Transcendentalen

14 november 1967

Twee van de belangrijkste aspecten in wat men geestelijke ont­wikkeling pleegt te noemen zijn contemplatie en meditatie. Beide be­rusten op concentratie.

Concentratie wil zeggen: een eenzijdig punt van besef, beschou­wing in zich zelve stellen en alle daaruit voortkomende associaties daarmede verbinden of tot het oorspronkelijke punt herleiden.

Wanneer wij dit doen in meditatief verband, dan zullen wij in alle dingen, die ons bewustzijn betreden, de waarde zoeken die het punt van meditatie uitmaakt. Denken wij over lijden, dan zal elke asso­ciatie dus in zich worden onderzocht op lijden. Denken wij over vreug­de, precies hetzelfde.

Bij een contemplatie beschouwen wij één enkel punt. En bij de beschouwing van dit enkele punt zullen wij elke associatie herleiden tot dit punt, waarbij dus de contemplatie in zekere zin een zelf­analyse geeft. Misschien kan ik dit met een klein voorbeeld duidelijk maken:

Ik beschouw een roos. Van deze roos dwalen mijn gedachten af naar een gracht. Waarom? Is hier een naamassociatie, Rozengracht bv., dan moet er meer zijn. Waarom juist deze gracht? Welke betekenis heeft de roos voor mij? Wat is de overeenkomst in deze twee? Heb ik deze gevonden, dan verdwijnt het beeld a.h.w.; het versmelt met de waarde van de beschouwde roos.

Maar hiermede heb ik gelijktijdig in mijzelf bepaalde, schijnbaar niet met elkaar samenhangende, facetten van besef herleid tot één waarde. Op grond hiervan kunnen wij zeggen, dat ook buiten alle magi­sche en esoterische praktijken om zowel voor de geest als voor de stof contemplatie zowel als meditatie belangrijke punten zijn. Zij voeren nl. tot een wereldinterpretatie via de meditatieve weg en een zelferkenning via de contemplatieve weg.

U zult zich afvragen, waarom ik deze punten aansnijd na al het­geen wij de vorige maal gezegd hebben. Ik ben ervan overtuigd dat de doorsnee mens niet voldoende de techniek van contemplatie en medita­tie doorheeft. Er zijn wel enkele disciplines, die de mens die daarmee harmonisch is hiertoe kunnen brengen. Maar de meeste mensen willen wel mediteren of contempleren, maar zij kennen de procedure niet en zij weten niet wat er verder mee verbonden is. Nu wil ik in deze les proberen u iets weer te geven van de achtergrond, de waarde, de be­tekenis, de procedure ook van contemplatie en meditatie en daarom wil ik uitgaan van concentratie.

Je concentreren is een geboeid zijn. Men kan zich niet wille­keurig concentreren. Concentratie is alleen mogelijk, wanneer men in zich een verwantschap voelt met hetgeen waarop men zich concentreert. Waar een vervaging van belangstelling optreedt, is het onderwerp waarop men zich richt eigenlijk vervaagd en dwaalt men rond in de om­geving, maar zonder plan en zonder betekenis. Daarom stellen wij dat bij elke vorm van concentratie het nodig is dat wij:

De concentratie op zichzelf als noodzakelijk beseffen.

Opgaan in hetgeen waarop wij ons concentreren.

Een resultaat van onze concentratie verwachten.

Dit laatste is heel belangrijk. Wanneer u een willekeurige concentratieproef doet, zal deze in 9 van de 10 gevallen mislukken. Zij heeft immers geen bepaald doel, ze heeft geen achtergrond. En ofschoon de mens leeft in een wereld, die 9/10 waan is (zoals een vriend van mij het zo schoon uitdrukte: het bestaat uit kleine eilanden van bewust­zijn in een oceaan van het onbekende), zo moeten wij toch proberen om a.h.w. onszelf verbonden te voelen met de dingen. Zonder die verbon­denheid is er niets. En onze verbondenheid komt voort uit een gevoel van noodzaak, waar angst of begeerte achter kunnen schuilen (directe angst, directe begeerte) of een gevoel van eenheid. Deze grondslagen zijn dus wel van belang.

Een mens, die willekeurige concentratieproeven gaat nemen, zal in 9 van de 10 gevallen verkeerd uitkomen. Zelfs wanneer hij de concentratie bereikt, zal hij daaruit weinig of geen resultaat putten en hij zal tot zijn verbazing ontdekken, dat hij niet altijd en – zullen we zeggen willekeurig – onder dezelfde condities dezelfde concentra­tie bereikt. Het is dus voor u zeer belangrijk dat u altijd, wanneer u zich wilt concentreren, daarvoor een reden hebt.

Wanneer die reden met uw wezen harmonisch is, dus als aange­naam, nuttig of bevorderend voor het ik wordt ervaren, zoveel te be­ter, zoveel te sterker zal uw concentratie zijn, zoveel te groter zijn de resultaten, die u daarvan kunt verwachten.

Bij deze concentratie treedt dus hetzelfde kokereffect op, dat wij ook hebben gezien bij een geloof. Ook hier een vernauwing van het bewustzijn, een concentratie van alle kracht in het ik op één punt. Maar nu niet omdat wij ons gedoemd voelen alleen dit ene na te streven, maar omdat het op dit moment noodzakelijk is (of nuttig of aan­genaam) om ons geheel daarop te richten. Dat betekent dat een oneven­wichtigheid, door concentratie ontstaan (wanneer deze doelmatig is althans), niet voert tot een eenzijdige ontwikkeling, daar haast auto­matisch een behoefte aan compensatie ontstaat en daarbij een gelijk­soortige intensiteit of concentratie in andere richting voortvloeit uit de eerste poging.

Eenvoudige methode van concentreren:

Zoek iets, waarin u kunt opgaan. Zoek dus een doel, waarmee u zich verbonden weet.

Probeer niet kunstmatig alle dingen uit te schakelen, maar zeg een­voudig tegen uzelf, dat ze onbelangrijk zijn. Wanneer afwijkingen in de concentratie optreden, stoor u daaraan niet. Wanneer u geen aan­dacht wijdt aan deze verstoringen, zal blijken dat hun belangrijkheid zeer gering is en dat u steeds weer de draad a.h.w. kunt opnemen, waar u hem een ogenblik moest laten vallen.

