Toelichting bij het paasgebeuren door een niet christen

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 9

4 maart 1956

We beginnen nu op het ogenblik al aardig in de buurt van Pasen te komen en dat wil zeggen, dat wij ons weer wat meer gaan concentreren op dit gebeuren, dat voor de Christenheid van zo groot belang is. Wij hopen evenals het vorig jaar op de bewuste feestdagen zelf de beschikking te hebben over sprekers, die persoonlijk iets hebben meegemaakt juist in verband met de kruisdood en het Paasgebeuren. Voor die tijd is het altijd weer goed een ogenblik de achtergronden van dit drama te overwegen.

U zult het dan:, hoop ik, niet kwalijk nemen dat ik deze keer in mijn eigen beschouwing in christelijke stijl blijf. Om echter een aanvulling te vinden, die ons het evenwicht garandeert, heb ik een vriend van mij verzocht (een niet-christen, een niet-Europeaan) om een toelichting op het Paasgebeuren te geven, zoals hij dat vanuit zijn standpunt ziet en begrijpt

Wanneer wij de christelijke gedachtegang nagaan, dan begint met Jezus niet alleen een nieuwe jaartelling, maar ook een nieuw verbond; d.w.z. alle waarden en verhoudingen veranderen. Vanaf het ogenblik, dat Jezus Zijn offer volbrengt en daarmede het einde van Zijn weg bereikt, is er plotseling een geheel andere verhouding gekomen tussen God en de mens.

Dit is natuurlijk een voorstelling, die we slechts ten dele kunnen onderschrijven. Want God is eeuwig en onveranderlijk. En wanneer er iets veranderd is, moet het dus de mens zijn. De ervaring leert ons dergelijke verklaringen echter te nemen met de nodige korrels zout, omdat de mensheid nu eenmaal niet verandert door een enkel geestelijk gebeuren.

De eerste vraag is: “Waarom moest Jezus juist op deze wijze Zijn leven beëindigen? Waarom moest Hij met de kruisdood, de dood van een opstandige slaaf, een bevestiging geven van Zijn leer en Zijn wijsheid?”

Dat deze kruisdood op zichzelf dus vanuit kosmisch standpunt een bijzondere gebeurtenis is, meen ik te mogen ontkennen. Uiteindelijk zijn er zoveel uitingen van Goddelijk vermogen en Goddelijke macht, dat wij deze misdaad der mensen rustig buiten beschouwing kunnen laten. Stoffelijk gezien heeft U daaromtrent reeds de nodige verklaringen gehad en ik meen, dat de meesten onder U zich zullen herinneren, hoe wij de achtergronden daarvan – ook in openbare bijeenkomsten – hebben besproken.

Waarom die betekenis hechten aan de kruisdood?

Eigenlijk lijkt het ons, of het een zeker schuldbewustzijn is, dat de mensheid er toe heeft gedreven juist van Jezus een held te maken, een held, die stierf op het kruis.

Het is de mensheid, die Jezus gekruisigd heeft. Het is de mensheid, die voortdurend (al is ze zich daarvan alleen maar ternauwernood bewust) op ettelijke ogenblikken, diezelfde Jezus weer zou kruisigen.

De grootheid van Jezus culminerende en Zijn kruisdood vloeit voort uit het feit, dat Hij volkomen tegengesteld is aan ‘t leven en denken van de meesten der op aarde levende mensen. Zoals Hij ook toen het tegenpart was van de normale mens dier dagen. Het is de tegenstelling, die hier de belangrijke, de grote rol speelt.

Jezus is het ideaal der mensen. Alle mensen – of zij zich nu christen noemen of niet – zouden gaarne hun wegen gaan zegenbrengende, predikende, aanvaard, bestreden en verworpen, zoals Jezus heeft gedaan. Ze zouden graag het Goddelijk Licht zo in zich dragen, dat hun schaduw voldoende is om zieken te genezen, dat hun kracht voldoende is om de storm te gebieden, te gaan over de wateren; kortom, alle wonderen te volbrengen, die maar wenselijk of noodzakelijk zijn.

