Trouw

7 oktober 1966

Nogmaals herhaal ik de bekende inleiding: wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Denk dus zelf na.  Trouw is namelijk iets eigenaardigs: je kunt bijvoorbeeld door trouw te zijn aan een medemens gelijktijdig ontrouw zijn aan de gemeenschap waartoe je behoort. Is men door alles trouw aan zijn gemeenschap, zo zal men daardoor meestal weer ontrouw worden aan zijn principes. Natuurlijk zijn er algemeen gangbare opvattingen omtrent trouw, maar gezien de gang van deze tijden is het misschien goed eens na te gaan wat daarin nu wel en wat daarin zeker niet klopt.

Allereerst moeten wij dan maar uitgaan van de meest gangbare opvatting op aarde, waarbij trouw dus een verhouding is van mens tegenover mens. Trouw in vriendschap, huwelijk enzovoort dus. In hoeverre is die trouw een reële waarde en in hoeverre kan zij verkeerd zijn? Ik weet wel dat vele mensen van mening zijn dat een dergelijke trouw nimmer verkeerd kan zijn, maar wacht u alstublieft nog even met uw oordeel. Elke mens heeft een eigen levensweg, eigen innerlijke achtergronden, eigen noodzaken en behoeften. Hij heeft bovenal de taak volgens eigen innerlijk besef te beantwoorden aan de persoon, die hij waarlijk is binnen het goddelijke, aan het totaal van zijn werkelijke persoonlijkheid dus. Op het ogenblik dat men het begrip van trouw tegenover een medemens, in welke relatie dan ook, zó gaat hanteren, dat de innerlijke mens hierdoor in het gedrang komt, zodat de mogelijkheid tot zelferkenning en beleving van het Hogere wordt verminderd of zelfs uitgeschakeld, kan men wel met redenen stellen, dat zij onjuist, ja, schadelijk is. Aan de andere kant geldt, naar ik meen, voor een mens, gezien zijn mentaal besef en zogenaamde geweten, dat hij aan een gegeven woord wel trouw moet zijn. Indien men bewust en overlegd een belofte doet, zo heeft men daarmede een verplichting op zich genomen en zal men die verplichting ook moeten nakomen.

Dient men echter de trouw aan het gegeven woord te interpreteren als trouw aan de letterlijke formule, de geest, de intentie op het ogenblik, dat de belofte werd gedaan dan wel aan enig ander criterium? Bedenk hierbij dat iemand, die een belofte doet en deze steeds geheel letterlijk wil houden, daarmede wel eens resultaten kan behalen, die in strijd zijn met alles, wat degenen, die aan de belofte deelhadden op het ogenblik dat deze gedaan werd, wensten, hoopten en meenden daarin vast te leggen. Het is dus zeker niet in alle gevallen mogelijk zich zonder meer aan de letter te houden. Naar de geest een belofte waarmaken, betekent echter vaak dat men in feite de dingen verdraait, tot zij passen bij de ogenblikkelijke behoeften van degene, die de belofte deed of ontving. Indien een belofte door degenen, die daarbij betrokken zijn, op tegengestelde wijze wordt geïnterpreteerd, is een uitgaan van de geest van de belofte maar al te vaak de bron van veel ellende.

Misschien meent men dat er een andere weg bestaat. Ik zou hier echter willen stellen, in tegenstelling met de gangbare denkbeelden hierover, dat trouw aan gegeven woord, aan een persoon etcetera alleen gelden zal tot opzegging. Zelfs indien in de belofte een termijn was genoemd. Een interpretatie van de aangegane verplichting zal dan altijd letterlijk kunnen zijn. Voeg er dus niets aan toe, laat er ook niets bij weg. Dan weet men beide waaraan men toe is en kent men de werkelijk bestaande mogelijkheden en verplichtingen en zullen misverstanden vermeden kunnen worden. Op het ogenblik dat een letterlijk vervullen van de overeenkomst, belofte etcetera niet meer mogelijk is, zal men deze  tegenover dezelfde persoon(en), moeten vervangen door een andere en duidelijk moeten maken dat men verder niet meer mag rekenen op een vervullen van de eens gedane belofte of aangegane verplichting.

Men moet in staat zijn de aangegane verplichting openlijk op elk gewenst ogenblik terug te kunnen nemen. Wanneer ik bijvoorbeeld trouw zweer aan de koningin (het vaderland) maar tot de conclusie moet komen dat degenen, die het vaderland vertegenwoordigen, degenen, die de koningin de woorden in de mond plegen te leggen, verkeerd handelen, zo is er mijns inziens geen werkelijke vraag of men nu de gedane eed van trouw zal moeten laten prevaleren boven de erkende werkelijke belangen van de gemeenschap. Toch zijn omstandigheden denkbaar, waarin voor een mens dergelijke tegenstrijdigheden tot grote problemen worden. Ik geef u een voorbeeld. Een regering stelt, dat het noodzakelijk en onvermijdelijk is een oorlog te beginnen. De koningin roept de dienstplichtigen en reserves op om hun taak voor het vaderland te vervullen. De persoon in kwestie is nu reserve-officier en heeft dus een eed van trouw afgelegd. Hij beseft echter ook dat de oorlog nooit gewonnen kan worden. Hij beseft verder dat elk bijdragen tot oorlogshandelingen fataal zal kunnen zijn voor de gemeenschap als geheel. Desnoods mag hij daarnaast vermoeden dat het gezag enkele, volgens dit gezag goede redenen heeft om een oorlog te entameren. Indien de trouw een werkelijk vrije en belangrijke zaak zou zijn, zou men die man in de gelegenheid moeten stellen zijn eed van trouw terug te nemen en elk handelen tegen het belang van de gemeenschap te weigeren. Zo echter pleegt men niet te denken. Eerder reageert men: je hebt die eed eens afgelegd, indien je deze nu niet houdt, ben je een trouweloze en een misdadiger. Maar is dit juist?

Indien men de menselijke verhoudingen (ook in dit opzicht) tracht vast te leggen, kan men altijd twee kanten uit. Men kan uitgaan van het individu, met zijn eigen besef en eigen verantwoordelijkheid, die zeker niet ophoudt te bestaan wanneer iemand hem een opdracht geeft of zich beroept op gedane beloften. Dan zal men echter ook moeten aanvaarden, dat de waarde van een gelofte, een eed en dergelijke, betrekkelijk zal moeten blijven en op elk ogenblik opgeheven moet kunnen worden, daar anders het individu niet in staat is volgens eigen begrip van verantwoordelijkheid en eigen inzicht van wat juist is, te reageren. Dit houdt in dat openlijke opzegging voldoende dient te zijn om eenieder van zijn verplichtingen als gevolg van eed en beloften te ontslaan, zelfs indien in de formule van de afgelegde eed of gelofte iets anders werd gesteld.

Men kan echter ook de andere kant uitgaan en stellen: beloofd is beloofd, je kunt niet meer terug en moet trouw zijn aan de letter van je beloften. Dan is het van geen enkel belang meer of een gezag goed of slecht is, of het redelijk of onredelijk handelt. Dan kan men alleen uitgaan van het standpunt dat men door zijn eerste aanvaarding van dit gezag én eventuele eden of beloften, voor altijd gebonden is aan het volgen van dit gezag, dat hierin als wettig gezag alle rechten kan opeisen. In deze tijd hoort men steeds weer stemmen oprijzen, die de tweede benadering van het probleem schijnen te prefereren. Waartoe zal dit echter voeren? Dan geldt waarlijk “Befehl ist Befehl, meine Herren.” Dan betekent dit, dat doodslag, moord, die wordt opgedragen door iemand aan wie ik een eed van trouw heb afgelegd, volvoerd zal moeten worden. Ik heb slechts te volgen, daar ik immers gehoorzaamheid, trouw en dergelijke beloofd heb. Wat natuurlijk, zoals de feiten steeds weer tonen, tot de meest weerzinwekkende situaties kan voeren.

