Twee werelden

uit de cursus ‘De geheimen van de geest’ – (Hoofdstuk 9)  juni 1961

Twee werelden

Wij spreken over de wereld van de stof als een afzonderlijke wereld en erkennen daarnaast de wereld van de geest. Voor zeer veel mensen is het moeilijk zich een voorstelling van die verhoudingen te maken en nog moeilijker lijkt het te beseffen dat beide werelden zich op dezelfde plaats kunnen bevinden. Wij zouden dit misschien aannemelijk kunnen maken door een ingewikkeld technisch betoog op te zetten over twee driedimensionale werelden, gescheiden door het element beweging, dat hier tot uitdrukking komt als tijd, elders als vermogen van plaatsbepaling. Maar daarmee komen wij niet verder. Want wij moeten beseffen wat er eigenlijk precies gebeurt.
Wanneer twee chemische stoffen van gelijke dichtheid of ijlheid met elkaar in contact komen, is het mogelijk dat zij elkaar geheel doordringen en toch hun eigen kwaliteiten geheel blijven behouden: Dit is in de chemie bekend en wordt gebruikt om bepaalde gasmengsels te vormen, en op dezelfde wijze is de wereld van de geest voor de wereld vàst van vorm en materie (althans in de vormkennende werelden), terwijl de wereld van de mens op zijn hoogst nevelachtig of rookachtig is. Zoals u door een nevel kunt gaan, zo kan een geest, die de stof waarneemt, zich door die stof bewegen. Dat van uw standpunt het omgekeerde geldt voor de wereld van de geest, is vanzelfsprekend en blijkt o.m. uit het feit, dat men door bepaalde verschijningen en verschijnselen heen kan gaan.
Wanneer ik echter terugkeer tot het genoemde mengsel van twee stoffen, dan valt ons op dat er door de aanwezigheid van een voor beide delen niet interessante derde stof een fusie kan ontstaan. Plotseling kunnen twee delen van verschillende stoffen worden samengevoegd tot één deel of, in een ander geval, zich haast explosief ontbinden in geheel verschillende bestanddelen. Ik hoop dat dit voorbeeld duidelijk genoeg is.
Wanneer de werelden van de stof en van de geest ‑ vooral van de lagere geest ‑ elkaar voortdurend kruisen, a.h.w. op dezelfde plaats aanwezig zijn en gewoonlijk zonder dat ze elkaar bemerken, mag ook worden aangenomen dat de aanwezigheid van een derde factor, die voor beide werelden op zichzelf minder interessant blijkt of minder belangrijk is, plotseling een contact kan doen ontstaan.
De grote vraag is nu: zullen bij het ontstaan van een dergelijk contact de geest en de mens in de stof in staat zijn precies te begrijpen wat er is gebeurd? Voor een meer bewuste geest zou dit bevestigend kunnen worden beantwoord. Maar juist de minder bewuste geest realiseert zich niet wat er geschiedt. Hij is alleen plotseling aan zijn eigen wereld of omgeving ontrukt. Zijn enige punt van contact is op dat ogenblik een binding met een menselijke wereld, die voor hem maar zeer ten dele reëel is. Zo ontstaan b.v. soms door emotionele explosies, wat wij noemen, aanhechtingen. De emotionele inhoud veroorzaakt een gedachtestraling, welke zulk een sterke invloed op de geestelijke wereld heeft, dat een lagere geest eenvoudig a.h.w. uit zijn eigen bestaan wordt weggesleept. Hij wenst dit niet en zal dit over het algemeen dan ook niet zoeken. Hij weet waarschijnlijk niet eens waarom of hoe het gebeurt. Maar het is gebeurd en hij wordt naar het individu in de stof getrokken, dat ‑ door deze emotie op te wekken ‑ de explosie veroorzaakte.
De mens in de stof heeft door deze sterk emotionele uiting weer iets van de beheersing van zijn eigen wereld verloren. Nu zijn de geest en de stofmens met elkaar verbonden en er ontstaat een tweeledig denken, nl. van de aangehechte geest en van de mens èn eveneens een tweeledige poging tot leven.
De menselijke geest en de aangehechte geest trachten beiden de materie te beïnvloeden. Voor geen van beiden is de wereld volkomen reëel. Zij zijn geen van beiden in staat een volledig contact met de stoffelijke wereld te maken, terwijl ook geen van beiden in staat is geestelijke invloeden en werkingen op een andere dan wat schimmige wijze te zien. Wanneer dit door een aanhechting ‑ en dus onbewust ‑ kan gebeuren, zal het u duidelijk zijn dat een geest, die erop speculeert een dergelijke binding met de stof te vinden, zich in een milieu zal ophouden, waar dergelijke emotionele explosies nogal eens voorkomen. Er zijn geesten, die naar een contact met de mens zoeken en dit contact meestal uit eigenbelang trachten te verstevigen zodra het is ontstaan, omdat dit een ontkomen aan hun eigen wereld betekent. Op alle plaatsen, waar menselijke emoties in zeer sterke mate en veelvuldig voorkomen en deze emoties niet persoonlijk maar zo mogelijk nog onpersoonlijk zijn ook of het resultaat zijn van een roes (een verlies dus van redelijkheid en menselijke maatstaven), kunnen wij erop rekenen dat hier inderdaad de z.g. lagere of duistere geest haar slachtoffers kan vinden; en vooral wanneer hij enige ervaring heeft, kan hij heel vaak in deze nevelachtige schijnwereld met deze mens een reeks toestanden scheppen en daden volbrengen, die voor de mens zelf onvoorstelbaar zijn, onredelijk en ónlogisch.
Wanneer ik hier uitga van het lagere, moet u wel beseffen dat ik dit uitdrukkelijk kies, omdat de geest in de lagere wereld uit zichzelf de mogelijkheid niet heeft de begrenzing tussen zijn wereld en die van de stof te doorbreken ofwel zijn eigen wereld geheel te verlaten. Deze mogelijkheid bestaat echter wel voor een lichtere geest. Wanneer een aantal mensen of een enkele mens in de nabijheid komt van een geest, die in staat is deze mens enigszins te zien en waar te nemen, zo kan deze hogere geest uit zichzelf dezelfde impuls scheppen. Ook deze geest schept een werking, die ‑ een zeer complexe trilling zijnde ‑ voor de mens overeenkomt met een sterke emotionele invloed. Ook hier krijgt de geest de mogelijkheid een band aan te gaan met de stof. Maar waar hij zich bewust is van wat hij doet en daarom ook de weg terug beheerst, kan hij deze mens gebruiken, zolang hij dit noodzakelijk acht. Op deze wijze kunnen hogere en zeer bewuste geesten soms gebruik maken van mediums, die op zichzelf geen enkele kwaliteit bezitten, welke een dergelijke hoogheid van uiting zou rechtvaardigen. Er zal dan echter altijd sprake moeten zijn van een beheersing door de geest en nimmer van een samenwerking tussen stof en geest.
