Tijdloosheid

image_pdf

21 januari 1958

U weet, wij hebben gesproken over goed en kwaad, relativiteit en ook over tijdloosheid. Het zijn deze aspecten, die juist onze innerlijke wereld sterk regeren. Wij mogen wel uiterlijk gebonden zijn aan tijd, van binnenuit gezien is het heel anders. Wij zijn daar – althans zeer vaak – de speelbal van ongekende krachten, die tijdloos zijn. In ons wordt vaak iets gerealiseerd, dat stoffelijk pas veel later in de toekomst zich openbaart. Heel vaak ook blijkt, dat in ons een drang blijft bestaan, die zou moeten worden terugverwezen naar vroegere tijden en toestanden. In de praktijk komen die dingen natuurlijk niet zo scherp tot uiting. Toch zou ik er op willen wijzen, dat bv. Leonardus da Vinci, juist waar hij zich bezig hield met filosofie en techniek, zijn eigen tijd onmetelijk ver vooruit was, terwijl hij in zijn wijze van leven en denken vaak terugviel, honderden jaren terug, naar de Griekse periode. Zo kan dit bij elke mens voorkomen.

Nu is het natuurlijk dwaas om onszelf te gaan beoordelen aan de hand van uiterlijke condities.

Wij kunnen de uiterlijke condities gebruiken als een correctiemiddel, als een middel om ons aan te passen aan de huidige toestand. Maar deze vreemde krachten, die ons van binnenuit drijven, die krachten, waarvoor onze rede alleen maar een verklaring zoekt zonder ze werkelijk te onderkennen, die moeten wij toch vooral proberen te placeren, te definiëren, opdat wij kunnen begrijpen, wat eigenlijk ons leven is.

Nu wil ik in de eerste plaats toch nog even ingaan op het aspect tijdloosheid. U zult zich herinneren, dat wij een vorige maal het argument hebben gebruikt van volmaaktheid, waar wij aan toe kunnen voegen: in de volmaaktheid zijn de delen onderling verwisselbaar, maar het geheel blijft volkomen gelijk. Voor onszelf kan er dus geen werkelijk tijdsgebeuren bestaan, doch slechts een erkenning van onze huidige verhouding t.o.v. de kosmos. In Gods volmaaktheid zijn wij volmaakt. Op het ogenblik, dat wij in harmonie zijn met de volmaaktheid, houdt de tijd voor ons op te bestaan, evenzeer als de processen, die met tijd, ruimte e.d. gebonden kunnen worden. Zijn wij volmaakt, dan bestaat er voor ons geen goed en geen kwaad. U zult zich deze punten uit de vorige lezing ongetwijfeld herinneren.

Wanneer ik van hier uit verder ga, is mijn eerste onmiddellijke reactie: wanneer ik vanuit God volmaakt ben, kan in mij geen kwaad bestaan, noch goed Ik kan alleen maar zijn. Dit verdraait de zaak natuurlijk t.o.v. ons eigen bestaan, dat tijdelijk beperkt en gebonden is aan een bewustwordingsgang, Maar als we die persoonlijke punten nu eens even achterwege laten, dan kunnen we een aardige indruk krijgen van wat we werkelijk zijn.

We zijn volmaakt vanuit God. Er bestaat voor ons geen goed en geen kwaad, er bestaat voor ons – zie de vorige lezing – een verbinding met alle sferen, waarin ons bewustzijn ooit het “Ik” kan realiseren, wij zijn dus een geheel. Een geheel, waarin het bewustzijn zich verplaatst.

Maar dit geheel kan niet alleen als ruimtelijke bepaling worden opgevat. Het moet ook alle tijden omvatten. Wanneer wij nu – voor onszelf dus – in de bewustwording niet verkeren op precies het punt, dat net gemiddelde is voor onze wereld, zal voor ons bewustzijn een verschuiving plaats vinden – o.a. van goed en kwaad, maar ook van verlangen, van begeren en impuls – die ver afwijkt van hetgeen voor ons redelijk en stoffelijk aanvaardbaar is.

Het is juist hierin, dat wij vaak met de grootste moeilijkheden te maken krijgen. Want wij verlangen – en menen te mogen verlangen – dat ons uiterlijke leven te allen tijde een volledige bevestiging is van in ons bestaande waarden. Maar wanneer in ons de krachten bestaan, die niet bij onze wereld horen en die wij dus volgers het redelijk proces van onze wereld praktisch niet kunnen definiëren, dan is het totaal van onze handelingen steeds onderdanig aan een niet-kenbare kracht, die ons stuurt in een niet-geleende richting.

Nu stel ik het volgende: Vanuit God volmaakt zijnde, maar in mijn bewustzijn onvolmaakt zijnde zal ik niet in staat zijn het totaal der in mij bestaande verhoudingen te bevatten, te beheersen, te richten. Dit is logisch. Want wanneer u het zelf in uw eigen beperkte wereld wilt toetsen: In u leven bepaalde gedachten, verlangens, lichamelijke eigenschappen, die ver teruggaan, voor uw eigen geschiedenis. In u leven evenzeer gedachten, verlangens en soms stoffelijke begaafdheden, die – gezien vanuit het standpunt der gemiddelde mensheid – ver in de toekomst thuishoren. Toch zijn het deze dingen, die u beleeft.

Mag ik een oordeel spreken over goed en kwaad? Vanuit het Goddelijke kan ik dit nooit doen.  Op het ogenblik, dat ik kom tot een mezelf verheffen boven de werkelijke wereld, boven het werkelijk bestaan, zoals ik dat meen te kennen, zal ik te allen tijde zonder richtsnoer zijn voor goed en kwaad, slechts gestuwd worden door mijn innerlijke drang. De innerlijke drang, die bepaald wordt door factoren, die – rekenen we met tijd – in verleden of toekomst liggen: die verder – gezien vanuit de huidige wereld – kunnen liggen in lagere of hogere gebieden van bewustzijn. De consequentie is, dat voor de esotericus een ontdekking van steeds nieuwere werelden noodzakelijk is.

Het kennis verwerven van je eigen “ik” impliceert het doordringen in een verleden en een toekomst van tijd, verder in een diepte en een hoogte van bewustzijn. Een ieder, die tracht gebruik te maken van zijn innerlijke begaafdheid, moet er dus rekening mede houden, dat deze begaafdheid nooit geheel en al zal kunnen beantwoorden aan zijn stoffelijk en zelfs geestelijk beperkt denken van het ogenblik. Elke kracht, die we aanboren, betekent het hernieuwd openbare van iets uit het verledens gelijktijdig het thans scheppen van een toekomstige verhouding, die door ons slechts embryonaal wordt gerealiseerd. Wij moeten dus ons bewustzijn op een andere wijze weten uit te breiden dan een normaal mens dit doet.

Daarmede wil ik niet zeggen, dat da esoterici abnormaal zijn, maar ze behoren toch over het algemeen wel tot a-normale typen.

Sommige denkrichtingen leren u terug te gaan naar vorige incarnaties. Velen stellen er prijs op oude incarnaties steeds weer teug te vinden. Maar die incarnaties zijn maar een zeer beperkt deel, een zeer beperkte weergave van de eigenlijke ontwikkelingsgeschiedenis. Andere groepen stellen zich vooral in op het bereiken van contact met wat wij noemen de hogere werelden. En eigenaardig genoeg stellen ze zich vaak die werelden evenzeer stoffelijk als geestelijk voor. Hier grijpen zij zelfs vooruit in de tijd, in de toekomst. Beide groepen kennen echter grote hiaten in hun denkwijze. Hun denkwijze is niet volledig en is niet redelijk. U zult mij misschien willen volgen, wanneer ik dus tracht hier een systeem te ontwikkelen, dat – althans m.i. – de grote fouten en hiaten van de meeste richtingen uitschakelt. Daartegenover staat helaas, dat deze reeks van stellingen slechts persoonlijk kan worden toegepast, maar nooit kan worden beschouwd als leidraad voor een groep.

Het ontstaan van het “ik” moet potentieel ingehouden hebben, wat ik thans ben. Ik kan mij dus – ook vanuit het heden – altijd tot het begin, tot de bron terugverplaatsen. Het is voor mij niet noodzakelijk de tussenliggende trappen te ondergaan. Deze zijn mede geïmpliceerd in mijn huidig leven, mijn huidige persoonlijkheid. In de bron zal ik de oerdrift of oerdrang kunnen vinden, die mij beheerst en die door alle levens en alle bestaanstoestanden mij blijft voortstuwen. Want deze oerdrift is de bestemming – of zo u liever wilt: de plaatsbepaling – van het “ik”, binnen het kosmische en volmaakte geheel. De oerdrift, zoals wij die stoffelijk zouden kunnen trachten te beredeneren, brengt ons terug naar toestanden, die op zijn minst genomen wat vreemd aandoen. In de eerste plaats blijkt in elke mens en te allen tijde een drang naar geborgenheid aanwezig. Vreemd genoeg vinden wij deze drang op een ander niveau ook stoffelijk en geestelijk weerkaatst in alle werelden en alle sferen. Er mag dus worden aangenomen, dat – ofschoon optredend in varianten – dit wel een van de meest krachtige drijfveren genoemd mag worden van al het geschapene.