In de wereld tracht men aan deze consequenties nogal eens te ontkomen door bijvoorbeeld te zeggen: u hoeft niet volledig te denken en te doen zoals wij het zeggen. Er zijn echter bepaalde normen waaraan u zich te houden hebt. Er is, nu u het gezag eenmaal als zodanig hebt aanvaard, geen mogelijkheid meer u daartegen te verzetten. Hebt u een staatsburgerschap aanvaard, zo bent u ook verplicht elke tendens, die het bestuur wraakt  (bijvoorbeeld neiging tot kapitalisme) te bestrijden en af te wijzen. Of, elders: men heeft dus elke communist als verrader te beschouwen, daar hij ons systeem en gezag niet zonder meer wenst te aanvaarden. Men meent van de mens trouw aan dergelijke stellingen, voorstellingen en reacties te kunnen eisen. Maar is de mens dan nog werkelijk vrij? Zodra het begrip trouw wordt gehanteerd als een reeks van normen, die ik moet aanvaarden, zelfs wanneer ik verder daarbinnen vrij ben, zo zal zij mij blijven binden. Dit is onjuist, daar hierdoor de vrijheid en daarmede de persoonlijke verantwoordelijkheid teniet wordt gedaan.

Ook in kerken geldt dit. Indien ik in een bepaalde kerk gedoopt werd, zo weet ik zelfs daarvan waarschijnlijk weinig of niets. Toch pleegt men te stellen, dat de mens door deze doop voor het geheel van zijn verdere bestaan lidmaat van die kerk zal zijn en zo onderworpen moet zijn aan de wetten en eisen van die kerk. Dat een kerk zo denkt vanuit zich, is nog wel te begrijpen. Maar op het ogenblik dat die kerk daaraan consequenties verbindt, zoals bijvoorbeeld in Oostenrijk wel gebeurt en in bepaalde staten van Duitsland, wordt de onredelijkheid toch wel kenbaar. Daar immers zegt men: u bent nu eenmaal gedoopt, dus bent u ook verplicht bij te dragen (via kerkbelasting en dergelijke) aan de onkosten die de kerk wenst te maken. Ik vraag u, waar blijft hier de vrijheid van de mens? Hij mag wel nee zeggen, maar moet toch datgene, wat hij verwerpt of zelfs schadelijk acht, bevorderen, in stand houden, hij moet daarvoor betalen. Men meent dat de trouw aan het geloof het mogelijk (zo niet noodzakelijk) maakt een dergelijke houding aan te nemen. Mijn vraag luidt: Vindt u dit nog degelijk, redelijk? U meent dat het redelijk is, wanneer men iemand het recht toekent om hier te zeggen: “Ik geloof daarin niet, ik wens dit niet, dus die aanslag van de kerkbelasting leg ik naast mij neer.”

Maar nu hebben wij een staat. Ik neem nu een absurd voorbeeld. De staat stelt dat elke moderne kunstenaar op kosten van de gemeenschap een eigen atelier moet hebben en een loon moet ontvangen, daar deze kunst het cultureel patroon van de maatschappij kan bepalen. De onderdaan echter meent eerlijk, dat al dat geklodder en gesoldeer met ijzerdraadjes eerder een belediging van de beschouwer en een aantasting van elke werkelijke cultuur is. Mag hij nu ook zeggen: “Ik betaal hieraan niets, ik draag hiertoe niets bij?” Neen. Zelfs indien het gaat om dingen die hij verwerpelijk acht, moet hij betalen. Men komt door zijn weigering in strijd met de staat. Men zal u de gelegenheid ook niet geven om te zeggen: “Ik geef mijn staatsburgerschap liever op dan hieraan mede te werken.” Zou men zoiets ook maar suggereren, dan zou men spreken over ontrouw, verraad aan het vaderland. Men verwacht van u dat u trouw bent aan uw vaderland. Er wordt van u verwacht dat u, omwille van deze trouw, alles aanvaarden zult wat in uw vaderland geschiedt en dat u zich zult voegen naar alle besluiten, die genomen worden, zelfs indien u zelf deze verderfelijk, onredelijk en schadelijk acht.

Laat ons dit nu eens in geestelijke termen omzetten en zien wat het dan betekent? Ik ben trouw aan mijn geloof. Als God mij benadert op een wijze die in mijn geloof niet wordt genoemd, dan zou ik dit contact niet mogen aanvaarden, daar ik mij anders buiten het geloof stel, mijn doopgeloften verbreek. Natuurlijk, toen ik gedoopt, gevormd werd, belijdenis deed, heb ik gezegd dat ik trouw zou zijn aan de kerk en haar wetten én haar geloofsartikelen als enige waarheid zou aanvaarden. Moet ik dan, wanneer God zich mij openbaart, zeggen: “Het spijt mij, God, maar zo mag het niet. Gaat U eerst eens bij de kerk informeren op welke wijze U mij wél moogt benaderen?” Kolder, maar vele mensen zijn als zondaars uit hun gemeenschap gejaagd, geschaad en veroordeeld, omdat zij de moed hadden persoonlijk en niet alleen volgens de kerkelijke regels op God te reageren.

Esoterie is een systeem. De naam doet er niet toe. Nu stelt men daar: om bepaalde dingen te bereiken, dient men bepaalde oefeningen te doen. Om weer een ridicuul voorbeeld te geven: u moet elke avond een kwartier met uw grote tenen kwispelen. Heeft men daar werkelijk resultaat mee, dan valt er niets op te zeggen. Maar men gaat verder en stelt: indien u daarmede geen resultaat hebt, blijkt hieruit, dat u geestelijk nog niet rijp genoeg bent. Zet dus de oefening voort en studeer en mediteer met steeds meer ernst. Stel nu dat ik ontdek, dat ik door met mijn oren te wiegelen, het gewenste effect wél kan bereiken. Dan zegt men: neen, dat mag niet. Het wiegelen met de oren hoort in een andere fase van ons systeem thuis. U bent zover niet en hebt dus zelfs niet het recht dit ook maar te proberen. Doet u het toch, dan blijkt hieruit dat u ontrouw bent geworden aan de beginselen van onze groep, niemand anders dan de duivel kan u hiertoe voeren. Indien u volhardt, zullen wij u uit moeten stoten, eenieder moeten waarschuwen, dat u werkt met demonische machten…. Wat al weer krankzinnig klinkt. Maar dergelijke dingen komen in de werkelijkheid zeer vaak voor.

Men gaat daarbij vaak zelfs nog verder. In vele kleinere en grotere geestelijke groepen blijkt één enkele persoon op te treden als een soort dictator. Men zou hier zelfs terecht kunnen spreken over een soort geestelijk fascisme. Wat deze persoon wenst, zegt, doet, is de enige waarheid. Wil men deelhebben aan de mogelijkheden en geestelijke waarden van een dergelijke groep (en die kunnen ook daar wel degelijk aanwezig zijn), dan moet men dit alles aanvaarden. Zelfstandig denken en handelen is eenvoudig verboden. Wie het waagt dit toch te doen wordt eenvoudig uitgestoten en beschuldigd van ontrouw aan de groep.