Wanneer u zich wilt concentreren, moet u nooit beginnen met din­gen, die ver af zijn of die te groot zijn. Het is mooi om te zeggen: concentreer je op God. Maar God is zodanig veelomvattend dat een werkelijke concentratie hier niet mogelijk is. Wanneer ik iets wil van God, heb ik een doel en dan is concentratie wel mogelijk. Dus zoek het dichtbij. Concentreer u op kleine taken. Tracht uw tijdsbewust­zijn, uw persoonlijk bewustzijn uit te schakelen. Wanneer u werkt in concentratie, moet u niet bewust trachten te denken. Is het arbeid, laat die arbeid zo automatisch mogelijk verlopen. Is het denkwerk, wees zoveel mogelijk ontspannen, maar beperk u tot het punt, waarop u zich concentreert.

Nog een laatste aanwijzing, die velen van u misschien kan helpen: Concentratie is onder alle omstandigheden mogelijk, wanneer wij de buitenwereld en de eventuele noodzaken van de wereld buiten ons zelf niet als storing ervaren. Noodzaken kunnen harmonisch worden ingepast in het patroon van concentratie zonder dat zij storen, wan­neer wij ons niet gestoord voelen.

Hier hebt u dan een klein grondschema dat ieder voor zich natuurlijk zal moeten proberen en uitwerken.

Misschien is het aardig hierbij te vermelden dat – mits de juiste vorm van concentratie gevonden wordt – de relatieve waarde van tijd zeer sterk op de voorgrond gaat treden en wij in de meeste gevallen (niet in alle) een aanmerkelijke versnelling van eigen re­actie in het concentratiepunt zullen waarnemen t.a.v. het buiten dit concentratiepunt als norm geldend tijdsbesef. U werkt dus vlugger, rationeler.

Nu moeten wij dus met dit gericht-zijn meditatieve overwe­ging proberen te ontleden:

Een meditatie kan van elk willekeurig punt uitgaan, dat zal u duidelijk zijn. Maar wanneer ik mediteer moet ik daarmee een doel hebben. Alweer: gerichtheid. Mediteren over het lijden der wereld is dwaasheid, tenzij ik bv. dit lijden wil verhelpen of desnoods mij in die wereld juist wil oriënteren. Van mijn standpunt uit is de meest juiste methode van meditatie eigenlijk gebaseerd op je ei­gen behoefte.

Elke mens wil zich op enigerlei wijze graag verbonden weten met het leven, met de krachten van het leven, met de mensheid rond hem, misschien met de geest. Wanneer u deze verbondenheid nu als doel neemt voor uw meditatie, kunt u vanuit elk willekeurig onder­werp vertrekkende dit gevoel van verbondenheid verwerven. Dit im­pliceert dat de meditatie een zekere vereenzelvigingsfactor heeft. U gaat u één voelen met datgene, waarover u mediteert. En wanneer de concentratie groot genoeg is, zult u uw persoonlijke interpreta­tie (belangrijk is dit!) van hetgeen in de ander gebeurt in uzelf ervaren. Hierdoor wordt vanuit eigen standpunt maar ook in eigen levensbetekenis het begripsvermogen verruimd en wordt ook het ei­gen reactievermogen aanmerkelijk vergroot.

Door meditatie kan men ook komen tot een juister reageren onder normale omstandigheden. Indien u een voorbeeld wilt, zo geef ik u er een:

U wilt bv. mediteren over de goddelijke Liefde. De goddelijke Liefde is onvoorstelbaar. Maar er zijn in het leven zeer veel dingen waaruit wij het gevoel krijgen: Er is iemand, die van je houdt; er is iemand, die voor je zorgt. Ontleed in uw meditatie deze aspecten. Tracht u voor te stellen hoe die elders zouden kunnen bestaan. Dan krijgt u een begrip van wat voor u goddelijke Liefde betekent.

Het is niet belangrijk welke vormen hierbij optreden, op welke wijze men zich die dingen voorstelt. Belangrijk is dat de verbondenheid er een is vanuit het ik met het geheel. Door deze vorm van meditatie krijgt men dan ook het gevoel van bemind worden en dit in de juiste, in de goede zin van het woord. Dus niet als een egoïsme, maar een op­genomen zijn in iets wat goed voor je is. Dit gevoel geeft dan weer zekerheid en kan tot een zekere krachtbron worden.

Bij de meditatieve processen leren wij onze wereld dus beter zien. Wij leren die wereld niet kennen zoals zij is voor zichzelf, maar ons eigen wereldbeeld wordt helderder, gedetailleerder en ons opmer­kingsvermogen wordt gescherpt. Hierdoor zullen wij een meer omvattend wereldbeeld verwerven dat ons in staat stelt op die wereld ook van­uit ons eigen wezen en vermogen juister te reageren.

Ik wil hier wel één waarschuwing geven. Het is mij bekend dat sommige mensen via meditatie trachten begrip voor anderen te verkrij­gen. En zij zijn geneigd hun interpretatie van die ander, zoals zij hem beleven, te zien als de werkelijkheid van die ander. Maar u kunt nie­mand – uitdrukkelijk niemand – werkelijk geheel kennen. U kunt iemand beleven, maar niet kennen. Daar dit kennen niet mogelijk is, is ook een redelijke interpretatie van het meditatief erkende in het leven van de ander nimmer mogelijk. Het is een bepaling van uw verhouding tot de ander, niet van de feitelijke en persoonlijke waarde van de ander.

Dan willen wij natuurlijk ook de contemplatie nu nader bezien. Ik heb u reeds gezegd dat de meditatie ons de wereld doet zien, ter­wijl de contemplatie ons terugbrengt tot onszelf.

In het beschouwen der dingen zal de veelheid ons verwarren. De veelheid van het geobserveerde maakt het ons onmogelijk te begrijpen, wat wij met elk punt afzonderlijk in verbinding plegen te brengen. Maar het menselijk denken, het stoffelijk denken, bestaat uit een grote reeks van associatieve processen, waarbij de verbinding (de associatie­verbinding) vaak niet bekend is.

Verder bestaat er de geestelijke voorgeschiedenis, die wij ge­makshalve hier maar omschrijven als vorige incarnaties. Ook deze heb­ben een bepaalde nadruk gelegd op belevingen en daardoor een voorkeur voor bepaalde associaties geschapen.

Nu heeft in het leven al wat wij zien voor ons niet alleen een feitelijke, maar daarnaast een symbolische betekenis. Het is een feit buiten ons, maar in onszelf is het gelijktijdig een complex van in ons bestaande belevingen, herinneringen, angsten, begeerten en wat dies meer zij. Het zijn juist deze associatieve aspecten, die onze reactie op de wereld vaak bepalen.