Daarnaast zien wij optreden een beweren tot eenwording. Stoffelijk kan dit zich soms openbaren in een overdreven seksualiteit, dan wel in een buitengewone drang naar verenigings- en groepsleven. Echter blijkt ons, dat ook in sferen en andere werelden een dergelijk zoeken naar gemeenschap, naar groepsbestaan, voortdurend optreedt. Wij zouden dus kunnen zeggen: de tweede oerdrang in ons wezen is het zoeken naar eenheid en eenwording. Wij menen overigens dit te mogen verklaren uit het feit, dat wij als entiteit, als individu, niet bewust van het volmaakte geheel, dit aanvoelen en zo trachten terug te keren tot een deelgenoot zijn in dit geheel. Ook met de drang naar geborgenheid schijnt dit in verband te staan.

Alles wat wij doen, onverschillig waar en in welk leven, zal uiteindelijk kunnen worden teruggebracht tot één van die beide genoemde grondwaarden. Dit houdt in, dat bij een persoonlijk onderzoek naar onze oerbron en oerwaarden onwillekeurig de voorstelling zal rijzen van iets, dat aan beide behoeften volledig tegemoet komt. Dus een bevrediging van de drang naar zekerheid, een bevrediging ook aan de drang der eenwording met al. Weten wij dit, dan kan deze voorstelling ons vaak leiden en brengen tot een bewustzijn van onze persoonlijkheid in het heden. Gelijktijdig is dit beginpunt een weerspiegeling van het einddoel. Want de kracht, die in ons werkzaam is, moet een weerkaatsing zijn van de volmaaktheid.

Dan zullen wij als naar binnen zoekende en strevende mensen of geesten in het heden komen te staan voor de tijdloosheid van de werkelijke beweegredenen, die ons steeds zullen voeren.

Het is niet mogelijk deze te ontleden en te zeggen: dit stamt uit deze, dat uit gene periode. Het is alleen mogelijk te zeggen: dit is de totale tendens. Al het andere, dat optreedt, is slechts een verschijnsel daarvan, een uiting lus van dezelfde kracht, maar nu geuit via een bepaald bewustzijn, dat – onvolmaakte voorstellingen kennende – een onvolmaakte projectie in zich draagt. Deze onvolmaaktheid is voor ons weer zeer belangrijk. Want wij weten, dat wij onvolmaakt zijn. Het feit, dat we niet absolute vrede, absolute rust kennen, en de honger in ons om deze punten wel te bereiken, impliceren dus de noodzaak om altijd weer en te allen tijde uit het onvolmaakte van het “ik” een aanvulling te scheppen, die – in werkelijkheid binnen het “ik” gelegen – buiten het “ik” geprojecteerd kan worden. Ook dit, neem ik aan, is voor een ieder duidelijk en begrijpelijk.

Dit geprojecteerde punt krijgt dan het aanzijn van een God. Deze God wordt op de meest verschillende wijzen geëerd. De trap, waarop het eigen bewustzijn staat, bepaalt de wijze van godsvoorstelling en ook de poging tot eenwording met die God. Dat gaat van de primitieve godsdiensten, die vaak mensenoffers kennen (de grote offers dus): daarnaast komend tot orgiën, die eigenlijk dus ook een weerkaatsing zijn van dat godsbeeld.

Ons godsbeeld zal – als ik u als gemiddelde hier neem – daarvan aanmerkelijk kunnen verschillen. Het is vager, minder omschreven, meer omvattend. Het is ook minder reëel. Toch zijn ook wij eens primitief geweest, hetzij op deze wereld, hetzij in een sfeer. En deze primitiviteit maakt dus deel uit van ons wezen, onverbrekelijk en door alle tijden heen. Aan de andere kant bestaat steeds de droom van het andere land, de andere wereld. Die andere wereld wordt voor de simpele geloven hemelsfeer: voor ons, die beter weten, een opeenvolging van werelden met een steeds veranderende bewustzijns- en voorstellingswaarde.

In de praktijk zal echter het verschil tussen hemel en sferen en misschien ook de eeuwige jachtvelden en het Walhalla alleen een voorstellingskwestie blijven. Het is dus hel beeld, dat verschilt, niet de werkelijke inhoud. Wanneer dit beeld in ons leeft, moet het volkomen geluk in onszelf te vinden zijn.

  • Wat bedoelt u met volkomen geluk?

Het volkomen geluk wil zeggen: in jezelf volledig vervuld zijn. Dus zonder begeren zijn, zonder angst, met een volledig bewustzijn van je eigen bestaan en van de totale waarde, die dit bestaan heeft voor al het andere, dat bestaat.

  • Zijn we dan nog een persoonlijkheid of zijn we dan al terug in de bron?

We zijn terug in de bron en blijven toch een persoonlijkheid. Dat is nu juist het probleem. Want denkt u aan hetgeen wij gesteld hebben – en ziende nu weer even vanuit het Goddelijke – dan kan datgene, dat in volmaaktheid geopenbaard en geschapen is, nooit zijn waarde veranderen. Op het ogenblik der schepping weiden wij geschapen als individu. Als zodanig zullen wij dat blijven gedurende het gehele bestaan van de schepping. Maar – individu zijnde – zijn wij tevens geschapen als totaalbeeld vare God: dus tezamen met de gehele schepping. De consequentie is, dat wij dus ter allen tijde a.h.w. organisch verbranden blijven met het verder geschapene en eerst, wanneer we de verbinding met het geschapene volledig in onszelf realiseren, een werkelijk bewustzijn van ons “ik” hebben. Er is dus nog wel een “ik”, maar nu met een onderwerping van dat “ik” aan een groter geheel. Dat wordt daarin geïmpliceerd. Een onderwerping, die thans onbewust bestaat, die echter – komende tot volmaaktheid – bewust zal bestaan.

  • Dus wij blijven tot de laatste instantie individu?

Ongetwijfeld. Steeds redenerend vanuit het goddelijk standpunt.

  • Maar individueel.

Individueel. Ik wil daarbij opmerken – vooral ten aanzien van de laatste vraag – dat deze individualiteit, zoals ze volmaakt bestaat, wel eens aanmerkelijk kan verschillen van hetgeen wij er thans ons onder voorstellen. Zodat vanuit menselijk standpunt een dergelijk opgaan in het geheel een verdwijnen van het “ik” schijnt te impliceren, omdat de vrijheid van wil, de mogelijkheid dus van persoonlijk handelen, praktisch wordt uitgeschakeld. Men vergeet echter, dat in de volmaaktheid de drang tot vrije wilsuiting en de noodzaak daartoe ophouden te bestaan. Dat is dus de moeilijkheid van dit punt. Nu gaan we het zo zeggen (en dan kom ik weer terug op de zin, die ik in het begin gebuikt heb): Wanneer ik nu weet, dat ik gedreven word door mij onbekende krachten, die in mijn wezen schuilen en die terug te brengen zijn tot twee oerkrachten – die echter voor zich een persoonlijke definitie behoeven, wil men de uiting daarvan binnen de persoonlijkheid kennen – dan zal mijn persoonlijkheidsonderzoek (het begin van elke esoterische bewustwording) gericht moeten zijn op de realisatie van het “ik” in de bron. Realisatie van het “ik” in de bron houdt in: een ervaren van begeerteloosheid, willoosheid en vrede.

Wanneer dit voor een ogenblik is bereikt, zal de terugkeer tot het heden voor ons a.h.w. inhouden een doorlopen van alle tijden, waarin ons bestaan gerealiseerd was. Verder een hernieuwd ontwaken van alle bewustzijnsvormen, die tezamen onze huidige persoonlijkheid uitmaken.

Dit gebeurt in een zeer korte periode en is dus voor de mens meestal niet uit te drukken in een reeks van beelden, hoogstens in enkele symbolen. Een van de meest voorkomende symbolen daarvan is licht. Een licht echter, dat zich wijzigt.

Het doet heel vaak denken aan een knap uitgedacht lichteffect, door de een of ander meesterelektricien geprojecteerd op een leeg toneel. Dit lichteffect kan ons toch helpen. Want wij zullen – terugkerende tot onszelf in de beleving – de illusie hebben, dat verschillende kleuren van het spectrum achtereenvolgens optreden, Die volgorde zal voor den ieder verschillen. Paar de kleuren corresponderen met de krachten, die wij ook in deze wereld van heden soms geestelijk aanvoelen en of waarnemen.

  • Waarom zal een kind bv. zeggen: “Ja, dat boek is geel’, terwijl het helemaal niet van die kleur is. Het is de reactie van het kind op de inhoud. Maar een ander kind zal het boek rood of zelfs paars noemen.

Deze schijnbare irrealiteit van de kinderlijke uiting berust heel vaak op een zuiverder en scherper aanvoelen van de plaats van een voorwerp of een inhoud in de eigen ontwikkelingsgeschiedenis.

De laatste kleur die wij zien, de kleur die vaak overgaat in een symboolbeeld bij deze beleving, is voor ons de kleur van het heden. En nu begrijpt u mij waarschijnlijk al wat beter: want wanneer de volgorde van kleuren verschillend is, zullen de werelden en gebieden, waarvan zij uiting zijn, dus naast elkaar in deze wereld kunnen bestaan. Elke kleur, die reeds doorleefd is, benaderen, betekent een terugval. De huidige kleur a.h.w. (dus de huidige impuls) versterkt beleven betekent zelfrealisatie. Het benaderen van de nog niet gekende kleuren betekent het zonder redelijke mogelijkheid tot begrip benaderen van onze eigen toekomstige gestand.