Door het feit dat de geest de scheiding tussen de stoffelijke en geestelijke wereld kan doorbreken krachtens bepaalde maatstaven en waarden, zullen deze ongetwijfeld ook bruikbaar zijn om b.v. geestelijke krachten over deze grens te brengen. Niet alleen geestelijke genezing, zoals u misschien onmiddellijk zult denken, maar ook bewustzijn; bepaalde ervaringen, die van geestelijk standpunt uit gezien een inwijding betekenen. Het zal die geest mogelijk zijn verschijnselen te veroorzaken, die in de geestelijke wereld absoluut niet regel zijn, maar voor de mens een nauw­keurig omschreven betekenis hebben en dus ook in hem wenselijke of gewenste reacties uitlokken.
Hoe bewuster de geest is, des te gemakkelijker hij deze grens overschrijdt en hoe eenvoudiger het dus voor hem is om op aarde bepaalde invloeden uit te oefenen. Dat deze invloeden echter beperkt zijn, is betreurenswaard maar nu eenmaal een feit en maakt het voor hem noodzakelijk om zijn wegen en middelen wel met overleg en pas na diepgaande studie te kiezen.
Wat nu kan de geest van zijn zijde in de stof zoeken? In de eerste plaats zoekt de geest heel vaak een voortzetting van bepaalde bezigheden, die hij in de stof heeft gekend. Het is mogelijk dat iemand, die bv. medicijnen of rechten heeft gestudeerd, onder zekere omstandigheden door een haast niet te bemerken en uit eigen wil geproduceerde aanhechting bv. op aarde college gaat lopen en zich zo op de hoogte stelt van de nieuwste stoffelijke ontwikkelingen. Het is mogelijk dat de geest niet meer een uitbreiding van stoffelijke kennis zoekt maar juist een interpretatie, die daar bovenuit gaat. Hij zal dan eerder zoeken naar praktijk. Als voorbeeld hiervan: aanhechting niet bij een student of een professor, doch bij een praktiserend medicus of een praktiserend lid van de balie. Op deze wijze kunnen nl. menselijke aspecten worden bestudeerd.
Nu zullen dergelijke aanhechtingen slechts plaatsvinden door geesten, die nog in een vormwereld verkeren onder leiding van hogere geesten. Een groot deel van zijn mogelijkheden vindt de geest hier in het rationaliseren van eigen denkbeelden en opvattingen, die reeds in een ver verleden misschien redelijk leken, maar nu in de geest onaanvaardbaar zijn, terwijl men er nog geen vervanging voor heeft gevonden. Zo wordt een nieuwer en harmonischer innerlijk bewustzijn opgebouwd.
De geest zal echter nooit trachten de vrije wil van de mens aan te tasten, zolang hij licht is. Dit is een punt, dat uitentreuren is herhaald en niet vaak genoeg herhaald kan worden. De lichtende geest kan u nimmer dwingen tot handelingen of daden, die u ook niet zelf uit vrije overtuiging en vrije wil zou stellen.
Een methode om deze begrenzingen te erkennen en precies te weten, waar de wereld van de stof ophoudt en die van de geest begint, bestaat voor de doorsnee‑stofmens niet. Wanneer u in de stof leeft, hebt u nl. de mogelijkheid om geestelijk uit te gaan in de z.g. grenswerelden, waarin bepaalde gebieden van Zomerland zeker ook zijn begrepen. Onder leiding kan men zelfs ‑ zoals u zich uit de vorige lessen zult herinneren ‑ nog verder stijgen. U zult als mens dus alleen kunnen onderscheiden tussen waakbewustzijn en droombewustzijn of trance etc. Voor u moet dan ook gelden: Zolang u waakbewust bent, dient u te handelen volgens uw vrije wil en uw vrij bewustzijn. Elke impuls, die in u opwelt en waarvoor u geen reden kent, moet eerst worden doordacht en onderzocht. Eerst wanneer men de volle overtuiging heeft, dat zij in het eigen leven past en aanvaardbaar is, mag men daaraan eventueel toegeven.
Voor de mens is het verder raadzaam zich verre te houden van alle te sterk emotionele ontladingen. Er zijn bv. sommige kerkdiensten ‑ ofschoon niet bij de hier te lande bekende gemeenschappen ‑ waarbij men zich tot een zeer emotionele staat pleegt op te winden. Over het algemeen zal men hierdoor inderdaad contact kunnen krijgen met lichtere geesten. Maar ook een demonische geest of een aardgebonden geest vindt er dezelfde mogelijkheden tot aansluiting. Wanneer u ervan houdt eens gezellig uit te gaan en hier en daar een slokje te drinken, is daartegen geen bezwaar. Maar weest u voorzichtig, dat u zich niet in een omgeving beweegt, waarin het merendeel der aanwezigen dronken of althans sterk onder de invloed van alcoholica of andere roesmiddelen zou verkeren.
In een dergelijk geval gaat er een zo grote invloed van deze emotionele mensen uit naar de geest toe, dat het verwerven van bindingen met de mens ‑ bewust en gewild of onbewust door de geest ‑ haast niet te vermijden is.
Realiseer u verder dat u zelf de emotie kunt gebruiken om eveneens die grens te overschrijden. Het overschrijden van die grens houdt nimmer voor de mens in:
1e. een verandering van zijn waakbewustzijn.
2e. het zal nimmer een totale verandering van omstandigheden of van beheersing in de stof impliceren. (Dit kan hoogstens gelden, indien zuiver geestelijke krachten door de stof bewust worden gebruikt).
3e. zal een dergelijk contact met de geest nooit een plotselinge voor­uitgang van verstandelijke vermogens of een plotselinge vernieuwing van inzichten kunnen betekenen. Alles wat door zo’n contact zelfs inspiratief in de mens wordt ontwikkeld, moet zijn gebaseerd op het­geen aan redelijk bewustzijn in hem aanwezig is.