De mensheid zou graag, evenals Jezus, vrij zijn van bezit. Maar ze durven het niet aan. De mensheid zou meester willen zijn van de hartstocht, zoals Jezus dit was. De mens weet, dat hij het zelf niet bereikt. Daarom wordt Jezus zo belangrijk.

Het ideaal der mensen wordt door de mensheid gekruisigd. Zijn hele leer, zoals zij thans wordt gepredikt en erkend, is slechts een flauwe afschaduwing van de werkelijkheid.

Op dit ogenblik publiceert men weer het grote Evangelie van Johannes, dat uit elf delen bestaat. Het is een betrekkelijk groot werk. Degenen, die dit gelezen hebben of kunnen lezen, zullen daarin ontstellend veel feiten vinden, die ons voortdurend Jezus weer tonen als de mens, die bereikt, als de mens, die overwint; als de mens, die uiteindelijk als laatste overwinning, alle vijandschap, alle toorn en alle verzet uit zich bant.

Ik zou graag aan de hand van een paar dialogen deze stellingen duidelijk willen maken. Er wordt over Jezus gesproken met Johannes, de apostel, en deze verklaarde als volgt:

“Jezus was vrijer dan een van ons, en in deze vrijheid meer gebonden. Want ziet, wij gaan op de wereld en wij noemen onszelf vrij, terwijl wij hangen aan mensen, hangen aan dingen. Hij echter was geheel onthecht. Hij gaf alles prijs om Zichzelf te zijn.

Wij zeggen, dat Jezus ons is voorgegaan en dat Hij onze weg en onze waarheid is. Maar Hijzelf heeft dit niet gewild. Hij heeft ons de weg willen tonen. Hij wilde ons niet de weg zijn.

Zijn weg was er een van de geest der mensheid, zoals zijn leven er een is geweest, waarin alle wijsheid, die de mensheid op geestelijk gebied had opgedaan, mede tot uiting kwam.”

De vraag die daarop volgde was: “Maar Hij is toch het lam, dat voor ons is geofferd?” Waarop Johannes antwoordde: “De mensheid trekt ook heden ten dage nog uit, uit de woningen van een Egypte. Ook nu nog dwaalt de mensheid in de woestijn. En daarom viert de mensheid een Pascha. Een paasfeest, waarbij de posten der deuren met het bloed van onschuldige dieren gekleurd is.

Dit nu is dwaasheid. Want het is niet het bloed der dieren, bloed van een mens, bloed van een zoon Gods, dat de mens kan beschermen. Het is ons eigen wezen dat ons vrij kan maken of ons kan binden aan de sombere dood, die ons allen bereikt”.

Op grond hiervan zijn later discussies gerezen, waarvan ik kort de samenvatting wil geven. Men stelde, dat Jezus komst en de voorstelling van Hem als Paasoffer, het symbool was van de dood, die de mens niet meer behoefde te lijden!

Zoals ge U herinnert, was het Paaslam, het offerlam, een voortdurende herinnering aan de dag, dat de engel des doods alle ongelovigen sloeg en de Joden spaarde. Echter is deze voorstelling ietwat verwrongen. “Want”, zo redeneert men, “wanneer Jezus inderdaad voor ons gestorven is op deze wijze, dan betekent dit, dat allen die niet in Zijn bloed zijn gereinigd, zullen sterven in een dood, erger dan wat wij óns kunnen voorstellen. Zij zijn allen kinderen der duisternis”.

Maar waar blijft dan Jezus? Jezus die de Samaritaanse, evengoed als de overspelige vrouw ontvangt. Die intreedt in het huis van Zacheus, de tollenaar. Die overal en altijd weer Romein, Jood, Arabier, onverschillig wie, helpt.

Waar blijft dan het wonder van Pinksteren, waar de Geest vele vreemde talen doet spreken, zoals geschreven staat. Het grote wonder is niet, dat een mens of een deel der mensen verlost wordt door Jezus bloed, maar dat de eenheid der mensen wordt uitgedrukt in het feit, dat een mens, die zichzelf overwint, onthecht is van alle dingen. Dat hij zozeer meester is over zichzelf, dat hij zich kan onderwerpen zonder daardoor schade te ondergaan”.