Het grootste bezwaar, dat u tegen hetgeen ik gezegd heb kunt inbrengen, is: “Ja, maar wij bereiken dit niet.” Daarover zou natuurlijk te spreken zijn. Maar ook hier is geen algemene regel te trekken. Het gaat er mij dan ook niet zozeer om u een aanwijzing te geven ter duiding, dan wel een beeld te scheppen voor U van Uw werkelijke: innerlijke toestand. In deze innerlijke toestand komen de aspecten van de tijd dus in willekeurige volgorde voor.

Deze volgorde is in genen dele gebonden aan hetgeen stoffelijk of geestelijk beleefd wordt.

Om het even met een wereldbekende term te zeggen: er bestaat een individuele kleurcode, die de fasen van het leven aangeeft, Waar die achter voor velen verschillend zijn, kan worden gezegd, dat hetgeen A, in tijd één honderd realiseert, voor B, pas gerealiseerd kan worden in tijd één miljoen. Toch kunnen beide qua bewustwording gelijkstaan, waar zij een geestelijk aantal fasen doorlopen hebben en hun bewustzijn dus met ’n gelijk aantal factoren is uitgebreid.

Dat dit een eigenaardig beeld werpt op de menselijke gewoonten om te oordelen en te spreken over goed en kwaad, is wel duidelijk. Want wanneer onze kleurcode zo aanmerkelijk verschilt, zou het beste voor A, gelijktijdig misschien dodelijk kwaad voor B, kunnen betekenen, Wat voor B, een terugval is, is voor A, een bewustwording en omgekeerd. Het heeft dus geen zin moed en kwaad te gebruiken als oordeelswaarden buiten het “ik”.

Toch zullen wij de waarden goed en kwaad in ons eigen bewustzijn, dat dus wel aan tijd gebonden is, voortdurend blijven hanteren. Wij moeten leren de normen daarvan ze te stellen, dat zij zo veel mogelijk aan de werkelijke verhouding van het ware “ik” tegemoet komen. Dit betekent, dat ze slechts dan te hulp worden beroepen, waar geoordeeld moet worden over eigen verdere bewustwording, dan wel over het behoud van eigen huidige toestand of vorm.

Nu zal op de duur het ons mogelijk worden, vooral wanneer wij een redelijk aantal fasen van bewustzijn in ons dragen, om elk dier fasen afzonderlijk voor onszelf te activeren. (Denkt u  niet, dat dit gepaard zal gaan met de droombeleving van bv. vroegere bestaansvorm. Dit kan wel eens voorkomen maar is een begeleidend verschijnsel.) Het betekent, dat al het vroeger doorleefde in het heden gerealiseerd kan worden en dan tot een onmiddellijke daadimpuls wordt in de huidige wereld. Moet ik u daarvan voorbeelden geven of vindt u het zo duidelijk genoeg?

  • Graag!

Stel: A, een normaal vreedzaam mens. A. komt in condities, die hem herinneren aan de  oerperiode. En nu willen wij die omwille van het beeld dan leggen ergens in het paleocethicum.

Das een zeer vroege holenmens, laten we hem zo maar noemen. In deze holenperiode was met geweld uitdrukken van eigen wens en wil normaal.

Op het ogenblik, dat deze mens in die omgeving komt en zijn eigen beheersing van het heden dus wordt belaagd door die omgeving, zal hij revolteren tot het vroegere gedragsbeeld. Wij krijgen dan te maken met die heel goede mens, die plotseling in drift, in een opwelling, een ander kan doden. Dit is niet een tijdelijke verstandsverbijstering, maar een tijdelijke vervanging van innerlijke waarden, waardoor de eigen dadendrang als wel de eigen lichaamsbeheersing totaal verandert en – vooral wanneer we teruggaan naar een vrij vroege periode van menselijke ontwikkeling – de eigen beheersing van de daad wegvalt ten voordele van de instinctieve reactie. Is dit voorbeeld duidelijk? Dan wil ik een tweede beeld nemen.

Stel, dat iemand in zijn ontwikkeling een periode heeft doorgemaakt van hooggeestelijk bewustzijn. D.w.z., dat in deze periode dus zo iemand contact had met andere werelden en sferen en in deze andere werelden en sferen een leiding vond voor zijn huidig en persoonlijk bestaan. Is die premisse aanvaardbaar? Dan kan het zijn, dat deze mens door een terugval of een vooruitgrijpen – zo u wilt – naar deze conditie, komt tot een profetisch leven. Denk bv. aan Jeanne d’Arc, die van te voren zei, wat de resultaten van haar daden zouden zijn. Het beeld is echter onvolledig, omdat de “ik”-realisatie in de huidige vorm daarbij geheel of grotendeels is uitgeschakeld.

Dan het derde. Stel, dat in mijn wezen een reeks factoren aanwezig is, die voor het gemiddelde der wereld in meer of minder nabije toekomst – enkele honderden jaren dus – eveneens gerealiseerd zal kunnen worden. Dan zullen mijn eigen handelingen en gedachten in vele gevallen een weerkaatsing zijn van condities, die op de wereld thans nog niet bestaan. Dit kan tot uiting komen in het doen van uitvindingen. Uitvindingen, die meestal door de tijd zelf tenzij de worden gelegd. Het kan ook tot uiting komen door het scheppen van kunstwerken, die qua constructie en geestelijke inhoud eerder een beroep doen op de komende tijden dan op de eigen periode. Het kan zelfs zijn een ontwikkeling van een gedachtereeks of een staatkundig systeem, dat grijpt naar een toekomstige mogelijkheid, maar in het heden niet te verwerkelijken is.

Mijn bedoeling is, dat u begrijpt, hoe de factoren van heden en toekomst in het heden volledig actief kunnen zijn. Het was dit punt, dat ik met mijn voorbeelden vooral duidelijk wilde maken. Want dit houdt in, dat het heden volgens de huidige stand van bewustzijn – let wel: de huidige stand van bewustzijn – een min of meer bewuste uiting zal zijn van de totale persoonlijkheid en levenswaarden binnen het Goddelijke als deel van de volmaaktheid.  Dan komt hieruit voort, dat wanneer ik in het heden als esotericus streef naar een leven, waarbij de innerlijke betekenis der dingen mij klaar en duidelijk moet zijn, ik in veel verschillende perioden van handelen zal komen, zodat mijn eigen gedrag variabel zal zijn. Daar staat echter tegenover, dat deze variabiliteit van gedrag – ja, zelfs van aanvaarde normen – mijn persoonlijkheid vollediger geuit zal worden en mijn bewustzijn dus steeds meer fasen van het totale bestaan reeds in het heden zal kunnen bevatten. Dit noemt men een bewustzijnsuitbreiding en als gevolg hiervan komt dus een bewustwording, waarbij in het vervolg niet slechts één maar meer geopenbaard en verdere fase van persoonlijkheid gelijktijdig kunnen worden geopenbaard en beleefd.

In deze wijze van streven vindt de esotericus dus een vermindering van de onbekende krachten in het ik, die vervangen worden door gekende, gerealiseerde en gebruikte krachten van het “ik”, die zijn bewustwording zowel als zijn innerlijke vrede sterk helpen bevorderen.

  • Mag ik nog iets vragen over deze oer impuls, waar u het had? Is die voor ieder individu gelijk? Of zijn er tegengestelden?

Ik zou aannemen van niet. “Tegengestelden” vind ik zeer moeilijk, want een “tegenstelling” bepalen wil zeggen: toch weer een zekere gelijkheid van drang aangeven is.

  • Ik bedoel, dat in de één een impuls, die tegengesteld is aan de impuls van een ander Individu.

Ik weet wel wat u bedoelt, maar ik kan het moeilijk in dit beeld thuisbrengen. Ik zal proberen het, voor u te ontrafelen. U kunt zich een lichaam voorstellen? Het lichaam kent veel verschillende soorten spierweefsels, zenuwcellen, organen, afscheiding producerende organen, enz.. Denkt u maar aan de gal, wanneer u zwartgallig bent.

Dan kunt u zich ook voorstellen, dat de impuls, die elk van deze cellen heeft een ander is: en wel omdat zij binnen het organisme een bepaalde taak heeft. Kan ik nu zeggen, dat bv. een doel van de hypofyse een impuls is tegengesteld aan de werking van de bijnier en dus ook van de delen van de bijnier? Onder omstandigheden kan afscheiding van de hypofyse inderdaad de bijnier remmen of stimuleren: maar daar maken wij toch geen tegenstelling van oerkracht of een overeenkomst uit?

  • Mijn gedachtegang is deze: Laatst is er gesproken over een rechter- en een linkerweg ingang, dus een positieve en negatieve impuls.

