Tweede werkelijkheid in praktijk

Wat tweede werkelijkheid is zullen de meesten van u waarschijnlijk wel weten. Ik zal het toch nog voor degenen – die het niet weten – kort formuleren.

Wij hebben een werkelijkheid, waarin we geloven. Dat is de werkelijkheid waarin we leven. Daarnaast bestaat er een mogelijkheid een soort droomwereld te kennen. Die droomwereld kan in bepaalde omstandigheden waar worden. Ze kan zich dus vermengen met de werkelijkheid, die we kennen. We noemen haar een tweede werkelijkheid, ofschoon ze voor ons kenbaar wordt door het overdragen van deze dromen naar de feitelijke werkelijkheid. Ik hoop, dat dit een voldoende omschrijving is, want het gaat vandaag over de praktijk.

Dan wil ik maar meteen beginnen met een heel belangrijk punt. Als u denkbeelden heeft en die komen uit uw wereld, uit uw eigen werkelijkheid, dan zit er over het algemeen een keuze‑element in. Dat wil zeggen; de toestand waarover u nadenkt, waarmee u zich bezig houdt, had voor u reëel kunnen ontstaan, mits een of twee keuzen in uw leven anders zouden zijn gevallen. Want een tweede werkelijkheid moet natuurlijk dicht bij de realiteit liggen. We kunnen niet gaan dromen dat we Karel de Grote, de Stoute of de Goede zijn of misschien Lodewijk de Vrome. Dat kun je wel dromen, maar dat kun je nooit worden. Je kunt hoogstens iets van hun mentaliteit overnemen, maar nooit van hun feitelijk wezen en hun feitelijke macht.

Stel, dat ik een toestand heb ontdekt. Bv.: indien ik een ander lot had gekocht, had ik de 100.000 gewonnen. Dat is heel aardig, maar dan zou ik dus in staat moeten zijn om te weten welk lot prijs heeft en welk niet. Dat is theoretisch mogelijk, praktisch is het eigenlijk onmogelijk. Maar ik kan mij wel bezighouden met dit feit en in mijn droomwereld komen tot een aantal tekens. Gewoon tekens, die ik in de droomwereld beschouw als waardevol en aan de hand waarvan ik een winnend biljet kan kiezen. Nu het typerende; Als ik deze tekens nu zoek in mijn eigen wereld, dan zal ik ‑ ofschoon die tekens op zichzelf niets te zeggen hebben – met een zeer grote waarschijnlijkheid een winnend biljet hebben, ook al is dat dan eigen geld of een klein prijsje; maar ik zit in ieder geval niet met helemaal niets. Ik zal proberen u uit te leggen waarom.

Als ik denk, dan is mijn denken gebaseerd op een waardering, die ik heb van mijn kundigheden en van alle dingen in de wereld. Indien ik echter de beperking, die ik aan mijn kundigheden en gevoeligheden opleg, kan verwaarlozen ‑ op welke manier dan ook ‑ en gelijktijdig kan doordringen tot de essentie van de mogelijkheden of de voorwerpen van mijn eigen wereld, dan zijn mijn kansen veel groter. Dat kun je bewust niet doen, omdat je door opvoeding en allerlei andere wijzen eigenlijk gebonden bent

Dan een aantal beperkende denkbeelden. De maatschappij is een structuur, die alleen bestaat krachtens de beperking en, die ze aan het denken en aan het gevoelsleven van de leden van die maatschappij pleegt op te leggen.

Als ik dus vrij word, dan heb ik daarvoor iets nodig. Ik kan het niet redelijk doen; ik moet het dus niet‑redelijk doen. Ik gebruik voortekens, die op zichzelf niets te zeggen hebben, maar door mijn zoeken daarnaar alleen al verander ik mijn relatie tot de wereld en tot de dingen die daarin zijn. En aangezien ik daarachter een vast doel heb, komt dat doel binnen mijn bereik, ook al zal het niet helemaal worden vervuld. Daar hebben we dus al direct de eerste praktische mogelijkheid.