Jezus kruisiging (volgens de leringen van Johannes) is niet het hoofddrama. Men heeft het ervan gemaakt. Jezus kruisiging was het bewijs van Zijn absolute onthechting. Zijn herrijzenis is belangrijker voor ons, waar ze ons toont dat Hij door Zijn herrijzenis Zichzelf kon blijven, ondanks de mensheid. Ondanks het feit, dat Hij de mensheid onderging; en dat Hij al hetgeen zij Hem heeft opgelegd, altijd heeft gedragen;

Een volgende dialoog. Een dialoog, die gehouden word met Jezus zelf.

“Meester. Ge zegt, dat Ge van ons heen gaat. Maar waarheen zult ge gaan?”

“Ik ga de wegen, die Mijn Vader Mij heeft voorgeschreven”. “Maar Meester, wanneer Ge de wegen gaat, die Uw Vader U voorschrijft, zo zult Ge toch met ons zijn?”

“Ik zal altijd met U zijn, zolang gij Mij in Uw harten draagt. Maar verlaten zal Ik U volgens de termen der mensen, omdat de volmaakte mens niet onder mensen kan vertoeven.”

“Waarheen voert Uw weg dan, Heer?”.

“Door het dal des doods, naar het land des lichts”.

Dat is Jezus commentaar. Helemaal geen toespelingen op de kruisdood. Helemaal geen toespelingen op het offer. Alleen een vaststelling: “Gaande door de schaduwen des doods komen wij tot het licht.”

Ik vind het jammer, dat juist deze woorden alleen in enkele oude geschriften bewaard zijn en niet zijn opgenomen in de Evangeliën. Want hierin komt m.i. niet alleen de juiste betekenis van Jezus’ hele bestaan naar voren, maar zeker ook van het Paasgebeuren.

Om te komen tot het ware licht moeten wij allen gaan door de schaduwen des doods, die vol zijn van duisternis en lijden. Het kan niet anders. Want eerst wanneer wij onthecht zijn van alle dingen, wanneer wij alles, zelfs ons leven, zelfs alle lijden, eenvoudig kunnen laten, ons daarvan terugtrekken, dan zijn we meester over de materie, dan zijn we meester over onszelf en zijn we vrij om het Goddelijk Licht en de Goddelijke Kracht te aanvaarden.

Gods Licht is zo intens, het zou ons doden en verteren, wanneer wij nog gebonden zouden zijn om nog te begeren en toch daarin binnen zouden gaan. Het Licht is zo verschrikkelijk, dat wie angst kent, sterft van vrees wanneer hij het aanschouwt. Het is zo groot en zo machtig, dat degene, die nog denkt over eigen grootheid, ervoor zal vluchten, omdat hij deze Grootheid naast de zijne niet kan aanvaarden.

Maar er komt een ogenblik, dat wij al deze dingen zullen leren prijsgeven. Dat is de Weg. Er komt een ogenblik (al is het ons misschien pijnlijk), dat wij al wat wij nog bezitten in de wereld, al wat wij bezitten in de geest en in de sfeer zullen offeren. De kruisdood.

Het afscheid van de dingen, het afscheid van het leven, van de vorm, van de scheppende uitdrukking, ja, van het zegenend gebaar, zijn ons altijd zwaar en moeilijk. Maar er komt een ogenblik, dat wij, zoals Jezus ons dit op aarde heeft geleerd, zelf ten kruisberg stijgen. Dat wij opgeven, al wat wij nog bezitten om daarvoor in de plaats te worden: vrije geest, vrije mens. En in het Licht zullen wij herboren worden.

Het verschil tussen Jezus, zoals Hij op de Paasmorgen opstaat en zoals Hij lijdend aan het kruis sterft, is niet groot. Wat groot is, is het verschil in de waardering, die de mensen hebben voor deze twee dingen.

“Wanneer Jezus ‘s morgens in de tuin staat en de vrouwen Hem zien, dan roepen zij onmiddellijk uit: “Meester, Rabboni”, “Het is de Meester geweest. Wij hebben de Meester gezien!” toch is het de verheerlijkte Jezus.

