Toeval of leiding

image_pdf

11 oktober 1957

Wanneer wij in het leven proberen onszelf na te, gaan, ontdekken wij steeds weer, dat het toeval heeft ingegrepen op onze levensweg. Wij zeggen “het toeval”, omdat wij niet in staat zijn de werkelijke beweegredenen van ons handelen, de drijfveren van het gebeuren, na te gaan. Echter er kan in een bestel met een volmaakte en alwetende God geen toeval bestaan. Ik wil daarom vanavond trachten met u de vraag: toeval of leiding, nader te bezien.

Een toeval ontstaat altijd, wanneer ons eigen bewustzijn te klein is. Verder treedt het noodlot, of toeval, steeds weer daar op, waar ons eigen bewegen in strijd is met een Goddelijke Wet. Wij kunnen daarom rustig aannemen, een waarheid, die lang geleden in een klooster in Tibet werd neergeschreven: wanneer wij spreken van noodlot, spreken wij van de Vinger Gods, Die ons dwingt onze wegen te gaan, het rad, dat Hij voor ons heeft bestemd. Het rad, voor ons bestemd, is niets meer of minder, dan de reeks van oorzaken en gevolgen, die wij krachtens ons eigen bewustzijn tot ons roepen. In een ogenblik van heden scheppen wij voor onszelf een gevolg, dat morgen tot uiting komt, maar waarbij wij onze huidige daad, de huidige denkwijze, niet voldoende kunnen rationaliseren, niet kunnen overzien in zijn werkelijke betekenis, wij het gevolg niet helemaal kunnen begrijpen. Het ligt buiten onze bewuste handelingen, ons bewuste doel om en dan spreken wij van “toeval”.

Ik zou hier een klein verhaal ter verduidelijking willen zeggen. Er was eens een man, die lange tijd met vrouw en kinderen gelukkig had geleefd. Echter werd zijn hart bewogen door honger en onrechtmatige toorn en hij deed onrecht t.o.v. zijn vrouw. Dit is volkomen menselijk en natuurlijk. Nu echter de volgende dag werd hij gebeten door een slang, die zich genesteld had in het dak van zijn huis. Hij werd genezen door een doekoen en deze vertelde hem, dat dit zijn eigen schuld geweest was. De man verzette zich en zei: “Neen, dit is toeval, want wanneer ik niet gekomen zou zijn op het ogenblik, dat deze slang zich van haar rustplaats bewoog, had zij mij niet gebeten.” Het antwoord van de doekoen was: “Indien gij niet onvrede had gekend met uw vrouw, hadt gij u niet zo haastig naar uw woning begeven en dan zou de slang u niet gebeten hebben. Gij zijt het en niet het toeval, of de slang, die daar de oorzaak waren.”

U zult begrijpen, dat hierover enige strijd ontstaan is. Want wij mensen en geesten zijn niet geneigd om toe te geven, dat alle leed in ons leven, dat alle gevolgen, die ons overstelpen en overspoelen, nu alleen maar voortkomen uit onze eigen schuld. En wanneer wij onze schuld al toegeven, menen wij, dat de straf buiten alle verhouding is t.o.v. onze zonde. Dit komt, omdat wij de werkelijkheid, de grote werkelijkheid althans, niet kennen. De grote werkelijkheid zegt dit:

Niet de handeling die u stelt, maar de intentie waarmee, bepaalt het gevolg.

Niet alleen de wijze waarop u denkt, doch de wijze, waarop uw gevoelens het denken vergezellen, bepaalt het gevolg.

Niet, wat u denkt te zijn, maar wat u werkelijk bent, bepaalt uw leven.

Je bent. Maar weet je, wat je in werkelijkheid bent?
Eens werd dit omschreven: mens zijn betekent een ogenblik de werkelijkheid uit het oog verliezen. Maar voor je mens wordt, heb je een keuze gedaan. Het is deze keuze, die bepaalt door welke Poort des Levens je moet gaan om tot een waar bewustzijn, een ware verlossing te komen.