Ja, maar deze wordt weer vanuit de persoonlijkheid bepaald. Dus om het simpel te zeggen binnen dit verband: dan zou de rechterweg in het heden optredende realisatie van zo veel mogelijk eigen levensfasen betekenen en dus een bewust terugkeren naar de volmaaktheid daaruit voortvloeien. De negatieve weg tracht zoveel mogelijk van de vroegere ervaringen te elimineren om zo te komen tot het rusten in de bron zelf, Dan heeft U precies hetzelfde gezegd. Dus kunnen wij het moeilijk zeggen, dat er tegengestelde impulsen bestaan. We kunnen wel zeggen, dat bepaalde elementen in het lichaam in de eerste plaats aan bouwende, de andere een zekere brekend functie verrichten. Dat is hun taak: en zonder beide functies zou hit lichaam niet kunnen bestaan, De één ontleedt, de ander voegt samen, enz.. De een verbindt zich, de ander scheidt zich af. En deze grondimpulsen zijn dus voor elk wezen slechts persoonlijk te definiëren en wel naar gelang de plaats, die het inneemt binnen het “ik”, de schepping. Maar het “Ik”, de schepping, omvat niet alleen de mensheid, maar bovendien alle andere uitingen, die er bestaan van de grootste en de meest geestelijke tot de kleinste in de laag-stoffelijke toe. En daaruit volgt dus, dat wij voor de mensheid aan zekere norm mogen stellen. Die norm heb ik dan getracht te stellen door het wijzen op twee driften, die elke mens en elk wezen, dat de menselijke weg volgt, schijnbaar ingeboren zijn, n.l. het zoeken naar eenheid en het zoeken naar geborgenheid. Dus we mogen zeggen, dat die impuls bij allen gelijk is. De wijze, waarop zij bereikt wordt en nagestreefd, kan bij ieder verschillen. Dat doet aan de oerkracht verder niets af.

  • U heeft o.a. gezegd: Veronderstel, dit er twee wezens in eenzelfde sfeer zijn, een lichte sfeer: en voor de één is een daad goed en voor de ander is dezelfde daad kwaad. Dat begrijp ik niet goed.

Dan zal ik proberen hiervan een voorbeeld te geven, zodat het u duidelijk wordt. Laten we zeggen: Ik sta daar samen met een collega. We kennen elkaar, we spreken met elkaar. Nu ligt in mijn wezen op het ogenblik onderwijzen, doceren, dus het mededalen van kennis. Dat houdt in, dat mijn vergaren van kennis daarop is afgesteld. Wanneer de collega dat echter zou doen, zou hij in zichzelf zijn ontwikkeling en bewustwording onderbreken, dia ik juist daarmee bevorder. Hij daarentegen is juist ingesteld op het vergaren en uitstralen van kracht. Wanneer wij na onze plaatsen zouden verwisselen, dan zouden wij beiden – vanuit ons standpunt – kwaad doen. Ik, omdat ik met krachten zou werken, die voor mij geen feitelijke betekenis hebben en dus een deel van mijn bewustzijn a.h.w. u uitwissen door hun geweld. (U zoudt kunnen zeggen een soort van amnesie: als vergelijkend beeld natuurlijk.) Terwijl de ander daarentegen, gewend aan de kracht, niet in staat zou zijn om a. de kennis op te nemen, b. om ze weer te geven. Daardoor zou hij ook in een toestand van armoede, van verhongering komen, die voor hem ook weer noodzakelijkerwijze betekent het afsluiten van het eigen wezen voor een reeks van activiteiten. De consequentie komt uit het beeld dus duidelijk naar voren: ofschoon wij op gelijke hoogte staan, zal onze verschillende instelling onze eigen wijze van streven en beleven bepalen en verandering zou daarvoor kwaad zijn.

  •  Het ging om de beoordeling van een zekere daad en dat de één die daad zou goedkeuren en de ander die zou afkeuren.

Ook dat is mogelijk. Laat ik dan het voorbeeld anders stellen. We hebben twee mensen naast elkaar. (we zetten het nu even in een menselijk beeld.) De één is een Yogi, die dus is ingesteld op een minimum aan voeding, een maximum aan kracht, een maximum van beschouwing en een vergroting van eigen bewustzijn. De ander is een Eskimo met over het geheel genomen dezelfde instelling. Deze leeft als Eskimo’s doen – dus met een zeer ruim vlees- en vis- dieet, wanneer het mogelijk is, terwijl hij praktisch geen groenten gebruikt. Hij is iemand, die zeker een beschouwend leven alleen voert in een beslotenheid, die de verbinding met mensen zeer belangrijk vindt, wat de yogi grotendeels afkeurt. Zet die twee mensen nu naast elkaar: gaat u ervoor zitten en begint u dan eens groenten te eten. Alleen maar groenten. Wat zegt deze Yogi?. “Kijk, die man doet goed”. De Eskimo zegt: “Neen, die man doet verkeerd.” ‘,Want de Yogi zegt: “Geen dierlijke impulsen in het voedsel, dus vergrote mogelijkheid om tot geestelijke rijpheid te komen.” De Eskimo zegt: “Een te weinig aan dierlijke vetten en eiwitten, waardoor een gebrek aan kracht ontstaat, dat door uitputting van het lichaam de ontwikkeling van de geest ommuurt.” Vanuit hun standpunt hebben beiden gelijk. Stelt u zich nu geesten voor met een soortgelijk verschillende ontwikkeling en laat ze dan een daad op aarde beoordelen. Dan zal de één zeggen: “Dat is een daad van onthouding, dus van zelfbeheersing en dus gunstig.” Goed. Uitstekend. De ander staat ernaast en zegt: “Ja, maar dat is een daad van ontkenning van in het leven bestaande waarden, als zodanig een beperking van bewustwording, en dus kwaad. “

  • Maar u zegt nu: van verschillende ontwikkeling.

En toch op gelijke hoogte. Dezelfde sfeer. Ik heb het niet gehad over gelijke ontwikkeling, ik heb het gehad over gelijke sfeer.

o-o-o-o-o

De kabbala

De kabbala is natuurlijk een levensleer en wanneer je erover praat kun je een klein stukje zus en een klein stukje zo nemen, maar in het geheel vraagt het heel veel tijd om er werkelijk mee te kunnen werken. Daarom wil ik u vandaag – omdat er gesproken is over harmonie en wat er zo meer bij terecht komt – een beetje vertellen over de leer van de kosmische harmonie, zoals wij die kennen binnen de kabbalistische levensleer.

Wanneer wij kabbalistisch de zaak bezien, dan bestaat er tussen alle schepping een harmonie, die van het Goddelijke uitgaat. Wij kunnen deze harmonische aspecten vastleggen en daardoor ontstaat er een verhouding tussen alle dingen en dus ook tussen klank.

Op grond daarvan zeggen we bv., dat een woord een begrip dekt, maar dat het begrip nooit in overeenstemming kan of mag zijn met de oppervlakkige beduiding. Want het woord op zichzelf hoort in één tijd thuis, maar feitelijk gezien is dat woord de uitdrukking van een eeuwige waarde. Het woord kan veranderen, maar de betekenis, de letterwaarde, de klankwaarde blijft gelijk. Omdat dat gelijk blijft, kunnen wij het kerngetal daarin zoeken en onmiddellijk zien, waar het bij hoort.

Zoals dat nu geldt voor letters en voor woorden, zo geldt dat ook voor mensen. Een mens kan behoren tot een bepaalde groepering. Die groepering is geen vereniging, het is geen clubje “onder ons”, maar het is werkelijk een band, die bestaat tussen schepselen van verschillende grootorden, die allen tezamen liggen in één aspect van het Goddelijke, waarbinnen zij besloten zijn. Zolang zij dat bewustzijn bezitten, zijn ze harmonisch en in dit harmonisch bestaan zal een voortdurende wisselwerking mogelijk zijn tussen de hoge krachten en b.v. de mens, die in dezelfde orde van bewustzijn valt. Dat is het beginsel, dat voor iedereen – zou ik zeggen – heel eenvoudig is. Nu komt de grote vraag: Hoe zal zich – kabbalistisch gezien dus steeds weer – deze harmonie uitdrukken? In de eerste plaats natuurlijk is er eenzelfde grondgetal. Het grondgetal is eigenschapsbepalend. Dus de realisatie van een verhouding ten opzichte van God is daarin vastgelegd. Wanneer dat voor allen gelijkelijk bestaat, is het mogelijk vanuit hun huidig bewustzijn – al is dat nog zo klein – een contact te krijgen met de hoogste kracht, waarin die gelijke goddelijke waarde geuit is.

Dan kun je verder gaan en dan zeg je zo tegen jezelf: “Ach, wat zal ik nu daarboven gaan zoeken? -Wat heeft het nu voor betekenis, wanneer ik al tot dat getal behoor? “dat houdt het in?” En nu drukken wij dat getal uit om een verschil mogelijk te maken in drie waarden. Dus om voorbeelden te geven, die u kent: het getal 666, het getal 999, het getal 144. Dat zijn dus van die eigenschapsbepalende getallen. Ze houden n.l., grondwaarden in. Ik zal ze maar even ontleden, wanneer u er geen bezwaar tegen hebt. Dan beginnen we natuurlijk met 144000, het eenvoudige getal. 1 = het Goddelijke, niet geopenbaard: 4 = het dierlijke én 4 = het dierlijke. Wanneer het dierlijke in twee aspecten bestaat, dan kan dat nooit op dezelfde wereld zijn. Dus 1, al omvattend, goddelijk, 4 het dierlijke, dus het leven op zichzelf, stoffelijk: en 4 het leven op zichzelf – geestelijk. Tezamen maken deze uit het getal 9. Daarvan kan dus worden gezegd, dat in het getal 144.000 optreden de scheppende kracht, de dierlijke factor van het stoffelijk leven en de dierlijke factor van het geestelijk leven. Dat laatste zal ik u  verklaren, zodat u niet in raadselen blijft steken. Dierlijk wil zeggen: van “Ik” ten dele of beperkt bewust. Er zijn b.. veel engelen, die beantwoorden aan het getal 4. Want door hun leven zijn zij in dezelfde geestelijke cyclus opgenomen en hebben nooit de scheiding van het Goddelijke gekend, zoals de mens die heeft doorgemaakt. Geestelijk zal bv. kunnen worden gebruikt om aan te duiden de status van Adam in het paradijs, niet daarna. Dus het wandelen met God, maar zonder kennis van goed en kwaad. Wanneer die factoren samentreffen ontstaat daaruit de hogepriesterlijke mens, 9, die in zich draagt het kennen der wereld, het kennen der geest, maar die bovenal in het Al aanvaardt de goddelijke wil en zich hierdoor laat leiden.