Indien ik in een fantasie‑ of droomwereld bepaalde stellingen of beelden opbouw, die in mijn wereld normaal niet van kracht zijn en iets kan vinden, waardoor ik in mijn eigen wereld een associatie daarmee kan vinden (tekens, voorbeelden, een toverspreukje of wat anders), dan kom ik automatisch in een toestand, waarin het totaal van mijn capaciteiten zo sterk mogelijk wordt gericht op en gebruikt voor het bereiken van het doel, zonder dat de maatschappelijke en geloofsbeperkingen daarbij verder een rol spelen.

Ik weet niet, of u dat interessant vindt. Ik zou u ook niet aanraden om onmiddellijk allemaal loten te gaan kopen in de een of andere loterij, dat begrijpt u ook wel, maar u kunt de proef eens nemen. Als u dat vele keren heeft gedaan en u zegt: Ja, nu ken ik werkelijk de tekens, dan moet u toch zo’n lot eens kopen.

Een andere mogelijkheid, die we hebben is deze: De werkelijkheid wordt bepaald door de opvattingen en de reacties van de mensen. Niet alleen door de feiten, maar door de interpretatie daarvan. Op het ogenblik dat ik in staat ben mijn reacties en de interpretatie van de feiten los te maken van die van de gemeenschap, ontstaat er voor mij een ander wereldbeeld. Dit wereldbeeld kan ik aan de mensen niet overdragen. Er is geen communicatiemogelijkheid, omdat zij eenvoudig niet kunnen verwerken dat ik uitga van een ander standpunt dan zij. Probeer maar eens met een christen te debatteren en zeg; De bijbel is Gods woord niet. Dan zijn er heel veel christenen, die onmiddellijk in nood komen. Zij spreken dan niet meer over het onderwerp, dat van belang is en waarover je iets zoudt willen zeggen, maar alleen over de vraag, of het nu wel of niet Gods woord is. Als je een Nederlandse democraat gaat vertellen, dat zijn democratie in feite een regentendictatuur is, dan staat hij op zijn achterste pootjes; zeker als hij van D66 is, Maar het is een feit. Vanuit een bepaald standpunt is dat zo.

Als ik dus eenmaal een wereldbeeld heb, dan staat dat voor mij naast het wereldbeeld van anderen. Het wereldbeeld van die anderen bepaalt eigenlijk de manier, waarop ik moet en kan leven. Ik kan mij niet helemaal daaraan onttrokken. Ik kan alleen op een andere manier beseffen. Dit is dan ook weer een tweede werkelijkheid geworden. In die tweede werkelijkheid kan ik niet communiceren, naar ik kan wel de dogma’s opzij schuiven en daarvoor in de plaats een werkelijkheid vinden. Er zijn in de techniek heel veel eenvoudige oplossingen te vinden, die echter door de traditie onmogelijk worden gemaakt. Datzelfde is ook het geval bij het oplossen van verkeersproblemen e.d.. Nu kan ik nooit zeggen, dat ik die oplossing daarom kies. Maar ik kan wel de oplossing in mij beseffen en haar omzetten in praktijk. Dan geldt dus: Een technisch inzicht of een soortgelijke waarde in deze z.g. tweede werkelijkheid verworven, kan niet onmiddellijk in de wereld worden overgebracht als een erkende these, maar wel als een praktische bereiking, die wij dan door de mensen, die wij ermee confronteren a.h.w. vanzelf rationaliseren, tot zij in het systeem past.

Nu kun je natuurlijk ook hatelijk zijn over een tweede werkelijkheid. Ik heb bv. altijd het idee, dat politici eigenlijk in een soort tweede werkelijkheid manipuleren. Want er is een groot gebrek aan communicatie. Er komt ook wel eens wat goeds uit, maar hun interpretatie van de feiten is er altijd een, die sterk van de norm pleegt af te wijken. Iemand, die stemmen verliest, beweert dat zijn partij er eigenlijk bij gewonnen heeft; en iemand, die stemmen heeft gewonnen, beweert dat zijn partij eigenlijk niet sterk genoeg is geworden en dat hij daarom heeft verloren. Dat zijn natuurlijk krankzinnige dingen. Voor politici heb ik hier geen praktische raadgevingen. Maar ik heb wel een paar praktische raadgevingen, die de richting uitgaan van wat men magie pleegt te noemen.