Over deze Poorten des Levens wederom een klein verhaal, aangepast aan het Westen, omdat ik het geleerd heb van een westerse filosoof en vriend.

Er was een man, die volkomen rechtvaardig en volgens de wetten van de Bijbel had geleefd. Hij gevoelde zich daarbij zeer wel, en hij meende, dat voor zo een leven hem de grote glorie van een Hemels Rijk beschoren zou zijn. Echter had hij door zijn wijze van Bijbels leven veel leed veroorzaakt. Hij erkende dit niet, zeggende: “Indien er staat in het Heilig Boek, hoe zou ik verantwoordelijk zijn voor de gevolgen ervan?” Na zijn dood schreed hij opwaarts naar de hemelpoort. Hij vroeg aan de poortwachter daar: “Laat mij in, want zie, ik ben een rechtvaardige.” De poortwachter, met een glimlach, zei hem: “Het spijt mij zeer, maar ondanks uw rechtvaardigheid mag ik u niet inlaten. Ga naar een volgende poort.”

Zo ging de man naar een volgende poort van het levende rijk, het Grote Hemelrijk. Daar gekomen zei hij tot de wit, gebaarde hoofdportier: “Ik ben zoëven aan een poort afgewezen. Het is een schandaal. Ik kan niet begrijpen, dat u een dergelijke organisatie erop na houdt. Ik, die geleefd heb volgens het woord Gods, zoals het staat in de Bijbel. Ik eis toelating!” De witte baard trilde een kort ogenblik en er kwam een treurige blik in de blauwe ogen van de hoofdportier. “Het spijt mij”, zei hij, “maar uw rechtvaardigheid was niet dé rechtvaardigheid Gods. Indien u naar de overzijde van deze weg gaat, vindt u een andere poort. Misschien, dat men u daar binnen laat.” Zo ging deze rechtvaardige en zocht om binnen te dringen in een rijk, waarin niet zoveel vreugde en niet zoveel vrolijkheid was. Ook daar verweet men hem: “Gij zijt te rechtvaardig geweest en te strak van denken om hier binnen te treden.”

Hij ging naar een nog lager rijk, waar duisternis is en geween. Hij probeerde daar binnen gelaten te worden. De zeer ruwe, grove en gehoornde portier zei tot hem: “Scheer je weg, man, wij laten niet toe, dat jij met je Bijbelse spreuken hier de sfeer komt verpesten.”

Daar stond onze rechtvaardige, op de weg en hij weende. Toen kwam er een mens naar hem toe, of een geest, hij wist zelf niet wat. Die vroeg hem:” Vriend, waarom ween je?” “Ach”, zei hij, “ik heb geleefd volgens alle wetten van de Bijbel en nu heeft men mij uitgeworpen, niet slechts uit het hemelrijk, maar uit alle rijken van de geest.” “Dat is treurig”, zei de ander, “Dan zult u terug moeten keren naar het leven.” Hij wees hem de mogelijkheid in een milieu, dat hij met zijn Bijbelse rechtvaardigheid niet goed kon waarderen. Want daar was de vreugde en de wijn belangrijker dan de gedachte. Omdat hij nogal rechtuit was, zei hij: “Wilt u mij in dit hol van zonde doen herboren worden?” Toen werden de ogen van hem, die hem tegemoet kwam, treurig. Hij zei: “Hier zou je kunnen leren om mens te zijn. Want het is niet Gods wil, dat je leeft volgens een formule. Het is Gods wil, dat je leeft als mens.”