Dan wil ik u erop wijzen dat de geest, die de stof beziet, over het algemeen wat melancholiek is gestemd. Dat is begrijpelijk. Wij zien in die stoffelijke wereld vele dingen, die in een hoger licht bezien zo kinderlijk en kinderachtig en onredelijk zijn, terwijl degene, die vanuit een lagere wereld de stof benadert, daarin zoveel ziet van genietingen en mogelijkheden, die hem zijn ontnomen, dat in beide gevallen de benadering ‑ laat ons zeggen ‑ nu niet direct volledig vreugdig is. Dit zal altijd zijn stempel drukken op elk contact tussen geest en stof. Ook zelfs het contact, dat u hebt met ons, zal onder omstandigheden hiervan te lijden krijgen. Vandaar dat u bij elke benadering vanuit de geest, die u bewust kunt waarnemen of waarvan u zich bewust kunt worden, steeds moet zorgen dat u uw eigen redelijke en menselijke blijmoedigheid stelt tegenover deze onwillekeurige melancholie, die uit de geest tot u kan doordringen.
Wanneer u gebruik wilt maken van uw eigen geestelijke vermogens en dus de grens tussen leven en dood ‑ zoals men dat noemt ‑ wilt overschrijden, terwijl u lichamelijk blijft voortbestaan, dan wil ik ook voor een paar punten waarschuwen.
Deze grens is zeer klein en zeer scherp. Zij kan als een haarfijne lijn worden beschreven. Maar deze lijn is ‑ denkt u aan mijn eerste uitleg omtrent dimensies ‑ in feite een zeer snelle beweging. Vergelijkenderwijs zou kunnen worden gezegd: Tussen uw zuiver stoffelijke wereld en alles wat daarin bestaat èn de zuiver geestelijke wereld, beweegt zich een zeer smalle, maar zeer snel stromende beek. Wie in deze beek stapt, heeft grote kans, dat hij van de voeten wordt gerukt door de snelheid van de stroom.
De mens, die zich niet onmiddellijk weet aan te passen vanuit het menselijk besef aan het geestelijk besef, bevindt zich in een verwarde wereld, waarin zijn eigen beheersing aanmerkelijk wordt beperkt en hij alleen zijn verankering aan het lichaam (het gouden koord) nog als een soort hulp en redmiddel heeft. Alleen daardoor kan hij tot het lichaam terugkeren. Vreest hij echter, dan is het mogelijk dat hij daardoor zo’n grote spanning zet op deze verbinding met de stof, dat zij zelfs kan breken. Dit heeft dan de dood ten gevolge.
Maar men is daarmee nog niet uit die snelle stroming, uit die draaikolk a.h.w. van elementen op de grens van beweging en tijd, waardoor de breuk tot stand kwam. Hulp, die u wordt geboden, kan niet altijd doelmatig zijn, onverschillig of deze uit de stof of uit de geest komt. Eerst door u aan te passen aan de stroom, zult u tot een benadering kunnen komen van het geestelijk element.
Gaat u terug naar de stoffelijke wereld, dan bent u een stofgebonden geest en zult u op de duur leren ‑ door daar gemaakte contacten met de geest – hoe u in feite verder kunt gaan naar een andere wereld. Misschien klinkt dit allemaal erg eenvoudig en vraagt u zich af, waarom ik daar zo de nadruk op leg? Waarde vrienden, wij hebben nu met elkaar een groot aantal lezingen achter de rug. Wij hebben geprobeerd die geheimen van de geest zo’n beetje uiteen te rafelen. Maar wanneer u zich niet realiseert wat het gevaar is, dat ons bedreigt op de grens tussen stof en geest, dan zult u zich ook nooit kunnen realiseren, waarom wij voortdurend behoefte hebben aan dit explosief effect, deze plotselinge emotionele toestand, deze plotselinge ontlading van krachten, hetzij uit de geest, hetzij uit de stof. Welnu, dit is de enige mogelijkheid om tijdelijk a.h.w. deze tijds‑ en bewegingsstroom te doorbreken en daardoor de andere zijde zonder meer te bereiken. Heeft men met zijn eigen wereld een zekere verankering (dus een bestaande verbinding), dan kan men ‑ ongeacht de stroming en beweging, die tussen beide werelden bestaat ‑ altijd weer tot eigen vlak en wereld terugkeren.
In uw eigen geest nu zijn over het algemeen elementen opgenomen, die moeilijk verwerkt kunnen worden. U hebt nl. uit de geestelijke wereld de geestelijke maatstaven meegebracht. U kunt als Europeaan bv. naar Japan of China gaan, u zult leren rijst te eten met stokjes, de daar aanwezige keuken te waarderen en dergelijke. Maar u zult u nooit volledig kunnen aanpassen aan alle daar heersende opvattingen en gebruiken. U hebt nu eenmaal een kernopvoeding, een kerninhoud, welke verschilt van die van de Chinees, de Japanner enz.
Op dezelfde wijze geldt dit voor de geest. Hij komt uit een wereld, waarin maatstaven bestaan, die sterk van de uwe verschillen. Wanneer hij zich op deze wereld gaat bewegen, doet hij dit of in een droomtoestand, waarbij hij dus de voor hem onredelijke toestanden als normaal en redelijk gaat aanvaarden (zoals u doet in een slaaptoestand en een droom), dan wel hij gaat met zijn eigen gedachten en inhoud zoveel mogelijk met de stof mee en tracht daaraan zoveel mogelijk tegemoet te komen, maar hij zal toch altijd een zeker verschil van denken, reageren behouden. U moet dit goed beseffen, want uw eigen geest, mits hij bewust is geïncarneerd ‑ en dat is voor de aanwezigen hier allen en voor zeer vele mensen op het ogenblik op aarde het geval ‑ zal dank zij deze bewuste incarnatie in zich dragen een aantal andere maatstaven dan de stoffelijke. Hij zal door de erkenning van deze maatstaven altijd tot zijn eigen wereld kunnen terugkeren. Maar zolang hij zich tracht te voegen naar de stoffelijke maatstaven, vervreemdt hij zich van zijn eigen oorspronkelijke geestelijke wereld en vlak en wordt zijn terugkeer daarheen aanmerkelijk bemoeilijkt, zelfs wanneer hij alle middelen daartoe zou bezitten en alle wegen zou kennen. Het is juist hierdoor, dat zovele in de stof levende mensen weinig of geen ervaringen in de sferen doormaken en zo dit al gebeurt, daarvan zeer weinig naar het lichaam kunnen terugbrengen.
Dit is natuurlijk vanuit een gééstelijk standpunt niet erg aanvaardbaar en niet prettig. Wij, die in de geest werkzaam zijn, hebben een zekere behoefte om ons geestelijk streven ook door de geest in de stof uitgedragen te zien. Onze erkenning van kosmische eenheid is voor ons zo belangrijk dat alles, wat daarmee in strijd zou komen (en zeker binnen de geest) voor ons onaanvaardbaar is. Vandaar dat ‑ ook wanneer de geest nog niet in staat is bewust naar een andere wereld uit te treden ‑ velen van de geesten uit hun eigen sfeer beïnvloedingen trachten tot stand te brengen.
U hebt zich misschien wel eens afgevraagd, hoe het komt dat u op bepaalde ogenblikken zo overgevoelig bent; dat u op bepaalde ogenblikken ineens in opstand komt tegen allerhande gebruiken, die u toch altijd zeer normaal hebt gevonden; hoe u opeens die andere visie krijgt, waardoor u ineens walgt en genoeg hebt van dingen die vóór die tijd zo aangenaam en zo leuk waren? Hier kan sprake zijn van een overbrenging van kracht uit de geest. Uw eigen geest wordt a.h.w. hernieuwd tot haar oorspronkelijke maatstaven gewekt. Daardoor zal haar inwerking op het onderbewustzijn de menselijke reacties veranderen en zo denken en ervaren een wijziging doen ondergaan.
Wanneer echter die geest nu al redelijk is getraind, wanneer hij zich lang­zaam maar zeker meer en meer heeft aangepast aan de geestelijke maatstaven en toch nog niet bewust contact heeft met die andere wereld, zo zal men vooral uit de lichtende geest heel vaak proberen zo’n geest de middelen te geven, waardoor hij ten slotte de grens kan overschrijden. En zoals wij reeds hebben gezegd: deze middelen liggen hoofdzakelijk in een emotionele werking en een soort explosie van krachten; en wel voor de bewusten dus in een zeer sterk gerichte en bewust gehanteerde explosie van krachten.
Daarom zal iemand, die het genoemde vlak heeft bereikt, zeer sterk onder­hevig worden aan onverklaarbare emoties. Het kan soms schrik zijn, angst, in sommige gevallen een plotselinge blijheid, een plotselinge moeheid en een plotselinge vitaliteit; maar altijd optredend uit het innerlijk, uit het gedachteleven, zonder dat er uiterlijk kenbare oorzaken voor zijn.
Deze situaties, zoals zij dus worden gecreëerd door de geest, zijn dienstig om binnen lichaam en geest ‑ in de stof verkerende ‑ de middelen te schep­pen waarmee de grens tussen beide werelden kan worden overschreden.
In de stof zijn het vooral de ingewijden, de grote meesters, die de grens overschrijden of de overschrijding daarvan zonder meer voor anderen mogelijk maken. Zij gaan daarbij enigszins anders te werk dan de geest en zullen dan ook niet proberen een bepaalde emotie in de geest te scheppen.
Deze zou trouwens uit de stof komende eerder verwarrend dan aanvaardbaar werken. Zij echter zoeken dit in een toestand van aanvaarding, waarbij het innerlijk besef van het hoogste wordt omgevormd tot een emotionele toe­stand. Wij zien hiervan wel één van de grootste voorbeelden op de z.g. Wessac‑bijeenkomsten, waar immers zelfs uit zeer hoge sferen stralen van licht en banen van kracht zich prompt en haast in de stof kenbaar uit­storten. Ook hier zal het begin bestaan uit een reeks van handelingen, die in de stof plaatshebben en dan geestelijk worden voortgezet.
Geloof, harmonie en overgave zijn de middelen, die zelfs de grootste in­gewijden gebruiken om dit contact met het hoogste goed te bereiken.
En dit ‘hoogste goed’ is dan de meest lichtende geest, de geest die het dichtst staat bij het Alscheppend Vermogen.
Ik neem niet aan, dat u onmiddellijk in staat zult zijn hiervan ge­bruik te maken, maar hoop in dit eerste deel van mijn betoog van deze avond u te hebben duidelijk gemaakt:

  1. dat u zelf zonder dit te wensen vaak gevaarlijke contacten met de geest kunt veroorzaken;
  2. dat u zich hiertegen kunt beschermen door bepaalde voorzorgen te nemen;
  3. dat u door de geest zelf kunt worden geholpen en beïnvloed om de grens tussen stof en geest meester te worden;
  4. dat u door steeds beter te leren hoe u uzelf moet instellen, kunt komen tot directe contacten met de hoogste kracht, die in de geest en ten slotte ook binnen de menselijke rede zó sterk waarneembaar en zelfs berekenbaar worden, dat wij met een zeer bepaald doel krach­ten uit de hoogste geest naar de stof kunnen brengen, precies ge­noeg om dit doel te vervullen.

Voorbeelden van aanhechting.
Aanhechting in volledig onbewustzijn.

De mens noch de geest is zich bewust van het feit, dat een aanhechting ontstaat. De geest is ‑ zoals men dat noemt – verward in de aura van de mens. Hij zal voor een groot gedeelte de levenskracht van deze mens voor zichzelf gebruiken, maar omgekeerd ook zijn eigen levenskrachten aan die mens afstaan. Door deze wisselwerking ontstaat een irrationeel gedrag, dat zeer snel tot krankzinnigheid leidt en daarbij, zo de geest krachten ‘vreet’, voert tot paranoia. Indien dit niet het geval is en hij zijn eigen krachten teruggeeft, zien wij bepaalde verschijnselen van schizofrenie, waarbij het eigen bewustzijn van de patiënt vaak in de grenswerelden vertoeft.

Een tweede voorbeeld is: Bewuste samenwerking met de geest.

De geest, die in de mens een mogelijkheid ziet om bepaalde behoeften of begeerten te bevredigen, hecht zich aan deze mens. Er is dan geen sprake meer van inbezitneming of aanhechting in de aura, maar eerder van een vervlechting vooral met de gedachte-uitstraling van de mens. Er wordt weinig kracht genomen en weinig kracht gegeven. Wel echter zullen de gedachten voortdurend in die richting worden gevoerd, die voor de geest het meest belangrijk is en waardoor hij een zo groot mogelijke bevrediging kan verwachten. Zijn deze geesten van ‑ laten we zeggen ‑ zeer laag allooi, dan kan bv. in zeer korte tijd een schijnbaar normaal en vreedzaam mens een sadist worden, enz. In andere gevallen zien wij plotseling bepaalde afwijkingen ontstaan, bv. op het gebied der lusten, op het gebied van misbruik van alcohol, narcotica, e.d. Er is dan geen kennelijke reden voor deze plotselinge verandering.
In gevallen waar dit ‑ zoals een enkele keer voorkomt ‑ ten goede wordt gebruikt, zal een mens plotseling bepaalde slechte kwaliteiten of eigenschappen terzijde stellen en met een vaak onbegrijpelijke beheersing beginnen veel oude fouten te verbeteren en gelijktijdig in zijn omgeving een nieuwe invloed uit te oefenen. In deze gevallen is het opvallend dat na een bepaalde periode en het tot stand brengen van zekere veranderingen, over het algemeen deze tendens verdwijnt en de aanhechting bewust wordt verbroken.

Als laatste voorbeeld van aanhechting noem ik: Aanhechtingen door de geest gedaan met het bijzondere doel om mededelingen en misschien ook bepaalde krachten op aarde door middel van de mens te demonstreren.

Een onbewust mens wordt in beslag genomen, ongeacht zijn stoffelijke handelwijze, waarop ook verder geen invloed zal worden uitgeoefend. Deze mens zal normaal leven, zoals hij altijd heeft gedaan, maar in sommige ogenblikken plotseling profeteren, plotseling en impulsief, zonder te weten waarom, waarnemingen doen, beschrijvingen geven van visioenen of zelfs direct door handoplegging e.d. verschijnselen krachten aan anderen overdragen. In dergelijke gevallen blijkt heel vaak dat de tijd van inbeslagname kort is. Deze blijft vaak beperkt tot hoogstens enkele jaren, waarin zich afwisselend verschillende krachten kunnen manifesteren. Wanneer dit ophoudt, is er in vele gevallen een schade te ontdekken, omdat de mens meende deze kwaliteiten krachtens eigen verdienste te bezitten. Men tracht vanuit de geest dan wel eens dit op te heffen, maar het kan toch wel voeren tot, laten we zeggen, een groot gebrek aan hernieuwde aanpassing in de wereld.

Tweede deel

Twee werelden zijn er. Die van de stof en die van de geest. Maar zowel in de wereld van de geest als in die van de stof vinden wij, wat wij kunnen noemen, onderverdelingen.
Ik heb u bv. zo-even gesproken over lagere of duistere geest, ik heb u gesproken over Zomerland en andere sferen. Een indeling op zichzelf dus. Elk van die vlakken zou een wereld genoemd kunnen worden, maar eenvoudigheidshalve houden wij ons bij deze twee werelden: hier is de geest en dáár is de stof.
Wat nu zijn de verschillende maatstaven, die in de stof optreden? In de eerste plaats: Het innerlijk harmonisch zijn met bepaalde krachten of vele krachten, is een binding met de andere werelden. Daarom zal niet het verstandelijk kennen en weten alleen, maar daarnaast ook wel degelijk de eigen instelling t.o.v. het leven en de kosmos bepalen op welk niveau men zich ‑ vanuit de geest beschouwd ‑ beweegt. De mens, die ofwel geheel dierlijk leeft, dan wel tracht geheel cerebraal (dus mentaal) te leven, zal behoren tot de laagste trap. Want de mens, die geheel dierlijk leeft, zal geen enkele voor de geest belangrijke ervaring kunnen opdoen en zal door zijn voortdurend instinctief handelen geen enkele bewuste reactie op de wereld van de geest kunnen veroorzaken. Degene, die uitsluitend in zijn gedachtewereld leeft en de materie geheel terzijde werpt, leeft in een droomwereld, die zoveel van de werkelijkheid verschilt, dat hij daarin onbenaderbaar wordt. Men kan hem niet meer benaderen, men kan niet met hem in contact komen; en daarom wordt ook deze mèt de volledig dierlijke mens tot hetzelfde en laagste niveau gerekend.
Iets daarboven vinden wij de mens, die zijn stoffelijke bedoelingen primair stelt, maar zich daarbij toch enigszins laat leiden door wat hij geestelijk aanvaardbaar noemt.
Eerst waar stoffelijke en geestelijke aanvaardbaarheid in alle aspecten en bij voortduring de hoofdrol spelen, spreken wij van de hoogste graad, dus de hoogste trap van mens‑zijn. Ik hoop, dat dit duidelijk is.
Het is natuurlijk wel mogelijk u een hele reeks indelingen in typen te geven, doch die indeling is zo complex, dat ze een totaal van 144 verschillende typen zou omvatten. Het is echter voldoende te volstaan met deze eenvoudige aanduiding.
Zoals in de geest mag gelden: hoe minder gebonden aan vorm en hoe intenser één met het kosmisch denken, hoe hoger men staat, zo kan voor de mens in de stof worden gesteld: hoe harmonischer en juister zijn stoffelijk en geestelijk leven op elkaar zijn afgesteld, hoe hoger hij staat.
Nu althans enig idee is gegeven van een indeling in beide werelden, moeten wij natuurlijk ook nog vaststellen wat deze indeling kan betekenen in het contact tussen beide werelden. De harmonische mens verwerft een maximum aan geestelijke krachten en vermogens uit zichzelf en brengt uit het verworvene een maximum van eveneens met zijn eigen wezen harmonische stoffelijke uitingen voort. Eerst wanneer een geestelijk bewustzijn en een geestelijke kracht voortdurend in daad en uiting worden omgezet, krijgen wij de perfecte wisselwerking. Voor de mens, die dit bereikt, bestaat geen direct kenbare grens meer tussen de werelden van stof en geest en hij kan zowel met zijn bewustzijn (ook zijn stoffelijk bewustzijn en denken) als met zijn krachten (zowel stoffelijk als geestelijk) vrijelijk wisselen van de ene wereld naar de andere.
Het is een ideaal om dit te bereiken, maar helaas schiet men daarin steeds weer tekort. En het is ook duidelijk waarom. Want wie dit heeft bereikt, is zo vrij, ook in de wereld van de geest, dat er maar weinig aanleiding bestaat ‑ behalve misschien het voltooien van een enkele taak – in de stof te blijven of daarin terug te keren. Realistisch gezegd, mag worden aangenomen: 9/10 van degenen, die geestelijke mogelijkheden hebben en die geestelijk bewust zijn, zullen slechts een zeer klein deel daarvan redelijk en normaal verwerken. Het grootste gedeelte daarvan wordt onderbewust verwerkt en in de mens zelf meestal geuit als spanningen, die men dan door lichamelijke reacties, ontboezemingen e.d. pleegt af te reageren.
Daarnaast kunnen wij stellen: de grootste invloeden op de wereld der mensen zal zeker komen uit die geestelijke sferen en werelden, die nog het meest met de mens zijn verwant. Vandaar dat alle vormkennende werelden de meest blijvende invloed kunnen uitoefenen in de stof en er in vele gevallen, ook door de hogere geest, gewerkt wordt via de vormkennende werelden om zo te helpen in de mens het gewenste tot stand te brengen of te veroorzaken.
Ik ben bijna aan het einde van het tweede deel van mijn betoog gekomen, want over deze twee werelden valt dan nog slechts het volgende te zeggen: Elk contact tussen de werelden van stof en geest betekent in alle deelhebbers daaraan een bevestiging van de kosmische waarden, die in stof en geest gelijkelijk zijn geuit. Gelijkelijk geuit in stof en geest nu, is de goddelijke kracht, die in haar geuite vorm ook wel goddelijke of kosmische waarheid wordt genoemd. Dientengevolge zullen steeds nauwere contacten tussen stof en geest voeren tot de steeds sterkere uitdrukking van de kosmische waarheid in mens en geest. Deze verhoging van bewustzijn en vergroting van vermogen zal dan op de duur kunnen voeren tot de volmaakte uitdrukking van het geestelijk weten, kunnen en vermogen in een al even volmaakte stoffelijke vorm met even volmaakte stoffelijke mogelijkheden en capaciteiten.

