Toneelspel en inwijding

image_pdf

21 januari 1966

Allereerst moet ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Ik zou u willen spreken over: Toneelspel en inwijding.

Het toneel is al heel oud. Wanneer wij de oudste toneelvoorstellingen – die wij reeds die naam mogen geven, – opzoeken, zo blijken deze reeds ongeveer 10.000 jaren geleden te bestaan. Het zijn pantomimen, begeleid door muziek en zang maar vormen toch reeds uitbeeldingen van bepaalde gebeurtenissen. Deze “voorstellingen” hebben echter een religieus karakter en het zal nog lange tijd duren, voor het toneel vrij weet te komen van de religie. In Griekenland is het toneel bekend, maar in wezen een verhaal over goden en “heroën” of zelfs zuiver mysteriespel, zoals dit onder meer plaats vond tijdens de feesten ter ere van Dionysius. Eerst ongeveer 200 v. Chr. zien wij daar langzaamaan het gewone openbare toneelspel van wereldse aard ontstaan.

In Rome bestaat het wereldse toneel eveneens, maar slechts als minderheid naast vele religieuze feesten en optochten. Ook in het christendom blijkt het gewone toneel lange tijd achterwege te blijven. Wij zullen tot rond het jaar 1000 moeten gaan om een door mensen uitgevoerd spel te aanschouwen, dat niet van geheel religieuze aard is. In het Westen heeft van daaruit het toneelspel zich langzaam ontwikkeld via religieuze en semi-religieuze via pseudo-religieuze spelen en de boerde – de klucht dus – tot de ook heden nog bestaande vorm, die in wezen een uitbeelden is van een leven, dat anders is dan het alledaagse, maar in wezen over alledaagse mensen kan handelen.

U vraagt zich misschien af, wat ik nu eigenlijk wil zeggen met deze gegevens over het toneelspel. Maar er is aan het toneelspelen iets eigenaardigs verbonden. De meesten onder u kennen dit alles waarschijnlijk alleen als een voorstelling, die zij bijwoonden. Maar misschien zijn er hier in de zaal wel amateurspelers, die zelfs eens op de planken hebben gestaan en daarbij mochten ervaren, hoe wonderlijk en vreemd het soms kan gaan, wanneer je een stuk en een rol speelt, waarin je werkelijk opgaat. Als acteur verlies je tijdelijk iets van je eigen persoonlijkheid. Het is, alsof er een verandering plaats vindt in je. Het is dus niet alleen een veranderen van je gestalte, beweging of houding, maar is ook innerlijk. Het gaat daarbij zover, dat menigeen, die een ogenblik zijn rol kwijt raakt, improviseert en daarbij sterker nog dan in zijn geschreven rol tot uitdrukking brengt, hoe het wezen en de mentaliteit is van de figuur, die hij uitbeeldt. Van dit vreemde “zichzelf verliezen” heeft men in het verleden zeer veel gebruik gemaakt. De resten van deze oude gebruiken zien wij nog heden vaak, ofschoon men het nu niet meer ziet als een soort toneelspel. Ik verzoek u alvast, uw protesten, voorlopig bij u te houden, tot ik uitgesproken ben.

Wanneer wij het misoffer op zien dragen in de katholieke kerk en daar de priester zien, die heen en weer gaat langs het altaar, zo ziet men het meestal alleen als een bepaald ritueel, maar vergeet daarbij, dat het ook een uitbeelden van iets is. Er wordt iets weergegeven, wat niet in de menselijke werkelijkheid zo bestaat. Het geheel is dus eigenlijk een, door de loop der tijden tot het uiterste gestileerd toneelstuk, wat daar wordt opgevoerd. Wij kunnen ook gaan kijken bij de dominee. Vaak treffen wij ook hier iets toneel matig aan: De plechtige manier, waarop men gaat, de houding, de wijze van spreken zijn vreemd aan de man in het gewone leven. Ook hij speelt dus een rol.

Het vreemde bij dit alles is dat, wanneer een priester, dominee – of iemand anders desnoods – gelooft in wat hij zegt en iets uitbeeldt dat meer is dan hijzelf alleen, het gehoor onder de indruk komt en iets van het voorgestelde mee beleeft.

Wanneer je een goede toneelspeler hoort, bv. in een stuk van Shakespeare – waarover wij overigens zouden kunnen debatteren, omdat de taal wel zeer fraai wordt gebruikt, maar de stukken zelf meestal zeer tendentieus zijn – dan kan één enkele zin ontroeren. De speler zegt bv. “Alas, poor Yorick” …. op een wijze, die de gehele zaal een ogenblik een huivering door de leden jaagt. Hoe dit mogelijk is? Wel, iemand die toneel speelt, beeldt weliswaar iets of iemand uit, wat hij niet waarlijk is, maar verliest zich, wanneer hij in de rol werkelijk opgaat, in de denkbeeldige andere. Het is een feit, dat de gehele persoonlijkheid hierdoor afgestemd raakt op een andere uitstraling, een andere mentaliteit en tijdelijk een andere vorm van binding kent met het Al, met de kosmos en de mensen rond hem. Hij kan dan ontroeringen overbrengen op zichzelf en anderen, die niets meer met de werkelijkheid van het leven te doen hebben, maar voortkomen uit – voor de mens althans – denkbeeldige situaties en mogelijkheden. En hierin zit nu het haakje.

Bij geestelijke gebeurtenissen als bv. inwijdingen zal men moeten proberen open te staan voor iets nieuws. Je moet een nieuwe wereld beleven en dit gaat niet zomaar. Zonder meer is dit eenvoudigweg vaak onmogelijk. O, iemand die lange tijd getraind is daarin of zeer begaafd is op dit terrein kan het misschien wel eens bereiken. Neem bv. een maçon die innerlijk het geheim van het verloren woord zo kan beleven, dat hij daardoor in contact komt met iets hogers. Toch zal zelfs deze toegeven, dat het veel gemakkelijker wordt wanneer men bv. de uitbeelding aanschouwt van de dood van Hiram Abif; en zijn wederopstanding door het uitspreken van het verloren woord. Zelfs het aanschouwen hiervan kan, wanneer je je er aan geeft, je iets doen. Je wordt a.h.w. afgestemd op iets anders.

Nu is dit een modern voorbeeld. Indien wij echter terug gaan naar bv. het oude Egypte, dan krijgen wij gehele drama’s te zien, die als doel de inwijding hebben. Voor de ingewijden en hen, die de inwijdingen ondergaan zien wij daar opvoeringen van grote omvang. Het begint met een optocht. Is deze voorbij, dan komt de zonnebark van Osiris in zicht – waarop meestal ook mensen zitten, die voldoende macht of geld bezitten, om zich een plaatsje aan boord te verzekeren. Dan ziet men een scène, waarbij de krachten van het kwade, van Seth, de bark aanvallen en trachten zijn voortgang te hinderen. Dit werd zelfs een soort veldslag waarbij, al was het vechten eigenlijk een ruwe soort van schermen, vaak iemand ernstig gewond werd.

Osiris wordt gedood en wij zien, hoe Toth uitgaat om de dode Osiris te zoeken. Daarna wordt opstanding en wederkeer van Osiris in beeld gebracht. Iemand, die aan een bepaalde inwijdingsgraad toe was, mocht zelf een rol hierin spelen.

Als u de reden hiervan niet beseft, moet u eens even nadenken. Het was een toneelspel. Mooi. Maar een mens, die daarin werkelijk leefde, die zelf vocht tegen het kwaad, werd in een toestand van onwerkelijkheid gebracht. Hij werd voor een ogenblik zelf deel van de krachten van Osiris, of misschien zelfs Osiris zelf. En als hij in dit laatste geval van de dood terugkeerde, dan was hij werkelijk in eigen gevoel gestorven en herboren. Hij had dit alles zelf beleefd, zelf meegemaakt. Nu kunnen wij wel zeggen, dat het toch maar een toneelstuk was, maar het had meer betekenis dan men zo schijnt te denken: Het was de uiterlijke verbeelding van het innerlijke proces, dat zich bij inwijdingen afspeelt. Zelfs de toeschouwers gevoelden zich zozeer één met een van de personen dramatici, dat zij het geheel als een werkelijkheid beleefden.