Velen, die op aarde zondaren heten, worden gaarne ontvangen aan elke poort van het hemels rijk. Maar zij die menen, dat het woord dat dood is, machtiger is dan de mens die leeft, zij kunnen nergens intreden. Want zij leven niet en hebben niet meer de rechten van de mens in een onsterfelijke ziel. Zo is onze goede vriend teruggegaan en heeft geleefd in een omgeving, die allesbehalve waardig was. Het is goed, dat hij het zelf niet geweten heeft, dat hij zo Bijbels was in een vorig bestaan, want hij werd tot een uitnemend zakkenroller. Dit was zijn broodwinning gedurende vele en lange jaren.
Toen werd hij wederom ziek en keerde terug. Toen hij aan de hemelpoort kwam, voelde hij zich helemaal niet zeker. Hij dacht aan menige beurs, anderen toebehorend, waaruit hij zo ruim en gul had gegeven. Zo vroeg hij heel nederig; “Is er voor mij misschien plaats hier?” En zie, de portier met een vreugdig gebaar, wierp de poorten wijd open: “Ga binnen”. Onze zakkenroller, die eens rechtvaardig was, voelde zich zo nederig dat hij zei: “Heer, is dit geen vergissing? Ik ben maar Sjefske, de zakkenroller?” “Zeker,” zei de portier, “dat weten wij.” “Je hebt veel genomen en je hebt niet altijd goed geleefd. Maar waar een ander mens behoefte en nood had, daar heb je niet gevraagd: waar is de wet, of wat is voor mij zekerheid? Je hebt gezegd: hier zal ik helpen. Omwille van deze hulp ben je hier welkom.” Zo verwierf hij, die zondig was, een plaats in de hemel, die geweigerd werd aan hem, die rechtvaardig was volgens het Woord, maar versteend was in zijn hart…

Ik geloof, dat ik u de conclusie niet voor hoef te leggen. Het is hier uiteindelijk zo eenvoudig. Wanneer je leeft als een goed mens, dan mag je ook de menselijke zwakte wel hebben. Dat is niet het ergste. Maar wanneer je leeft zonder mens te zijn en je beroept je op de rechtvaardigheid, die in feite gevoelloosheid is, zul je nooit binnen kunnen gaan in het hemelrijk.

Dan kun je zeggen, dat het het toeval is, dat jij door je gedachten de toekomst weigert, je uit lichtende sferen verdrijft. Maar het is niet het toeval, het is je eigen verwerpen van het leven. De zakkenroller zal misschien gedacht hebben. “Wat een wonderlijk toeval, dat ik hier binnen mag”. Maar ook dit was geen toeval. Integendeel. Zijn leven als mens had hem deel gemaakt van de grote geest, die in alle mensen leeft. Wie een deel is van God, omdat hij iets van Gods liefde kent, is één met God, kent geen toeval meer, en treedt binnen in Gods rijk. Ik meende, dat ik u deze kleine geschiedenis niet mocht onthouden. Uiteindelijk is het goed voor ons te weten, dat de Poorten des Levens ons bestemd zijn op zekere wijze en niet anders.

Menigeen kiest zich een weg door het leven om later te weigeren die te gaan. Er zijn er die zeggen: “Ik kies de weg van schuldloosheid en reinheid.” Maar als zij op aarde zijn, dan is de zonde zo aantrekkelijk, dat zij zeggen: “Ik verander mij even gauw.” Maar dan komen zij aan het verkeerde doel. Zij zeggen dan, dat al hun leed en tegenslagen, het toeval en het noodlot zijn, dat hen achtervolgt. In feite hebben zij dit te danken aan zichzelf. Zij hadden hun inborst, hun werkelijke weg, moeten volgen.

Er zijn er ook, die voor het leven worden geboren. Voor het menselijk leven, met al zijn hartstochten en al zijn noden, die daar een taak hebben. Zij verwerpen die taak en zeggen: “Ach, dit leven met al zijn verantwoording is mij te veel.” Zij trekken zich terug in een kloosterlijke geborgenheid en beschouwen het leven op een welwillende en onpersoonlijke wijze. Zij begrijpen niet, waarom in hen die onvrede is, die voortdurende strijd. Waarom hun zoeken naar het goede hen steeds weer lijden en bekoring betekent. Maar het is duidelijk. Zij hebben hun weg niet afgelegd, zoals hij moest worden afgelegd.