Simpel, hé, doodeenvoudig. Het is maar een weet. Dan het getal 666. Dat is ook een eigenaardig getal. 6 is het getal van de mens. Niet van de geestelijk bewuste mens, maar van de mens, dus van het oordeel. Adam na zijn verdrijving uit het paradijs. De mens van conflicten en tegenstellingen. Dit drie maal. Dus in de schepping gezien: als openbaring van conflicten. In de mens gezien: als de dierlijke mens: het wezen, dat – zich van zichzelf bewust – in zijn conflicten niet de oplossing zoekt tezamen met hogere waarden, maar voor zich alleen. En in de geest gezien: de geest, die zich afzondert van het Goddelijke en in zijn oordeel bestaat t.o.v. het Goddelijke. Wat is nu het eigenaardige? Voeg ik deze samen, dan krijg ik eerst 18. En dat is God en priester. Weer het goddelijk principe. Maar nu met de priester en niet met de hogepriester. Want hier zijn twee werelden, die elkaar nog tegengesteld zijn, ingelegd in het symbool van acht (liggend), het symbool van oneindigheid.

De conclusie is duidelijk: wanneer hier 9 uit voortkomt, dan heb ik de persoonlijke hogepriester, die niet spreekt tot het Goddelijke, maar voor zich wil spreken vanuit het Goddelijke. Een absolute tegenstelling tussen het getal 9, dat wij zo-even hadden en het getal 9, dat we nu krijgen. Maar nu het vreemde. Nu heb ik 999. Dat is het getal van het offerend principe. Gaan we dat nu samenvoegen dan krijgen we eerst 9, hogepriester in het Goddelijke.

Dus niet het volmaakt Goddelijke maar een uiting van het volmaakt Goddelijke in het onvolmaakte. We krijgen 9, de hogepriesterlijke mens: de mens, die treedt voor het aanschijn Gods en Gods wil vervult. En we krijgen 9 in de geest. Het bewustzijn van het Goddelijke zonder volledige opgang in het Goddelijke. Voeg hen samen, dan komt daaruit het getal 27.

Wat is nu 2?  2 is de geopenbaarde God, het wezen dus in de tegenstellingen: en 7 is de geestelijk bewuste mens. Het eindgetal is wederom 9. Maar nu opgebouwd dus uit het geopenbaard Goddelijke en de geestelijk bewuste eens – impliceert het: een harmonisch worden van de mens, de geestelijk bewuste mens, met de schepping, mét de geopenbaarde godheid. Conclusie: dit getal 9 is evenzeer hogepriesterlijk. Het hogepriesterschap, dat hier staat voor de eenwording met het Goddelijke, zonder daaraan te hebben toegevoegd de volledige bereiking. Je ziet met die getallen kun je heel veel aantonen over die verbanden.

  • En een negatief getal?

Het negatieve getal was 666. Dat heb ik u verteld. Dat is 3 keer 6 dus de zich bewuste maar nog dierlijke mens (niet geestelijk bewuste) en dit geïmpliceerd in elk der sferen – goed onthouden! Dus het eerste getal staat voor God, het tweede getal staat voor de stof en het derde getal staat voor de geest. De stof ligt tussen God en de geest in. Dat heeft ook weer zijn betekenis Want God is het scheppende, het openbarende principe. De relatie in God is dus het omschrijven van een deel van de volmaaktheid, dat betrekking heeft op deze persoon, toestand of groep. Dat is duidelijk. Het tweede getal geeft aan de mens, want het menselijke of stoffelijke is een directe uiting van het scheppend principe. Eerst door de werking van het goddelijke en het stoffelijke kan het bewustzijn ontstaan, dat uiteindelijk de geest is, het bewustzijn, waardoor de ziel, deel van het Goddelijke, kan ingaan tot het Goddelijke. Of anders gezegd: de grond, de aarde is de basis, waarop de levensboom groeit, de geest. Maar de aarde kan niet bestaan zonder de hemel. De hemel is het eerst noodzakelijk. Zonder hemel geen aarde. Dan de aarde, want uit de hemel en de aarde wordt geboren bewustzijn. Simpel.

Als je even nadenkt ziet je het zelf ook. Nu denkt u: Nat zit hij op te scheppen, (Ik heb het ook van een ander geleerd) omdat de meeste mensen de eenvoudige dingen voorbij kijken. Wat dat betreft zijn ze net als de mensen, die een bril opzetten om dichtbij te zien en dan zien ze niet meer wat veraf is.

Ze zetten hun bril af, dan kan de hele schat van alle wereldse wijsheid en alle kosmische wijsheid onder hun neus liggen en dan kijken ze naar verder, wat daar loopt laten we eerlijk zijn: menige man heeft de geestelijke wijsheid vergeten, omdat er verderop een aardig meisje liep.

Dus het gaat hier over de eenheid. En het principe van eenheid, harmonie met een deel van het Goddelijke, wordt dus in die grondgetallen uitgedrukt. Die getallen lopen van 1 tot 0. Dus over 9 natuurlijk. Daarna echter komen wij tot de daling van mogelijke harmonie. Dus dit zijn de directe harmonieën, die lopen a.h.w. verticaal. Van de hoogste af tot de laagste toe.

Daarnaast echter bestaan z.g. horizontale harmonieën. En dat is bv.: 1 en 3 rijmt, 2 en 4 rijmt ook, maar 1 en 2 rijmt niets. Kunt u vatten wal ik bedoel?

  • Neen.

Dus er zien bepaalde eigenschappen. Om nu even te blijven bij de kosmische uitleg: 1 is God, niet geopenbaard, maar God. 2 = de scheiding in tegendelen, maar die houdt nog niet in het wetend Goddelijke. 3 = de drie-eenheid, de drie factoren, die het zijn begrenzen en in hun geheel identiek zijn met God. Zo zijn. 1 en 3 uitdrukkingen van dezelfde waarde, waarbij echter in 3 de functies, die erkend kunnen worden in 1, bepaald worden.

In 2 echter is uitgedrukt een wereld, dus een schepping, een tegenstelling.

Die tegenstelling komt het best tot uiting in 4, in het dierlijke. Want in het dier bestaat het ik-bewustzijn als gescheiden van een Al-bewustzijn, (De tegenstelling ligt erin weerkaatst, terwijl wij verder in het dier vinden het persoonlijk groei en bewustzijn, de persoonlijkheidsbegrenzing, die ook bestaat: daartegenover het niet scheiden van het ik van de oorzakelijkheid rond het ik. En dan ligt daar verder in de factor (misschien ook weer één van de belangrijke): het stoffelijk geuite. Voor het dierlijke is de noodzaak tot stoffelijke uiting, enz. primair. Daarom rijmen dus 2 en 4 wel, maar 1 en 4 niet, want 4 omvat niet alles wat in 1 ligt, noch wat in 3 ligt. Maar het is een duidelijke illustratie van 2, de tegenstelling, die in het dierlijke tweemaal geuit is.  Die twee zijn niet identiek.

Dan kon ik dus tot de z.g. twee-getallen. Die kunnen dus zijn 12, 22, 32 enz. Ga maar door.

Dat is met elke getal combinatie mogelijk. Een dergelijk na-risgetal geeft aan met welke factoren harmonie bestaat. Bv. alles, waarin 1 voorkomt, duidt op een relatie met de kosmos.

Een goed esotericus zal dus uiteindelijk komen tot een naamsgetal, of zelfs door naamsverandering en persoonlijkheidsverandering tot een nieuwe naam met het getal, waarin 1 primair staat, dus contact met het Goddelijke als zodanig, en daarachter een getalletje, dat uit, wat er gaande is, 12 dus een verdeeldheid van leven, de worsteling in stof en geest, maar beiden in relatie met het Goddelijke, nietwaar? 3 het kennen van het wezen als drievoud van functie: , die in relatie staat tot het Goddelijke, enz., enz. Tot het hoge priesterlijke, nietwaar, waarin de persoonlijke godsaanvaarding gescheiden staat van God zelf, maar gelijktijdig een volledig kennen en aanvoelen. van de godheid praktisch mogelijk maakt. Dus een putten uit het Goddelijke. Krijg je 2, dan heeft het getal weer zijn tegenstellingen. En nu zult u begrijpen, wanneer ik dat heb, dan ben ik in die twee getallen zelf gedefinieerd in mijn horizontale lijn, maar daarnaast zal alles, wat 3 is b.v. of 2 (zoals ik ben) in bepaalde feiten harmonisch zijn.

Dan kun je dus zeggen: onze lijn, ons zoeken naar het Goddelijke, staat op een verschillend plan. De werkingen uit de geest, die ons bereiken, zijn verschillend, maar wij kunnen elkaar begrijpen, doordat onze stoffelijke of soms ook geestelijke condities zozeer gelijk zijn, dat we elk in ons eigen beleven tot een gelijk probleem komen.