Driekwart van het leven is gebaseerd op symbolen. U betaalt met geld. Hoeveel is een gulden werkelijk waard? “30 cent” zegt iemand. Ongeveer, ja. Maar als u nu een bankbiljet van fl 100,‑ heeft, hoeveel is dat dan waard? Misschien vier gulden. Geld is dus een symbool. Wetten, regels e.d. zijn alle symbolen. Maar omdat wij de symbolen als werkelijkheid aan­nemen, maken zij allerlei manipulaties mogelijk, die zonder dat niet zou­den kunnen bestaan. Stel u voor, dat u dat met ruilhandel zoudt moeten doen. Dat u uw salaris in natura zou krijgen. Ik zie u al sjouwen met een paar kazen, wat eieren en melk en de rest. Dat is eenvoudig niet te doen. Daarvoor hebben we dus een ruilmiddel nodig. Dat ruilmiddel is het symbool voor de waarde in natura.

Nu kan ik in mijn denken op een gegeven ogenblik allerhande ingewikkelde denkbeelden en manipulaties vinden, waarmee ik werkelijk iets kan doen. Bij wijze van spreken: als ik 10 jaar ga zitten studeren op een bepaald onderwerp, dan kom ik wel zover dat ik vlug conclusies kan trekken uit dat onderwerp t.a.v. alles wat er gebeurt. Maar als u nu zegt: Ik wil niet studeren en ik wil toch die antwoorden vinden, dan is de kwestie heel eenvoudig. Die kennis zou voor mij niet zonder meer te verwerven zijn, indien zij niet reeds aanwezig was. Kennis, die reeds aanwezig is, is op elk ogenblik bereikbaar. Kan ik een symbool voor die kennis vinden, dan krijg ik een z.g. intuïtieve toegang tot die kennis.

Dan zou je dus naar een examen kunnen gaan en de heren professoren door je veelwetendheid verbazen, terwijl je eigenlijk niets weet. Nu is dat helemaal niet zo verbluffend in de wereld van de wetenschap. Er zijn een hoop mensen, die niets weten en die daarom als hooggeleerd worden beschouwd. Maar waar het mij om gaat is dit ‑ ik ga het maar schematisch formuleren -: Alle kennis en alle denken van de wereld is in zekere mate voor mij toegankelijk zolang ze gelijktijdig met mij existeren. Daar ik echter normaal die toegankelijkheid alleen via bepaalde wegen pleeg aan te nemen, zal de toegankelijkheid voor mij zeer beperkt zijn. Op het ogenblik echter, dat ik de beperkingen kan vervangen door een symbool (dat kan een machtswoord zijn, een toverwoord, een gebaar) schep ik voor mijzelf een zodanige psychische waarde, dat door de omstelling van mijn gehele psyche de receptiviteit voor die kennis zo groot is, dat ik daaruit onmiddellijk en zonder voorafgaande moeilijkheden kan putten. Dan komen we meteen ook bij een ander onderwerp: gedachten zijn krachten. Dat verhaal heeft u wel eens gehoord. Als je iets denkt, dan straal je iets uit; en als je het sterk genoeg uitstraalt, maak je het waar. Er zit veel in. Maar ga ik het nu eens anders formuleren, dan zeg ik: Alle gedachten zijn voorstellingen, die in mij leven, van mij uitgaan en alleen door de resonantie, die ze vinden in de wereld buiten mij betekenis krijgen. Dat wat ik denk heeft pas betekenis, indien de wereld een antwoord geeft op mijn gedachten.

Indien ik een gedachte kan vormen, die voor mijn normale wereld niet reëel bestaat en ik kan daarop een antwoord krijgen uit de wereld, dan is al hetgeen in de gedachte bevat is voor mij reëel. Ik kan dus, mits ik een beantwoording van de wereld kan afdwingen, alle dingen waarmaken. Dat is dan weer een heel sterke stelling voor de meeste mensen.