Nu zou het gemakkelijk zijn, wanneer elke mens dit betoog zonder meer zou kunnen accepteren. Maar menigeen gaat het als de ezel. De ezel, die een lading goederen weg moest brengen en aan het einde van de weg vrijheid en voeding zou krijgen. Verheugd dartelend had hij vooruit moeten springen, ja, zo snel had hij moeten gaan, – dat de koopman hijgend achter hem aan moest stormen – om het vele goede dat hem op het eind van de weg wachtte.

Maar de ezel was een ezel. Een meer menselijke ezel dan menige ezel is. Want hij zei: “Waarom zou ik deze zware last torsen? Ik blijf hier, tot men mij die last afneemt, dan zal ik de weg wel afleggen.” Zo kwam de koopman en sloeg hem met een stok. De ezel riep wel “i-a”, maar verder deed hij niets. Hij zette geen stap vooruit. De koopman werd kwaad, hij greep het achterste sierdeel, de staart en trok eraan met grote hevigheid. De ezel draaide zich om en schopte wat met zijn poten, maar hij ging geen stap vooruit. De avond viel en de ezel kreeg geen voeding, maar alleen slaag. Eindelijk door de pijn gekweld, ging hij een paar stappen vooruit en bleef weer staan. Toen hij aan het einde van de weg kwam, zakte hij ineen onder zijn last. Voor hem lag de grote vrije wereld, rond hem het kostelijk voedsel, maar hij had de kracht niet meer om de vrijheid te genieten en het voedsel tot zich te nemen. Zo stierf de ezel met een laatste “i-a”, een klacht tegen het onrecht van de wereld, omdat hij als ezel, als dwaas, niet genomen had, wat de wereld hem bood, maar hij had gezocht naar datgene, wat de wereld niet bieden kon: een gewin zonder taak, een loon zonder werk.

Wanneer wij zo trachten de wereld te beschouwen vrienden, zal het ons altijd verkeerd gaan. De weg van de waarheid is deze: Wie keert tot de wereld, aanvaardt hiermee een taak, die in zijn hart is geschreven, die altijd in zijn denken, of voortdurend op de achtergrond blijft en hem steeds een oordeel geeft over datgene, wat voor hem goed of kwaad is. Wanneer de mens hier naar luistert, zal die weg niet altijd de weg zijn die de mensen bewonderen, maar wel de weg, die hem voert naar het werkelijke leven. Maar wanneer de mens tot de stof keert en weigert de innerlijke stem te horen, weigert te aanvaarden de kracht die met hem is, weigert ook de lastgeving die in hem geschreven is te horen en te vervullen, deze gaat ten onder.

Er is geen voorbestemming, er is geen vastgelegd lot, men is vrij om te weigeren. U kunt uw eigen doel verloochenen, u kunt uw eigen wezen prostitueren met gedachten die niet daarbij  behoren. Maar wanneer u dat doet, zult u de prijs ervoor betalen. Er is geen noodlot en geen toeval, maar slechts een goddelijke weg. Er is geen dwingende kracht, die u vooruit jaagt door het leven. Er is wel een Leiding, die u in staat stelt de weg te gaan, die voor u bedoeld is, de kracht te vinden die voor u noodzakelijk is.

Indien u dit kunt aanvaarden, indien u in uzelf met innerlijke zekerheid en rust kunt aanvaarden wat het leven u oplegt, volbrengen de taak die in u geschreven staat, dan zult u de vreugde kennen van een leven, dat een vervulling is. Dan kunt u het Licht aanschouwen, dat de uiting is van de Allerhoogste Kracht.