Wil ik mijzelf leren kennen, dan kan ik door mijn beschouwing te beperken tot één enkel voorwerp of één enkel punt ervoor zorgen, dat bijkomstige associaties niet zo snel optreden. Ze zullen er wel zijn, maar ze liggen op de achtergrond. Ik ga dus leren wat een bepaald iets voor mij is als symbool. Ik ga leren welke angsten, welke begeerten, welke gedachten en welke herinneringen voor mij daaraan verbonden zijn. Maar dan zal ik voortaan ook in staat zijn om meer be­wust mijn eigen houding te bepalen, daar ik nu wéét op welke wijze ik reageer op die dingen.

Hierdoor kunnen de mensen in de eerste plaats zichzelf bevrij­den van heel wat dwangverschijnselen. Juist het niet erkennen van de associatie geeft je vaak een gevoel van gebondenheid, van gedwongen zijn. Je begrijpt niet wat je altijd weer in die richting oriënteert. De contemplatie helpt je dit te begrijpen. Wie zichzelf redelijk leert begrijpen, wie althans ongeveer zijn eigen oriëntatie benaderen kan, kan ook de waarde van de wereld beter beseffen. Hij kan ook de bete­kenis en inhoud van zijn eigen daden veel beter begrijpen.

Om een contemplatief proces te beginnen hebben wij – evenals trouwens bij meditatie – een reden nodig. Ik kan niet gaan contempleren zonder een doel. Mijn gerichtheid (wederom het kokereffect) bepaalt nl. de wijze waarop ik associeer.

Nu nemen wij een bloem. Die kan ik mij natuurlijk in gedachten voorstellen, maar dat is moeilijk. Waarom zou ik niet eenvoudig voor mij een bloem neerleggen en wel zodanig, dat zo weinig mogelijk andere dingen in mijn gezichtsveld kunnen komen. Mijn blik omvat in wezen de bloem en verder iets neutraals, bv. een grijze of zwarte achtergrond. Ik ga nu naar die bloem kijken met een bepaald doel. Ik heb dus een reden. De associaties treden op. Ik herleid alles tot de bloem. Steeds weer.

Wat ik heb gedaan in dit associatieve proces is bewust ge­schied. Het is dus niet een geestelijke, maar het is een mentale ac­tie. D.w.z. dat de gevormde associatie ook later grotendeels kan wor­den teruggevonden. Heb ik dit gedaan, dan kan ik desnoods met hetzelf­de voorwerp en een ander doel opnieuw beginnen. Dan blijkt, dat mijn as­sociaties anders zijn.

Wanneer u een aantal aspecten in uw leven hebt, in uw geeste­lijk leven voornamelijk, die u voor het ik belangrijk vindt, dan zou het dus aanbeveling verdienen om bij contemplatie over te gaan tot de be­schouwing met verschillende doelstellingen van één en hetzelfde object. Doe dit echter niet achtereenvolgens – dit werkt verwarrend -maar met zekere tussenpozen.

Het proces zelf:

Zet u ontspannen neer. Ontspannen zijn betekent niet “gemakkelijk” zijn volgens de menselijke normen. Het betekent slechts dat u het gevoel hebt, dat u in deze houding uzelf kunt vergeten.

Zorg dat datgene, wat u gaat beschouwen (en neem daarvoor in het begin niet een gedachtenbeeld maar een stoffelijk iets) zodanig; voor u is geplaatst, dat u het zonder moeite kunt zien. Probeer niet met open ogen te blijven staren. Het knipperen van uw ogen is geen bezwaar. Het is zelfs goed; het is noodzakelijk voor uw ge­zichtsvermogen. Maak u geen zorgen erover, wanneer u een ogenblik lang het voorwerp niet meer ziet; of wanneer uw ogen een ogenblik gesloten blijven. Zolang u het beeld voor ogen houdt, is dit vol­doende.

Wanneer uw gedachten gaan dwalen, moet u zich daartegen niet ver­zetten, maar associeer ze voortdurend met het beeld. Tracht wat u beschouwt (of het een bloem is, een kiezelsteentje of wat anders) in verband te brengen met uw gedachten. U zult ontdekken dat u daar­voor soms enig speurwerk moet doen. Voelt u zich hierdoor niet onaange­naam getroffen. Ga rustig verder. Wanneer u bent teruggekeerd tot het punt van beschouwing, gaat u rustig verder met alleen in u op­nemen.

Misschien een aanwijzing, die voor velen prettig zal zijn: Stel u voor dat u een fototoestel bent, dat een tijdopname maakt. U hebt niets anders te doen dan dit beeld in u op te nemen. Het doel waarmee u contempleert hebt u aan het begin vastgesteld. Ja, het is vóór de contemplatie, vóór het u neerzetten zelfs aanwezig. Wij be­hoeven ons daarmee dus niet verder te vermoeien. Deze gerichtheid ligt in het totaal van de contemplatie vast. Elke nieuwe associatie wordt verwerkt.

Er komt een ogenblik van vermoeidheid. Dit ogenblik van ver­moeidheid moet de eerste maal overwonnen worden. Dus niet zeggen: Nu ben ik moe, ik kan niet meer. Probeer even door te zetten.

De volgende reeks associaties omvat vele dingen, die u dacht vergeten te zijn en vele herinneringen, die u niet thuis kunt brengen, die u vaak beschouwt als inspiratie. Tracht ook voor deze het verband vast te stellen. Wanneer de tweede vermoeidheid begint, beëindig -voorlopig althans – uw contemplatieproef, uw meditatieproef.

Dit laatste is belangrijk, omdat u – eenmaal getraind zijnde – vaak 4 of 5 van deze fasen van vermoeidheid zonder meer kunt overwin­nen. In het begin echter is de eenzijdige gerichtheid en het overwin­nen van de eerste vermoeidheid voor u meer dan voldoende.

Wanneer u uw contemplatie beëindigd hebt, blijf even ontspannen rusten. Laat uw gedachten dwalen of niet dwalen, interesseer u er niet voor. Slaap desnoods een ogenblik. Zoek daarna lichamelijke arbeid. Al gaat u maar in uw tuintje spitten of stofzuigen of iets anders. Licha­melijke arbeid. Op deze wijze heeft de contemplatie dus een volledige zelferkenning gebracht – zij het in een enkel aspect van het ik – en kan men door het voortdurend bezig blijven ermee langzaam maar zeker eigen beweegredenen en eigen reacties begrijpen.

Nu zult u denken dat hiermede een beheersing van het ik moge­lijk is. Dit is niet waar. Ook erkende associaties en reacties zullen blijven optreden en kunnen niet altijd door de wil worden beheerst. Maar dat is ook niet zo belangrijk.