Of niet?

Dan gaan we de zaak verder uitrafelen en dan zeggen we dit: ” Wanneer dus een harmonisch aspect bestaat in de breedte, horizontaal, dan betekent dit, dat een zekere broederschap bestaat. die ook geestelijk en vaak ook in het Goddelijke doorwerkt. Als zodanig is tussen de gelijke horizontale getallen, (dus het tweede in het twee tallig nummer) te rekenen met de mogelijkheid tot goede samenwerking, telepathische prestatie, scherp aanvoelen, elkaar compenseren, enz. Heb ik echter beide nummers gelijk, dan is tussen die twee een eenheid mogelijk. En die eenheid impliceert een volledig intreden in elkaars leven.

Dit intreden houdt ook in, dat in beide dezelfde grote geestelijke krachten werken. Daar maak je gebruik van.

Zo kan ik mij bv. voorstellen, wanneer twee wezens – zij het verder op een verschillende trap van ontwikkeling staande – beide getallen, die de grondwaarden van het “ik” en “streven” aangeven, gelijk hebben, en de één in nood komt hier, de ander dit daar ervaart, niet alleen als een precognitie, een voorvoelen, maar eerder als een verschijnsel, dat de wereld verandert.

Dus alles, wat harmonisch is met die krachten, verandert onder die impuls: en zo is het voor allemaal waarneembaar,

Denk eens aan het evangelie, wat het over Jezus kruisiging zegt. Er staat de aarde beeft, de doden staan op en worden zichtbaar, de zon verduistert, enz. U kunt zeggen: Dan zal het een natuurverschijnsel geweest zijn. Maar u kunt ook zeggen: Hierbij was dus klaarblijkelijk van een zodanige harmonie sprake tussen het wezen, dat stierf en tussen de natuur en de aanwezigen, dat al wat harmonisch was gewekt werd en zich dus toonde. Er daarom deed zich dit verschijnsel voor. En dat is de innerlijke betekenis ervan. Want als je hoort vertellen hoe het eigenlijk zou moeten zitten uit de kant van bv. niet-christenen, dan zeggen ze: Ja, maar een aardbeving is er rond die tijd toch niet geweest. En zonsverduistering? Nou, dan klopt die datum helemaal niet. Dat zou 50 jaar moeten verschillen. En zo gaan ze verder. Maar neem het als een totale indruk, als een ondergaan van iets, dan kan het onbetekenend trillen van de aardbodem worden tot een verschrikkelijke aardbeving. Dan kan helderziendheid in de plaats komen van werkelijk uit de dood opgestane wezens, enz..

Dan ga je weer verder. En dan ga je voor jezelf proberen te bepalen: Kan dat elders voorkomen? Dan is het antwoord: Ja, dat kan elders voorkomen. Wanneer u in harmonie bent met anderen op de wereld en die anderen zijn opstandig, dan ontdekt u ineens door die harmonie een legerstelling in uw omgeving en de opstandigheid kan ook bij u als indruk ontstaan.

Wanneer een geestelijke impuls u bereikt in uw eigen streven en eigen nummer dus, verticaal, dan is het zo, dan allen, die gelijk staan met u, de gelijke krachten kunnen ondergaan. Dan ontstaat er dus een verandering a.h.w. in geestelijk staan tegenover de wereld. Je toestand wordt tijdelijk gewijzigd – ook wanneer je niet precies begrijpt waarom – omdat het kan komen uit het hoger bewustzijn. Omgekeerd kunt u vanuit een kleiner bewustzijn aanvoelen, wat a.h.w. op komst is en als het voor u niet belangrijk, (het is maar een kleine factor in uw eigen leven) komt toch dit in uw persoonlijkheid naar boven en tot uiting. Het beroert niet alleen u, maar de hele verticale reeks tot de bovenste toe.

  • Dus is het a.h.w. een gelijke trilling, die ze dan gewaar worden?

Dat is natuurlijk een manier om dat uit te drukken. Zeg, dat za een gelijke trilling hebben. Dat is natuurlijk weer niet direct kabbalistisch. Het beeld op zich. Maar ze hebben een gelijke trilling: of wel ze zijn t.o.v. elkaar zo gestemde dat een harmonische kan optreden. U weet wel, die bekerde piano met de meetrillende snaren. Want dat laatste voorbeeld geeft ons bovendien aan, dat de intensiteit niet overal gelijk behoeft te zijn.

En dan is het in de praktijk zo, dat voor impulsen, die van bovenaf komen, de intensiteit boven het grootst is: bij die van beneden af komen, beneden. Dat is duidelijk. Want de intensiteit bij het grote omvat een groter bewustzijn en dus kan gelijktijdig daarvan maar een deel in elke lagere trap verwerkt worden. Het kleine kan zichzelf geheel vullen met een impuls, maar komt het naar boven, dan is er een groter bewustzijn: dat heeft er nog andere waarden bij, daar vult het maar een deel. Hoe groter het bewustzijn, hoe kleiner de impuls (in verhouding).

Dan stellen we verder dit: Geen enkel wezen kan zijn geestelijk bewustzijn verkleinen. Of je kunt ook zeggen: Niemand kan zijn eigen totaal wijzigen. Wat je bent, ben je. Je kunt méér worden, uitbreiding van bewustzijn binnen hetzelfde getal, maar je kunt nooit minder worden binnen hetzelfde getal. Je kunt overgaan naar een ander getal, maar nooit naar een kleinere waarde, dan je in dit getal bent geweest. Dat is ook duidelijk. Dan vloeit daaruit voort, dan in elk weten een ontleding te maken is. Zo gezegd: elk getal kan aan worteltrekken onderhevig worden.

Dus u kunt gaan kijken wat zit er in welke combinatie. Elk van die combinaties is (niet in het kosmische, maar wel in het menselijke of horizontaal werkende getal dus) hogelijk. Heb je dus het getal 2, dan is hogelijk: 2, en 1 en 1. Kom ik in 3, dan heb ik als mogelijkheid: 3 x 1, 1 en 2, en 3. Hoe groter mijn getal wordt, hoe groter het aantal mogelijkheden, dat erin gelegen is.

Elke combinatie, die tezamen het getal vormt is denkbaar. Dat houdt dus in, dat hoe groter het bewustzijn wordt, hoe groter het aantal combinaties, dat daarin mogelijk is. Dan kan gezegd worden, dat een gedeeltelijke harmonie kan optreden met elk deelgetal, dus elke getalssamenstelling, die er in ligt, kan door een horizontale harmonische benaderd worden en bv. onmiddellijk gereflecteerd. Dat houdt ook in, dat wanneer iets dergelijks plaats vindt, het eigen getal (dus de werkelijke eigen toestand) terugtreedt voor de daarin aanwezige deelwaarden, zonder dat de totale waarde verloren gaat. Nu wordt dat in de kabbala heel vaak gebruikt, want wanneer wij gaan rekenen, dan hebben wij het wel aardig met die grondwaarden, maar wij willen graag weten: Welke kant moeten wij uit? Wat is de esoterische, wat is de exoterische inhoud van dit of van dat begrip? Het is dus heel logisch, dat wij heel vaak een deelberekening maken. Wij gaan dus niet alleen kijken: Wat is de feitelijke waarde van dit begrip, maar ook: Met welk begrip kan het harmonisch zijn? En in welke begrippen is het beperkt en in welke is het volledig harmonisch.

Op die manier krijg je een beeld van de kosmische samenhang en zie je, hoe op de duur alle dingen met elkaar gelieerd zijn. Sommige: horizontaal: andere verticaal, maar een band tussen elk te construeren. Slechts is geen band te construeren tussen directe tegenstellingen.

Dat klinkt misschien vreemd, maar wanneer ik twee getallen heb, die elkaars volledig tegendeel zijn. Stel bv. dat ik 6 en 9 samenbreng op één zelfde plaats, dan heb ik noch het hoge priesterlijke, noch het menselijke, dan heb ik het neutrale: en het neutrale is alleen een goddelijke uiting. Dan kom ik tot het getal 2. Dat getal 2 is een deelgetal, dat aangeeft de inhoud van 3, die geneutraliseerd toch geopenbaard wordt. Kunt u mij volgen?……… Ik goochel niet met cijfers hoor: ik vertel precies, zoals het is. Ik zal het nog een keer vertellen, want er zijn erbij, die kunnen niet met mij meerekenen.

  • 6 en 9. Hoe komt u dan aan 2?

Dat is heel eenvoudig. 2 is de deelwaarde van het getal 3, dat het verschil aangeeft. De uitdrukking van de tegenstelling, terwijl 3 gelijktijdig de uitdrukking is van de drie-eenheid, dus een volledige openbaring. Vandaar de neutralisatie, die in de tegenstelling is belegen en als 1 draagt de basis (het totaal goddelijke der schepping), maar als een in suspensie zijnde, zonder noodzakelijke uiting.

  • Het is een beetje goochelen met cijfers.

Het is geen goochelen met cijfers, wat ik vertel is waar. Als u goed hebt geluisterd naar wat ik heb verteld, dan heb ik jullie gezegd, dat dit een systeem is, een cijfersysteem. En in dit cijfersysteem gaat het om het vaststellen van de verhoudingen van begrippen (dus namen bv., woorden, die invloeden of plaatsen bepalen, enz.) tot bv. het Goddelijke of de inhoud van een bepaalde mens. En daarvoor heb ik dan een systeem ontwikkeld, waarbij wij dus de horizontale en de verticale relaties kunnen vergelijken.