Ongetwijfeld is uw eigen bewustzijn rijker dan mijn woorden kunnen zijn. Maar toch verstout ik mij u nederig te wijzen op het feit, dat menigeen handelt tegen zijn weten, dat menigeen weigert te beantwoorden aan wat hij weet, wat recht en rechtvaardig is. Maar wie weet, dat hij recht en rechtvaardigheid heeft gevolgd in zijn eigen hart en aanvaarden kan de gevolgen daarvan, díé alleen vindt een vreugdig leven, díé alleen kan altijd, zelfs wanneer menselijk gezien de nood hoog is, het lijden groot is, weer de vrede vinden die kracht geeft om voort te gaan. En nederig verzoek ik u mij te verontschuldigen, wanneer ik aanneem, dat uw kracht nog niet voldoende is. Maar uw kracht voor het leven, uw kracht, die over alle leed zegeviert, kunt u winnen uit de vervulling van uw doel. Wanneer u het lijden, dat u wordt opgelegd, kunt zien als een noodlottig gevolg van uw eigen fouten, wanneer u de beproevingen, die u doormaakt kunt zien als een weg voor u om wederom de waarheid van uw eigen wezen, de Goddelijke Wil, te ontdekken. Wanneer u de vreugde ziet als een bevestiging van een goed leven en al wat er uit voort zal bloeien voor een later bestaan, dan, vrienden, hebt u het onnodig gemaakt, dat ik tot u spreek. En bent u verschoond van deze onwaardige woorden, in staat schoner Licht te genieten.

Ik dank u, vrienden, dat u mij hebt willen aanhoren. Ik wil nu het woord overgeven aan de laatste spreker van deze bijeenkomst, die op zijn wijze eindigend met “Het Schone Woord”, voor u een beschouwing zal geven.

Het schone woord

Wanneer je zo op een avond als deze de verschillende gedachten volgt, dan krijg je zo de neiging om deze dingen uit te drukken in een paar reeksen van woordjes. Voordat ik dan ook, als laatste spreker een viertal onderwerpen, door u te stellen, voor u zal behandelen, vraag ik nog een klein ogenblik uw aandacht voor mijn visie, o.a. op u en de huidige wereld.

Zij praten en denken en zeggen zoveel,  en soms krijgt de waarheid erin  soms wél zijn deel.

Maar meestal, ofschoon men de waarheid vereert,  spreekt men de waarheid, helaas, wel verkeerd.

Men spreekt van elkander, van wie er niet is en weet dan heel veel te vertellen. Het zou een boekdeel zijn, vol van details.

Een boek van vele vellen, die vertellen van het leven, wat men zelve niet weet, wanneer gij dat leven leeft.

Omdat heel vaak de spreker vergeet, dat een ander innerlijk leeft.

De wereld doet aan politiek en speelt een heel groots spel. Men praat en spreekt en vreest te zeer atomisch, fel.

Men ziet het kunstmanen gevaar, dat nadert, om de wereld drijft, en ziet de raket, die doemend vuur’s verwensingen aan de hemel schrijft.

Men ziet de droom van menselijk bestaan en ondergang als zekerheid. Men erkent niet het nut, het doel, ja, Gods Wil in het gebeuren, ook van deze tijd.

Men hoort naar de radio, men leest in de krant, men spreekt over gevaar voor het vaderland.

Men daast er over economie en schreeuwt een ontzettende melodie  van angst.

De welvaart gaat voorbij, de vreugde was hier reeds het langst.

Wat wordt er nu van mij?

Men zegt niet:

Ik ga uit eigen kracht bouwen,  opdat deze wereld leeft  en in de toekomst beter dan heden  aan allen recht en vrede geeft.

Men weent om al, wat is vergaan, en vreest de dag van morgen, maar daardoor, bittere vrucht der waan zal men in al die zorgen vergeten heden te volbrengen, wat noodzaak is voor mens en geest.

Zo dacht men, zoekend in het verleden,  vrezend wat men in de toekomst leest.  Helaas, de vruchten derft van het heden.

Men kent het bekende versje wel: De wereld is een schouwtoneel en al, wat daaraan vastzit.