Aan de andere kant: de menselijke psyche is een heel eigenaardige structuur. Als we nu weten hoeveel van uw capaciteiten en be­kwaamheden door u zelf worden afgeremd of door u plotseling naar voren worden geschoven, dan moet u toch wel tot de conclusie komen, dat u eigenlijk voortdurend bezig bent met uw mogelijkheden te spe­len. Als u een schuldgevoel heeft, dan wordt u ziek of u doet dom­me dingen. U reageert te laat, omdat u zich de bekwaamheid tot rea­geren, die u normaal bezit, heeft ontzegd. Een gewoon psychologisch verschijnsel, dat regelmatig voorkomt en dat iedereen weet.

Maar als dit mogelijk is, dan moet ook het omgekeerde mogelijk zijn. Een mens heeft een onderbewustzijn. Dat onderbewustzijn bevat over het algemeen een veelvoud van de impressies en vaak ook de vaar­digheden, die in het bewustzijn direct toegankelijk zijn. Wanneer ik dus in plaats van af te remmen mijn gebied kan uitbreiden (mijn debiet in het denken, de toegankelijkheid tot de psyche), dan kan ik mijn mogelijk­heden uitbreiden. Die uitbreiding van mogelijkheden kan nooit bestaan binnen het kader van de huidige normen op de wereld, omdat die normen zijn gebaseerd juist op het beperkt gebruik van het denkvermogen. Trouwens, leest u maar eens propagandaliteratuur, dan komt u wel tot de conclusie dat het denkvermogen van de meeste mensen wel heel laag wordt aangeslagen door degenen, die denken dat ze denken. Maar als ze zouden denken, zouden ze niet denken zoals ze denken.

De situatie kan ik misschien het best verhelderen, als ik pro­beer iets van de oude magie duidelijk te maken.

Er is een wonderdokter. Die wonderdokter gebruikt medicamenten, die hij door ervaring heeft leren kennen. In zoverre is hij dus gewoon een medicus in de zin van het woord, waarin men het tegenwoordig ook gebruikt, al heeft hij dan geen academische graad. Maar daarnaast drijft hij duivelen uit. Hij peutert zijn patiënten lange wormen of kleine slan­gen uit buik en andere lichaamsopeningen en vertelt dat zij genezen zijn. Dat is kolder. Maar het gekke is, dat deze toverdokters vaak daardoor juist goede resultaten behalen. Hoe komt dat? Omdat de illusie, dat ze een duivel kwijt zijn, voor de mensen betekent dat ze de druk, die ze psychisch en ook lichamelijk van die aanwezige kwaal ondervinden plot­seling verwijderd achten en dus reageren ze alsof die niet aanwezig was. Het magische ritueel of het magische woord op zichzelf doet dus niet veel, maar wel datgene wat daardoor wordt geïmpliceerd. Daardoor verandert de wereld voor de patiënt en blijkt inderdaad dat in vele ge­vallen zijn overlevingskansen aanmerkelijk toenemen; zeker gezien de mid­delen en de omstandigheden.

Maar dat is natuurlijk nog niets. Laten we eens gaan kijken naar een toverdokter, die een demon oproept. Dat is al heel wat dichter bij een tweede werkelijkheid. Hij heeft waarschijnlijk roffelende trommen, gezangen of andere eigenaardige kreten nodig, daarnaast tover‑ en machtwoorden, zegels, zakjes met allerhande geheimzinnige bestanddelen, stokjes die worden uitgegooid, vuren die branden. Dan roept hij die geest op; maar niemand ziet hem. De man praat met die geest. Deze doet dan wat er wordt gevraagd. De geest begint inderdaad de levenskracht van een ander af te tappen. Hoe kan dat?