Deze voorbeelden maken wel duidelijk, dat ik niet zonder redenen vrees, dat het begrip trouw zowel geestelijk als anderszins op misleidende wijze wordt gehanteerd en niet meer de erkenning van een bestaande relatie en het volgens eigen wezen daaraan beantwoorden betekent, maar eenvoudig een machtsmiddel wordt, waardoor men aan één van de partijen rechten toekent, die de ander dan niet zal hebben, of hij deze nu wenst, daaraan behoefte heeft, of niet. Dit komt neer op een gedeeltelijke slavernij. En u zult wel inzien, dat wij met een dergelijke interpretatie niet blij kunnen zijn. Men gaat zelfs nog verder en zegt bijvoorbeeld “Omdat u erkend hebt dat ik gezag heb, is elke kritiek op mij een aantasting van het gezag en een ontrouw aan uw eerste houding, die een belofte gelijk kwam. Voor deze ontrouw aan onze gemeenschap zullen wij u straffen.” Natuurlijk gebruikt men deze woorden zelden. Maar men handelt wel al te vaak in deze geest.

U vindt dat dit onmogelijk is, dat dit bijvoorbeeld in uw eigen land niet voorkomt? Probeert u dan een verbaliserende agent eens te wijzen op de fout die de agent maakt. U zult zien, dat (ofschoon dit niet zo wordt gezegd) u gestraft wordt voor het feit dat u de fout van de agent hebt durven constateren. Want het gezag maakt immers geen fouten? Indien ik God, of wat dat betreft de duivel, wil dienen en ontdek dat in hetgeen voor mij het gezag daarvan tot nu toe gerepresenteerd heeft, fouten voorkomen en daaraan ook uiting geef, zou ik, volgens de visie van vele gezaghebbende figuren de toorn van God (of de duivel) op mij laden. Ook dit is afpersing, ook dit is kolder.

Vrijheid en vrijwilligheid dienen te allen tijde de basis van de trouw te zijn. Een trouw, die door het ik niet gewilde verplichtingen inhoudt, kan nimmer in werkelijkheid bestaan. Zij is een farce. Indien u spreekt over democratie en uw trouw aan het democratisch beginsel vloeit daaruit voort, dat u elke niet democratische procedure dient te logenstraffen. Indien u dit echter doet, zult u in bepaalde gevallen aangevallen en bestraft worden in naam van dezelfde democratie, die u daardoor verdedigt. Neen. Dit mag niet zijn. Een kwestie van trouw speelt hierbij geen enkele rol. Werkelijke trouw kan alleen bestaan wanneer zij voortkomt uit je gehele besef, deel is van je wezen. Een trouw, die wel tot uiting komt, maar niet bestaat in het denken en besef, blijft een ledige formule.

Moeilijker wordt de kwestie nog, wanneer men in de trouw niet alleen meer te maken heeft met bijvoorbeeld een geloof of ideologie, maar tevens met de interpretaties die anderen daaraan geven. Stel bijvoorbeeld dat ik een trouw, maar wat ouderwetse katholiek ben. Er komt een concilie, dat opeens vele volgens mij en voor mij heilige dingen gaat aantasten en veranderen. Dan zal men van mij eisen dat ik niet meer trouw ben aan het geloof dat werkelijk in mij leeft, maar mij trouw zal tonen aan de kerk, door haar besluiten (als ook voor mij beslissend) te aanvaarden. Toch spreekt men niet van de kerk als een organisatie apart, maar van een ‘geloof’! Vreemd?

Het kan nog gekker. Er zijn bepaalde entiteiten uit onze sferen, ik stel dit uitdrukkelijk om duidelijk te maken dat ook op hogere niveaus van bewustwording dit voor kan komen. Deze entiteiten weten veel, maar evenmin als wij, weten zij alles. Nu willen zij hun onkunde niet erkennen en zelfs niet toegeven dat er een mogelijkheid bestaat dat zij zich vergissen en geven bijvoorbeeld op een vraag een antwoord, dat met de menselijke werkelijkheid geen enkel contact meer heeft. Een voorbeeld hiervan kan bijvoorbeeld de vaak voorkomende beschrijving van Zomerland zijn. Men zal dan van u eisen dat u aanneemt dat dit de enig ware en enig mogelijke beschrijving van die sfeer is. Zegt u dat u dit niet kunt aanvaarden, zo zal men u vaak uitwijzen. Het kan zelfs voorkomen en het is ook wel eens voorgekomen, dat een dergelijke geest erg boos wordt en probeert u een schuldbewustzijn aan te praten of zelfs reageert met een: “Als je zo blijft denken en praten, zal ik je eens kennis laten maken met een lagere sfeer….” – Ik citeer dit laatste letterlijk. Dit is voorgekomen op een seance hier in de nabijheid van uw eigen plaats van bijeenkomst. De reactie van de andere aanwezigen was: wij hebben ons nu eenmaal aangesloten bij deze gemeenschap, dus moeten wij dit ook zonder enig voorbehoud aannemen en geloven…. Men meende zelfs dat de trouw aan de geestelijke broeder en de gemeenschap waartoe men behoorde, geen andere denkwijze toe zou laten. Ik voeg hieraan toe dat men door een dergelijke leiding tijdens het leven vaak onnodig ongelukkig zal zijn en ook na de overgang langere tijd zal moeten doorbrengen in een duister, terwijl men zoekt naar de waarheid. Alleen al, omdat men dan niet meer begrijpen zal dat de waarheid vanuit geestelijk en menselijk standpunt steeds een veelvoudigheid is.

Voorzichtigheid is geboden waar men de waarheid als een eenzijdig en beperkt iets wil gaan zien. En grotere voorzichtigheid is nog noodzakelijk wanneer iemand stelt, dat hij ons trouw is en op grond van deze (vaak door ons niet gevraagde of verlangde) trouw een aantal bevelen gaat uitdelen…, toch komt ook dit voor. Ik wil hier zeker niet mijn collega’s afvallen. Maar wat bijvoorbeeld te denken van het volgende. Iemand krijgt op kruis en bord een aantal ware gegevens door en daarna een opdracht, die echter reeds snel nutteloos blijkt. Men informeert, of dit nu werkelijk noodzakelijk is. Het antwoord luidt nu: ga hiermee voort, tot er iets werkelijk gebeurt. Dit herhaalt zich meerdere malen en over langere tijd. Daar kan men toch wel stellen dat een dergelijke reactie van de geest niet meer normaal is. Het lijkt eerder op een afwijking. Een geest wil in dergelijke gevallen waarschijnlijk geen ongelijk erkennen.

Zoiets kan nog ergere vormen aannemen, wanneer, ten koste van alles, een eenmaal gedane verklaring wordt gehandhaafd, zelfs indien alle later kenbaar geworden feiten daarmede in strijd zijn. Dan krijgen wij te maken met een boodschap waarin alle mensen wordt geraden weg te vluchten uit een bepaald gebied. Vaak wordt aan een dergelijke boodschap toegevoegd dat degene die de boodschap ontvangt, haar overal uit moet dragen en verantwoordelijk is wanneer de mensen niet gewaarschuwd worden en dan dus blijven. Ook dit is, zij het reeds meerdere jaren geleden, gebeurd. Ofschoon later bleek dat de waarschuwing ten onrechte werd gegeven, daar geen zo ernstige verschijnselen als aangekondigd zich voordeden. Mensen die vertrouwden op de betreffende groep van geesten, gevoelden zich zo zeer met hen verbonden, dat zij reageerden zonder zelf te denken, zonder eigen inzicht tot gelding te doen komen. Het is duidelijk, dat zoiets niets meer met trouw te maken heeft, zelfs al valt ook in dit verband het woord herhaaldelijk. Ik meen dat de mens wel in de allereerste plaats het recht heeft steeds én zelf te denken, zonder dat hij hierdoor in trouw ooit te kort kan schieten.