Nu weet ik wel, dat het tegenwoordig allemaal wat anders gaat, dat men niet naar een toneelstuk gaat om zich te vereenzelvigen met een moordenaar of een slachtoffer. Zelfs nu echter ondergaat men meer dan een beschouwen alleen. Zodra er echter hogere waarden in het spel komen – symboolwaarden – als bv. de uitbeelding van het graalmysterie in de Parsifallegende – waar het uitgebeelde inderdaad een inwijdingsmythos is, wordt het iets anders. Wij kunnen hier, al geschiedt de opvoering in het openbaar, een parallel trekken met een werkelijk ‘inwijdingsspel’ waarbij bv. de dood en wederopstanding van Christian Rosencreuz wordt uitgebeeld. Je beseft dan: Dit is iets, waar je, zelfs als toeschouwer, werkelijk een ogenblik in leven moet.

Op het ogenblik, dat het werkelijk beleven ophoudt, houdt ook de waarde op. Of, om een ander voorbeeld te geven: Het opvoeren van een passiespel. Dit was oorspronkelijk een volksfeest, waarbij niet de toeschouwers belangrijk waren, maar de spelers zelf, de bevolking van een plaats, die op deze wijze zelf a.h.w. Jezus leven, dood en opstanding doormaakten.

Nu kunt u zeggen, dat dit maar toneel was, maar voor de spelers was het alles ergens waar; hun geest beleefde het al en was daardoor in een innerlijk contact met de Christus.

Nu mag men desnoods stellen, dat Jezus nooit geleefd heeft en dat dit alles alleen maar een komedie en misleiding was, maar dan nog blijft het feit bestaan, dat de spelers, door hun toewijding, een innerlijk contact met God ervoeren. God leefde voor hen. Elk woord, dat werd gesproken, elk gebaar, vooral de kruisiging en elk kruiswoord was voor hen een verbinding met een hogere kracht. Vandaar, dat de z.g. mirakelspelen in de middeleeuwen ook vaak werden opgevoerd tijdens het woeden van een pestilentie. Nu zou men dit onlogisch en gevaarlijk vinden vanwege het besmettingsgevaar, en bovendien het zeer ongevoelig vinden, dat men een grote processie ging houden en een spel op ging voeren, terwijl overal langs de straat en in de huizen de doden lagen. De mensen van die tijd gevoelden zich door dit alles echter meer één met God. Vaak lezen wij dan ook, dat men voor of tijdens de processie en het spel reeds engelen zag, die de stad ” reinigden”. Was dit alles nu alleen maar komedie en bijgeloof? Het is wel mogelijk, maar het blijft in ieder geval toch vreemd, dat in steden, waar dergelijke optochten en spelen werden gehouden, waar visioenen tijdens dit gebeuren werden gezien – als Straatsburg, Turijn en Warschau, om er een paar te noemen, want er zijn er zeer vele meer geweest – zeer kort daarna de plaag weg zagen vertrekken.

Nu heeft men daarvoor in deze tijd natuurlijk vele verklaringen. Men spreekt dan bv. over een psychotische invloed, die ontstond op een ogenblik, dat de epidemie reeds een keerpunt bereikt had of spreekt over vrome leugens achteraf. Maar was dat nu werkelijk alleen maar zo? Was er niemand, die daartegenin de waarheid heeft achtergelaten? Volgens mij zijn dergelijke verklaringen alleen maar moderne rationalisaties van gebeurtenissen, waarmede men in zijn hedendaagse wijsheid geen raad meer weet.

Wij gaan even terug naar het toneel. Het oude en eerste werkelijke toneel, het mysteriespel, was eigenlijk niet alleen maar een voorstelling, een uitbeelding. Het was veeleer een magische handeling, die misschien wel niet geheel ritueel juist verliep volgens de latere opvattingen, maar toch wel degelijk een grote magische werking had, en voor de deelnemers een resonans met andere werelden tot stand kon brengen. Vandaar dat wij , tenminste deze vorm van toneel zeker mogen vergelijken met alles, wat er aan riten en magie maar bestaat. Zelfs bepaalde gebruiken blijken te passen in dit geheel. Waarom bv. zien wij in bepaalde landen, dat de rechters zich tooien met een apart gewaad, met een pruik vaak zelfs. Is dit alleen maar traditie? Misschien dat het nu zo is. Maar zeker in het verleden zal dit veeleer een methode zijn geweest, om de voornaamste rechters zich los te doen gevoelen van de normale wereld, waartoe zij als mens eenmaal behoorden. Men liet de rechter in wezen een rol spelen, waarbij hij van de mensen vervreemd op de rechterstoel zetelde, en waarlijk Justitia vertegenwoordigde en niet meer de heer Pieterse of Jansen kon zijn die met zijn kwade been uit bed was gestapt en persoonlijke gevoelens er op na kon houden.

Op dezelfde manier kan men het uniformeren – want dat is het in wezen – en het voor alle riten afzonderlijk met vaak verschillende gewaden bekleden van priesters te begrijpen: Het aantrekken van een gewaad maakt je ook innerlijk tot iets anders. Waarom zou men een koor, dat bepaalde gezangen zingt – zelfs in niet katholieke kerken, – zo vaak aankleden, in rituele gewaden steken? Ook hier mag gelden, dat je hierdoor de mensen losmaakt van hun normale persoonlijkheid en het voor hen gemakkelijker maakt zich geheel te geven aan hun aandeel van de rite. Zelfs carnaval, dit oude overblijfsel van de saturnaliën toont ons een dergelijk beeld: De mensen verkleden zich en maken zich zo los van hun alledaagse ik. Wat gezellig en heel leuk kan zijn. Maar wanneer je eens even helemaal er uit, helemaal een ander geweest bent, zal dit anders zijn en nieuw besef omtrent eigen ik en de wereld doen ontstaan. Dan kan een vasten, die je anders, misschien niet ernstig zou nemen, opeens betekenis krijgen door een begrip voor de wanorde in de wereld en je eigen tekortkomingen; door carnaval kan de vasten zin krijgen.

Nu klinkt dit alles u misschien vreemd en u zult argumenteren, dat dit nu niet meer zo kan gelden, omdat het geheel nu veel te commercieel van opzet dreigt te worden. Maar toch blijft het gestelde zelfs in uw dagen nog ergens waar.

Zelfs de wilde uitgelatenheid van een carnaval kan nieuwe mentaliteit brengen en het normale leven aanvaardbaarder maken. Waaruit het volgende weer af te leiden valt. Wanneer ik dus iets bepaalds wil bereiken, contact wil hebben met een bepaalde kracht bv., kan ik dit het beste bereiken, door wat komedie te gaan spelen. Wat weer raar klinkt, maar daarom niet onwaar is.

Want op het ogenblik, dat ik voor mijzelf iets ga uitbeelden en tracht geheel iets te zijn, in iets op te gaan, iets te leven, maak ik het voor mijzelf grotendeels waar. Wat ik zeker hierdoor waar maak, is een verandering van mijn uitstraling. De aura trilt a.h.w. in een geheel andere frequentie dan normaal voor mij is. Ik word in de astrale wereld zelfs tijdelijk geheel een andere, mijn beeld is anders. Wanneer ik God speel, dan weet ik innerlijk zeer wel, dat ik God niet ben.

Maar wanneer ik ook maar voor een ogenblik mij als God gevoel, mij één gevoel met God, dan is er, ook op het astrale vlak, het goddelijke Licht. Dan is er opeens rond mij een Licht, waar geen demon doorheen durft te komen.

Kolder? Neen. Het is geen kolder, het is een vorm van komedie, van toneelspel. Spel, zeker, maar een spel, waarin ik opga. Ik kan, door mijn eigen denken te veranderen, zelfs aan de hand van een te voren vastgelegde rol, die ik speel, mijn uitstraling, mijn relatie met geestelijk elementen en zelfs met de mensheid wijzigen. Wat meer is: Wanneer ik uit deze doorleefde rol terugkeer tot de werkelijkheid, dan is dit geen roes geweest, geen negatieve trance, waarin ik alleen alles onderga, maar gelijk weer verlies. Er is sprake van een beleving – een beleving, die voor mij misschien geheel anders is dan anderen die ooit kunnen zien – en heb iets geleerd. Ik ben dus wijzer geworden. Ik heb misschien geleerd, een bepaalde kracht beter te gebruiken. Ik ben innerlijk rijker geworden. Zo gezien kan men zelfs stellen, dat het spelen van een rol voor de mens in het leven ook vanuit geestelijk standpunt vaak een noodzaak zal zijn.

In de maatschappij zien wij iets dergelijks. Wanneer u buiten beleefd bent tegen iedereen, dan neem ik aan, dat u innerlijk wel eens anders op de mensen reageert, dan u toont. Maar door uzelf te dwingen tot het uiterlijke, de rol van beleefde, vriendelijke mens, schept u een bepaalde relatie tussen u en de mensen. Zelfs uw mogelijkheden en zeker uw eigen stemming zal door een volhouden van deze welwillendheid tegenover anderen een verandering ten goede ondergaan. Dit zal men logisch vinden; het bereiken van bepaalde relaties met een medemens of medemensen door het spelen van een rol is uiteindelijk iets gewoons. Maar wanneer ik zo iets nu eens ga doen bv. t.a.v. God? Dan zal het ik ook wijzigingen vertonen en daarop zal het Hogere zeker reageren volgens ons ervaren.