Derde deel

Gezien het voorgaande, gezien de voorgaande lessen, zouden voor alle mensen, die niet alleen de geheimen van de geest willen leren kennen maar ook hun eigen geest in het stoffelijk leven actiever willen gebruiken, de volgende regels van groot belang zijn.

  1. Leef steeds als mens en nimmer als geest.
  2. Druk elke waarde echter, die u in uzelf als juist erkent, zo sterk en juist mogelijk uit op elk voor u beschikbaar vlak, gaande van de eenvoudigste daad tot de hoogste gedachte, projectie van gedachtekracht en zelfs geestelijke werking.
  3. Wanneer u een bepaalde werking vanuit de geest of in verband met de geest op aarde of in een sfeer wilt volbrengen, dient u zich steeds in te stellen op de hoogste, voor u bereikbare krachten. Doe dit met een volledig geloof, zo het u mogelijk is; in ieder geval met een zo vast mogelijk vertrouwen, zowel in uw eigen capaciteiten als in die van de krachten, die u zullen helpen. Stoor u daarbij niet aan bijko­mende verschijnselen of invloeden. Bezie deze alleen als een inwer­king op uzelf, bestemd om een zekere bereiking mogelijk te maken. Op deze wijze komt u tot een zeer grote uitwisseling van kracht tus­sen zelfs hogere geestelijke werelden en uw eigen ‘ik’.
  4. Stel nimmer kennis als voorwaarde om geestelijk werkzaam te zijn; maar tracht alle kennis, die u bezit, dienstig te maken aan hetgeen u als een geestelijke taak beschouwt.
  5. Behoed uzelf niet slechts in geestelijk maar evenzeer in stoffelijk opzicht; want u bent zowel voor uw stoffelijk leven en uw stoffelijke mogelijkheden als voor uw geestelijke aansprakelijk.
  6. Indien u tot samenwerking komt met een bepaalde geest of een bepaal­de groep van geesten of meesters e.d., dan dient u als mens steeds weer te beseffen dat de maatstaven, waarmee de geest rekent en meet, van de uwe verschillen. Elke poging van onze zijde of van welke andere geestelijke zijde ook om uw eigen maatstaven te hanteren, zal toch nog een lichte vertekening daarvan ten gevolge hebben. Wees dus in deze dingen voor alles redelijk en zelfstandig.
  7. Leer rekening te houden met de kosmische invloeden rond u. Want evengoed als u wordt beïnvloed door bepaalde groot‑kosmische entiteiten ‑ misschien wel eens foutief sterren en sterrenbeelden genoemd ‑ zo zal ook de geest aan deze werkingen onderworpen zijn. Op alle ogen­blikken, dat een grote activiteit aan beide kanten (dus in beide we­relden) plaatsvindt, zal het overschrijden van de grens gemakkelijker mogelijk zijn en zullen grotere resultaten in beide werelden kunnen worden geboekt door pogingen in of vanuit een andere wereld.
  8. Houd er rekening mee dat uw eigen persoonlijkheid u altijd predispo­neert voor bepaalde contacten met de geest en met bepaalde soorten entiteiten. Realiseer u dat u niet in staat bent om precies vast te stellen wie wel en wie niet zal komen. U kunt een voorkeur kenbaar maken, maar u kunt nimmer regelen wat u uit een andere wereld zal benaderen. Evenmin bent u volledig in staat te bepalen, waar u in de geest zult zijn, wanneer u de grens overschrijdt. Het is echter in beide gevallen mogelijk om door het ‘ik’ juist aan te passen, ten slotte toch het gewenste doel te bereiken.
  9. Wanneer er zich in de stof een geest manifesteert, die niet degene is, die u wenste te spreken of te zien, dan zal er toch een zeker verband bestaan. Gebruik een dergelijke entiteit of kracht dan als een middelaar of een vertaler en laat deze, die toch met zijn eigen wereld blijft verbonden, in zijn eigen wereld het door u gewenste contact zoeken. Het zal u blijken dat u op deze wijze praktisch ge­lijksoortige resultaten krijgt als bij een volledig slagen van uw streven.
  10. Wanneer uit de geest bepaalde krachten tot uiting komen en deze niet volledig beantwoorden aan hetgeen u wenst, zal het u blijken dat u vaak zelf door middel van manipulatie (dus door uw wil, het gebruik maken van een zekere instelling, uw kennis, de projectie van gedachten enz.) deze krachten toch aan het voor hen bestemde doel zult kunnen doen beantwoorden.
  11. Begrijp zeer wel dat de geheimen van de geest voor een groot gedeelte zijn gelegen in de grote en moeilijk hanteerbare verschillen tussen de geestelijke en de stoffelijke wereld. Het zijn niet alleen maar verborgen geheimen en krachten, maar voor een groot gedeelte voor u niet aanvaardbare of niet erkenbare waarden, die ‑ door de geest geuit ‑ in u zelfs een verweer of een zeker verzet kunnen wekken. Dit is het juist, wat het u moeilijk maakt om de geest te begrijpen. Wanneer u de geest niet begrijpt, leg dan de gehele zaak terzijde. Tracht nimmer uw eigen interpretaties daaraan toe te voe­gen en het zo aanvaardbaar te maken zonder ‑ als u de mogelijkheid daartoe hebt ‑ eerst te toetsen, of deze rationalisatie of aanpas­sing ook voor de geest aanvaardbaar is.
  12. Verwacht nimmer door middel van geestelijke krachten iets zonder moeite in de stof of in de geest te bereiken. In alle gevallen en in beide werelden geldt nog steeds, dat streven en inspanning de enige manieren zijn om tot resultaten te komen en het gewenste te verwerkelijken. Wees niet spaarzaam met uw krachten in de stof of in de geest, want alle krachten die u geeft in overeenstemming en harmonie met een groter doel, zullen ‑ zowel in stof als in geest vanuit de kosmos worden aangevuld.
  13. Verder wil ik u erop wijzen dat de overgang van de mens (de dood) zowel als het menselijk leven zelf, eigenlijk de mens altijd weer con­fronteren met de begrenzing, die tussen beide werelden aanwezig is. Alles wat u ziet als tijd, alles wat u dus ervaart als het verder snellen naar het graf enz., is niets anders dan het erkennen van de grens, die tussen uw stoffelijke wereld en de werkelijke geeste­lijke wereld bestaat. Aan beide zijden is de waarheid; alleen de grens op zichzelf is niet waar. Realiseer u dit steeds. Deze grens, die zo moeilijk is te overschrijden, deze grens, die ons in sommige gevallen in astrale sferen doet verdolen en aan enorme beproevingen kan bloot­stellen, is niet reëel. Zij komt ten slotte voort uit de verschillen in bewustzijn, waardoor de verschillen in wereld‑realisatie en bewe­ging ontstaan. De grens tussen de wereld van de geest en de wereld van de stof komt voort uit de verschillen in bewustzijn, reactie en leven. Zodra u de­ze verschillen voor uzelf kunt wegvegen – en dit is onder omstandig­heden mogelijk ‑ hebt u een directe weg gevonden tot het heilige der heiligen toe, want dan kan geen enkele begrenzing tussen werelden of sferen u meer weerhouden door te dringen tot het hoogste, dat voor u nog aanvaardbaar, voor u eventueel nog dragelijk is.
  14. Zoek de waarheid altijd in uzelf. Maar begrijp dat elke waarheid, die ge in uzelf vindt, alleen dient als toetssteen voor hetgeen buiten u bestaat. Wat buiten u bestaat in geest en stof en wat in u als waarheid leeft, zal door voortdurende vergelijking tot overeenstemming moeten worden gebracht.
  15. Ten slotte wil ik u dan nog op het volgende wijzen. Voor de geest is een absolute vrijheid in de stof op elk terrein begeerlijk. Voor de stof echter is een dergelijke vrijheid absoluut onaanvaardbaar. Vandaar dat in alle gevallen, dat u zich afvraagt: Wat is nu de geestelijke richting en wat de stoffelijke? een redelijk overleg en het te rade gaan met de gevoelswereld, waarin de geest het sterkst tot uiting komt, tot het kiezen van de juiste middenweg zal moeten leiden. De juiste middenweg, die onmiddellijk handelen mogelijk maakt en niet alleen berust op een afwachtende houding, maar anderzijds ervoor zorg draagt, dat voor onszelf (innerlijk), voor de wereld waarin wij leven (de stoffelijke bv.) en voor de invloeden van de wereld van de geest een aanvaardbaar bestaan wordt geschapen. Dit laatste punt is één van de meest belangrijke. Want alleen hierdoor kunt u komen tot die andere geheimzinnige kennis, die niet geheel met de wereld van de geest en de geheimen van de geest samenhangt: de kennis van het innerlijke ‘ik’ of de esoterie en de kennis van de beheersing der dingen of de magie. Deze beide zijn alleen vanuit deze waarden van het gemiddelde benaderbaar én kunnen nooit uit extrême handelingen of acties voortvloeien, ongeacht in welke richting deze zich bewegen..

