rozerode bril. Dit is hen voedsel genoeg.

Daarom zetten zij zich in een fauteuil, hummen eens, sluimeren een tijdje, om, wanneer zij wakker worden, met hetzelfde gedoe voort te gaan. Zij menen dan ernstig te streven, maar kunnen hun problemen niet oplossen en het verlangde doel niet bereiken.

Deze mensen vergeten één ding: Om verder te komen, moet je niet alleen maar denken en problemen uitwerken, maar voortdurend, wanneer er een mogelijkheid is, elk probleem eerst oplossen, voor je verder gaat naar het volgende. Men vergeet ook maar al te vaak, dat het niet de mens gegeven is het Goddelijke raadsel op te lossen en met een enkele grote sprong de waarden der eeuwigheid te bereiken. Het is niet de mens gegeven met een enkele poging  bewustzijn van het Goddelijke Licht te verwerven. Langzaam, fase na fase belevende, moet je verder gaan. Langzaam maar gestadig op eigen krachten en vanuit eigen denken verder gaan is de enige mogelijkheid.

Wanneer onze mug per trein had gereisd, maar een deel van de afstand op eigen vleugels had afgelegd, zou zij meer van de wereld geleerd hebben, zou ook meer genoten hebben van dorpen en straten, van vlakten en bergen, van sawa’s en oerbossen. Door te menen, dat de trein haar wel zonder moeite naar het einddoel zou voeren, kwam zij tot niets. De mens die meent, dat één enkele leer of stelling voldoende is om hem tot de hoogste inwijding te brengen, zal dezelfde conclusies trekken als de mug. Hij zal het streven nalaten en tot anderen zeggen: “Ik heb het zelf geprobeerd”.

De hond en de kat.

De kat kwam naar huis en vond de hond in de pot. Die pot was haar pot, zo meende zij. Daarom viel zij aan, blazende en met dikke staart. Maar de hond zat nog in de pot en daarom lukte de aanval niet. De poes waste zich even en sprak vertoornd: “Hond, die je bent. Jij hebt alles weer opgegeten”. “Ha, ha”, lachte de hond en klauterde uit de pot. “Drink jij maar melk. Je weet het: Met melk meer mans. Dat lijkt mij voor jou wel nodig”. De kat begon werkelijk een slokje melk te drinken, maar toen zij eens nadacht, leek het haar toch niet helemaal in orde. “Wat zat erin de pot?” “O, aardappelen”, zei de hond. De kat meende: “Je weet nooit, wat voor vlees er in een kuip heeft gezeten, voor je het gezien hebt” en begon met de hond te onderhandelen. Hij zei: “Ruik dan zelf”, en het bleek dat hij de waarheid had gesproken. Zo werden hond en kat het eens: Voortaan zou de kat eerst eten en de hond mocht met de kat spelen.

De hond was echter gulzig en de kat kieskeurig. Zo gebeurde het, dat de hond zich steeds weer niet kon bedwingen en poes haar schoteltje leeg zag, voor zij meer dan een hapje genomen had.

De kat was eigenzinnig, wanneer de hond dan wilde spelen, had de kat geen zin. Wanneer de hond heerlijk wilde slapen, danste de kat om hem heen en miauwde: “Kom speel eens”. Als de hond een slaperig oog open deed en aanstalten maakte om verder te slapen, maakte poes de vreemdste sprongen, slaakte de gekste kreten om de hond toch maar te dwingen te spelen.

Het is begrijpelijk, dat de hond en de kat vijanden werden. Daarbij maakten zij zoveel stuk met hun vechten, dat de baas boos werd, de hond in het hondenhok stopte en de kat naar het asiel bracht. Toen treurden zij beiden over alles wat zij verloren hadden. De kat dacht er over na, dat zij toch op een andere manier wel voldoende naar haar smaak te eten kon krijgen en de hond treurde over zijn gulzigheid, waardoor de strijd uiteindelijk was ontstaan. Maar daaraan konden zij niets meer veranderen of terugnemen. Zo bleef de hond treuren in zijn hok en zat de kat ineengedoken te klagen in het asiel. Het vreemdste van de zaak is wel, dat er maar enkele dagen vergingen voor beide elkaar de schuld begonnen te geven.

Wat dit verhaal met esoterie heeft uit te staan? Vergis u niet en denk na: Wat was de grote fout van de kat? Zij wenste alles naar haar wensen geregeld te zien en was boos, omdat zij één keer de hond in de pot had gevonden. Maar zou het ook niet bij ons steeds weer voorkomen dat wij een ogenblik van geestelijke leegte hebben, terwijl wij anderen zien, die gedragen worden door hoge geestelijke krachten? Worden wij niet soms boos op het leven, omdat anderen meer hebben dan wij? Heel vaak is de mens boos en onredelijk tegen de mensen, die er beter voorstaan; maar daarop heeft men geen recht. Het heeft geen zin schamper tegen anderen te zeggen: “Loop toch niet zo met je geestelijke krachten te pronken. Een deel ervan komt eigenlijk mij toe, want ook ik wil die krachten hebben”. Indien de hond en de kat zichzelf voldoende gekend hadden, zouden zij rekening gehouden hebben met de werkelijke mogelijkheden, elkaar geholpen hebben en zo een heerlijk leven gehad hebben.

Bij de mensen gaat het vaak zo: men zegt tegen anderen: “Wij zullen samen naar geestelijke wijsheid, bewustzijn enz. gaan zoeken”. Als je hoort, wat men zo tezamen wil gaan doen, dan lijkt het haast of de hemel daar te klein voor is. Een ding pleegt men gemakshalve te vergeten: Dat je eerst jezelf moet kennen, voor je een overeenkomst met een ander kunt aangaan en werkelijk nut daaruit kan trekken voor geestelijk leven. Je moet weten, wie en wat jezelf bent, voor je met anderen samen kunt gaan streven naar de hoogste waarden en begrippen. Je kunt jezelf op vele wijzen leren kennen. Je kunt zoeken in de wereld rond je. Dan zie je in de ogen en het gedrag van anderen veel weerkaatst van wat je bent, hetgeen je voor hen betekent en hetgeen je voor hen betekenen kunt.

Je kunt jezelf zoeken langs de weg der filosofie, steeds weer stellingen opbouwende, tot je jezelf zegt: “Nu is er een zo perfecte harmonie tussen mijn denken en mijn wezen, dat het niet anders kan: Dit ben ik”. Hoe je de zelfkennis ook vindt, je moet ze verwerven, hoe dan ook. De kern van de esoterie is zelfkennis. De kern is het kennen van de eigen wezen, zoals je nu bent, op dit ogenblik, met alles wat hiermede samenhangt. Elke mens draagt in zich de kracht om alles tot stand te brengen, wat noodzakelijk is. Elke mens met voldoende zelfkennis kan geestelijk alles bereiken, wat voor hem belangrijk is. De mens, die werkelijk begrip heeft voor zichzelf en het doel dat hij nastreeft, kan stoffelijk en geestelijk alles verwerken wat hij wenst, of dit nu noodzakelijk is of niet.

image_pdf