Nu kunnen wij zeggen: dit is alleen maar een beroep op de bovenbewuste waarden van de mensheid of spreken over een supra-persoonlijkheid, waarin men tijdelijk zich onderdompelt. Ik zal hiertegen geen bezwaar maken. Stel dat er alleen maar sprake is van een zo bereiken van een contact met het totaal van de mensheid, het bewustzijn van de gehele mensheid. Ook dan kan ik zeggen: Ik ben deel van het geheel. De band met het geheel is dus ergens een deel van mijn eigen bewustzijn. Zo lang ik voor mijzelf speel, dat ik alleen maar ik, mijzelf ben en meer niet, zal ik, om dit te kunnen doen, doof en blind moeten zijn voor alles, wat in de grotere, composiete kracht van de mensheid aanwezig is.

Stel nu, dat ik ga spelen, dat ik deze kracht zelf ben – of dat ik een meester ben, die dit geheel van krachten kent. Dan verandert er ook iets in mijn bewustzijn; de remmingen, die tijdens mijn “normale” bestaan in mij leven, vallen tijdens de overgave aan de rol tijdelijk weg. De afweer tegen bepaalde waarden in mijzelf, die ik niet normaal aanvaarden kan, ofschoon zij kostbaar en goed zijn, is tijdelijk vervallen. Mijn wil bv., die tot nu toe door mijn bewustzijn van eigen beperkingen werd afgeremd, wordt vrijer en kan zich geheel ontplooien. Dat alleen kan reeds zeer veel betekenen. Wanneer ik speel, dat ik Jezus ben – of iemand anders, wanneer u dit heiligschennis lijkt – dan kan ik zonder mij een dwaas te voelen zeggen: “Vader, indien het Uw Wil is, kan ik genezen.” En de volgende stap doet mij dan zeggen: “Ik ben Jezus. Ik ben Hij. In de naam van de Vader en mijn naam, wees genezen.” En dan genees je misschien, wat ongeneeslijk scheen. Is dit zelfsuggestie? Alleen oppervlakkig; in wezen is het en een beroep doen op mogelijkheden en krachten, die in je leven, maar nu zonder de beperkingen van een persoonlijkheidsbegrip, dat foutief en te klein is.

Een ander voorbeeld. Ik speel, dat ik een ingewijde ben. Dat ben ik in werkelijkheid geheel niet. Het is en blijft ergens een spel. Maar dat is bijkomstig: ik speel met volle overtuiging een wetende. Het maakt daarbij niets uit, of ik nu Jezus, Milarepa of een ander speel; ik ben een wetende en in deze rol aanvaard ik dus alle weten, dat in mij bestaat of rijst. Ik kan dan zonder meer alles, wat ook normaal in mij zou kunnen bestaan, aanvaarden. Mijn spel wordt een soort inwijding. Er vloeien allerlei begrippen op mij af, die ik in mijzelf niet toe zou laten. Daar ik al, wat ik in deze rol beleefd heb, ook later zal weten, ontstaat er een groei van kennis, van inzicht.

En nu wij het toch over de procedures hebben, wil ik even nog een stap verder gaan. Ik zal moeten beginnen met het kleine. Ik kan nog niet in volle overtuiging geloven, dat ik voor een ogenblik bv. Jezus ben. Maar ik kan mij wel voorstellen, dat ik een eenvoudig mens ben, die aan Jezus voeten is gezeten, wanneer Hij de Bergrede spreekt. Dan gaan deze woorden voor mij meer leven, zij krijgen klank. Ik hoor niet alleen meer wat men er van gemaakt heeft. Het wordt mij, alsof ik de oude cadensen van het Aramees hoor, of ik de gedachten van Jezus voel leven achter de woorden, ik ben deel van de ontroerde massa. Ik zal dan opeens de werkelijke bedoeling begrijpen van dit alles. Natuurlijk, het blijft een komedie, een toneelspel. Maar het heeft zijn nut. Vandaar dat het voorgaande aanleiding wordt tot het geven van enkele stellingen.

In de eerste plaats stel ik dan: Op het ogenblik, dat een mens vanuit zich met volle overgave en overtuiging pretendeert, iets te zijn, wat hij volgens eigen weten en overtuiging niet is, zal hij volgens de waarden en mogelijkheden van zijn persoonlijkheid al het gepretendeerde geheel of ten dele voor zich kunnen realiseren. Dit is een heel belangrijk punt.

Wij voegen dan hieraan onmiddellijk toe: Elke uitbeelding van een gebeuren, mits doorleefd, kan voor de mens in de plaats treden van een werkelijk gebeuren. Het innerlijk kan hierdoor ervaringen opdoen, zonder dat feitelijke omstandigheden bestaan of invloeden van buitenaf onmiddellijk in het eigen leven hebben ingegrepen.

Ten derde stel ik: Daar elke macht, die ik pretendeer te bezitten met volle overgave en innerlijke overtuiging, tijdelijk voor mijn bewustzijn een werkelijke macht van het Ik wordt, kan ik de wil, die uit het besef van die macht voortkomt, uitoefenen en zo het totaal van mijn krachten stuwen om dingen te bereiken, die mij normaal onmogelijk toeschijnen, zelfs wanneer dit het oproepen van demonen, het doen verschijnen van geesten, of het doordringen tot aan de kroon van de werkelijke persoonlijkheid, het ware ik, betreft.

Daar ik deze dingen kan doen, voegen wij daaraan nog toe: Het is dwaasheid de uitbeelding, het ritueel e.d. zonder meer te verwerpen. Wij moeten echter in alle gevallen als eis stellen, dat een ritueel bestaat uit een bewuste uitbeelding van iets, die door het ik, en met volle overtuiging, tot stand wordt gebracht.

Verder kunnen wij stellen, dat elk toneel of komediespel, dat deze waarden in zich draagt, in de plaats kan treden van een dergelijk ritueel. Ten laatste moeten wij hierbij dan nog opmerken, dat de overgave aan de rol meestal belangrijker is dan de rolvastheid van de speler.

Ik weet niet, of u ooit deze mogelijkheden achter het u bekende toneel hebt gezocht. Het lijkt alles zo aardig. Je gaat kijken naar het spel, de zotheden van een driekoningenavond, of de huwelijksmoeilijkheden in een nieuwe Franse boulevardkomedie, je amuseert je, vindt het leuk en vergeet het alles. Toch zou u kunnen weten, dat er vele mensen zijn geweest, toneelspelers dus, die zeer sterk onder de invloed kwamen van de rol, die zij speelden. Om een Nederlands voorbeeld te noemen: Toen Eduard Verkade een langere tijd achtereen in de Faust speelde, veranderden zijn houding en gedrag tegenover medemensen aanmerkelijk. Hij werd ook in het dagelijkse leven een deel van de rol, die hij ’s avonds uitbeeldde.

Bepaalde acteurs, die langere tijd hetzelfde karakter uitbeelden of een zelfde rol spelen, blijken ook in hun dagelijks bestaan daarvan iets, en soms zelfs heel veel, over te nemen. Een van de laatste bekende slachtoffers van dit verschijnsel was Rex Harrison. Deze kon geen verschil meer maken tussen zijn stemmingen en verlangens in het dagelijkse leven en in een film, waarin hij speelde. Als u nu ziet, dat dit zelfs voor mensen, die geheel geen begrip van deze magische mogelijkheden van het spel hebben, reeds geldt, en, een vaak zo grote uitwerking heeft op hun reactievermogen, hun gedrag en persoonlijk leven, hun relaties met medemensen, dan is het, naar ik meen, toch wel redelijk wanneer ik stel dat iemand, die dit bewust kan doen, een veel grotere mogelijkheid bezit, om in het leven via een rol de juiste plaats en kennis voor zich te vinden.