Wanneer wij alles met de wil beheersen, moeten wij onszelf maar al te vaak geweld aandoen. En jezelf geweld aandoen heeft alleen zin, wanneer het om zeer belangrijke zaken gaat. Daarom raad ik u: Leef normaal verder. Probeer niet uw persoonlijkheid of uw wezen te ver­anderen. Maar omdat u weet waaruit de reactie voortkomt, kunt u heel vaak juister reageren volgens uw eigen wezen, dan u anders gedaan zou hebben. U kunt heel vaak het onverwachte van uw eigen reactie voorko­men en daarmede zij het niet een beheersing van de reactie zelf, dan toch wel van haar effect tot stand brengen.

Dit is naar ik meen voldoende over deze contemplatie.

Ik heb u dit voorgelegd, omdat wij in de esoterie zowel als in de magie behoefte hebben aan een wereldinterpretatie, die bewust en zo scherp mogelijk omschreven is (vandaar meditatie); en daarnaast een kennen van de associatieverschijnselen, die in ons ik optreden.

Esoterisch, omdat wij hierdoor eenvoudiger een onderscheid kunnen maken tussen de niet tot ons bewuste ik behorende krachten en hetgeen tot het bewuste ik behoort. De dingen, die vanuit de we­reld geïnduceerd kunnen zijn en de dingen, die zonder kenbare oorzaken of redenen in ons ontstaan.

In de magie, omdat wij kunnen vermijden magische activiteiten te ontplooien, waarbij ongewenste en ook voor ons gevaarlijke associaties kunnen optreden. In de magie zal ik natuurlijk alles vermijden, waarin ik ontdekt heb dat er voor mij angstverschijnselen verborgen zijn. Zelfs wanneer ik ze ken en ze dus eigenlijk wel kan weerstaan, zullen ze mijn vermogen om kracht uit te stralen, velden te genereren, met entiteiten in contact te treden, belemmeren.

Eenieder, die voor zich een ontplooiing wenst – hetzij esoterisch hetzij magisch – zal verder rekening moeten houden met zijn eigen werkelijke mogelijkheden.

Dat laatste vindt u misschien vreemd. Er zijn dingen, die u on­mogelijk noemt, zonder dat zij dit in feite zijn. Er zijn dingen die u mogelijk acht, terwijl zij in wezen niet mogelijk zijn. Dit vloeit voort uit uw wijze van de wereld zien. Uw omgeving, uw opvoeding, de geldende moraal, de geldende gebruiken, de u ingeschapen wetten (of beter gezegd: ingehamerde wetten) spelen alle een rol.

Wanneer ik weet wat mogelijk is, kan ik ook zeggen wat daar­van de gevolgen kunnen zijn. Wanneer ik zeg: Het is mogelijk volledig te handelen zoals ge wilt. Dan vloeit daaruit voort dat u dus alle bindingen met de wereld en ook alle rechten, die u aan die bindingen ontleent t.a.v. de wereld, terzijde zult moeten stellen. Een redelijke overweging wordt mogelijk, nietwaar? Maar die redelijke overweging is meteen weer een aspect, waardoor ik voor mijzelf kan gaan kiezen wat voor mij juist is: mijn reële mogelijkheid zoeken; mijn werkelijke doel kennen; weten welke associaties er voor mij bestaan in mijzelf t.a.v. doel en onderwerp en mijn eigen interpretatie van de wereld in dit verband kennen.

Hierdoor ben ik nog niet meester van mijzelf, maar wordt mijn selectief vermogen in de wereld aanmerkelijk groter. En wanneer ik zeg “de wereld”, dan omvat deze voor mij zeker niet alleen de zicht­bare aspecten. Er zijn onzichtbare aspecten, die gaan van verborgen gevoelens tot hoog-geestelijke waarden, krachten en taken. Al deze dingen zijn: de wereld. Met al deze dingen moet ik werken.

En of ik nu begeer anders te zijn dan ik ben, ik zal daardoor nog niet veranderen. Maar indien ik weet wat ik ben, weet wat ik wil, weet wat de mogelijkheden zijn, dan kan ik uit mijn mogelijkheden en de werkelijkheid rond mij die dingen voor mijzelf waar maken, die met mij harmoniëren. Ik kan voor mijzelf innerlijke spanningen voor een groot gedeelte ontladen. Ik kan voor mijzelf bepaalde problemen in het le­ven eenvoudig opruimen. Ik zal tot de ontdekking komen, dat ik in staat ben om – kiezende uit mijn persoonlijke mogelijkheden mijn per­soonlijke wensen – voortdurend resultaat te behalen.

Het feit dat je iets waar kunt maken, is ontzettend belangrijk. In mijzelf is het belangrijk, omdat ik nu zonder die verwondering, die in feite vaak aan een afwijzing gelijkkomt, de in mij bestaande krach­ten en contacten met hogere waarden kan ondergaan. Omdat ik nu zon­der angst en verweer mijn eigen werkelijkheid kan aanvaarden, zoals ik die innerlijk erken. Maar ook, omdat ik nu bewust uit de vele krachten rond mij die krachten kan gaan activeren, waarmee ik harmonisch ben, waarmee ik iets bereiken kan. En hoe groter mijn zekerheid, hoe ge­ringer in verhouding mijn inspanning. Hoe groter dus ook mijn reserve, wanneer ik meer moet doen of verder moet gaan.

De kunst van esoterische bewustwording en magische bereiking is in feite een zodanige reserve behouden bij het volbrengen van de gestelde taak, dat men meer kan doen dan in wezen geëist wordt. Dat men meer kan weerstaan dan men meent te moeten weerstaan. Dat men net iets meer kan verdragen dan men voor zichzelf als grens had ge­steld.

Het voortdurend in staat zijn, juist – al is het maar een heel klein beetje – verder te gaan dan je zelf mogelijk achtte, geeft je op den duur de natuurlijke, met zelfvertrouwen verzadigde benadering van het Al, waarin een contact met God niet meer angstig wordt ver­wacht, maar als een natuurlijk deel van eigen wezen wordt aanvaard en gerealiseerd. Het geeft ons een zelfvertrouwen, waardoor wij niet eerst gaan overwegen hoeveel beslissingsmogelijkheden er zijn, maar -kiezende uit ons eigen wezen – onmiddellijk datgene waar maken, dat juist is.

Geloof mij, in uw contact met de geest, in uw gebruik van gees­telijke krachten zowel als in uw contact met de mensen, is het vermo­gen om onmiddellijk te beslissen van het hoogste belang. Ik weet wel dat u dan een enkele keer een fout zult maken. Maar als u dat beetje reserve hebt, kunt u zelfs uw fouten ten goede keren. En dat is het meest belangrijke.

Een mens, die niet in zichzelf bewust is geworden, die niet aan zichzelf voortdurend heeft gewerkt, zal ergens tekort blijven schieten, zowel in de esoterie als in de magie. En daarmede is mijn eigenlijke les geëindigd.