Indien we uitgaan van de gewone werkelijkheid, dan zeggen we; Nu ja, dat is eigenlijk onzin. Dat kan hoogstens suggestie zijn. Maar nu moet u mij eens vertellen hoe een dergelijke suggestie mogelijk is over enorme afstanden. Bij het zwart‑magisch gebruik van de goena‑goena is het wel voorgekomen, dat mensen uit Indonesië weggingen en tot in Europa wer­den achtervolgd door precies dezelfde kwalen of beelden, waarvoor zij waren weggevlucht. In de meeste gevallen achter, dat moeten wij er met­een bij zeggen, begon het te veranderen zodra zij in de Middellandse Zee kwamen. Nu zult u zeggen: als het een suggestie is, dan kan die afstand geen rol spelen, want dan draagt de patiënt het zelf bij zich. Als er sprake is van een reële werking, dan is die kennelijk niet beperkt, want over een zo grote afstand invloed uitoefenen is toch wel iets bijzonders. Als wij nu de tweede werkelijkheid nemen, dan kunnen we die magie heel gemakkelijk verklaren.

We hebben een wereldje van fijne materie, ongevormde stof (dit is natuurlijk een postulaat, maar neemt u dat nu maar even aan). We noemen dat de astrale wereld. Daarin groepeert de materie zich rond de uitstraling van gedachten als ijzervijlsel in een magneetveld. Iemand, die een gedachte uitstraalt, kan dus een beeld opbouwen. Dat beeld is echter doorgaans niet houdbaar. Stel nu, dat wij een en dezelfde voorstelling door traditie of door steeds gelijkblijvende riten vele malen opbouwen, dan is op den duur een woord genoeg om de hele sequentie van gebeurtenissen en ontwikkelingen kenbaar te maken en de vorm herontstaat. Die vorm wordt geladen met mijn voorstelling. In mijn eigen wereld bestaat hij niet; hij is niet reëel. Maar zolang er psychische factoren zijn, die in het astrale uitwasemen of werkzaam zijn vanuit een ander, kan ik hem aanvallen. Zo kan ik dus met de magie, ook zonder gebruik te maken van allerhande vreemde vergiften inderdaad veel bereiken.

Wat betreft de vergiften, ik vind het heel eigenaardig dat – naar men zegt – gemalen glas vergif is. Gemalen glas is geen vergif. Gehakte haren, ook zo’n volksvergif. Weet u dat het maar zeer zelden schadelijk kan zijn? Het wordt n.l. in het maagzuur voor het grootste gedeelte opgelost. Al die magische recepten zijn eigenlijk voor 9/10 kolder. Er is wel iets van aan, maar niet veel.

Aan de andere kant weten we ook, dat als je van iemand een stukje nagel, wat haar neemt en je werkt dat in het een of ander poppetje, je plotseling een zeer grote invloed op die mens kan uitoefenen. Redelijk bestaat dat niet. Maar de identificatie is ontstaan. Nagel of haar heeft de uitstraling (je zou kunnen zeggen: de eigen golflengte:) van de persoon van wie ze afkomstig zijn. Het beeldje dat ik eromheen maak is eigenlijk bijkomstig. Mijn voorstelling t.a.v. het beeldje is veel belangrijker dan het beeldje zelf. Maar de afstemming daarvan op de persoonlijkheid is juist. Zo kan ik uit mij en voor mij een identificatie van beeldje en persoon bereiken en mijn gedachten uitsturen, zodat die persoon al datgene ondergaat, wat ik het beeldje aandoe. Zeker, het is bijgeloof. Maar het is dan toch wel een bijgeloof dat werkt, als je weet hou het moet werken.

Dit zijn voorbeelden uit wat men “magie” noemt. Maar wat doen de mensen dan eigenlijk anders dan gebruik maken van een tweede werkelijkheid? Praktische raadgevingen voor het algemeen gebruik van de tweede werkelijkheid kun je alleen geven, als de mensen eerst begrijpen dat de tweede werkelijkheid een imaginaire wereld is, die zodanig is verwant aan de eigen wereld, dat je op de een of andere manier iets uit die tweede wereld kunt overbrengen. En als je dat praktisch wilt doen, dan kun je dat doen (ik heb een voorbeeld gegeven t.a.v. kennis), maar je kunt dat zeer zeker ook doen door je zekerheid of je selectiviteit aanmerkelijk te vergroten.