God is er. God kun je aanvaarden. Maar niemand kan zeggen hoe die God voor jou bestaat en kenbaar is. Niemand ook kan je zeggen hoe je die God moogt en kunt beleven. Dan zal ook niemand je kunnen zeggen langs welke wegen je zult moeten gaan, om het contact met God te bereiken. Raad geven kan men u natuurlijk, elke dwang echter is verkeerd. De geest kan u helpen, zij kan u in vele gevallen bijstaan, waarschuwen en boodschappen geven die volledig juist en waar zijn. Op het ogenblik dat echter van u wordt gevergd, dat u daarom elk eigen en kritisch denken achterwege moet laten, probeert een dergelijke geest uw leven voor u te voeren, terwijl uzelf de gevolgen zult moeten dragen, wanneer de geest zich zou vergissen. Ik meen niet dat iets dergelijks aanvaardbaar kan zijn. Vooral niet wanneer wij zien welke eigenaardige gevolgen de opdrachten, die door de geest (overigens volgens beste weten en overtuiging) gegeven worden, met zich kunnen brengen. Er is ook daaruit veel ongeluk voor vele mensen voortgekomen.

Bedenk dit en besef dat u steeds recht hebt op eigen reacties en denken, zelfs indien men u anders beloofde. Men kan u bijvoorbeeld een inwijding beloven, mits u belooft stoffelijke bezittingen, persoonlijk leven en gedrag volgens bepaalde normen voort te zetten, zelfs indien u zou bemerken dat u dit niet waarlijk en eerlijk kunt of zelfs zoudt gevoelen, dat hierbij dingen zijn die men eenvoudig niet zal mogen doen. Het is redelijk en aanvaardbaar dat men stelt dat aan het deel uitmaken van een dergelijke groep consequenties zijn verbonden, zodat men niet zonder meer aan die groep kan ontkomen, wanneer men dit toevallig wenst. Daar de mens echter in de eerste plaats trouw aan zichzelf en zijn God (zoals hij deze beleeft) zal moeten zijn, heeft niemand het recht (ook al gebeurt dat wel eens) te stellen dat bij een verlaten van de groep men alles zal doen om de gevolgen in volle zwaarte te doen neerkomen op degenen, die de groep verlaten omdat zij hierdoor ‘ontrouw werden aan hun beloften’.

Nogmaals: dat aan het behoren tot groepen, waarin bijzondere geestelijke krachten optreden, gevolgen verbonden zijn, is logisch. Dat eenmaal gedane beloften volbracht zullen moeten worden, zolang dit mogelijk is, dat men trouw zal moeten zijn ten aanzien van de aangegane verplichtingen, is logisch. Maar er zal een ogenblik moeten zijn waarop de mens zijn eigen wegen zal mogen, ja, zal moeten kunnen gaan en zo zal men altijd de mens in zijn besef vrij moeten laten. U meent misschien, dat dit alles van weinig belang is. Maar in de komende dagen zal steeds meer een beroep op u worden gedaan om toch vooral niet zelfstandig en kritisch te denken, om toch vooral niet af te gaan op eigen ervaringen, maar trouw te blijven aan ‘de partij’, de ‘kerk’, de ‘noodzaak tot gebruik van geweld’ en dergelijke.

Men zal dergelijke eisen aan u stellen. Velen onder de mensen zullen aarzelen, zeggende dat dit alles toch niet meer geheel aanvaardbaar kan zijn, dat dit niet goed kan zijn. Maar, zo zullen zij daarop laten volgen, wij moeten trouw blijven. Zij hebben misschien nimmer een eed afgelegd, geen belofte gedaan, en nog voelen zij zich verbonden tot een trouw volgen, zelfs tegen eigen besef in, omdat degenen of datgene wat zij volgen, eens juist handelde, eens goede dingen tot stand bracht. Men zal dan tegen beter weten in zichzelf en anderen in een situatie brengen, die kennelijk verkeerd is, zich verantwoordelijk gevoelen en toch niet in durven grijpen. Dit laatste heeft een innerlijke geestelijke verdeeldheid ten gevolge, een disharmonie, waarvan de gevolgen voor het Ik zeer ernstig en langdurig kunnen zijn.

In deze dagen zal vaak snel en zonder aarzelen gekozen moeten worden. Daarbij geldt, in zover u werkelijk niet in staat bent u een oordeel te vormen, de omstandigheden althans enigszins te overzien, dat het verstandig zal zijn, eigen beloften te houden, trouw te blijven aan de weg, die men tot op heden is gegaan. Zodra echter ook maar enig inzicht bestaat, enig oordeel omtrent de omstandigheden mogelijk is, zal men als mens de plicht hebben om, ondanks alle relaties uit het verleden, aangegane verplichtingen en dergelijke, de beste weg te kiezen. Het kiezen van de weg zal daarbij niet geheel of alleen door zelfbehoud, eigen voorkeuren en dergelijke bepaald mogen worden. Men zal zich steeds moeten baseren op hetgene men als juist, als het meest juiste zelfs, erkent. Indien men een compromis sluit, zo zal men moeten beseffen dat dit voornamelijk geschiedt om aan erkende noodzakelijke ontwikkelingen, de noodzaak tot handelen en ingrijpen bijvoorbeeld, te ontkomen. Ook in deze gevallen zal men beweren dat je trouw moet zijn aan je woord, maar juist in dergelijke gevallen zal al snel blijken dat dit in feite niet mogelijk is. Daarom zal men zeker wanneer er een poging wordt gedaan tot het scheppen van een compromis, zichzelf steeds het recht moeten voorbehouden om op elk gewenst ogenblik te constateren, dat het zo niet meer gaat en eigen vrijheid van handelen geheel te hernemen.

Een mens dient zich te realiseren wat hij werkelijk wil, wat hij het belangrijkste vindt, wat hij na wil streven en hij moet dan ook nog bereid zijn de consequenties van gerichtheid en streven te aanvaarden. Want boven alles zal de mens trouw moeten zijn aan zijn ware Ik. Dit betekent niet dat men dus egoïstisch of egocentrisch moet leven, maar alleen dat de mens alles wat hij in zich als het meest belangrijke, het meest waardevolle, erkent, voortdurend zal moeten waarmaken en vervullen, zonder daarbij ooit rekening te houden met de verwachtingen van anderen of de mogelijke gevolgen van dit trouw zijn aan eigen wezen.

U ziet wel, dat er aan een eenvoudig onderwerp als dit nog veel verbonden is. Zeg dus niet, dat dit maar zeuren is, maar ga liever het geheel nog eens na en trek uw conclusies. Want ik garandeer u, dat in de komende tijd de kwestie van trouw aan systeem en geloof in het geding zal komen, waar eigen verstand en eigen willen zullen aanduiden dat de wegen die men inslaat op deze gebieden voor een merendeel van de mensen in feite onaanvaardbaar zal zijn. Men zal van u trouw vergen aan groeperingen, maar ook aan gezagsverhoudingen die niet meer gezond zijn, aan personen die misschien eens van grote betekenis zijn geweest, maar nu eerder een hinder dan een bevorderen van het welzijn en de ontwikkeling van het geheel betekenen. Men zal dan niet zonder meer aan de oproepen gehoor mogen geven, maar zal voor zich uit moeten maken in hoeverre men gevolg dient te geven aan dergelijke oproepen.