Eenzaamheid

Eenzaamheid is moeilijk te omschrijven. Je bent alleen, zelfs wanneer je niet alleen bent. Je kunt eenzaam zijn te midden van de grootste drukte, te midden van de meest intense contacten, die je je maar kunt voorstellen.
Iemand, die eenzaam is, voelt zich eigenlijk als een figuur in de kristallen bal van een hemelse wichelaar gevat: aan alle zijden door het kristal bezien en zichtbaar zich tonend in wereld en leven en weten, zonder ooit zelf de begrenzing te kunnen doorbreken en dat, wat hem gadeslaat, te kunnen zien, te kunnen beroeren en te kunnen kennen.
Eenzaamheid is een onzichtbare ban, die je ‑ als een demon binnen het pentagram ‑ gebonden houdt aan een plaats, waar je niet wenst te zijn.
Waarom is men eenzaam? Soms zegt men dat eenzaamheid voortkomt uit eigen onbegrip, uit onvermogen zich bij de mensen aan te passen. Soms stelt men dat eenzaamheid een zekere vorm van egoïsme is, waardoor u uzelf afzondert; of een vrees voor anderen en een vrees gekwetst te worden. Maar is dat wel waar? Eenzaamheid, mijn vrienden, is in feite al deze dingen en meer.
Eenzaamheid is: uiterlijk leven. Hoe meer je uiterlijk leeft, hoe eenzamer je bent. Hoe meer je innerlijk leeft, hoe minder eenzaam je zult zijn. Want de kern waar alles om draait, is in dit geval: er is tussen mij en anderen een grens. Datgene, wat ik als mijn eigendom zou willen zien, kan ik niet tot mijn eigendom maken; datgene, wat ik zou willen geven, wordt niet aanvaard; datgene, wat ik zou willen horen, wordt niet gesproken; en datgene, wat ik zeg, wordt niet verstaan. Maar dat is uiterlijk, dat is een eis aan de buitenwereld. Eenzaamheid zal altijd verdwijnen, als je beseft hoe de kern der dingen in jezelf is gelegen.
Je kunt natuurlijk hongerig zijn naar bepaalde verschijnselen in het leven. Soms kan het je overweldigen als een alles meeslepende stormvloed en je voortjagen tot aan de grenzen van een onbekende wereld. “Ik wil, ik moet” of “ik kàn niet anders”. Maar dat is incidenteel en dat heeft met het al of niet eenzaam‑zijn niets te maken. Want de mens, die wordt voort gezweept door zijn lusten en al zijn begeerten, is in vele gevallen eenzamer dan de mens, die beheerst en schijnbaar eenzaam als kluizenaar leeft te midden van de wildste wildernis.
Het is: Hoe sta je tegenover de wereld? Wat is de wereld voor jou, wat betekent ze?
En nu kun je die wereld in een systeem gaan vastleggen, maar dat neemt de eenzaamheid niet weg. Je kunt die wereld gaan zien als iets, dat je moet overwinnen; maar wie overwint, is eenzaam. En wie zich verslagen acht, zóekt eenzaamheid, al is het maar om van zijn wonden te genezen.
Neen, de aanvaarding van de wereld is een eerste noodzaak. Om niet eenzaam te zijn, moet je in de wereld a.h.w. jezelf zien en jezelf erkennen. Je moet beseffen dat alle dingen tot je spreken, wanneer je je eigen wezen toestaat hun taal te verstaan. Je moet begrijpen dat er geen grenzen zijn tussen leven en dood, tussen ondergang en herrijzenis, dan alleen de grenzen, welke je zelf stelt. Want daar, waar leven eenmaal is, blijft leven. Daar, waar eenmaal een beeld in jezelf is ontstaan, is dat beeld blijvend. Het is niet noodzakelijk, zoals de mensen denken, om voortdurend voort te jagen, voortdurend hetzelfde te herhalen, voortdurend hetzelfde hernieuwd te bevestigen, als je in jezelf zuiver, redelijk en reëel leeft. Wanneer een mens je eenmaal zijn aandacht geeft, éénmaal een woord misschien, dan blijft dat woord toch in je bestaan, als het waarde heeft? Hoe kun je dan nog eenzaam zijn? Omdat het woord niet meer klinkt? Laat het klinken uit jezelf.
Een mens is eenzaam omdat niemand hem begrijpt. Maar er is toch ergens iets, wat jou begrijpt? Al is het maar God, waarin je gelooft. Of de wereld, die je stemmingen weerspiegelt met regen en met zonneschijn, met spel van wolken en golven. Of misschien ook met de geheimzinnigheid van nevel tussen de bomen. Aanvaard die dingen als gezelschap. Aanvaard het hele leven eigenlijk als één voortdurende openbaring van wat in je leeft en een antwoord, dat in je bestaat; en je zult nooit eenzaam zijn.
God is niet de grote Wichelaar en wij zijn niet de spookbeelden, die Hij oproept in Zijn kristallen bol, als misschien een vertoning, een vermakelijkheid voor de ongekende groten van een vreemde kosmos. Wij zijn wezens, die in en van uit zichzelf wereld en kosmos kunnen construeren en opbouwen.
Bevalt de geschiedenis van de wereld ons niet, dan kunnen wij gaan strijden en zullen eenzaam worden. Maar wij kunnen in onszelf ook die wereld dragen en a.h.w. onze eigen betekenis aan al die dingen in de wereld toekennen. En ziet, de gehele wereld spreekt tot ons en geeft antwoord op ons wezen.
Eenzaamheid is waan. Eenzaam zijn, verzinken in de put der eenzaamheid, die tot de onderwereld leidt, waar de wraak der demonen je in diepe duisternis zou verbergen, is niets anders dan de vlucht voor het Gouden Licht, het gouden Leven, dat je gegeven is en dat in je bestaat.
Eenzaamheid is een vorm van haat en verwijt. Verwijt tegen de wereld en strijd met de tijd, met onvolkomenheden; een niet reëel en werkelijk betreden van de wereld. Neem met het ogenblik genoegen, dat de tijd je geeft. Eenzaamheid is een innerlijk sterven. Niet omdat je sterven moet, maar omdat je weigert voort te leven, het ‘ik’ geen wil tot leven heeft.
Zoek dan uit de wereld het gouden Licht te puren, de kracht die alles verstaat. Dan zijn alle uren gevuld, die tezamen vormen het leven en de tijd. Gevuld is dan de eeuwigheid en de volheid van het leven spreekt dan tot je. Dan kun je niet meer eenzaam zijn.