U heeft dit alles kunnen volgen, dus kunnen wij overgaan tot een volgend punt, dat wat moeilijker te stellen valt. Je kunt van elke mens bv. wel zeggen, dat hij een engelbewaarder heeft. Het is wel niet geheel juist, maar het lijkt er toch wel wat op, want elke mens heeft – ressorteert onder – een bepaalde beschermgeest. Deze beschermgeest, die door een z.g. persoonlijke geleider of geleidegeest vertegenwoordigd kan zijn, is in zich een wezen, dat ver boven alle bewustzijn, dat in menselijke vorm bereikt kan worden, is uitgestegen. Deze geleidegeest is een gezel, die ongeveer gelijkwaardig of in geringe mate meerwaardig is dan het ik, dat zij geleidt. Maar de beschermgeest kun je eerder voorstellen als een van de letters van het hemelse alfabet, een der fasen in de levensboom. Je zou dit wezen bv. kunnen omschrijven als een deel van een goddelijke straal, een deel van de goddelijke hiërarchie. Maar hoe wij dit wezen ook omschrijven, zeker blijft het, dat er altijd een relatie zal blijven bestaan in sferen en op de wereld tussen de mens en zijn beschermgeest. Op het ogenblik, dat de mens zich daarvan niet bewust is of de werkingen en mogelijkheden van dit feit slechts ten dele beseft, kan de werking van bovenaf naar beneden toe nog wel bestaan, maar zal de mens dit niet bewust beleven, en zal daarop dus ook niet bewust en wetend kunnen reageren. De mens zal dus ook niet gebruik kunnen maken van de grote voordelen, die de relatie met een dergelijk hoger wezen voor hemzelf heeft. De werkingen daarvan zijn voor hem slechts toeval.

Nu wil ik over deze beschermgeest niet eens gaan spreken als een afzonderlijke persoonlijkheid – ofschoon dit zeker aanvaardbaar zou zijn. Laat ons alleen stellen, dat deze beschermgeest een reservoir is van kracht en kennis voor degene, die onder zijn invloed valt en daarbij opmerken, dat een bewust beleven van deze invloed voor het bereiken van de hoogste geestelijke en andere mogelijkheden als mens noodzakelijk is. Wanneer ik alleen genoegen moet nemen, met wat er normaal tot mij doorsijpelt van deze kracht en kennis, kom ik in mijn leven steeds weer zwaar tekort. Wanneer ik echter weet, hoe ik voor mijn bewustzijn de kraan van de verbinding open moet draaien, kan ik een direct contact hebben met dit reservoir; ik beschik over een pipe-line naar hogere vermogens en krachten.

Hoe kan ik dan dit extra vermogen verwerven? Zeker niet, door alleen maar mijzelf te zijn. Ik moet dus iets, wat in mij leeft, een deel van mijzelf a.h.w., zo gaan uitbeelden, dat voor mij in die uitbeelding een bewust contact met het Hogere normaal wordt. Doe ik dit, dan maak ik hiermede – voor mijn gehele wezen en niet alleen voor het facet van het Ik, dat ik tijdelijk in een hogere orde uitbeeldt – het contact waar.

Misschien meent u, dat dit alles wel erg mooi klinkt, maar dat je, om dit te doen, toch wel heel veel over deze dingen zult moeten weten. Neen. Misschien heeft u wel eens van doodgewone kinderen gehoord, die in de tuin gaan spelen en dan na enige tijd binnen komen met de onthutsende mededeling: Mamma, ik heb een kabouter gezien. Het eerste antwoord op een dergelijke verklaring is vaak, nu moet je niet zo fantaseren. Maar aan de andere kant komen er vaak zo veel gegevens los, dat je je toch af gaat vragen: Hoe komt een kind daarop? Natuurlijk, zij kunnen een natuurgeest gezien hebben. Maar is de beslissende factor bij dit alles niet, dat het kind zonder enige beperking en met algehele overgave pleegt op te gaan in de premisse van zijn spel? Het kind stelt eenvoudig, dat, als er een kabouter is, het die kabouter natuurlijk zal kunnen zien, en gaat kijken, of er een kabouter is. Indien er een macht, geest of vermogen aanwezig is in de omgeving, die maar enigszins beantwoordt aan het beeld van de kabouter, zal het kind deze werkelijk zien – misschien niet geheel, zoals zij werkelijk is, want het kind zal natuurlijk het geheel in zijn gedachten versieren en aanpassen aan bv. de sprookjes die het kent. Toch kan worden gezegd, dat het kind in vele gevallen toch werkelijk iets heeft gezien, werkelijk met iets contact heeft gehad. Je hoeft dus geen buitengewoon hoog bewustzijn te bezitten, om een dergelijke ervaring door te maken.

Wanneer je een bepaald doel wilt gaan bereiken, wordt het natuurlijk wel wat anders; dan moet je weten, met welke krachten je in harmonie moet komen. Maar zo normaal, wanneer je met overgave iets doet of kent, maak je ergens een geestelijk contact, in overeenstemming met de vorm en aard van overgave, eveneens waar.

In jezelf kun je dan hieruit kracht putten, iets uit leren, tijdelijk eigen vaardigheid verhogen, nieuwe denkbeelden opdoen enz. Precies zoals je jezelf instelt, zoals je zelf je rol speelt, krijg je ook de geestelijke mogelijkheden, die daarbij passen. In vele gevallen komt men in contact met zijn beschermgeest, zij het direct of indirect.

Nu zult u wel begrijpen, dat een inwijdingsspel niet stil kan blijven staan bij een enkele fase van bewustwording en dergelijke, bv. de opstanding van Osiris. Zelfs indien alle voorgaande fasen van de legende beleefd werden, is en blijft dit alleen maar een begin. Het ik moet leren, de eenheid met Osiris als het ware uit te breiden, meer één te zijn met de opgestane, met diens bewustzijn en weten.

Daardoor ontstonden er bepaalde procedures en methoden die wij kunnen aantreffen in yoga, magie, esoterie en zelfs in de kerken, vooral in bepaalde kloostergemeenschappen, waarbij je als eenling in feite een dergelijke pretentie waar moet gaan maken. Je moet alleen nu een toneelstuk op gaan voeren en dit is natuurlijk veel moeilijker dan de inwijdingsspelen. Bij deze laatste ben je niet alleen, maar word je omringd door anderen, die de illusie helpen versterken en een geloven in het gebeuren vereenvoudigen. Je ziet bij wijze van spreken de gekruisigde liggen en uit de dood opstaan. Je weet dan, dat deze de hoogst ingewijde is van de groep waartoe je behoort, en anderen spelen mee, maken de suggestie van het beeld haast perfect.

Wanneer je dit alles alleen moet gaan doen, sta je gelijktijdig als toeschouwer, acteur, regisseur en het andere tegenover het geheel. Je bent bovendien voor jezelf en in jezelf nog eens de kracht van het geheel. De vorm wordt daarbij steeds meer gestileerd, omdat het ik innerlijk de details wel toe kan voegen. Er ontstaan dan vormen, die wij bij inwijdings- en offergezangen, magische bezweringen en gebeden steeds weer aantreffen.

Wij treffen dan vaak een getrapte vorm aan als bv. de volgende: “Machtige Sabaoth-Melek, in uw naam en kracht wil ik werken en tegenwoordig zijn in alles, wat gij geschapen hebt. Help mij, door uw kracht, uw wil, enz.” Dat is gewoon een bede, waarbij het ik tegenover zijn God staat en zich een band met deze God probeert in te denken. Dat is dan het eerste bedrijf van het persoonlijke spel. Het tweede bedrijf luidt dan bv.: “Hoort wel, gij geesten van de lucht, luister, o Ariël, want ik spreek tot U uit de kracht van Hem, Die is. Sabaoth Melek.” Ik kies maar een term als voorbeeld. Waarna het derde bedrijf begint. In het eerste bedrijf was het ik de smekeling. In het tweede bedrijf speelde het de rol van iemand die zijn smeken verhoord weet en nu gezag draagt, een kleed van waardigheid. Dan volgt de derde fase: “Hoort mij en gehoorzaam mij, gij ster van lucht en aarde, want ik ben Hij. Ik ben Hij, die troont in het Licht.

Ik ben de Kracht en het Getal. Ik ben de kracht van het leven. Mijn naam is Schaddai el Melek. Ik beveel u…” Daar staat het ik niet meer. Het is onder gegaan in de God, in de godsnaam, die eerst werd aangeroepen. Ik wil hierbij opmerken dat ik in deze vormen geen werkzame combinatie gebruikte en zelfs de ware naam in de twee voorgaande fasen veranderde. Want wij doen hier niet aan magie, maar spreken over acteren.

In deze drie bedrijven van het persoonlijke drama heeft het Ik achtereenvolgens drie rollen gespeeld, die telkenmale van hogere orde waren. In de magie zien wij, dat het vervolg in wezen een omkering van het proces kan zijn. Men zegt bv: “Gaat heen, UW taak is wel volbracht”, en spreekt dan nog als God, als vertegenwoordiger van de Godheid in persoon. De volgende woorden worden achter weer gesproken in de naam van de God, die men aanroept; men wordt van de persoonlijke God a.h.w. weer tot de bemiddelaar tussen de Godheid en het andere.