Vraag u bijvoorbeeld: In hoeverre ben ik tot trouw aan de koningin verplicht? En zo ik erken dat zij recht heeft op trouw, mag ik dan desondanks toegeven dat een republiek verstandiger is en daaraan medewerken? Bedenk dat dit geen retorische vraag is, maar een werkelijk probleem, dat in de komende jaren voor zeer velen in uw land van groot belang zal kunnen worden. Wil men tot een oplossing komen, dan zal men allereerst moeten beseffen dat deze trouw in de gangbare zin niets heeft te maken met de persoonlijkheid, goed of kwaad, van bijvoorbeeld de koningin, daar men zelfs bij een directe en schijnbaar op de persoon afgelegde gelofte hiertoe alleen kwam, omdat de figuur voor u het volk representeerde. In de koningin heeft men dus in de meeste gevallen zich tot trouw aan de gemeenschap verplicht. Voor de vraag of men dus wel of niet trouw is aan de koningin, zal dan ook niet de wens van de koningin, doch de werkelijke behoefte van de gemeenschap bepalend zijn. Degenen die bewust en tegen de behoeften en noodzaken van de gemeenschap aan de koningin ‘trouw blijft’ zal in feite zijn eed verloochenen, de werkelijke inhoud en betekenis daarvan verloochenen. Indien men zijn trouw aan een partij heeft gegeven en deze daarom volgt wanneer zij bijvoorbeeld streeft naar een republiek, terwijl u aanvoelt dat een koningshuis nog steeds de beste vorm van staatsbestel voor Nederland denkbaar is, zo zal een verder trouw blijven aan de partij een verraad aan eigen innerlijk besef en aan het volk dat men meent te dienen, inhouden.

Wanneer het gaat om dergelijke oplossingen, die tegen het gezonde verstand van de massa indruisen, zo haalt men al vlug het beeld van stal van de ‘wijzen, die het beter weten’ en eist op grond van het feit dat er mensen zijn die het beter weten, trouw tegen eigen inzicht en verstand in. Dit is een knol, die reeds in de verre Oudheid als citroen werd verkocht. Een mens kan niet alles overlaten aan anderen, omdat zij beweren het beter te weten. De verplichting tot zelfstandig denken en leven kan niet worden opgeheven. Toch zal men u steeds weer voorhouden: de wijzen hebben beslist, de economen hebben overwogen, de godgeleerden hebben uitgemaakt ….en van u verlangen, dat u trouw en zonder verzet al deze dingen zult aanvaarden, zelfs indien u in stof of geest bemerkt, dat dit niet in overeenstemming is met alles wat volgens u én voor u goed is. Laat u niet overbluffen, laat u niet tot slaaf maken. Evenmin door de ‘wijzen’ als door de opstandige en oproerige bewegingen, die menen dat alles vernietigen beter is dan geduldig en langzaam corrigeren. Want dergelijke bewegingen zullen in het komende jaar steeds sterker naar voren treden. Begrijp ook, dat niemand u kan verplichten een medemens hulp te weigeren, die werkelijk nodig is, omdat u hierdoor zou handelen in strijd met de belangen of stellingen van een groep of kerk. Wees uzelf, wees trouw aan het goede in uzelf. Alle andere bestrevingen en gevoelens van trouw kunnen alleen maar voor u en anderen desastreus zijn.

Er zullen in de komende tijd steeds grotere geestelijke eisen aan de mensen worden gesteld. Reeds dit jaar is dit in feite kenbaar geworden. Dit zal steeds toenemen. Indien deze eisen in u gesteld worden, zo kan men natuurlijk wel zeggen, dat dit je God is of de Hogere Leiding, maar ook dan zal men uit moeten maken of men een volvoeren voor zichzelf kan verantwoorden of dit ook voor eigen aanvoelen juist en aanvaardbaar is. Wie zegt: “Zodra de stem in mij spreekt, moet alles zwijgen”, is een dwaas. Als God je roept, dan ga je. Uitstekend. Maar dan heb je, naar ik meen, toch wel het recht om, voordat je gaat, te vragen: “Was U het, God? Daartoe hebt u mij geroepen, Heer?” Een mens is een zelfstandig wezen en zal, zelfs in het gestelde geval, zelf de verantwoordelijkheid voor eigen daden en leven moeten dragen.

Het komende jaar zal moeilijkheden brengen. In werkeloosheid, hongersnoden en andere crises zal dit blijken. Zelfs in het westen, maar wel voornamelijk in de zogenaamde onderontwikkelde gebieden. Men zal dan bij u komen en u zeggen dat u uit naam van de menselijkheid verplicht bent dit of dat te doen. Onthoudt, dat u ook dán het recht hebt zelf uit te maken hoe u, volgens uw begrippen van menselijkheid, wilt reageren en handelen. U moogt zich bijvoorbeeld rustig, voor u een bepaalde instelling steunt, eens afvragen of men daar niet al te royaal is met salarissen en vergoedingen voor de personeelsleden. Zoals u het recht hebt u af te vragen of die hulp wel feitelijke hulp betekent. U moogt vragen of de voorstelling van zaken, die men geeft, wel juist is en u daarbij op reacties uit het verleden moogt baseren. Ontdekt u dat er iets niet deugt, dan moet u dit niet aanvaarden, “omdat er anders helemaal niets gebeuren zou”, maar dient u te spreken. Zelfs een heilige kan zijn fouten hebben. Indien men echter om de heiligheid die men in hem erkent, weigert over zijn fouten te spreken, draagt men ertoe bij, dat de heiligheid steeds meer tot schijnheiligheid wordt. Zelfs het goede kan er alleen maar beter van worden, wanneer de mensen eerlijk durven denken en erop reageren. U zult in de komende tijden niet alleen moeten leren zelfstandig te denken, maar ook om zelfstandig te ageren. Dat u daarbij fouten maakt, is wel zeker. Maar zolang men trouw blijft aan zijn innerlijke wereld, zijn geestelijk ideaal, zal niemand u terecht van verraad mogen beschuldigen of eerlijk kunnen stellen dat u ontrouw werd aan groep, vaderland of godsdienst.

Dit betekent niet, dat u nu alles zonder meer naast u neer kunt leggen. Ga geen schriftelijke of mondeling geformuleerde verplichtingen aan om deze dan later zo maar zonder meer terzijde te stellen. Hebt u eenmaal een belofte gedaan, bent u een verplichting aangegaan, dan zult u kenbaar moeten maken wanneer u daaraan uzelf niet meer gebonden acht, en wel zo snel en tijdig mogelijk, zodat anderen niet meer op u rekenen om dan tot de conclusie te komen dat u niet meer aan uw belofte gebonden wilt zijn. Dus: wie een verplichting op zich neemt, is tot herroeping daaraan wel degelijk gebonden. Die herroeping zal echter, mits tijdig gedaan, eenzijdig kunnen geschieden, zodat men niet zonder meer en blijvend gebonden zal zijn.

Laat mij erop wijzen, dat men nooit iets half kan aanvaarden of doen. Op dit ogenblik gaat in de wereld de strijd vaak om de vraag, of men democratie of absolutisme als beste vorm kan aanvaarden. Ik wil erop wijzen, dat degenen, die democratie voorstaan, daardoor ook verplicht zijn het bestaande streven naar en het verkondigen van absolutisme toe te laten, zodra iemand binnen de gemeenschap zich hiermede bezighoudt. Men zal slechts in mogen grijpen wanneer zo iemand tegen de wil van een meerderheid in tracht zijn wil door te zetten. Een democratie kan alleen bestaan, wanneer men alle wensen en elementen in de gemeenschap aanvaardt, zelfs de meest destructieve. Alleen door dit alles te aanvaarden en de mogelijkheid te laten voor alle denkrichtingen en bestrevingen om zich te uiten, zal men waarlijk democratisch kunnen zijn.