Kijk nu eens, nu kunt u wel zeggen: in een bevolkingsregister goochelen zo ook zo. Maar de grondstof voor het goochelen moet in de eerste plaats voor de mensen worden geleverd. Als ze niet geboren worden of niet dood gaan is er geen bevolkingsregister nodig. En in de tweede plaats: alles wat in een bevolkingsregister als mogelijkheid optreedt, vloeit voort uit het materiaal, wanneer ik dus aantoon, dat deze mogelijkheden binnen het register liggen, dan goochel ik niet, maar dan stel ik alleen de mogelijke condities buiten dat register vast. Ik druk dus in feite uit, dat het bevolkingsregister is (of liever behoort te zijn) een volkomen weerspiegeling van de bevolking in zijn totale mogelijkheid van leven.

Daar zou dus bijhoren eventuele vermelding van godsdienst, of je een blanco strafregister hebt, of je pekelzonden te verbergen hebt. Er hoort bij te staan of je verhuisd bent of niet, waar je woont en uiteindelijk ook waar je begraven bent. Dan is dus één kaart van het bevolkingsregister eigenlijk niets anders dan een omschrijving van een mensenleven, zij het zeer kort en ambtelijk.

Als je dat hele bevolkingsregister neemt, dan kun je de overeenkomst zien. En als je die overeenkomst dan gaat verwerken op staatkundige manier, dan kom je op het bureau voor de statistiek, nietwaar. Het bureau voor de statistiek kan geen redelijke prognoses geven, omdat niet alle mensen gelijk zijn. Maar het kan wel tendensen stellen en de aanwezigheid daarvan en het mogelijk weer optreden daarvan aangeven.

Dat is nu wat de kabbala doet met de becijferingen. Dus ze gaat bv. na hoeveel mensen, die katholiek zijn en geboren in het jaar 1900 er nog in 1960 leven. Hoeveel zijn er omgekomen en waaraan zijn zij overleden. Dus dan krijg je een onderverdeling. Goed, dan hebben wij dat gezien voor die ene klasse. Maar nu gaan we het uiteen laten vallen. We hebben het nu alleen verdeeld met doodsoorzaak. Eerste scriptie. Nu gaan we ook nog kijken, hoeveel daarvan een blanco strafregister hadden en wie niet. Verder gaan we kijken hoeveel daarvan bv. meer dan drie maal verhuisd zin en wie niet. Dus weer een onderverdeling.

Nu kun je die onderverdeling gaan aangeven, zoals ze in een cartotheek ook doen, nietwaar, bv.: 1a, 1b, 1c, enz. Dan zeggen de kabbalisten niet 1a, maar 11. Die zeggen niet 1b, maar 12.

En wanneer hij klaar is met de 1, begint hij met 2. En zo heeft hij praktisch een oneindig aantal mogelijkheden tot zijn beschikking, waar hij elke relatie dus in enkele getallen uitdrukt, maar elke uitgedrukte relatie in zich inhoudt: alle daarin besloten getalsmogelijkheden.

  • Het gaat dus met Hebreeuwse getallen of Hebreeuwse letters? Hoe gaat dat dan?

Oorspronkelijk ging het in Koptisch schrift. Dat is het begin geweest. Daarna heeft men inderdaad o.a. in het Hebreeuws beoefend maar ook in het z.g., lopend Perzisch schrift. Dus een veel latere ontwikkeling. In de praktijk is het grotendeels met. Perzisch-Arabisch schrift verder ontwikkeld en werd het overgebracht in Romeins schrift – als ik mij niet vergis – het eerst ongeveer 60 jaar voor Chr. Dat was een begin. En de werkelijke ontwikkeling daarvan heeft zich dus op de duur gebaseerd op het gekende Romeinse schrift en de algemeen aanvaarde klankuiting volgens de Romaanse talen, waarbij het woord Romaanse talen van toen bekende letters. De cijfers, die zijn aangenomen, zijn de gewone waarden, hoeveelheidswaarden. Dus niet of het over een cijfer gaat van die vorm of van gene vorm. Bij wijze van spreken kunt u het met lucifershoutjes doen, of er 1 lucifershoutje ligt of dat er vijf liggen. Dus een tellen en daardoor een kwalificeren t.o.v. elkaar van bepaalde hoeveelheden van uitingsmogelijkheid: Voldoende? U kunt dat begrijpen, anders zou de werkelijke kabbalistiek nooit zover zijn doorgedrongen. (Bv. aan het hof van Akbar de Grote, die een nieuwe godsdienst stichtte daar aan de Ganges, die had ook kabbalisten in dienst.) En dan hadden ook zeker de grote sjeiks en dergelijken er zich niet mee beziggehouden. Soleiman (Salomo) hield er zich ook mee bezig. Maar we vinden ook kabbalisten, later, bv. bij de kalifaten. En we vinden ook weer kabbalisten in de Franse tijd. We vinden ook weer een kabbalistische school met dezelfde grondslag maar alleen met een variant in de opstelling van getal- en letterwaarde (door klankverschillen bv.) iets noordelijker van de Kaukasus, en die vinden we daar rond de jaren 1660 – 1670.

Ik wil maar zeggen: kabbala is dus onafhankelijk van een taal. En de getallen die ik heb gebruikt, de getalsduidingen, zijn gebaseerd dus op de voor het Germaans taalgebied geldende klankuiting, letterwaardering. Dus in het Romaans komt er weer een kleine verandering. Daarom heb ik ook zo weinig mogelijk namen voor u berekend en hoofdzakelijk met de getallen geharkt. Want deze tien-getallenreeks voor primaire begrippen gebruiken we in het Romaans gebied ook. Maar in hun onderdelen zijn inderdaad verschillen te maken, zodra u komt, laten we zeggen, ten zuiden van de lijn Parijs – Wenen. En dan loopt er nog weer een lijn, waar achter dus ook weer een klein verschil in berekening optreedt en die loopt ongeveer:  Venetië  en dan, zeg ook maar noordelijk, iets oostelijk van Wenen en die gaat zo naar boven tot Riga ongeveer. Het klopt dus niet helemaal met de taalgebieden, maar wel ongeveer: en dat komt doordat de klankuiting soms door dialecten wordt overgedragen in een andere taal. Het is dus de klank, de trilling dus, die belangrijker is bij de berekening van de kabbalistiek, dan de letterbetekenis zonder meer in het taalverband.

  • Kan men weten tot welk getal men behoort? Kunnen degenen, die daarin gestudeerd hebben, je dat vertellen?

Daar moet je werkelijk een goede kabbalist voor hebben. Niet zo iemand, die er bij scharrelt.

Het grondgetal van uw naam kunnen ze voor u berekenen. Dat is het eerste getal. Dan moet je de letterwaardering natuurlijk wel kennen. Die kun je wel opvragen. Dan krijg je de roepnaam, dat is de ogenblikkelijke gesteldheid. Dus die wordt in letters gezet en berekend tot één getal. Dan wordt gerekend de geboortedatum, waarbij het jaartal verkort wordt dan wel weggelaten. Dat ligt eraan. Hier in Nederland laat men het heel vaak weg: het is juister om het erbij te nemen. Wanneer je in 1900 zit, dan is het 10, dan is het 1. Goed. En dat geeft dus aan de stoffelijke dispositie. En dan neem je daarbij nog de totale naam. Die geeft aan het wezen met zijn innerlijke drang. En dan kun je uit die drie waarden het grondgetal nemen en dat is dan de kerngroep, waartoe je behoort. Het is tamelijk ingewikkeld. Je moet ook niet vergeten dat wat ik hier vertel over kabbala een aardigheidje is: het is dat u een beetje begrijpt, hoe een kabbalist denkt en op welke manier hij komt tot zijn beschouwingen en uitspraken. Maar werkelijk goed kabbalist worden, dat vraagt je wel 40, 50 jaar. Dat is een heel wat langere studie dan – om nu maar een voorbeeld te noemen – medisch arts of dominee. Kabbala houdt heel veel in. Dat houdt in: in de eerste plaats kabbalistische levensleer, in de tweede plaats kabbalistisch cijfersysteem, kabbalistisch prognosesysteem, kabbalistische chemie. Heb je die werkelijk onder de knie, dan kom je tot kabbalistische magie, het kabbalistisch contact, zoals het wordt genoemd, d.w.z. het contact met de doden en de grote bezweringen, dis daarbij behoren. Dus dat hoort er ook onder. De Joden roepen dus ook wel eens de geest op en dat doen ze in een gemeenschap, waarin een quorum aanwezig moet zijn van tenminste 9 personen. Dus dat gaat niet als bij een seance: we gaan met z’n tweeën zitten en geesten oproepen. Neen, het gaat volkomen.-ritueel met voorlezing en alles erbij. En dat is dus ook een uitvloeisel van het kabbalisme. En heb je dat allemaal gehad, dan krijg je nog de kabbalistische esoterie. De kabbalistische esoterie is niet alleen de leer van de innerlijke mens, maar ook van de innerlijke verhoudingen in de kosmos. En dat impliceert, dat wie ook dat beheerst, voor zichzelf kan intreden in elke gewilde verhouding binnen de kosmos, die gekend wordt door het bewustzijn. En dan kun je wel nagaan, dat er jaren voor nodig zijn voor je zover bent.