Toch heb ik nog enkele losse opmerkingen, die ik hier te berde wil brengen.

Ik verwacht niet van u dat u onmiddellijk zult gaan mediteren en contempleren zonder meer. Maar de meesten van u doen dit weleens. Ik verwacht wel van u dat u de gegeven les in u opneemt en dat u wanneer u mediteert of contempleert, rekening houdt met hetgeen ik u gezegd heb.

Ik hoop dat de meesten van u hetgeen omtrent concentratie naar voren werd gebracht, in de praktijk regelmatig zullen willen beoefe­nen. Het is niet alleen praktisch en mogelijk, maar het is bovendien zeer vruchtbaar voor uw geestelijke ontwikkeling en uw materiële mo­gelijkheden.

Wanneer u de drie lessen die u nu hebt gehad, beziet, zult u misschien daarin wel wat droge materie vinden. U zult er wel dingen in vinden, die u eigenlijk niet aanstaan. Waarom zou u niet eens proberen uitspraken, die u bijzonder treffen, tot onderwerp van uw contemplatie te maken? Schrijf ze met grote letters, gemakkelijk lees­baar neer. Herhaal ze 5 tot 10 maal voor uzelf en overweeg de bete­kenis. Tracht alles tot die zinsnede te herleiden. U zult dan in deze lessen de voor u persoonlijke les, de voor u speciaal geldende indices vinden. U kunt zo in een labyrint van woorden de weg vinden, die voor u belangrijk is.

En nog een laatste punt: Laat u niet te veel ontmoedigen door een veelheid van woorden. Wanneer u een paar maal die meditatieoefening hebt gedaan, wanneer u een paar maal gecontempleerd hebt over bepaalde spreuken of zinsneden uit deze lessen, dan zult u ontdekken dat u in staat bent om bijna 9/10 van de woorden, die in zo’n schrif­telijke les staan, weg te strepen. Doe dat rustig. Wat overblijft is de voor u belangrijke lering. En met deze lering kunt u uw eigen eso­terische bewustwording vergroten en zult u daarnaast – gezien ook de lessen, die nog zullen volgen – een zekere beheersing krijgen, van in­nerlijke krachten, die men magie pleegt te noemen.

Na de pauze krijgt u een spreker, die – naar ik aanneem – be­paalde meer magische aspecten voor u zal belichten. Het is een gast­spreker van de Raad der Kruisheren, een geassocieerde broederschap binnen de Witte Broederschap. Ik voor mij hoop, dat u ook deze les weer aandachtige studie waardig zult keuren; en dat u zich niet zult laten afschrikken door moeilijkheden of zelfs de verveling, die u soms kan besluipen.

Magie

Wanneer je komt spreken met de mensen, zijn er altijd een paar moeilijkheden. In de geest leef je wat anders en daardoor denk je ook wat anders dan de mens. Als ik het goed begrepen heb is het de bedoe­ling dat ik u vanavond het een en ander vertel over wat samenhangt met de magie, met het wonder.

Mirakelen gebeuren nog steeds. Het wonder is eigenlijk nooit een tegennatuurlijk gebeuren. Het is het samentreffen van omstandig­heden. En wanneer wij op die manier gaan kijken naar de grote religies, naar de grote waarheden van het leven, dan worden wij eigenlijk altijd weer getroffen door het feit dat precies op het juiste moment de juiste mens ontstaat, dat die mens de juiste taak vervult, de juis­te woorden vindt.

Het zijn 10.000 kleine dingen soms die samenwerken tot iets, waarvan je geen definitie kunt geven. Te zeggen dat de geboorte van Jezus een wonder is, is tot op zekere hoogte juist. Maar dan behoe­ven we dat niet te zoeken in iets, wat buiten de natuur omgaat. Het is het samentreffen van al die verschillende gebeurtenissen zoals: Maria als voertuig; Jozef; een oproep van een caesar, die juist op dat moment actief wordt; het feit dat er juist in Bethlehem geen plaats meer is; en al die dingen meer. Het wonder is een samentref­fen van omstandigheden.

Maar die omstandigheden zijn altijd met ons. Wij leven altijd in een wereld, waarin ongetelde mogelijkheden ontstaan; en enkele van die mogelijkheden worden waar. Maar de meeste van de mogelijkheden laten wij voorbijgaan. Wij zien ze niet, of vinden ze niet belangrijk, of onze gevoelens laten het niet toe, of iets anders. En wanneer u nu het we­zen van de magie wilt karakteriseren, dan zou ik eigenlijk willen zeg­gen: Het wezen van de magie is uit alle bestaande mogelijkheden die sequentie, die opeenvolging kiezen, die het begeerde resultaat brengt. En dat is eigenlijk het hele wonder.

Er zijn mensen, die vertellen dat een wonder bv. Is, een zeer snelle genezing van een zieke. Wonderbaarlijk snel, in een enkel uur. Maar is dat wel zo wonderlijk? Het is helemaal niet wonderlijk, wanneer je je gaat realiseren dat, wat de mensen tijd noemen, in feite maar een kwestie van bewustzijn is. Het is uw manier van denken en meer niet. En wanneer wij dus het denken kunnen veranderen, kunnen wij de waarde van de tijd veranderen. De genezing vindt plaats in een kort ogenblik, gerekend tegenover de wereld, maar het proces is een normaal genezingsproces.

Dan zegt men: Ja, maar er zijn ongeneeslijke zieken en die kun­nen toch ook genezen. Inderdaad. Maar een ziekte is niet ongenees­lijk, omdat ze niet te genezen is. Zij is ongeneeslijk, omdat men niet weet hoe haar te genezen. Maar in de cellen van elk lichaam ligt de wetenschap omtrent die genezing. Die cellen zijn mogelijkheden.

Wanneer ik het bewustzijn van het lichaam, het eigen besef kan activeren op de juiste manier, dan blijkt ook de ongeneeslijke ziekte opeens te genezen. En dan kunt u dat een wonder noemen, een mirakel, maar het is alleen maar het kiezen van de juiste elementen. Dan moet je dus alles, wat met magie en magisch denken samenhangt, eigenlijk eerder omschrijven als een besef van omstandigheden en mogelijkheden.

Nu is dat in de geest heel wat eenvoudiger dan bij u op aarde, omdat onze wereld eigenlijk de projectie is van wat wij zijn. Wat in die wereld bestaat, dat kennen we. En wanneer wij iets, wat buiten ons bestaat, opnoemen in ons eigen besef, dan is het eigenlijk voor die tijd deel van onszelf geworden.