Je zou dat ook kunnen variëren: De wereld is een poppenkast, waarin de grootste gek nog past …

Het is waanzinnig zinnespel, dat wankel, hemel nu, dan hel, en altijd voortgaat, altijd voort, terwijl er niemand anderen hoort.

Maar is het poppenspel vaak moe.

Maar ik vraag, wie schouwt de poppen toe?

Wie ziet de zin van al dat gaan?

De reden van dit dwaas bestaan? Slechts wie zich om de eeuwigheid, niet bindt aan al, wat poppen leidt. En zo leert eindelijk te vermijden, zich zonder denken door weten en wil, van anderen te doen lijden.

Ik geloof dat ik daarmee mijn eigen gemoed lucht heb kunnen geven. Ik hoop voor u, dat u het waardeert. Hebt u het niet kunnen waarderen, dan mijn werkelijk hartelijk gevoeld medeleven. Maar voor mij was het een innige vreugde, dat ik zo-even de gelegenheid had te omschrijven: mijn mening.

Nu gaarne van u nog vier woorden, die niet uit hoge begrippen hoeven te bestaan. In een lucifer ligt net zoveel van de vurigheid als in een dennenbos. En een woordje als “vuur” of “klatergoud” kan evenveel betekenen als “zuiverheid” of “oneindigheid”.

Kracht – Moed – Haat – Schoonheid

Schoonheid:
Een lijnenspel in vlammende kleur,  dat het leven omschrijft als een deur naar verder bestaan,  waarvoor het “Ik” een tijdje aarzelend verblijft.
Schoonheid, weerkaatsing van een kracht,  die achter alle vormen leeft  en die de vorm en schoonheid zelf  uit zich geschapen heeft.

Kracht:
Men denkt, dat de kracht in de spieren zetelt en meent dat de kracht soms ligt in ’t verstand, maar de Kracht, die regeert is een hoger Wezen.
Het is God, Wiens Vaderlijke Hand het menselijk zijn geleidt. Kracht is de eenheid van je wezen. Dankt  eerbiedig, zonder vrezen en één wordt met de Eeuwigheid. Want: heb je het zijn volbracht, wat je door God werd opgelegd, dan krijg je Goddelijke Kracht,  niet als genade, maar als recht  door God aan jou gegeven.
Zo vindt eenieder kracht  om voort te gaan. Zo is de kracht  de spiegel van het leven.

Haat:
Een vuur, dat je verteert, een filter dat de zon je keert,  een kracht die het wezen zelve breekt  terwijl de haat zich buiten wreekt, voel je je zelve ondergaan.
Haat, bittere kracht van sombere waan,  dat maakt het leven tot een waan.  Haat, onbegrepen liefdekracht,  die in het Al bestaat  en die daar onbegrepen door het “Ik” verworpen wordt  tot de haat.
Kracht en Liefde zijn samen de kern  van wat men haten noemt,  maar wie de haat in zich overwint en zo het leven roemt  en Licht en Liefde, die beseft, dat Liefde was de kern van haat,  dat Liefde “Ik” verheft  tot bijna Goddelijk bestaan.

Moed:
Ik durf het leven aan.  Mag heel de wereld beven,  ik durf het al bestaan en zal nog verder streven.
Dreigt mij de dood, ik ken geen angst.  Ik durf nog voort te gaan  al zou de demon, duivel,  al hier rond mij samen staan.
Ik ken des levens werkelijkheid,  ik ken des levens macht.  Ik heb moed, omdat mijn God  mij zelfs tot leven heeft gebracht.
Ik vrees het leven niet. Ik vrees geen werkelijkheid, omdat in mij het Licht  mij tot een doel geleidt.

Samenvatting: Wie de haat overwint, het Licht aanvaardt, die vindt de Goddelijke Kracht, waardoor de moed in het “Ik” ontstaat en het leven wordt volbracht. Die kent des levens heerlijkheid en werkelijkheid van ’t bestaan en zal zo, zonder angst of vrees, tot hoger leven gaan.

image_pdf