De formule zal dan bv. luiden: “In de naam van” – hier volgt de godsnaam – “zeg ik u, ga heen in vrede” enz. Het geheel eindigt dan met een dankbede, waarbij men God dankt voor Zijn kracht en hulp. Waarmede het ik zich heeft teruggebracht van de rol van een God, die beveelt, maar niet ondergaat, via een gezondene, tot de staat van een mens, die God erkent, de goddelijke wil aanvaardt en wel ondergaat.

Of dat alles nu werkelijk zo ingewikkeld moet zijn? Nodig is het misschien niet, maar het is wel praktisch. Met een dergelijk solo-toneel, een dergelijke magische of geestelijke one-man-show kun je voor jezelf gemakkelijker en meer gericht de relaties opbouwen met het Allerhoogste. Ook zal het eenvoudig worden je wil sterk bepaald en gericht binnen de krachten van dit allerhoogste tot uiting te brengen – het derde bedrijf, waarin men als God beveelt en de wil tijdelijk vrij is van menselijke beperkingen, zodat al wat gezegd wordt, ook werkelijk zal kunnen gebeuren. Het vereenvoudigt dus voor de meeste mensen de noodzakelijke innerlijke processen ten zeerste, ook al zal het juist hierdoor noodzakelijk worden terug te keren tot eigen persoonlijkheid en wereld op de wijze, die wij als fasen na het eigenlijk werk hebben besproken.

Maar op het ogenblik, dat ik mij één gevoelde met God, heb ik de uitstraling van de voor mij hoogste waarden in mijzelf gevoeld. Ik heb deze uitstraling in mijn wezen of lichaam gevoeld en vandaar uitgestraald. Ik heb deze straling rond mij gesteld in de astrale sfeer, en in elke geestelijke wereld, waartoe ik bewust kan behoren, deze kracht en dit Licht uitgedragen. Dit vibreert, zindert, zoekt overal naar harmonische waarden in het Al, werkt en verbindt mij met vele entiteiten, machten en mogelijkheden in het Al, die mogelijk in het goddelijke aanwezig zijn, maar die voor mij slechts in een lagere vorm aanvaardbaar en begrijpelijk kunnen worden, en dit alles heb ik dan toch maar bereikt door in mijn eentje komedie te spelen.

Zou men dit alles doodgewoon en zonder vaste formulering voor zich gaan zeggen, dan zou men er misschien niet in geloven. Door aan dergelijke formules en riten een grote waarde toe te kennen, wordt het voor het ik eerst mogelijk te geloven, dat het de verlangde of gestelde toestanden en krachten kan bereiken. Daarom is het niet zo gek, wanneer een priester voor zijn altaar van links naar rechts en van rechts naar links gaat, wanneer hij tenminste daarmede binnen de ritus zijn verhouding tot God op dat ogenblik acteert. Ik wil zelfs proberen u duidelijk te maken, dat in de riten van de mis de door mij beschreven fasen van het solotoneel voorkomen: De priester heeft heen en weer gelopen. Nu staat hij midden voor het altaar en buigt voor God. Dan draait hij zich om en spreekt het “pax vobiscum”, het vrede zij u. Wel beseft is het echter niet de priester, die zijn vrede geeft, het is God, die zijn vrede geeft. De priester heeft zich, door zich om te wenden, a.h.w. in de plaats van Jezus, die voor hem God is, gesteld. En wie zal zeggen, dat daarmede niet een deel van de goddelijke vrede werkelijk aan een ieder, die meeleeft, wordt uitgestraald? Dit alles is afhankelijk van de vraag of de priester een goede magiër is. Waarmede wij op een typisch punt zijn gekomen. Wij kunnen nu dus zeggen, dat de goede magiër en de goede toneelspeler in hun werking praktisch identiek zijn, met dien verstande, dat elke goede magiër dus ook een goede toneelspeler moet zijn, maar dat niet elke goede toneelspeler van zijn wijze van werken zozeer bewust is, dat hij ook een goede magiër genoemd kan worden.

Wat ons tot het laatste deel brengt van mijn betoog. U zult wel beseffen dat, wanneer wij dit alles zeggen, en daarbij zelfs aan kunnen tonen, dat deze dingen wel ergens waar zijn – waarom immers anders de toneeltherapie voor bepaalde geestelijk gestoorden – er regels en punten te trekken zijn uit het voorgaande. Indien men namelijk niet meent, dat er innerlijke werking uitgaat van het acteren, kunnen wij ons niet voorstellen, dat men een toneeltherapie zou gebruiken. De resultaten hiervan wijzen uit, dat hierdoor de geestelijk niet-gezonden  geconfronteerd worden met een innerlijke werkelijkheid en als gevolg daarvan meer normaal gaan reageren.

Nu kan men stellen, dat wij in onszelf de werkelijkheid ook net zo gemakkelijk kunnen vinden. In het onderbewustzijn bestaat deze werkelijkheid echter wel degelijk als een kenbaar geheel. Indien wij tegenover onszelf optreden als een soort psychiater van de goede soort,   ontstaat het volgende beeld: Men zoekt net zolang tot in het onderbewuste de werkelijke oorzaken en fouten gevonden zijn. Zodra de patiënt de fouten ziet, beschouwen kan, is de neurose reeds voor een groot deel verdwenen. Het slijt, en na enige tijd bestaat het dwangbeeld e.d. niet meer. Een magiër doet in wezen ongeveer hetzelfde, alleen werkt hij in en met zichzelf. Hij stelt: Ik ben deel van de kosmos, ik ben deel van God, het Licht, alle dingen zijn ook in mij, ik ben niet alleen maar een reiziger op de weg, ik ben ook de weg, de levensboom. Ik ben een levende verbinding tussen chaos en vorming, tussen Licht en duister. In mijn wezen ben ik één met Hem, Die is.

Omdat ik dit ben, kan ik voor mijzelf elk deel gaan zoeken in mijzelf. Ik kan door te acteren, door te dramatiseren, te zoeken, op deze wijze dus, in mijzelf iets voor mijzelf waarmaken. Zodra het waar is, ben ik op dat punt één met God, één met het Hogere.

Heb ik gezag in de wereld van de geesten en demonen, heersers van planeten of wat dan ook als gevolg hiervan verworven, dan zal ik hiermede aan de eeuwige waarden in mijzelf nog beter uiting kunnen geven.

Wat voor een magiër wel mooi is. Maar voor een gewoon mens of een geest, zoals ik, rijst onmiddellijk de vraag: Wanneer ik gaven en macht bezit, wat zal ik daarmede dan doen? Heeft de magie voor mij als eenvoudig wezen ook zin?

Het antwoord luidt: In het bovenvermelde opzicht zeker. Datgene, wat ik met volle overgave en overtuiging, daarbij het andere in mijzelf even vergetende, uitbeeldt, maak ik waar. Ik doe daarmede belangrijke ervaring op. Ik ontdek mijzelf, maar ook mijn innerlijke kracht, mijn vermogens. Ik kan hierdoor dus mijzelf wekken tot een hoger begrip. Er is geen sprake van een kracht van buiten, die mij dit alles schenkt. Het is werkelijk een begaan van de innerlijke weg.

Door het uitbeelden van de verschillende mogelijkheden en waarden kan ik in en van mijzelf aanvaarden, wat tot dan toe voor mij onaanvaardbaar of ondenkbaar was.

De mens heeft gezag. Hij bezit een wilskracht, waarmede hij veel kan bereiken. Hij bezit zelfs een stralend vermogen op verschillende gebieden, dat groter kan zijn dan de normale kracht van de eigen bewoners van een dergelijk gebied of sfeer. De mens bezit een vermogen tot willen, dat sterker is dan de wils mogelijkheid van elk wezen, dat niet op dezelfde moeizame manier van het eerste half-eiwit is opgeklommen tot een complex en van zich geheel bewust organisme, met al zijn bijkomstigheden en geestelijke waarden vandien. Wanneer de mens gebruik maakt van deze mogelijkheden, zal hij meer kunnen bereiken. Aan dit alles zit echter een maar verbonden: Wanneer je in een toneelstuk jezelf moet spelen, is de kans groot, dat je jouw specifieke en door jou gewaardeerde eigenschappen zo zult overdrijven, dat het geheel een karikatuur wordt en zo als uitbeelding onaanvaardbaar. Wanneer ik in de magie, in de uitbeelding, mijzelf zoek en in de eerste plaats mijn eigen beperkte belangen wil dienen, is het gevaar groot, dat ik mijn rol zal overdrijven. Het gevolg is een karikatuur van het ego, waarbij ondanks het gestelde eigen machteloosheden de boventoon zullen voeren en illusies de plaats in zullen gaan nemen van werkelijke erkenningen.