Er is geen verschil in gestalte, vorm of wezen tussen degene, die uit het Licht komt en degene, die naar het Licht gaat, het enige verschil is het innerlijk verschil. Want Jezus, Die – laten wij dit niet vergeten – in angst vroeg om het offer voorbij te laten gaan en Die in een laatst trotse verzet degenen die kwamen om Hem te arresteren, neersloeg met magische macht, deze Jezus was geworden tot een mens van vrede en vrijheid, toen Hij herrees.

Zoals Jezus zijn verzet kende, zo kennen wij het. In ons is nog geen volledig aanvaarden. Wij zijn bang voor al hetgeen het lot ons brengen zal. Wij zijn vooral bang, om zoveel te verliezen, wat wij toch zo waardevol achten. Op het ogenblik dat wij dat leren te aanvaarden, komt voor ons zeker ook de dood, komt voor ons ook de verlossing en de herrijzenis.

De achtergrond van het gehele lijdensgebeuren, al hetgeen men op het ogenblik herdenkt, gaande vanaf Jezus tochten, uiteindelijk naar Jeruzalem, Zijn optreden in de tempel, Zijn gaan door de menigte, Zijn wonderen, Zijn dood, blijft voor ons eigenlijk allemaal precies hetzelfde. De betekenis is, zoals Hij ging naar de stad Jeruzalem, de heilige stad en de tempel, zo moeten wij allen leren gaan naar de stad van ons heiligdom. Ook al weten wij dat het voor ons betekent het zwaarste offer, evenals Hij dit wist.

Wij moeten dat ook in stoffelijke vorm kunnen doen. Want Jezus weende over Jeruzalem. “Wee, gij grote stad. Muren zullen vallen, geen steen zal op de andere blijven”.

Het klinkt zo eenvoudig. Het zijn een paar woorden, maar de achtergrond! Het heiligdom, waarheen wij gaan, mens en geest, zal eens vernietigd worden. Vernietigd omdat het niet rein, zuiver en goddelijk is. Maar het is voor ons het middel tot het doel.

Wij moeten eerst gaan tot het beperkte doel en daar vinden wij dan plots de verloochening, omdat het leven ons niet kan aanvaarden. Dat heeft Jezus ons getoond. Dan moeten wij het leven niet smeken ons te behouden, maar moeten wij in trotse vrijheid onszelf overwinnende de weg kunnen gaan naar het kruis, zoals Jezus die gegaan is, moeizaam dragende en toch nog troostende degenen, die om Hem leden, toch nog zegenende degenen, die Hem een ogenblik een gedachte wijdden.

Zo zullen ook wij de eenzaamheid kennen van het kruis. Maar in die eenzaamheid, de dreigende duisternis, zal ook tevens onze verlossing, onze bewustwording beginnen.

Jezus leven is niet een verlossing zonder meer! Jezus leven is voor ons een richtsnoer, dat wijzelf moeten togen. Het is voor ons het bewijs, dat wij misschien moeten lijden, voordat wij het Grote Licht vinden, maar dat wij eens zullen bereiken al datgene, waarnaar wij nu reeds innerlijk verlangen, naar wat wij onszelf weigeren, omdat wij niet durven aanvaarden.

Ik hoop, dat ik niet te onsamenhangend ben geweest. Maar zo voel ik deze dingen, zo ken ik deze dingen. Misschien ben ik ook niet christelijk genoeg geweest, dat is ook mogelijk. Maar ik geloof in het Licht en in de bevrijding en in het leven.

Ik hoop, dat mijn vriend, die op het ogenblik naast mij staat om zo dadelijk het woord zal overnemen, in staat zal zijn U te bewijzen, dat ook vanuit een ander standpunt altijd weer de offergedachte, die Jezus tot uiting brengt voor ons of wij christen zijn of niet de realiteit is, omdat de waarheid eeuwig is.

o-o-o-o-o

Ik verzoek U mij te verontschuldigen, wanneer misschien mijn woordkeus niet voldoende juist blijkt. Men heeft mij verzocht U deze morgen enige punten te tonen omtrent Jezus, zoals Hij gezien wordt door – wat de wereld noemt – een ongelovige. Wanneer ik vanuit mijn standpunt Jezus leven bezie, dan vallen mij twee dingen onmiddellijk op. Ten eerste de noodlotsdrang, die van het begin af aan Hem voortjaagt, die Hem voortdurend stelt voor een verloochening van Zijn waarden en Zijn wezen; of het offer, het verlaten van veel, wat Hem dierbaar is.