U kent allemaal dat verhaal van die dronken man, die over de nok liep te balanceren. De man had nergens last van het ging allemaal schitterend. Toen diezelfde man nuchter was en een keer uit het dakraampje keek, was hij duizelig. Zou hij toen naar de nok zijn gegaan, dan zou hij zijn doodgevallen. Wat was het verschil? De mentaliteit van de man. Hij zag geen gevaar, dus was hij zeker. Doordat hij zich zeker voelde, was er inderdaad bijna geen gevaar. Die cyclus gebruiken we.

Ik wil een grotere zekerheid, een grotere snelheid van werken of iets dergelijks bereiken. Dan moet ik in mijn tweede werkelijkheid het beeld daarvan zo sterk creëren, dat het voor mij de normale beperkingen van mijn werkelijkheid overschaduwt. Ik moet mij eenvoudig inbeelden, dat ik méér ben dan ik bén. Ik kan dat echter niet algemeen doen. Er zijn veel mensen met een meerwaardigheidscomplex, die juist daarmee hun minderwaardigheid bewijzen. Maar als ik op één bepaald terrein een meerwaardigheid postuleer, blijf ik mijzelf met een ongeremdheid op één gebied.

Wilt u bv. sneller leren lezer, dan kunt u een cursus volgen. Maar u kunt ook voor uzelf eenvoudig stellen dat. u sneller kunt lezen en onthouden. Het eigenaardige resultaat doet zich dan voor, dat – alleen door die suggestie een tijd vol te houden ‑ uw leestijd kunt terugbrengen tot gemiddeld 2/3 van normaal. Heeft u een tijd die leessnelheid aangehouden, dan kunt u haar nog verder reduceren. U kunt tenslotte komen tot een leestijd per bladnorm van ongeveer 1/10 van de normale tijd, met volledig begrip van de inhoud en het onthouden van de voornaamst feiten. Dus wilt u vlugger lezen? Gebruik uw tweede werkelijkheid. Werk zo stimulerend op uzelf.

Heeft u het idee, dat uw omgeving u op de een of andere manier vijandig gezind is? Dan moet u zich eerst eens proberen voor te stel­len hoe die andere gezindheid is. Dan moet u zich voorstellen dat u iets daartegen kunt doen. Leef in uw tweede werkelijkheid het probleem uit en verander daarin uw verhouding tot de anderen. Ga dan met de rustige overtuiging, dat er werkelijk iets is gebeurd in dat opzicht verder in uw werkkring of ga naar die vijandige mensen. Weet u wat het resultaat is? Dat hun vijandigheid wel niet verdwenen is, zoals u heeft gepostuleerd, maar dat zij aanmerkelijk minder is geworden. Want uw eigen gedrag is ontdaan van vele factoren, waardoor die vijandigheid in stand wordt gehouden. Het is allemaal zo logisch.

De meeste mensen denken: de tweede werkelijkheid: o, dat is gewichtig, dat is fantastisch. Als u meent, dat uw uithoudingsvermogen tekort schiet (er zullen wel weinig trotters hier zitten op een sportavond als deze), dan kunt u wel zeggen: 3 kilometer looppas is voor mij veel te veel. U kunt zich ook voorstellen, dat het eigenlijk maar 1/3 van uw capaciteit is. Indien u zich dat voldoende inbeeldt, treedt er inderdaad veel minder vermoeidheid op. Weet u waarom? Omdat de krampverschijnselen, die door uw begrip van uw eigen prestatie ontstaan, wegvallen en daardoor de automatismen van het lichaam veel gemakkelijker de overhand krijgen. U loopt dus aanmerkelijk sneller en gemakkelijker dan u zonder dat zoudt doen.

De tweede werkelijkheid is niet alleen maar iets om grote dingen mee te doen. Ach, er zijn natuurlijk mensen die zeggen: Wij moeten de wereldvrede tot stand brengen. Maar ik heb altijd een tegenzin in genocide gehad. Je moet de mensheid niet uitroeien om der wille van de lieve vrede. Dus ik zou zeggen: dat is een doel dat veel te ver grijpt, vooral omdat er zoveel visies van vrede bestaan, dat daarover alleen reeds oorlogen zijn ontbrand in de loop der tijden. Een dergelijk groot doel kun je langs de weg van de tweede werkelijkheid misschien visualiseren, je kunt het niet praktisch nastreven. Het staat te ver van je eigen werkelijkheid af. Maar je kunt kleine dingen doen. En als u nu een paar heel eenvoudige voorbeelden neemt, dan kunt u misschien begrijpen wat ik wil zeggen.