Dit moet worden voorkomen. De magie is niet het aantrekken van andere gewaden alleen, het is het tijdelijk werkelijk tot een ander wezen worden. Alle magische riten, maar ook de riten en geheimen van bv. een theosofische loge – die officieel de magie verwerpt of ten minste minder aangenaam en aanneembaar vindt – berusten op het zelfde principe. Het principe een ander te zijn, een deel van eigen ik waar te maken, waarvan men eigenlijk tot dan toe nog geen begrip had en dit zo bewust te doen, dat een terugkeren met kennis, kracht en vermogens in de oorspronkelijke toestand van Zijn mogelijk zal worden. Het is dus niet de bedoeling, dat men blijvend en geheel verandert door de gevolgde procedure, maar eerder, dat men met deze verworven inzichten, gaven en mogelijkheden in het normale bestaan als het geheel van eigen ik verder actief zal zijn. En dit kunt ook u.

Elke mens kan dit. Wanneer u gewoon bidt en daarbij knielt, is dit reeds een soort ritueel. Wanneer dit knielen alleen maar een kwestie van gebruik, gewoonte is, zal het niets zeggen. Maar indien uw knielen, zoals het eigenlijk hoort, een jezelf neerleggen op het altaar van de Almacht als offer leggen inhoudt, dan zal het gebed een magische betekenis krijgen en in u werken. Het zal dan in u een kracht en zelfs een weten kunnen worden. Wanneer je alleen maar voor de vorm probeert beleefd en netjes te zijn, zul je innerlijk onbeleefd en onverdraagzaam blijven als te voren. Op het ogenblik, dat deze beleefdheid niet meer wordt gezien als iets, wat je dan maar doet, maar probeert tot een deel van je leven te maken en haar beschouwt als een deel van persoonlijk zijn, waarin alle verdraagzaamheid en elegantie, flux de bouche naar het eigen ik toehaalt en tot werkelijk deel van het ik maakt, zal men de dingen, die men uit beleefdheid doet, moeten menen. Maar dan krijgt men ook meer mogelijkheden: Doordat men in de uitingen zichzelf vergeet, zal men bepaalde inhibities eveneens gaan vergeten. Men blijft zichzelf, maar gedraagt zich toch lichtelijk anders en beseft voor alles ook, wat beleefdheid kan betekenen – voor anderen en voor het ik. Wanneer men zich eenmaal heeft aangewend op deze wijze een bepaald deel van het ik naar voren te schuiven, zal men daarvan in het dagelijkse leven steeds meer gebruik gaan maken om eigen stemmingen en mogelijkheden aan te passen aan de behoeften van het ogenblik. Het leven wordt hierdoor zeer veel gelukkiger en harmonischer, terwijl de geestelijke waarde van het alledaagse bestaan hierdoor voor het ik sterk toe zal nemen.

En dit zijn nu nog maar heel eenvoudige voorbeelden. Iets ingewikkelder wordt het volgende. U houdt zich bezig met filosofie en komt begrippen tegen, waarmede u geen raad meer weet, die voor u onbegrijpelijk zijn. Dan stel je de kernwaarde van het probleem, geeft het een naam – die past natuurlijk – en zegt eenvoudig: Dit ben ik. Je handelt dan, schrijft bv. vanuit dit nieuwe standpunt een verklaring aan jezelf. Het gevolg is, dat je begrijpt, dat je beleeft, wat de waarheid is hierin. Je erkent een eigen waarheid en zult bemerken, dat in vele gevallen een siddering, een soort trilling, je beroert. Daarna zeg je eenvoudig tegen jezelf “dank je” en wordt weer je normale ik. Maar wat je beleefd en gedaan hebt tijdens het spelen van de “rol” vergeet je niet meer. Alle gedachten en inzichten, die je zo hebt verkregen, zijn blijvend de jouwe geworden. Je kunt de stellingen, die onbegrijpelijk waren, opeens plaatsen en begrijpen.

Daarom, vrienden, zeg ik nogmaals, dat toneel en inwijding veel gemeen hebben, terwijl menige inwijding berust op het bewuste gebruik van de eigenschappen van datgene, wat wij bij gebrek aan beter toch maar goed toneelspelen zullen noemen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • U noemde namen, die mij niet bekend zijn. Kunt u die nader verklaren?

Dit lijkt mij overbodig, daar het namen zijn, die in de literatuur over deze dingen bekend zijn en die ik juist daarom heb gebruikt in mijn voorbeelden. Indien het u interesseert, kunt u daarover dan ook meer en uitvoeriger lezen, dan ik in een kort ogenblik u kan duidelijk maken. Wat de uitbeelding betreft, zijn deze namen overigens niet eens zo belangrijk. U kunt wat mij betreft, net zo goed een kracht van de natuur uitbeelden of de komst van Dionysos, Petrus verbeelden of voor Paulus spelen, als u maar een ding beseft: Het opgaan in het andere betekent een afstemmen van het ik in zijn geheel op dit andere en kan hierdoor een verrijking van het Ik met de waarden of een deel van de waarden van het andere betekenen. Dit was het belangrijkste. Wat de gegeven namen en voorbeelden betreft, er zijn anderen, maar je moet nu eenmaal kiezen.

  • U merkte op, dat de theosofische loge met magie niet veel opheeft. Waarom?

De theosofie is in haar wezen nogal dogmatisch. Zij gaat daarbij uit van een te schoolse uitlegging, zelfs van de werken van Blavatsky zelf. In deze werken vinden wij wel degelijk aanwijzingen, die op de magie betrekking hebben. Maar dit zou een aanvaarden van een ander systeem naast het eigene inhouden. Het gevolg is, dat men magie daar steeds als zwart of duivels beschouwt en niet begrijpt, dat de werkelijke magie en het werkelijke begrip, die in dit magische werken is gelegen, geheel gelijk is aan de processen, die Helena Blavatsky in verband mot zichzelf beschrijft over haar Indische periode – ik meen vooral de tijd te Poona. Dit is nu eenmaal zo. Men beschouwt magie als de mogelijkheid dat aantasting van eigen systeem of geloof zal plaats vinden. Dat zien wij ook in de kerken en toch heb ik u zojuist er nog op gewezen, dat veel van de riten die zij gebruiken in wezen magie zijn.

Het trof mij echter als eigenaardig, dat de theosofische loge, die toch ook bepaalde inwijding gebruiken kent, een groot lichaam is, en vele mogelijkheden en krachten bezit die met de magie direct verwant zijn of zelfs als magisch werken en denken gebruikt kunnen worden, juist de magie zelf verwerpt en aan de waardevolle principes daarin, die zij toch ook zelf pleegt te gebruiken, eenvoudig voorbij gaat. Ik vond dit eigenaardig, van daar de opmerking, die overigens met het onderwerp zelf niet veel te maken had.

  • U sprak over een geleidegeest en de mogelijkheid daarmede in contact te komen, maar bent daaraan verder voorbij gegaan. Hoe zit dat?

Ik sprak over de beschermgeest, waarvan de geleidegeest een vertegenwoordiger kan zijn. Ik maakte daarbij de opmerking, zij het indirect, dat wij met deze beschermgeest, die van hogere hiërarchische waarde is dan de geleidegeest, die meestal een overgegane is, een zekere verwantschap bezitten, zodat wij door een toneelspel, waarin wij bepaalde hogere waarden van het ik uitbeelden, zoals wij die zien, ook met deze beschermgeest in harmonie kunnen komen en zo meer bewust en van onze kant uit contact op kunnen nemen. Indien men deze beschermgeest zelf wil voorstellen, zal hiervan een beeld, een voorstelling moeten bestaan. Dit is echter niet zo moeilijk als het schijnt, omdat elke willekeurige voorstelling, die wordt verbonden aan het begrip van die beschermgeest en de beste waarden in eigen ik, in het begin bruikbaar is en wijzigingen van de voorstelling voort zullen vloeien uit de eerste pogingen, tot een redelijk juiste voorstelling van de beschermgeest binnen menselijke termen bereikt wordt.

  • Men kan natuurlijk deze weg bewust bewandelen, zoals u deze ons hebt afgeschilderd. Maar is het niet zo, dat een groot deel van de mensheid bewust of onbewust toneel speelt en een deel van zichzelf vertolkt. De meeste mensen doen immers een masker voor?