Ik weet, dat deze dingen in de ogen der mensen misschien gloria en heerlijkheid zijn, wanneer zij in de eerste plaats aan Zijn Goddelijkheid geloven. Voor mij is Jezus geen God, maar een wijze, een groot mens. Want ik weet wanneer ik hoor wat men over Hem zegt, wanneer ik naga, wat Hij thans is, dat Hij door Zijn leven ons heeft bewezen, dat het mogelijk is, de gang van het noodlot, een opeenvolgend fatum, te ontgaan. Te ontsnappen, zich vrij te maken.

Wij menen altijd slaven te zijn van een noodlot. Maar Hij bewijst ons; Er is geen noodlot, wanneer men bereid is de consequenties te aanvaarden van zijn innerlijk leven en innerlijke gedachten. Wij menen dat wij zwak zijn en dat niets ons mogelijk is. Hij bewijst, dat de mens, die een is in zichzelf, door deze eenheid alleen reeds tot bereikingen komt, die de mensheid wonderen noemt.

Jezus is voor mij het symbool van de mens, die de rechte weg kiest, nadat Hij zijn doel heeft erkend. De grote verdienste van Jezus lijkt mij te zijn, dat Hij de mensheid een doel heeft getoond: Een God van Liefde. Een Leven gewijd aan de naastenliefde, omentwille van dien God.

Er zijn vele mogelijkheden in het bestaan en wie, zoals wij, de wervelende dans heeft doorgemaakt van dagen die je voortdurend voortjagen, die weet, hoe moeilijk het is jezelf te zijn temidden van de krachten, die met je spelen. Jezus heeft bewezen, dat het kan. Ja, wat meer is, Hij geeft in Zijn leven het bewijs, dat wanneer je consequent durft te zijn alle dingen mogelijk zijn.

Voor mij betekent Zijn kruisdood de trotse bevestiging van een leven, dat geen enkel ogenblik van compromis heeft aanvaard. Zijn herrijzenis lijkt mij een natuurlijk gevolg daarvan, onverschillig of men de uitleg volgt van de Christenheid, een herrijzen in glorie, wederom tot de Apostelen komende of lezingen, waarin Hij, schijndood zijnde, tot het Leven terugkeerde.

Het lijkt mij onbelangrijk, hoe Hij terugkeerde. Belangrijk is voor mij, dat deze mens alle compromis, zelfs met zichzelf, heeft durven afwijzen om zo de eeuwige waarheid, die Hij erkende, ten allen tijde te volgen en Zich met Zijn gehele wezen daaraan te geven.

Wanneer gij mij vraagt, wat de betekenis is van een Paasgebeuren, de betekenis van een goede Vrijdag, dan kan ik alleen maar dit zeggen: Zij zijn in mijn ogen een bewijs; dat elke mens, die oprecht zoekt naar Licht en Goddelijke Kracht, dit altijd zal bereiken. Dat de mens, die geen ogenblik aarzelt om datgene te doen, wat hij innerlijk erkent als een noodzaak, nimmer een werkelijke dood kan sterven, nimmer een slaaf kan zijn van een noodlot of werkelijk onderworpen zijn aan rechteren der wereld of der onderwereld.

Jezus is voor mij geen verlosser, maar een vrijheidsheld. Een vrijheidsheld in de goede zin van het woord, omdat hij niet de vrijheid voor anderen te koste van velen heeft verworven; niet door schijnbare vrijheid in werkelijkheid een onderdrukking een nieuwe vorm heeft geschapen. Maar omdat Hij Zichzelf bevrijdende ons heeft getoond, dat voor mens en geest ware vrijheid geen waan is maar een bereikbaar iets. En in die vrijheid meen ik, dat wij die God kunnen aanvaarden, en voordien niet.

Zo is Jezus voor mij een mens, die zichzelf bevrijdde en ons tevens toonde, dat ook ons de vrijheid wacht, indien wij de moed hebben voor ons innerlijk bewustzijn ons lot te volbrengen.