Vertrouwen

Vertrouwen is een dwaas iets. Je hoort van mensen, dat ze elkaar vertrouwen; maar deze woorden houden in dat ze de rest wantrouwen. Met andere woorden: vertrouwen is een uitzonderingstoestand, iets wat men een enkeling toekent zonder precies te beseffen dat men daardoor de rest van de wereld veroordeelt. Zo is in feite alle vertrouwen in zekere zin een verwerpen.
Wanneer een mens zegt: “Ik vertrouw op God”, dan klinkt dat fraai. Het is een woord, dat vooral in de kerken werd geboren en wordt gezegd door eenieder, die gelooft. Maar gelijktijdig berooft men zich zo van het vertrouwen in het leven, in de wereld zelf, in het ‘ik’. Wanneer ik iets vertrouw, dan geef ik toe dat ik dit meer vertrouw dan andere dingen; of andere dingen minder ken, vertrouw en begrijp of zelfs voor mij betrouwbaar en hanteerbaar acht.
Nu zegt men: “Je moet in de wereld vertrouwen hebben. Vertrouw in je medemens.” Zeker, het klinkt fraai. Maar zou het niet eerlijker en beter zijn te zeggen: “Mens, leer op jezelf te bouwen en in je medemens steeds dàt te zien, wat in jezelf leeft?” Onverschillig welk antwoord die medemens je geeft met zijn gedrag, zijn handelingen en zijn taal, vertrouw in jezelf, in de kracht die in je leeft, de kracht die je geschapen heeft. Niet in een ideaal, dat vaag in de verte zweeft, maar in de werkelijkheid die je bent, nu. En de mogelijkheid die je bezit, nu. Is dat niet het enig ware vertrouwen? Het moet uit jezelf komen.
Vertrouw de gehele wereld. En als je de hele wereld vertrouwt volgens de menselijke opvatting van vertrouwen, dan word je door minstens de helft van de wereld beschaamd. Want de helft van de wereld denkt anders, leeft anders en is anders dan jij. En wat je in jezelf zo schoon had opgebouwd, wordt door die anderen eenvoudig vertrapt en verloochend en je voelt je verraden.
Maar is dat realisme? Wanneer ik een mens vertrouw, dan doe ik dat eigenlijk omdat ik van die ander aanneem, dat hij precies beantwoordt aan wat ik van hem verwacht. Met andere woorden: ik verg eigenlijk dat hij zich aan mijn macht, mijn denken, mijn streven en werken overgeeft. Ik verwacht dat eenieder leeft volgens mijn maatstaven en mijn regels. En is dat nu wel realistisch? Heeft het nu werkelijk ook maar iets van doen met de werkelijkheid en met de schepping? Het is in de schepping toch eigenlijk zo, dat elk wezen wordt geschapen met een eigen taak, een eigen mogelijkheid en een eigen leven. Een eigen leven en een eigen taak, niet de uwe. Hoe kunt u, die deze taak en het wezen van de ander niet kent en diens leven en mogelijkheden niet erkent, beoordelen of vertrouwen mogelijk is of niet?
Vertrouwen is een projectie van uzelf in anderen; maar dan met de verwachting, dat de ander een getrouwe nabootsing van dat ‘ik’ zal zijn of van de verwachtingen, die het ‘ik’ stelt. Zelfs wanneer wij in God vertrouwen, dan verwachten wij dat God ons een wereld zal bouwen met alle gebeurtenissen, precies zoals wij ze willen hebben. En als dat niet gebeurt, dan heeft God ons vertrouwen beschaamd. Is dat reëel?
O, ik weet het wel. Men zou zo gaarne het vertrouwen zien als de zoete band van mens tot mens, van mens tot God, datgene wat het lot onscheidbaar verenigt en voort doet gaan door de eeuwigheid. Maar is het dan ònze voorstelling op een bepaald moment van bestaan en een bepaalde trap van leven, die ten slotte een oordeel velt over alle tijd? Is òns het recht gegeven te zeggen: “Gij zult en gij zult niet?” Is het òns gegeven te zeggen: “Zo alleen is het goed?” Toch is vertrouwen daarop gebaseerd.
Een mens belooft u iets. Een belofte, wel gesproken, wordt goed verstaan, naar ge meent. Wat heeft hij gezegd? “Ik zal zeker in de morgen tot u komen.” Maar hij heeft de morgen niet genoemd, waarop hij tot u komt. U wacht; de volgende morgen zal hij komen. En zie, als hij niet komt, uw vertrouwen is beschaamd en u zegt: “Op zijn woord kunt ge niet bouwen. Ik heb geen vertrouwen meer in iemand, die zo is.” Wie heeft het nu mis, u of die ander? Wie heeft er eigenlijk iets gedood, u of die ander?
U zegt tegen een mens: “Ik verwacht van u dat u zo zult handelen, denken en leven. En u zet het desnoods in een contract. Alles plechtig neergeschreven en notarieel bevestigd. Dit is in de menselijke dreven dan toch wel het recht. Daarop mag ik dan toch vertrouwen, want het staat op papier. Het gaat een tijd lang goed. Maar de omstandigheden veranderen, de mens verandert en zijn mogelijkheden en behoeften veranderen. En dan kan hij zich niet meer houden aan het contract. Het contract is verbroken. U kunt hem misschien aanklagen of bestrijden. Maar wat zegt u? “Nu dacht ik toch wel zo, dat ik déze mens kon vertrouwen.”
Kunt u iets vertrouwen op deze manier? Is er dan iets blijvends, wat u kent aan vormen en aan leven? Zeg me eens, wat is eeuwig op aarde behalve misschien de goddelijke kracht, die leeft in de mens?
Van moment tot moment wisselt de mens zijn wezen en denken, al beseft hij het niet. Van moment tot moment verandert de wereld en verandert de tijd. Elk ogenblik opnieuw andere krachten en andere mogelijkheden. En u wilt een vaste maatstaf aannemen, waaraan u een ieder kunt meten en onderwerpen en dat vertrouwen noemen? Ach kom. Bent u dan vergeten dat ieder zijn eigen taak heeft en zijn eigen leven? Dat ieder op zijn eigen wijze naar het ene einddoel gaat?
Neen, laat vertrouwen als een woord niet met die bittere loden zwaarte wegen, waarmee zo menigeen medemens en anderen kluistert. Vertrouwen mag u hebben in uzelf. Uzelf immers kent u van dag tot dag, van uur tot uur. Althans uzelf kunt u kennen, indien u wilt. Vertrouw op uzelf, dat is aanvaardbaar. En zo u erop vertrouwen wilt dat uw leven een doel heeft, is het redelijk, indien dit uw geloof is.
Maar wat wilt u meer vertrouwen? Wilt u de geest vertrouwen? O zeker, de geest is te vertrouwen, zolang uw eigen wezen antwoord vindt in die geest. Maar als die geest morgen verandert en andere dingen ziet en andere krachten kent en u wendt u daarvan af, heeft dan die geest uw vertrouwen beschaamd? Of hebt u misschien anders en meer verwacht dan gegeven kon worden? Of hebt u misschien eisen gesteld, zonder te weten of ze redelijk en mogelijk zijn?
U vertrouwt in alle dingen en u wordt steeds in uw vertrouwen beschaamd. Daarom wil ik u van dit woord zeggen: Vertrouw alleen in uzelf. Vertrouw ‑ zo u wilt ‑ op uw God, maar nimmer op datgene wat uw God voor u zal doen. Bouw op datgene, wat u in uzelf als mogelijkheid op dit ogenblik kent; maar kies voor vertrouwen – zo u kunt ‑ een ander woord en spreek van ‘geloof’. Want als u iets gelooft en het blijkt onwaar, dan kan een deel der waarheid voortbestaan en dan kan de bevrijding van de waan zelfs het geloof in de grootheid sterker maken.
Geloof is niet als het vertrouwen, dat breekt. Wáár geloof veredelt zichzelf, naarmate het meer wordt beproefd en meer met de waarheid wordt geconfronteerd. In geloven léért de mens. En uit geloven put hij onmetelijke krachten. Maar wanneer hij op vertrouwen alleen zich baseert, dan wordt het al te vaak een pogen om al, wat hij in zichzelf meent te kennen of meent te hebben geleerd, aan anderen op te leggen. Dan betekent dit, dat hij zich het recht toekent te zeggen wat anderen moeten doen, welke maatstaven van fatsoen, van leven en van rede voor hen moeten bestaan. En hij is verbitterd en acht zich gebroken, wanneer anderen aan dit, wat ten slotte toch waan is, een voorstelling die alleen in het ‘ik’ bestaat, niet beantwoorden. Dan zegt men: “Ja, ik heb vertrouwd, maar het was weer ten onrechte. Ik ben weer beschaamd.”