Een mens denkt daar anders over. Een mens leeft anders. Maar is de mens daarom anders? De mens is toch ook een geest? Wanneer je kunt leren in je eigen besef, in je eigen bewustzijn alle mogelijkheden op te nemen als deel van jezelf en uit een besef van jezelf bepaalde mogelijkheden in actie te brengen, dan kun je wonderen doen.

U denkt nu misschien dat ik hier ben gekomen om u een hand­leiding te geven voor het bedrijven van magie. Vergis u niet. Er zijn zoveel mensen, die aan magie ten onder gaan dat het niet erg goed en netjes van mij zou zijn om u nu hier te gaan leren hoe je magie moet bedrijven. Want mensen, die zich met magie bezighouden, denken dat ze meer zijn dan een ander. Of ze denken dat ze meer macht hebben dan een ander. Maar dat is helemaal niet waar. Want wat u bent op dit moment, zoals u leeft, zoals u denkt – ook de dingen, waarover u dan liever niet met anderen praat – zijn in feite de wereld van het wonder. Dat is de magische wereld.

Wat ons altijd weer tegenhoudt bij het realiseren van het won­der, dat is ons eigen besef. Ons eigen besef stelt grenzen; dit kan niet of dit mag niet. En onmiddellijk houden onze mogelijkheden op.

Of wij willen eenvoudig de kleine dingen niet zien, omdat wij alleen naar de grote lijnen willen kijken. Maar de kleine dingen bou­wen de grote lijnen. Elke lijn bestaat uit een oneindig aantal punten. Wanneer ik een aantal punten besef, die samen de lijn voldoende weer­geven, dan kan ik ook de weg uittekenen van het ene punt tot het an­dere, nietwaar? En dat kunt u ook. Maar dan moet je voelen voor het kleine.

Een van de meest typerende dingen van het christendom (en neem me nu niet kwalijk dat ik daarover praat, maar daar weet ik nu toevallig wat meer van en ik leef daar nog enigszins in, al is dat niet meer een kerkelijk christendom) is toch wel de waarde van de kleine dingen. Waarom bv. een geloof als een mosterdzaadje? Waarom de grote waarden van het leven nu eenvoudig terugbrengen tot een rentmeester met een paar talenten? Dat zijn allemaal van die dingen, die zo eenvoudig zijn, zo vlak bij huis. Of bv. het licht, dat je niet onder de korenmaat mag zetten? (Iets wat ook uit diezelfde tijd stamt, in samenhang met hetzelfde bijbelse denken) Omdat uit het kleine het wonder is opgebouwd.

Alles wat u magie noemt en wat u groot ziet en miraculeus is niets anders dan het kleine, maar nu bewust gekozen, bewust gegroe­peerd.

Ik heb eens iemand meegemaakt, die naar God zocht. Nu zijn er heel veel mensen, die naar God zoeken; en er zijn er maar weinigen, die Hem vinden. Ze vinden vaak wel een projectie van zichzelf. Maar de Eeuwige Kracht vinden is erg moeilijk.

Deze mens was werkelijk eerlijk aan het zoeken. Maar hij keek altijd maar naar het oneindige. Totdat hij op een moment zo vermoeid was, dat hij rond zich keek. En het vreemde was, dat hij toen God zag in de kleine vibraties van kleine entiteiten in die sfeer, waarin hij rustte. Zoals je misschien je kunt voorstellen, dat iemand die naar de hemel kijkt geen begrip heeft van oneindigheid. Maar als hij dan kijkt naar een hoop zand voor zijn voeten, dan het begrip oneindig­heid begint te begrijpen. Hij ziet alle korrels en hij weet dat ze on­telbaar zijn en dat ze toch een vorm hebben. En zo komt hij tot het besef oneindig.

Kijk, dat is nu eigenlijk het hele magische denken. Zoek het nooit zo ver weg. En zoek het ook nooit in een verwijdering van je eigen bestaan.

Het typerende is dat Jezus nooit tegen iemand heeft gezegd: verander jezelf. Hij heeft wel gezegd: volg mij. Maar hij heeft niet gezegd: je moet een ander worden. Hij heeft de mensen die hem wilden volgen wel gezegd: Denk erom, het overbodige moet je weggeven. Maar hij heeft nooit gezegd: je moet anders worden.

Misschien dat daarin wel de verklaring ligt van het feit dat de mensen in deze dagen de wonderen en de mirakelen niet meer zien. En dat ze ook voor zichzelf niet meer het gevoel hebben dat ze het wonder kunnen doen. Ze kijken altijd weer naar dingen, die ver weg lig­gen en niet naar wat dichtbij ligt.

Als u naar uzelf ziet en uw eigen denken (en dat mag dan mis­schien nog bekrompen zijn zo nu en dan), als u kijkt naar al die kleine dingen, die kleine wensen en die kleine gebeurtenissen, waaruit uw leven is opgebouwd en u ziet wat daarin voor mogelijkheden schuilen, mogelijkheden die u nog niet hebt waargemaakt misschien, dan weet u ook hoe de dingen haast wonderdadig kunt gaan veranderen.

Ik kan u deze dingen niet allemaal precies vertellen. Ik heb u al gezegd: het is voor mij moeilijk om de waarden, waarin ik nu leef, te transponeren op uw vlak en binnen uw begrip. En misschien dat ik faal, wanneer ik op deze manier probeer om het begrip van het wonder te benaderen. Maar ik heb de behoefte toch wel om – nu ik eenmaal tot u spreek – ook te communiceren, om werkelijk iets mee te delen en niet alleen maar een vage stem uit een andere wereld te zijn.

De kern van beseffen is eigenlijk liefde. En dat is heel eigen­aardig. De dingen, die je onverschillig laten, zie je niet, die be­leef je niet en daar weet je ook eigenlijk geen goed gebruik van te maken. Maar daar, waar je een aanhankelijkheid, een verbondenheid hebt gevonden (of dat nu in het materiële is of in het geestelijke, of dat geldt voor een enkel voorwerp misschien of voor vele mensen), daar ga je de kleine dingen zien.

Liefde is niet alleen – dat weet u allemaal wel – seks; integendeel, zou ik haast zeggen. Seks is ten hoogste een aanvulling van liefde, maar nimmer de essentie. Liefde is eigenlijk het volledig aanvaarden van iets. Het in je opnemen. Wanneer u ergens een prulle­tje hebt waarvan u werkelijk houdt (omdat het van moeder is geweest, omdat het zo lang in de familie is), dan wéét u hoe dat eruitziet, dan kunt u op elk ogenblik dat ding voor uzelf a.h.w. scheppen. En wanneer er iets aan verandert, al is het nog zo weinig, dan ziet u dat.