Van ‘waar’ christendom kan nimmer in kerkelijke zin worden gesproken. Ook deze vraag rijst steeds weer. Welaan, een waar christen is hij, die overal en in alle gevallen bereid is om elk streven naar het leven volgens Jezus’ leer te erkennen als goed en waardevol, zelfs indien bij zo iemand niet eens de goddelijkheid van Jezus ter sprake komt.

Ik gaf enkele voorbeelden waarin duidelijk werd, dat men vrij en consequent moet denken en handelen. In de nabije toekomst zal men u steeds meer gaan suggereren, dat dit niet meer mogelijk is, dat een mens niets bereiken kan door nu eens zus en dan weer eens zo te reageren, zelfs indien elke reactie een consequente weergave van zijn streven is. Men zal er voor pleiten, dat men zich bindt aan één enkele weg (door anderen bepaald) en ten koste van alles de overwinning van die weg zal voorstaan. Men zal dit de enig mogelijke oplossing noemen van de vele problemen, die op aarde bestaan. Zowel in politiek, godsdienst, esoterie als door bepaalde groepen uit de geest, zal men u de dergelijke denkbeelden voorhouden. Omdat ik weet, dat dit op komst is, zeg ik u nogmaals: uw gehoorzaamheid en volgen neemt uw eigen verantwoordelijkheid niet weg. Vernietig niet uzelf en anderen door een verkeerd begrepen gevoel van trouw, door een verkeerd begrepen verplichting, voortkomende uit een tijdelijke gebondenheid. Alleen een band, die men zelf en in vrijheid voortdurend zelf blijft aanvaarden, is zinvol. Alleen het opvolgen van een bevel, dat men zelf als juist erkent, heeft zin. Alleen het nastreven van en aanvaarden van een bepaalde structuur of gerichtheid, die men zelf als juist bij voortduring erkent, is zinvol. Dit geldt zelfs voor alles, wat ik u hier zeg. Geen van onze sprekers zal ooit vergen dat u het met hem eens bent, dat u zonder meer gehoorzaamt. Wel hopen wij dat u naar ons wilt luisteren en eens na wilt denken over wat wij zeggen en denken.

Uw komst hier brengt echter wel enkele verplichtingen met zich. Wanneer u hier aanwezig bent, neemt u op u, op geen enkele wijze anderen te beletten toe te horen en tevens neemt u op zich, u te gedragen volgens de regelen van het gangbare goede fatsoen. Wie zich in een gemeenschap begeeft, neemt daarmede de verplichting op zich de regels van de gemeenschap gedurende zijn verblijf daarin ook te aanvaarden. Hij zal echter altijd het recht hebben zelf te denken, eigen handelen te bepalen en aan eigen gedachten op een niet kwetsende wijze uiting te geven. Indien men u dit recht uzelf te uiten ergens ontzegt, dan weet u, dat het daar niet zuiver, niet geheel in orde is. Belangrijk is het echter zich steeds te realiseren, waarom men iets aanvaardt of verwerpt, wat de redenen zijn, die tot een bepaald gedrag voeren en welke consequenties daaraan verbonden kunnen zijn.

Wees steeds voorzichtig met het aanvaarden van verplichtingen en het toetreden tot groepen. Vraag u steeds weer af, wat de stellingen en praktijken zijn, vraag u dan in hoeverre u deze kunt aanvaarden en bepaal dan of u wel oprecht kunt toetreden dan wel dit dient na te laten. Kan men alles nu aanvaarden, dan betekent dit niet, dat men zich voor leven en dood aan een groep mag binden. Men zal dan stellen: ik wil tot deze groep behoren, tot mijn besef zich eventueel wijzigt. Want zekere vormen van organisatie blijken in de stof nu eenmaal noodzakelijk en onvermijdelijk te zijn.

U kunt zich waarschijnlijk niet herinneren, hoe groot de strijd onder ons is geweest, toen wij moesten nagaan, of het wel wenselijk was, dat de Orde stoffelijk geregistreerde leden zou kennen. Er zijn leden gekomen in deze zin, omdat het kennelijk niet mogelijk was op aarde iets te berekenen of te bereiken met onze middelen, wanneer men dit bestaan van lidmaatschap wilde verwerpen. Maar de vrijheid van een lid, zo bepaalden wij, zal steeds zo groot mogelijk moeten blijven. Elk lid zal vrij moeten zijn, om op elk ogenblik heen te gaan, wanneer het dit wenst. De regels zullen zo klein mogelijk in aantal moeten zijn, zo stelden wij. Om geheel eerlijk te zijn, wij gevoelen ons nóg niet geheel gelukkig met het systeem van stoffelijke leden. Natuurlijk, dezen maken het ons mogelijk op deze wijze in de stof ons werk te doen en wij zijn daarvoor dankbaar. Het zou echter beter zijn, wanneer er alleen sprake kon zijn van een gebondenheid tussen u in de stof en ons in de geest op basis van harmonie. Deze harmonie, die het belangrijkste is, kun je met een lidmaatschapskaart niet groter of kleiner maken.

U zult begrijpen, dat wij zeker niet afwijzend zullen staan tegenover andere stoffelijke groepen, die menen dat leden, lidmaten en dergelijke, noodzakelijk zijn. Dit is immers juist. Maar ik geloof niet dat aan een lidmaatschap een trouw in de zin van onderwerping en volgen ondanks alles, verbonden mag worden. Ik geloof niet, dat iemand het recht heeft van anderen op deze wijze een onderwerping te vergen. Hoedt u daarom voor degenen die verkondigen dat men alleen door algehele onderwerping trouw kan blijven aan een principe, een geloof en dergelijke. Want dezen maken het u onmogelijk in waarheid uzelf te zijn en uw gaven en mogelijkheden zo juist en goed mogelijk te gebruiken.

Denk zelf, wees allereerst trouw aan uzelf en vooral aan de God, die gij in uzelf erkent. Wees eerlijk en waar, maar acht u nimmer aan een gelofte gebonden, maar maak kenbaar zo snel het mogelijk is, dat men het volbrengen van aangegane verplichtingen niet meer redelijk, juist of voor zich mogelijk acht.

Voel uzelf steeds vrij om kritiek uit te oefenen. Eerlijk gemeende kritiek is geen aantasting van trouw of waarde, maar kan eerder worden gezien als een bewijs van werkelijke trouw aan essentiële waarden en een bewijs ook van werkelijke broederschap.

Vraag u vooral ook nooit af, wat anderen eigenlijk zouden moeten doen onder bepaalde omstandigheden, tenzij u in staat bent hen op hun verzoek met raad te dienen. Vraag u verder alleen maar af: wat kan ik zelf nu hieraan doen en handel daarnaar. Vraag uzelf niet alleen af, wat verstandelijk de meest juiste weg tot handelen en helpen is, maar ga daarbij af op uw gevoelens en intuïtie. Aarzel niet wanneer u een behoefte erkent, maar handel onmiddellijk, zelfs indien anderen van mening zijn dat dit onjuist of dwaas is.