  • De Joden bestuderen dit eigenlijk niet. Wat is daarvan de reden?

Kijk eens, het kabbalisme staat tegenover de joodse en vele andere godsdiensten ongeveer als de vrijmetselarij tegenover bv. het katholicisme van het ogenblik. Dat wil zeggen dus, dat ofschoon zoiets geboren kan zijn uit dezelfde bron, het zich volkomen verzet tegen een orthodoxie. Het kan ze aanvaarden in bepaalde verhoudingen maar bindt zijn leden niet.

Terwijl het bovendien dwingt tot een zelfstandig nadenken over de leerstellingen der orthodoxie. En nu weet u wel, dat wanneer je een geloof hebt, dat geredigeerd wordt a.h.w. door wat wetgeleerden en schriftgeleerden en theologen, dan zijn die heren er al heel gauw bij om te zeggen: “Wij denken goed, jij mag niet denken.” Maar de kabbalist leert te denken. Die leert dus meer te doen dan een doorsnee priester of leraar weet of kent. Vandaar dat de Joden hun kabbalistiek meestal bedrijven in besloten gemeenschappen. Maar laten we ons niet vergissen. Er zijn zeer veel – ook op het ogenblik – joodse kabbalisten van goede reputatie en prestatie, die ook behoren tot de orthodoxe joodse gemeenschappen.

  • Is dat geen tegenstrijdigheid?

Dat is geen tegenstrijdigheid, omdat de aanvaarding van een bepaald geloof niet impliceert – ook weer kabbalistiek – dat deze aanvaarding volgens wereldse normen gebeurt. De uiterlijke geloofsaanvaarding moet in overeenstemming kunnen worden gebracht met het innerlijk godsbegrip en de directe relatie, die men in zich draagt tot het Goddelijke. Kan dat, is daar geen tegenstrijdigheid, dan kan dat aanvaard worden. Dus om simpel te zeggen: Een goed kabbalist kan wel een goed Jood zijn, maar een goed Jood mag volgens zijn geloof geen kabbalist zijn. Dat is een heel gekke situatie.

  • Daarom is het een tegenstrijdigheid.

Dat is het niet, want de doodse godsdienst – oppervlakkig gezien – volledig aanvaard, maakt een goede Jood. Dus religieus gezien een goede Jood. Maar een kabbalist, die doordringt in de waarden van het Goddelijke en deze beleeft in joodse eredienst (dus de samenkomst, de lezing, enz.), die zal op zijn beurt een goed Jood zijn, want voor hem is die wet een levenswaarde. Voor hem is die samenkomst een uitdrukking van zijn innerlijke verhouding tot God. Zo is die kabbalist wel een goed Jood vanuit zich, maar niet vanuit de Joden.

  • Wie heeft gezegd, dat de Jood dat niet mag bestuderen? Is dat de rasje of gemoure die dat zegt? Waar komt die wet vandaan?

Nu vraag je me wat. Ik geloof dat het in de rasje staat, maar het wordt in ieder geval direct betrokken op de mogelijkheid om te konen tot afgoderij. Dus men stelt hier: “Ik ben de Heer, uwe God, gij zult geen vreemde goden voor mijn aangezicht stellen.” En wanneer ik kabbalist wordt, leer ik krachten kennen, die t.o.v. mij zich verhouden als een god t.o.v., een mens, terwijl God Zelf niet meer de beperkte, de Elohim is, maar wordt de Grote. En dat is hier het punt, dat het meest ertegen wordt aangevoerd, of werd aangevoerd in mijn tijd.

  • Maar dat is dan toch ook gemaakt door mensen. Dat zijn toch maar beschouwingen op de leer?

Is er een geloof, dat niet door mensen wordt gemaakt?

  • Men zegt toch, dat Mozes op de berg Sinaï de tien geboden heeft gekregen van God?

Dat zeggen ze. En toen kwam hij naar beneden, En toen zag hij zijn volk, zoals het was, teruggrijpend naar oud-Egypte. En toen sloeg hij de tafelen kapot, En toen heeft hij zelf vlug een paar andere gemaakt.  Mensenwerk. De regelen komen vanuit het Goddelijke, maar elke uitdrukking daarvan moet noodzakelijkerwijze menselijke zijn. Een geloof dat God zondermeer aanvaardt, kent geen vormgeving en wordt dan door de mens niet meer als beloof beschouwd.

Dan is het eerder een staat van zijn. Nietwaar, een geloof, een godsdienst, betekent een bepaalde gereglementeerde aanvaarding van de waarheid, die op zichzelf goddelijk kan zijn in een menselijke omschrijving. Dat is de fout van elk geloof. Je weet, waar een mens net zijn vingers aankomt, daar gaat de volmaaktheid heel gauw zoek.

Het zijn net kleine jongens, die met jamvingertjes aan een kostbare boek zitten. Dan zit het vol met vlekken. Maar daardoor wordt het soms ook onleesbaar. Dus laten we het nooit zo bezien, dat een geloof op zichzelf een vaststaande waarheid is. De kern van het geloof is een vaststaande waarheid. Maar de wijze waarop de mens heeft getracht voor zijn gemeenschap die waarheid te omschrijven, en te begrenzen, betekent op zichzelf een afwijking van het geopenbaarde. Maar eerst in die vorm noemt de mens het een geloof, een religie, een godsdienst. Nu heb ik u vandaag meer wat beziggehouden en nu wil ik u alleen één waarschuwing geven: Ga nu niet als een gek zitten cijferen. Het helpt je heel weinig. Want zelfs wanneer je een lijstje met de betekenissen krijgt, dan weet je nog niet zoals de kabbalist, welke interpretatiemogelijkheid gevolgd moet worden. Dat is de kunst. En wanneer je dat goed onthoudt, aan weet je dus alleen dat de kabbalistiek een bepaalde wijze is – zoals er vele anderen zijn – om God te benaderen en om de verhoudingen tussen mens en God te omschrijven. Het is goed, dat je weet, hoe men dat dus wel ergens doet, maar voor jezelf moet je toch je eigen gang gaan. Dat is het belangrijkste.

o-o-o-o-o

 Meditatie.

Wijsheid. 

Wijsheid wordt uit weten vaak geboren, maar weten is nog lang geen wijsheid. Want wijsheid betekent integratie van het weten met het leven zelf. Eerst wanneer men het weten een volledige toepassing vindt in het bestaan en t.o.v. het “ik” en t.o.v. anderen, mag er dus van een ware wijsheid worden gesproken.

Nu komt er een ogenblik, dat wij wel eens denken wijs te zijn, omdat wij ons weten hebben geïntegreerd met onze eigen begeerten en onze eigen angsten. Wij komen dan tot een handelwijze, tot een denkwijze, die niets met wijsheid gemeen heeft behalve een deel van de naam: eigenwijsheid. Eigen wijsheid, zoals het woord aangeeft, is de beperking van het begrip tot het “ik”. Ware wijsheid daarentegen zoekt juist de wereld door het weten in voortdurende relatie met het “ik” te stellen. Wanneer wij dus streven naar weten en begrip, zal dit een grondslag kunnen zijn om daaruit wijsheid te verwerven, om daarop een leven vol wijsheid te kunnen bouwen.

Maar laten wij ons niet vergissen. Eerst in daadwerkelijke beleving van hetgeen wij weten en ervaren, het daadwerkelijk voor onszelf in praktijk brengen van het als waar gevoelde, het ook evenzeer als voor onszelf toepassen van dit weten en dit begrip op anderen, baart werkelijke wijsheid, die dan het leven leidt en daarom vaak levenswijsheid heet.

Je zoudt het begrip dan ook kunnen omschrijven als volgt:

Wijsheid! wondere gave, waarin het weten is gehuwd met het leven zelf.

Wijsheid: kracht, die het “ik” bepaalt tot eeuwigheden.

Wijsheid: eeuwigheid, die daalt in het “ik” en wordt omschreven in termen van het heden.

Wijsheid: bewustzijn, dat de grens van het menselijke overschrijdt, omdat het meten van de mens en van de geest het bewustzijn dan geleidt tot over grenzen, die je scheiden van eeuwigheid en onbegrip en waan doen ondergaan, waar in de wijsheid juist het erkennen van eigen relatie tot God en tot Schepping is ontstaan.

De moeilijkheid voor ons, wanneer we wijs willen zijn, is vaak, dat wij ons bewust zetten tot het produceren van wijsheid: en dat kan niet.

Wijsheid is een spontaan resultaat van leven volgens je beste weten. Van een zo goed mogelijk begrijpen van al hetgeen je moet beleven of ondergaan.

Je kunt dus nooit zeggen: “Ik ga wijsheid verwerven.” Je kunt zeggen: “Ik ga inzicht verwerven.”, of ”Ik ga wetenschap opdoen.” Maar wanneer je met je eigen leven en beleven dit in overeenstemming brengt, wanneer je de conclusies durft te trekken, die voortvloeien uit dit weten, plus het in jou levende, dan kom je tot wijsheid.

Wanneer mij dit woord dus wordt opgegeven, dan is het iets, dat in zichzelf op aarde eigenlijk niet omschrijfbaar is, tenzij dan als een product van twee waarden, die eenieder op aarde kent: weten en leven.

Wanneer weten en leven elkaar aanvullen, wordt daaruit een begrip geboren, dat beiden omvat: en dat begrip is de wijsheid.

image_pdf