Op dezelfde manier moet je eigenlijk het leven liefhebben. Iemand, die geen liefde heeft voor het leven, die dat leven met al zijn onvolmaaktheden, en al zijn mogelijkheden en volmaaktheden ergens opzij probeert te schuiven of iets beters wil, die kan het leven niet zien. Die ziet de mogelijkheden niet. Die weet er geen gebruik van te maken. Die is magisch blind. Die kan niets doen.

Denk niet dat ik u de liefde wil aanbevelen of afraden. Hele­maal niet. Ik wil u ten hoogste de liefde voor het leven aanbevelen. En het leven is heel vaak – dat weten we allemaal – een proces van veranderingen. Zodra wij ons tegen die verandering verzetten, ont­staat er een vervreemding. Dan kunnen wij weinig meer doen in die wereld. Maar op het ogenblik dat wij het leven liefhebben, juist om­dat het verandert, juist omdat het steeds weer ons de noodzaak geeft om nieuw te denken, nieuw te handelen en nieuw te reageren, dan wordt onze belangstelling a.h.w. zo groot, dat wij mogelijkheden zien, die er vroeger schijnbaar niet waren. En daar ligt dan het wonder.

Wij verwachten altijd weer het wonder van buitenaf. Veel mensen stellen zich magie voor als het verbond met een machtige geest, die dan op het verzoek van de magiër of misschien via een contract vol­brengt wat deze mens zelf niet kan. Je brengt het naar buiten toe. Je wilt het buiten jezelf zetten. En dat is nu juist het enige, wat niet gaat.

Maar wanneer je het leven liefhebt en je ziet de mogelijkheden, die erin schuilen en je hebt in dat leven werkelijk belangstelling, dan ga je niet alleen grijpen naar de dingen die je ziet, dan ga je grijpen naar de dingen die je aanvoelt. Dan reageer je vaak bij een keuze ge­leid door een innerlijk weten (in wezen een affiniteit, die door de aanvaarding is ontstaan); en uit die affiniteit kies je dan, activeer je. En dan wordt het onmogelijke vaak mogelijk, wanneer je er tenminste zelf geen grenzen aan stelt.

Ik geloof vrienden, dat dat voor de meesten van u eigenlijk de moeilijkheid is. Denken in het onbeperkte, in het onbegrensde, is zo gemakkelijk. Want dan leef je in de eigen wereld, net als wij in de geest. En dan kun je de details scheppen en vervormen, je kunt ze projecteren, je kunt met je fantasie wonderen bouwen, maar … je kunt er niet in geloven. Als mens staat er een wereld buiten je. En het wonder dat je 1000 maal in jezelf droomt, maak je daarmee niet waar, omdat heel vaak dat innerlijk wonder een verwerping inhoudt van de uiterlijke mogelijkheden.

Kijk, dat leer je nu in onze wereld, het aanvaarden juist van die uiterlijkheden. En die uiterlijkheden a.h.w. tot deel maken van je eigen bestaan, geeft je pas de mogelijkheid iets tot stand te brengen.

En zo is het bij u ook. Wat u innerlijk droomt is allemaal mooi en goed. Maar hoe wilt u er iets mee doen, wanneer u niet buiten uzelf ook iets vindt in die wereld wat u kunt doen. Wanneer u datgene, wat u nastreeft, niet kunt overdragen a.h.w. op de dingen, die naar u meent, buiten u staan, maar die in wezen deel van uzelf zijn, omdat u er actief in bent.

In het christendom bestaan er termen als: het bloed van het Lam; het Lam dat de zonden der wereld wegneemt. Kijk eens, die dingen zijn absoluut onwaar, zoals de mensen ze zien. Wanneer wij dit gaan zien als iets van buitenaf, dan blijft dat gehoopte wonder altijd on­mogelijk. Maar anders beleefd is het wel degelijk waar.

Wanneer ik de figuur van Jezus en al, waarvoor hij staat, niet beschouw als iets wat buiten mij is, de verlosser die tot mij moet ko­men, maar als ik a.h.w. een deel van mijzelf ga zien als de verper­soonlijking van die Jezus, dan breng ik hem binnen mijzelf. En dit be­sef neemt dat eigenaardige gevoel van zonde inderdaad weg.

Het feit dat Jezus gestorven is betekent op zichzelf niet zoveel als men denkt. Maar het feit dat wij die dood kunnen beseffen, als een deel van ons bestaan, maakt het werkzaam. En zo ziet u dat iets wat geloof is, eigenlijk een lege formule wordt, zolang je het buiten je stelt; maar gelijktijdig een miraculeuze, een haast onbegrij­pelijke werkelijkheid, zodra het een deel is van jezelf.

En dat is nu de kern van wat ik u vandaag wilde vertellen. Het kruis is niet alleen het symbool van Jezus’ lijden; het is ook een samentreffen van twee wegen: mijn weg tot wat ik “opwaarts” noem en de weg van de wereld. Pas wanneer kruis en weg één zijn, pas dan kunnen wij van een werkelijk kruis spreken. Er moet een verbinding zijn en een aanvaarding.

Op onze weg ontmoeten wij steeds weer die kruisbalk, die wereld wordt genoemd. En zolang wij deze beschouwen als iets anders dan wij­zelf, zegt ze niets. Maar op het ogenblijk dat wij beseffen versmolten te zijn met die wereld, dan is het kruis ineens een symbool van ver­lossing, éénwording. Niet alleen maar in een summiere uiterlijke zin, maar een aanvaarding als deel van jezelf. Het zien, het zelf zien in alle dingen, dat is het wonder.

Degenen onder u, die elk op hun eigen wijze magie gebruiken en dit meestal anders zullen noemen, beseffen te weinig, dat het de eigen deelname is aan de wereld buiten je, waardoor je je resultaten krijgt. Of u nu arts bent of magnetiseur en een patiënt behandelt met onverwacht goede resultaten; of dat u misschien contact hebt met me­demensen en ontdekt dat de waarde van hetgeen eigenlijk commercieel zou moeten zijn of sociaal, ligt in een wederkerig begrip. Dat daar het andere uit voortkomt. U hebt het begin van magie. Het begin. En u doet meer en u kunt meer dan theoretisch mogelijk zou zijn. Maar ook u beperkt de dingen nog. Beperking, omdat u altijd weer de dingen toch buiten uzelf ziet. Maar mag ik dan misschien proberen u duidelijk te maken, wat zich afspeelt?

Ik zie een mens. Zolang ik die mens alleen zie, kan er wel een uiterlijk contact zijn, maar er is geen begrip. Ik ken dus ook niet de werkelijke kwalen, de werkelijke noodzaken, de werkelijke mo­gelijkheden van die mens.