Geloof, mens, in het leven en de zin van het leven. Deze dingen zijn waar.
Geloof dat al, wat je aan mogelijkheden wordt gegeven, bestemd is voor een bepaald doel. Want dat is waar.
Geloof, dat je alle dingen kunt volbrengen, waarvoor je bent geschapen. Want dat is zeker waar.
Geloof, dat alles mogelijk voor je is en vertrouw in jezelf, dat je deze dingen kunt en zult volbrengen. Dat is mogelijk.

Zodra je een ander vertrouwt, bouw je op zand. En wie een kostbaar huis bouwt op zand, wordt vaak verpletterd onder de ruïne. Bouw daarom liever op rots en op steen. Op dat, wat je gelooft en wat je kent; op dat, wat alleen in jezelf als maatstaf geldend, zich voortdurend kan aanpassen aan een werkelijkheid, die je kent. Iets wat voortdurend dat wat je bent, in werkelijkheid uitdrukt. Dat is het enige wat van belang is. En zo u wilt vertrouwen, vertrouw dan eenieder. Maar niet, vertrouw op wat iedereen zal doen. Hoe zult u weten welke belofte of welk woord wel betekenis heeft, dan wel niet zal worden gehouden?
Vertrouw, dat elke mens op zijn wijze ten slotte toch ook streeft naar het geluk, naar het goede, naar het lichte, zoals hij meent dat te kunnen bereiken, evenals u.
Vertrouw, dat de mensheid zelf zin heeft, omdat ze anders niet zou bestaan. Maar dat is dan ook het enige vertrouwen, dat voor u mogelijk is, vrienden. Elk ander vertrouwen ligt zo dicht bij de grens van de zelfbegoocheling, dat het moeilijk is u daartoe op te wekken.
Ik kan u wel zeggen: Vertrouw in ons en in de geest. Maar u zult ons eisen stellen, of u zult in onze woorden dingen lezen; en wij kunnen de eisen niet vervullen of onze woorden zijn anders gezegd; en ze hadden een andere inhoud, een andere achtergrond, een andere gedachte. En dan zult u ons verwijten dat wij uw vertrouwen hebben beschaamd. Daarom is het zelfs moeilijk dit te zeggen.
En dus blijft er voor mij alleen nog dit: Vertrouw waar u wilt, mits u nimmer ‑ ook wanneer uw verwachtingen beschaamd worden ‑ uw vertrouwen beschaamd acht. Dat lijkt mij dan het juiste antwoord op dit onderwerp.
Gezien het voorgaande, dat volgens mij volledig waar is, meen ik er goed aan te doen te verklaren dat het begrip ‘vertrouwen’ door ons in algemeen menselijke zin ook verder gebruikt zal worden. Maar dat wij de inhoud van vertrouwen eerder zien als een geloof en een aanvaarding, een eenwording in zekere zin, dan als een contract, waaruit zal blijken dat onze verwachtingen niet beschaamd worden.

Zeepbellen

Een zeepbel is het vel van de illusie, dat glimmend om het niet is gepast en barstend zich oplost in de luchten of het oog doet tranen en zo wast uit het oog het beeld van een schitterende, volle gedachte.
Een zeepbel is een luchtkasteel, uit een pijp geblazen en ‑ gaande met vele ‑ speelt met de wind, totdat de spanning wat te groot wordt en de lucht de vrijheid vindt en uit de verbroken begrenzing de mens terugkeert tot de werkelijkheid.
Zeepbellen blazen is een spel, dat de meeste mensen zo gaarne bedrijven. Ze menen: daarmee blijven we dan gevrijwaard voor de zorgen en noden van de tijd.
Zij blazen hun bellen van rust en van vrede, van geestelijke wijsheid en democratie.
Ze blazen hun bellen van kosmisch begrijpen en wereldomvattende melodie. En zodra er ook maar iets begint te nijpen, dan springen die bellen al uit hun vel.
En de mensen? Nou, dat kun je best begrijpen, die springen mee, dat snap je wel. Daarom blaas je luchtbellen, zeepbellen.
Wil je spelen? Speel mens, zoveel je wilt. Speel met al wat je goed en schitterend en lichtend als een zeepbel vindt. Maar speel daarmee dan als een kind en vang aan, zodra de eerste klapt, de volgende te blazen. Wees niet als dwazen, die alles betreuren wat sterft als een zeepbel; gebeuren, dat plotseling zijn glanzen derft. Pleit niet te veel om wat vergaat, zolang een nieuwe zeepbel, hoop en licht en vreugde gevend, opnieuw de pijp van het menselijk denken met spelende glanzen zacht ontgaat.
De mens, met zichzelf zeer begaan en wel vervlochten in het menselijk bestaan, bouwt zich voortdurend een waan, waaraan hij zichzelve heeft overgegeven. En wil nu van zichzelf dan niet weten, dat hij voor waan slechts wilde bestaan.
Vandaar dat zoveel mensen hopen dat de wereld zal vergaan; dan behoeven zij tenminste niet van eigen dwaasheid nog te weten.
Maar zoek je, mens, de werkelijkheid, het menselijk leven, mensenvreugd en mensenleed, ben je vrij en eerlijk in je streven, dan zal de wereld voortbestaan, omdat je leeft en denkt in werkelijkheden; en daarom niet uit bange waan bevreesd bent om het spoor van nieuwe tijd en lichte kracht te betreden.