Ik meende ook hierover reeds het een en ander gezegd te hebben, o.m. bij het voorbeeld over hoffelijkheid op straat. Daarbij lag de nadruk, zoals u zich zult herinneren, op de overgave, de vergetelheid van het ander, waarmede men die rol speelt. Ik wil daarom hieraan alleen nog toevoegen dat degene, die een rol onbewust speelt, wel het gespeelde voor zich ten dele waar maakt, maar er daarom nog niet bewust mee kan werken. Het is juist het bewust acteren, het bewust op je nemen van het andere, het tot het andere worden volgens eigen wil, dat de grootste bereikingen, de grootste verrijkingen van eigen bewustzijn en wezen tot stand brengt. Hierdoor ontstaat namelijk begrip, kracht en macht als een actief door het ik te gebruiken en te beheersen deel van eigen besef, en in het andere geval zullen dezelfde waarden wel aanwezig kunnen zijn in het ik, maar alleen hij toeval – dus accidenteel en niet door eigen willen en bewust streven – tot uiting kunnen komen. Het verschil is dus zeer groot.

En hiermede is het tijd geworden om het onderwerp afteronden. Ik heb tot mijn vreugde bemerkt, dat het onderwerp u wel boeide. Ik hoop ook, dat u eens met andere ogen voortaan naar opera, operette en toneel zult kijken. En vraag u dan eens af, wat het op u voor uitwerking zou hebben, wanneer u, al was het maar voor een paar uren, een dergelijk type of karakter zou zijn, als daar wordt uitgebeeld. Dit op zich is vaak reeds een gehele opvoeding in de psychologie en bevat daarnaast in meerder gevallen zelfs een opvoeding in de geestelijke wetenschappen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie

In dit tweede deel van de bijeenkomst wil ik nog eens spreken over een onderdeel van het eerste onderwerp, indien u mij dit toestaat. Ik had namelijk gedacht om eens, in de ruimte zin, te spreken over: Het astrale Licht.

Voor vele mensen, die van de geestelijke waarden toch wel iets afweten, zijn zowel de astrale sfeer als het astrale licht nog ietwat raadselachtig. Daarom allereerst een definitie van de astrale sfeer.

De astrale sfeer is een fijn materiële wereld, die geen eigen bezielingen kent, maar waarin vormen kunnen ontstaan aan de hand van gedachten vanuit andere werelden. Dergelijke vormen kunnen bezield worden door wezens, die in andere werelden of sferen mede bewust bestaan. In zekere zin ligt dus de astrale wereld tussen de wereld van de mens en de zuiver geestelijke sferen. Wanneer wij nu spreken over het astrale licht, zo zal het duidelijk zijn, dat wij het hebben over een inwerking, die vanuit een andere sfeer ingrijpt in de astrale wereld. De astrale wereld kent immers geen eigen licht, geen eigen duister, geen aan eigen sfeer gebonden bezielingen. Daarom moeten wij het ogenblik, dat er licht in de astrale sfeer is, dit niet alleen als een verschijnsel beschouwen, maar ook als een activiteit. Het is niet alleen maar een kwestie van: Hier is iets zichtbaar, en daar is alleen maar duisternis, maar eerder een kwestie van een actie van een bewust wezen uit een andere wereld, wanneer er licht kenbaar wordt, onverschillig of het licht of duister betreft. Licht is in de astrale wereld een actie, die staat t.o. de inertie der verdere sfeer, en verbreekt dus de weerstandsloosheid van de normale, neutrale toestand der sfeer tegenover de vormen, die daarin bestaan.

Als je een vergelijk wilt gaan maken, kun je misschien als volgt een voorstelling geven die de astrale werkelijkheid enigszins benadert. Wanneer ik een wereld heb met een atmosfeer, die geheel in rust is, zal zij voor eenieder, die daar leeft, slechts de normale weerstand betekenen.

Indien ik nu in die atmosfeer een tornado wek, zal een ieder, die vanuit de gebruikelijke rust de tornado binnengaat, zich reeds onbehagelijk gevoelen. Reeds in dit geval zal degene, die de storm betreedt, over veel doorzettingsvermogen moeten beschikken en een werkelijk dringende reden daartoe bezitten. Dit is echter nog niet alles. Wij moeten aannemen, dat de tornado bepaalde bestanddelen doet opwervelen – bv. een bijtend zuur – waardoor mensen daar eenvoudigweg niet doorheen kunnen gaan, omdat zij, voor zij de storm ook maar halverwege doortrokken hebben, reeds tot geraamten geworden zijn.

Dit klinkt spookachtig. Maar stel u nu eens voor, dat ik het Goddelijke Licht in mij zelf ken. Ook wanneer ik mij daarvan geen afzonderlijke voorstelling meer maak, zal, zolang ik daarmede in harmonie ben, het een deel van mij uitmaken. Het is een straling, die overal van mijn wezen uitgaat, ook op astraal gebied. Dat betekent dus, dat het Goddelijke Licht zich als een kracht in deze sfeer rond mij zal manifesteren. Maak ik nu een astrale reis, dan is dit Licht voortdurend rond mij. Het verlicht mijn weg en doordringt een deel van de mij omringende wereld. Een demon, een wezen van duister, kan de trillingen van het goddelijke of zelfs maar witte Licht niet doorstaan. Zij hebben door het verschil in harmonische waarde voor een dergelijk wezen een soort corrosieve werking, waardoor het wezen bij een langer contact, zover het zijn astrale vorm en bestaan betreft, in zijn bestanddelen ontbonden zou worden. Deze ervaring is zeer pijnlijk en wordt ook in de eigen werkelijke sfeer door de vorm bezielende entiteit ervaren.

Om het dus eenvoudig te zeggen: Een demon, die in het witte Licht of het goddelijke Licht zou doordringen, terwijl zich dit astraal manifesteert, zou op astraal vlak daarmede zelfmoord plegen. Het gevolg hiervan is, dat het witte Licht op het astrale vlak zo iets als een absolute bescherming betekent. Daar kunnen alleen wezens en vormen in binnen dringen, die hun origine vinden in werelden of sferen, waarin dit witte Licht eveneens een bestanddeel van het leven vormt en aanvaard wordt. Bovendien zullen zij geen disharmonie mogen tonen of bezitten met de drager, de oorzaak van het Licht in het astrale gebied.

Nu bestaan er niet alleen vele gradaties van het Goddelijke en Witte Licht in de astrale wereld.

Wij kennen daar eveneens het z.g. duistere of zwarte licht. Indien u dit vreemd klinkt, moet u beseffen, dat in alle werelden en sferen dezelfde verschijnselen bestaan, maar dat zij in elke sfeer of wereld zijn aangepast aan de toestand, die de sfeer of wereld bepaalt. Dezelfde kracht, die wij in het goddelijke aanspraken als het verblindende of witte Licht, zal dus ook in de duisterste sfeer aanwezig zijn, maar dan in de vorm van het diepst actieve duister wat je je maar denken kunt.

Het is dus een activiteit, die met het licht te vergelijken is en voor een duisterling dan ook elk verschijnsel en elke actie binnen het bereik van deze straling kenbaar zal maken, zoals het licht ons doet “zien”. Indien ik nu het duistere licht zou bezitten en uitstralen, zal elke actie, die het witte Licht omvat, zich voor mij binnen dit zwarte licht wel kunnen manifesteren, maar slechts door een isoleren van eigen werking t.a.v. het zwarte licht; kenbaar making is er dus wel, maar werkelijk contact met behoud van beide afzonderlijke waarden, niet mogelijk. Het is te vergelijken met een contact tussen materie en antimaterie: er volgt een enorme explosie. En van de oorspronkelijke materiedelen blijft niets over. Wat blijft is een vorm van kracht, die zowel aan de materie als de antimaterie verwant is, maar aan hun vorm en mogelijkheden vreemd zal zijn. In beide gevallen kun je dus zeggen, dat een sterke concentratie van het Licht een zekere vorm van isolement geeft, dat alleen door gelijkgerichte en harmonische krachten doorbroken kan worden.

Daarmede zijn wij er echter nog niet. Zoals u weet, kan licht in vele schakeringen voorkomen.

Wanneer wij spreken over het Witte Licht, dan bedoelen wij in feite in de astrale wereld een actie, die alle positieve mogelijkheden volledig in zich omvat. Spreken wij over het diepzwarte of duistere licht, dan geven wij hiermede eveneens een straling of actie aan, die alle negatieve acties in zich omvat.