Maar nu betrek ik die mens voor een kort ogenblik in mijn le­ven met een bepaald doel. Nu ben ik deel van die ander. Al wat in hem aan mogelijkheid is, is mijn mogelijkheid. Zijn kwaal is mijn kwaal. Potentie is potentie. Dus feit is feit. En nu kan ik vanuit mijzelf en in mijzelf die verhouding wijzigen, zo goed als ik voor mijzelf een beslissing neem. En hoe meer ik van die ander besef, hoe meer ik kan doen.

Maar er komt een ogenblik, dat ik met die ander klaar ben. Ik moet misschien verdergaan in het leven; of de omstandigheden wij­zigen zich; of doodgewoon de tijd voor het contact is afgelopen. Dan moet ik die mens opeens weer buiten mij stellen; ik heb er niets meer mee te maken. Wat ik tot stand gebracht heb in die mens tijdens dit gevoel van verbondenheid, dit opnemen in mijn bewustzijn, in mijn den­ken, dat continueert zich. Dus in de ander is nu ook buiten mij een kenbaar resultaat.

Zo neem je elke dag weer ongetelde dingen van het leven in je op: een boom, een plant, een mens, een hond, een hek, ongetelde din­gen. En elke keer wanneer je die verbondenheid voelt, wanneer dat niet meer buiten je staat, maar even a.h.w. een deel vormt van je le­ven, kun je er iets mee doen. Al wat je erin beseft, kun je dus in evenwicht brengen, veranderen, verschuiven, activeren of afremmen. Wanneer je dan verdergaat, laat je dat andere veranderd achter.

Nu denkt u misschien dat dit een verkeerd ingrijpen is. Maar dat is niet waar. Want op het ogenblik dat ik de ander opneem in mijzelf, word ik ook in datzelfde aspect en datzelfde opzicht deel van de ander. Ik verander de ander of het andere; maar ik schep a.h.w. in het andere een besef van waarden of mogelijkheden, die er la­tent aanwezig waren. En daardoor bereik ik het wonder.

Misschien dat u nu begrijpt wat ik bedoel. Wanneer je iemand alleen in je gedachteleven voldoende kunt opnemen, totdat je je één voelt met die persoon, denkt dat je denkt als die ander. Voor jezelf het gevoel hebt dat je elk gebaar van die ander voorvoelt. Of, wanneer het een hek is bij wijze van spreken, dat je voelt waar de roest zit en waar de lak eraf is gesprongen. Dan heb je een zo­danige eenheid bereikt dat mogelijkheden kunnen worden geactiveerd. En het activeren van die mogelijkheden – vaak de kleine dingen – is magie.

En laat u a.u.b. daarbij niet bedriegen door ideeën als tijd en ruimte. Tijd is een concept; iets wat feitelijk is, zolang het als zodanig beseft wordt. Maar op het ogenblik dat mijn besef de tijd uit­schakelt, ontstaat er een tijd die van mij is. En hoe die tijd zich verhoudt tot wat anderen tijd noemen, doet toch niet ter zake.

En wanneer anderen zeggen: “dit is ruimte”, er is een grote afstand en ik voor mij voel die afstand niet, dan is ze er voor mij niet. En dan kan ik dus afstanden en tijden overbruggen. Met de geest zeker. Het zou ook met de stof kunnen; maar daarvoor zou je eerst jezelf en je eigen mogelijkheden moeten kennen en activeren. Met de geest is het al voldoende, want met die geest kan het besef geschapen worden. En met het besef is de erkenning van de kleine dingen mogelijk, die met een verandering een totaal nieuw en voor de buitenstaander onverwacht resultaat brengen: het wonder. En hoe meer je je bewust bent van je eigen beperkingen of de beperkingen van de ander, hoe minder je tot stand brengt.

Daarom is mijn conclusie hier: Leer het leven lief te hebben. Niet als iets wat je voortdurend wilt behouden, maar als een voort­durende aanvaarding van wat tot je komt met geheel je wezen. Beschouw het leven niet als iets, wat buiten je om gebeurt. Beschouw het leven, als iets, waar jij voortdurend kiest, waarin jij voortdurend zelf uitmaakt welke van de mogelijkheden nu vervuld zal worden. En spreek dan niet van toeval, want dat schep je al te vaak ook zelf.

Dan leert u wat de vrijheid is, die men magie noemt. De heer­schappij misschien in zekere zin van het Al, maar dan toch alleen door de onderwerping aan het Al, dat wij zien als onszelf.

Dat is de kern van waar christendom. Het is de aanvaarding zonder verwerping, waardoor mogelijk wordt te wijzigen, tot alles een harmonie vormt.

En wanneer er een harmonie is, zullen we een nieuwe uitdaging vinden. Het christendom staat niet stil in zijn werkelijke zin met één tijd, één land, één mens, één godsdienst, zelfs wanneer het dat Al heeft aanvaard en misschien genezen. Dan zijn er altijd nog weer an­dere onbekende verten.

Zolang er nog iets is dat in tegenstelling staat tot mijzelf, is er dit voortdurende beleven, deze noodzaak tot aanvaarding. Maar ook deze mogelijkheid tot bewust kiezen en activeren, die men magie noemt, wanneer men haar niet meer begrijpen kan.

Nu hoop ik alleen maar dat ik duidelijk ben geweest en dat ik geen misverstanden heb gewekt.

Wat wij in de geest doen zal voor velen van u lijken op magie. Maar wij, die het Licht beschouwen als deel van ons wezen, kunnen al­leen wijzigen door te aanvaarden. Ons werken en ingrijpen is eerst het aanvaarden van het feitelijke, van het andere; en dan – door de erken­ning in onszelf – het scheppen van nieuwe processen.

Uit deze kracht werk ik. En ik ben maar één van velen. Er zijn er, die een hele wereld kunnen, omvatten. En ik kan misschien maar 100.000 man omvatten, maximaal; en dat is niet veel. En er zijn anderen, die misschien maar één enkele mens kunnen omvatten, één enkel stukje van de natuur.

Maar werkende uit het Licht zoeken wij allen hetzelfde tot stand te brengen: het mirakel, het wonder. Dat voor u vaak de onver­wachte samenloop van omstandigheden heet en dat in feite is: de be­wuste keuze uit de mogelijkheden, waardoor de potentie van het Al waar wordt op een harmonische wijze, die een voortdurende ontwikkeling met zich brengt.

Dat is al, wat ik u te zeggen heb, vrienden. Wanneer u iets begrepen hebt hiervan, probeer u dan eens één te voelen – maar dan ook werkelijk één te voelen – met de geest, met de mensheid. En kies dan zelf. U zult zien, dat wonderen nog steeds bestaan.