Laat u echter niet misleiden door de pogingen van anderen met uw gevoelens te spelen. Dit zal te vaak voorkomen. Hoedt u voor termen die bedoeld zijn u van anderen te verwijderen, als bijvoorbeeld “dit zijn fascisten, spionnen, communisten enzovoort”. Ga af op de mens en laat u door dergelijke aantijgingen en aanduidingen niet misleiden. Vorm u zelf een oordeel en oordeel niet voor u daartoe ook werkelijk in staat bent. Zorg dat u elk oordeel, elke handeling ook innerlijk als juist kunt ervaren. Wees niet bang uw oordeel te herzien, wanneer blijkt dat de feiten anders liggen dan u meende. Wees trouw aan de waarheid, zoek en bescherm deze boven alles.

—————————————————————–

ESOTERIE ALS EEN SOORT ALFABET

Nu ik weer de esoterie ter sprake moet brengen, zult u mij wel toestaan het op mijn eigen wijze te doen. Ik zal kort zijn. Esoterie heeft vaak veel van een soort alfabet:

A is Alfa en Omega, God in het begin en het einde. Met andere woorden: alles wat ertussen ligt, is slechts een verschuiving van het besef van die God. Begin je zo, dan denk je onwillekeurig aan B. Het vreemde is, dat wij onder de letter B vele namen aantreffen, die minder aangename associaties hebben, zoals Beëlzebub, Belial enzovoort. Toch is dat wel begrijpelijk: wanneer de mens eenmaal van God is uitgegaan en nog niet bewust tot Hem is teruggekeerd, is hij over het algemeen ‘des duivels’, omdat hij meent dat hij zelf meer goddelijke rechten meent te bezitten dan hij ooit kan verwerven. Iemand die uitgaat van de overtuiging dat het goddelijke in hem onderworpen is aan zijn eigen erkenning van en formulering van het goddelijke, vist meestal precies naast het net en komt terecht bij de familie van een zekere Joost. Neen, niet Vondel, maar Pek.

Laat ons nog een derde letter erbij nemen, C. Dat zou de eerste letter kunnen zijn van Christos. Wanneer wij niet meer zo verwaand zijn dat wij menen zelf als het ware God te kunnen representeren en begrijpen, zullen wij ontdekken dat er een waarde is, die ons toch steeds met het goddelijke verbinden kan: de Goddelijke Liefde. Deze Liefde openbaart zich op aarde en overal. Zij heeft overal een eigen vorm, maar is steeds kenbaar door dienstbaarheid en offerbereidheid. Als je eenmaal op weg bent, innerlijk, naar God, komt het ogenblik dat je moet leren om te offeren en, erger nog, de minste te zijn. De meeste mensen leren veel gemakkelijker offers te brengen dan de minste te zijn. Het meeste komt het dan ook voor, dat iemand die zegt de minste te willen zijn, dit doet omdat hij innerlijk meent de meerdere te zijn op grond van deze bereidheid alleen.

Voor mij ligt de gehele esoterie opgesloten binnen de grenzen die ik u schilderde aan de hand van de eerste drie letters van het alfabet. Een mens die veel grote woorden gebruikt, kan een ander misschien in de waan brengen dat hij het zeer ver heeft gebracht, maar voor mij valt zo iemand nog steeds onder de letter B, zie het voorgaande. Zolang ik alleen maar nederig doe en in feite hoogmoedig ben (want ook nederigheid kan een vorm van hoogmoed zijn, al beseffen de meeste mensen dit schijnbaar niet) zal ik nooit in staat zijn werkelijk lief te hebben. Liefhebben is geen kwestie van verbondenheid of iets dergelijks, maar eenvoudigweg een kwestie van aanvaarding zonder dat voorwaarden worden gesteld. Indien men God lief wil hebben, kan men dan volgens mij ook niet volstaan met het alleen maar beminnen van God. Je moet beseffen dat God Alfa et Omega is, begin en einde. Wat daartussen ligt, is Zijn Wezen en Werk. Wie God waarlijk liefheeft, moet beginnen de schepping te aanvaarden zoals zij is.

Dat maakt het wel moeilijk, want wij zijn er immers steeds op uit om alles te verbeteren? Soms verbeteren wij zelfs iets aan onszelf, ofschoon dit maar zelden voorkomt, daar wij liever iets verbeteren in de wereld rond ons. Tussen haakjes: kan ik werkelijk iets verbeteren? Dit is maar een vraag. Als God begin en einde is, indien dit alles omvat, kan ik nooit iets werkelijk verbeteren. Want ik kan God niet verbeteren. Er zijn natuurlijk wel veel mensen, die doen alsof zij God zelf zouden kunnen verbeteren of tenminste zijn schepping veel beter zouden kunnen tot stand brengen en indelen, dan Hij deed. Overigens is hun ‘verbeteren’ meestal zeer oppervlakkig en zoeken zij naar de ‘fouten in de wereld’ op dezelfde oppervlakkige wijze, waarop een gehaaste onderwijzer nog net voor het begin der taalles even een dictee verbetert? Hij onderstreept de meest voorkomende fouten volgens zijn eigen regels en laat heel wat zitten, dat erger is dan de dingen waarop zijn oog toevallig viel. Wat natuurlijk maar duurt tot er een nieuwe spelling komt en alleen het aangestreepte nog goed blijkt te zijn, terwijl al het andere, dat eens goed geheten werd, nu als fout geldt. Want zo gaat het altijd in het leven.

Ik meen ook, dat er aan de schepping en het leven niet veel te verbeteren is. Je moet de zaak aanvaarden, zoals zij is. Eerst wanneer je de zaak aanvaardt, kom je tot de conclusie dat het slechtste wat wij kunnen doen wel is, onszelf veranderen of onszelf anders voor gaan doen, dan wij in wezen en innerlijk zijn. Het eerste komt weer niet zo vaak voor. Het tweede is echter algemeen gebruikelijk. Er is bijna geen mens die durft te zijn, zoals hij is. Hij doet zich steeds weer anders voor dan hij weet te zijn, vergeet daardoor op den duur wat hij werkelijk is en leeft zo met een aantal maskers, waarvan alleen het buitenste aan de wereld wordt getoond. Daarachter schuilen echter alle redeneringen waardoor hij zichzelf verbergt, maar wat hij toch eigenlijk wel weet te zijn. Het klinkt ingewikkeld, maar als u deze dan even naloopt, zult u toch zien dat hij volledig juist is. Een belangrijk deel van de esoterie zou ik dan ook willen omschrijven met: ‘de kunst om je eigen maskers af te gooien’. En dit bereikt men niet (met alle respect) door omhoog te streven, maar eenvoudigweg door eerlijk te zijn.

U weet wel hoe het gaat hé? Zo van: ik was graag naar tante Marie toe gegaan nu zij zo ziek ligt, maar de omstandigheden, de visite. En ik moet ook mijn eigen gezondheid in het oog houden…. Dat is dan het buitenste masker. Daarachter ligt dan: “Ach, wat zal ik gaan. Wanneer dat mens goed ligt, doet zij niets dan klagen. Ik heb geen zin daarnaar te gaan luisteren.” Maar achter dit tweede masker blijkt weer een derde te zitten. Tante Marie heeft altijd de baas gespeeld en dat kan ik niet velen. Ik heb eigenlijk nog de p… aan haar. Daarom wil ik niet gaan, daarom heb ik geen medelijden. Misschien dacht u dat wij er nu reeds zijn. Maar wij kunnen nog verder gaan kijken. Dan blijkt dat achter dit alles het feit ligt, dat men bij het bezoeken van zieken zichzelf machteloos gevoelt tegenover de omstandigheden. Al het andere zou van geen belang zijn, men zou alles willen vergeten, men zou alle bezoekers willen wegsturen, wanneer men maar iets zou kunnen doen. In feite weigert men het bezoek dus af te leggen, omdat men een gevoel van machteloosheid vreest.