Wij kunnen in beide gevallen uit het geheel echter een deel van de acties lichten en in het bijzonder doen gelden. Nu heeft u waarschijnlijk reeds vele malen horen spreken over de diverse stralen, de krachten, die daarmede verbonden zijn e.d. Op het ogenblik, dat nu bv. het blauwe licht in mij actief is, zal ook dit via mijn wezen door mij weerkaatst worden in de astrale wereld. Maar dit blauwe licht geeft alleen t.a.v. kennis en wijsheid onaantastbaarheid. Op elk ander terrein ben ik dus wel degelijk aantastbaar, het duister, dat zich wil manifesteren, zal in harmonie moeten zijn met de wijsheid en zal dus waarheid moeten spreken, daar elke onwaarheid een zelfvernietiging zou kunnen betekenen. Elke poging om mij op andere wijze te benaderen of mij tot een zelfmisleiding te brengen, die niet op een leugen gebaseerd is, zal mogelijk blijven en zelfs het blauwe licht in waarde kunnen doen verminderen of zelfs doen verdwijnen als deel van mijn innerlijke waarde en uitstralingen. Ook al is het blauwe licht actief, zo zal elke aantasting van mijn wezen en waarden, die niet op misleidingen en onwaarheden gebaseerd zijn, mogelijk blijven.

Zo kan men van elke “kleur” van het Licht zeggen, dat zij een beperkte onkwetsbaarheid verschaft. Werkelijk geheel, veilig en beschermd is men dus alleen, wanneer het werkelijke witte Licht, of nog beter het verblindende Licht – ook wel Goddelijk Licht – door harmonie en aanvaarding van mij uit kan stralen. Nu is de astrale wereld een ontmoetingsgebied voor alle werelden en sferen, die maar denkbaar zijn. Binnen deze eigenaardige fijne materie kan namelijk elk wezen, ongeacht hoe of waar het in werkelijkheid bestaat, zich een vorm opbouwen, zich uiten. Er bestaat in deze sfeer wel een persoonlijk tijdsbegrip, maar geen absoluut geldend tijdsbegrip, terwijl de ruimtelijke begrippen van voorstellingen en niet van feitelijke afmetingen of afstanden afhankelijk zijn.

Je kunt dus in de astrale sfeer alleen door een gedachte van de ene wereld naar de andere wippen. Een bezoek aan de maan is bij wijze van spreken een gedachte in plaats van een langdurige tocht of het overbruggen van een grote afstand. Het waarnemen van meerdere plaatsen, die bv. in de stof ver van elkander verwijderd zijn, is eenvoudig en gelijktijdig mogelijk in de astrale wereld, doordat wij eenvoudig vergeten, dat er tussen deze plaatsen een afstand ligt en ze eenvoudig direct naast elkaar en binnen ons waarnemingsbereik situeren. Een reizen in de astrale wereld en een werken in deze sfeer, ook al is dit voor ongeschoolden vaak erg gevaarlijk, heeft dus wel degelijk zijn nut en zin. Als dit voor ons in de Lichtende sferen of voor u op uw eigen wereld, geldt, zo zal dit ook het geval zijn voor degenen, die in het duister leven. Je hebt dus te maken met een soort wereld, waarin je het beste en het slechtste vlak naast elkaar kunt ontmoeten, en hebt nu zelf een bewustzijn, waarin goed en kwaad ook vaak vlak naast elkaar liggen. Dan zijn deze dingen dus mogelijkerwijze in die wereld gelijktijdig kenbaar en geuit voor het ego aanwezig. Om te voorkomen dat je door dat ene, wat wel in je kan leven en bewustzijn bestaat, maar niet past bij je streven, overweldigd zou worden, is het dus wel zeer belangrijk over astraal werkzaam Licht in jezelf te beschikken als bescherming.

Ik mag aannemen, dat dit alles te begrijpen is. Het is duidelijk, dat het voor de mens dus een zeer belangrijke ontdekking is, wanneer hij constateert, dat hij dit Licht bezit. Heb je dit Licht, dan kun je het geheel van de verschijnselen in de astrale wereld, zover het jou betreft, aanpassen aan je wezen en streven. Je kunt a.h.w. het goede selecteren. Omdat de astrale wereld van aard materieel is, zij het dan, dat deze materie en haar verhoudingen op een wat andere wijze bestaan dan in uw wereld, zal al datgene, wat in de astrale wereld geschiedt, voor u in eigen stoffelijke wereld ook materiële gevolgen hebben. De overheersing van alle vorm door gedachten zal voor de werelden van de geest daarnaast betekenen, dat elke wereld, waarin gedachte als vorm of differentiatiebeschrijving nog bestaat, eveneens door de astrale wereld zal kunnen worden beïnvloed, daar elke variant van vorm een variant van ervaren en dus denken met zich kan brengen. Indien je beschikt over het juiste Licht, kun je dus voorkomen, dat werkingen, die voor jou niet aanvaardbaar zijn, vanuit de astrale – wereld naar je persoonlijkheid of wereld afvloeien. Daar staat tegenover, dat alles, wat wel bij je past, wat wel binnen dit Licht aanvaardbaar blijft, als een werkelijkheid astraal kan worden beleefd, maar gelijktijdig waarden inhouden zal, waardoor het ook als werkelijkheid in eigen wereld manifesteerbaar is.

Zo wordt de grote vraag, naar ik meen, wel: Hoe kom ik aan dit Licht? Dit is een reden om het astrale Licht nog wat nader te gaan bezien. Astraal Licht is de weerkaatsing van de innerlijke gesteldheid, die op een bepaald ogenblik binnen het denken en besef van een wezen bestaat. Het komt dus, ongeacht zijn bron of oorzaak, altijd van binnen uit. Hoe bepaalt men als mens dan zijn gerichtheid en innerlijke gesteldheid? Hiertoe zeggen wij: Het innerlijke Witte of Goddelijke Licht omvat het totaal van het menselijk zijn voor de mens. Voor een ander wezen kan het dus andere of nog andere waarden omvatten. Wanneer de mens zich één gevoelt met de mensheid en als bewust deel van dit geheel tegenover de godheid treedt, zal het geheel van het oerwezen mens en alle bewuste delen daarvan het Witte Licht bezitten. Zolang het begrip van dit zich confronteren met de godheid als deel van een geheel bewaard blijft in het ik, zal het ik dit Licht blijven uitstralen.

Daar alleen het bewustzijn van de confrontatie met God – niet de feitelijke doorleving daarvan in geheel voor het bestaan van het Licht – in het ego noodzakelijk is, kunnen andere acties worden volbracht, terwijl dit besef in het Ik blijft bestaan. Liggen deze acties op astraal gebied, dan zal de bescherming, waarover wij spraken, dus een feit zijn.

Het treden voor God lijkt misschien moeilijk. Maar hier komen wij weer op het terrein van de zuivere esoterie: Je bent als eenling machteloos tegenover God, de natuur, alle grote geweld. Alleen, als zelfstandig ego, ben ik een machteloos wezen. Maar ik ben in het geheel van de mensheid, waarvan ik deel ben, door mijn mogelijkheden tot samenwerking en harmonie, een machtig wezen. Wanneer ik mijzelf als machteloos wezen offer aan het machtige, aan het geheel, zal ik aanvaard worden door, en mij opgenomen weten, in het machtige. Zodra ik mij opgenomen gevoel in het geheel en toch mij van mijzelf als deel van dit geheel bewust blijf, zal de macht, van dit geheel in mij en door mij tot uiting kunnen komen. Hoe groter dus mijn begrip van eenheid, hoe perfecter ook mijn innerlijke overgave als eenling aan het geheel zal zijn, hoe grootser en lichtender de kracht zal zijn, die in mij en vanuit mij bestaat, hoe groter ook de machten en waarden zijn, die ik kan aanschouwen en beseffen.

Dit is een eenvoudige waarheid, die voor velen moeilijk tot uitvoering lijkt te brengen. Toch kunt u wel eens een paar pogingen in die richting wagen. Daarom de volgende regels:

  1. Zolang je jezelf belangrijker vindt dan iets anders, zul je moeilijk iets kunnen bereiken. Tracht eigen onbelangrijkheid daarom te beseffen.
  2. Ook in eigen onbelangrijkheid heeft men voor zich nog waarde. Offer deze zondervoorbehoud en draag haar over aan het hogere, het machtige, dat u erkent. Gevoel dit zo mogelijk als een verlies van tijd en ruimte, een ogenblik waarin de gedachte zelf alleen maar de weerkaatsing van iets groters is.
  3. Indien een dergelijk contact gevoeld is en men keert weer tot het normale bewustzijn terug, dient men te stellen, dat deze toestand voortdurend aanvaard wordt en het offer van eigen ik in het grotere wordt gecontinueerd of verder normaal.

Hierdoor bereikt u tot het ogenblik, dat u weer geheel zelfzuchtig reageert, dat u deel bent van het Licht.

image_pdf