Als u zegt: Ik ga slapen en ik word om zo laat wakker, want ik heb dit tegen mijzelf gezegd, en u bent ervan overtuigd, dan bent u wakker en meestal aardig op de klok, ofschoon de normmens, die altijd toch nog, enigszins onzeker is, dan vijf tot tien minuten voor de gestelde tijd wakker pleegt te worden. Probeer het zelf eens een keer. Het is de goedkoopste wekker, die er bestaat.

Een ander voorbeeld. Als u op een gegeven ogenblik meer moet doen dan u aankunt, dan moet u beginnen met gewoon te relaxen. Ontspan u even en zeg; “er is niets aan de hand; dat los ik allemaal zo op.” En u gaat rustig stukje voor beetje alles afwerken. U heeft geen haast en laat u niet opjagen. Wat is het resultaat? Dat u veel sneller en juister werkt dan normaal over eenzelfde hoeveelheid werk of zelfs een kleinere. Uw instelling speelt een rol. Maar die instelling, nogmaals, komt voort uit een beeld, dat u eerst in uzelf opbouwt.

Als u bij de baas wordt geroepen en u droomt dat hij u uitkaffert, dan wordt u misschien geroepen voor een goedkeurend klopje op de schouder, maar uw angst voor de uitkaffering zal zeer waarschijnlijk de waardering van uw directeur voor u aanmerkelijk verminderen, want u straalt eenvoudig een zeker wantrouwen, een zekere onrust uit; en daarop zal de man reageren. We leven in een wereld, waarin eigenlijk geen concreet constateerbare werkelijkheid bestaat voor de mens en vanuit een menselijk standpunt. Er zijn wel concrete dingen, maar je kunt er niets mee doen. Want de mens vertaalt, interpreteert, beperkt, verdraait. Daarom kun je heel gemakkelijk diezelfde feiten op een andere manier verdraaien en dan krijg je precies dezelfde resultaten als iedereen pleegt te krijgen in de normale werkelijkheid.

Nu zou ik over die tweede werkelijkheid natuurlijk nog een heel betoog kunnen opzetten, maar het ging hier om de praktische raadgevingen en ik geloof dat hetgeen ik heb gezegd voor praktische toepassing inderdaad vatbaar is. Als u bv. iets werkelijk wilt onthouden, dan moet u zich niet voorstellen, dat dat nu even uit het hoofd wordt geleerd. Stel u voor, dat u het ergens in uw hersens opschrijft. Het is een krankzinnig idee, maar stel u voor, dat u het op een blaadje papier schrijft en het achter uw voorhoofd wegbergt. Ik garandeer u dat u het nooit meer vergeet! Dat is nu de tweede werkelijkheid. Het is gebruik maken van  voorstellingswerelden om zo in je eigen wereld wat te bereiken.

De tweede werkelijkheid gaat natuurlijk veel verder. Zij omvat contacten met andere werelden, met geesten. Zij omvat elementen en mogelijkheden, die in uw eigen wereld ondankbaar zijn. Maar in de praktijk komt het er toch wel hoofdzakelijk op neer, dat je iets, wat je in die andere werkelijkheid eerst hebt geformuleerd en beleefd en gedetailleerd uitgedrukt, wordt overgeheveld naar je eigen wereld.

De tweede werkelijkheid is a.h.w. de injectie van onze wil, die we kunnen geven aan onze z.g. werkelijkheid, waardoor we ons van veel illusies kunnen ontdoen en we de vele mogelijkheden, die wij bezitten ten volle kunnen exploiteren. Je kunt door gebruik te maken van de tweede werkelijkheid nooit meer worden dan je werkelijk bent. Maar je zult altijd meer zijn dan je volgens de verwachtingen van anderen en van jezelf zou moeten zijn.