De laatste vraag zal dan worden: waarom gevoel ik mij dan onder die omstandigheden machteloos? Als je daarop een eerlijk antwoord weet te geven, zal men misschien niet alle maskers geheel terzijde kunnen stellen, maar men is toch wel zeer dicht bij de waarheid gekomen. Je kunt dan zeggen: ik durf niet waarlijk in God datgene te zijn, wat ik behoor te zijn, namelijk een deel van de Goddelijke Kracht. Daarom bedrieg ik mijzelf en de wereld, daarom al die verontschuldigingen, daarom al die verklaringen. Waarom zou iemand niet alleen maar een deel van de Goddelijke kracht durven en willen zijn? Waarschijnlijk omdat de mens bevreesd is, dat hij, zo hij God aanvaardt zoals Deze is en ook zichzelf aanvaardt zoals hij zelf is, niets meer te doen heeft. Dat hij geen activiteit meer zal vinden, die hem de illusie van belangrijkheid kan geven.

U ziet alweer, dat het in de esoterie wel eens van zeer groot gelang kan zijn waarlijk te beseffen waarom je onbelangrijk bent. Het feit zelf niet natuurlijk. Dat je onbelangrijk bent, kun je van eenieder horen, je zegt het zelf steeds weer, maar van zichzelf gelooft niemand het. Ik heb het dus niet over ‘zeggen’. Het gaat erom werkelijk in jezelf te weten, te beseffen, waarom je onbelangrijk bent. En belangrijk tegelijkertijd. De conclusie kan dan bijvoorbeeld luiden: Ik ben mijn eigen wezen, ik ben eeuwig, maar ik ben onbelangrijk volgens mijn eigen maatstaven, omdat ik aan of in die oneindigheid niets waarlijk kan veranderen. En wie eerlijk is, zal daaraan vaak toevoegen: Innerlijk besef ik dit wel, maar wanneer ik dit aanvaard, is er niets meer wat mij drijft. Is er geen noodzaak meer om iets te doen. En daarom doe ik dan maar of ik wél belangrijk ben.

Waarmede wij op het punt zijn gekomen, waar wij het bekende spookbeeld der begoocheling, maya, ontmoeten. Want waar komt de begoocheling vandaan? Vanuit onszelf, zoals uit het voorgaande blijkt. En als het erom gaat onszelf te begoochelen, zijn wij handige goochelaars, dat kan ik u garanderen. Wij goochelen met de waarheid, de feiten en de moeilijkheden, wij gooien heden, verleden en toekomst door elkaar en wat eruit komt, is een omelet van opgeklopte zelfverzekerdheid en zielverheerlijking, van theoretische bereikingen, die men nooit praktisch waar kan maken.

Laat ons daarom nog aandacht wijden aan het belangrijkste punt in ons contact met God, naar Christos. Daarbij is het niet belangrijk of wij spreken van het Bloed van het Lam, of wij Jezus zien als iemand buiten ons, die deze Christus alleen en geheel is. Dit kan voor velen misschien nu wel belangrijk zijn, maar volgens mij begint de zaak eerst interessant te worden wanneer wij gaan beseffen dat, zo goed als Jezus geheel vrijwillig het kruis aanvaardde en gelijktijdig in de kosmos toch niets anders kon zijn en kon aanvaarden, terwijl wij er in wezen net zo voor staan. Interessant wordt het pas wanneer wij beseffen, dat wij ons aan de begoocheling onderwerpen, niet omdat wij ons daaraan niet zouden kunnen onttrekken, maar omdat dit deel is van ons kosmisch bestaan. Zoals ons offeren in wezen geen offeren is, maar een vervullen van onze eigen innerlijke werkelijkheid.

Beseft men dit, dan zal men zich ook niet meer verheffen op de offers, die men brengt of zich beroepen op de offers der anderen. Dan gaan wij beseffen dat de voor ons meest werkzame kracht eenvoudig de aanvaarding van Gods werkelijkheid is. En daardoor natuurlijk ook de liefde voor al hetgeen er in die goddelijke werkelijkheid bestaat.

De meeste mensen roepen, wanneer ik zover kom met mijn betoog, innerlijk uit: stop maar, want zover kom ik toch niet. De mens is bang toe te geven dat al de dingen die voor hem zo belangrijk zijn, in feite in het leven niet eens meetellen. Toch is niets werkelijk belangrijk. Zeker is het niet van belang dat men in de dingen een bezit of een deel van zichzelf gaat zien. Belangrijk is slechts, dat men daarin iets van God leert zien, dat men het eeuwige leert kennen en aanvaarden, dat men leert tussen zich en God niets anders te stellen.

Kijk, dat is naar mijn idee nu zuivere esoterie. Een waar esotericus is volgens mij een mens, die de moed heeft tussen zich en God niets anders meer te stellen. Niet de geest, niet eigen onvermogen, ingewijden, meesters, engelen enzovoort, maar durft zeggen (en ervaren):”God, ik ben deel van uw wezen, ik aanvaard u en daardoor aanvaard ik gelijkelijk ook het totaal van uw schepping, zoals deze is.” Kom je eenmaal zover dat je dit beleeft, dan kunnen anderen misschien nog spreken van inwijdingen en bereikingen. Maar wat is daarvan voor jou dan nog over? Niets! De Christus, de gemanifesteerde Goddelijke Liefde, is niet alleen maar een verlosser, een figuur, een denkwijze. Hij omvat het goddelijke en alle dingen. Laat mij het zo zeggen: Een mens kan God alleen benaderen en begrijpen door de liefde die God heeft voor de mens en de erkenning van deze liefde door de mens. Zoals de mens alleen tot een werkelijke aanvaarding van God kan komen door een onbegrensde liefde voor alles wat uit God is voortgekomen en dit zonder enige uitzondering. Indien men daarvoor een methode wil gebruiken, dan kan men dit rustig doen. Ook dit is niet van belang, het gaat alleen maar om het resultaat.

Nu nog enkele definities.   Christelijke naastenliefde: Dit is de liefde, die men om Christus wil van zijn naasten meent te mogen verwachten. Zij behoort echter te zijn: een algehele aanvaarding van al het zijnde als naaste omentwille van de God, die het Al geschapen heeft.

Esoterische bewustwording: Meestal een koorddansen op een te dunne draad van te ijle filosofieën waardoor men soms valt in het veilig net van eigen stoffelijke middelen, soms echter verpletterd wordt op de harde bodem van de feiten. Zij zou behoren te zijn: een schouwen, waardoor je de hemel beleeft, terwijl je met je voeten op aarde staat.

Bewustwording: Veelal geeft men deze naam aan een toestand, waarbij een toenemende bewusteloosheid voor alle feiten kenbaar wordt, met uitzondering van de feiten en theorieën van een enkele reeks van mogelijkheden. Zij behoort te zijn: de erkenning van het totaal van alle mogelijkheden en de bereidheid elk van deze mogelijkheden in zijn eigen waarde te aanvaarden.

Ten laatste, bereiking: Wat de meesten hieronder verstaan, lijkt niet meer te zijn dan een tijdelijk stilstand in de bewustwording, waardoor men zich bewust wordt van het feit dat men reeds een stuk van de weg heeft afgelegd. Werkelijke bewustwording realiseert men zich niet, omdat het geheel van eigen wezen voortdurend in een vernieuwing van beleven gebonden blijft.