Ik hoop dat ik mijn woorden juist genoeg heb gekozen om mijn denkbeeld duidelijk te maken. Ik wens U allen verder nog een aangename bijeenkomst.

o-o-o-o-o

GODSVERTROUWEN

In mij weet ik, dat er een God bestaat, een God, Die alle dingen regeert. Een God, Die alle leven beheert en waaruit alle “zijn” bestaat.

Hoe kan ik zelve dingen bouwen zonder op die God te vertrouwen, Die alles geschapen heeft?

Hoe kan ik mijzelve leven vormen, gescheiden van Hem in Wien alles leeft? Hoe kan ik alleen zijn en gaan mijne wegen, zonder de God, Die met mij gaat?

Hoe kan ik vinden, geluk en zegen, vrede zonder Hem, Die altijd weer in Zijn Kracht, diep in ons wezen staat?

Ik zeg U, Wilt op God vertrouwen. Hij is het, Die U alles geeft. Hij helpt U Uw wereld bouwen. Door Hem is het, dat alles leeft.

Gij zult Uw wereld zelf verheffen tot hoger lichten hoger kracht door Uwe werken, Uw gedachten, dank zij Gods hulp, dank zij Gods macht.

Ze wilt gij in het leven soms versagen, aarzelt gij met uwe daden voort te gaan? Of lijkt het U, dat wank’len alle dagen de grondvesten van al ‘t bestaan?

Ik zeg U, durf op God vertrouwen. Hij is de waarheid, Hij de kracht. Hij is het oor, dat altijd luistert, verstaat elk vragen, elke klacht. Hij is het, Die U helpt te dragen, wanneer Uw eigen kracht U haast begeeft. Maar Hij is ‘t ook, Die U heeft opgedragen te Leven, zoals gij thans al leeft.

Het is zijn Leven. Dat mens en geest tezamen leiden, Zijn leven, dat wij zoeken, zelf, naar licht, naar hoger doel.

Hij is het, Die in ons een reden doet spreken, Hij is het, Die – al gevend ons ‘t gevoel – ons verder steeds doet gaan en leidt ons tot een laatste haven.

God is de bron, waaraan men altijd weer zichzelf kan laven, wanneer men zelve voort wilt gaan, verantwoording voor eigen daden, eigen taak wil nemen.

Het Gods vertrouwen wordt dan werk’lijkheid.

Maar het is waan, wanneer wij menen, van God te kunnen vragen, dat Hij alle dingen leidt.

Dat Hij ons bij de hand steeds voert tot in der Eeuwigheid en alles steeds voor ons verricht.

God is de weg. God is het Licht.

Maar Hij geeft ‘t leven als een plicht.

Een plicht om te vervullen.

Godsvertrouwen betekent niet alles aan God te verlaten. Godsvertrouwen betekent niet verwaten alle gevaar maar trotseren en zelve voort te gaan zonder achting voor jezelf en anderen. Godsvertrouwen betekent niet het recht om nu bouwend op God de wereld aan je voorbij te laten gaan.

Godsvertrouwen betekent: vertrouwen op de goddelijke kracht, die zal ingrijpen daar, waar jezelve faalt. Vertrouwen op de Goddelijke Liefde, die je altijd bij zal staan, wanneer je zelf tekort mocht schieten.

Godsvertrouwen betekent; het innerlijk weten, dat alle dingen ten goede komen, wanneer wijzelven het goede slechts zoeken in alle dingen. In dat Godsvertrouwen zullen wij dan ook werkelijk eens de werkelijkheid, de waarheid, het eeuwige licht kunnen bezien.

Zonder vertrouwen op God, worden onze wegen wankel, weten wij niet meer waarheen te gaan, durven wij het leven niet meer aanvaarden, zoals het is. Dan durven wij onze sfeer niet meer te verlaten voor een ergere uit angst, dat wij niet kunnen terugkeren.

Wanneer wij in God vertrouwen, in de eenheid, waarin alle dingen bestaan binnen Zijn wezen, dan durven wij alles in Zijn naam, wanneer in ons wezen de noodzaak daartoe bestaat.

Zo laten wij gaan onze wegen in Zijn naam, vol vertrouwen op Zijn kracht. Dan zullen wij zeker de voleinding bereiken.